{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Vgl. o.m. Van Wijk/Konijnenbelt &amp; Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, p. 458, Schlössels &amp; Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat Band 1 (HSB) 2017, nr. 698, N. Verheij, De Wahv en de Abw’, VRA 2000, onder 4.3, en G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Mon. BW A26a), p. 76/77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de door het hof in rov. 6.2 sub c aangehaalde passage uit Kamerstukken II 1987-1988, 20 329, nr. 3, p. 16, waarin op dit punt mede naar de wettekst wordt verwezen. Anders dan het hof zegt, gaat die passage niet over art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Mon. BW A26a), par. 9b, met verwijzing naar de relevante rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 16 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0718, NJ 1993/638 m.nt. M. Scheltema, AB 1993/40 m.nt. F.H. van der Burg (Vulhop/Amsterdam), rov. 3.3, HR 5 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2418, NJ 1998/47, AB 1998/175, rov. 3.3, en HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1802, NJ 2011/89 m.nt. M.R. Mok, AB 2011/25 m.nt. G.A. van der Veen (ARS/Staat), rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat verband wordt gesproken over de formele rechtskracht van de uitspraak van de bestuursrechter, net als over de (formele) rechtskracht wordt gesproken van uitspraken van de burgerlijke rechter. Zie G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Mon. BW A26a), par. 9a, onder (iii).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie recent HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391 m.nt. J. Spier, AB 2019/519 m.nt. C.N.J. Kort-mann, rov. 2.8.2 en 2.8.3, waarin een deel van de hier genoemde regels wordt herhaald. Zie verder bijvoorbeeld uitvoerig het deels al genoemde rechtspraakoverzicht bij G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Mon. BW A26a), par. 9a en 9b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dus dan het hof in rov. 6.2 sub c en 8.1 tweede gedachtestreepje lijkt te impliceren. Geen van partijen heeft dergelijke rechtspraak ook aangehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een en ander HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1914, NJ 1997/163 m.nt. M. Scheltema (Bedrijfsvereniging/Heijboer), HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588, NJ 1998/526 m.nt. A.R. Bloembergen, AB 1998/231 m.nt. Th.G. Drupsteen, HR 17 december 1999, NJ 2000/88, m.nt. A.R. Bloembergen (Castricum/Fatels) en HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1705, NJ 2013/422 m.nt. J.W. Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij kan daarvoor overigens ook nog steeds bij de bestuursrechter terecht. Zie de toelichting op titel 8.4 Awb, Kamerstukken II 2011-2012, 32 621, nr. 3, p. 44. Zie voorts T&amp;C Awb, aantek. 6b op art. 8:1 Awb (Borman), onder het kopje ‘Procesbelang bij andere schade’, met vermelding van vele uitspraken van de hoogste bestuursrechters.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook H.E. Bröring, K.J. de Graaf e.a., Bestuursrecht 1, p. 514, en B.J. Schueler, Schadevergoeding en de Awb, Monografieën Awb B7, nr. 7.4.1, aangehaald door de Staat in de namens hem gegeven schriftelijke toelichting onder 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Van Wijk/Konijnenbelt &amp; Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, par. 13.4, met verwijzing naar ABRvS 27 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8147, AB 2007/243, JB 2007/164.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2866, AB 2018/360 m.nt. M.A.J. West en JB 2018/169 m.nt. L.M. Koenraad, rov. 8.2. Zie ook T&amp;C Awb, art. 7:25 Awb (Verbeek). Uiteraard kan ook de wettelijke regeling waarin het administratief beroep wordt opengesteld, genoemde terughoudendheid voorschrijven of meebrengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Schlössels, Schutgens en Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat: 2. Rechtsbescherming Overheidsaansprakelijkheid, zevende druk 2019, p. 498.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1006, NJ 1993/642 m.nt. M. Scheltema en het door het hof genoemde HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1705, NJ 2013/422 m.nt. J.W. Zwemmer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Genoemd oordeel kan de beslissing van het hof dan ook niet dragen. Gelet op een en ander wordt dit oordeel hier verder niet besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts een aantal van de beslissingen van 7 mei 2014 is overgelegd en wel als productie A bij memorie van grieven en productie 9 bij memorie van antwoord (telkens zonder de tweede bladzijde; kennelijk bevat deze volgens partijen geen relevante informatie). De precieze reden voor de vernietiging heeft de Staat aangevoerd bij conclusie van antwoord onder 2.12. De vaststellingen van rechtbank en hof zijn te vinden in respectievelijk rov. 2.13 en rov. 1.12 van hun uitspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de goede orde stip ik hier terzijde even aan dat het middel het oordeel van het hof in rov. 8.2 derde gedachtestreepje bestrijdt dat geen sprake is geweest van een verschoonbare termijnoverschrijding. Die bestrijding is mijns inziens echter duidelijk tevergeefs. Zie hierna in 3.47-3.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik denk dat de hiervoor in 3.11 gesignaleerde onduidelijkheid van het oordeel van het hof en de minder juiste elementen in rov. 8.3 van zijn arresten verklaard kunnen worden door het feit dat het hof met deze eigenaardigheid heeft geworsteld. Kennelijk heeft het immers aan genoemd gevolg willen ontkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Van Wijk/Konijnenbelt &amp; Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, par. 14.36 en de hierna te noemen uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 23 november 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer ABRvS 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7020. Vgl. voorts opnieuw bijv. Van Wijk/Konijnenbelt &amp; Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, par. 14.36, alsmede T&amp;C Awb, aantek. 3 op art. 4:6 Awb (De Poorter).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is sinds 2010 anders voor sommige belastingaanslagen inkomstenbelasting op grond van het toen ingevoerde art. 9.6 Wet IB 2001. Dit artikel bepaalt dat een weigering om ambtshalve terug te komen van die aanslagen wel een voor bezwaar en beroep vatbare beschikking oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1042, NJ 1995/73, m.nt. M. Scheltema (Océ/Waterschap), rov. 3.6. Dit is een arrest van de civiele kamer omdat geen rechtsingang bij de belastingrechter openstond tegen de weigering om terug te komen. Die rechtsingang bestaat, behoudens in de in voetnoot 34 genoemde gevallen, thans nog steeds niet, nu nog steeds alleen beroep bij de belastingrechter openstaat in de door de wet genoemde gevallen (het zogeheten gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht) en die openstelling op het onderhavige punt ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0718, NJ 1993/638 m.nt. M. Scheltema, AB 1993/40 m.nt. F.H. van der Burg (Vulhop/Amsterdam), rov. 3.3, hiervoor in voetnoot 17 al aangehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dezelfde zin onder meer de eveneens hiervoor in voetnoot 17 al aangehaalde arresten HR 5 september 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2418, NJ 1998/47, AB 1998/175, rov. 3.3, en HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1802, NJ 2011/89 m.nt. M.R. Mok, AB 2011/25 m.nt. G.A. van der Veen (ARS/Staat), rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 11 februari 2009, AB 2009/135 m.nt. A.T. Marseille. Marseille zet in zijn noot uiteen dat deze uitspraak zich al aankondigde in andere uitspraken van de Centrale Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitvoerig over een en ander G. Snijders, ‘Verplicht terugkomen bij uitzondering?’, in: M. Keulaerds e.a. (red.), Liber Amicorum Eric Grabandt, Bju: Den Haag 2012, p. 336-342.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, AB 2017/101 m.nt. H.E. Bröring, AA20170321 m.nt. A.T. Marseille, JB 2017/7 m.nt. L.J.M. Timmermans. Sindsdien is dit vaste rechtspraak van de Afdeling. Zie rechtspraak.nl op genoemd ECLI-nummer.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 31 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:364.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 24 mei 2017, ECLI:NL:CBB:2017:190.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Afdeling lijkt zelfs de benadering van Océ/Waterschap geheel te volgen in het later gewezen ABRvS 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, AB 2019/436 m.nt. T.N. Sanders, rov. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus uitdrukkelijk de in voetnoot 37 genoemde arresten van de Hoge Raad van 5 september 1997 en 17 december 2010 alsmede HR 20 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:58, NJ 2017/50, AB 2017/171, rov. 3.4.3. Als gezegd vormt de bevoegdheid van de burgerlijke rechter in belastingzaken een uitzondering, die een gevolg is van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als het gaat om een besluit met een duurkarakter kan uiteraard worden gedifferentieerd naar periode, maar dat maakt voor het principe dat vernietiging, intrekking en herroeping de gelding aan het besluit ontneemt niet uit. De vernietiging, intrekking en herroeping gelden dan immers voor de periode waarvoor deze plaatsvinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie opnieuw hiervoor in 3.8, en met name het arrest Vulhop/Amsterdam en de in voetnoot 37 genoemde arresten. Als een termijnoverschrijding verschoonbaar is (dus niet toerekenbaar is), kan de belanghebbende nog wel bij de bestuursrechter terecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het aannemen van de verplichting tot terugkomen is genoemd bezwaar niet of minder verbonden, nu, zoals aan het slot van 3.20 opgemerkt, daarover vrijwel steeds door de bestuursrechter zelf zal moeten worden geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitoefening van deze bevoegdheid is geregeld in een aanwijzing van het College voor Procureurs-Generaal. Zie achtereenvolgens de Aanwijzing administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften en de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en gedragingen als bedoeld in de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften die verschillende jaren hebben gegolden (zie voor de periode die in dit geding van belang is onder meer Stcrt. 2008/19, p. 27, Strct. 2011/22821, Stcrt. 2012/8301, Stcrt. 2012/27251, Stcrt. 2013/11376 en Stcrt. 2013/30118), telkens onder het kopje ‘correctie-politie’. Sinds 2015 is deze regulering te vinden in de Handleiding feitgecodeerde Misdrijven, Overtredingen en Muldergedragingen, uitgegeven door de Commissie feiten en tarieven van het OM, welke handleiding niet formeel wordt gepubliceerd (maar wel als bijlage bij andere publicaties op internet is te vinden). Volgens die regeling heeft een opsporingsambtenaar de toestemming van het OM nodig om een onherroepelijke boete wegens een fout in te trekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook dit oordeel wordt in cassatie namens [eiseres] bestreden en ook die bestrijding is mijns inziens tevergeefs. Zie hierna in 3.39-3.43 en 3.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T&amp;C Awb, aantek. 2 op art. 6:7 Aw en aantek. 1 op art. 6:9 Awb (De Poorter), met verwijzing naar ABRvS 5 december 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AN5091 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), AB 1996/298 m.nt. A.F.M. Brenninkmeijer, ABRvS 17 september 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AK4037, AB 2004/7 m.nt. A.G.A. Nijmeijer, HR 22 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8419, BNB 2001/28, JB 2000/343, rov. 3.3, en HR 13 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ4291, AB 2011/158 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, rov. 3.3.4. Zie inmiddels ook HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, AB 2021/243 m.nt. L.M. Koenraad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1987-1988, 20 329, nr. 3, p. 8 (memorie van toelichting). Zie ook Kamerstukken II 1988-1989, 20 329, nr. 9, p. 1 (nota naar aanleiding van eindverslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een nadere beschrijving van de gang van zaken bij de automatische beboeting onder 12-14 van de vordering tot cassatie in het belang der wet van A-G Harteveld voor HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:240, NJ 2016/404 m.nt. B.F. Keulen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook A-G Harteveld in zijn vordering tot cassatie in het belang der wet voor genoemd HR 16 februari 2016, onder 33 slot en 35, na eerst onder 32-33 en 35 erop te hebben gewezen dat (uiteraard) de systemen erop zijn gericht en op moeten zijn gericht om onterechte boetes zoveel mogelijk te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:240, NJ 2016/404 m.nt. B.F. Keulen, door het hof aangehaald in rov. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997-1998, 25 927, nr. 3, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1990-1991, 22 030, nr. 3, p. 28/29 en 30, ook aangehaald door de Staat bij dupliek onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus duidelijk het in Kamerstukken II 1987-1988, 20 329, nr. 3, p. 41, genoemde voorbeeld dat de eigendomsoverdracht van een auto wel op het postkantoor is gemeld, maar nog niet in het register is verwerkt (wat toentertijd nog een week kon duren, blijkens die passage). Mocht verwijtbaar onzorgvuldig zijn gehandeld door de overheid bij het bijhouden van het register, dan kan dat natuurlijk wel een grondslag zijn voor een vordering uit onrechtmatige daad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1987-1988, 20 329, nr. 3, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 19 oktober 2004, no. 66273/01, NJ 2005/429 (Falk vs Nederland), en EHRM 13 februari 2012, no. 7094/06, NJ 2013/484 m.nt. E.J. Dommering en AB 2012/275 m.nt. T. Barkhuysen en M.L. van Emmerik (Romet vs Nederland), door het hof aangehaald in rov. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zaak is de Hoge Raad bekend uit HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2368, en HR 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1170 (beide art. 81 RO), betreffende de cassatieberoepen tegen de arresten van het hof Den Haag die de rechtbank in rov. 4.18 van haar vonnis heeft genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit HvJ EU 18 december 2008, C-349/07, kan worden afgeleid dat het ook HvJ EU een stelsel als dat van de Wahv aanvaardbaar oordeelt. Zie daarover nader de conclusie van A-G Harteveld, onder 27, hiervoor genoemd in voetnoot 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 1999/37/EG van de Raad van 29 april 1999 inzake de kentekenbewijzen van motorvoertuigen, Publicatieblad EG L. 138/57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dat laatste standpunt – art. 33 lid 1 Kentekenreglement is onverbindend – onder meer onder 22 van het schriftelijk pleidooi van [eiseres] in hoger beroep, waarnaar aan het slot van subonderdeel 1.5 van het middel wordt verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">K.B. van 6 oktober 1994, Stb. 1994/760.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de toelichting op de bepaling in het oorspronkelijke besluit, Stb. 1994/760, p. 47/48. Naar ik begrijp, verzet de RDW zich in verband met de betrouwbaarheid van het register tegen wijzigingen met terugwerkende kracht in het register. Zie de hierna (nader) te noemen uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak uit 2016 en 2020, waarin dit beleid goeddeels wordt gerespecteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook ABRvS 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:89, rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook HvJ EU 6 september 2012, C-150/11, rov. 73-75, en HvJ EU 24 januari 2019, zaak C-326/17, rov. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de considerans onder 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het K.B. van 3 mei 2004, Stb. 2004/219, waarbij de implementatie heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2681, rov. 5.2, waarin de Afdeling tevens in het midden laat of een melding door de Oostenrijkse autoriteiten de RDW zou hebben verplicht tot aanpassing van het kentekenregister (kennelijk is de gedachte van de Afdeling dat dit alleen dient te gebeuren op een melding van de kentekenhouder zelf).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het voorgaande volgt dat de onjuistheid van de door de officier van justitie vernietigde beschikkingen een gevolg is van het feit dat [eiseres] niet heeft voldaan aan haar meldingsplicht van art. 33 Kentekenreglement. Het is de vraag of in het geval dat de onjuistheid van het vernietigde besluit is te wijten aan de belanghebbende zelf, doordat hij onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven aan het bestuursorgaan, de onjuistheid van het besluit nog wel een onrechtmatige daad van het bestuursorgaan kan opleveren en, zo ja, of die onrechtmatige daad dan wel toerekenbaar is in de zin van art. 6:162 leden 1 en 3 BW. Rechtspraak van de Hoge Raad hierover ontbreekt bij mijn weten. Wel is er een arrest waaruit kan worden afgeleid dat in dat geval sprake is van eigen schuld (het ging in die zaak niet om een vernietiging van een besluit). Zie HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6660, NJ 2005/170, AB 2005/285 m.nt. F.J. van Ommeren (Woningsubsidie Roozendaal). Zie ik het goed dan heeft de Staat echter geen beroep gedaan op niet-toerekenbaarheid ex art. 6:162 lid 1 BW of op eigen schuld, maar alleen op het feit dat geen sprake is van een onrechtmatige daad omdat de onjuistheid van de beschikkingen is te wijten aan genoemde niet-nakoming door [eiseres] van haar meldingsplicht. Het hof heeft hierover echter niet beslist. In cassatie behoeft hierover dus ook geen beslissing te worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat feit heeft bij de beslissingen van de officier van justitie van 7 mei 2014 dan ook evenmin een rol gespeeld, blijkens de vaststaande feiten (zie hiervoor in 2.1 onder (xii)) en de vaststelling van het hof in rov. 8.3. Voor de officier volstond immers al dat de auto al vernietigd bleek te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1, NJ 2018/420 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.2, en vergelijk de daar genoemde uitspraken, alsmede HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738, NJ 2019/213 en AB 2019/418 m.nt. A.H.J. Hofman en G.A. van der Veen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:674, en CRvB 14 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:926.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar HR 22 juni 1988, BNB 1988/292, rov. 3.2 en 3.4 (het subonderdeel vermeldt twee keer abusievelijk 1998), alsmede HR 21 april 1993, BNB 1993/184.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een en ander bijvoorbeeld Schlössels, Schutgens en Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat : 2. Rechtsbescherming Overheids-aansprakelijkheid, zevende druk 2019, nr. 822, p. 191, en A.T. Marseille en H.D. Tolsma (red.), in: Bestuursrecht 2, Rechtsbescherming tegen de overheid, Den Haag: Bju 2019, 4.4.5, beide met vermelding van meer rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord 4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Leeuwarden 23 december 2009, ECLI:NL:GHLEE:2009:BP3020, rov. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 18 januari 2018, ECLI: NL:GHARL:2018:587, rov. 9 en 10, alsmede de andere uitspraken van het hof die worden aangehaald in de schriftelijke toelichting van de Staat onder 5.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een en ander de memorie van antwoord van de Staat onder 4.14-4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord 4.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van antwoord van de Staat onder 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de diverse oproepen voor de behandelingen van de vorderingen tot de machtigingen tot gijzeling zouden niet ontvangen zijn door [eiseres] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie par. 56 en 57 van de uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting onder 5.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat uitgangspunt is op zichzelf juist. Zie HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, NJ 2016/262 m.nt. H.J. Snijders (Staat/Privacy First), rov. 3.3.3 en HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, NJ 2017/46 m.nt. T. Barkhuysen en M. Claessens (Universiteiten/SCAU), rov. 4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Kamerstukken II 1987-1988, 20 329, nr. 3, p. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer m.b.t. uitspraken van de burgerlijke rechter HR 27 januari 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0608 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1989/588 m.nt. W.H. Heemskerk (Jamin/Geels) en HR 4 mei 1990, ECLI:NL:PHR:1990:AB8764, NJ 1990/677 (De Thuishaven) en m.b.t. uitspraken van de strafrechter HR 16 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AC9996, NJ 1988/841 m.nt. M. Scheltema en G.J.M. Corstens en HR 5 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD7257 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), NJ 1990/313. Zie voor meer uitspraken Asser Procesrecht/R.J.B. Boonekamp, Deel 6. Kort geding, Deventer: Wolters Kluwer 2020, aant. 41, en G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel (Mon. BW A26a), nr. 11b.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Wahv wordt niet de regel gehanteerd dat de niet-inachtneming van fundamentele waarborgen waardoor van een eerlijk proces geen sprake is (en dus sprake is van strijd met art. 6 EVRM), een uitzondering rechtvaardigt op een wettelijk rechtsmiddelverbod. Zie HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1306 en de conclusie van A-G Knigge voor dat arrest, onder 6. Dat betekent dat een schending van art. 6 EVRM door de kantonrechter bij de verlening van een machtiging tot gijzeling, waartegen het nationale recht op grond van art. 13 EVRM een ‘effective remedy’ moet kennen, bij de burgerlijke rechter aan de orde moet worden gesteld, als restrechter. Vgl. HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3167, NJ 2005/131, AB 2004/439 m.nt. G.A. van der Veen, waarin is beslist dat in het geval van die schending plaats is voor een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport van 12 november 2015, rapportnummer 2015/160. Namens [eiseres] is ook in hoger beroep naar dat rapport verwezen in de memorie van grieven. Het middel verwijst niet naar dat rapport. Vandaar dat pas op deze plaats in deze conclusie op het rapport wordt ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat volgt uit de aard van de gijzelingsmaatregel, die een pressiemiddel is om iemand aan te zetten tot het nakomen van zijn verplichtingen, en niet een vervangende sanctie, zoals de vervangende gevangenisstraf is. Dat is mede ten aanzien van de gijzeling op grond van art. 28 Wahv met zoveel woorden uitgesproken in de geschiedenis van verwante wetgeving, te weten die van de Wet Openbaar Ministerie-afdoening (Kamerstukken II 2003-2004, 29 849, nr. 3, p. 81), zoals de Nationale Ombudsman op p. 10 en 47 van zijn rapport signaleert. De rechtspraak is dan ook in die zin gevestigd. Zie T&amp;C Strafrecht, aantek. 1 op art. 28 Wahv (Van der Hulst/Diesfeldt), met vermelding van meerdere uitspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie kort hoofdstuk 7 van het rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de schriftelijke toelichting onder 4.6 wordt nog toegevoegd dat de tekst van de oproep voor de behandeling van de vordering tot de machtiging voor de gijzeling (geciteerd onder 4.4 van de schriftelijke toelichting) voor een leek als [eiseres] bepaald niet duidelijk is, maar dat betreft volgens mij een nieuw feitelijk en dus niet toelaatbaat novum in cassatie, dat bovendien haaks staat op de eigen stelling van [eiseres] dat zij de oproep niet heeft ontvangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft wel op grond van een eigen uitlating van [eiseres] bij de comparitie van partijen (proces-verbaal onder 20) als vaststaand aangemerkt dat de partner van [eiseres] de post voor haar weghield (rov. 2.7), maar tegen die vaststelling is namens [eiseres] in hoger beroep gegriefd als zijnde nergens op gebaseerd (memorie van grieven onder 16) en het hof heeft die vaststelling dan ook niet van de rechtbank overgenomen.</p></div>", "next": 0}