{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In grief 2 kwam [verzoekster] op tegen het oordeel dat de FIOD-ambtenaar geen verschoningsrecht toekomt ten aanzien van alle inhoudelijke informatie die wordt gevraagd over de strafzaak en stelde [verzoekster] dat door de kantonrechter ten aanzien van het verschoningsrecht ten onrechte een oordeel is gegeven over een algemene categorie informatie in plaats van de beoordeling per vraag uit te voeren (rov. 3.2.1). Grief 3 richtte zich tegen de overweging van de kantonrechter dat art. 7 Wpg en art. 52 Wjsg geen wettelijk verschoningsrecht meebrengen ten aanzien van een ambtenaar in een civiel geschil tussen derden (zie bestreden beschikking rov. 3.2.1). In het beroepschrift is in de paragraaf inhoudende grief 3 onder meer het volgende opgenomen: ‘3.3.1 De vraag die met deze grief voorligt is of de geheimhoudingsplichten van artikel 7 Wpg en artikel 52 Wjsg een wettelijk verschoningsrecht meebrengen voor een opsporingsambtenaar in een civiel geschil tussen derden ten aanzien van de hiervoor achter randnummer [2.9] weergegeven vragen a. t/m c. en alle inhoudelijke informatie over de strafzaak. (…) 4.20 De inhoud van grief 4 geeft het hof in rov. 3.2.1 als volgt weer: ‘In een voorwaardelijke grief 4, te weten indien grief 3 niet slaagt, stellen appellanten dat er in ieder geval sprake is van een incidenteel verschoningsrecht, waarbij een afweging in algemene zin (en dus niet gebaseerd op feiten en belangen in een concreet geval, zoals de kantonrechter heeft gedaan), gemaakt moet worden. Deze afweging dient, anders dan de kantonrechter heeft beslist, niet in het nadeel van [verzoekster] uit te vallen, aldus appellanten.’ 4.21 Het hof heeft in rov. 3.9.1-3.9.3 als volgt overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.9.1. Gezien hetgeen hierboven is overwogen lenen de grieven van [verzoekster] zich voor een gezamenlijke behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de getuigen, en dus ook [verzoekster] komt een verschoningsrecht toe. hetzij gebaseerd op de AWR, hetzij gebaseerd op de [W]jsg, hetzij op beide regelingen, en niet op grond van de WPG. Per vraag kan de getuige zich op genoemd verschoningsrecht beroepen en zal moeten worden beoordeeld in hoeverre zulks terecht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.9.2. In zoverre slaagt grief 3 en zal het vonnis van de kantonrechter worden vernietigd voor zover het betrekking heeft op het afwijzen van het ingeroepen verschoningsrecht gebaseerd op de [W]jsg.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.9.3. De voorwaarde waaronder de voorwaardelijke grief 4 (zie 3.2.1) is geformuleerd is niet vervuld, dus kan deze grief verder buiten beschouwing blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22 Uit de onder 4.4 aangehaalde passages uit de bestreden beschikking blijkt dat het hof eveneens per vraag heeft vastgesteld dat het beroep op het verschoningsrecht gebaseerd op de [W]jsg slaagt en dat in zoverre grief 3 slaagt, alsmede dat grief 2 slaagt voor zover die ziet op vraag 3 en de afwijzing van het verschoningsrecht gebaseerd op de Wjsg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23 Bij de beoordeling van het onderdeel dient tot uitgangspunt dat de uitleg van processtukken, waaronder de grieven, van feitelijke aard is en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden onderzocht. Mijns inziens slaagt het onderdeel in zoverre dat het mede in het licht van de inhoud van het beroepschrift, het slagen van grief 2, de overweging in rov. 3.9.1 dat het hof per vraag zal beoordelen of het beroep op genoemd verschoningsrecht terecht is en de beoordeling van grief 3 per vraag in rov. 3.14 e.v. onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.9.3 in algemene zin oordeelt dat de voorwaarde waaronder grief 4 is ingesteld, niet is vervuld. Uit genoemde vindplaatsen blijkt dat [verzoekster] heeft aangevoerd en het hof van oordeel is dat de beoordeling of een beroep op een verschoningsrecht slaagt, per vraag dient te geschieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorwaarde waaronder grief 4 is geformuleerd, dient daarom zo te worden uitgelegd dat het hof het beroep op het incidentele verschoningsrecht in ieder geval had moeten beoordelen als noch het beroep op het op art. 7 Wpg gebaseerde verschoningsrecht, noch het beroep op het op art. 52 Wjsg gebaseerde verschoningsrecht voor de gehele of een gedeelte van de beantwoording van een vraag slaagt. Of grief 4 tevens zo moet worden uitgelegd dat de voorwaarde waaronder de grief is geformuleerd, is vervuld indien het beroep op het op art. 52 Wjsg gebaseerde verschoningsrecht voor de gehele vraag slaagt en het beroep op het op art. 7 Wpg gebaseerde verschoningsrecht niet slaagt en vice versa kan in het midden blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat geval heeft [verzoekster] mijns inziens namelijk geen belang bij de klacht. Deze situatie doet zich hier voor. Ik verwijs naar hetgeen ik daarover onder 4.1-4.4 heb opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24 Hoewel het onderdeel gedeeltelijk slaagt, strekt mijn conclusie ten aanzien van dit onderdeel dus tot verwerping, vanwege gebrek aan belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412 m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans, JBPr 2018/59 m.nt. C.J.M. Klaassen, NLF 2018/2089 m.nt. Y. Geradts.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaken 20/04338 ( [...] ), 20/04346 ( [...] ) 20/04347 ( [...] ), 20/04353 ( [...] ), 20/04354 ( [...] ), 20/04356 ( [...] ), 20/04359 ( [...] ), 20/04361 ( [...] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaken 20/04402 ( [...] ), 20/04403 ( [...] ), 20/04405 ( [...] ).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover thans van belang. Voor het procesverloop tot en met de beschikking van de Hoge Raad van 7 september 2018 verwijs ik naar die beschikking. Zie voor het procesverloop nadien de rov. 1.1-1.4 van de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2019, alsmede (met betrekking tot de getuigenverhoren) het proces-verbaal van het besprokene tijdens het voorlopig getuigenverhoor van 10 juli 2019 en rov. 1, 2.1-2.6 en 3.1 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ga uit van de in deze beschikking vermelde feiten, nu nadien geen feiten zijn vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 3.2.1 van de beschikking van de Hoge Raad van 7 september 2018. Zie voor de door Box Consultants c.s. opgegeven getuigen ook rov. 2.1 en 2.2 van de hierna te noemen beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ten aanzien van de ontvankelijkheid van de Staat – in eerste aanleg niet als partij of belanghebbende aangewezen en ook niet als zodanig opgeroepen of verschenen – in hoger beroep de rov. 3.9.1-3.9.5 van de hierna te noemen beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 5 oktober 2017, alsmede rov. 2.5 van de hierna te noemen beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 januari 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHSHE:2017:4276.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.4 van de beschikking van de Hoge Raad van 7 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHARL:2019:846.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.1 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Producties 5 en 6 bij het beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 1-2 van de getuigenverklaring van [verzoekster] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 6 van het algemene proces-verbaal van 10 juli 2019. Eerder in het proces-verbaal van 10 juli 2019 is naar aanleiding van het verhoor van getuige Tax het volgende vermeld (p. 5-6): ‘Het uitgangspunt van artikel 7 Wpg is dat eenieder is gehouden tot geheimhouding wanneer hij de beschikking krijgt over politiegegevens met betrekking tot derden. Daarmee is nog niet gezegd dat aan de getuige ook een beroep op een verschoningsrecht toekomt. Dat in een wettelijke geheimhoudingsplicht een verschoningsrecht ligt besloten kan immers alleen dan worden aangenomen indien uit de bewoordingen, de strekking of de geschiedenis van de bepaling die tot geheimhouding verplicht onmiskenbaar duidelijk blijkt dat de voor het aannemen van een dergelijk recht vereiste afweging door de wetgever is verricht (HR 22 december 1990, NJ 1990, 779).</p>\n<p class=\"lf-p\">Die situatie doet zich hier niet voor. Anders dan mr. Engels [advocaat van de Staat en de getuige, A-G] naar voren brengt, leidt de kantonrechter uit de aard van de geheim te houden stukken niet af dat de wetgever die belangenafweging heeft gemaakt, laat staan dat dat onmiskenbaar duidelijk is gebleken. Dat betekent dat nu een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds de belangen waarop de geheimhoudingsplicht is gebaseerd en anderzijds de belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in een civiel proces als het onderhavige. Bij die belangenafweging geldt als uitgangspunt dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt zwaarwegend is. De getuige heeft daar als belang in feite niet meer tegenover gesteld dan dat de informatie nog geheim moet blijven omdat die nog niet openbaar is gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is een onvoldoende zwaarwegend en geconcretiseerd belang. De belangenafweging valt daarmee in het nadeel van de getuige uit. De getuige komt daarom geen beroep op een verschoningsrecht toe ten aanzien van de vraag of hij het verslag van het verhoor van [betrokkene 1] heeft gelezen.’ Ik neem aan dat is bedoeld hiernaar te verwijzen; zie aldus ook rov. 3.13.2 van de bestreden beschikking. Het hof gaat er evenwel in rov. 3.14.2 – in zoverre in cassatie onbestreden – van uit dat de afwijzing van het beroep van [verzoekster] op een verschoningsrecht mede is gebaseerd op het oordeel van de kantonrechter dat ‘geen algemeen verschoningsrecht als gebaseerd op een geheimhoudingsplicht krachtens de wjsg aanwezig’ is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst daarbij naar p. 3 van het algemene proces-verbaal van 11 juli 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 1 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 2.1 van de bestreden beschikking. Zie voor deze (categorie) vragen het beroepschrift onder 2.9 in verbinding met 3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.2 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden gezamenlijk met de zaken van de andere getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 3.8-3.10 en 3.12-3.14 van de bestreden beschikking. Alleen deze zijn in cassatie van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHSHE:2020:2537.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzing in rov. 3.14.1 van de bestreden beschikking naar het proces-verbaal van 11 juli 2019 berust naar ik aanneem op een vergissing ( [verzoekster] is op 10 juli 2019 gehoord).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoekschrift tot cassatie is op 24 december 2020 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8273, NJ 2005/454 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.3. Vgl. ook HR 11 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC2185, NJ 1978/399 m.nt. W.H. Heemskerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 mei 1979, ECLI:NL:HR:1979:AC6585, NJ 1980/213 m.nt. W.H. Heemskerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een voorlopig getuigenverhoor dient de vraag of een verschoningsrecht bestaat, ook niet anders te worden beoordeeld dan in een ‘regulier’ getuigenverhoor: zie HR 26 april 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4851, NJ 1968/305.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0651, NJ 2002/394, JBPr 2002/4 m.nt. H.W. Wiersma, AA 2002/902 m.nt. G.R. Rutgers, rov. 3.3, waarin het ging om de vraag of een rechter ten overstaan van wie een comparitie heeft plaatsgevonden, in hoger beroep als getuige kan worden gehoord over wat tijdens die comparitie is voorgevallen. De Hoge Raad oordeelde dat voor het maken van een uitzondering op de getuigplicht in ieder geval geen plaats is in de zich daar voordoende situatie. Vgl. ook HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471 m.nt. C.J.M. Klaassen (verschoningsrecht mediator), rov. 3.6.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 165 lid 2, aanhef en onder b, Rv, kent voorlopers in art. 1946 lid 2, aanhef en onder 3 (oud) BW en art. 191 lid 2 Rv. De rechtspraak over het functionele verschoningsrecht die is gewezen onder de vigeur van die bepalingen, heeft nog steeds betekenis; zie (wat betreft het tot 1 april 1988 geldende wettelijke bewijsrecht) G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 165 Rv, aant. 2.5.1 (actueel t/m januari 2021), met verwijzing naar G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015/136.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4795, NJ 1986/822 m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/823, rov. 3.5. Zie ook HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779 m.nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council), rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015/137-138 en vgl. ook HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779 m.nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council), rov. 3.2 en 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nadien ook o.m. HR 25 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0690, NJ 1993/467 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2; HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8490, NJ 2005/455 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.4.1 en HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, NJ 2021/104 m.nt. M.A. Verbrugh, JOR 2020/138 m.nt. D.R. Doorenbos, Ondernemingsrecht 2020/166 m.nt. M.W. Josephus Jitta, JIN 2020/117 m.nt. R.J.W. Analbers, rov. 3.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779 m.nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council), rov. 3.2. Zie ook HR 22 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5426, NJ 1986/823 m.nt. W.L. Haardt, rov. 3.1, waarin de Hoge Raad, na vragen te hebben gesteld aan het HvJ EU, oordeelde dat tekst noch geschiedenis van art. 46 lid 1 van de (toenmalige) Wet toezicht kredietwezen de conclusie wettigen dat de daarin vervatte geheimhoudingsplicht aldus moet worden verstaan dat deze een verschoningsrecht meebrengt. En vgl. (in verband met de verplichting van partijen op de voet van art. 22 Rv om in het kader van een civiele procedure inlichtingen te verstrekken dan wel stukken over te leggen) HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8421, NJ 2009/451 m.nt. E.J. Dommering (De Telegraaf), rov. 3.4.6-3.4.7 over de uit de WIV 2002 voortvloeiende geheimhoudingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de in de vorige voetnoot aangehaalde uitspraak van 22 december 1989, rov. 3.2 en 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.m. HR 25 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0690, NJ 1993/467 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2; HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2808, NJ 2000/341 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.5.3; HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6324, NJ 2004/47 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.2; HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, NJ 2021/104 m.nt. M.A. Verbrugh, JOR 2020/138 m.nt. D.R. Doorenbos, Ondernemingsrecht 2020/166 m.nt. M.W. Josephus Jitta, JIN 2020/117 m.nt. R.J.W. Analbers, rov. 3.2.4; HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:532, RvdW 2021/426, NTFR 2021/1356 m.nt. R.B.H. Beune, JOR 2021/199 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, BNB 2021/100 m.nt. A.E.H. van der Voort Maarschalk, FutD 2021-1238 m.nt. Fiscaal up to Date, NLF 2021/1020 m.nt. D. Barmentlo, V-N 2021/20.20 m.nt. redactie, rov. 3.1.3-slotZie hierover in kritische zin: zie J.B.M. Vranken, Het professionele (functionele) verschoningsrecht, Handelingen der Nederlandse Juristen-Vereniging 1986, deel I, tweede stuk, p. 111 en R.H. de Bock, ‘Laat de verschoningsgerechtigde niet langer rechter in eigen zaak zijn’, in: G. van Dijck e.a. (red.), Cirkels. Een terugblik op een vooruitziende blik, Deventer: Kluwer 2013, nrs. 8-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.5. Zie ook o.m. HR 7 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9067, NJ 1986/174 m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/176, rov. 3; HR 25 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0690, NJ 1993/467 m.nt. H.J. Snijders; HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2808, NJ 2000/341 m.nt. W.D.H. Asser; HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, NJ 2021/104 m.nt. M.A. Verbrugh, JOR 2020/138 m.nt. D.R. Doorenbos, Ondernemingsrecht 2020/166 m.nt. M.W. Josephus Jitta, JIN 2020/117 m.nt. R.J.W. Analbers en, in het kader van art. 67 AWR, HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277 m.nt. J.B.M. Vranken (Verschueren/Kloosterboer), rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de hiervoor aangehaalde beschikking van 7 juni 1985, rov. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de hiervoor aangehaalde beschikkingen van 1 maart 1985, rov. 3.6, en 7 juni 1985, rov. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de hiervoor aangehaalde beschikking van 1 maart 1985, rov. 3.6. Zie over de strafrechtelijke rechtspraak m.b.t. de vraag of ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ aanwezig zijn o.m. De Bock, a.w., nrs. 8-9 en de daar aangehaalde rechtspraak (voetnoot 38) en recenter HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, NJ 2018/92 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471 m.nt. C.J.M. Klaassen, rov. 3.6.3; HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7845, NJ 2013/337 m.nt. E.J. Dommering, rov. 3.4.2; HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412 m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans, JBPr 2018/59 m.nt. C.J.M. Klaassen, NLF 2018/2089 m.nt. Y. Geradts, rov. 3.8.4. Zie over het aannemen van een incidenteel verschoningsrecht voor opsporingsambtenaren in strafzaken ter voorkoming dat opsporingsbelangen worden geschaadF.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken (diss. Maastricht), Maastricht: Uitgeverij Gianni, p. 282-283. Volgens Fernhout zullen de door de opsporingsambtenaar ingeroepen belangen doorgaans in civiele zaken eerder tot het aannemen van een incidenteel verschoningsrecht leiden dan in strafzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR is recentelijk een proefschrift verschenen: zie B.M. van der Sar, Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (Fiscale Monografieën nr. 168), Deventer: Wolters Kluwer 2021. Zie h. 3 voor een beschrijving van het geldende, positieve recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 288. Vgl. ook Van der Sar, a.w., par. 3.2.3 en 6.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277 m.nt. J.B.M. Vranken (Verschueren/Kloosterboer), rov. 3.2 en 3.4 (in het kader van art. 191 lid 2 Rv (oud)). Deze beschikking dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wet versterking fiscale rechtshandhaving. Met die wet is lid 1 van art. 67 AWR echter slechts ‘gemoderniseerd’. Zie daarover nader mijn conclusies in de cassatieberoepen van Box consultants c.s., onder 4.14 e.v.. In zijn noot onder deze beschikking wijst Vranken erop dat de beslissing dat de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR wordt versterkt met een verschoningsrecht wellicht reeds besloten lag in de arresten HR 3 mei 1956, ECLI:NL:HR:1956:106, NJ 1956/297 en HR 14 mei 1964, ECLI:NL:HR:1964:15, NJ 1964/430, met vervolg in HR 20 januari 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4618, NJ 1966/184.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015/149 en de noot van Vranken (onder 1) onder de beschikking van 8 november 1991.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 25 mei 1999 (strafkamer), ECLI:NL:HR:1999:ZD1552, NJ 1999/580, rov. 3.6-3.7. Zie ook HR 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1810, NJ 1996/55 (Hoeben/Noord-Nederlandse Metaalhandel), rov. 3.2 en vgl. HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2284, NJ 1997/305.Het beleid met betrekking tot het fiscale bestuursrecht is neergelegd in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 9 mei 2017, Stcrt. 2017, 28270, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 december 2020, Stcrt. 2020, 66541. Zie over de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR paragraaf 24 van dat besluit. Zie hierover ook Van der Sar, a.w., par. 4.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 21 juli 2007, Stb. 2007, 300.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 2 Wpg en Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 6, 25, 28; Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 10-11. Zie nader over de Wpg o.a. N.W. Groenhart, in: T&amp;C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht, Inl. opm. par. 3 Wpg (2020), aant. 2; E.T. Luining, in: M.F. Attinger e.a./P.A.M. Mevis e.a., Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer (2020), hoofdstuk 18; P.J.D.J. Muijen, Politie, informatie en privacy : de Wet politiegegevens toegelicht. Zutphen: Paris 2012. De bepalingen van de WPG zijn nader uitgewerkt in het Besluit politiegegevens (Bpg; Stb. 2007, 550, laatst gewijzigd bij Stb. 2020, 514) en in het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten (Stb. 2009, 305, laatst gewijzigd bij Stb. 2019, 475).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 46 Wpg, nader uitgewerkt in art. 1 sub b Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten in verbinding met art. 2 sub a Wet op de bijzondere opsporingsdiensten (Stb. 2006, 285, laatst gewijzigd bij Stb. 2021, 155). Genoemde regelingen sluiten de overeenkomstige toepassing van een aantal bepalingen op bijzondere opsporingsdiensten uit die niet aansluiten op de taakstelling van deze diensten. Zie nader Kamerstukken II 2017/18, 34889, 3, p. 10; E.T. Luining, in: M.F. Attinger e.a./P.A.M. Mevis e.a., Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer (2020), par. 18.3.2. De minister van financiën heeft de uitoefening van de bevoegdheden die uit de Wet politiegegevens voor hem voortvloeien gemandateerd aan de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/FIOD-ECD. Zie mandaatbesluit Wet politiegegevens FIOD-ECD, Stcrt. 2010, 2085.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van voormalig plv. P-G Langemeijer (onder 2.41) vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, met verwijzing naar MvT (Wpg), Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 juli 2000, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens), Stb. 2000/302. De Wbp is op 25 mei 2018 ingetrokken met het van toepassing worden van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), zie art. 99 lid 2 AVG (verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. De Wbp vormde de implementatie van Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens van 24 oktober 1995 (de Privacyrichtlijn)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. MvT (Wjsg), Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, blz. 1; MvT (Wpg), Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 3; Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 1 en 3. Zie over de verhouding tussen de Wbp enerzijds en de Wjsg en Wpg anderzijds nader de conclusies van voormalig plv. P-G Langemeijer vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy (onder 2.41 e.v.) en vóór HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50 m.nt. M.J. Borgers en W.D.H. Asser (onder 2.7 e.v.). Zie ook T.N.B.M. Spronken &amp; P.C. Koopmans, Gedeelde informatie: over de naleving van de wet door het openbaar ministerie bij het toevoegen van strafvorderlijke, justitiële en politiële gegevens aan het Bopz-dossier, Den Haag: Hoge Raad der Nederlanden 2017, p. 33 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 17 oktober 2018 tot wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, Stb. 2018, 401.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (Richtlijn 2016/680 van 27 april 2016, Pb EU L 119/89). In de titel van de richtlijn genoemd Kaderbesluit is bij wet van 6 oktober 2011 in de Wpg en Wjsg geïmplementeerd (Stb. 2011, 490).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de grondtrekken van de richtlijn en de belangrijkste consequenties van de richtlijn voor de wetgeving Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 2-6 en 18-21. Zie nader over de verhouding tussen de Wpg, de richtlijn en de AVG o.a. E.T. Luining, in: M.F. Attinger e.a./P.A.M. Mevis e.a., Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer (2020), par. 18.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen is ingevolge art. 2 lid 1 en lid 2 onder d AVG niet de AVG van toepassing, maar de richtlijn Gegevensbescherming opsporing en vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 17 en vgl. ook Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 6, p. 5, waar is opgemerkt dat de instanties binnen de strafrechtsketen uitsluitend worden geconfronteerd met verschillende verwerkingsregimes voor zover zij taken uitvoeren die geen betrekking hebben op de uitvoering van de politietaak (…), de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Zie eerder ook: Kamerstukken II 2013/14, 33 842, nr. 2 (Evaluatie Wet politiegegevens en Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens), p. 2-3. Een wetsvoorstel is thans nog niet aanhangig. In zijn brief van 19 november 2020 zet de Minister voor Rechtsbescherming de opbrengst van zijn verkenning naar de uitgangspunten voor het toekomstige wettelijke kader uiteen. Kamerstukken II 2020/21, 32 761, nr. 173.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader E.T. Luining, in: M.F. Attinger e.a./P.A.M. Mevis e.a., Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer (2020), par. 18.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017/18, 34 889 nr. 3, p. 62; Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 69 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 4:2 onder a, c en n Besluit politiegegevens. Zie nader de nota van toelichting, Stb. 2007, 550, p. 57 e.v. Zie nader Muijen 2012 a.w., par. 3.11.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 75. Zie ook art. 15-15.6 Aanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie, Stcrt. 2018, 36060.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 18 lid 3 Wpr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 73-74. Zie ook p. 76, toegespitst op de verstrekking aan derden op grond van art. 19 Wpg: ‘Ingevolge de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit dient dit belang dermate zwaarwegend te zijn dat het belang van verstrekking aan derden zwaarder dient te wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben.’ Kamerstukken I 2006/07, 30 327, C, p. 16-17. Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 7, p. 20 Ingevolge art. 4.5 Besluit politiegegevens mogen gegevens die overeenkomstig art. 9 of 10 Wpg worden verwerkt in beginsel niet op grond van art. 19 Wpg (incidentele verstrekking) worden verstrekt aan derden. Het betreft politiegegevens die gericht worden verwerkt ten behoeve van een onderzoek met het oog op de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval (art. 9 Wpg) dan wel met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij het beramen van ernstigere misdrijven (art. 10 Wpg). Zie nader Muijen 2012 a.w., par. 4.3.11.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ABRvS 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:265, BA 2015/58, JB 2015/53, m.nt. B.M.J. van der Meulen;</p>\n<p class=\"lf-p\">JIN 2015/118, m.nt. B.M.J. van der Meulen, rov. 5.2 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat art. 25, eerste lid, van de Wpg alleen een recht op inzage biedt ten aanzien van de gegevens die betrekking hebben op de betreffende persoon en geen grond biedt voor het verstrekken van de identiteit van de melder van een strafbaar feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 83. Zie ook Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 85; kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 20, 80, 106, 112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. voormalig plaatsvervangend P-G Langemeijer vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, onder 2.43, met verwijzing naar: N.W. Groenhart, T&amp;C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht, Inl. opm. par. 3 Wpg (2021), aant. 2; vgl. ook HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2359, NJ 2004/599 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.4.1, en de bijbehorende conclusie onder 2.1 (m.b.t. de voormalige Wpr).</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. voormalig plaatsvervangend P-G Langemeijer vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, onder 2.43, met verwijzing: vgl. MvT (Wpg), Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 37, waar wordt gesproken van ‘een meer open verstrekkingenregime’ dan onder het oude stelsel van de Wet politieregisters. Vgl. ook de Nota van toelichting bij het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren, Stb. 2019/85, die spreekt van een ‘semi-gesloten’ regime (p. 11) .</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. N.W. Groenhart, T&amp;C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht, Inl. opm. par. 3 Wpg (2021), aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7 Wpg is bij de wetswijziging van 1 januari 2019 louter redactioneel gewijzigd: in het voormalige art. 7 Wpg is ‘de politietaak’ vervangen door: ‘de taak, bedoeld in artikel 1, onderdeel a’. Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 2, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 37-38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2005, 116. Het hierna genoemde art. 9:31 Awb trad in werking op 15 maart 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 3 februari 2005 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een regeling over de behandeling van klachten over bestuursorganen door een ombudsman, alsmede daarmee samenhangende wijziging van de Wet Nationale ombudsman, de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 2005, 71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie thans art. 9:27 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985/86, 19 589, nr. 3, p. 10, onderscheidenlijk p. 25. Zie ook p. 9, kamerstukken II 1988/89, 19 589, nr. 6, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 19 589, nr. 6, p. 3 Zie o.a. Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 1-3 en 37..</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 7 november 2002, Stb. 2002/552.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 30 juni 2004, Stb. 2004/315.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van voormalig plv. P-G Langemeijer (onder 2.41) vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, met verwijzing naar Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de Wjsg nader ook mijn conclusies in cassatieberoepen van Box Consultants c.s., onder 4.30 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de verhouding van de Wpg tot de Wjsg o.a. art. 3 Aanwijzing wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie; Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 16; H.B. Winter e.a, De verwerking van politiegegevens in vijf Europese landen, Pro Facto (in opdracht van het WODC), p. 13, 16-17, 23-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 4-7. Het beleid ter zake van verstrekking aan derden van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden op grond van art. 39f Wjsg is neergelegd in de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, Stcrt. 2018/36059, par. III.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 1, aanhef en onder j Wjsg gedefinieerd als: ‘degene op wie een justitieel, strafvorderlijk, gerechtelijk strafgegeven of een tenuitvoerleggingsgegeven betrekking heeft, of van wie persoonsgegevens in een persoonsdossier zijn verwerkt’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 20, 106 en 112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusies van voormalig plv. P-G Langemeijer (onder 2.2) vóór HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3436, NJ 2012/262 en (onder 2.42) vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het oorspronkelijke wetsvoorstel was deze geheimhoudingsplicht in art. 41 geregeld; zie Kamerstukken II 1995/96, 24 797, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1955/395.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 797, nr. 3, p. 7 en 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 24 797, nr. 7, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy. Vgl. overigens HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9133, NJ 2008/31, rov. 3.2, waarin het oordeel van het hof dat de Staat niet verplicht kan worden op grond van art. 843a Rv gegevens te verstrekken die hij ingevolge de Wjsg niet mag verstrekken in cassatie niet was bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de exhibitieprocedure in deze zaak: rechtbank Oost-Brabant 5 juni 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3107 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2537. Naar laatstgenoemde beschikking is overigens verwezen in rov. 3.8.2.10 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Zie bijv. J. Ekelmans, De exhibitieplicht, reeds aangehaald, blz. 123 e.v. (par. 7.6.4); J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht, Deventer: Kluwer 2017, blz. 266 e.v.; L.A. Bosch, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv (2020), aant. 1j.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Zie HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663, NJ 2007/638 m.nt. E.J. Dommering onder 639, rov. 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Zie HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:365, NJ 2018/423, m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Zie alinea 5.19 van zijn conclusie voor de genoemde beschikking van 29 juni 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Vgl. HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9133, NJ 2008/31, rov. 3.2: aangezien de Staat naar 's hofs onbestreden oordeel niet verplicht kan worden op grond van art. 843a Rv gegevens te verstrekken die hij ingevolge de Wjsg niet mag verstrekken, is de exhibitievordering niet toewijsbaar. Vgl. Rb. Den Haag (vzr.) 20 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2730, rov. 4.4; Rb. Oost-Brabant 5 juni 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3107 (de exhibitieprocedure in deze zaak), rov. 4.20; Hof Den Haag 3 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2287, NJF 2019/613, rov. 18 - 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:937, NJF 2015/109, rov. 4.10; Rb. Rotterdam 6 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5152, rov. 5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 3.7.5 heeft de Hoge Raad langs dezelfde lijn overwogen dat, evenmin als de regelingen van de Wpg en de Wjsg, het strafvorderlijke stelsel van interne openbaarheid als zodanig in de weg staat aan een bewijsbeslag en dat overwegingen die in dat stelsel tot de uitkomst kunnen leiden dat geen recht bestaat op inzage, afschrift of uittreksel, gewichtige redenen kunnen opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv. In rov. 3.7.6 heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd dat ook indien inzage, afschrift of uittreksel tot een daadwerkelijke verstoring van de strafzaak kan leiden, dit een gewichtige reden kan opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv, met vergelijkende verwijzing ten aanzien van voorlopig getuigenverhoor naar de hiervoor vermelde (verwijzings)beschikking van 7 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. (3.6.4-)3.6.7 onderscheidenlijk rov. (3.8.3-)3.8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">CID staat voor Criminele Inlichtingen Dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 28 april 2016, ECU:NL:RBAMS:2016:2584, rov. 2.3-2.5 van de derde zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:239, NJF 2018/139, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Utrecht 18 mei 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ6338, NJF 2011/353, rov. 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag van 3 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2287, NJF 2019/613, JBPr 2020/1 m.nt. T.R.B. de Greve, rov. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.E. de Meijer, ‘De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de officier van justitie’, Tijdschrift Tuchtrecht 2021, afl. 2, p. 119.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken (diss. Maastricht), Maastricht: Uitgeverij Gianni 2004, p. 253-254.</p>\n<p class=\"lf-p\">Muijen 2012, p. 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 1 van de getuigenverklaring van [verzoekster] .</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 6 van het algemene proces-verbaal van 10 juli 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift, par. 3.3.7, 3.3.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie in zaak 20/04358.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.14. Zie ook par. 7 met betrekking tot onderdeel II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, p. 2, onder I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, nr. 6.2-6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, nr. 6.4 onder verwijzing naar nr. 3.5 en HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277, m.nt. J.B.M. Vranken (Verschueren/Kloosterboer), rov. 3.2 en 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, nr. 6.5-6.7, onder verwijzing naar Kamerstukken II 19 589, nr. 3, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, nr. 6.8-6.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.10, 6.12, 6.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.12 en 6.15, onder verwijzing naar par. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, p. 2, onder I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter dient dit beroep op het incidentele verschoningsrecht uiteraard alleen te beoordelen indien en voor zover degene die zich erop beroept bij dit beroep belang heeft. Ik verwijs naar hetgeen ik daarover onder 4.1-4.4 en bij de bespreking van onderdeel II heb opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412 m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans, JBPr 2018/59 m.nt. C.J.M. Klaassen, NLF 2018/2089 m.nt. Y. Geradts, rov. 3.8.4-3.8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 3.15, 3.16, 3.26 en de in 3.32 aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis bij de Wpr, Kamerstukken II, 1985/86, 19 589, nr. 3, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook mijn conclusies in de onder 1.3 genoemde cassatieberoepen van Box Consultants c.s., onder 5.13-5.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift, par. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift, par. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/117; B.T.M. van der Wiel, in: Cassatie (BPP nr. 20) 2019/113; Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/157; HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1557, JBPr 2014/39, m.nt. G.C.C. Lewin, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift, par. 3.1.6, 3.2.1, 3.3.1, 3.3.19-3.3.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze benadering is overigens juist, zo blijkt uit uitspraken van de Hoge Raad over het op art. 67 AWR gebaseerde verschoningsrecht. Zie HR 25 mei 1999 (strafkamer), ECLI:NL:HR:1999:ZD1552, NJ 1999/580, rov. 3.6-3.7. Zie ook HR 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1810, NJ 1996/55 (Hoeben/Noord-Nederlandse Metaalhandel), rov. 3.2 en vgl. HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2284, NJ 1997/305.</p></div>", "next": 0}