{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een belangrijke factor, die in de rechtspraak een enkele keer onder de noemer aard van de gedraging lijkt aangeduid, is de context waarin de gedraging plaatsvindt en die voorkomt dat normaal maatschappelijk functioneren dat een ander zeer wel kan schaden onrechtmatig genoemd wordt. Dat met ‘eenvoudige niet kostbare middelen’ het gedrag had kunnen worden voorkomen, betekent niet dat het dus onrechtmatig was. De figuurlijke prijs hiervan zou onevenredig hoog kunnen zijn: geforceerd, onmenselijk gedrag dat bijvoorbeeld het gevolg zou zijn van een aansprakelijkheid bij iedere vorm van hinder of gevaarzetting, belemmering van normale concurrentie et cetera.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vrijheid voor de een, bescherming voor de ander. (…).” [cursivering in origineel, voetnoten niet overgenomen, A-G] Het subonderdeel verwijst alleen naar de oorspronkelijke Kelderluikcriteria, zoals die zijn geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad uit 1965. In geactualiseerde bewoordingen luiden deze criteria bij de beoordeling van aansprakelijkheid in gevaarzettingssituaties als volgt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(i) in hoeverre niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid waarschijnlijk is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(ii) hoe groot de kans is dat daaruit ongevallen ontstaan;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(iii) hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(iv) in hoeverre het nemen van veiligheidsmaatregelen bezwaarlijk is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk de formulering uit een arrest van 2006, waarin de Hoge Raad in meer algemene zin, niet toegespitst op gevaarzettingssituaties, overweegt: “dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van handelen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, niet alleen moet worden gelet op de kans op schade, maar ook op de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en de bezwaarlijkheid en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen (vgl. HR 5 november 1965, NJ 1966, 136).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze achtergrond bezie ik het oordeel van het hof in rov. 5.11-iv waartegen het subonderdeel is gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof beoordeelt in die overweging of sprake is van “handelen of nalaten [van [verweerster 1] ] in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.” Meer specifiek beoordeelt het hof de vraag “of op [verweerster 1] in dit geval een uit ongeschreven recht voortvloeiende verplichting rustte om [eiser] in te lichten”. Het hof spreekt ook van de waarschuwingsplicht (zie ook onder 3.1 hiervoor). Volgens het hof komt het bij de beoordeling van de vraag of [verweerster 1] een dergelijke waarschuwingsplicht heeft geschonden aan “op een weging van alle omstandigheden van het geval.” De feiten en omstandigheden die het hof in rov. 5.11-iv bij zijn beoordeling heeft betrokken, zijn de volgende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat niet is aangevoerd en evenmin is gebleken dat [verweerster 1] beschikte over relevante juridische kennis.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat [verweerster 1] gelet op wat [betrokkene 1] aan haar had meegedeeld kon denken - zoals zij gedaan heeft - dat sprake was van een zakelijk geschil tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , waarin ook [eiser] betrokken was, en dat [betrokkene 1] aanspraak zou kunnen hebben op het chalet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat de (door [betrokkene 1] aangekondigde) verwijdering van het chalet paste bij de aanzegging door [verweerster 1] aan [eiser] dat dit chalet van de camping moest worden gehaald.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat [betrokkene 1] op 20 december 2016 in alle openheid optrad: hij nam het chalet niet onmiddellijk mee, maar kondigde alleen aan dat dit zou gaan gebeuren, wat kon bijdragen aan de gedachte van [verweerster 1] dat [betrokkene 1] wel eens recht op het chalet zou kunnen hebben.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat hieraan niet afdoet dat [verweerster 1] zelf heeft verklaard dat zij het wel nodig vond dat [eiser] werd geïnformeerd. Het feit dat zij dat zelf, subjectief, nodig vond, betekent niet dat het objectief, rechtens, vereist was dat zij [eiser] inlichtte.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Dat, hoewel [verweerster 1] daarmee op 20 december 2016 niet bekend was, de omstandigheden van het geval mede ingekleurd worden door het vonnis van de kantonrechter te Assen van 3 mei 2016, waaruit blijkt dat [betrokkene 1] inderdaad een veroordelend vonnis had tegen [betrokkene 3] en dat [eiser] heeft verklaard dat hij het chalet van [betrokkene 3] had gekocht, maar bij [betrokkene 1] heeft opgehaald, waarmee het verhaal dat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] heeft gedaan dus ook niet zomaar uit de lucht gegrepen is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Op basis van deze feiten en omstandigheden, in onderling(e) verband en samenhang bezien, komt het hof in rov. 5.11-iv tot het oordeel dat “in dit geval een dergelijke waarschuwingsplicht niet op [verweerster 1] rustte”, anders gezegd dat “[i]n die situatie op [verweerster 1] niet een (buiten contractuele) zorgplicht [rustte] om zich in het kennelijke (zakelijke) conflict tussen [betrokkene 1] / [betrokkene 3] / [eiser] te mengen door contact op te nemen met [eiser] en hem in te lichten over wat [betrokkene 1] aan haar had verteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft hiermee geen blijk gegeven van miskenning van de Kelderluikcriteria en heeft ook (ruim) voldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang die ten grondslag ligt aan het oordeel dat [verweerster 1] door [eiser] niet in te lichten over de aangekondigde verwijdering van het chalet door [betrokkene 1] niet onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld. Voor zover het laatstgenoemde Kelderluikcriterium in de richting van aansprakelijkheid van [verweerster 1] zou kunnen wijzen, omdat “ [eiser] even te bellen of te sms’en dan wel te whatsappen” niet bezwaarlijk voor [verweerster 1] was, geldt, zoals Hartlief in de aangehaalde passage hiervoor ook optekent, dat het niet zo is dat wanneer met “eenvoudige niet kostbare middelen” het gedrag (in casu, kort gezegd, de verwijdering van het chalet door [betrokkene 1] ) mogelijk voorkomen had kunnen worden, dat “dus” betekent dat sprake is van onrechtmatig handelen (of in casu nalaten door [verweerster 1] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan het subonderdeel klaagt, dringt zich m.i. bij toepassing van de Kelderluikcriteria geen aansprakelijkheid van [verweerster 1] uit onrechtmatige daad jegens [eiser] op. De kans op schade, de aard van de gedraging, de aard en ernst van de eventuele schade en gebruikelijkheid van het nemen van voorzorgsmaatregelen wijzen immers, gelet op de hiervoor uiteengezette door het hof in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, niet in de richting van aansprakelijkheid van [verweerster 1] jegens [eiser] . Bovendien is in feitelijke instanties zijdens [eiser] ook niet een beroep gedaan op toepassing van de Kelderluikcriteria, noch op het Kelderluik-arrest uit 1965, noch op de algemenere variant uit het arrest van de Hoge Raad van 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst ook niet naar vindplaatsen in de gedingstukken, anders dan een verwijzing naar de memorie van grieven zijdens [eiser] waarin wordt gesteld dat [eiser] het chalet in 2015 heeft gekocht voor een bedrag van € 25.000,--. In zoverre wordt in cassatie ook voor het eerst een beroep gedaan op het gevaarzettingsleerstuk, hetgeen te laat is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.26 Subonderdeel 4.2 klaagt dat het oordeel van het hof temeer onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat in casu onmiskenbaar sprake is van een “speciale relatie”. Die speciale relatie brengt volgens het subonderdeel niet alleen a fortiori mee dat het hof aan de hand van de Kelderluikcriteria had moeten oordelen, maar ook dat eerder aan die criteria zou zijn voldaan, gelet op die speciale relatie. Indien en voor zover de campingovereenkomst geëindigd was, bestond tussen [verweerster] en [eiser] in elk geval een postcontractuele relatie. Deze speciale relatie brengt volgens het subonderdeel mee, of kan meebrengen, dat op [verweerster 1] de verplichting rustte om [eiser] te waarschuwen voor het aangekondigde handelen van [betrokkene 1] , zodat [verweerster 1] jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld heeft door dit na te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.27 Het subonderdeel faalt, in het voetspoor van subonderdeel 4.1 en gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bijzondere zorgplicht waardoor nalaten ook bij gebreke van gevaarsbewustzijn onrechtmatig zou kunnen zijn, waarop het subonderdeel onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad uit 1974 kennelijk doelt, kan voortvloeien uit: “(i) een speciale relatie van de waarnemer met het slachtoffer en (ii) een speciale relatie van de waarnemer met de plaats waar het gevaar zich voordoet.” [cursivering in origineel, A-G] Het subonderdeel lijkt zich te beroepen op zowel een speciale relatie als bedoeld onder (i) als op een speciale relatie als bedoeld onder (ii).</p>\n<p class=\"lf-p\">De speciale relatie als bedoeld onder (i) houdt verband met de aard van de rechtsverhouding tussen [verweerster] en [eiser] . Het subonderdeel wijst er in dit verband op dat [eiser] een vaste gast was op de door [verweerster] geëxploiteerde camping (rov. 3.2, zie ook onder 1.2 hiervoor) en spreekt voorts van de “postcontractuele relatie”. Een speciale relatie tussen [verweerster] en [eiser] als bedoeld onder (i) is door het hof niet miskend. Het hof heeft in rov. 5.10-ii, kort gezegd, geoordeeld dat aan de onderhavige campingovereenkomst (mocht die al hebben bestaan) in oktober 2016 een einde is gekomen en dat daar geen andere overeenkomst (zoals een overeenkomst tot bewaarneming) voor in de plaats is gekomen, hetgeen blijk geeft van die postcontractuele relatie. In rov. 5.11-iv bouwt het hof op die postcontractuele relatie voort. Op [eiser] rustte in beginsel een verbintenis tot ontruiming van de campingplaats (zie ook onder 3.8 hiervoor). Het hof overweegt hieromtrent in rov. 5.11-iv dat de (door [betrokkene 1] aangekondigde) verwijdering van het chalet paste bij de aanzegging aan [eiser] dat dit chalet van de camping moest worden gehaald (zie ook de omstandigheid genoemd bij het derde liggende streepje onder 3.25 hiervoor). De postcontractuele relatie leidt er in dit geval dus, anders dan het subonderdeel klaagt, niet toe dat eerder aan de Kelderluikcriteria is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De speciale relatie als bedoeld onder (ii) is evenmin miskend door het hof. Het subonderdeel wijst er in dit verband op dat het chalet zich op het moment van “de diefstal” bevond op de door [verweerster] geëxploiteerde camping (rov. 3.5, zie ook onder 1.5 en onder 3.1 hiervoor). De speciale relatie als bedoeld onder (ii) is plaatsgebonden. Ik wijs op rov. 5.6.2, waarin als stelling van [eiser] wordt weergegeven dat “[a]ls het niet [verweerster 1] was die het chalet heeft laten verwijderen, maar als dat is gebeurd in opdracht van [betrokkene 1] zoals [verweerster 1] zegt, geldt dat [verweerster] tekort zijn geschoten in de zorgplicht die zij als beheerders van het campingterrein jegens [eiser] hadden op grond van de campingovereenkomst tussen partijen.” [cursivering toegevoegd, A-G] Hieruit volgt m.i. reeds dat het hof de hoedanigheid van [verweerster] als “beheerders van het campingterrein” (waarop het chalet van [eiser] stond) onder ogen heeft gezien. De door [eiser] gestelde zorgplichtschending van [verweerster] jegens hem die wordt weergegeven in rov. 5.6.2 met betrekking tot art. 6:74 BW, die het hof in rov. 5.10 beoordeelt, verschilt in zoverre immers niet van die in rov. 5.6.3 met betrekking tot art. 6:162 BW, die het hof in rov. 5.11 beoordeelt (zie ook onder 3.1 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in rov. 5.11-iv beoordeeld in hoeverre, in het licht van art. 6:162 BW, op [verweerster 1] als beheerder van het campingterrein een waarschuwingsplicht rustte om [eiser] in te lichten over de verwijdering van het chalet door [betrokkene 1] . Gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, waaronder dus die “speciale relatie”, is het hof in rov. 5.11-iv tot het oordeel gekomen dat niet een dergelijke waarschuwingsplicht op [verweerster 1] rustte. Dat oordeel is goed navolgbaar en behoeft geen nadere motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.28 Subonderdeel 4.3 klaagt dat het oordeel van het hof aan het slot van rov. 5.11-iv dat de feiten en omstandigheden van het geval mede “ingekleurd” zouden worden door het gegeven dat uit een vonnis van de kantonrechter te Assen van 3 mei 2016 blijkt dat [betrokkene 1] inderdaad een veroordelend vonnis had tegen [betrokkene 3] en dat [eiser] verklaard heeft dat hij het chalet van [betrokkene 3] gekocht had, maar bij [betrokkene 1] opgehaald heeft, en dat het verhaal dat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] heeft gedaan daarom niet zomaar uit de lucht is gegrepen, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel valt niet (zonder meer) in te zien waarom dit gegeven relevant zou zijn voor toepassing van de Kelderluikcriteria of anders van belang zou zijn voor het antwoord op de vraag of [verweerster 1] jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld. Volgens het subonderdeel brengt het in rov. 5.11-iv vermelde “kennelijke (zakelijke) conflict” niet mee dat [verweerster 1] [eiser] “dus” niet meer zou hebben hoeven waarschuwen, terwijl een waarschuwing geenszins meebrengt dat [verweerster 1] zich in dat conflict zou mengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.29 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen, zoals het in rov. 5.11-iv heeft gedaan, dat “de omstandigheden van het geval mede ingekleurd [worden] door het gegeven dat uit een vonnis van de kantonrechter te Assen van 3 mei 2016 (productie 2 bij incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring) blijkt dat [betrokkene 1] inderdaad een veroordelend vonnis had tegen [betrokkene 3] en dat [eiser] heeft verklaard dat hij het chalet van [betrokkene 3] had gekocht, maar bij [betrokkene 1] heeft opgehaald” en dat “[h]et verhaal dat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] heeft gedaan dus ook niet zomaar uit de lucht gegrepen [is].” Voor het hof - het hof overweegt immers ook dat [verweerster 1] daarmee op 20 december 2016 niet bekend was - vormt dat een bevestiging van hetgeen daarvoor is overwogen, kort gezegd dat gelet op wat [betrokkene 1] aan [verweerster 1] had verteld zij kon denken, zoals zij gedaan heeft, dat sprake was van een zakelijk geschil tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] , waarin ook [eiser] was betrokken, en dat [betrokkene 1] aanspraak zou kunnen hebben op het chalet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zie niet in waarom het rechtens onjuist zou zijn dat het hof dit in die zin als relevante factor betrekt, in de totaliteit van de gegeven feiten en omstandigheden. Overigens acht ik de door het subonderdeel bestreden passage van rov. 5.11-iv niet dragend voor het oordeel van het hof in rov. 5.11-iv dat in dit geval, gelet op een weging van alle feiten en omstandigheden van het geval, op [verweerster 1] niet een uit ongeschreven recht voortvloeiende verplichting rustte om [eiser] in te lichten over de verwijdering van het chalet. De overige door het hof genoemde feiten en omstandigheden (zie de opsomming onder 3.25 hiervoor) kunnen dat oordeel zelfstandig dragen. In zoverre faalt de klacht ook reeds bij gebrek aan belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel lijkt voorts nog een afzonderlijke klacht te bevatten over de volgende overweging van het hof in rov. 5.11-iv: “In die situatie rustte op [verweerster 1] niet een (buiten contractuele) zorgplicht om zich in het kennelijke (zakelijke) conflict tussen [betrokkene 1] / [betrokkene 3] / [eiser] te mengen door contact op te nemen met [eiser] en hem in te lichten over wat [betrokkene 1] aan haar had verteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de klacht aan het slot van het subonderdeel brengt het “kennelijke (zakelijke) conflict” niet mee dat [verweerster 1] [eiser] “dus” niet meer zou hebben hoeven waarschuwen, terwijl een waarschuwing geenszins meebrengt dat [verweerster 1] zich in dat conflict zou mengen. Het subonderdeel ziet daarmee eraan voorbij dat het hof in de aangehaalde passage slechts in andere woorden tot uitdrukking brengt dat “[h]et hof van oordeel [is] dat in dit geval een dergelijke waarschuwingsplicht niet op [verweerster 1] rustte”. Deze passage betreft niet één van de feiten en omstandigheden van het geval die het hof in zijn beoordeling betrekt (zie de opsomming onder 3.25 hiervoor). Voor zover het subonderdeel iets meer of anders in die passage leest, gaat het uit van een verkeerde lezing van het oordeel van het hof en mist het dus feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.30 Onderdeel 5 valt uiteen in twee subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.31 Subonderdeel 5.1 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.11-vi dat geen sprake zou zijn van onrechtmatig handelen dat aan [verweerster 1] toegerekend kan worden onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd. Volgens het subonderdeel is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom [verweerster 1] niet toegerekend zou kunnen worden dat zij [eiser] niet reeds ten tijde van de vooraankondiging (dus ergens in december 2016) of aankondiging (dus op 20 december 2016) gewaarschuwd heeft. De motivering in rov. 5.11-v betreft volgens het subonderdeel slechts het moment van de diefstal (dus 4 januari 2017), terwijl de omstandigheden waarop deze motivering berust, niet (zonder meer) zouden kunnen verklaren waarom [verweerster 1] niet toegerekend zou kunnen worden dat zij [eiser] niet vrijwel meteen na [betrokkene 1] vooraankondiging of aankondiging gewaarschuwd heeft. Volgens het subonderdeel miskent het hof dat 20 december 2016, althans een korte periode van enkele dagen daarna, het toetsmoment voor de toerekenbaarheid is. Dit klemt volgens het subonderdeel temeer gezien de stelling van [eiser] dat [verweerster 1] hem op 25 december 2016 nog wel gesms’t heeft, maar [eiser] op dat moment niet ingelicht heeft over [betrokkene 1] (voor)aankondiging, terwijl zij heeft verklaard dat zij [eiser] op die dag had kunnen laten weten wat er aan de hand was met het chalet, maar dat het “haar niet interesseerde”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.32 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel is gericht tegen de volgende motivering in rov. 5.11-v: “Echter, ook hiervoor geldt dat [verweerster 1] juridisch niet is onderlegd en dat niet onbegrijpelijk is dat zij zich door het briefje heeft laten “overdonderen”. In het bijzonder niet in de situatie dat zij de dag daarvoor haar man had begraven. Zeer wel voorstelbaar is dat, zoals [verweerster 1] heeft aangevoerd, zij op dat moment niet tot zakelijk en helder denken in staat was. Voor zover [verweerster 1] verweten kan worden tijdens het afvoeren van het chalet niet adequaat gehandeld te hebben, kan haar dat in die situatie niet toegerekend worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij komt dat het afvoeren van het chalet aansloot bij de eerdere aankondiging daarvan door [betrokkene 1] terwijl dat afvoeren in alle openheid geschiedde: het chalet werd niet bij nacht en ontij opgehaald, maar op klaarlichte dag nadat eerst nog allerlei werkzaamheden rondom dat chalet waren uitgevoerd om het te kunnen verwijderen. Als relevante omstandigheid is ook in dit verband aan te merken het bestaan van het vonnis van 3 mei 2016, genoemd in het slot van de vorige rechtsoverweging.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze rov. 5.11-v beoordeelt het hof, in het kader van art. 6:162 BW, het tweede verwijt (naast het eerste verwijt van niet-naleving van de waarschuwingsplicht) dat [eiser] [verweerster 1] heeft gemaakt: niet-naleving van de plicht tot beletten. Dat blijkt uit het kopje van rov. 5.11-v met die titel (“plicht tot beletten”) en wordt voorts als volgt toegelicht in die rov. 5.11-v: “Volgens [eiser] had [verweerster 1] de afvoer van het chalet toen [ [betrokkene 1] het chalet kwam ophalen, dus op 4 januari 2017, A-G] moeten beletten omdat uit dat briefje in geen enkel opzicht blijkt dat [eiser] recht zou hebben op het chalet. Volgens hem is de tekst volstrekt onbegrijpelijk.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat strookt bovendien met rov. 5.6.3, waarin het hof de desbetreffende stellingen van [eiser] weergeeft (zie ook onder 3.1 hiervoor): “Ook die [uit het ongeschreven recht voortvloeiende] zorgplicht hield in dat [verweerster] [eiser] hadden moeten waarschuwen nadat zij van [betrokkene 1] hadden gehoord dat hij het chalet wilde gaan verwijderen en dat zij de verwijdering hadden moeten beletten. De schending van die zorgverplichting is jegens [eiser] onrechtmatig.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel constateert tegen deze achtergrond bezien terecht dat de motivering in rov. 5.11-v slechts het moment van 4 januari 2017 betreft. Daarmee is het oordeel van het hof in rov. 5.11-v en rov. 5.11-vi echter niet onjuist en/of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Uit de vaststaande feiten blijkt dat het chalet op 4 januari 2017 van de camping is verwijderd (zie rov. 3.5 en onder 1.5 hiervoor). Het hof heeft de plicht tot beletten terecht naar dat moment getoetst en heeft geoordeeld dat voor zover haar verweten kan worden dat zij tijdens het afvoeren van het chalet (dus op 4 januari 2017) niet adequaat gehandeld zou hebben, dat haar in die situatie (dus, kort gezegd, in de gegeven omstandigheden, waaronder dat zij de dag daarvoor haar man had begraven) niet toegerekend kan worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft niet miskend dat 20 december 2016, het moment van de aankondiging door [betrokkene 1] (zie ook onder 3.1 hiervoor), het toetsmoment is voor de andere door [eiser] gestelde normschending van [verweerster 1] : niet-naleving van de waarschuwingsplicht, hetgeen het hof in rov. 5.11-iv naar dat moment heeft beoordeeld. Het subonderdeel haalt dus de beide door [eiser] gestelde normschendingen, kort gezegd de waarschuwingsplicht die op 20 december 2016 zou zijn ontstaan en de plicht tot beletten van 4 januari 2017, door elkaar. Aldus leest het subonderdeel het arrest verkeerd en mist het dus feitelijke grondslag. De verwijzing in rov. 5-11-vi naar niet-toerekenbaarheid (“althans dat geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen dat haar kan worden toegerekend”) heeft immers alleen betrekking op rov. 5.11-v (plicht tot beletten) en niet (ook) op rov. 5.11-iv (waarschuwingsplicht).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat [eiser] de stelling betrokken heeft dat [verweerster 1] hem op 25 december 2016 nog ge-sms’t heeft en wat daarover zijdens [verweerster] in haar memorie van antwoord erkend zou zijn, en wat in dat verband door [verweerster 1] tijdens de comparitie van partijen zou zijn verklaard, kan ik (dus) laten rusten. Dat heeft niets van doen met het oordeel van het hof in rov. 5.11-v, dat dus ziet op de beoordeling van de door [eiser] gestelde plicht tot beletten van [verweerster 1] op 4 januari 2017 (zie ook rov. 5.6.3 en onder 3.1 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.33 Subonderdeel 5.2 klaagt dat hetgeen waarover subonderdeel 5.1 klaagt bovendien onjuist is en/of onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, voor zover het er op berust: (i) dat het afvoeren van het chalet door [betrokkene 1] aansloot bij de aankondiging door hem; (ii) dat dit afvoeren in alle openheid geschiedde; en (iii) dat er een vonnis van 3 mei 2016 bestaat. Volgens het subonderdeel zijn de omstandigheden onder (i) t/m (iii) niet van dien aard dat zij zouden moeten meebrengen dat de onrechtmatige daad niet te wijten zou zijn aan [verweerster] ’ schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van [verweerster] komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.34 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel ziet voorbij aan het onderscheid tussen art. 6:162 leden 2 en 3 BW. Het hof oordeelt in rov. 5.11-vi, in de sleutel van art. 6:162 lid 2 BW, “dat [verweerster 1] in de omstandigheden van het geval ook niet heeft gehandeld in strijd met een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgverplichting” en, in de sleutel van art. 6:162 lid 3 BW, “althans dat geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen dat haar kan worden toegerekend”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat niet-toerekeningsoordeel heeft, zoals ook onder 3.32 hiervoor opgemerkt, alleen betrekking op rov. 5.11-v (plicht tot beletten) en niet (ook) op rov. 5.11-iv (waarschuwingsplicht). Het hof motiveert dat niet-toerekeningsoordeel in rov. 5.11-v met de volgende overweging: “Echter, ook hiervoor geldt dat [verweerster 1] juridisch niet is onderlegd en dat niet onbegrijpelijk is dat zij zich door het briefje heeft laten “overdonderen”. In het bijzonder niet in de situatie dat zij de dag daarvoor haar man had begraven. Zeer wel voorstelbaar is dat, zoals [verweerster 1] heeft aangevoerd, zij op dat moment niet tot zakelijk en helder denken in staat was. Voor zover [verweerster 1] verweten kan worden tijdens het afvoeren van het chalet niet adequaat gehandeld te hebben, kan haar dat in die situatie niet toegerekend worden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 5.11-iv lees ik niks over niet-toerekenbaarheid, wat ook logisch is, omdat het niet-toerekeningsoordeel van het hof aanknoopt bij het overlijden van [erflater] ( [erflater] is op 28 december 2016 overleden, zie rov. 3.4 en onder 1.4 hiervoor). De waarschuwingsplicht beoordeelt het hof in rov. 5.11-iv naar het moment van 20 december 2016 (zie ook onder 3.32 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheden die het subonderdeel onder (i) t/m (iii) opsomt, zijn ontleend aan de daaropvolgende passage in rov. 5.11-v: “Daarbij komt dat het afvoeren van het chalet aansloot bij de eerdere aankondiging daarvan door [betrokkene 1] terwijl dat afvoeren in alle openheid geschiedde: het chalet werd niet bij nacht en ontij opgehaald, maar op klaarlichte dag nadat eerst nog allerlei werkzaamheden rondom dat chalet waren uitgevoerd om het te kunnen verwijderen. Als relevante omstandigheid is ook in dit verband aan te merken het bestaan van het vonnis van 3 mei 2016, genoemd in het slot van de vorige rechtsoverweging.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze omstandigheden, die ook reeds in rov. 5.11-iv (waarschuwingsplicht) aan de orde kwamen (zie ook onder 3.25 hiervoor) noemt het hof dus in het kader van art. 6:162 lid 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus leest het subonderdeel, dat kennelijk alleen over het niet-toerekeningsoordeel van het hof gaat, het arrest van het hof verkeerd en faalt het dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ten overvloede wijs ik er nog op dat het subonderdeel ook voorbij ziet aan de bijkomende omstandigheid aan het slot van rov. 5.11-v: “Overigens merkt het hof op dat voor zover [eiser] [verweerster 1] verwijt dat zij het afvoeren van het chalet niet heeft verhinderd, hij niet concreet aangeeft hoe [verweerster 1] dat dan had moeten verhinderen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel het oordeel van het hof dat [verweerster 1] in de gegeven situatie niet heeft gehandeld in strijd met een uit het ongeschreven recht voortvloeiende zorgverplichting (waarschuwingsplicht en plicht tot beletten) als het oordeel dat althans in de gegeven situatie geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen dat [verweerster 1] kan worden toegerekend (dat uitsluitend betrekking heeft op de plicht tot beletten), is, gelet op alle feiten en omstandigheden van het geval, niet onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Ik wijs er ten slotte nog op dat in cassatie ook geen plaats is voor een feitelijke herbeoordeling van, kort gezegd, het (on)rechtmatigheidsoordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 3.35 Klacht B faalt in al haar (sub)onderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht C: slotklacht 3.36 Onderdeel 6 bevat een voortbouwklacht, die inhoudt dat waarover een vorig onderdeel klaagt (tevens) al hetgeen vitieert waarmee het hof voortbouwt op het door dat onderdeel bestredene.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.37 Deze voortbouwklacht deelt in het lot van de voorgaande klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 3.38 De slotsom luidt dat alle klachten falen en dat het arrest in stand kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4De conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 21 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:515.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Overijssel (zittingsplaats Zwolle) 23 augustus 2017, zaak-/rolnr. C/08/202497 / HA ZA 17-257 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Overijssel (zittingsplaats Zwolle) 25 oktober 2017, zaak-/rolnr. C/08/202497 / HA ZA 17-257 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Overijssel (zittingsplaats Zwolle) 4 april 2018, zaak-/rolnr. C/08/202497 / HA ZA 17-257 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 4 september 2018, zaaknr. 200.238.490/01 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 24 september 2019, zaaknr. 200.238.490/01 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 15-18, in het bijzonder onder 15-16: “(…) Weliswaar overlegt [eiser] een zogenaamde inkoopverklaring, echter de echtheid daarvan wordt door [erflater] - [verweerster 1] betwist. Dit wordt ook ingegeven door de mededeling die wijlen [erflater] bij leven heeft gedaan, dat het chalet niet eerlijk zou zijn. Het geeft ook te denken dat [betrokkene 3] het chalet aan [eiser] heeft verkocht, terwijl het diezelfde [betrokkene 3] is die vervolgens nog meer dan € 20.000,00 aan [betrokkene 1] moet betalen. Dit is een kwestie tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [eiser] . Vervolgens doet de kopie van de inkoopverklaring vermoeden dat er mee is geknoeid. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de inleidende dagvaarding zijdens [eiser] , onder 1: “Eiser is eigenaar van een chalet met aanbouw, bestrating en inventaris, dat sinds zomer 2015 stond op de camping van het echtpaar [erflater] - [verweerster 1] , [a-straat 1] , [plaats 1] (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 6, tevens opgenomen bij Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 1, tevens opgenomen bij Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de desbetreffende “bijl.2” (Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 2, tevens opgenomen bij Akte bewijsstukken 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 2) wordt het volgende verklaard: “Hierbij verklaar ik, [betrokkene 7] , dat ik een woonwagen (Chalet, 10 mtr lang x 3.80 mtr breed), heb vervoerd voor [eiser] van [plaats 3] (adres: [c-straat 1] ) naar [A] te [plaats 1] (adres: [a-straat 1] ). De woonwagen is opgeladen in aanwezigheid en met toestemming van [betrokkene 1] persoonlijk. Getekend op 04-05-2017. [handtekening].” Zie in lijn daarmee ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 2, waaruit de volgende verklaring van [eiser] blijkt: “[I]n 2015 heb ik de stacaravan in overleg met [erflater] ingeruild tegen het chalet. Het was geen probleem om het chalet op de camping te zetten. Daarna is het chalet aangesloten, is er bestrating aangelegd, schuttingen neergezet, et cetera. [erflater] heeft het vervolgens op zijn naam verzekerd. Ik had het chalet gekocht van [betrokkene 3] . Hij is geen familie van mij. Het chalet stond toen bij [betrokkene 1] . Het chalet heb ik een paar dagen later weg laten halen door [betrokkene 7] . Ik weet ook niet waarom [betrokkene 3] het chalet van [betrokkene 1] kocht, zonder het zelf te gebruiken. Het bij te betalen bedrag van € 15.000,- heb ik contant aan [betrokkene 3] betaald.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Nederland (ktr., locatie Assen) 3 mei 2016, zaak-/rolnr. 4717648 / CV EXPL 16-19 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring zijdens [verweerster] , productie 2, tevens opgenomen bij de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , productie 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.2 van dat vonnis van de kantonrechter (noten 15-16 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 17-18. Zie verder bijv. ook de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 december 2019 zijdens [verweerster] , onder 11 en noot 9 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4. Zie ook de verklaring van [verweerster 1] kenbaar uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord zijdens [verweerster] , productie 2, tevens opgenomen bij de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , productie 1. In het briefje wordt overigens wel gerept van “eigenaar: [betrokkene 1] ”, maar dat is voor meerderlei uitleg vatbaar en zou bijvoorbeeld ook kunnen slaan op de Handelsonderneming [betrokkene 1] , zie ook noot 22 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 5 (verklaring mr. Van Weert).</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 5 (verklaring mr. Van Balen). Zie bijv. ook de Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , p. 1: “Waarom niet [betrokkene 1] gedagvaard? [betrokkene 1] is sinds Faillissement 28-1-16 van zijn [B] BV ondergedoken, uitgeschreven uit NL, uit angst voor geweld door zijn schuldeisers, die door [betrokkene 1] zijn opgelicht. Hij biedt geen/onvoldoende verhaal; slechts vertraging van het geding-waarvan Akte!” Ter staving daarvan is een overzicht van faillissementen in [plaats 3] in het geding gebracht, volgens welk overzicht op 28 januari 2016 een wijziging in het faillissement van [B] B.V. heeft plaatsgevonden. Zie de Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 8, ook reeds opgenomen bij Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 8. Overigens merk ik op dat de voorletters van de [betrokkene 1] die in vrijwaring is opgeroepen […] (dus niet […] ) zijn (zie ook onder 2.2 hiervoor). Zie in dat verband ook het handgeschreven briefje dat het hof in rov. 5.11-v citeert en waarin overigens ook geen verwijzing naar [B] B.V. voorkomt, maar dat is geschreven uit naam van Handelsonderneming [betrokkene 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet bestreden wordt het oordeel in rov. 5.11-i dat [eiser] [erflater] en daarmee de erven [erflater] niet een concreet verwijt heeft gemaakt waaruit zou blijken dat [erflater] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met betrekking tot de gevolgde contractuele benadering (via art. 6:74 BW) rov. 5.6.2: “Uit die zorgplicht vloeide voort dat [verweerster] [eiser] hadden moeten waarschuwen nadat zij van [betrokkene 1] hadden gehoord dat hij van plan was om het chalet te gaan verwijderen. Volgens [verweerster 1] had zij dat al op 20 december 2016 gehoord”. Zie met betrekking tot de gevolgde buitencontractuele benadering (via art. 6:162 BW) rov. 5.6.3: “Ook die zorgplicht hield in dat [verweerster] [eiser] hadden moeten waarschuwen nadat zij van [betrokkene 1] hadden gehoord dat hij het chalet wilde gaan verwijderen (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met betrekking tot de gevolgde contractuele benadering (via art. 6:74 BW) rov. 5.6.2: “Verder hadden [verweerster] maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat het chalet kon worden verwijderd en hadden zij die verwijdering tegen moeten houden.” Zie met betrekking tot de gevolgde buitencontractuele benadering (via art. 6:162 BW) rov. 5.6.3: “Ook die zorgplicht hield in (…) dat zij de verwijdering hadden moeten beletten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819, NJ 2018/261, rov. 3.3.2 (ik merk op dat de Hoge Raad hier, kort gezegd, verwijst naar art. 3:33 BW en art. 3:35 BW, niet (ook) naar de Haviltex-maatstaf) en Asser/C.H. Sieburgh, Algemeen overeenkomstenrecht (6-III), Deventer: Wolters Kluwer 2018, nrs. 370-371.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar C. Spierings, De eenzijdige rechtshandeling (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, nr. 2.4.3.1, met verwijzing naar J.F.M. Strijbos, Opzegging van duurovereenkomsten (diss.), Deventer: Kluwer 1985, p. 114. Het subonderdeel verwijst verder nog naar Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7930, rov. 5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in de noten 13-18 van de procesinleiding naar vindplaatsen in de gedingstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik laat daar dat blijkens de vaststaande feiten het campingbedrijf werd uitgeoefend in de vorm van een vennootschap onder firma (rov. 3.1, zie ook onder 1.1 hiervoor), zodat het voor de hand zou liggen dat een “campingovereenkomst” met de v.o.f. [A] werd aangegaan. Een overeenkomst ‘met de v.o.f.’ moet dan worden aangemerkt als een overeenkomst met de gezamenlijke vennoten van de v.o.f. in hun hoedanigheid van vennoten. Zie bijv. HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, rov. 3.4.2. De gezamenlijke vennoten waren in dit geval [verweerster 1] en haar moeder (rov. 3.1, zie ook onder 1.1 hiervoor). In de praktijk werd de camping mede gedreven door [erflater] (rov. 3.1, zie ook onder 1.1 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het ervoor zou moeten worden gehouden dat de campingovereenkomst tot stand is gekomen tussen [eiser] en [erflater] roept dat de vraag op in hoeverre [erflater] bevoegd was de v.o.f., althans de gezamenlijke vennoten van de v.o.f. in hun hoedanigheid van vennoten, te vertegenwoordigen. Vgl. bijv. de verklaring van [betrokkene 3] van 16 oktober 2017 (ongenummerde productie bij de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] en de Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 17: “ [eiser] had een mondelinge campingovereenkomst, zoals ieder campinggast, met [erflater] . Niemand had een schriftelijke overeenkomst. [eiser] betaalde staangeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik denk wel dat ook [verweerster 1] dat weet.” Vgl. voorts het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 3 (verklaring [verweerster 1] ): “De afspraken met de campinggasten gingen altijd mondeling. Ik overlegde dat met mijn man [erflater] . Het bedrag dat [eiser] aan stageld moest betalen moest nog worden vastgesteld. Er was wel een afspraak dat hij stageld moest betalen, alleen het bedrag stond nog niet vast. [eiser] maakte afspraken met [erflater] , maar dat waren ook afspraken met mij want we waren in gemeenschap van goederen getrouwd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Ktr. Middelburg 28 november 1977, ECLI:NL:KTGMID:1977:AI6703, Prg. 1979, 1343. In de appeldagvaarding van 17 april 2018 zijdens [eiser] , onder 14 wordt ook (zonder vermelding van de vindplaats in de Praktijkgids) verwezen naar deze uitspraak. Het hof heeft overigens de inhoud van de appeldagvaarding (hetgeen [eiser] daarin aan bezwaren tegen het vonnis naar voren heeft gebracht), in verband met de daarna zijdens [eiser] ingediende memorie van grieven, blijkens rov. 5.4 van het arrest buiten beschouwing gelaten. Zie ook onder 2.14 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. Asser/Sieburgh 2018, nr. 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">De RECRON-voorwaarden voor vaste plaatsen zijn te raadplegen via www.hiswarecron.nl/leisure-en-recreatie/voorwaarden-en-overeenkomsten. De geraadpleegde versie van de voorwaarden is, ook voor lopende contracten, in werking getreden per 1 maart 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de preambule van de desbetreffende RECRON-voorwaarden (noot 36 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3: “Hof: verbleef [eiser] permanent op de camping, of af en toe? [verweerster 1]: niet permanent, maar ze waren er best vaak. (…).” [onderstreping in origineel, A-G] Zie de preambule van de desbetreffende RECRON-voorwaarden (noot 36 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/H.J. Rossel &amp; A.H.T. Heisterkamp, Huur (7-II), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 202, met verwijzing. Vgl. de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 1: “Eiser kon als analfabeet van een woonwagenkamp moeilijk zaken op papier regelen. [erflater] regelde de aansluiting van het chalet op elektra, water, septictank en de bestrating rondom.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7952, rov. 4.6: “Nu het chalet eigendom is van [de recreant] en de staanplaats geen standplaats is als bedoeld in art. 7:236 BW, wordt er door [de ondernemer] geen woonruimte verhuurd in de zin van art. 7:233 BW. Tussen partijen is - terecht - niet aangevoerd dat de verhuurde staanplaats bedrijfsruimte is in de zin van art. 7:290 BW.” [aanduiding van partijen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G] Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7952, rov. 4.7: “Daarmee is de keuze welk huurregiem - met bijbehorende wettelijke regeling omtrent de beëindiging - van toepassing is, beperkt tot de keuze tussen art. 7:230a BW voor een gebouwde onroerende zaak en art. 7:228 BW voor andere verhuurde zaken. Wat ook zij van de stelling van [de recreant] dat haar chalet, gefundeerd op ijzer, steen en hout en afgezet met betonnen platen, “zonder meer een gebouwde onroerende zaak is”, daarmee ziet zij over het hoofd dat [de ondernemer] niet dat chalet heeft verhuurd maar uitsluitend de grond waarop dat chalet staat. Dat die grond onroerend is, hoeft geen betoog. Waar het om gaat is, of die verhuurde grond een gebouwde onroerende zaak is. Naar voorlopig oordeel van het hof is dit niet het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:230a BW is de opvolger van de artikelen 28c-h Huurwet (hierna: Hw). Blijkens de wetsgeschiedenis is met het overgenomen begrip “gebouwde onroerende zaak” geen wijziging beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 1 lid 3 sub c Hw definieerde dit begrip aldus: een gebouw of een gedeelte daarvan, indien dit gedeelte een zelfstandige bedrijfsruimte vormt, een en ander met zijn normale onroerende aanhorigheden.De verharde grond is naar ’s hofs voorshandse oordeel geen (gedeelte van een) gebouw, zoals ook het hof ’s Gravenhage onlangs oordeelde dat verharde landingsbanen niet zijn gebouwd, maar zijn aangelegd, en de huur daarvan dus niet onder art. 7:230a BW valt (ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ9950).” [cursivering in origineel, aanduiding van partijen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G] Het aangehaalde arrest van het hof Den Haag is bekrachtigd door de Hoge Raad in HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:899, NJ 2014/438. Zie in lijn hiermee bijv. Rb. Midden-Nederland (ktr. in k.g., locatie Utrecht) 30 april 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1647 en Rb. Midden-Nederland (ktr., locatie Utrecht) 10 februari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:753 (waarover nader noot 51 hierna). Vgl. ook de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2014:43) voor HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:899, NJ 2014/438, onder 3.29-3.33, met rechtspraakverwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3: “Hof aan [verweerster 1]: heeft u de camping nog? [verweerster 1]: nee, de camping heb ik niet meer. Het boerenbedrijf ook niet meer.” [onderstreping in origineel, A-G] Vgl. bijv. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4: “Hof aan [verweerster 1]: in september 2016 moesten alle campinggasten vertrekken. Waarom was dat? [verweerster 1]: ik had het idee dat er gestookt werd in het huwelijk van mijn man en mij. Toen heb ik gezegd dat mijn man rust moest nemen. Dat deed hij. In de tijd dat mijn man rust nam, wilde ik niet met een volle camping achterblijven. Daarom wilde ik dat de campinggasten vertrokken. Later heb ik de camping weer opengedaan, iedereen was weer welkom. Iets later heb ik gezegd tegen [eiser] dat het chalet weg moest. Dat chalet was een doorn in mijn oog. Ik zag de vriendin van [eiser] als de stookster binnen mijn huwelijk. Ik wilde dat het chalet voor 1 oktober 2016 weg zou gaan, anders zou ik de gemeente inlichten. Ik had het chalet nooit zelf weggehaald.” [onderstreping in origineel, A-G] Zie o.a. Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 19 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1546 (een van de raadsheren die dat arrest heeft gewezen, mr. O.E. Mulder , maakt overigens ook deel uit van de zetel in het onderhavige arrest) en Hof ’s-Hertogenbosch 13 maart 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1056.</p>\n<p class=\"lf-p\">Lid 1 van deze bepaling luidt: “Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling luidt: “Een huur voor onbepaalde tijd aangegaan of voor onbepaalde tijd verlengd eindigt door opzegging. Heeft de huur betrekking op een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is, dan dient de opzegging te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand.” Vgl. art. 7:228 lid 1 BW: “Een huur voor bepaalde tijd aangegaan, eindigt, zonder dat daartoe een opzegging vereist is, wanneer die tijd is verstreken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1: “verwijdering van zijn chalet zou minstens 5 man 2 dagen werk + graafmachine + dieplader vereisen (…)” en de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 11: “ [erflater] - [verweerster 1] betwist overigens dat het verwijderen van het chalet ten minste 2 dagen werk zou zijn voor 5 man en dat er een graafmachine en dieplader vereist zouden zijn.” en onder 15: “Op 4 en 5 januari 2017 (…) wordt het chalet op last van [betrokkene 1] en in het bijzijn van [betrokkene 8] weggesleept door het personeel van [C] .” Zie overigens ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 2 (verklaring [eiser] ): “Toen ik het chalet van [betrokkene 3] had gekocht, zijn we 4 of 5 uur bezig geweest met het laden van het chalet op een dieplader, waarbij ook [betrokkene 1] aanwezig was. Ook het weghalen van het chalet moet dus de nodige tijd in beslag hebben genomen (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. ook HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AC0182, NJ 1999/495.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 47 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met betrekking tot een distributieovereenkomst bijv. HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3821, NJ 2000/120 en met betrekking tot een mondelinge huurovereenkomst van een (speel)terrein HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1280, NJ 2012/411, rov. 3.4, met verwijzing naar HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ9854, NJ 2012/685: “Weliswaar geeft art. 7:228 lid 2 de bevoegdheid een huurovereenkomst als de onderhavige op te zeggen tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van ten minste een maand, maar de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat (…).”Zie bijv. ook Rb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Midden-Nederland (ktr. in k.g., locatie Utrecht) 30 april 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:1647, waarin de kantonrechter overweegt dat: “niet in geschil is dat tussen [de recreant] en [de ondernemer] een mondelinge huurovereenkomst bestaat/bestond, welke overeenkomst enkel ziet op het gebruik door [de recreant] van de standplaats en derhalve niet op het chalet [met nummer] dat op deze standplaats is geplaatst en eigendom van [de recreant] is.” [partijaanduidingen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G] (rov. 4.4); geen sprake is van woonruimte huurbescherming (art. 7:233 e.v. BW), ook niet op grond van een standplaats in de zin van art. 7:235 en 7:236 BW (rov. 4.5-4.6); voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de huurovereenkomst zal aanmerken als een duurovereenkomst, waarbij voor de opzegging een voldoende zwaarwegende grond is vereist, verwijzend naar HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3821, NJ 2000/120 (rov. 4.7); en dat ook voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat een zwaarwegende grond voor opzegging bestaat en de huurovereenkomst door opzegging is beëindigd (rov. 4.8-4.9), waarna de kantonrechter de ontruimingsvordering toewijst (dictum).Zie met betrekking tot dezelfde camping ook Rb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Midden-Nederland (ktr., locatie Utrecht) 10 februari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:753, rov. 4.4, onder verwijzing naar Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juli 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5644: “Vast staat dat het huurobject een stuk grond betreft, namelijk een standplaats voor een chalet. De standplaats kwalificeert als onbebouwd onroerend goed. Het plaatsen van een chalet op die standplaats maakt dat chalet nog niet tot huurobject. [De recreant] betaalt aan [de ondernemer] alleen huur voor de standplaats, niet ook voor het chalet. Partijen zijn het erover eens dat [de recreant] eigenaar is van het chalet, dat hij van de vorige huurder van de standplaats heeft gekocht. Het huurobject betreft dus niet een gebouwde onroerende zaak, die als woonruimte is verhuurd (artikel 7:233 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Evenmin is het huurobject een standplaats voor een woonwagen, in de zin van de artikelen 7:235 en 236 BW. De dwingendrechtelijke huurbescherming bij woonruimte is dan ook niet van toepassing op de onderhavige huurovereenkomst (…)” [partijaanduidingen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G] en rov. 4.7, onder verwijzing naar HR 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1280, NJ 2012/411: “De huur voor onbepaalde tijd aangegaan eindigt door opzegging. Als de huur betrekking heeft op een onroerende zaak die noch woonruimte, noch bedrijfsruimte is, dient de opzegging te geschieden tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag, op een termijn van tenminste een maand (artikel 7:228 BW). Dit betekent dat [de ondernemer] de huur van de standplaats - in beginsel - heeft kunnen opzeggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen echter meebrengen dat de opzegging, in de concrete omstandigheden van het geval, alleen tot het beoogde rechtsgevolg kan leiden als voor die opzegging een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Ook kan uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat de opzeggende partij zijn wederpartij schadeloos dient te stellen, als hij van zijn opzeggingsbevoegdheid gebruik maakt (…).” De kantonrechter oordeelt dat niet een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging van de huurovereenkomst bestaat. [partijaanduidingen als recreant en ondernemer toegevoegd, A-G] (rov. 4.10-4.11).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. Spierings 2016, nr. 10.2.1, waarover ook noot 56 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. bijv. het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019 (verklaring [verweerster 1] ), p. 4: “Het kwam mij inderdaad goed uit dat het chalet verwijderd werd, dat was wat ik wilde. Het was alleen puur toeval dat [betrokkene 1] mij benaderde. Het had ook kunnen zijn dat [betrokkene 1] nooit was komen opdagen, dan had [eiser] het chalet op enig moment moeten ophalen, maar dat had ook maanden later geweest kunnen zijn. Veel haast zat daar niet bij.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Spierings 2016, nr. 2.4.3.1, met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Spierings 2016, nr. 2.4.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Spierings 2016, nr. 10.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:164) voor HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819, NJ 2018/261, onder 2.8, met verwijzing naar HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, RvdW 2017/309: “Deze feiten en omstandigheden zijn zonder meer ook in te passen in het samenstel van de art. 3:33 en 3:35 BW; in dat kader zijn tenslotte eveneens alle omstandigheden van het geval van belang. In zoverre is m.i. niet van belang of men de zaak benadert vanuit het kader van de art. 3:33 en 3:35 BW dan wel de Haviltex-maatstaf.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819, NJ 2018/261, rov. 3.3.2, met verwijzing naar HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, RvdW 2017/309, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 6, tevens opgenomen bij Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , productie 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 7: “Uit het proces-verbaal van aangifte waar [eiser] in de dagvaarding naar verwijst, blijkt vervolgens wel dat [eiser] op de hoogte was van het feit dat het chalet vóór 1 oktober 2016 moest zijn weggehaald. Hierop heeft [eiser] echter geen enkele actie ondernomen.” en de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 11: “ [eiser] ontkent ook niet dit bericht te hebben ontvangen. Uit het proces-verbaal van aangifte waar [eiser] in de dagvaarding naar verwijst, blijkt ook dat [eiser] op de hoogte was van het feit dat het chalet vóór 1 oktober 2016 moest zijn weggehaald. Hierop heeft [eiser] echter geen enkele actie ondernomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de Akte van 10 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 1: “Toen gedaagde ca. aug. 2016 tekeer ging, ’s nachts ca. 03.00 uur sms-te, dat de camping ontruimd moest worden, of dat er het chalet anders in de container zou belanden (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1: “ [verweerster 1] wou rust en verlangde ca mid sept. ’16 per SMS tegen middernacht plotsklaps dat alle gasten van de camping af moesten en dat ook [eiser] zijn chalet vóór eind sept. ’16 zou verwijderen en niet meer op de camping zou komen.”, p. 2: “ [verweerster 1] ’s overspannen onredelijk dreigement in de scheidingssituatie van echtpaar [erflater] - [verweerster 1] , in haar sms-bericht op appellant’s telefoon, ca. mid sept. ’16 tegen middernacht, dat appellant zijn nieuw chalet, bouwjaar 2015 verwijderd moest hebben van de camping vóór het einde van de maand sept. ’16.”, en p. 4 (het subonderdeel verwijst in noot 14 ten onrechte naar p. 3): “een van de warrige berichten sept. ’16 van [verweerster 1] .”</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 10-11. Zie ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4 (verklaring [verweerster 1] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 11. Vgl. overigens ook het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 2 (verklaring [eiser] ), aangehaald in noot 48 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akte zijdens [eiser] van 10 januari 2018, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook noot 44 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 47-48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleidende dagvaarding zijdens [eiser] , onder 14. De verklaring van [betrokkene 4] en [betrokkene 6] is ingebracht bij de Akte van bewijsstukken van 31 mei 2017 zijdens [eiser] , productie 5. Zie voorts het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 2 (verklaring mr. Van Balen): “Voor de stelling dat [erflater] het chalet wilde kopen voor zijn dochter wordt getuigenbewijs aangeboden.” en p. 2 (verklaring [eiser] ): “Ik heb een bericht gekregen van [verweerster 1] dat het chalet per oktober verwijderd moest worden, [erflater] was daarbij. Later kwam [erflater] daarop terug en zei hij dat hij het chalet over wilde nemen voor zijn dochter.” Zie ook de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 1-2: “ [erflater] vroeg: laat het chalet staan tbv mijn dochter, die veel problemen had met haar moeder, gedaagde, en het huis uit wou.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie getuigenis- [betrokkene 4] uit [plaats 4] .” [cursivering uit origineel niet overgenomen, A-G] Zie ook de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 2: “ [erflater] zocht huisvesting voor zijn dochter. Dat was moeilijk beschikbaar, of te duur, daarom plande [erflater] om op een andere camping [eiser] ’s chalet te plaatsen voor zijn dochter. [erflater] zei: laat het chalet maar staan op de camping. (…).” Zie verder nog het Verzoek tot aanvulling/verbetering van het proces-verbaal van 30 januari 2018 zijdens [eiser] , p. 1-2: “Te dubbelzinnig is “later kwam [erflater] daarop terug”. (…) [erflater] zei dat hij het chalet evt. over wilde nemen voor zijn dochter, en later ook: evt. voor zichzelf, te plaatsen op een andere camping ivm de echtscheiding.” [cursivering uit origineel niet overgenomen, A-G] Vgl. noot 18 van de procesinleiding, waarin van de vindplaatsen in eerste aanleg alleen wordt verwezen naar de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 januari 2018 zijdens [eiser] (“Akte 10 januari 2018”) en het Verzoek tot aanvulling/verbetering van het proces-verbaal van 30 januari 2018 zijdens [eiser] (“Akte 30 januari 2018”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1, 2, 3 en 7. Zie voorts Akte bewijsstukken van 8 mei 2018 zijdens [eiser] , producties 5 en 17. Productie 32 is opgenomen bij de memorie van grieven zijdens [eiser] . Zie verder nog de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 december 2019 zijdens [eiser] , p. 1: “ [erflater] zei [eiser] , het chalet maar te laten staan op camping- [verweerster 1] . Bijl. 5: Getuigenissen [betrokkene 4] en [betrokkene 4] . Bijl. 32: Getuigenis [betrokkene 5] .” Zie ook noot 18 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 71 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:164) voor HR 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819, NJ 2018/261, onder 2.9, met vele verwijzingen. Zie voorts A-G Hartlief in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:688) voor HR 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1524, RvdW 2020/1028, onder 3.11, eveneens met vele verwijzingen: “Bij een uitlegvraagstuk als hier aan de orde is het aan de feitenrechter om een knoop door te hakken. Het enkele feit dat een andere dan door het hof gevolgde uitleg ook mogelijk was geweest, is onvoldoende om van een onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel te spreken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in noot 20 van de procesinleiding naar vindplaatsen voor die stelling in de gedingstukken zijdens [eiser] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 7: “Van mogelijke afspraken omtrent het chalet tussen wijlen [erflater] en [eiser] draagt [erflater] - [verweerster 1] geen enkele wetenschap. De mededeling dat wijlen [erflater] het chalet wilde kopen voor hun dochter is volledig uit de lucht gegrepen. Hier kan de dochter, indien nodig ook over verklaren. Misschien dat wijlen [erflater] dit heeft verklaard, echter de dochter heeft nimmer de intentie gehad in het chalet te gaan wonen en ook nimmer de wens geuit er belang bij te hebben om het chalet te gaan gebruiken.” Proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 2 (verklaring mr. Van Weert): “ [erflater] onderhield de contacten met [eiser] .”, p. 3 (verklaring [verweerster 1] ): “Ik wist niets van eventuele contacten tussen [eiser] en [erflater] over het laten staan van het chalet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 9: “In die periode onderhield de partner van [eiser] , [betrokkene 5] , een emotionele verhouding met wijlen [erflater] . Dit trok een enorme wissel op het huwelijk van [erflater] - [verweerster 1] en wijlen [erflater] . Ondanks dat er problemen waren, was er echter nimmer sprake van een echtscheiding. Dit had wel tot gevolg dat bij de afspraken, die werden gemaakt tussen [eiser] en wijlen [erflater] , [erflater] - [verweerster 1] verder niet was/werd betrokken. [eiser] erkent ook dat alle afspraken liepen via wijlen [erflater] .”, en onder 12: “Van mogelijke afspraken omtrent het chalet tussen wijlen [erflater] en [eiser] draagt [erflater] - [verweerster 1] geen enkele wetenschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mededeling dat wijlen [erflater] het chalet wilde kopen voor hun dochter is volledig uit de lucht gegrepen. Hier kan de dochter indien nodig, ook over verklaren. Misschien dat wijlen [erflater] dit heeft verklaard, echter de dochter heeft nimmer de intentie gehad in het chalet te gaan wonen en ook nimmer de wens geuit er belang bij te hebben om het chalet te gaan gebruiken.”, en onder 22: “Daarnaast is [eiser] tegenstrijdig in zijn stellingen. Enerzijds vindt hij de mededeling van wijlen [erflater] , voor zover gedaan, dat hij niet per 1 oktober 2016 zou hoeven te vertrekken, voldoende. [eiser] acht deze mededeling voldoende en verifieert dit ook niet nader bij [erflater] - [verweerster 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Anderzijds stelt [eiser] dat [erflater] - [verweerster 1] hem had moeten informeren omtrent de bedoelingen van [betrokkene 1] , terwijl wijlen [erflater] hier ook van op de hoogte was en gezien zijn verblijf bij [eiser] in die periode, het meer dan in de rede ligt dat wijlen [erflater] hem dit ook heeft medegedeeld.” Zie verder Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 december 2019 zijdens [verweerster] , onder 6: “Voor wat betreft het verstrekken van inlichtingen stelt [eiser] zelf terecht vast, dat aangenomen mag worden, dus ook door [erflater] - [verweerster 1] , dat wijlen [erflater] , [eiser] ingelicht zou hebben over het voornemen van het weghalen van het chalet, aangezien deze op dat moment ook regelmatig bij [eiser] logeerde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu wijlen [erflater] aanwezig was bij het gesprek toen [betrokkene 1] aankondigde het chalet te willen ophalen, mocht [erflater] - [verweerster 1] er dan ook op vertrouwen dat wijlen [erflater] , [eiser] hiervan in kennis heeft gesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook noten 71-72 hiervoor. Vgl. noot 20 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar art. 7:602 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar art. 7:609 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar rov. 5.10-i.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43, rov. 3.2.2 en 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 408 (T.M.) en p. 409 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst vergelijkenderwijs naar Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 408 (MvT): “het gezichtspunt dat de hotelhouder in beginsel moet worden gelijkgesteld met de bewaarnemer.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst vergelijkenderwijs (over een hotelhouder) naar M.B. de Boer, GS Bijzondere overeenkomsten, Deventer: Wolters Kluwer 2013 (bijgewerkt t/m 1 juni 2013), art. 7:609 BW, aant. 1, waarbij in het subonderdeel verder wordt opgemerkt dat een campingexploitant er, net zoals een hotelhouder, zijn beroep van maakt om in zijn inrichting nachtverblijf te verschaffen voor één of meer nachten en het daarbij ook kan gaan om een ‘volkslogement’, onder verwijzing naar Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 412 (MvA I).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst vergelijkenderwijs naar Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 412 (Nota II) en voorts -“zie ook”- naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/A.C. van Schaick, Bewaarneming, borgtocht, vaststellingsovereenkomst, bruikleen, altijddurende rente, spel en weddenschap (7-VIII), Deventer: Wolters Kluwer 2018, nr. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder bijv. De Boer 2013, titel 9 Boek 7 BW, aant. 5 en N.E. Groeneveld-Tijssens, Bewaarneming, Deventer: Wolters Kluwer 2020, nrs. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dat onderscheid met betrekking tot de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, RvdW 2020/1176, 3.2.2 en 3.3.3, onder verwijzing naar het in noot 87 hiervoor aangehaalde arrest (met betrekking tot kwalificatie van een pachtovereenkomst).</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Asser/Van Schaick 2018, nr. 5: “Voor bewaarneming is essentieel dat de overeenkomst ertoe strekt dat de macht die de bewaarnemer over de zaak heeft - in beginsel uitsluitend - staat in het teken van bewaring en verzorging van de zaak. Dat verschaft de overeenkomst het karakteristieke verschil met overeenkomsten en feitelijke situaties die overigens trekken van bewaarneming hebben.” Zie over het onderscheid tussen huur en bewaarneming dat “doorgaans relevant [wordt] zodra de zaak is beschadigd of verloren is geraakt” bijv. ook Groeneveld-Tijssens 2020, nr. 8, met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW. Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 412 (MvA I). Zie ook De Boer 2013, art. 7:609 BW, aant. 2.1, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW. Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 409 (MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus De Boer 2013, art. 7:609 BW, aant. 1, met verwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. hierover bijv. ook Asser/Van Schaick 2018, nr. 51, met verwijzingen: “Ooit was de ratio van de bijzondere aansprakelijkheid van de hotelhouder (herbergier of logementhouder) gelegen in diens ongunstige reputatie: het was een notoir feit dat men in hotels een aanmerkelijk risico liep op diefstal en beroving, terwijl de reiziger toch vaak op het verblijf in het desbetreffende hotel was aangewezen. (…) Art. 1746 BW (oud) kwalificeerde de bewaring van de zaken van reizigers dan ook als “eene bewaargeving uit noodzaak”. (…) [Z]elf meen ik ook dat art. 7:609 BW in haar huidige vorm en op haar huidige plaats een vreemde ee[nd] in de bijt is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW. Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 409 (MvT) en p. 412 (MvA I).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW. Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7 en 9 en 14, p. 412-413 (MvA I).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding, p. 8 (noot 28 aldaar). Zie C.E. du Perron in Pitlo/A.L. Croes e.a., Bijzondere overeenkomsten, Deventer: Gouda Quint 1998, p. 305-306. Zie met Du Perron instemmend ook Asser/Van Schaick 2018, nr. 51. Vgl. De Boer 2013, art. 7:609 BW, aant. 1, met verdere literatuurverwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De daartegen gerichte cassatieklachten in onderdeel 2 zijn tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De daartegen gerichte cassatieklachten in onderdeel 1 zijn tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitwerking van die stelling door [eiser] geeft het hof weer in rov. 5.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1, mede onder verwijzing naar zijn appeldagvaarding van 17 april 2018, over zijn “stellingen inz. 6 jaar campingovereenkomst met het echtpaar [erflater] - [verweerster 1] , geïntimeerden, en hun zorgplicht daaruit voortvloeiend, en ook los daarvan (…).” In die appeldagvaarding is de grondslag van zijn vordering uitgewerkt onder 11-17. Onder 11 gaat [eiser] uit van “een zorgplicht in een contractuele huur-band. Een campingovereenkomst is een soort species van het genus huur” (zie ook de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 3-4, noten 95-96 hiervoor en noten 111 en 114 hierna), wat onder 12 onder meer als volgt wordt uitgewerkt: “In de camping-rechtsverhouding, en subsidiair in de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, heeft de campinghouder, geïntimeerde, temeer [verweerster 1] , (…) een zorgplicht om [eiser] (…) in te lichten over [betrokkene 1] pretenties, die [eiser] grote schade zouden berokkenen.” [cursivering uit origineel niet overgenomen, A-G] Onder 16 wordt daar onder meer aan toegevoegd: “Echter ook buiten een contractuele band zoals in een campingovereenkomst, is er een zekere zorgplicht, welke in het maatschappelijk verkeer betaamt.” Deze uitwerking strookt ook met de weergave van de stellingen van [eiser] door het hof in rov. 5.6.2 en 5.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet (ook) is door [eiser] aangevoerd, kort gezegd, dat en waarom na een eerdere beëindiging van de door hem bedoelde campingovereenkomst (contractuele band) niettemin toch nog sprake zou zijn van een daarmee verband houdende (contractuele) zorgplicht in de relevante periode. Een dergelijk (kenbaar) betoog omtrent een dergelijke te onderscheiden situatie heb ik niet aangetroffen in het procesdossier (had [eiser] (ook) daarop een gericht beroep willen doen, dan had het logischerwijs op zijn weg gelegen dit aan te voeren). Het subonderdeel wijst daarop ook niet (laat staan met vindplaatsen). Voor dat geval (waarin in de relevante periode geen sprake (meer) is van een voortdurende overeenkomst, in het bijzonder de campingovereenkomst) lijkt [eiser] (dus) te zijn uitgegaan van een buitencontractuele benadering (via art. 6:162 BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik lees in de gedingstukken van [verweerster] ook niet dat zij dit anders heeft begrepen. Zie bijv. de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 38 en de Spreekaantekeningen ten behoeve van de comparitie van partijen van 11 december 2019 zijdens [verweerster] , onder 3-10. Zie daarover dus het hof in rov. 5.6.2-5.6.3 en rov. 5.10-5.11. Zie overigens ook de overwegingen van het hof rov. 5.4, in cassatie onbestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof de gedingstukken aldus heeft uitgelegd, is geenszins onbegrijpelijk. Zie mede de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat brengt het hof vervolgens bij de door [eiser] gevolgde buitencontractuele benadering (via art. 6:162 BW), waarover rov. 5.6.3 en rov. 5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst voor deze stelling naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 4: “[C]ontractspartijen moeten met elkaars gerechtvaardigde belangen rekening houden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar art. 6:2 lid 1 BW en art. 6:248 lid 1 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar R.P.J.L. Tjittes in nrs. 5-6 van zijn noot onder HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7024, JOR 2008/23 (met verwijzing naar HR 12 november 1957, ECLI:NL:HR:1957:AG2023, NJ 1958/67 en HR 12 augustus 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7337, NJ 2005/467).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 4: “Hieruit volgt dat beide campingbeheerders- en campingeigenaars-echtelieden [erflater] - [verweerster 1] deze beheerdersplicht hebben, schade voor gasten te voorkomen, opdat de gasten het overeengekomen en betaald gebruik, genot en eigendom van hun kampeermiddelen op de camping behouden.” [hoofdlettergebruik en onderstreping niet overgenomen uit origineel, A-G] Aldus R.P.J.L. Tjittes in nr. 6 bij JOR 2008/23. Overigens wijs ik erop dat de casus waarover deze noot gaat een wezenlijk andere is dan de onderhavige, mede gelet op het feit dat in het onderhavige geval, voor zover al sprake is geweest van een overeenkomst tussen [eiser] en [verweerster] (de campingovereenkomst), aan die overeenkomst reeds in oktober 2016 een einde gekomen en daarvoor geen andere overeenkomst (zoals een overeenkomst tot bewaarneming) in de plaats is gekomen (rov. 5.10-ii).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noten 111 en 114 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs er overigens nog op dat in rov. 5.11-iv het hof onder meer overweegt dat “[b]ij de beoordeling van de vraag of op [verweerster 1] in dit geval een uit het ongeschreven recht voortvloeiende verplichting rustte om [eiser] in te lichten, het aan[komt] op een weging van alle omstandigheden van het geval. Het hof is van oordeel dat in dit geval een dergelijke waarschuwingsplicht niet op [verweerster 1] rustte.” M.i. valt zonder meer niet in te zien waarom het hof, als het daarover wel te oordelen zou hebben gehad in het kader van - kort gezegd - art. 6:74 BW, tot een ander oordeel was gekomen bij een weging van alle feiten en omstandigheden van het geval geplaatst in de sleutel van (ambtshalve beoordeling van) de redelijkheid en billijkheid. Het subonderdeel zwijgt daarover.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1, waar een aankoopbedrag van € 25.000,-- wordt genoemd (zie voor de desbetreffende passage bij noot 13 hiervoor) en naar rov. 3.2 (zie ook onder 1.2 hiervoor), waaruit blijkt dat [eiser] het chalet in 2015 met instemming van [verweerster 1] en [erflater] op de camping heeft geplaatst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. K.J.O. Jansen, GS Onrechtmatige daad, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (bijgewerkt t/m 1 december 2020), art. 6:162 BW, aant. 6.3.1 en 6.3.3, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Jansen 2020, art. 6:162 BW, aant. 6.3.9.7, met verdere verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. Hartlief, ‘Vooruitgang in het recht’, RMThemis 2019-1, p. 20-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 118 hiervoor. De desbetreffende overweging luidt als volgt: “dat daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen;”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:47, NJ 2013/366, rov. 3.4. Het gaat hier om “een getrouwe parafrase van het Kelderluik-arrest, in iets modernere bewoordingen” [cursivering in origineel, A-G] ofwel “de taalkundig geactualiseerde ‘Kelderluik 2.0’”, aldus K.J.O. Jansen, ‘Hoe luiden de kelderluikfactoren?’, NTBR 2018/14, p. 99-100. Vgl. de vorige noot voor de oorspronkelijke formulering.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6934, NJ 2006/244, rov. 3.3. Jansen 2018, p. 100 spreekt hier van “de inhoudelijk vernieuwde ‘Kelderluik 3.0’”, daarbij overigens een voorkeur uitsprekend voor de 2.0-formulering als bedoeld in de vorige noot: “Ik beschouw de vernieuwingen van ‘Kelderluik 3.0’ niet als verbeteringen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in lijn hiermee rov. 5.1.7 van het vonnis van de rechtbank: “Hoewel [verweerster 1] ter zitting heeft verklaard dat zij vindt dat [eiser] over die aankondiging van [betrokkene 1] ingelicht moest worden, betekent dat nog niet dat zij daartoe (op basis van hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt) verplicht was. Zulks mocht gezien de omstandigheden niet zonder meer van haar worden gevergd.” [cursivering in origineel, A-G] Zie ook onder 2.7 hiervoor. Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 januari 2018, p. 3 (verklaring [verweerster 1] ) blijkt onder meer: “Ik ging ervan uit dat [erflater] contact op zou nemen met [eiser] over het feit dat [betrokkene 1] langs was geweest en het chalet zou komen op halen. Ik vond het wel nodig dat [eiser] ingelicht zou worden. Ik weet niet waarom [erflater] het niet heeft verteld aan [eiser] (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noten 15-16 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 120 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar HR 22 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5503, NJ 1975/149 en vergelijkenderwijs naar Asser/C.H. Sieburgh, De verbintenis uit de wet (6-IV), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 74. Het subonderdeel verwijst voorts naar G.J. Scholten in zijn noot bij dat arrest: “Bij een speciale relatie met de plaats van de gevaarssituatie valt het moeilijk aan iets anders te denken dan aan een rechtsverhouding, bijv. eigenaar zijn of huurder of beheerder van de plaats van de gevaarssituatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Jansen 2020, art. 6:162 BW, aant. 6.6.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst vergelijkenderwijs naar rov. 5.6.2. Zie ook onder 3.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven zijdens [eiser] , p. 1 en p. 3 en het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4. Volgens het subonderdeel blijkt verder uit de memorie van antwoord zijdens [verweerster] , onder 16 dat [verweerster 1] heeft erkend dat zij het sms-bericht van 25 december 2016 heeft verstuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 11 december 2019, p. 4 en p. 5.</p></div>", "next": 0}