{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Versie 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden is opgenomen in productie 12 bij processtuk nr. 4 (‘Overzicht producties’) in het door Achmea ingediende cassatieprocesdossier. In het door [de V.O.F.] ingediende cassatieprocesdossier kent processtuk nr. 4 geen productie 12. In dat cassatieprocesdossier is enkel versie 5.4 opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de polis van 10 februari 2016 bestond de dekking voor ‘milieuschade agrarisch’ uit: basismodule, milieudekking top, milieudekking uitgebreide evenementen. Voor de voorwaarden van deze milieuschadeverzekering is in de polis verwezen naar hoofdstuk 7, paragraaf 1, 2 en 3 van de polisvoorwaarden. De dekking voor ‘aansprakelijkheid bedrijf’ betrof volgens de polis: bedrijfsaansprakelijkheid. Voor de voorwaarden van deze bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering is in de polis verwezen naar hoofdstuk 5, paragraaf 1, van de polisvoorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het rapport van [A] BV en [B] BV, dat zich niet tussen de processtukken bevindt, is van 29 september 2014. Zie https://geofoxx.nl/wp-content/uploads/2015/12/inventariserend_onderzoek_erosie_van_asbestdaken.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij brief van 7 september 2012 aan de Tweede Kamer stelde de toenmalige staatssecretaris van infrastructuur en milieu een verbod in het vooruitzicht voor zowel particulieren als bedrijven om vanaf 2024 nog asbestdaken of asbestgolfplaten voorhanden te hebben. Zie Kamerstukken II 2011-2012, 25834, nr. 76. In 2015 werd het “ontwerpbesluit houdende wijziging van het Asbestverwijderingsbesluit 2005 in verband met het invoeren van een verbod op het voorhanden hebben van asbesthoudend materiaal toegepast als dakbedekking” aan de Tweede Kamer toegestuurd (Kamerstukken II 2014-2015, 25834, nr. 93), waarmee een verbod op asbestdaken per 1 januari 2024 werd voorgesteld. Na advies van de Raad van State werd echter besloten dat er een meer solide wettelijke grondslag in de Wet milieubeheer nodig was (Kamerstukken II 2015-2016, 25834, nr. 104). Op 2 februari 2017 werd daartoe een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2016-2017, 34657, nr. 2). Op 16 oktober 2018 werd het wetsvoorstel aangenomen door de Tweede Kamer (Handelingen II 2018-2019, nr. 13, item 10). Op 4 juni 2019 echter werd het wetsvoorstel verworpen door de Eerste Kamer (Handelingen I 2018-2019, nr. 33, item 6). Zie ook het bericht ‘Eerste Kamer dwarsboomt verbod op asbestdaken’ van 4 juni 2019 van de NOS (https://nos.nl/artikel/2287577-eerste-kamer-dwarsboomt-verbod-op-asbestdaken).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:7230, rov. 3.6.2. en 3.6.3. Volgens de rechtbank moeten niet alleen de kosten gemoeid met het verwijderen van de dakplaten, maar ook de kosten gemoeid met het vervangen van de dakplaten worden aangemerkt als bereddingskosten die voor vergoeding onder de milieuschadeverzekering in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit risico is strikt genomen op grond van artikel 10 van de rubriek Bedrijfsaansprakelijkheid van de verzekering uitgesloten van dekking (zie randnummer 1.5 hiervoor). Hierop komt Interpolis echter naar het oordeel van het hof geen beroep toe, kort gezegd omdat zij te laat een beroep had gedaan op deze uitsluiting (rov. 5.13.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 541, J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering. Een hernieuwde beschouwing in het licht van titel 7.17 BW, Deventer: Kluwer 2006, p. 323 en ook F. Stadermann, ‘Hoofdstuk X. De bereddingsplicht’, in J.H. Wansink e.a., Het nieuwe verzekeringsrecht. Titel 7.17 BW belicht, Deventer: Kluwer 2005, p. 147.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 283 lid 1 WvK luidde als volgt: “Behoudens de bijzondere bepalingen ten aanzien van deze of gene soort van verzekering gemaakt, is de verzekerde verpligt om alle vlijt en naarstigheid in het werk te stellen, ten einde de schade te voorkomen of te verminderen, en hij moet, dadelijk na derzelver ontstaan, daarvan aan den verzekeraar kennis geven; alles op straffe van vergoeding van kosten, schaden en interessen, zoo daartoe gronden zijn.” Lid 2 luidde vervolgens aldus: “De onkosten door den verzekerde gemaakt, ten einde de schade te voorkomen of te verminderen, zijn ten laste van den verzekeraar, al ware het dat dezelve, gevoegd bij de geledene schade, het beloop der verzekerde som te boven ging, of de aangewende pogingen vruchteloos zijn geweest.” Zie over deze bepaling onder meer T.J. Dorhout Mees, Schadeverzekeringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967, nrs. 495 e.v., L.C.P.M. Van Acker, ‘De bereddingsplicht van art. 283 Wetboek van Koophandel’, VA 2001, p. 82-85, P. Clausing, Inleiding verzekeringsrecht, Alphen aan den Rijn: Samsom 1998, p. 123-125 en M.L. Hendrikse, Eigen schuld, bereddingsplicht en medewerkingsplicht in het schadeverzekeringsrecht, diss., Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, hoofdstuk 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC3080, NJ 1975/509 m.nt. G.J. Scholten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook P.L. Wery &amp; M.M. Mendel, Hoofdzaken verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus bijvoorbeeld P.L. Wery &amp; M.M. Mendel, Hoofdzaken verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:957 BW is op grond van art. 15 lid 1 Zorgverzekeringswet echter niet van toepassing op de verplichte basiszorgverzekering. Zie Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 543 en M.L. Hendrikse, ‘Hoofdstuk 18. Bereddingsplicht en bereddingskosten’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 643-644. Hoewel deze beperking van art. 15 lid 1 Zorgverzekeringswet niet ziet op de vrijwillige aanvullende zorgverzekering, is daarmee nog niet gezegd dat art. 7:957 BW op dit type verzekering wél van toepassing is. In HR 11 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2701, NJ 1999/664 m.nt. M.M. Mendel (Zorgverzekeraar Oost Nederland), rov. 3.5 heeft Uw Raad namelijk geoordeeld dat het toenmalige art. 283 WvK niet van toepassing was op ziektekostenverzekering. Naar mag worden aangenomen is de redengeving nog actueel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dat laatste onder meer Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 541 en voor het oude recht duidelijk HR 13 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC3080, NJ 1975/509 m.nt. G.J. Scholten (Amercentrale).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 42 en F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 15.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:945 BW uit de afdeling die op schadeverzekering betrekking heeft, bepaalt het volgende: “In deze afdeling wordt onder verzekerde verstaan degene die in geval van door hem geleden schade krachtens de verzekering recht heeft op vergoeding of door aanvaarding van de aanwijzing recht op vergoeding kan krijgen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 357. Zie over verzekering ten behoeve van een derde in het bijzonder F.R. Salomons, Verzekering ten behoeve van een derde, diss., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld F.R. Salomons, Verzekering ten behoeve van een derde, diss., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985-1986, 19529, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 28. Zie ook N. Frenk, Naar echte eigen schuld?, oratie, Amstelveen: deLex 2006, p. 68-69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook randnummer 3.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit voorbeeld is afgeleid van F. Stadermann, ‘Hoofdstuk X. De bereddingsplicht’, in J.H. Wansink e.a., Het nieuwe verzekeringsrecht. Titel 7.17 BW belicht, Deventer: Kluwer 2005, p. 148-149.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1985-1986, 19529, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie J.G.L. Nolst Trenité, Brandverzekering, Haarlem: de erven F. Bohn 1921, p. 175 waar hij betoogde dat de verzekeraar via bepalingen die betrekking hebben op eigen schuld (art. 276 en 294 WvK) al werd beschermd tegen een gebrek aan zorg ter voorkoming van een verzekerd onheil. Zie in dezelfde zin ook J.G.L. Nolst Trenité, Zeeverzekering, Haarlem: de erven F. Bohn 1928, p. 126. Zie verder H. van Barneveld, Inleiding tot de algemene assurantiekennis, Den Haag: Martinus Nijhoff 1966, p. 386 die zijn voorkeur uitsprak voor de opvatting dat het begrip ‘voorkomen’ in art. 283 WvK enkel betrekking heeft op “reddings- en bergingskosten, nadat de schade is ingetreden”.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.G.L. Nolst Trenité, Zeeverzekering, Haarlem: de erven F. Bohn 1928, p. 127.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.G.L. Nolst Trenité, Zeeverzekering, Haarlem: de erven F. Bohn 1928, p. 127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld A.A.W. van Wulfften Palthe, Voorlezingen over Zee-Assurantie, Rotterdam: N.V. Drukkerij M. Wyt &amp; Zonen 1932, p. 78, T.J. Dorhout Mees, Schadeverzekeringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967, nr. 502 en H.J. Scheltema, Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht (bewerkt door F.H.J. Mijnssen), Alphen aan den Rijn: Samsom 1998, p. 234.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7230, NJ 1998/281 m.nt. M.M. Mendel (Forbo), rov. 3.4.3 en ook HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7560, NJ 2007/641 (Staedion), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 545 en F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 26.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 547.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19529, nr. 5 (Nota van wijziging), p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2004-2005, 19529, nr. B (Memorie van Antwoord), p. 22-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband N. Frenk, Naar echte eigen schuld?, oratie, Amstelveen: deLex 2006, p. 70-72 die betoogt dat bij de vraag wat redelijk is vooral van betekenis is welke maatregelen de verzekerde, indien hij niet zou zijn verzekerd, bij normale zorgvuldigheid zou hebben genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.L. Wery &amp; M.M. Mendel, Hoofdzaken verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit HR 10 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0828, NJ 2005/89 m.nt. M.M. Mendel (’t Witte Paerdje), rov. 5.3 volgt dat ook de kosten en de schade die het gevolg zijn van verkeerd uitgevoerde bereddingsmaatregelen voor vergoeding in aanmerking komen. Zie onder meer N.J. Margetson, ‘Van de Parlevliet naar ’t Witte Paerdje’, NTHR 2004/1, p. 22 e.v. en P.J.P. van Huizen, ‘’t Witte Paerdje-arrest past binnen het wettelijk systeem’, NTHR 2019-2/3, p. 98 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 551 en ook Kamerstukken II 1985-1986, 19529, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk is bijvoorbeeld wel dat de verzekeraar de vervangingskosten van de schoorsteen moet vergoeden, omdat het omvallen van de schoorsteen op zichzelf onder de dekking van de verzekering valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Stadermann, ‘Hoofdstuk X. De bereddingsplicht’, in J.H. Wansink e.a., Het nieuwe verzekeringsrecht. Titel 7.17 BW belicht, Deventer: Kluwer 2005, p. 148. Zie ook p. 151.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985-1986, 19529, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie reeds N. Frenk, Naar echte eigen schuld?, oratie, Amstelveen: deLex 2006, p. 73 en ook Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 551. Zie bijvoorbeeld hof Amsterdam 18 januari 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP6224 (Delta Lloyd/SRA Systeem Realisatie Afbouw), rov. 3.8: “(…) In samenhang daarmee dient te worden beoordeeld of SRA met de door haar gekozen maatregel binnen redelijke grenzen is gebleven, waarbij met name acht moet worden geslagen op de mate van dreiging, de omvang van de verzekerde schade die bij verwezenlijking van het risico te verwachten was en de kosten van de maatregel.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7560, NJ 2007/641, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985-1986, 19529, nr. 3 (Memorie van Toelichting), p. 28. In art. 283 lid 2 WvK was dit expliciet bepaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 570.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 571.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt uit de tekst van art. 7:957 lid 3 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 572.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19529, nr. 5 (Nota van wijziging), p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de rechtsfiguur Obliegenheit, toegespitst op het verzekeringsrecht, onder meer N. van Tiggele-van der Velde, ‘Hoofdstuk 8. De Obliegenheit: studeerkamerproject of miskend talent?’, in N. van Tiggele-van der Velde &amp; J.H. Wansink (red.), Bespiegelingen op 10 jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 111-121.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19529, nr. 5 (Nota van wijziging), p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19529, nr. 5 (Nota van wijziging), p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze situatie verder N. Frenk, Naar echte eigen schuld?, oratie, Amstelveen: deLex 2006, p. 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:952 BW luidt als volgt: “De verzekeraar vergoedt geen schade aan de verzekerde die de schade met opzet of door roekeloosheid heeft veroorzaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:952 BW wordt niet genoemd in art. 7:963 BW en is derhalve van regelend recht. In de verzekeringsvoorwaarden kan dan ook, in afwijking van art. 7:952 BW, bepaald worden dat de verzekerde een grotere mate van voorzichtigheid in acht moet nemen dan waartoe hij ingevolge art. 7:952 BW zou zijn gehouden. Zie onder meer F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 21.3 en 21.4 en Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 445. Zo kan een reisverzekering de bepaling inhouden dat diefstalgevoelige persoonlijke bezittingen alleen verzekerd zijn als de verzekerde daar goed op let. Zie Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (Kifid) 8 augustus 2019, nr. 2019-581, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.L. Hendrikse, ‘Hoofdstuk 1. Enige knelpunten aangaande de wettelijke regeling van de bereddingsplicht en de bereddingskosten (art. 7:957 en 7:959 BW)’, in M.L. Hendrikse &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Knelpunten in het verzekeringsrecht – deel 2, Zutphen: Uitgeverij Paris 2009, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 574.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer P.L. Wery &amp; M.M. Mendel, Hoofdzaken verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 82, Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 574 en F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 26.3. Zie ook H.J. Scheltema, Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht (bewerkt door F.H.J. Mijnssen), Alphen aan den Rijn: Samsom 1998, p. 234 e.v., N. Frenk, Naar echte eigen schuld?, oratie, Amstelveen: deLex 2006, p. 64, J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering. Een hernieuwde beschouwing in het licht van titel 7.17 BW, Deventer: Kluwer 2006, p. 337 (toegespitst op aansprakelijkheidsverzekering) en K.W. Brevet, ‘Beredding en eigen schuld’, in N. van Tiggele-van der Velde, J.G.C. Kamphuisen &amp; B.K.M. Lauwerier (red.), Van draden en daden (Wansink-bundel), Deventer: Kluwer 2006, p. 128.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Baron van der Feltz, Beschouwingen over Titel 17 van Boek 7 van het Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Martinus Nijhoff (precieze jaartal onbekend maar rond 1975), p. 258. Van der Feltz betoogt dat enerzijds art. 276 WvK en art. 7.17.2.9 van het voorontwerp van Dorhout Mees (thema: eigen schuld) en anderzijds art. 283 WvK en art. 7.17.2.18 van het voorontwerp (thema: beredding) twee verschillende zaken behandelen, die niets met elkaar hebben uit te staan. Anders dan bij eigen schuld gaat het bij beredding volgens hem om gevallen waarin de verzekerde aan de verwezenlijking van het risico of aan het ophanden daarvan zijn part noch deel heeft. Hem treft geen eigen (merkelijke) schuld, maar hij is wel verplicht tegenover zijn wederpartij, de verzekeraar, in redelijkheid alles te doen om de schade zo klein mogelijk te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A. Blom, ‘Artikel 294 K: voor merkelijke schuld is de gedraging van verzekerde ná het evenement relevant’, Vrb 1993, afl. 3, p. 22 en M.L. Hendrikse, Eigen schuld, bereddingsplicht en medewerkingsplicht in het schadeverzekeringsrecht, diss., Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 174-176.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld M.L. Hendrikse, Eigen schuld, bereddingsplicht en medewerkingsplicht in het schadeverzekeringsrecht, diss., Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 173 en Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 574.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814. Zie over dit arrest A. Blom, ‘Artikel 294 K: voor merkelijke schuld is de gedraging van verzekerde ná het evenement relevant’, Vrb 1993, afl. 3, p. 21-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 294 WvK luidde als volgt: “De verzekeraar is ontslagen van de verpligting tot voldoening der schade, indien hij bewijst dat de brand door merkelijke schuld of nalatigheid van den verzekerde zelven, veroorzaakt is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 276 WvK kende de volgende tekst: “Geene verliezen of schade, door eigen schuld van eenen verzekerde veroorzaakt, komen ten laste van den verzekeraar. Hij vermag zelfs de premie te behouden of te vorderen, indien hij reeds begonnen had eenig gevaar te lopen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 6 van het arrest van het hof, te vinden in de NJ-publicatie van HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest van Uw Raad valt niets te bespeuren van een beroep van de verzekeraar op schending van de bereddingsplicht. Uit de overwegingen van het hof, opgenomen in de NJ-publicatie van het arrest van Uw Raad (NJ 1992/814), blijkt evenmin van een beroep van de verzekeraar op schending van de bereddingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer N. Frenk, Naar echte eigen schuld?, oratie, Amstelveen: deLex 2006, p. 64 en M.L. Hendrikse, Eigen schuld, bereddingsplicht en medewerkingsplicht in het schadeverzekeringsrecht, diss., Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 173-174 die hierbij ook wijst op het Containerbrand-arrest (HR 3 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB8307, NJ 1990/477), dat ook in het teken staat van art. 294 WvK en waarin het eveneens ging om een brand die niet geblust werd (voetnoot 576).</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Scheltema, Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht (bewerkt door F.H.J. Mijnssen), Alphen aan den Rijn: Samsom 1998, p. 234 e.v., J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering. Een hernieuwde beschouwing in het licht van titel 7.17 BW, Deventer: Kluwer 2006, p. 337, F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 26.3 en N. Frenk, Naar echte eigen schuld?, oratie, Amstelveen: deLex 2006, p. 64-65 die betoogt dat samenloop zich vooral zal voordoen in situaties waarbij een op handen zijnde of beginnende schade eenvoudig te voorkomen of te beperken is, maar waarbij, omdat de verzekerde nalaat hiertoe over te gaan, de schade zich aanmerkelijk omvangrijker heeft ontwikkeld. Het enkele niet-nakomen van de bereddingsplicht zal er dan al toe leiden dat de verzekerde de schade vrijwel geheel zelf zal moeten dragen. Daarmee is de sanctie vergelijkbaar met die bij een succesvol beroep op eigen schuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A. Blom, ‘Artikel 294 K: voor merkelijke schuld is de gedraging van verzekerde ná het evenement relevant', Vrb 1993, afl. 3, p. 22, onder 4 en M.L. Hendrikse, ‘Hoofdstuk 1. Enige knelpunten aangaande de wettelijke regeling van de bereddingsplicht en de bereddingskosten (art. 7:957 en 7:959 BW)’, in M.L. Hendrikse &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Knelpunten in het verzekeringsrecht – deel 2, Zutphen: Uitgeverij Paris 2009, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.W. Brevet, ‘Beredding en eigen schuld’, in N. van Tiggele-van der Velde, J.G.C. Kamphuisen &amp; B.K.M. Lauwerier (red.), Van draden en daden (Wansink-bundel), Deventer: Kluwer 2006, p. 133. Hiermee beoogt Brevet in wezen een terugkeer naar de regeling in het voorontwerp van Dorhout Mees. Zie daarvoor M.L. Hendrikse, H.P.A.J. Martius &amp; J.G.J. Rinkes, Parlementaire geschiedenis van het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Boek 7, titel 17 BW. Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 175-176.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.W. Brevet, ‘Beredding en eigen schuld’, in N. van Tiggele-van der Velde, J.G.C. Kamphuisen &amp; B.K.M. Lauwerier (red.), Van draden en daden (Wansink-bundel), Deventer: Kluwer 2006, p. 133-134. Als alternatief stelt hij daar voor dat de tweede zin van lid 1 van art. 7.17.2.18 van het voorontwerp van Dorhout Mees (thans art. 7:957 BW), die het wetsvoorstel niet heeft gehaald, toch weer aan het huidige art. 7:957 lid 1 BW wordt toegevoegd, zodat deze bepaling voor de rechtsgevolgen van schending van de bereddingsplicht naar art. 7:952 BW (eigen schuld) zou verwijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.L. Wery &amp; M.M. Mendel, Hoofdzaken verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 82 en Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 576.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak G./Nationale Nederlanden speelde ook een (sterk) vermoeden van verzekeringsfraude. Zie HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729, NJ 1992/814, rov. 3.1., onder v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet voor niets wordt door T.J. Dorhout Mees, Schadeverzekeringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967, nr. 514 opgemerkt dat ontheffing van de verplichting van art. 283 WvK niet voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19529, nr. 5 (Nota van wijziging), p. 42-43. Zie ook Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 565.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19529, nr. 5 (Nota van wijziging), p. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze problematiek verder F. Stadermann, ‘Hoofdstuk X. De bereddingsplicht’, in J.H. Wansink e.a., Het nieuwe verzekeringsrecht. Titel 7.17 BW belicht, Deventer: Kluwer 2005, p. 156 en Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 567.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7230, NJ 1998/281 m.nt. M.M. Mendel (Forbo), rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 12 van het arrest van het hof te vinden in HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7230, NJ 1998/281 m.nt. M.M. Mendel (Forbo).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7230, NJ 1998/281 m.nt. M.M. Mendel (Forbo), rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7230, NJ 1998/281 m.nt. M.M. Mendel (Forbo), rov. 3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7560, NJ 2007/641 (Staedion). Zie over dit arrest onder meer de annotatie van M. Keijzer-de Korver in JUTD 2008/53. A.L. Krenning &amp; N. Vloemans, ‘Bereddingskosten in het verzekeringsrecht/Sanering van woningen in verband met asbestverontreiniging’, NTHR 2008/1, p. 21 e.v., J.H. Wansink, ‘Kroniek van de algemene aansprakelijkheidsverzekering 2006-2008’, AV&amp;S 2008/45, p. 338-339, M.M.R van Ardenne-Dick, ‘Kroniek bereddingskosten’, AV&amp;S 2011/31, p. 271 e.v. en M.J. Boon, E.M. Bruggeman en D.E. Valle Robles-Roomer, ‘De mr. Sjef: handelsgerechten’, NTHR 2017/5, p. 287 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7560, NJ 2007/641 (Staedion), rov. 3.3, onder (i).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband rov. 3.6 van het Staedion-arrest. Zie ook A.L. Krenning &amp; N. Vloemans, ‘Bereddingskosten in het verzekeringsrecht/Sanering van woningen in verband met asbestverontreiniging’, NTHR 2008/1, p. 24: “Wel hebben verzekeraars in cassatie kennelijk willen betogen dat voor de beoordeling van de vraag of bereddingsmaatregelen nodig waren, gekeken moest worden naar het gevaar dat ‘overbleef’ ná sanering van de woningen. Dit betoog lijkt echter in feitelijke instanties niet voor het voetlicht te zijn gebracht (zie r.o. 3.6 van het arrest van de Hoge Raad).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 5. van het arrest van het hof te vinden in HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7560, NJ 2007/641 (Staedion).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7560, NJ 2007/641 (Staedion), rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AC3080, NJ 1975/509 m.nt. G.J. Scholten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hendrikse spreekt in dit verband van ‘locatieproblemen’: “vallen de gemaakte kosten wel onder art. 283 lid 2 WvK of mag de assuradeur de kostendeclaratie weigeren omdat de kosten zijn gemaakt in het kader van de normale zorgplicht van de verzekerde”. Zie M.L. Hendrikse, Eigen schuld, bereddingsplicht en medewerkingsplicht in het schadeverzekeringsrecht, diss., Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 177.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.L. Hendrikse, H.P.A.J. Martius &amp; J.G.J. Rinkes, Parlementaire geschiedenis van het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Boek 7, titel 17 BW. Verzekering, Deventer: Kluwer 2007, p. 176.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.J. Dorhout Mees, Schadeverzekeringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1967, nr. 502.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook F. Baron van der Feltz, Beschouwingen over Titel 17 van Boek 7 van het Ontwerp voor een nieuw Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Martinus Nijhoff (precieze jaartal onbekend maar rond 1975), p. 256-257.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld F. Stadermann, ‘Hoofdstuk X. De bereddingsplicht’, in J.H. Wansink e.a., Het nieuwe verzekeringsrecht. Titel 7.17 BW belicht, Deventer: Kluwer 2005, die op p. 151 spreekt van “speciale maatregelen die voldoende zijn om het dreigende gevaar weg te nemen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. van Zandvoort, ‘Kroniek Verplichtingen van de verzekerde na schade’, AV&amp;S 2021/11, p. 61 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">H. van Barneveld, Inleiding tot de algemene assurantiekennis, Den Haag: Martinus Nijhoff 1966, p. 387.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 26.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 2.3 van de conclusie voor HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7230, NJ 1998/281 m.nt. M.M. Mendel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 2.3 van de conclusie voor HR 2 mei 1997, ECLI:NL:HR:1997:AG7230, NJ 1998/281 m.nt. M.M. Mendel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als dat niet is gebeurd, kunnen de kosten van dergelijke maatregelen uiteraard in een inmiddels ontstane situatie van onmiddellijk dreigend gevaar niet als bereddingskosten ten laste van verzekeraar worden gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook M.L. Hendrikse, Eigen schuld, bereddingsplicht en medewerkingsplicht in het schadeverzekeringsrecht, diss., Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 177-178 die enkele al wat oudere uitspraken van de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf bespreekt waarin ook de verbanden met het onmiddellijk dreigend gevaar en het thema eigen schuld aan de orde komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo bijvoorbeeld ook A.L. Krenning &amp; N. Vloemans, ‘Bereddingskosten in het verzekeringsrecht/Sanering van woningen in verband met asbestverontreiniging’, NTHR 2008/1, p. 22, T.J. Dorhout Mees, De CAR-verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 489 en N. van Tiggele-van der Velde, Bewijsrechtelijke verhoudingen in het verzekeringsrecht, diss., Deventer: Kluwer 2008, p. 175.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.L. Krenning &amp; N. Vloemans, ‘Bereddingskosten in het verzekeringsrecht/Sanering van woningen in verband met asbestverontreiniging’, NTHR 2008/1, p. 22-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.L. Krenning &amp; N. Vloemans, ‘Bereddingskosten in het verzekeringsrecht/Sanering van woningen in verband met asbestverontreiniging’, NTHR 2008/1, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bereddingsplicht van verzekerde jegens de verzekeraar en de verplichtingen van verzekerde jegens derden kunnen in een situatie van een onmiddellijk dreigend gevaar inderdaad samenvallen. Zie bijvoorbeeld ook Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 548. Bijzondere maatregelen en normale voorzorgen vallen echter niet samen. In dat verband is bepalend of het gaat om maatregelen die gericht zijn tegen een abstract gevaar (normale voorzorgen) dan wel om specifieke maatregelen die geëigend zijn in situatie waarin een concreet gevaar dreigt. De formulering van het hof in het bestreden arrest in de slotzin van rov. 5.26. is tegen deze achtergrond ook ongelukkig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.M.R. van Ardenne-Dick, ‘Kroniek bereddingskosten’, AV&amp;S 2011/31, p. 276 en verder A.L. Krenning &amp; N. Vloemans, ‘Bereddingskosten in het verzekeringsrecht/Sanering van woningen in verband met asbestverontreiniging’, NTHR 2008/1, p. 23, J.H. Wansink, ‘Kroniek van de algemene aansprakelijkheidsverzekering 2006-2008’, AV&amp;S 2008/45, p. 338-339 en N. Vloemans, ‘Hoofdstuk 7. De bereddingsplicht’, in N. van Tiggele-van der Velde &amp; J.H. Wansink (red.), Bespiegelingen op 10 jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 102.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld S. van Zandvoort, ‘Kroniek Verplichtingen van de verzekerde na de schade’, AV&amp;S 2021/11, p. 61 (inclusief voetnoot 62) en N.M. Brouwer, ‘‘Vlijt en naarstigheid’ in een digitale wereld: eigen schuld en beredding in de context van de cyberverzekering’, AV&amp;S 2019/23, p. 127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 6.18 tot en met 6.20 van de conclusie van antwoord (het vergoeden door Interpolis van een nieuw dak komt niet voor vergoeding in aanmerking) en randnummers 12.1-12.2 van de memorie van grieven (misbruik van verzekering en strijd met de redelijkheid en billijkheid). In randnummer 11.43 van de memorie van grieven lees ik geen (voldoende duidelijk) beroep op strijd met het indemniteitsbeginsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft zich in deze procedure wel uitgelaten over het beroep van Interpolis op (strijd met) het indemniteitsbeginsel. Zie Rb. Zeeland-West-Brabant 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:7230 (niet gepubliceerd), rov. 3.6.2. waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het indemniteitsbeginsel niet in de weg staat aan het vervangen van de asbesthoudende dakplaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.M.R. van Ardenne-Dick, ‘Kroniek bereddingskosten’, AV&amp;S 2011/31, p. 276 en ook N. Vloemans, ‘Hoofdstuk 7. De bereddingsplicht’, in N. van Tiggele-van der Velde &amp; J.H. Wansink (red.), Bespiegelingen op 10 jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 104, die erop wijst dat misbruik van verzekering alleen in extreme gevallen kan worden aangenomen. Zie in dit verband HR 12 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1581, NJ 2007/371 m.nt. M.M. Mendel (Gemeente Eindhoven/Allianz), rov. 4.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">N. Vloemans, ‘Hoofdstuk 7. De bereddingsplicht’, in N. van Tiggele-van der Velde &amp; J.H. Wansink (red.), Bespiegelingen op 10 jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 102-104. Zie ook N.M. Brouwer, ‘‘Vlijt en naarstigheid’ in een digitale wereld: eigen schuld en beredding in de context van de cyberverzekering’, AV&amp;S 2019/23, p. 127, die het volgende opmerkt over het Staedion-arrest: “De kosten van normaal onderhoud lijken in dit arrest iets te gemakkelijk te zijn afgewenteld op de aansprakelijkheidsverzekeraar. Indien een verzekerde immers lang genoeg geen algemene voorzorgsmaatregelen treft, krijgt zij vanzelf te maken met een onmiddellijk dreigend gevaar op schade. Het is onwenselijk en ook onjuist als een verzekerde die zijn algemene onderhoudsplicht verzaakt, de kosten voor de noodmaatregelen kan claimen bij haar verzekeraar. Dit kan strijdig zijn met het indemniteitsbeginsel en/of het vereiste van onzekerheid (artikel 7:925 BW), of zelfs misbruik van verzekering (artikel 6:248 lid 2 BW) opleveren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, p. 3 en ook randnummer 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 4. tot en met 13. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 7. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slotzin van rov. 5.26. luidt als volgt: “Slechts indien en voor zover de bijzondere maatregel samenvalt met de normale voorzorgsmaatregelen, kan plaats zijn voor het vergoeden van de kosten daarvan als bereddingskosten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft het verwijderen van de asbesthoudende dakplaten althans, niet wat betreft het plaatsen van nieuwe daken (zie de laatste twee zinnen van rov. 5.27.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 8. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 9. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van comparitie, gehouden op 5 juli 2018, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Interpolis voert in het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep aan dat met de door [de V.O.F.] te treffen maatregel geen verzekerde schade wordt voorkomen, omdat, kort gezegd, zij inmiddels de verzekeringsvoorwaarden heeft aangepast. Dit argument gaat evenwel niet op. Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep slaagt niet. Zie randnummers 5.5 e.v. hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord, randnummer 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 10. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 11. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 3.8. van de schriftelijke toelichting van Interpolis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter controle heb ik hoofdstuk 7 (‘Milieu’) van versie 5.3 en van versie 5.4 van de polisvoorwaarden met elkaar vergeleken. Wat het onderwerp asbest betreft verschillen de daarin opgenomen bepalingen aanzienlijk van elkaar. Hoofdstuk 7 van versie 5.3 kent, anders dan hoofdstuk 7 van versie 5.4, geen specifieke op asbestschade gerichte bepalingen, naar ik vermoed omdat Interpolis ten tijde van versie 5.3 het risico op bodemvervuiling door asbesthoudende daken in agrarisch gebied nog niet (voldoende) in beeld had. In hoofdstuk 5 (‘Aansprakelijkheid’) van versie 5.3 is overigens wel asbest van de dekking uitgesloten. Hierop komt Interpolis echter naar het oordeel van het hof geen beroep toe, kort gezegd omdat zij te laat een beroep had gedaan op deze uitsluiting (rov. 5.13.). Zie randnummer 3.1 hiervoor (voetnoot 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dupliek van Interpolis, randnummer 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In randnummer 3.5. van haar schriftelijke toelichting stelt Interpolis het volgende: “Op de verzekeringen waren ten tijde van de melding de Verzekeringsvoorwaarden Bedrijven Compact Polis Agrarisch, versie 5.3, van januari 2014 van toepassing. Na 2015 zijn de polisvoorwaarden gewijzigd en is schade ten gevolge van asbest zoals in deze procedure gevorderd, niet meer gedekt zoals op zichzelf niet in geschil is in deze procedure.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het staat niet ter discussie dat [de V.O.F.] nog niet is overgegaan tot bodemsanering. Zie randnummer 1.1. van de schriftelijke toelichting van Interpolis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband randnummer 3.67 onder (v) hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In randnummer 3.6. van de schriftelijke toelichting van Interpolis staat het volgende: “Sanering van de asbestvervuiling van de bodem is een gedekt belang onder de verzekering en polisvoorwaarden die op dat moment golden, omdat de poliswijziging toen nog niet van kracht was. Theoretisch bezien is het zo dat alleen de destijds aanwezige vervuiling gesaneerd zou moeten worden voor rekening van Interpolis. Praktisch gezien is het niet goed mogelijk om later ontstane vervuiling, van de vervuiling die destijds al aanwezig was, te onderscheiden, waardoor het erop neer komt dat Interpolis voor haar rekening de grond zoals die op het moment van sanering is, zal saneren. Alles wat na deze sanering eventueel nog aan asbestvervuiling vanuit de daken zal ontstaan, moet opnieuw worden gemeld bij Interpolis waarna weer zal worden gekeken of de nieuw ontstane schade onder de op dat moment van toepassing zijnde verzekering(svoorwaarden) valt. Asbestschade ontstaan na de wijziging van de polisvoorwaarden komt bij [de V.O.F.] op grond van de geldende polisvoorwaarden niet voor vergoeding in aanmerking. Daarmee kan van het voorkomen van gedekte schade door het in de toekomst laten verwijderen van daken geen sprake zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan is overigens ook Interpolis uitgegaan. Zie de brief van Interpolis van 14 januari 2016 (productie 3 bij de inleidende dagvaarding). In deze brief staat het volgende: “Wij nemen de verzekeringsvoorwaarden van de BCP Agro versie 5.3 rubriek Milieu, als uitgangspunt, want deze voorwaarden zijn voor u nog van kracht tot 1 januari 2016. Zie ook randnummer 4. van de pleitaantekeningen van de advocaat van [de V.O.F.] in eerste aanleg, waarin uit de brief van Interpolis van 14 januari 2016 geciteerd wordt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 3.7. van de schriftelijke toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 31. van de pleitnota van Interpolis in eerste aanleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 7.3 van de memorie van grieven.</p></div>", "next": 0}