{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Onder deze omstandigheden is belanghebbende aan te merken als de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden. De eis dat belanghebbende, toen zij de dividendbewijzen inwisselde, eigenaar van de onderliggende aandelen zou moeten zijn, wordt in het Verdrag niet gesteld. Voorts is niet van belang dat belanghebbende de dividendbewijzen kocht toen het dividend al gedeclareerd was, daar de vraag wie de uiteindelijk gerechtigde tot het dividend is, niet dient te worden beoordeeld naar het tijdstip waarop het dividend wordt gedeclareerd, doch naar het tijdstip waarop het dividend ter beschikking wordt gesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Brunschot annoteerde in BNB 1994/217: “1. Wat onder “beneficial owner''/”de uiteindelijk gerechtigde'' moet worden verstaan bij de toepassing van het verdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk en overigens ook van de talrijke andere verdragen die in navolging van het OESO-modelverdrag die terminologie bezigen, is nauwelijks problematisch te noemen. Romyn (M. Romyn, Wie geniet inkomsten voor verdragsdoeleinden? Van Dijckbundel, blz. 319) zegt: ,,Tekst noch commentaar van het OESO-modelverdrag geven naar mijn mening echter ruimte om de onderhavige bepaling toe te passen buiten formele “agency'' en “nominee''- verhoudingen.'' A-G Van Soest komt na een grondige analyse van een respectabel aantal bronnen tot een zelfde conclusie. Het mag geen verwondering wekken dat ook de Hoge Raad in de verdragsdefinitie niets meer wil lezen dan er in staat.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Wie na afkoop van rechten op dividenduitkering, op interestbetaling of op royalty's vrijelijk over die rechten en de daaruit voortvloeiende betalingen kan beschikken, is de uiteindelijk gerechtigde tot die betalingen in de zin van het verdrag. De in de beslissing gememoreerde omstandigheid, dat belanghebbende bij het inwisselen van de bewijzen niet als zaakwaarnemer of lasthebber optrad, lijkt niet een aparte voorwaarde te vormen; immers een zodanige functionaris kan per definitie niet vrijelijk beschikken over de bij inwisseling ontvangen gelden.”</div>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Brandsma acht dit arrest nog steeds relevant voor zover de wetgever geen strengere regels heeft gesteld: “(….) willen wij thans reeds opmerken dat naar onze mening de zojuist behandelde jurisprudentie [het Market maker arrest; PJW] zijn belang heeft behouden voor alle situaties die niet door de nieuwe wettelijke regels worden bestreken. De wetgever heeft namelijk niet de gewezen jurisprudentie opzij gezet, maar een aanscherping van deze jurisprudentie in de wet vastgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 Brandsma schreef in 2002 naar aanleiding van de boven beschreven anti-dividend stripping-maatregelen: “Op het moment waarop BNB 1994/217c* werd gewezen, kwam de term 'uiteindelijk gerechtigde' niet voor in de Wet DB 1965 (noch in enige andere (belasting)wet), zodat de Hoge Raad een eigen invulling aan de verdragsrechtelijke term moest geven. Daarbij leunde ons hoogste rechtscollege sterk op het officiële commentaar op art. 10 OESO-modelverdrag, waar in punt 12 wordt ingegaan op de vergelijkbare, Engelstalige, term 'beneficial owner'. Na invoering van art. 4, derde lid, Wet DB 1965 ontstaat mijns inziens een enigszins genuanceerder beeld, omdat nu wel de mogelijkheid bestaat om terug te vallen op een nationaalrechtelijke definitie. Hierbij past wel de kanttekening dat niet duidelijk is in hoeverre daadwerkelijk gesproken kan worden van een definitie, omdat de gekozen formulering een negatieve is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 De conclusie van 26 juni 2019 in de bij aanhangige zaak 19/01293 betoogde onder meer: “9.12 In het boven (5.11) geciteerde Market maker-arrest HR BNB 1994/217, gewezen vóór de invoering van het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’ in art. 10 Wet DivB, heeft u als cumulatieve eisen voor uiteindelijk gerechtigdheid in de zin van art. 10 OESO-Modelverdrag gesteld dat (i) de betrokkene eigenaar is van de dividendbewijzen, (ii) vrijelijk over de dividendbewijzen en, na inwisseling, over de dividenduitkering kan beschikken, en (iii) bij het inwisselen van de bewijzen (bij het ontvangen) niet als zaakwaarnemer of lasthebber optreedt. U heeft aldus kennelijk aangesloten bij het officiële commentaar bij het OESO-modelbelastingverdrag. Ook het HvJ EU heeft zich in de boven 7.4 geciteerde zaken C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16 [de Deense beneficial owner-zaken; PJW] aangesloten bij het officiële OESO-Commentaar op het begrip ‘uiteindelijk gerechtigde’. Dat Hof heeft voor de toepassing van de Interest/royaltyrichtlijn en de Moeder/dochterrichtlijn gewezen naar de entiteit die het economische genot van de interest/het dividend heeft en derhalve vrij kan beslissen over het gebruik ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.13 Hoewel het HvJ EU de term “uiteindelijke gerechtigde” meer economisch lijkt te benaderen dan u deed in het Market maker-arrest, is in beide benaderingen de vrije beschikkingsmacht over de dividenden een vereiste.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 Van Hulten en Korving schreven het volgende over mogelijke invloed van die Deense beneficial owner-arresten van het HvJ EU op de uitleg van de nationaalrechtelijke term ‘uiteindelijk gerechtigde’: “Verder rijst de vraag of de uitspraak invloed heeft op het begrip “uiteindelijk gerechtigde” zoals dat in de nationale wet is opgenomen. De bepalingen waarin dit begrip is opgenomen zijn ingevoerd met het oog op het tegengaan van dividendstripping. Er is in de wettekst geen positieve omschrijving van het begrip uiteindelijke gerechtigde opgenomen, waardoor de uitleg van de Hoge Raad in het Marketmaker-arrest van belang blijft voor de invulling van dit begrip. Dit is bewust gedaan, zodat aan het begrip een nadere invulling kan worden gegeven in jurisprudentie. Daarnaast wordt hierdoor bij de uitwerking van het begrip enige flexibiliteit behouden, “zodat hier internationaal niet al te zeer mee uit de pas wordt gelopen”. Uit het voorgaande lijkt te kunnen worden geconcludeerd dat de wetgever het nationale begrip uiteindelijk gerechtigde met inachtneming van de recente jurisprudentie beoogt te interpreteren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17 HR BNB 2001/196 betrof alweer een market maker, thans aan de Amsterdamse optiebeurs. Zij kocht de dag vóór dividenddeclaratie aandelen à ƒ 166,50 in een beursvennootschap en tegelijk deep in the money putopties voor ƒ 13 per stuk (uitoefenprijs ƒ 175). De volgende dag werd het dividend vastgesteld op ƒ 4,85 en werden de putopties uitgeoefend. De market maker genoot aldus per saldo per aandeel ƒ 175 – ƒ 166,50 – ƒ 13 + ƒ 4,85 = ƒ 0,35. Zij wenste verrekening van de ingehouden 25% dividendbelasting (ƒ 1,21 per aandeel). De Inspecteur weigerde omdat hij meende dat de market maker een instrument was van niet-verrekeningsgerechtigde aandeelhouders die op deze wijze hun dividenden ontdeden van Nederlandse dividendbelasting zonder enig verlies aan belang bij hun aandelen. Die analyse was vermoedelijk juist, maar misbruikelijke bedoelingen van die aandeelhouders konden volgens u niet toegerekend worden aan de market maker, die alleen maar met haar eigen winkeltje bezig was. U overwoog: “De bereidheid van belanghebbende mee te werken aan een op verijdeling door derden van dividendbelasting als eindheffing gerichte constructie, is geen grond om aan te nemen dat voor de in het kader van die medewerking door belanghebbende verrichte transacties niet het voor zichzelf te behalen transactieresultaat maar die verijdeling van dividendbelasting de doorslaggevende beweegreden is geweest.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 Met dit arrest werd duidelijk dat maatregelen van de wetgever tegen dividend stripping noodzakelijk waren. Hij trof maatregelen op basis van de aanbevelingen in het kort daarna gepubliceerde rapport van de commissie-Van Rooy, hetgeen leidde tot de invoering, in 2002, van onder meer het boven (4.2) geciteerde art. 25(2) Wet Vpb.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Beoordeling van de principale middelen Primair: opbrengstgerechtige (middelen (1) t/m (iii)) 7.1 Zoals boven (onderdeel 5) bleek, acht ik niet relevant en daarom ongegrond de principale middelen die klagen over ’s Hofs voorbijgaan aan Frans recht, dat immers irrelevant is voor de opbrengstgerechtigdheid, maar acht ik het principale beroep gegrond als het inhoudt dat het Hof niet de juiste maatstaf heeft aangelegd (juridisch aandeelhouderschap in plaats van opbrengstgerechtigdheid). De te beantwoorden vraag is dan of ’s Hofs bewijsoordeel ondanks de gebrekkige rechtskundige maatstaf zegt dat de belanghebbende niet de opbrengstgerechtigde was en of zijn uitspraak daarvoor voldoende feitelijk grondslag en motivering bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Bij die vraag wie opbrengstgerechtigd is, rust de bewijslast op de belanghebbende, die om verrekening verzoekt. (Resterende) onduidelijkheid daarover en bewijsnood komen daarom voor haar rekening. Bij de subsidiare vraag naar de uiteindelijke gerechtigdheid is het andersom, zo bleek uit de boven geciteerde wetsgeschiedenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 De Staatssecretaris moet toegegeven worden dat ’s Hofs uitspraak wat vaag is over de vraag of het litigieuze dividend al dan niet als zodanig in belanghebbendes winst is begrepen, maar ik meen dat zijn primaire bewijsoordeel (de belanghebbende was geen eigenaar van de aandelen) dat wel impliceert, met name zijn verwijzing naar belanghebbendes aanduiding van haar ontvangsten in haar commerciële jaarrekeningen en in haar aangiften, nl. niet als ‘dividend’ of ‘opbrengst van aandelen’ of iets van dien aard, maar als resultaat op equity swaps (commercieel) c.q. ‘waardevermeerderingen effecten’ (fiscaal). Ook hier geldt dat onduidelijkheid over wat de belanghebbende nu precies ontvangen heeft (dividend, dividendvervangende betaling, winst op derivatives, dienstverleningsfee of nog iets anders), voor rekening komt van degene op wie de bewijslast rust, i.e. de belanghebbende, die bovendien de administratieplichtige is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 ’ ’s Hofs bewijsoordeel bestaat uit een primair oordeel over eigendom van aandelen (dat is niet geheel de juiste maatstaf, nu het om de opbrengstgerechtigdheid gaat, maar die zit volgens het Hof kennelijk onverbrekelijk aan juridisch aandeelhouderschap vast; dat lijkt mij onjuist, maar het is dus de vraag of dat ’s Hofs bewijsoordeel ook onjuist maakt; dat is mijns inziens niet het geval) en een subsidiair onderdeel voor het geval de belanghebbende wél de eigenaar van de aandelen/opbrengstgerechtigd zou zijn geweest, nl. over de uiteindelijke gerechtigdheid tot de aandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Het Hof stelt in r.o. 6.9 en 6.11.3.2 vast dat de belanghebbende eerst stelde dat zij de door haar uitgeleende aandelen telkens terugriep van inlener [D] (‘recall’), maar dat zij op de zitting van 2 juli 2019 stelde dat de plaatsing van de aandelen in haar depot ten tijde van de dividendbetaling berustte op door [D] eenzijdig aflossen van stock loans. In r.o. 6.11.5.3 oordeelt het Hof dat die tegenstrijdige stellingen niet bijdragen aan de aannemelijkheid van belanghebbendes betoog. In de r.o. 6.11.3.1 t/m 6.11.4.2 oordeelt hij na minutieus documentenonderzoek dat de OSLA, de NPA’s en belanghebbendes bestuursbesluiten te vaag, althans te algemeen (‘slechts een kader’) zijn om de conclusie van concrete en specifieke aandelenoverdrachten op te baseren, en dus ook om concrete opbrengst-gerechtigdheid ter zake van bepaalde dividenden op te baseren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In r.o. 6.11.4.2 en 6.11.5.1 constateert het Hof dat de OSLA dividendvervangende betalingen (‘manufactured dividends’) voorop stelt en niet recalls of eenzijdige aflossingen. Het Hof heeft uiteindelijk noch recalls, noch eenzijdig aflossen aannemelijk geacht (r.o. 6.11.5.2 en 6.11.5.3). Evenmin bewezen achtte het Hof de stelling dat (ook) belanghebbendes activiteiten op bestuursniveau geheel waren uitbesteed aan [E] (r.o. 6.11.6 en 6.11.7.1 en 6.11.7.2), gegeven met name het ontbreken van een operating agreement, van borrowing requests en van gedetailleerde primaire vastleggingen van de gestelde stock loans zoals [BB] chats of e-mails.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 In r.o. 6.13.2 komt het Hof tot het eindoordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat de boekingen van aandelen in belanghebbendes effectendepot hebben berust op een geldige titel tussen [D] en de belanghebbende, waardoor “van de op die aandelen uitgekeerde dividenden niet [kan] worden geoordeeld dat deze aan belanghebbende als tot die dividenden gerechtigde zijn toegekomen.” Ondanks de door hem gebruikte maatstaf van juridische eigendom van de aandelen in plaats van opbrengstgerechtigdheid, komt het Hof dus expliciet tot het oordeel dat de belanghebbende niet de opbrengstgerechtigde was, hetgeen de juiste maatstaf is. Daarbij wijst het Hof op hetgeen hij over de boekingen van de dividenden heeft vermeld in r.o. 6.15.8.1 en 6.15.8.2, nl. dat in wezen (alleen) [D] , althans [X] at large uitmaakte hoe en waar de dividenden geboekt werden, dus dat in wezen [D] over de bestemming van de dividenden beschikte. Dat zegt het Hof met zoveel woorden in r.o. 6.15.10: “(…) een situatie als in casu, welke – kort gezegd – erop neerkomt dat een buitenlandse concernvennootschap bepaalt aan wie, telkens op de tijdstippen waarop dividend beschikbaar wordt gesteld, de juridische eigendom van de aandelen wordt toegerekend.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Ook al is onnodig veel van ’s Hofs minutieuze onderzoek van feiten en documenten gericht geweest op de mijns inziens niet beslissende titelkwestie en gaan zijn overwegingen en oordelen vooral daarover, zijn vaststellingen en oordelen impliceren dat ook op basis van de juiste maatstaf (opbrengstgerechtigdheid/grondslagincludering) de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zelf de rechtstreeks dividendgerechtigde was en dat (dus) de dividenden (en niet iets vervangends of anders) in haar winst waren begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 De belanghebbende bestrijdt niet dat aflossing vlak voor dividendbetaling in plaats van niet-aflossen commercieel nadelig was voor haar (aldus onder meer ’s Hofs r.o. 6.15.5.1, 6.15.5.2 en 6.15.11), maar betoogt in cassatie slechts dat [D] voldoende gemandateerd was om, ook als dat nadelig voor de belanghebbende zou zijn, op elk door [D] gewenst moment af te lossen (en kennelijk ook weer in te lenen). Dat betoog is niet ter zake, nu ’s Hofs oordeel immers inhoudt dat die oncommerciële toestand om een aannemelijke commerciële verklaring door de belanghebbende roept en dat die ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Het gegeven dat kortstondig aandeelhouderschap rond de ex-datum voor de belanghebbende commercieel nadelig was, kon het Hof mijns inziens doen bijdragen aan zijn bewijsoordeel dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt de opbrengstgerechtigde te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 Ik meen dat ’s Hofs bewijsoordeel dat de belanghebbende niet de opbrengstgerechtigde was uiteindelijk – weliswaar via de niet-beslissende maatstaf van juridische eigendom van de aandelen - wel op het juiste criterium is gebaseerd, gegeven dat het Hof met zoveel woorden heeft geoordeeld dat de belanghebbende niet de opbrengstgerechtigde was. Voor het overige acht ik dat oordeel begrijpelijk, niet inconsistent en (ruim) voldoende gemotiveerd, zodat op dit terrein van feitenonderzoek, feitenwaardering en interpretatie van velerlei documenten als de OSLA, de NPAs en bestuursbesluiten geen taak voor de cassatierechter resteert, terwijl Frans recht niet relevant is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 Hierop stuiten mijns inziens de middelen (i) t/m (iii) af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair: uiteindelijke gerechtigde (middel (iv)) 7.12 Aan middel (iv) hoeft u dan niet toe te komen, nu dat het subsidiaire oordeel van het Hof bestrijdt dat de belanghebbende niet de uiteindelijke opbrengstgerechtigde is. Ik ga er volledigheidshalve op in.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13 Ook als wél bewezen geacht wordt dat handelingen van niet bij de belanghebbende in dienst zijnde [X] -medewerkers binnen een mandaat van de belanghebbende zodanig opereerden dat de aandelen in belanghebbendes eigendom overgingen, en dat die medewerkers namens de belanghebbende de NPAs uitvoerden, dan nog acht het Hof de belanghebbende niet verrekeningsgerechtigd omdat dan de vraag rijst of de belanghebbende ook uiteindelijk gerechtigd is in de zin van art. 25(2) Wet Vpb, en “een ontkennend antwoord op deze vraag (…) naar het oordeel van het Hof besloten [ligt] in hetgeen de Inspecteur heeft gesteld (in het bijzonder 5.2.8.2 en 5.2.12)”, aldus het Hof in r.o. 6.15.1. In de genoemde r.o. 5.2.8.2 en 5.2.12 heeft de Inspecteur gesteld dat de belanghebbende geen dividenden in haar aangifte heeft verantwoord, maar alleen een resultaat op equity swaps, en dat “de met elkaar samenhangende circulaire transacties bewerkstelligen dat AEX-aandelen afkomstig uit beperkt verrekeningsgerechtigde jurisdicties door middel van - afgezien van het fiscale voordeel - betekenisloze transacties werden toebedeeld aan belanghebbende als een in beginsel onbeperkt verrekeningsgerechtigd lichaam.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14 Het Hof acht deze stellingen aannemelijk gemaakt omdat de belanghebbende in vergaande mate de vrije hand heeft gegeven aan [E] en niet aannemelijk is dat zij ‘in materiële zin betrokken is geweest’ bij het door haar gestelde ‘telkens aflossen’ van de aandelenuitlening, gegeven het ruime kader dat de NPA’s, de Customer agreement en de OSLA boden en het ontbreken van aanwijzingen van betrokkenheid van belanghebbendes bestuur bij de invulling van dat ruime kader. Het Hof contrasteert belanghebbendes (niet-)betrokkenheid bij dat ‘telkens aflossen’ met haar betrokkenheid bij het doorrollen van de futures, waarvoor belanghebbendes bestuur steeds ‘approval’ moest geven. Het Hof acht kennelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat de twee ‘petten’ van [D] (aan beide kanten van de gestelde transacties met de belanghebbende) niet uit elkaar te houden waren en dat in wezen alleen [D] uitmaakte waar de dividenden vielen. U zie r.o. 6.15.5.2, 6.15.6, 6.15.7.1, en met name de eerder door het Hof genoemde 6.15.8.1 en 6.15.8.2, die specifiek over het boeken van de dividenden gaat, alsmede r.o. 6.15.9, overwegende “(…) dat het niet goed mogelijk is om vast te stellen welk onderdeel van [X] een specifieke rechtshandeling heeft verricht. Bij de controle van de jaarrekening van belanghebbende is immers vastgesteld dat de administratie van [X] is georganiseerd op basis van de operationele processen rondom financiële producten en niet per juridische tot de [X] -groep behorende entiteit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.15 ’ ’s Hofs oordeel over de uiteindelijke gerechtigdheid en met name zijn bewijslastverdeling (die op dit punt op de Inspecteur rust, anders dan bij de primaire vraag of de belanghebbende opbrengstgerechtigde was), blinkt niet uit in overzichtelijkheid en zijn maatstaf voor uiteindelijke gerechtigdheid is niet erg duidelijk. Art. 25(2) Wet Vpb stelt drie objectieve criteria: heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat (i) de belanghebbende in samenhang met het door haar ontvangen dividend een tegenprestatie heeft verricht als onderdeel van een samenstel van transacties, waarbij (ii) dat dividend feitelijk ten goede is gekomen aan een in mindere mate verrekeningsgerechtigde, (iii) wiens belang niet wezenlijk is gewijzigd door dat samenstel van transacties? Het Hof gaat aan deze criteria voorbij, kennelijk omdat hij in de wetgeschiedenis leest dat de wettelijke negatieve omschrijving van de uiteindelijk gerechtigde niet bedoeld is om uit te sluiten dat in andere gevallen uiteindelijke gerechtigdheid wordt geacht te ontbreken. Dat laatste lijkt mij op zichzelf juist, maar dan zal de maatstaf voor die andere dan de wettelijke gevallen geëxpliciteerd moeten worden (waaraan de wetgever zich dus, zoals uit de boven geciteerde wetsgeschiedenis blijkt, niet wilde wagen).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.16 De belanghebbende heeft daarom mijns inziens gelijk als haar betoog inhoudt dat als het Hof buiten de negatieve criteria van art. 25(2) Wet Vpb gaat, hij duidelijk moet maken welke maatstaf hij dan wel voor het ontbreken van uiteindelijke gerechtigdheid hanteert. De belanghebbende stelt dat daarbuiten alleen de criteria van het boven (6.12) geciteerde Market maker-arrest gelden en dat het Hof niet heeft vastgesteld dat de belanghebbende niet vrijelijk over de dividenden kon beschikken maar als lasthebber handelde. Met de belanghebbende meen ik dat het Hof niet zichtbaar een concretere maatstaf hanteert dan alleen de term ‘uiteindelijk gerechtigde’ zelf en zich niet zichtbaar baseert op de criteria van het Market maker arrest, van het OESO-Model-commentaar of op andere criteria tot invulling van uiteindelijke gerechtigdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.17 Het Hof baseert zijn subsidiaire oordeel bovendien grotendeels op dezelfde feitelijke oordelen en overwegingen als zijn primaire oordeel, maar aangezien de bewijslasten bij beide oordelen tegengesteld lagen, ligt het niet voor de hand dat de uitkomst dezelfde is, gegeven de volgens ’s Hofs primaire oordeel zeer talrijke feitelijke onduidelijkheden over de gang van zaken bij de aankoop van en de gerechtigdheid tot de aandelen, de stock lending, de al dan niet plaatsgevonden hebbende lossing dan wel recall, de beprijzing van de futures en de vraag of de belanghebbende zichzelf wel bestuurde of slechts een dividend-rangeerplaats was. Onduidelijkheid over de feitelijke gang van zaken komt bij de beoordeling van de opbrengstgerechtigdheid voor rekening van de belanghebbende, maar bij de beoordeling van de uiteindelijke gerechtigdheid voor rekening van de Inspecteur, aldus expliciet de wetsgeschiedenis en trouwens ook het Hof (zie r.o. 6.3.5). Dat is alleen anders als de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, maar dat is niet het geval voor de litigieuze jaren 2007 en 2008: uit r.o. 3.3 blijkt dat het geschil over de informatiebeschikking alleen de over 2009/2010, 2011/2012 en 2012/2013 op te leggen (navorderings)aanslagen betreft.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.18 Ik meen daarom dat de door het Hof geconstateerde feitelijke onduidelijkheden die hij bij de primaire vraag terecht voor rekening van de belanghebbende heeft gelaten, bij de subsidiaire vraag voor rekening van de Inspecteur komen en dat zonder meer motivering dan gegeven niet begrijpelijk is dat dat in uitkomst geen verschil maakt, gegeven de door het Hof in zijn primaire oordeel uiteengezette feitelijke onzekerheden en onduidelijkheiden. Ik lees in ’s Hofs uitspraak niet dat en hoe de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat [D] een in mindere mate verrekeningsgerechtigde was dan de belanghebbende, maar alleen dat de Inspecteur dat gesteld heeft: r.o. 6.15.1 bevat slechts een verwijzing naar een stelling van de Inspecteur weergegeven in r.o. 5.2.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook volgt mijns inziens uit de door het Hof geconstateerde vergaande invloed van [D] op de gang van zaken met betrekking tot de registratie van de aandelen en de boekingen van de dividenden bij de belanghebbende niet dat de dividenden feitelijk ten goede kwamen aan [D] of dat de belanghebbende niet vrijelijk kon beschikken over de – zoals hier verondersteld wordt: wél - door haar ontvangen dividenden, noch dat zij in samenhang met het door haar ontvangen dividend een tegenprestatie heeft verricht (welke tegenprestatie? Jegens wie?) als onderdeel van een samenstel van transacties. Het Hof lijkt veeleer ook bij zijn subsidiaire oordeel (tegen)bewijs van de belanghebbende te verlangen. Dat kán correct zijn, als hij op basis van door de Inspecteur aannemelijk gemaakte feiten en omstandigheden bewijsvermoedens is gaan koesteren die om ontzenuwing door de belanghebbende vroegen die de belanghebbende niet heeft geleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar dergelijke bewijsvermoedens die om ontzenuwing vragen, lees ik evenmin in zijn subsidiaire oordeel, dat integendeel erg lijkt op zijn primaire oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.19 Ik meen daarom dat als u aan middel (iv) toekomt, het gegrond is voor zover het klaagt over een verkeerde bewijslastverdeling en wellicht ook voor zover het klaagt over een verkeerde maatstaf, nu ’s Hofs maatstaf voor uiteindelijke gerechtigdheid onduidelijk is. Die maatstaf kunt u alsdan zelf formuleren alvorens te verwijzen voor onderzoek of de Inspecteur aannemelijk maakt dat aan die maatstaf is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatiebeschikking (middelen (v) t/m (vii) 7.20 Anders dan de belanghebbende stelt, heeft het Hof niet geoordeeld dat uit haar administratie zou moeten blijken dat zij geen verplichting had om ontvangen dividenden door te betalen aan een ander. Het Hof heeft ook geenszins geoordeeld dat zij een verplichting had om dividenden door te betalen, maar integendeel juist dat zij nauwelijks invloed uitoefende op de boekingen van de dividenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.21 Het Hof achtte het niet mogelijk om vast te stellen welk onderdeel van [X] een specifieke rechtshandeling verrichtte omdat de administratie is georganiseerd op basis van operationele processen rondom financiële producten en niet per juridische entiteit. Hij heeft verder geoordeeld dat essentiële primaire vastleggingen van individuele transacties ontbraken en dat mede daardoor het voor fiscale doeleinden, met name voor de bepaling van de opbrengstgerechtigdheid en van de grondslagincludering vereiste audit trail ontbreekt. Ondanks zijn uitvoerige en gedetailleerde studie van de door de belanghebbende overgelegde documenten kon het Hof geen wijs worden uit de vraag wie nu precies wat waar boekt op basis van welke bevoegdheid in welke overeenkomst/mandaat/besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22 Gegeven (i) de eisen die aan de administratie van een wereldwijd bankenconcern gesteld mogen worden, (ii) het zeer grote fisale belang, (iii) ’s Hofs bevindingen na zeer uitvoerig en gedetailleerd onderzoek van de door de partijen overgelegde talrijke documenten, en (iv) het zeer feitelijke karakter van de beoordeling van de fiscaalrechtelijke adequatie een boekhouding, acht ik ‘s Hofs oordeel dat in belanghebbendes administratie gegevens ontbreken die fiscaalrechtelijk niet mogen ontbreken, noch onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.23 Gegeven nogmaals de eisen die aan de administratie van een wereldwijd bankenconcern gesteld mogen worden, het belang van correcte belastingheffing ter zake van een aandelenpositie die opliep van ruim € 1 miljard naar € 7 miljard, en het feitelijke karakter van een evenredigheidsoordeel, meen ik dat het Hof zonder schending van het recht of van zijn motiveringsplicht kon oordelen dat omkering en verzwaring van de bewijslast niet onevenredig is aan de geconstateerde feilen. Ik merk op dat de belanghebbende overigens weinig of geen belang heeft bij dit middel, nu zij zowel de terechtheid van de oplegging van de informatiebeschikking als de evenredigheid van een daaraan te koppelen omkering van de bewijslast opnieuw aan de orde kan stellen in de procedures over de aanslagen over de desbetreffende boekjaren, gegeven dat met name de proportionaliteit pas echt beoordeeld kan worden in het licht van de feiten het desbetreffende jaar, aldus met name HR BNB 2017/92.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.24 Daarop stuiten mijns inziens de middelen (v) en (vi) af.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.25 Middel (vii) betreft de mogelijkheid van herstel van de geconstateerde gebreken. Het Hof heeft inderdaad geen gelegenheid tot herstel geboden, zulks in strijd met art. 27e(2) AWR. Dat wordt wellicht verklaard door zijn – alsdan stilzwijgende – oordeel dat herstel niet mogelijk is, maar dat oordeel had hij dan moeten motiveren. Hoewel u zelf alsnog een termijn zou kunnen geven (zie HR BNB 2015/81 en HR BNB 2020/95), lijkt mij dat dat in casu niet mogelijk is zonder feitelijk onderzoek, nl. naar de vraag of bewijsrechtelijk zinvol herstel nog mogelijk is. Het lijkt mij wel wenselijk dat u explicieteert dat deze arresten over de mogelijkheid van herstel, die over de informatieverstrekkingsplicht gingen, ook gelden als het om de administratieplicht gaat. Uit de zaak HR BNB 2016/2 blijkt weliswaar dat ook voor omkering van de bewijslast wegens administratiegebreken een informatiebeschikking vereist is, maar niet dat administratiegebreken hersteld kunnen worden en dat (dus) een hersteltermijn moet worden gegeven. Mijn ambtgenoot IJzerman concludeerde in die zaak dat niet is uitgesloten dat bepaalde gebreken in de administratie nog hersteld kunnen worden (onderdeel 5.12 van de conclusie).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.26 Ik meen daarom dat middel (vii) doel treft en dat op het punt van mogelijk herstel van de administratieve gebreken de zaak terug moet naar de feitenrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaste inrichting in het VK? (middelen (ix) en (x) 7.27 In de zaak HR BNB 2013/166 overwoog u als volgt: “3.1.2. Het Hof heeft geoordeeld dat bij een afweging van het belang van belanghebbende bij behandeling van zijn stellingen tegenover het belang van een doelmatige en doelgerichte voortgang van de procedure, behandeling van die stellingen niet in overeenstemming is met een goede procesorde en dat deze stellingen daarom als tardief moeten worden beschouwd. Het Hof heeft hiervoor in aanmerking genomen dat sprake is van nieuwe geschilpunten die uitbreiding geven aan de rechtsstrijd zoals deze zich heeft ontwikkeld tot aan het moment waarop die stellingen werden opgeworpen, het geen stellingen betreffen die het Hof ambtshalve zou hebben kunnen opwerpen, deze stellingen tot een nader onderzoek van feitelijke aard dwingen, dat – zoals ook de Inspecteur in reactie op deze stellingen had aangevoerd – van de Inspecteur redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat hij zonder nadere voorbereiding op die stellingen moet kunnen reageren, en ten slotte dat niet valt in te zien waarom gemachtigde de stellingen niet in een eerder stadium van de procedure dan op de zitting naar voren heeft kunnen brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kunnen, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Ze zijn ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Aan die oordelen doet niet af de omstandigheid dat het Hof de hiervoor vermelde zitting heeft geschorst om belanghebbende in de gelegenheid te stellen op een onderdeel van het geschil nader bewijs te leveren en de Inspecteur de gelegenheid te geven te reageren op voorafgaand aan de zitting door belanghebbende overgelegde stukken, waarna het onderzoek ter zitting is voortgezet op 28 september 2011 en op 7 december 2011.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.28 Ik meen dat middel (x) strandt omdat ’s Hofs oordeel dat belanghebbendes Britse-v.i.-stelling ontijdig is ingenomen blijkens bovenstaand citaat rechtskundig geen onjuiste maatstaf vertoont en voor het overige feitelijk en geenszins onbegrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.29 Middel (ix) strandt mijns inziens omdat het gericht is tegen een oordeel ten overvloede. Zou dat anders zijn, dan lijkt mij rechtskundig niet onjuist en voldoende gemotiveerd ’s Hofs bewijsoordeel dat op basis van de gedingstukken niet aannemelijk is geworden dat de personen die in het VK werkzaamheden voor de belanghebbende verrichtten niet binnen de normale uitoefening van hun bedrijf handelden. Ik merk op dat wie stelt, bewijst, zodat de bewijslast van het bestaan van een Britse v.i. van de belanghebbende op haar rustte, evenals de last te bewijzen dat de door haar niet in het VK, maar in Nederland aangegeven ‘resultaten op equity swaps’ c.q. ‘waardevermeerdering aandelen’ zouden hebben moeten worden toegerekend aan die v.i.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige middelen ((xi) en (xii)) 7.30 Middel (xi) betoogt dat als het Hof meent dat belanghebbendes winstboekingen ‘resultaat uit equity swaps (commercieel) c.q. ‘waardevermeerderingen effecten’ (fiscaal) iets anders aanduiden dan het dividend en zij dus niet het dividend heeft ontvangen, zij dan ook slechts voor de netto door haar ontvangen bedragen in de heffing had moeten worden betrokken en niet voor de bruto bedragen, zoals het Hof heeft beslist.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.31 Ik meen dat dit middel een niet-bestaand oordeel bestrijdt. Het Hof heeft niet beslist dat iets netto of bruto moet worden belast, maar heeft slechts belanghebbendes opgave van ontvangen bedragen gevolgd, die zij in haar jaarrekening resp. haar aangifte aanduidde als resultaat uit ‘equity swaps’ en als ‘waardevermeerderingen effecten’, wat een saldo was van ‘equity swaps trading’ (€ 20.197.000) en ‘equity swaps dividend’ (€ 405.073.000); die laatste bedragen zijn beide aangeduid als ‘net gains on financial instruments held for trading’. Het Hof ziet geen reden om van belanghebbendes opgave af te wijken, onder meer omdat hij het “6.18.2 (…) goed mogelijk [acht] dat in het resultaat van belanghebbende als dividendvervangende betalingen aan te merken bedragen zijn begrepen. Dit laatste vindt steun in de OSLA, omdat daarin - zoals het Hof deze overeenkomst leest - een compensatie voor de uitlener in de vorm van dividendvervangende betalingen (‘manufactered dividend’) is vooropgesteld en een telkens aflossen volgens deze overeenkomst afhankelijk is van de toepassing van meer specifieke bepalingen, waarvan - zoals hiervoor is geoordeeld - niet aannemelijk is geworden dat deze zijn geëffectueerd. Gronden die het Hof zouden nopen af te wijken van de door belanghebbende in haar aangifte verantwoorde belastbare winst zijn verder niet aangevoerd en acht het Hof ook overigens niet aanwezig.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.32 Ik zie hierin geen onjuist rechtsoordeel, noch onvoldoende motivering. Zou de belanghebbende met ‘netto’ bedoelen na aftrek van dividendbelasting, dan zou zij indirect toch die belasting verrekenen, hoewel zij niet verrekeningsgerechtigd is. Bedoelde zij een ander ‘netto bedrag’, dan lag het op haar weg om aannemelijk te maken dat en waarom haar aangifte hoe anders had moeten luiden dan zij luidde.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.33 Ik meen dat middel (xi) strandt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.34 Middel (xii) gaat uit van juridische eigendom van de aandelen als beslissende maatstaf, maar zoals boven bleek, meen ik dat de enige relevante maatstaf is opbrengstgerechtigdheid en meen ik dat het Hof kon oordelen dat de belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt de opbrengstgerechtigde te zijn geweest. Middel (xii) heeft dan mijns inziens geen belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep 8.1 Nu mijns inziens de voorwaarde waaronder de twee incidentele cassatiemiddelen worden voorgesteld niet is vervuld, komt het incidentele beroep van de Staatssecretaris mijns inziens niet aan snee.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Conclusie Ik geef u in overweging principaal middel (vii) gegrond te verklaren, alle overige principale middelen ongegrond te verklaren, het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep buiten behandeling te laten, en de zaak te verwijzen voor onderzoek van de vraag of herstel van de administratieve gebreken bewijsrechtelijk nog zinvol mogelijk is voor de belastingjaren 2009/2010, 2011/2012 en 2012/2013 en zo ja, om daartoe dan een redelijke termijn te stellen waarbinnen omkering en verzwaring van de bewijslast nog kan worden afgewend voor die jaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal [G] was tot 2008 broker van het Franse financiële concern [H]. [G] en [J] , de broker van [K], zijn in 2008 gefuseerd tot [L] , volgens Wikipedia ‘one of the world's largest futures commission merchants.’ De Rechtbank heeft het Vpb-jaar 2012/2013 niet vermeld bij het procesverloop, maar wel bij de feiten. Volgens het Hof is dit een kennelijke misslag (r.o. Hof 6.20). De Rechtbank (r.o. 29) heeft de informatiebeschikking vervallen verklaard behalve voor de toen nog op te leggen (navorderings)aanslagen Vpb 2009/2010 en 2011/2012.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn hoger-beroepschrift merkt de Inspecteur op: “Het is mij niet duidelijk waarom de rechtbank onder punt 29 het boekjaar 2012/2013 niet meer benoemde. De reikwijdte in boekjaren is tot nü toe in onderhavige procedure niet in geschil. Belanghebbende heeft'immers bezwaar en beroep aangetekend tegen de informatiebeschikking die, ook volgens belanghebbende, ziet op de jaren 2007/2008 tot en met 2012/2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na het nemen van de informatiebeschikking zijn de (navorderings-)aanslagen 2007/2008, 2008/2009 en 2010/2011 opgelegd. Voor die boekjaren is de informatiebeschikking vervallen. Onder punt 1.4 van het beroepschrift heb ik daarom als feit opgenomen dat het geschil over de informatie-beschikking relevant is voor de boekjaren 2009/2010, 2011/2012 en 2012/2013.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Noord-Holland 26 april 2018, nrs. HAA 15/3637 en HAA 15/4353, ECLI:NL:RBNHO:2018:3408, VN Vandaag 2018/965, Viditax (FutD), 03-05-2018, FutD 2018-1225 met commentaar van Fiscaal up to Date, NTFR 2018/1613 met commentaar van mr. N. ten Broek, V-N 2018/59.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Amsterdam 12 mei 2020, nrs. 18/00318 en 18/00319, ECLI: NL:GHAMS:2020:1189, Viditax (FutD), 13-05-2020, V-N Vandaag 2020/1300, FutD 2020-1558 met commentaar Fiscaal up to Date, NLF 2020/1329 met commentaar Roland Brandsma, NTFR 2020/2016 met commentaar J. Bierman, VN 2020/38.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/2002, 27 896, nr. 3, p. 1-2, en Kamerstukken I 2001/2002, 27 896 en 28 246, nr. 117b, p. 5-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Om te kunnen spreken van economische eigendom(soverdracht) dienen alle risico’s, waaronder het risico van tenietgaan (en naar ik aanneem ook van kwijtraken/gestolen worden), voor rekening van de partij te komen die niet de juridische eigenaar is. Hoewel in deze casus onduidelijkheid bestond wie de eigenaar van de aandelen was, was er geen onduidelijkheid dat deze aandelen bestonden en was de kans dat zij kwijt zouden raken, slechts denkbeeldig.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie onder meer HR 21 februari 2001, 35.415, ECLI:NL:HR:2001:AB0156.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “In het wetsvoorstel inzake dividendstripping wordt gerefereerd aan (concept)punt 12.1 van het OESO-commentaar bij artikel 10 (dividenden) van het OESO-Modelverdrag dat toen al openbaar was gemaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Deze mogelijkheid lijkt mij af te vallen omdat met geen woord wordt gerept over HvJ 26 februari 2019, gevoegde zaken C-116/16 (T Denmark) en C-117/16 (Y Denmark Aps), ECLI:EU:C:2019:135, NLF 2019/0597, met noot van De Groot (Conclusie A-G Kokott 1 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:144).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 11 december 2002 aan de Tweede Kamer, nr. AFP 2002-865U, VN 2003/2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 11, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">O.C.R. Marres, Dividendbelasting, Fed Fiscale Studieserie, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 12-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Dat geldt voor wat betreft de open CV alleen voor de deelgerechtigdheid van de commanditaire vennoot (zie art. 2, lid 3, onderdeel f, AWR. Voor zover het gaat om de deelgerechtigheid van de beherende vennoten is de open CV transparant (HR 7 juli 1982, BNB 1982/268).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie over de civielrechtelijke rechtsvormen die een fonds voor gemene rekening kan hebben S.A. Stevens, ‘Fondsen voor gemene rekening fiscaal geduid (I)’, WPNR 2017(7139).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: MvA, Kamerstukken II 1962/63, 6000, nr. 11, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie voor een voorbeeld HR 16 april 1994, BNB 1994/217, waarbij het overigens om verdragstoepassing ging. Dat de eigenaar van een dividendbewijs opbrengstgerechtigde is kan ook worden afgeleid uit art. 4, lid 7, jo. lid 8, aanhef en onderdeel b, Div.B.: het gaat daar over personen die ‘opbrengst genieten’ in de zin van de dividendbelasting uit een dividendbewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Deze uitleg voorkomt voorts het ongerijmde gevolg (van een alternatieve lezing, waarin juridisch aandeelhouderschap beslissend is) dat de inhoudingsvrijstelling van art. 4 Div.B. niet kan worden toegepast wanneer de aandeelhouder het economisch belang bij de aandelen vervreemd heeft, omdat noch de aandeelhouder (geen belang dus geen deelnemingsvrijstelling of deelnemingsverrekening) noch de economische eigenaar (die in de alternatieve lezing geen opbrengstgerechtigde is) aan de daarvoor gestelde eisen zou voldoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">X.E. Kramer en H.L.E. Verhagen, Asser serie deel 10, Internationaal privaatrecht, onderdeel III, Internationaal vermogensrecht, Wolters Kluwer 2015, randnr. 356.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.A.K. Rank en B. Bierman, ‘Gegiraliseerde effecten in het IPR’, MvV 2010/7/8, p. 196.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 oktober 2019, nr. 18/03614, ECLI:NL:HR: 2019:1610, BNB 2019/190, met noot Marres.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001, Stb. 2000, 216 Kamerstukken II 1998/99, 26728, nr. 3, p. 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2000/01, 27466, nr. 7, p. 15. ‘Verbreding en verlichting’, rapport van de Studiegroep vennootschapsbelasting in internationaal perspectief, gepubliceerd op 11 juni 2001, waarvan een samenvatting is opgenomen in V-N 2001/35.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een historisch overzicht Q.M.A. Eenhorst en A.R.T. van IJlzinga Veenstra, ‘Dividendstripping na 27 april 2001’, WFR 2003/449, § 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2000/01, 27896, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 13 juli 2002 tot wijziging van belastingwetten in verband met dividendstripping en het verlenen van optierechten aan werknemers, Stb. 2002,396.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2000/01, 27896, nr. 3, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2000–2001, 27 896, nr. 3, p. 6-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2000–2001, 27 896, B, p. 1-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2001–2002, 27 896, nr. 5, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I, 2001–2002, 27 896 en 28 246, nr. 117b, p. 5-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">O.C.R. Marres, Dividendbelasting, Fed Fiscale Studieserie, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 148.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 27 896, nr. 3, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 april 1994, nr. 28 638, na conclusie Van Soest, ECLI:NL:HR:1994:ZC5639, BNB 1994/217, met noot Van Brunschot.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.P.C.W.M. Brandsma, Cursus Belastingrecht Div.bel.2.2.0.B.a1 Inleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.P.C.W.M. Brandsma, ‘De (witte?) vlag uit?: eindelijk een uiteindelijk gerechtigde!’, FED 2002/65 Voetnoot in origineel: Zie uitvoerig S. van Weeghel, The Improper Use of Tax Treaties, Series on International Taxation nr. 19, London: Kluwer 1998 en Charl P. du Toit, Beneficial Ownership of Royalties in Bilateral Tax Treaties, Amsterdam: IBFD 1999.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Met betrekking tot de min of meer vergelijkbare problematiek bij het oorspronkelijke wetsvoorstel was M.J. Ellis, Enkele internationale kanttekeningen bij het ontwerp van de Wet Inkomstenbelasting 2001, MBB 1999, blz. 392 (blz. 395), van mening dat de nationaalrechtelijke definitie zag op gerechtigdheid tot aandelen en niet tot dividenden en hij trok daaruit de conclusie dat aan deze definitie geen betekenis toekwam. In hoeverre hij dezelfde mening is toegedaan met betrekking tot art. 4, derde lid, Wet DB 1965 is niet duidelijk, temeer omdat hier in het midden wordt gelaten ten aanzien waarvan sprake moet zijn van een uiteindelijke gerechtigdheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie ook de aanbeveling van de Raad van State en de reactie daarop van de staatssecretaris, Kamerstukken II 2000/01, 27 896, nr. B, V-N 2001/48.16, blz. 5014. De staatssecretaris neemt verder het standpunt in dat door de negatieve formulering een zekere mate van flexibiliteit wordt gewaarborgd, waardoor Nederland internationaal niet uit de pas loopt, Kamerstukken II 2000/01, 27 896, nr. 5, V-N 2001/58.18, blz. 5948. Waarom een negatieve formulering flexibeler zou zijn dan een positieve vermag ik niet in te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wattel 26 juni 2019, nr. 19/01293, ECLI:NL:PHR:2019:704, Viditax (FutD) 09-08-2019, V-N Vandaag 2019/1846, FutD 2019-2127, V-N 2019/38.11 met commentaar redactie, NLF 2019/1991 met commentaar Raymond Adema, NTFR 2019/2084 met commentaar R.A. Bosman.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.C. Van Hulten en J.J.A.M. Korving, ‘Svig og misbrug: de Deense antimisbruikzaken’, WFR 2019/129.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Art. 4 lid 4, 7 en 8 Wet DB 1965, art. 25 lid 2 Wet VPB 1969 en art. 9.2 lid 2 en 3 Wet IB 2001.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: HR 6 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5639.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2000/01, 27896, B, p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 februari 2001, nr. 35 415, na conclusie A-G Van den Berge, ECLI:NL:HR:2001:AB0156,, BNB 2001/196, met noot R.P.C. Cornelisse. ‘Verbreding en verlichting’, rapport van de Studiegroep vennootschapsbelasting in internationaal perspectief, gepubliceerd op 11 juni 2001, waarvan een samenvatting is opgenomen in V-N 2001/35.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 10 februari 2017, nr. 16/02729, ECLI:NL:HR:2017:130, NLF 2017/0380 met commentaar van Iris de Roos, V-N 2017/9.5 met commentaar redactie, NJB 2017/574, FED 2017/66 met commentaar Niessen-Cobben, BNB 2017/92 met commentaar Van Eijsden, FutD 2017-0365 met commentaar, NTFR 2017/422 met commentaar P.G.M. Jansen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 27 februari 2015, nr. 14/03215, ECLI:NL:HR:2015:473, VN Vandaag 2015/413, V-N 2015/13.4 met commentaar van de redactie, BNB 2015/81 met commentaar van F.J.P.M. Haas, FED 2015/32 met commentaar van Y.E.J. Geradts, FutD 2015-0489 met commentaar van Fiscaal up to Date, NTFR 2015/1232 met commentaar van mr. I.R.J. Thijssen, NTFR 2016/204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 17 april 2020, nr. 19/02346, ECLI:NL:HR:2020:697, BNB 2020/95, FutD 2020-1172, V-N 2020/19.19 met commentaar, NTFR 2020/1274 met commentaar Bosman, NLF 2020/1001 met commentaar Wendy Nent, HR 2 oktober 2015, nr. 14/02335, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2015:2795, BNB 2016/2, m.nt. E.B. Pechler.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoge Raad 21 juni 2013, nr. 12/05489, ECLI:NL:HR:2013:CA3937, BNB 2013/166.</p></div>", "next": 0}