{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Subonderdeel 4b zou denk ik desalniettemin eventueel naar de strekking of met aanvulling van rechtsgronden eveneens gedeeltelijk gegrond kunnen worden geoordeeld, omdat het met de hiervoor in 3.66 genoemde klacht eveneens de hiervoor in 3.68 genoemde onjuistheid van het oordeel van het hof aan de orde stelt, maar gelet op het slagen van subonderdeel 4a bestaat daaraan denk ik geen behoefte en behoeft het subonderdeel geen behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.72 De andere, hiervoor niet genoemde klachten die de subonderdelen 4a en 4b bevatten, behoeven, gelet op het voorgaande, evenmin behandeling. Ik merk nog wel op dat in de toelichting op subonderdeel 4a, onder 101-102, terecht erop wordt gewezen dat, hoewel in de toelichting op de Wet Bibob op veel plaatsen alleen wordt gesproken van het privacybelang dat de wet beoogt te beschermen (onder meer in de passages die het hof aanhaalt in rov. 2.9), duidelijk is dat de geheimhoudingsplicht van art. 28 lid 1 Wet Bibob en het gesloten verstrekkingensysteem van de Wet Bibob mede andere geheimhoudingsbelangen beschermen, zoals dat van de opsporing van strafbare feiten en de bescherming van bronnen (zie hiervoor in voetnoot 81).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.73 Overigens merk ik nog op dat het door onderdeel 4 bestreden oordeel van het hof mede inhoudt dat, omdat art. 28 lid 2, aanhef en onder j, Wet Bibob een uitzondering maakt op de geheimhoudingsplicht jegens de rechter en die uitzondering voor alle informatie geldt die het LBB en het bestuursorgaan bij hun (eigen) onderzoek verkrijgen, geen verschoningsrecht bestaat (rov. 2.25). Dat is in overeenstemming met het hiervoor in 3.11 genoemde criterium uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Hieruit volgt dat het hof zich (toch) niet gebonden heeft geacht door het door hem in rov. 2.6 genoemde uitgangspunt van partijen, dat uit art. 28 lid 1 Wet Bibob een functioneel verschoningsrecht volgt. Het oordeel van het hof komt immers erop neer dat dit uitgangspunt, gelet op de uitzondering van art. 28 lid 2, aanhef en onder j, Wet Bibob, die als gezegd in de opvatting van het hof alle informatie omvat die onder art. 28 lid 1 Wet Bibob valt, geheel onjuist is – want in haar geheel teniet wordt gedaan door die uitzondering en dus uiteindelijk niet bestaat – en derhalve niet geldt. Ook daaruit volgt dat in cassatie ruimte bestaat om, zoals hiervoor in 3.11-3.37 is gebeurd, na te gaan of uit art. 28 lid 1 Wet Bibob überhaupt wel een verschoningsrecht volgt (zie hiervoor in 3.6-3.10).</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom m.b.t. de onderdelen 2-4 3.74 De subonderdelen 2a-2c, 3b en 4a zijn m.i. dus gegrond. Bij subonderdeel 3a bestaat geen belang en subonderdeel 4b behoeft geen behandeling. Uit het voorgaande volgt dat alle gegevens die met het oog op de toepassing van de Wet Bibob in het onderzoek met betrekking tot Oud Valkeveen c.s. zijn verkregen, onder de geheimhoudingsplicht van art. 28 lid 1 Wet Bibob vallen (zie hiervoor in 3.54). Nu het in dit geval niet tot een ongunstig besluit voor Oud Valkeveen c.s. is gekomen op grond van het uitgevoerde eigen onderzoek, is er geen grond om de in het onderzoek verkregen gegevens uit te zonderen van de geheimhoudingsplicht van art. 28 lid 1 Wet Bibob (zie hiervoor in 3.70). Bij het vervolg van het verhoor bij de rechter-commissaris moet dus uitgangspunt zijn dat die gegevens onder die geheimhoudingsplicht vallen. Uiteraard zal de rechter-commissaris nog wel moeten nagaan of bij de vragen inderdaad sprake is van gegevens die met het oog op de toepassing van de Wet Bibob in het onderzoek met betrekking tot Oud Valkeveen c.s. zijn verkregen, omdat alleen die gegevens onder art. 28 lid 1 Wet Bibob vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beoordeling van ‘gewichtige redenen’ 3.75 Als gezegd zal de rechter-commissaris bij het vervolg van het verhoor voorts per vraag moeten beoordelen of deze wegens een zwaarder wegend geheimhoudingsbelang niet beantwoord behoeft te worden (zie hiervoor in 3.48 en 3.50). Een probleem bij die beoordeling kan zijn dat deze niet goed uitvoerbaar is zonder kennis van de informatie die geheim gehouden dient te worden. Indien het gaat om partijen zelf die inlichtingen moeten verschaffen aan de rechter, kent art. 8:29 Awb reeds lang hiervoor de voorziening dat partijen deze informatie vertrouwelijk aan alleen de rechter kunnen voorleggen om te beoordelen of inderdaad gewichtige redenen bij geheimhouding bestaan. Hierover pleegt te worden beslist door een andere rechter – in de praktijk aangeduid als de geheimhoudingskamer –, opdat de rechter die de zaak behandelt bij de verdere behandeling daarvan niet wordt ‘belast’ met kennis die vertrouwelijk is en daarom niet aan de wederpartij kan worden medegedeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de arresten Lightning Casino en Telegraaf/Staat heeft de Hoge Raad art. 8:29 Awb van overeenkomstige toepassing geoordeeld op de civiele procedure. Deze arresten zijn in 2017 gecodificeerd in art. 22 Rv. Die bepaling is in de Box-uitspraak van 19 februari 2021 van overeenkomstige toepassing geacht bij art. 843a Rv (weigering inzage en afgifte wegens gewichtige redenen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ligt m.i. nogal voor de hand dat de civiele rechter hier dezelfde werkwijze volgt als de bestuursrechter, dus geheimhoudingsverzoeken op grond van deze bepaling (art. 22 lid 3 Rv) laat beslissen door een andere rechter dan die de zaak behandelt. Als een geheimhoudingsverzoek slaagt, kan de wederpartij immers er met recht bezwaar tegen hebben dat de zaak verder wordt behandeld door een rechter die kennis heeft waarover de wederpartij niet kan beschikken. De wettelijke regeling van de art. 8:29 Awb en 22 Rv voorziet slechts in het geval dat de betrokken partij de rechter na honorering van zijn geheimhoudingsverzoek vraagt om mede recht te doen op de betrokken (voor de wederpartij geheim te houden) informatie. De wederpartij heeft te dien aanzien een vetorecht, bij gebruik waarvan een andere rechter – die geen kennis heeft van de geheim te houden informatie – over de zaak beslist (art. 8:29 lid 5 en art. 22 lid 5 Rv).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.76 Mij lijkt dat er veel voor te zeggen is om de regeling van art. 22 Rv niet alleen overeenkomstig toe te passen bij art. 843a Rv, zoals in de Box-uitspraak van 19 februari 2021 is gebeurd, maar ook met betrekking tot een getuige die aanvoert dat er gewichtige redenen zijn op grond waarvan hij op een vraag geen antwoord kan geven in een getuigenverhoor. Er bestaat, lijkt mij, wat betreft de afweging van de betrokken geheimhoudingsbelangen en de wijze waarop de beoordeling in dat verband dient plaats te vinden, geen wezenlijk verschil tussen de inlichtingenplicht van partijen en de getuigplicht van getuigen (zie ook hiervoor in 3.47 en 3.49). Het ligt dus nogal voor de hand ze hetzelfde te behandelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.77 Als ik kijk naar de vragen in deze zaak, dan lijkt me dat de regeling van art. 22 Rv ook bij de onderhavige verhoren goede diensten zou kunnen bewijzen. Dat en waarom bij de niet-beantwoording van de vragen een concreet geheimhoudingsbelang bestaat dat zwaarder weegt dan het belang van de waarheidsvinding in rechte, is op het eerste gezicht niet duidelijk bij de meeste vragen. Vertrouwelijke kennisname door alleen de rechter zou hierover duidelijkheid kunnen geven en voorkomt dat openbaar wordt wat geheim moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vgl. rov. 2.1 van de beschikking van het hof. Zie voorts rov. 2.1-2.6 van de beschikking van de rechtbank van 26 februari 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voor de grondslag van het verzoek rov. 3.2 van de beschikking van de rechtbank van 26 februari 2020. Zie ook rov. 4.6 en de hierna in 2.3 aan te halen rov. 4.9 daarvan. Zie voorts rov. 2.2 en 2.3 van de beschikking van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beschikking van de rechtbank is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">De functies van [verzoeker in de zaak 22/00623] en [verzoeker in de zaak 22/00632] blijken uit het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor d.d. 20 januari 2021, p. 5 en 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Utrecht 18 mei 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ6338, rov. 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze uitspraak is beslist dat aan art. 7 Wet Politiegegevens geen verschoningsrecht valt te ontlenen. In HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:721, is deze beslissing door de Hoge Raad onderschreven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor d.d. 20 januari 2021, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een en ander het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor d.d. 20 januari 2021, p. 33-38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van voorlopig getuigenverhoor d.d. 20 januari 2021, p. 6 en 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij hadden kunnen volstaan met één hoger beroep tegen beide getuigen. Met het voorlopig getuigenverhoor is immers sprake van één procedure. Zie hierna in voetnoot 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 25 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10909.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cassatietermijn bedraagt drie maanden (art. 426 lid 2 Rv), nu de wet geen kortere termijn bepaalt. De procesinleidingen zijn op 24 februari 2022, dus tijdig, bij de Hoge Raad ingediend. Ook hier geldt (zie voetnoot 10 hiervoor) dat met één stuk had kunnen worden volstaan. Zie bijv. B.T.M. van der Wiel m.m.v. M.M. Stolp in Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/216, en Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/210.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 17 november 1967, ECLI:NL:HR:1967:AC4791, NJ 1968/164, m.nt. D.J. Veegens, HR 17 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5174, NJ 1987/352, m.nt. W.L. Haardt, rov. 3.2, HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8490, NJ 2005/455, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.4.1, en HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6101, NJ 2013/388, m.nt. H.B. Krans, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 19 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8273, NJ 2005/454, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 17 januari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5174, NJ 1987/352, m.nt. W.L. Haardt, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. de conclusie van A-G Lückers, ECLI:NL:PHR:2021:939, voor HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:721, onder 3.4, met verdere verwijzingen in voetnoot 27, waaraan nog toe te voegen G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 165 Rv, aant. 2.2.3, en G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/151-152.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Lückers, ECLI:NL:PHR:2021:939, voor HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:721, onder 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2395, NJ 2019/37 (uitspraak van rechter-commissaris in een voorlopig getuigenverhoor, waarin is beslist op verzoeken om te bepalen dat het voorlopig getuigenverhoor met gesloten deuren zal plaatsvinden en om te bevelen dat de processen-verbaal door partijen en hun raadslieden niet aan derden mogen worden verstrekt, aangemerkt als een eindbeschikking).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in deze zin ook de op dezelfde dag gedane uitspraken in de parallelle zaken ECLI:NL:HR:2022:722-725, ECLI:NL:HR:2022:733-735, ECLI:NL:HR:2022:737-738, ECLI:NL:HR:2022:740-742 (met uitzondering van ECLI:NL:HR:2022:722 alle verwerpingen met toepassing van art. 81 RO). Ik geef toe dat al deze uitspraken ook aldus kunnen worden gelezen dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep in het midden is gelaten (omdat de rechter die vaststelt dat een beroep ongegrond is, niet verplicht is de eventuele niet-ontvankelijkheid ervan uit te spreken), maar het lijkt nogal onaannemelijk dat de Hoge Raad in twee van deze uitspraken uitvoerig op het beroep ingaat en de ontvankelijkheid niet bespreekt, als hij zou twijfelen aan de ontvankelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6101, NJ 2013/388, m.nt. H.B. Krans, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.1 e.v. van de appelverzoekschriften. [verzoeker in de zaak 22/00623] en [verzoeker in de zaak 22/00632] zijn bij de mondelinge behandeling door het hof van dit uitgangspunt niet teruggekomen. Zie het proces-verbaal van die behandeling en de pleitnota van hun advocaat voor die behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij men zou aannemen dat de aanvaarding van een verschoningsrecht van openbare orde is, omdat dit raakt aan de waarheidsvinding in rechte. De appelrechter mag immers recht van openbare orde ook buiten de grieven toepassen. Ik denk echter niet dat het hier gaat om recht van openbare orde. Partijen zouden op dit punt denk ik dan ook eveneens een (bewijs)overeenkomst kunnen sluiten. Art. 153 Rv staat afwijking bij overeenkomst van het wettelijke bewijsrecht immers met zoveel woorden toe, tenzij het gaat om recht dat niet ter vrije bepaling van partijen staat (waaronder recht van openbare orde). HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/471, rov. 3.3 en 3.4, houdt in dat partijen rechtsgelding kunnen overeenkomen dat een persoon niet als getuige kan worden gehouden in hun geschil (het ging in die zaak om een mediator, die geen functioneel verschoningsrecht heeft). Die beslissing impliceert m.i. dat ook het bestaan van een verschoningsrecht kan worden overeengekomen en de openbare daaraan dus niet in de weg staat. Van een dergelijke overeenkomst is in deze zaak overigens geen sprake. Daarvan blijkt niet uit de stukken – dat partijen hetzelfde uitgangspunt hanteren, is daarvoor niet voldoende – en het hof stelt zo’n overeenkomst ook niet vast (zijn vaststelling dat partijen het over dit uitgangspunt ‘eens zijn’, is daarvoor, tegen de achtergrond van de stukken, niet voldoende).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie opnieuw de appelverzoekschriften van Oud Valkeveen c.s. Het hof stelt op dit punt niet duidelijk wat anders vast in zijn beschikking (vgl. de tekst van rov. 2.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden omvat immers mede het nagaan of de door de betrokkene ingeroepen feiten het door deze ingeroepen rechtsgevolg meebrengt (of kan meebrengen). Zie daarover bijvoorbeeld kort mijn conclusie voor HR 25 februari 2022 in zaak 21/00565 (art. 81 RO), ECLI:NL:PHR:2021:931, onder 3.3, met verwijzing naar GS Burgerlijke Rechtsvordering, aantekeningen op art. 24 en 25 Rv (Tjong Tjin Tai), en F.J.P. Lock in Ambtshalve rechtstoepassing tijdens de mondelinge behandeling in: Dineke de Groot en Hans Steenberghe (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, 2019, p. 287-361, i.h.b. p. 312-320.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste – dat het gaat om een kwestie die ligt binnen het door de grieven ontsloten gebied – wordt blijkens de literatuur beslissend geacht. Zie bijvoorbeeld Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/171, slot, Snijders/Wendels, Civiel appel, vierde druk 2009, nrs. 230 en 233, F.J.P. Lock, Ambtshalve toetsing in hoger beroep, TCR 2014/2, onder 3 en 4, en H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, eerste druk 1992, nr. 44 (minder duidelijk in de vijfde door A. Hammerstein bewerkte druk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitvoerig over de enge en ruime leer H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, bewerkt door A. Hammerstein, vijfde druk 2017, nrs. 43-55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dezelfde benadering als hier vermeld lijkt de Hoge Raad recent te volgen in HR 23 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1276, rov. 3.8, met betrekking tot het aanvullen van rechtsgronden ten gunste van eiser tot cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide gronden – hoewel nogal andersoortig – liggen dicht tegen elkaar. Vgl. Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/276, waar ze in een adem worden genoemd en behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover mijn conclusie van 3 juni 2022 in zaak 21/03702, ECLI:NL:PHR:2022:530, onder 4.25 en 4.26, met betrekking tot de ex art. 224 Rv bevolen zekerheidsstelling. Van een onjuiste eindbeslissing (een in de overwegingen van een uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissing omtrent een geschilpunt tussen partijen, wat een andere soort beslissing is dan een beslissing bij dictum over een vordering of verzoek) mag de rechter eveneens terugkomen, maar dat geldt niet voor de rechter in een volgende instantie, als tegen die eindbeslissing niet is opgekomen. De hogere rechter is in beginsel aan dergelijke eindbeslissingen gebonden. Vgl. bijvoorbeeld Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/154 en 156. Dat de rechter kan terugkomen van een onjuiste eindbeslissing geldt voorts evenmin na verwijzing of terugwijzing: de lagere rechter dient dan te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de hogere rechter en hij is dus aan de eindbeslissingen in de uitspraak van de hogere rechter gebonden. Voor de procedure na cassatie en verwijzing staat dit in art. 424 Rv – dat de rechtspraak van vóór 1963 heeft gecodificeerd; zie bijv. Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/330 – en het ligt voor de hand om hetzelfde aan te nemen voor de procedure na hoger beroep en terug- of verwijzing. Voor bedoelde incidentele (bij dictum gegeven) uitspraken geldt e.e.a. naar hun aard niet, naar ik in genoemde conclusie heb betoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit punt is er ook geen eindbeslissing van het hof dat hieraan mogelijk in de weg zou staan. Het hof heeft immers zelf niet geoordeeld dat uit art. 28 Wet Bibob een verschoningsrecht volgt (het tegendeel juist; zie hierna in 3.73). Overigens is niet duidelijk in de rechtspraak beslist dat de leer van de bindende eindbeslissing ook geldt in een incident. Zie hierover opnieuw mijn conclusie van 3 juni 2022 in zaak 21/03702, ECLI:NL:PHR:2022:530, onder 4.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:721, rov. 3.4.2, en ECLI:NL:HR:2022:722, rov. 3.2.1. In deze overwegingen wordt verwezen naar HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, rov. 3.6.2.2, en HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, rov. 3.2. Volledigheidshalve merk ik nog op dat als de wet geen geheimhoudingsplicht kent, deze en een daaruit voortvloeiend verschoningsrecht kunnen bestaan als is voldaan aan de eisen genoemd in HR 7 november 1986, NJ 1987/457, en HR 15 oktober 1999, NJ 2001/42. Omdat dit geval in deze zaak niet speelt (het gaat hier over een wettelijke geheimhoudingsplicht), laat ik het bij deze opmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over getuigplicht en verschoningsrecht ook o.m. F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken (diss.), Maastricht: Gianni, 2004, Asser Procesrecht/Asser 3 2017/125 e.v.; G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/106 e.v.; G.R. Rutgers, H.B. Krans, Pitlo 7, Bewijs, Deventer: Kluwer 2014/110-113; G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 165 Rv en W. Heemskerk &amp; K.Teuben, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, Dordrecht: Convoy Uitgevers 2021/91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een en ander Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3 (memorie van toelichting), p. 2-3 en 6. De memorie noemt (op p. 3) het onderzoek van de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden slechts als één van de aanleidingen voor het wetsvoorstel en dus niet als dé aanleiding, zoals het hof overweegt in rov. 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2002/347.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2013/125.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2020/278.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018-2019, 35 152, nr. 3, p. 7-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een en ander geldt op grond van de genoemde bepalingen ook voor derden als gegevens die op hen betrekking hebben in de motivering van het besluit worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 5, p. 3-4. Zie korter in dezelfde trant het citaat uit de memorie van toelichting (p. 13) dat het hof in de tweede alinea van rov. 2.9 aanhaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 8. Het hof citeert deze passage ook in rov. 2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010-2011, 32 676, nr. 6, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010-2011, 32 676, nr. 7, p. 4-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018-2019, 35 152, nr. 3, p. 7-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018-2019, 35 152, nr. 3, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 27-29. De aan het slot van dit citaat besproken positie van de derde is tegenwoordig geregeld in de art. 28 lid 3 en 33 lid 1 Wet Bibob, terwijl art. 28 lid 2, aanhef en onder b, Wet Bibob het bestuursorgaan machtigt om deze derden gegevens uit het Bibob-advies mede te delen als deze op hem betrekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 75-76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010-2011, 32 676, nr. 7, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010-2011, 32 676, nr. 7, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 44 bovenaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010-2011, 32 676, nr. 3, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Utrecht 18 mei 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ6338.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken (diss.), Maastricht: Gianni, 2004, p. 254.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met zoveel woorden het hiervoor in 2.4 geciteerde oordeel van de rechter-commissaris. Zie ook de hiervoor in 2.3 genoemde uitspraak Rb Utrecht 18 mei 2011, ECLI:NL:RBUTR:2011:BQ6338, waarnaar de rechtbank bij de toewijzing van het voorlopig getuigenverhoor heeft verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus G.J.M. Corstens e.a., Het Nederlands strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 749, met verwijzing naar HR 2 maart 1982, NJ 1982/460, en HR 5 oktober 1982, NJ 1983/297, m.nt. ’t H.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Spronken en Fernhout in WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 293 Sv, aant. 7.4 (actueel t/m 01-08-2003). Zie voorts bijvoorbeeld T&amp;C Strafvordering, commentaar op art. 293 Sv (Pelsser).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470, NJ 2010/417, m.nt. C.J.M. Klaassen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7845, NJ 2013/337, m.nt. E.J. Dommering (De Limburger). In gegeven geval mocht de rechter-commissaris het belang van de journalistieke bronbescherming zwaarder laten wegen (rov. 3.4.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433, NJ 2019/412, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans (Box Consultants c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:722.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 mei 2022, ECL:NL:HR:2022:721. In beide uitspraken wordt in een voetnoot verwezen naar de hiervoor aangehaalde rechtsoverwegingen van de Limburger-uitspraak en de eerste Box-uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer F.J. Fernhout, Het verschoningsrecht van getuigen in civiele zaken (diss.), Maastricht: Gianni, 2004, par 3.7, p. 277 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 juli 1986, NJ 1986/823 (Hillegom/Hillenius), rov. 3.2-3.3 en 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0997, NJ 1990/779, m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, AB 2020/268, m.nt. P.J. Stolk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus ook de minister van justitie in zijn brief van 2 november 2015 over de evaluatie van de Wet Bibob, Kamerstukken II 2015-2016, 31 109, nr. 18, p. 7-8, aangehaald onder 41 in de inleiding op de onderdelen 2-4 van het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals het hof terecht vaststelt in rov. 2.16, heeft de informatie die het bestuursorgaan bij het eigen onderzoek kan opvragen op grond van het Besluit politiegegevens, het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens te gelden als verkregen ‘als krachtens de Wet Bibob verkregen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook het hiervoor in 3.24 besproken aan art. 28 lid 1 Wet Bibob complementaire art. 20 lid 1 Wet Bibob, dat – eveneens ongeclausuleerd – bepaalt dat het LBB aan derden geen persoonsgegevens verstrekt die het heeft verkregen in het kader van zijn taak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat geldt dus ook voor mondelinge informatie en voor de tips die niet met zoveel woorden in de Wet Bibob zijn geregeld (zoals tips van de politie), anders dan Oud Valkeveen c.s. als verweer tegen het onderdeel aanvoeren in hun verweerschrift in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin ook ABRvS 8 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ7424, AB 2011/345, m.nt. E.J. Daalder, rov. 2.6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. T&amp;C Openbare Orde en Veiligheid, commentaar op art. 28 Wet Bibob (Bitter &amp; Sieverink, actueel t/m 01-09-2022), en F. Joosten, Serie bijzondere wetgeving Deel 4: Wet Bibob, Amsterdam 2015, hoofdstuk 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus met zoveel woorden het eerste citaat uit de parlementaire toelichting van de regeling van het eigen onderzoek hiervoor in 3.31, waarnaar ook wordt verwezen onder 57 van de toelichting op het middel. Zie ook het hiervoor in 3.22 aangehaalde overzicht van informatiebronnen in het kader van de Wet Bibob, waarin ook deze tips worden genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvankelijk ging de wet ervan uit, in art. 30 lid 1, dat bij de aanvraag van een besluit of handeling waarop de Wet Bibob ziet, steeds het vragenformulier wordt ingevuld, ook in de gevallen dus dat geen onderzoek plaatsvindt. Bij de wijziging van 2013 is dit veranderd in een gehoudenheid van betrokkene om de informatie te verschaffen waar bij de vragen om wordt verzocht (zie nu art. 7a lid 2 Wet Bibob). Daarbij is kennelijk gedacht aan een later verzoek tot beantwoording van die vragen door het bestuursorgaan. Omtrent het tijdstip waarop die vragen moeten worden gesteld, zegt de wet niets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de toelichting die op art. 30 is gegeven bij de wetswijziging van 2013, Kamerstukken II 2011-2012, 32 676, nr. 7, p. 9: “Het artikel is primair toegeschreven op de informatiebehoefte van het bestuursorgaan, dat in eerste instantie eigen onderzoek verricht naar de risico’s dat” (enz.).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van toelichting bij de wijziging van 2013, waarbij het eigen onderzoek een wettelijke basis kreeg, is de informatie verkregen met de ingevulde Bibob-vragenlijsten ‘een belangrijke bron voor het eigen onderzoek’ genoemd. Zie Kamerstukken II 2010-2011, 32 676, nr. 3, p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name – deels hiervoor in 3.20 aangehaald – Kamerstukken II 2011-2012, 32 676, nr. 7 (nota van wijziging), p. 4-7 en 9-10, waarin de toen voor het eerst voorgestelde regeling van het eigen onderzoek is toegelicht. Zie ook m.b.t. de wijziging in 2020 – deels hiervoor in 3.21 aangehaald – Kamerstukken II 2018–2019, 35 152, nr. 3, p. 7-8 en 26. In het cassatieverweerschrift namens Oud Valkeveen c.s. wordt onder 40 en 41 in dit verband gewezen op de toelichting bij de oorspronkelijke versie van de wet uit 2002, toen het vragenformulier nog moest worden ingevuld bij de aanvraag van het besluit of de handeling (zie voetnoot 75 hiervoor). Dat in die toelichting wordt uitgegaan van een volgorde waarbij eerst het vragenformulier wordt ingevuld, zoals namens Oud Valkeveen c.s. wordt aangevoerd, zegt dus niet zoveel. Overigens staat ook in die toelichting niet te lezen dat het om een verplichte volgorde zou gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het cassatieverweerschrift namens Oud Valkeveen c.s. wordt onder 46.6 nog een beroep gedaan op een uitlating in een Kamerstuk uit 2021, waarin wordt gezegd ‘dat het onderzoek start met een mededeling aan betrokkene dan wel het voorleggen van het vragenformulier’ (Kamerstukken II 2021-2022, 35 764, nr. 6, p. 23, bovenaan). Die passage – die overigens geen deel uitmaakt van de wetsgeschiedenis, maar van nadien dateert – gaat echter niet over een verplicht in acht te nemen volgorde, maar vormt een reactie op vragen van de Kamer hoe in de praktijk wordt omgegaan met tips en doet blijkens zijn context niet meer dan de feitelijke gang van zaken beschrijven. Kennelijk is daarbij bovendien bedoeld: de feitelijke gang van zaken ná de ontvangst van een tip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. opnieuw T&amp;C Openbare Orde en Veiligheid, commentaar op art. 28 Wet Bibob (Bitter &amp; Sieverink, actueel t/m 01-09-2022), en F. Joosten, Serie bijzondere wetgeving Deel 4: Wet Bibob, Amsterdam 2015, hoofdstuk 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar die wet mede ziet op justitiële en politionele gegevens, heeft zij evident mede betrekking op de andere belangen die zijn betrokken bij geheimhouding daarvan, zoals die van de opsporing en de veiligheid van informanten (zie aldus ook de passages in de parlementaire geschiedenis die hiervoor zijn geciteerd in 3.16 en 3.17).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de in voetnoot 78 genoemde passages.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor bleek vanaf 3.19, heeft de wetgever de regeling van het eigen onderzoek in 2013 aangemerkt als het opnemen van een ‘expliciete grondslag’ (dus niet enkel een ‘grondslag’). Dat is omdat van begin af aan altijd eerst enig eigen onderzoek nodig is geweest om te beslissen of al dan niet gebruik werd gemaakt van de (voor het bestuursorgaan vrije) bevoegdheid tot het vragen van advies aan het LBB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 28-29 Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 26 883, nr. 3, p. 27-28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. opnieuw T&amp;C Openbare Orde en Veiligheid, commentaar op art. 28 Wet Bibob (Bitter &amp; Sieverink, actueel t/m 01-09-2022), en F. Joosten, Serie bijzondere wetgeving Deel 4: Wet Bibob, Amsterdam 2015, hoofdstuk 8. Zie voorts ABRvS 19 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB3818, AB 2007/333, m.nt. Hans Peters, rov. 2.7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit oordeel geldt althans, blijkens hetgeen het hof overweegt in rov. 2.21, 2.24 en 2.25, voor de gemeente – tot wier bestuursorganen art. 28 lid 2 Wet Bibob zich blijkens zijn aanhef richt – en [verzoeker in de zaak 22/00623] en [verzoeker in de zaak 22/00632] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze werkwijze is afkomstig van de belastingkamer van de Hoge Raad en wordt inmiddels door alle bestuursrechters gevolgd. Zie T&amp;C Awb, commentaar op art. 8:29 Awb (Borman), aantek. 4c, met verwijzing naar rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3350, NJ 2004/4, m.nt. J.B.M. Vranken (Lightning Casino) en HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8421, NJ 2009/451, m.nt. E.J. Dommering (Telegraaf/Staat).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2016/288. Zie voor de toelichting op de wijziging Kamerstukken 2014-2015, 34 059, nr. 7, p. 6-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273, rov. 3.7.5.</p></div>", "next": 0}