{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In een voorlopig getuigenverhoor dient de vraag of een verschoningsrecht bestaat, ook niet anders te worden beoordeeld dan in een ‘regulier’ getuigenverhoor: zie HR 26 april 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC4851, NJ 1968/305.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE0651, NJ 2002/394, JBPr 2002/4 m.nt. H.W. Wiersma, AA 2002/902 m.nt. G.R. Rutgers, rov. 3.3, waarin het ging om de vraag of een rechter ten overstaan van wie een comparitie heeft plaatsgevonden, in hoger beroep als getuige kan worden gehoord over wat tijdens die comparitie is voorgevallen. De Hoge Raad oordeelde dat voor het maken van een uitzondering op de getuigplicht in ieder geval geen plaats is in de zich daar voordoende situatie. Vgl. ook HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471 m.nt. C.J.M. Klaassen (verschoningsrecht mediator), rov. 3.6.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 165 lid 2, aanhef en onder b, Rv, kent voorlopers in art. 1946 lid 2, aanhef en onder 3 (oud) BW en art. 191 lid 2 Rv. De rechtspraak over het functionele verschoningsrecht die is gewezen onder de vigeur van die bepalingen, heeft nog steeds betekenis; zie (wat betreft het tot 1 april 1988 geldende wettelijke bewijsrecht) G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 165 Rv, aant. 2.5.1 (actueel t/m januari 2021), met verwijzing naar G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015/136.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 april 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4795, NJ 1986/822 m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/823, rov. 3.5. Zie ook HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779 m.nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council), rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015/137-138 en vgl. ook HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779 m.nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council), rov. 3.2 en 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nadien ook o.m. HR 25 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0690, NJ 1993/467 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2; HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8490, NJ 2005/455 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.4.1 en HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, NJ 2021/104 m.nt. M.A. Verbrugh, JOR 2020/138 m.nt. D.R. Doorenbos, Ondernemingsrecht 2020/166 m.nt. M.W. Josephus Jitta, JIN 2020/117 m.nt. R.J.W. Analbers, rov. 3.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779 m.nt. J.B.M. Vranken (International Tin Council), rov. 3.2. Zie ook HR 22 juli 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5426, NJ 1986/823 m.nt. W.L. Haardt, rov. 3.1, waarin de Hoge Raad, na vragen te hebben gesteld aan het HvJ EU, oordeelde dat tekst noch geschiedenis van art. 46 lid 1 van de (toenmalige) Wet toezicht kredietwezen de conclusie wettigen dat de daarin vervatte geheimhoudingsplicht aldus moet worden verstaan dat deze een verschoningsrecht meebrengt. En vgl. (in verband met de verplichting van partijen op de voet van art. 22 Rv om in het kader van een civiele procedure inlichtingen te verstrekken dan wel stukken over te leggen) HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8421, NJ 2009/451 m.nt. E.J. Dommering (De Telegraaf), rov. 3.4.6-3.4.7 over de uit de WIV 2002 voortvloeiende geheimhoudingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de in de vorige voetnoot aangehaalde uitspraak van 22 december 1989, rov. 3.2 en 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.m. HR 25 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0690, NJ 1993/467 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2; HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2808, NJ 2000/341 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.5.3; HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE6324, NJ 2004/47 m.nt. H.J. Snijders, rov. 4.2.2; HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, NJ 2021/104 m.nt. M.A. Verbrugh, JOR 2020/138 m.nt. D.R. Doorenbos, Ondernemingsrecht 2020/166 m.nt. M.W. Josephus Jitta, JIN 2020/117 m.nt. R.J.W. Analbers, rov. 3.2.4; HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:532, RvdW 2021/426, NTFR 2021/1356 m.nt. R.B.H. Beune, JOR 2021/199 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, BNB 2021/100 m.nt. A.E.H. van der Voort Maarschalk, FutD 2021-1238 m.nt. Fiscaal up to Date, NLF 2021/1020 m.nt. D. Barmentlo, V-N 2021/20.20 m.nt. redactie, rov. 3.1.3-slotZie hierover in kritische zin: zie J.B.M. Vranken, Het professionele (functionele) verschoningsrecht, Handelingen der Nederlandse Juristen-Vereniging 1986, deel I, tweede stuk, p. 111 en R.H. de Bock, ‘Laat de verschoningsgerechtigde niet langer rechter in eigen zaak zijn’, in: G. van Dijck e.a. (red.), Cirkels. Een terugblik op een vooruitziende blik, Deventer: Kluwer 2013, nrs. 8-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9066, NJ 1986/173 m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/176 (Notaris Maas), rov. 3.5. Zie ook o.m. HR 7 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC9067, NJ 1986/174 m.nt. W.L. Haardt onder NJ 1986/176, rov. 3; HR 25 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0690, NJ 1993/467 m.nt. H.J. Snijders; HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2808, NJ 2000/341 m.nt. W.D.H. Asser; HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600, NJ 2021/104 m.nt. M.A. Verbrugh, JOR 2020/138 m.nt. D.R. Doorenbos, Ondernemingsrecht 2020/166 m.nt. M.W. Josephus Jitta, JIN 2020/117 m.nt. R.J.W. Analbers en, in het kader van art. 67 AWR, HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277 m.nt. J.B.M. Vranken (Verschueren/Kloosterboer), rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de hiervoor aangehaalde beschikking van 7 juni 1985, rov. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de hiervoor aangehaalde beschikkingen van 1 maart 1985, rov. 3.6, en 7 juni 1985, rov. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de hiervoor aangehaalde beschikking van 1 maart 1985, rov. 3.6. Zie over de strafrechtelijke rechtspraak m.b.t. de vraag of ‘zeer uitzonderlijke omstandigheden’ aanwezig zijn o.m. De Bock, a.w., nrs. 8-9 en de daar aangehaalde rechtspraak (voetnoot 38) en recenter HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, NJ 2018/92 m.nt. F. Vellinga-Schootstra, rov. 2.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471 m.nt. C.J.M. Klaassen, rov. 3.6.3; HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7845, NJ 2013/337 m.nt. E.J. Dommering, rov. 3.4.2; HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412 m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans, JBPr 2018/59 m.nt. C.J.M. Klaassen, NLF 2018/2089 m.nt. Y. Geradts, rov. 3.8.4. Zie over het aannemen van een incidenteel verschoningsrecht voor opsporingsambtenaren in strafzaken ter voorkoming dat opsporingsbelangen worden geschaadF.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken (diss. Maastricht), Maastricht: Uitgeverij Gianni, p. 282-283. Volgens Fernhout zullen de door de opsporingsambtenaar ingeroepen belangen doorgaans in civiele zaken eerder tot het aannemen van een incidenteel verschoningsrecht leiden dan in strafzaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de fiscale geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR is recentelijk een proefschrift verschenen: zie B.M. van der Sar, Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (Fiscale Monografieën nr. 168), Deventer: Wolters Kluwer 2021. Zie h. 3 voor een beschrijving van het geldende, positieve recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 288. Vgl. ook Van der Sar, a.w., par. 3.2.3 en 6.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277 m.nt. J.B.M. Vranken (Verschueren/Kloosterboer), rov. 3.2 en 3.4 (in het kader van art. 191 lid 2 Rv (oud)). Deze beschikking dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wet versterking fiscale rechtshandhaving. Met die wet is lid 1 van art. 67 AWR echter slechts ‘gemoderniseerd’. Zie daarover nader mijn conclusies in de cassatieberoepen van Box consultants c.s., onder 4.14 e.v.. In zijn noot onder deze beschikking wijst Vranken erop dat de beslissing dat de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR wordt versterkt met een verschoningsrecht wellicht reeds besloten lag in de arresten HR 3 mei 1956, ECLI:NL:HR:1956:106, NJ 1956/297 en HR 14 mei 1964, ECLI:NL:HR:1964:15, NJ 1964/430, met vervolg in HR 20 januari 1966, ECLI:NL:HR:1966:AC4618, NJ 1966/184.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015/149 en de noot van Vranken (onder 1) onder de beschikking van 8 november 1991.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 25 mei 1999 (strafkamer), ECLI:NL:HR:1999:ZD1552, NJ 1999/580, rov. 3.6-3.7. Zie ook HR 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1810, NJ 1996/55 (Hoeben/Noord-Nederlandse Metaalhandel), rov. 3.2 en vgl. HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2284, NJ 1997/305.Het beleid met betrekking tot het fiscale bestuursrecht is neergelegd in het Besluit Fiscaal Bestuursrecht van 9 mei 2017, Stcrt. 2017, 28270, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 december 2020, Stcrt. 2020, 66541. Zie over de geheimhoudingsplicht van art. 67 AWR paragraaf 24 van dat besluit. Zie hierover ook Van der Sar, a.w., par. 4.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 21 juli 2007, Stb. 2007, 300.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 2 Wpg en Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 6, 25, 28; Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 10-11. Zie nader over de Wpg o.a. N.W. Groenhart, in: T&amp;C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht, Inl. opm. par. 3 Wpg (2020), aant. 2; E.T. Luining, in: M.F. Attinger e.a./P.A.M. Mevis e.a., Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer (2020), hoofdstuk 18; P.J.D.J. Muijen, Politie, informatie en privacy : de Wet politiegegevens toegelicht. Zutphen: Paris 2012. De bepalingen van de WPG zijn nader uitgewerkt in het Besluit politiegegevens (Bpg; Stb. 2007, 550, laatst gewijzigd bij Stb. 2020, 514) en in het Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten (Stb. 2009, 305, laatst gewijzigd bij Stb. 2019, 475).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 46 Wpg, nader uitgewerkt in art. 1 sub b Besluit politiegegevens bijzondere opsporingsdiensten in verbinding met art. 2 sub a Wet op de bijzondere opsporingsdiensten (Stb. 2006, 285, laatst gewijzigd bij Stb. 2021, 155). Genoemde regelingen sluiten de overeenkomstige toepassing van een aantal bepalingen op bijzondere opsporingsdiensten uit die niet aansluiten op de taakstelling van deze diensten. Zie nader Kamerstukken II 2017/18, 34889, 3, p. 10; E.T. Luining, in: M.F. Attinger e.a./P.A.M. Mevis e.a., Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer (2020), par. 18.3.2. De minister van financiën heeft de uitoefening van de bevoegdheden die uit de Wet politiegegevens voor hem voortvloeien gemandateerd aan de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/FIOD-ECD. Zie mandaatbesluit Wet politiegegevens FIOD-ECD, Stcrt. 2010, 2085.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van voormalig plv. P-G Langemeijer (onder 2.41) vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, met verwijzing naar MvT (Wpg), Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 juli 2000, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens), Stb. 2000/302. De Wbp is op 25 mei 2018 ingetrokken met het van toepassing worden van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), zie art. 99 lid 2 AVG (verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. De Wbp vormde de implementatie van Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens van 24 oktober 1995 (de Privacyrichtlijn)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. MvT (Wjsg), Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, blz. 1; MvT (Wpg), Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 3; Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 1 en 3. Zie over de verhouding tussen de Wbp enerzijds en de Wjsg en Wpg anderzijds nader de conclusies van voormalig plv. P-G Langemeijer vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy (onder 2.41 e.v.) en vóór HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834, NJ 2016/50 m.nt. M.J. Borgers en W.D.H. Asser (onder 2.7 e.v.). Zie ook T.N.B.M. Spronken &amp; P.C. Koopmans, Gedeelde informatie: over de naleving van de wet door het openbaar ministerie bij het toevoegen van strafvorderlijke, justitiële en politiële gegevens aan het Bopz-dossier, Den Haag: Hoge Raad der Nederlanden 2017, p. 33 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 17 oktober 2018 tot wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, Stb. 2018, 401.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (Richtlijn 2016/680 van 27 april 2016, Pb EU L 119/89). In de titel van de richtlijn genoemd Kaderbesluit is bij wet van 6 oktober 2011 in de Wpg en Wjsg geïmplementeerd (Stb. 2011, 490).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de grondtrekken van de richtlijn en de belangrijkste consequenties van de richtlijn voor de wetgeving Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 2-6 en 18-21. Zie nader over de verhouding tussen de Wpg, de richtlijn en de AVG o.a. E.T. Luining, in: M.F. Attinger e.a./P.A.M. Mevis e.a., Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer (2020), par. 18.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de verwerking van persoonsgegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen is ingevolge art. 2 lid 1 en lid 2 onder d AVG niet de AVG van toepassing, maar de richtlijn Gegevensbescherming opsporing en vervolging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 17 en vgl. ook Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 6, p. 5, waar is opgemerkt dat de instanties binnen de strafrechtsketen uitsluitend worden geconfronteerd met verschillende verwerkingsregimes voor zover zij taken uitvoeren die geen betrekking hebben op de uitvoering van de politietaak (…), de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen. Zie eerder ook: Kamerstukken II 2013/14, 33 842, nr. 2 (Evaluatie Wet politiegegevens en Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens), p. 2-3. Een wetsvoorstel is thans nog niet aanhangig. In zijn brief van 19 november 2020 zet de Minister voor Rechtsbescherming de opbrengst van zijn verkenning naar de uitgangspunten voor het toekomstige wettelijke kader uiteen. Kamerstukken II 2020/21, 32 761, nr. 173.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader E.T. Luining, in: M.F. Attinger e.a./P.A.M. Mevis e.a., Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer (2020), par. 18.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017/18, 34 889 nr. 3, p. 62; Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 69 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 4:2 onder a, c en n Besluit politiegegevens. Zie nader de nota van toelichting, Stb. 2007, 550, p. 57 e.v. Zie nader Muijen 2012 a.w., par. 3.11.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 75. Zie ook art. 15-15.6 Aanwijzing Wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie, Stcrt. 2018, 36060.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 18 lid 3 Wpr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 73-74. Zie ook p. 76, toegespitst op de verstrekking aan derden op grond van art. 19 Wpg: ‘Ingevolge de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit dient dit belang dermate zwaarwegend te zijn dat het belang van verstrekking aan derden zwaarder dient te wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de politiegegevens betrekking hebben.’ Kamerstukken I 2006/07, 30 327, C, p. 16-17. Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 7, p. 20 Ingevolge art. 4.5 Besluit politiegegevens mogen gegevens die overeenkomstig art. 9 of 10 Wpg worden verwerkt in beginsel niet op grond van art. 19 Wpg (incidentele verstrekking) worden verstrekt aan derden. Het betreft politiegegevens die gericht worden verwerkt ten behoeve van een onderzoek met het oog op de handhaving van de rechtsorde in een bepaald geval (art. 9 Wpg) dan wel met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij het beramen van ernstigere misdrijven (art. 10 Wpg). Zie nader Muijen 2012 a.w., par. 4.3.11.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ABRvS 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:265, BA 2015/58, JB 2015/53, m.nt. B.M.J. van der Meulen;</p>\n<p class=\"lf-p\">JIN 2015/118, m.nt. B.M.J. van der Meulen, rov. 5.2 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat art. 25, eerste lid, van de Wpg alleen een recht op inzage biedt ten aanzien van de gegevens die betrekking hebben op de betreffende persoon en geen grond biedt voor het verstrekken van de identiteit van de melder van een strafbaar feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 83. Zie ook Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 85; kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 20, 80, 106, 112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. voormalig plaatsvervangend P-G Langemeijer vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, onder 2.43, met verwijzing naar: N.W. Groenhart, T&amp;C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht, Inl. opm. par. 3 Wpg (2021), aant. 2; vgl. ook HR 27 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2359, NJ 2004/599 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.4.1, en de bijbehorende conclusie onder 2.1 (m.b.t. de voormalige Wpr).</p>\n<p class=\"lf-p\">Concl. voormalig plaatsvervangend P-G Langemeijer vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, onder 2.43, met verwijzing: vgl. MvT (Wpg), Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 37, waar wordt gesproken van ‘een meer open verstrekkingenregime’ dan onder het oude stelsel van de Wet politieregisters. Vgl. ook de Nota van toelichting bij het Besluit politiegegevens buitengewoon opsporingsambtenaren, Stb. 2019/85, die spreekt van een ‘semi-gesloten’ regime (p. 11) .</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. N.W. Groenhart, T&amp;C Privacy- en gegevensbeschermingsrecht, Inl. opm. par. 3 Wpg (2021), aant. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7 Wpg is bij de wetswijziging van 1 januari 2019 louter redactioneel gewijzigd: in het voormalige art. 7 Wpg is ‘de politietaak’ vervangen door: ‘de taak, bedoeld in artikel 1, onderdeel a’. Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 2, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 37-38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2005, 116. Het hierna genoemde art. 9:31 Awb trad in werking op 15 maart 2005.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 3 februari 2005 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met een regeling over de behandeling van klachten over bestuursorganen door een ombudsman, alsmede daarmee samenhangende wijziging van de Wet Nationale ombudsman, de Gemeentewet, de Provinciewet, de Waterschapswet en de Wet gemeenschappelijke regelingen, Stb. 2005, 71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie thans art. 9:27 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985/86, 19 589, nr. 3, p. 10, onderscheidenlijk p. 25. Zie ook p. 9, kamerstukken II 1988/89, 19 589, nr. 6, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 19 589, nr. 6, p. 3 Zie o.a. Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 1-3 en 37..</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 7 november 2002, Stb. 2002/552.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 30 juni 2004, Stb. 2004/315.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van voormalig plv. P-G Langemeijer (onder 2.41) vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy, met verwijzing naar Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de Wjsg nader ook mijn conclusies in cassatieberoepen van Box Consultants c.s., onder 4.30 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de verhouding van de Wpg tot de Wjsg o.a. art. 3 Aanwijzing wet politiegegevens en de rol van de officier van justitie; Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 16; H.B. Winter e.a, De verwerking van politiegegevens in vijf Europese landen, Pro Facto (in opdracht van het WODC), p. 13, 16-17, 23-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 4-7. Het beleid ter zake van verstrekking aan derden van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden op grond van art. 39f Wjsg is neergelegd in de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, Stcrt. 2018/36059, par. III.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 1, aanhef en onder j Wjsg gedefinieerd als: ‘degene op wie een justitieel, strafvorderlijk, gerechtelijk strafgegeven of een tenuitvoerleggingsgegeven betrekking heeft, of van wie persoonsgegevens in een persoonsdossier zijn verwerkt’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 20, 106 en 112.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusies van voormalig plv. P-G Langemeijer (onder 2.2) vóór HR 20 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3436, NJ 2012/262 en (onder 2.42) vóór HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het oorspronkelijke wetsvoorstel was deze geheimhoudingsplicht in art. 41 geregeld; zie Kamerstukken II 1995/96, 24 797, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1955/395.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1995/96, 24 797, nr. 3, p. 7 en 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 24 797, nr. 7, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, RvdW 2021/236, JIN 2021/48 m.nt. V.J.C. de Bruijn, TT 2021/18 m.nt. N.A. de Leon-van den Berg, JOR 2021/139 m.nt. N.A.M.E.C. Fanoy. Vgl. overigens HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9133, NJ 2008/31, rov. 3.2, waarin het oordeel van het hof dat de Staat niet verplicht kan worden op grond van art. 843a Rv gegevens te verstrekken die hij ingevolge de Wjsg niet mag verstrekken in cassatie niet was bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de exhibitieprocedure in deze zaak: rechtbank Oost-Brabant 5 juni 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3107 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 augustus 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2537. Naar laatstgenoemde beschikking is overigens verwezen in rov. 3.8.2.10 van de bestreden beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Zie bijv. J. Ekelmans, De exhibitieplicht, reeds aangehaald, blz. 123 e.v. (par. 7.6.4); J.R. Sijmonsma, Het inzagerecht, Deventer: Kluwer 2017, blz. 266 e.v.; L.A. Bosch, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 843a Rv (2020), aant. 1j.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Zie HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4663, NJ 2007/638 m.nt. E.J. Dommering onder 639, rov. 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Zie HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:365, NJ 2018/423, m.nt. J. Legemaate, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Zie alinea 5.19 van zijn conclusie voor de genoemde beschikking van 29 juni 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Vgl. HR 21 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9133, NJ 2008/31, rov. 3.2: aangezien de Staat naar 's hofs onbestreden oordeel niet verplicht kan worden op grond van art. 843a Rv gegevens te verstrekken die hij ingevolge de Wjsg niet mag verstrekken, is de exhibitievordering niet toewijsbaar. Vgl. Rb. Den Haag (vzr.) 20 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2730, rov. 4.4; Rb. Oost-Brabant 5 juni 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:3107 (de exhibitieprocedure in deze zaak), rov. 4.20; Hof Den Haag 3 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2287, NJF 2019/613, rov. 18 - 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in geciteerde tekst: Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 februari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:937, NJF 2015/109, rov. 4.10; Rb. Rotterdam 6 juli 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:5152, rov. 5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 3.7.5 heeft de Hoge Raad langs dezelfde lijn overwogen dat, evenmin als de regelingen van de Wpg en de Wjsg, het strafvorderlijke stelsel van interne openbaarheid als zodanig in de weg staat aan een bewijsbeslag en dat overwegingen die in dat stelsel tot de uitkomst kunnen leiden dat geen recht bestaat op inzage, afschrift of uittreksel, gewichtige redenen kunnen opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv. In rov. 3.7.6 heeft de Hoge Raad daaraan toegevoegd dat ook indien inzage, afschrift of uittreksel tot een daadwerkelijke verstoring van de strafzaak kan leiden, dit een gewichtige reden kan opleveren als bedoeld in art. 843a lid 4 Rv, met vergelijkende verwijzing ten aanzien van voorlopig getuigenverhoor naar de hiervoor vermelde (verwijzings)beschikking van 7 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. (3.6.4-)3.6.7 onderscheidenlijk rov. (3.8.3-)3.8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">CID staat voor Criminele Inlichtingen Dienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 28 april 2016, ECU:NL:RBAMS:2016:2584, rov. 2.3-2.5 van de derde zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:239, NJF 2018/139, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 3.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Utrecht 18 mei 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ6338, NJF 2011/353, rov. 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Den Haag van 3 september 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2287, NJF 2019/613, JBPr 2020/1 m.nt. T.R.B. de Greve, rov. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.E. de Meijer, ‘De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht van de officier van justitie’, Tijdschrift Tuchtrecht 2021, afl. 2, p. 119.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken (diss. Maastricht), Maastricht: Uitgeverij Gianni 2004, p. 253-254.</p>\n<p class=\"lf-p\">Muijen 2012, p. 64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie in zaak 20/04361.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.14. Zie ook par. 7 met betrekking tot onderdeel II.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, p. 2, onder I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, nr. 6.2-6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, nr. 6.4 onder verwijzing naar nr. 3.5 en HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277, m.nt. J.B.M. Vranken (Verschueren/Kloosterboer), rov. 3.2 en 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, nr. 6.5-6.7, onder verwijzing naar Kamerstukken II 19 589, nr. 3, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, nr. 6.8-6.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.10, 6.12, 6.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.12 en 6.15, onder verwijzing naar par. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 6.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, p. 2, onder I.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter dient dit beroep op het incidentele verschoningsrecht uiteraard alleen te beoordelen indien en voor zover degene die zich erop beroept bij dit beroep belang heeft. Ik verwijs naar hetgeen ik daarover onder 4.1-4.4 en bij de bespreking van onderdeel II heb opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412 m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans, JBPr 2018/59 m.nt. C.J.M. Klaassen, NLF 2018/2089 m.nt. Y. Geradts, rov. 3.8.4-3.8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 3.15, 3.16, 3.26 en de in 3.32 aangehaalde passage uit de parlementaire geschiedenis bij de Wpr, Kamerstukken II, 1985/86, 19 589, nr. 3, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook mijn conclusies in de onder 1.3 genoemde cassatieberoepen van Box Consultants c.s., onder 5.13-5.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verzoekschrift tot cassatie, par. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bestreden beschikking, rov. 3.2.1; beroepschrift [...] , par. 3.2.1 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beroepschrift, par. 1.3, 2.9, 3.1.1, 3.1.7, 3.19, 3.20, 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze benadering is overigens juist, zo blijkt uit uitspraken van de Hoge Raad over het op art. 67 AWR gebaseerde verschoningsrecht. Zie HR 25 mei 1999 (strafkamer), ECLI:NL:HR:1999:ZD1552, NJ 1999/580, rov. 3.6-3.7. Zie ook HR 22 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1810, NJ 1996/55 (Hoeben/Noord-Nederlandse Metaalhandel), rov. 3.2 en vgl. HR 21 februari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2284, NJ 1997/305.</p></div>", "next": 0}