{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Al met al meen ik dat ’s hofs afwijzing van het (herhaalde) verzoek tot het horen van [getuige 1] , [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 4] , indien en voor zover deze gebaseerd is op het oordeel dat de bewezenverklaring zonder meer toereikend gemotiveerd is als de verklaringen van deze personen worden weggedacht, niet zonder meer begrijpelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>De afwijzing van het hof laat zich wellicht ook anders lezen. Het hof overweegt dat het ‘geen enkele reden (heeft) om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaringen van de aangeefsters’. Het horen van aangeefsters is overbodig omdat de feiten en omstandigheden waarvan zij verhalen buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan en daarom ‘voor de bewijsvoering geen toegevoegde waarde zal hebben’. Daarmee kan het hof hebben willen aangeven dat het (in het licht van een en ander) van oordeel is dat een verhoor voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>Ook zo begrepen kunnen ’s hofs overwegingen de afwijzing naar het mij voorkomt evenwel niet dragen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat een ondervraging door de rechter en de verdediging van getuigen die belastende verklaringen hebben afgelegd volgens het EHRM bij een daartoe strekkend verzoek van de verdediging in beginsel aangewezen is. Dat kan, in gevallen waarin de bewezenverklaring niet zonder meer uit ander bewijs volgt, slechts in bijzondere situaties anders liggen. Te denken valt vooral aan gevallen waarin duidelijk wordt dat het doel dat de verdachte met de beoogde ondervraging heeft het verhoor overbodig maakt. Uit de overwegingen van het hof kan niet worden afgeleid dat het hof het verzoek heeft afgewezen omdat het verhoor gelet op de onderwerpen die daarbij naar verwachting aan de orde zouden komen irrelevant is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>Het middel slaagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het derde middel 63. Het derde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, toepassing heeft gegeven aan artikel 14e, eerste lid, Sr en heeft bevolen dat de gestelde bijzondere voorwaarde en het uit te oefenen toezicht op de naleving van die voorwaarde dadelijk uitvoerbaar zijn. Ik bespreek dit middel voor het geval Uw Raad anders oordeelt over het tweede middel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>Inzake de strafoplegging heeft het hof het volgende overwogen: ‘Op te leggen sanctie Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het navolgende in aanmerking.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer acht maanden schuldig gemaakt aan belaging van vier medewerkers van de Zorggroep […] . Door de bewezen verklaarde belagingshandelingen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssferen van de slachtoffers. Belaging is een delict dat rechtstreeks raakt aan de privacy en het welbevinden van de belaagde en zal daardoor doorgaans forse psychische belasting opleveren. Slachtoffers van dit soort feiten ondervinden vaak nog jarenlang de gevolgen van de belaging. Dat blijkt ook hier: Het obsessieve en hardnekkige karakter van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte heeft de slachtoffers enorm gehinderd in hun dagelijks bestaan. Het hof rekent dit de verdachte aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de straftoemeting heeft het hof in het nadeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij blijkens het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 18 februari 2021, in de vijf jaren voorafgaand aan onderhavige feit, tweemaal eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van belaging (van medewerkers van De Zorggroep). De onderhavige feiten hebben zich afgespeeld gedurende de proeftijd van een van deze veroordelingen. Het hof acht het zorgelijk dat deze eerdere veroordelingen en de nog lopende proeftijd de verdachte er niet van heeft kunnen weerhouden wederom een soortgelijk delict te plegen. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de aard en ernst van dit misdrijf en mede gelet op de persoon van de verdachte is een gevangenisstraf van aanzienlijke duur naar het oordeel van het hof zonder meer gerechtvaardigd. Alle omstandigheden afwegende is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, zoals door de rechtbank is opgelegd, in beginsel passend en geboden. Daaraan doet niet af dat het anders dan de rechtbank niet tot vijf, maar vier gevallen van stalking komt. De indringendheid en volhardendheid van het strafbare gedrag van de verdachte maakt dat het hof desondanks niet tot een lagere straf komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van de verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Immers is op 11 april 2017 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 10 mei 2021 - en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van het hoger beroep - arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met circa 25 maanden overschreden, terwijl dit niet aan de verdachte valt toe te rekenen. Naar het oordeel van het hof zijn er geen bijzondere omstandigheden aanwezig die deze overschrijding rechtvaardigen. Het hof zal daarom aan die overschrijding consequenties verbinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals overwogen zou zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, passend en geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest, opleggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet in de aard, intensiteit, hardnekkigheid en de duur van de belaging aanleiding om aan de voorwaardelijke straf, naast de algemene voorwaarden, de bijzondere voorwaarde van een contactverbod te verbinden. Het hof zal bepalen dat de verdachte gedurende de proeftijd van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met medewerkers van De Zorggroep […] , zolang de reclassering dit nodig acht. Het hof zal voorts gelet op het repeterende karakter en de ernst van het strafbare feit en de gevolgen daarvan voor de medewerksters het contactverbod dadelijk uitvoerbaar verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan in eerste aanleg ziet het hof geen reden om aan de verdachte wederom een verplicht ambulant behandelingstraject op te leggen, nu de verdachte het door de rechtbank opgelegde verplichte traject blijkens het reclasseringsadvies van 19 april 2021 heeft afgerond en op vrijwillige basis voortzet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.’ 65. Het dictum luidt, voor zover hier van belang: ‘BESLISSING Het hof: (…) Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen; zoeken of hebben met medewerkers van De Zorggroep […] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat voormelde voorwaarde en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.’ 66. Artikel 14e Sr luidde ten tijde van het tenlastegelegde feit als volgt: ‘1. De rechter kan bij zijn uitspraak, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, bevelen dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn, indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het bevel, bedoeld in het eerste lid, kan door de rechter die kennisneemt van het hoger beroep, ambtshalve, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie, worden opgeheven.’ 67. Uit dit voorschrift volgt dat de rechter de dadelijke uitvoerbaarheid kan bevelen van de voorwaarden die en het toezicht dat hij verbindt aan een voorwaardelijk opgelegde straf indien aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste is vereist dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Een dergelijk misdrijf duid ik hierna kortheidshalve aan als geweldsmisdrijf. Deze voorwaarde betreft het recidivegevaar dat moet uitgaan van de verdachte. De tweede voorwaarde betreft het delict waarvoor de verdachte wordt veroordeeld. Vereist is dat ‘wederom’ een geweldsmisdrijf wordt begaan. Daaruit volgt dat het delict waarvoor de verdachte wordt veroordeeld een geweldsmisdrijf moet zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>In een arrest van 10 maart 2015 overwoog Uw Raad het volgende over de motivering van een op de voet van artikel 14e Sr gegeven bevel: ‘3.4. Vooropgesteld moet worden dat een rechterlijke uitspraak in de regel pas tenuitvoergelegd mag worden nadat zij onherroepelijk is geworden en dat de in art. 14e Sr voorziene uitzondering op deze regel met betrekking tot de dadelijke uitvoerbaarheid van de op grond van art. 14c Sr gestelde bijzondere voorwaarden dan wel het op grond van art. 14d Sr uit te oefenen toezicht – ook volgens voormelde wetsgeschiedenis – voor de veroordeelde verstrekkende gevolgen kan hebben. Mede gelet daarop zal de rechter in de motivering van zijn bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid ervan blijk dienen te geven zich ervan te hebben vergewist dat aan de in art. 14e Sr gestelde voorwaarden is voldaan. Meer in het bijzonder zal hij in een uitspraak waarin ten laste van de verdachte een misdrijf is bewezenverklaard dat is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, als zijn oordeel tot uitdrukking dienen te brengen dat en waarom ernstig rekening ermee moet worden gehouden dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens zijn in 3.2.2 weergegeven overweging heeft het Hof de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden bevolen “gezien het belang van het slachtoffer bij een contact- en locatieverbod en gelet op het belang dat zowel de verdachte als de samenleving heeft bij behandeling, uit het oogpunt van het terugdringen van het recidivegevaar”. Door aldus te overwegen heeft het Hof zijn beslissing ontoereikend gemotiveerd.’ 69. In het bestreden arrest heeft hof niet vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarden voor het bevelen van dadelijke uitvoerbaarheid. Reeds hierom slaagt het middel.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>Voor de volledigheid merk ik op dat uit de bewezenverklaring en uit de strafmotivering niet volgt dat een feit is bewezenverklaard dat gericht was tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam een of meer personen. Uw Raad heeft overwogen dat het bewezenverklaarde misdrijf belaging ‘niet zonder meer kan worden gekarakteriseerd als geweldsmisdrijf’. In de onderhavige zaak blijkt uit niets dat de verdachte geweld heeft gebruikt bij de belaging. De getuige [betrokkene 1] , wiens verklaring het hof tot het bewijs heeft gebezigd, verklaart juist dat de verdachte ‘tot nu toe nog nooit fysiek iemand (heeft) aangeraakt’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">71.</span>Voorts blijkt uit de strafmotivering niet waarom er ernstig rekening mee zou moeten worden gehouden dat de verdachte wederom een geweldsmisdrijf zal begaan. Uit de verwijzing door het hof naar de eerdere veroordelingen van de verdachte voor belaging van medewerkers van de Zorggroep […] , de overweging van het hof dat deze belagingen een repeterend karakter hebben en de aard van de gestelde bijzondere voorwaarde – een contactverbod met medewerkers van voornoemde zorggroep – kan worden afgeleid dat het hof er rekening mee heeft gehouden dat de verdachte deze medewerkers in de toekomst opnieuw zou (willen) belagen. Hieruit volgt echter nog niet dat het hof er ernstig rekening mee heeft gehouden dat de verdachte (bij een toekomstige belaging) een geweldsmisdrijf zou begaan, zoals is vereist voor het bevelen van dadelijke uitvoerbaarheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Gelet op het voorgaande meen ik dat het hof de beslissing om de dadelijke uitvoerbaarheid te bevelen ontoereikend heeft gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">73.</span>Het middel slaagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het vierde middel 74. Het vierde middel, dat bij aanvullende schriftuur is voorgesteld, heeft betrekking op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch. Het middel bevat de klacht dat één of meer van de betrokken raadsheren die het bestreden arrest hebben gewezen niet op rechtsgeldige wijze zijn beëdigd, zodat zij niet bevoegd waren om over de onderhavige zaak te oordelen, waardoor het bestreden arrest niet in stand kan blijven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>Op de gronden als vermeld in het op de vordering van de procureur-generaal tot cassatie in het belang der wet van 13 september 2022 gewezen arrest van Uw Raad van 21 oktober 2022 meen ik dat dit middel tevergeefs is voorgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afronding 76. Het eerste en het vierde middel falen, in ieder geval het vierde middel kan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende formulering worden afgedaan. Het tweede en het derde middel slagen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1409. Zie eerder HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1934, NJ 2019/285 m.nt. Mevis, rov. 2.1-2.5; HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:769, NJ 2020/229 m.nt. Mevis, rov. 3.3 en HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1896, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs er in dit verband op dat Uw Raad een afwijzing die erop is gebaseerd dat de aangevoerde grond voor aanhouding onvoldoende is onderbouwd, wel aldus heeft gelezen dat daarin tot uitdrukking is gebracht dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde omstandigheid niet aannemelijk is. Vgl. (onder meer) HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1142, NJ 2020/24 m.nt. Mevis, rov. 2.5 en HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:79, NJ 2020/83 m.nt. Mevis, rov. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1409.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:567, NJ 2021/158, rov. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies 110e OMT over COVID-19 | Brief | Rijksoverheid.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Risicogroepen en COVID-19 | RIVM.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1134, NJ 2021/270.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs er in dit verband op dat het hof ook betekenis mag hechten aan de omstandigheid dat de dagvaarding in hoger beroep op rechtsgeldige wijze, zij het niet in persoon, is betekend, nu van de verdachte die hoger beroep instelt en prijs stelt op berechting op tegenspraak, mag worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt (zie onder meer HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1570). Dat de verdachte niet de stappen neemt die van hem verwacht mogen worden, mag in de belangenafweging, zo begrijp ik, een rol spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest noemt het hof ook nog ‘het belang van een goede organisatie van de rechtspleging’. Uit ’s hofs overwegingen kan naar het mij voorkomt evenwel niet worden afgeleid dat het daaraan, los van het belang van een doeltreffende en spoedige berechting voor aangevers en de aanwezige benadeelde partij, zelfstandig gewicht heeft gehecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niet ter discussie staat dat het hof deze omstandigheid in de belangenafweging diende te betrekken. Vgl. de standaardoverweging in het geciteerde arrest van 11 oktober jongstleden. Zie ook M.J. Dubelaar, ‘Het aanwezigheidsrecht in strafzaken anno 2019’, DD 2019/47, p. 609: ‘De belangenafweging wordt mede gevoed door wat de verdachte naar voren brengt aan feitelijke omstandigheden. Indien sprake is van feitelijke onmacht om te verschijnen, in de vorm van ziekte of detentie in het buitenland, dan heeft de rechter minder ruimte om het verzoek af te wijzen en geldt derhalve een strenger toetsingskader.’ HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:685, NJ 2021/192.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin v. Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1090, NJ 2021/370 m.nt. Jörg, rov. 2.4.3 en HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498, rov. 2.5.3 en 2.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 25 juli 2013, nrs. 11082/06 en 13772/05 (Khodorkovskiy en Lebedev v. Rusland). Nadien is naar deze overweging verwezen in EHRM 14 januari 2020, nrs. 51111/07 en 42757/07, (Khodorkovskiy en Lebedev v. Rusland (nr. 2)), par. 484.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 23 september 2014, nr. 17362/03 (Cevat Soysal v. Turkije). Zie ook EHRM 22 september 2015, nr. 29474/07 (Shumeyev e.a. v. Rusland), par. 30; EHRM 6 februari 2018, nr. 24297/04 (Bidenko v. Rusland), par. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin v. Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930, NJ 2022/22, rov. 2.4.2 en 2.5.1 HR 7 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:801, rov. 3.4-3.5. Zie ook HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1199, rov. 3.3.1-3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat cassatie achterwege kan blijven indien de bewezenverklaring bij wegdenken van een bewijsmiddel zonder meer toereikend gemotiveerd is, komt ook terug in rechtspraak betreffende art. 80a RO: vgl. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430 m.nt. Van Kempen, rov. 2.5.2, onder verwijzing naar HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1176, NJ 2014/381; HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1167, NJ 2014/382 m.nt. Keulen en HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:715.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader S.A.A. van ’t Klooster, ‘Belagingsslachtoffers achtergesteld. Een analyse van het stelselmatigheidsbestanddeel en de bewijsvergaring door slachtoffers in belagingszaken’, DD 2022/13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1253, NJ 2021/366 m.nt. Jörg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, Stb. 2011, 545, in werking getreden op 1 april 2012 (inwerkingtredingsbesluit, Stb. 2011, 615). Het eerste lid is nadien gewijzigd en het tweede lid vervallen door de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen, Stb. 2017, 82, in werking getreden op 1 januari 2020 (inwerkingtredingsbesluit, Stb. 2019, 507). Deze wijziging is voor de onderhavige strafzaak niet van belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de conclusie van A-G Vegter bij HR 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:894, randnummer 8, in verband met de gelijkluidende formulering in art. 14b Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kamerstukken II 2010/11, 32319, nr. 7, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236 m.nt. Vellinga-Schootstra.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3379, rov. 5.5, NJ 2015/8. Zie ook HR 21 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1239; HR 19 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2392, NJ 2017/389; HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:436 en HR 10 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1310.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik vermeld nog dat indien alleen dit middel zou slagen, Uw Raad de zaak om doelmatigheidsredenen zelf zou kunnen afdoen. Vgl. HR 10 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:537, NJ 2015/236 m.nt. Vellinga-Schootstra, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438.</p></div>", "next": 0}