{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Deze vragen betreffen het element ‘moet betalen’ dat onderdeel is van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ van artikel 7:57 lid 1 onder g BW en het daarmee overeenstemmende element ‘worden aangerekend’ in artikel 7:58 lid 2 onder e BW 6.56 Deze elementen zijn relevant voor de vraag sprake is van een consumentenkredietovereenkomst in de zin van afdeling 7.2A.1 BW en bepalen dus mede het toepassingsbereik van deze afdeling. Voorts is het element ‘moet betalen’ als onderdeel van het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ dat onderwerp is van verschillende in de Richtlijn consumentenkrediet genoemde verplichtingen in verband met reclame en (pre)contractuele informatieplichten, waaronder die ter zake van het JKP. Hiermee valt niet te verenigen dat de vraag of kosten onder het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ vallen, ervan afhangt of zij daadwerkelijk in rekening worden gebracht en/of in rechte worden gevorderd. Dit zou er immers toe leiden dat de kredietgever achteraf, door al dan niet daadwerkelijk aanspraak te maken op bepaalde kosten, kan bepalen of een overeenkomst valt onder het toepassingsbereik van de Richtlijn en of is voldaan aan de daaruit voortvloeiende verplichtingen. De kantonrechter wijst hier terecht op (in rov. 4.15-4.16 TV I).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.57 Het element moet betalen duidt erop dat deze kosten verschuldigd zijn, dat wil zeggen dat de consument een verplichting heeft om deze kosten te betalen. Uit het arrest SIA Soho Group/Ptac volgt dat zelfs kosten waarvan vooraf niet zeker is of deze daadwerkelijk verschuldigd zullen zijn, zoals verlengingskosten, hieronder kunnen vallen (zie ook hiervoor in 6.23). Niet relevant is of deze kosten daadwerkelijk in rekening worden gebracht (al zal dat normaliter wel het geval zijn) respectievelijk in rechte worden gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.58 Het voorgaande betekent dat een partij die krediet verstrekt en in haar voorwaarden ‘te veel‘ kosten vraagt − dat wil zeggen zoveel kosten dat niet gezegd kan worden dat sprake is van slechts ‘onbetekenende kosten’ – niet, door geen aanspraak te maken op bepaalde kosten, kan voorkomen dat de overeenkomst valt onder het toepassingsbereik van afdeling 7.2.A.1 BW. Dit betekent voorts dat onzekerheid over de afbakening van dit toepassingsbereik niet ten laste van de consument wordt gebracht, maar ten laste van de professioneel handelende partij. Hieraan kan naar mijn mening niet afdoen het argument van KBvG (s.o. nrs. 3.56-3.57), dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om een partij te confronteren met vernietiging van overeenkomsten omdat zij kosten kan rekenen, maar dat niet doet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording van vragen IX-X 6.59 Ter beantwoording van de vragen IX-X kan aan het antwoord op de vragen III-V de volgende zin worden toegevoegd: De consument moet kosten betalen wanneer hij een verplichting heeft om deze kosten te betalen. Daarvoor is niet vereist deze kosten daadwerkelijk in rekening worden gebracht dan wel in rechte worden gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vragen XI-XII: onbetekenende kosten 6.60 Ook deze vragen gaan over de uitzondering die in artikel 7:58 lid 2 onder e BW wordt gemaakt voor kredieten die binnen drie maanden moeten worden terugbetaald en waarbij ‘onbetekenende’ kosten worden gerekend. De vragen XI-XII gaan over het begrip ‘onbetekenend’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.61 De Richtlijn consumentenkrediet bevat geen nadere aanknopingspunten voor de vraag wanneer kosten ‘onbetekenend’ zijn in de zin van artikel 2 lid 2 onder f Richtlijn. Er is hierover geen rechtspraak van HvJEU. Volgens de Guidelines van de Europese Commissie kunnen de lidstaten in implementatiewetgeving specificeren wat wordt verstaan onder ‘onbetekenende kosten’ of dit overlaten aan de nationale rechtspraak. Relevante gezichtspunten zijn volgens de Guidelines onder meer “the amount of the charge, either in absolute terms or relative to the amount of credit, the amount of the drawdown or the value and number of the transactions, and the comparison of the costs with the costs of other similar or competing products on the market.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.62 Bij de omzetting van de Richtlijn zijn in de toelichting op artikel 1:20 lid 1 onder e Wft enige voorbeelden gegeven: “Onder de bedoelde kosten wordt zowel rente als alle eventuele andere kosten onder welke noemer dan ook verstaan. De kosten zijn in relatieve zin onbetekenend wanneer ze slechts een zeer klein percentage van het krediet bedragen. Bijvoorbeeld bij een krediet van € 2 000 is € 5 kosten in ieder geval onbetekenend. De kosten kunnen echter ook in absolute zin onbetekenend zijn. Volgens overweging 13 van de preambule van de richtlijn gaat het bij deze uitzondering ook om zogenaamde «deferred debitcards». Dit zijn betaalkaarten waarbij aan de consument uitstel van betaling wordt verleend en transacties pas na afloop van de periode waarvoor een bestedingsruimte is vastgesteld worden geïncasseerd. (…) Bij onbetekenende kosten in absolute zin kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een kleine vergoeding voor het gebruik maken van een klantenkaart met betaalfunctie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.63 In de Q&amp;A van de AFM over het begrip ‘onbetekenende kosten’ in het kader van flitskrediet wordt hierbij aangesloten. Daarbij wordt het voorbeeld van een krediet van € 2.000 met € 5 kosten betrokken op een flitskrediet dat binnen drie maanden moet worden afgelost. Vervolgens wordt de daaruit verkregen norm van 1% van de kredietsom op jaarbasis veralgemeniseerd. Ook wordt ten aanzien van alleen deferred debit cards een absolute grens van € 50 per jaar gehanteerd: “Hoe heeft de AFM de term ‘onbetekenende kosten’ ingevuld?</p>\n<p class=\"lf-p\">De AFM volgt de lijn van de rechtspraak en kijkt bij de vraag of kosten onbetekenend zijn altijd naar de feitelijke gevolgen voor de consument. Onbetekenende kosten houdt in dat er een kleine vergoeding aan de consument wordt gevraagd. Deze vergoeding mag in ieder geval niet meer dan 1% van de kredietsom op jaarbasis bedragen. Dit percentage moet worden berekend over de periode vanaf het aangaan van de kredietovereenkomst tot het moment dat het verstrekte krediet moet worden terugbetaald. Bij een krediet dat binnen 3 maanden moet worden terugbetaald (de maximale looptijd van krediet dat onder deze uitzondering kan vallen), is dat dus 0,25%.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzondering van onbetekenende kosten in absolute zin geldt alleen voor ‘deferred debit cards’. Een debitcard is een betaalkaart waarmee de betaling direct wordt gesaldeerd van de bankrekening van de consument. Met een deferred debit card vindt afschrijving van de rekening niet direct plaats, maar later. De AFM merkt de kosten van een deferred debit card aan als onbetekenend, indien deze kosten lager zijn dan €50,- op jaarbasis, mits het krediet ook daadwerkelijk binnen 3 maanden wordt afgeschreven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.64 Nu in de Nederlandse wetgeving niet is gespecificeerd wanneer kosten ‘onbetekenend’ zijn, is de beoordeling daarvan overgelaten aan de rechtspraak. Op zichzelf valt er iets voor te zeggen om bij de toepassing van artikel 7:58 lid 2 onder e BW dezelfde uitgangspunten te hanteren als de AFM hanteert bij de toepassing van artikel 1:20 lid 1 onder e Wft. Enige behoedzaamheid op dat punt is mijns inziens echter geboden, omdat de AFM haar beleid baseert op slechts twee voorbeelden uit de parlementaire geschiedenis. Daarvoor kunnen goede redenen bestaan als het gaat om het ex ante formuleren van een beleidslijn waaraan het gedrag van aanbieders van krediet door de toezichthouder getoetst kan worden. In de civiele rechtspraak dient de rechter echter per geval te kunnen beoordelen of is voldaan aan de wettelijke maatstaf van ‘onbetekenende kosten’. In de civiele rechtspraak wordt het beleid van de AFM dan ook niet steeds tot uitgangspunt genomen, zoals de kantonrechter uiteenzet in rov. 4.19 van TV I.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.65 Arvato (s.o. nr. 4.64) nodigt de Hoge Raad uit om een concrete invulling te geven aan het begrip ‘onbetekenende kosten’. KBvG (s.o. nr. 3.61) denkt aan een staffel met een afnemend percentage bij een toenemende kredietsom. Uit een oogpunt van rechtszekerheid is wenselijk dat een voldoende mate van duidelijkheid bestaat over de beoordeling van de vraag wanneer sprake is van ‘onbetekenende kosten’. Ik meen dat de Hoge Raad die duidelijkheid in deze prejudiciële procedure niet kan bieden. Dit zou namelijk vergen dat de Hoge Raad een algemeen kader ontwikkelt. Het gaat hier echter om de beoordeling van een met de feiten verweven vraag. Bovendien is de vraag of de Hoge Raad voldoende zicht kan krijgen op de complexe praktijk. Het ligt mijns inziens op de weg van de feitenrechters om, indien daaraan behoefte bestaat, gezamenlijke oriëntatiepunten te ontwikkelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.66 Vraag XII betreft bedingen die de consument verplichten tot betaling van kosten aan de kredietgever zonder dat het beding duidelijk maakt op welke wijze de kosten worden berekend of welk concreet bedrag daar (maximaal) mee gemoeid is. De kantonrechter verwijst naar artikel 6.2 van de betalingsvoorwaarden van Arvato als een voorbeeld van een dergelijk beding (rov. 4.21 TV I). Dit beding noemt door Arvato in rekening te brengen administratiekosten, maar specificeert deze niet. Arvato heeft in deze zaak uit hoofde van dit beding bedragen van € 9,50 en € 12,50 in rekening gebracht. Het blijkt hierbij te gaan om deelbetalingen die moeten worden toegerekend aan de wettelijke incassokosten ad € 40 (rov. 2.4-2.5 TV II).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.67 KBvG wijst (s.o. nr. 3.63) op de mogelijkheid dat een dergelijk beding moet worden aangemerkt als oneerlijk in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn oneerlijke bedingen) en daarmee als (eventueel ambtshalve) vernietigbaar op de voet van artikel 6:233 onder a BW. De beoordeling van dergelijke bedingen als al dan niet oneerlijk kan thans in het midden blijven. Ik merk wel op dat voor de beoordeling of sprake is van een kredietovereenkomst die valt onder de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW naar mijn mening in beginsel moet worden uitgegaan van de overeenkomst (inclusief algemene voorwaarden) zoals deze tussen partijen is overeengekomen en die vervolgens door de rechter wordt gekwalificeerd als een type overeenkomst waarop bepaalde delen van de wet (dwingend) van toepassing zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na deze kwalificatie kan worden beoordeeld in hoeverre deze overeenkomst voldoet aan de wet en eventueel geheel of gedeeltelijk vernietigbaar is. Indien andersom wordt geredeneerd − en bijvoorbeeld een kostenbeding vernietigbaar wordt geacht op grond van artikel 6:233 onder a BW en vervolgens wordt geconstateerd dat het restant van de overeenkomst slechts ‘onbetekenende kosten’ bevat zodat geen sprake is van een consumentenkredietovereenkomst in de zin van afdeling 7.2A.1 BW −, zou het toepassingsbereik van de Richtlijn consumentenkrediet worden bepaald door toepassing van de Richtlijn oneerlijke bedingen (of eventueel een nationale grondslag voor vernietigbaarheid van een rechtshandeling).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Richtlijn consumentenkrediet bevat daarvoor naar mijn mening geen aanknopingspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording van vragen XI-XII 6.68 Het antwoord op vraag XI luidt als volgt. De vraag of kosten ‘onbetekenend’ zijn in de zin van artikel 7:58 lid 2 onder e BW dient te worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn onder meer de hoogte van de kosten in absolute zin en in verhouding tot het totale kredietbedrag. De civiele rechter is daarbij niet gehouden het beleid van de AFM tot uitgangspunt te nemen. Voor het overige leent deze vraag zich niet voor beantwoording bij wege van prejudiciële beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.69 Als het antwoord op vraag XII volstaat mijns inziens het volgende. Indien een beding de (maximaal) verschuldigde kosten niet specificeert, dient te worden beoordeeld of deze kosten bepaalbaar zijn. Vervolgens kan beoordeeld worden of ‘onbetekenende kosten’ worden aangerekend zoals bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder e BW. Het ligt op de weg van de partij die zich beroept op de toepasselijkheid van de in artikel 7:58 lid 2 onder e BW genoemde uitzondering op het begrip consumentenkredietovereenkomst om gegevens aan te dragen op basis waarvan kan worden beoordeeld of deze uitzondering zich voordoet. Bij gebreke aan dergelijke gegevens kan de rechter tot het oordeel komen dat onvoldoende is komen vast te staan dat deze uitzondering zich voordoet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Vragen XIII-XX over de toetsing aan regels van consumentenkrediet en over de samenloop met de koopovereenkomst 7.1 De vragen XIII-XX veronderstellen dat uitstel van betaling moet worden gekwalificeerd als een kredietovereenkomst – wat gezien het antwoord op vraag I het geval is − en dat de uitzonderingen van artikel 7:58 lid 2 onder e BW niet van toepassing zijn. Of deze laatste veronderstelling juist is, hangt af van de verdere beoordeling van het onderhavige geval door de kantonrechter aan de hand van de antwoorden van de Hoge Raad op de vragen II-XII. Daarom staat thans niet vast dat de beantwoording van de vragen XIII-XX nodig is om in deze zaak op de vordering van Arvato te kunnen beslissen, zoals wordt vereist in artikel 392 lid 1 Rv. Ik bespreek deze vragen ten overvloede.</div>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Vraag XIII betreft het vereiste van ‘geruime tijd’ in artikel 7:60 BW. Vragen XIV-XVI betreffen de kredietwaardigheidstoets. Ervan uitgaande dat niet-naleving van de kredietwaardigheidstoets door de kredietgever kan leiden tot een ambtshalve vernietiging van de kredietovereenkomst, stelt vraag XVII aan de orde of de rechter de vordering in gevallen als de onderhavige ambtshalve mag beoordelen op grond van artikel 6:203 BW. Daarmee berust vraag XVII op de stilzwijgende veronderstelling dat de verschuldigdheid van het door de consument in hoofdsom te betalen bedrag zijn grondslag vindt in de kredietovereenkomst. Dat is echter maar de vraag. De vraag naar de grondslag van de vordering op de consument speelt ook bij de vragen XVIII-XX over de status van de koopovereenkomst indien de vordering tegen de consument is gebaseerd op de kredietovereenkomst en de kredietovereenkomst ambtshalve is vernietigd. Ik bespreek eerst de kwestie van de grondslag van de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vragen XVII-XX: de grondslag van de vordering 7.3 Bij de bespreking van vraag I kwam al aan de orde dat het in gevallen als het onderhavige geen verschil maakt of het uitstel van betaling van de vordering tot betaling van de koopprijs wordt verleend door de leverancier dan wel door Arvato (zie in 5.12.1 e.v.). Voorts werd daar geconstateerd (in 5.16) dat bij het verlenen van uitstel van betaling van een vordering tot betaling van de koopprijs sprake is van mogelijke samenloop van de regels over koopovereenkomsten tussen handelaren en consumenten (met name afdeling 6.5.2B en titel 7.1 BW) en de regels over consumentenkrediet (titel 7.2A BW).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.1 In de rov. 4.26-4.31 TV I problematiseert de kantonrechter de verhouding tussen de koopovereenkomst en de kredietovereenkomst. De kantonrechter overweegt onder meer dat het krediet is aangegaan met het doel de koopprijs te voldoen en dat sprake is van gelieerde respectievelijk samenhangende overeenkomsten: “4.26 In zaken als de onderhavige is het krediet aangegaan gelijktijdig met het sluiten van de online koopovereenkomst en wel met het doel de koopprijs te voldoen die de consument op grond van de koopovereenkomst verschuldigd is. (…)4.31. (…). De koopovereenkomst en de kredietovereenkomst vormen een commerciële eenheid als bedoeld in artikel 7:57 lid 5 BW en de kredietovereenkomst kwalificeert als gelieerde kredietovereenkomst als bedoeld in artikel 7:57 lid 1 sub n BW. (…) Gelet op de wijze van totstandkoming en het gegeven dat het krediet is aangegaan met het doel de vordering uit de koopovereenkomst te voldoen, is tevens sprake van samenhangende overeenkomsten. Via een website van de handelaar worden door middel van (…) één druk op de bestelknop van de handelaar (waarbij is aangevinkt dat men (tegen betaling) gebruik wil maken van uitstel van betaling of van betaling in termijnen aan een derde) gelijktijdig twee overeenkomsten gesloten. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.2 Voorts overweegt de kantonrechter dat de vordering tot betaling van de koopprijs aan Arvato is gecedeerd, maar dat onduidelijk is waarop zij haar vordering baseert: “4.27 (…) De vordering van de handelaar uit hoofde van de koopovereenkomst is blijkens de stellingen van Arvato gecedeerd aan Arvato. Arvato heeft echter niet duidelijk gemaakt op basis van welke overeenkomst(en) zij haar vordering instelt. (…)4.29 (…) Hierbij is naar het oordeel van de kantonrechter van belang dat de kredietsom niet is overgemaakt naar de consument maar (naar alle waarschijnlijkheid, want de stellingen van Arvato vermelden daar niets over) direct aan de handelaar is betaald.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.1 Duidelijk is dat uit de koopovereenkomst tussen de webwinkel en de consument een vordering tot betaling van de koopprijs op de consument voortvloeit. Met betrekking tot deze vordering zijn, in de driehoeksverhouding tussen de webwinkel en de consument, de consument en de BNPL-dienstverlener en de webwinkel en BNPL-dienstverlener, verschillende varianten denkbaar. Ik noem er drie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.2 In de eerste plaats is denkbaar dat de webwinkel de vordering tot betaling van de koopprijs (tegen betaling) cedeert aan de BNPL-dienstverlener. Na de cessie bestaat de vordering tot betaling van de koopprijs nog steeds. De BNPL-dienstverlener is ten aanzien van die vordering de nieuwe schuldeiser. Het krediet heeft alleen betrekking op het verleende uitstel van betaling van de vordering tot betaling van de koopprijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.3 In de tweede plaats is denkbaar dat de BNPL-dienstverlener een kredietbedrag ter hoogte van de koopsom aan de consument ter beschikking stelt en de BNPL-dienstverlener dit bedrag aanwendt om als derde ten behoeve van de consument de koopprijs te voldoen door betaling daarvan aan de webwinkel, hetzij op naam van de consument als diens vertegenwoordiger, hetzij door op eigen naam de schuld van de consument te voldoen (artikel 6:30 BW). In deze variant is de vordering tot betaling van de koopprijs door nakoming teniet gegaan. De BNPL-dienstverlener heeft uit hoofde van de kredietovereenkomst een vordering op de consument ter hoogte van het kredietbedrag en ter zake van die vordering is ook uitstel van betaling verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.4 In de derde plaats is denkbaar dat de BNPL-dienstverlener een kredietbedrag ter hoogte van de koopsom aan de consument ter beschikking stelt en de consument dit bedrag aanwendt om de koopprijs te voldoen door betaling daarvan aan de webwinkel. In deze variant is de vordering tot betaling van de koopprijs door nakoming teniet gegaan. De BNPL-dienstverlener heeft uit hoofde van de kredietovereenkomst een vordering op de consument ter hoogte van het kredietbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5.5 Bij elk van de varianten kan sprake zijn van een samenstel van overeenkomsten die een commerciële eenheid vormen in de zin van artikel 7:57 lid 5 BW. Er kan ook sprake zijn van goederenkrediet in de zin van in de zin van artikel 7:74 onder b respectievelijk artikel 7:84 BW. Met betrekking tot laatstgenoemde bepaling merk ik op dat de kwalificatie als goederenkrediet in de zin van deze bepaling niet aan de orde is, nu in het onderhavige geval de betalingstermijn korter is dan drie maanden. Met betrekking tot artikel 7:74 onder b BW merk ik op dat de daar bedoelde kwalificatie van goederenkrediet hoogstens van belang is voor de toepassing van specifieke bepalingen van afdeling 7.2A.2 BW. Deze kwalificatie is geen voorwaarde voor toepasselijkheid van afdeling 7.2A.2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Naar ik meen volgt uit de vastgestelde feiten dat in het onderhavige geval de in 7.5.2 bedoelde variant zich voordoet. Dit betekent dat de vordering tot betaling van de kooprijs die door de schuldeiser – dat wil zeggen Arvato als cessionaris van de vordering tot betaling van de koopprijs − tegen de consument wordt ingesteld, steeds haar grondslag vindt in de koopovereenkomst die tussen de leverancier en de consument is gesloten. De koopovereenkomst is in gevallen als het onderhavige de enige titel voor de verschuldigdheid van het betreffende bedrag. De regels over kredietovereenkomsten komen slechts in beeld door het aspect van uitstel van betaling van de vordering tot betaling van de koopprijs. De kredietovereenkomst vormt in een dergelijk geval niet de grondslag voor de verschuldigdheid van het als hoofdsom gevorderde bedrag. De afdelingen 7.2A.1 en 7.2A.2 BW bevatten geen regels over consumentenkrediet die nopen tot een ander oordeel over de grondslag van de vordering.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Dat de koopovereenkomst de grondslag vormt voor de vordering van Arvato brengt mee (zoals de kantonrechter ook overweegt in rov. 4.28 TV I) dat eventuele gebreken in de rechtsverhouding tussen de leverancier en de consument gevolgen hebben voor de vordering tot betaling van de koopprijs. Dit betekent bijvoorbeeld dat na cessie van de vordering tot betaling van de koopprijs, de rechter in een door de cessionaris tegen de consument aangespannen procedure tot betaling (zo nodig ambtshalve) dient te onderzoeken of in de verhouding tussen de webwinkel (handelaar) en de consument is voldaan aan de essentiële informatieplichten van afdeling 6.5.2B BW. Gehele of, in verstekzaken, gedeeltelijke vernietiging van de koopovereenkomst treft de vordering tot betaling van de koopprijs die door de cessionaris tegen de consument is ingesteld. Dit volgt uit de prejudiciële beslissing in HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677 (Informatieplichten I).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 Dat de vordering haar grondslag vindt in de koopovereenkomst, staat er uiteraard niet aan in de weg dat (wanneer de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW niet opgaat) in de in 7.5.2 bedoelde variant tevens de bepalingen over consumentenkrediet van toepassing zijn op de rechtsverhouding tussen Arvato en de consument. Omdat de kredietovereenkomst niet de grondslag vormt voor de vordering van Arvato ten aanzien van de hoofdsom (de koopprijs), betekent vernietiging van de kredietovereenkomst in een geval als het onderhavige niet dat een ongedaanmakingsverplichting met betrekking tot (een gedeelte van) de hoofdsom (de koopprijs) ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Nu zich in deze zaak niet de situatie voordoet dat de vordering tot betaling van de hoofdsom haar grondslag vindt in de kredietovereenkomst, behoeven de vragen XVII-XX geen verdere bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 De kantonrechter werpt zijdelings nog de vraag op of de leverancier op de voet van artikel 118 Rv moet worden opgeroepen in het geding tussen Arvato en de consument (rov. 4.28 TV I). Daarvan is in geen sprake wanneer de cessionaris een vordering tot betaling van de koopprijs tegen de consument instelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3:51 lid 2 BW bepaalt dat een vordering tot vernietiging van een rechtshandeling moet worden ingesteld tegen allen die partij zijn bij die rechtshandeling. Dit was misgegaan in de zaak die werd beoordeeld in HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177. Daarin sprake was van een koopovereenkomst met twee kopers en de verkoper had slechts één van de kopers gedagvaard. Daarom moest de andere koper alsnog in het geding worden opgeroepen. In gevallen als het onderhavige zijn er slechts twee partijen bij de koopovereenkomst, de webwinkel en de consument. Meer in het algemeen geldt mijns inziens dat de omstandigheid dat de kredietovereenkomst met de koopovereenkomst is gelieerd of daarmee samenhangt, als zodanig niet meebrengt dat zij een processueel ondeelbare rechtsverhouding vormen tussen verkoper, kredietgever en consument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is tot op zekere hoogte wenselijk dat de lotgevallen van de ene overeenkomst gevolgen (kunnen) hebben voor de andere overeenkomst, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de artikelen 7:67, 7:96 en 7:99 BW. Het is echter niet noodzakelijk in de zin van de rechtspraak over processueel ondeelbare rechtsverhoudingen. Dat zijn rechtsverhoudingen waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen. De noodzaak ziet er meer specifiek op dat de beslissing jegens alle betrokkenen bij de rechtsverhouding in zelfde zin luidt om te voorkomen dat tussen hen ‘een rechtens in beginsel onhanteerbare situatie’ zou ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording van vragen XVII-XX 7.11 Nu de situatie dat de vordering tot betaling van de hoofdsom haar grondslag vindt in de kredietovereenkomst zich in deze zaak niet voordoet, behoeven de vragen XVII-XX geen beantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag XIII: ‘geruime tijd’ in de zin van artikel 7:60 BW 7.12 De kantonrechter overweegt dat in gevallen als het onderhavige de consument, na een keuze te hebben gemaakt voor een bepaald product, vrijwel onmiddellijk de aankoop zal voltooien en zal doorgaan naar de (digitale) kassa om te betalen. Daarom zal zelden enige tijd – laat staan een dag − zijn gelegen tussen de informatieverstrekking op de voet van artikel 7:60 BW en het sluiten van de overeenkomst. Anderzijds kan worden betoogd dat het de consument vrijstond om langer na te denken over de te sluiten kredietovereenkomst maar dat hij er zelf voor heeft gekozen direct tot sluiting over te gaan (rov. 4.23 TV I). Tegen deze achtergrond stelt de kantonrechter vraag XIII.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13 Artikel 7:60 lid 1 BW bepaalt dat de kredietgever of, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, de consument geruime tijd voordat deze door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, de in de artikelen 5 en 6 van de Richtlijn voorgeschreven precontractuele informatie, op de in die artikelen voorgeschreven wijze, verstrekt. Dit is een omzetting van artikel 5 en 6 van de Richtlijn consumentenkrediet. Artikel 5 van de Richtlijn luidt: “Geruime tijd voordat de consument door een kredietovereenkomst of een aanbod wordt gebonden, verstrekt de kredietgever en, in voorkomend geval, de kredietbemiddelaar, op basis van de door de kredietgever aangeboden kredietvoorwaarden en, in voorkomend geval, de door de consument kenbaar gemaakte voorkeur en verstrekte informatie, de consument de nodige informatie om verschillende aanbiedingen te kunnen vergelijken en zo een geïnformeerd besluit te kunnen nemen over het sluiten van een kredietovereenkomst. Die informatie wordt, op papier of op een andere duurzame drager, verstrekt overeenkomstig het formulier „Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet” in bijlage II. De kredietgever wordt geacht te hebben voldaan aan de voorschriften van dit lid en van artikel 3, leden 1 en 2, van Richtlijn 2002/65/EG wanneer hij de Europese standaardinformatie inzake consumentenkrediet heeft verstrekt. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">De informatie wordt verstrekt door middel van het zogenaamde ESIC-formulier. Artikel 5 lid 2 Richtlijn beperkt de omvang van de te verstrekken informatie bij telefonisch gesloten overeenkomsten. Artikel 5 lid 3 Richtlijn laat toe dat het ESIC-formulier achteraf wordt verstrekt indien de overeenkomst op verzoek van de consument gesloten is met gebruikmaking van een middel voor communicatie op afstand dat informatieverstrekking overeenkomstig lid 1 niet mogelijk maakt. Deze leden zijn omgezet in artikel 4:33 Wft in verbinding met artikel 112 lid 5 Bgfo. Artikel 6 Richtlijn bevat een vergelijkbare bepaling als artikel 5 ten aanzien van de bijzondere vormen van krediet als bedoeld in artikel 2, leden 3, 5 en 6 van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14.1 Het begrip ‘geruime tijd’ wordt thans niet nader omschreven in de Richtlijn consumentenkrediet. Wel vermeldt de considerans onder 19: “Opdat consumenten met kennis van zaken kunnen beslissen, moeten zij vóór het sluiten van de kredietovereenkomst de nodige informatie krijgen over de kredietvoorwaarden, de kredietkosten en zijn verplichtingen, die zij mogen meenemen en nader bestuderen. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14.2 Uit de parlementaire geschiedenis van de omzettingswetgeving blijkt dat artikel 7:60 lid 1 BW ertoe strekt dat de consument goed geïnformeerd een besluit kan nemen over het aangaan van de kredietovereenkomst. In het licht van deze strekking hangt de invulling van het begrip ‘geruime tijd’ af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de mate van ingewikkeldheid van de aangeboden kredietovereenkomst. De memorie van toelichting vermeldt: “Wanneer sprake is van geruime tijd voorafgaand aan de totstandkoming van de overeenkomst kan van geval tot geval verschillen. Doel is dat de consument goed geïnformeerd een besluit kan nemen over het aangaan van de kredietovereenkomst. De consument dient daarom voldoende tijd te hebben om de verstrekte informatie te doorgronden en desgewenst op basis van de verstrekte informatie verschillende aanbiedingen te vergelijken. Van de gemiddelde consument kan in redelijkheid niet verwacht worden dat hij binnen tien minuten de verstrekte informatie bestudeert en tot een afgewogen oordeel komt. Terwijl een termijn van een aantal dagen vrijwel altijd genoeg zal zijn.” en de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer vermeldt: “Wel kan worden gezegd dat de vraag wat als een «geruime tijd» kan gelden, afhangt van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de mate van ingewikkeldheid van de aangeboden kredietovereenkomst die de consument moet bestuderen en eventueel vergelijken met andere aangeboden kredietovereenkomsten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.15 In haar voorstel voor herziening van de Richtlijn consumentenkrediet stelt de Europese Commissie voor om uit te gaan van een termijn van een dag, maar met een uitzonderingsmogelijkheid (artikel 10 lid 1): “Dergelijke precontractuele informatie wordt ten minste één dag voordat de consument door een kredietovereenkomst of -aanbieding (…) aan de consument verstrekt. Indien de in de eerste alinea bedoelde precontractuele informatie minder dan één dag voordat de consument door de kredietovereenkomst of de kredietaanbieding (…) gebonden is, wordt verstrekt, eisen de lidstaten dat de kredietgever (…) de consument, op papier of een andere duurzame drager, herinneren aan de mogelijkheid om de kredietovereenkomst (…) te herroepen en aan de voor herroeping te volgen procedure, overeenkomstig artikel 26. Die herinnering wordt uiterlijk één dag na het sluiten van de kredietovereenkomst (…) of het aanvaarden van de kredietaanbieding aan de consument bezorgd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De considerans onder 30 bij dit voorstel vermeldt: “Opdat consumenten met kennis van zaken zouden kunnen beslissen, moeten zij ten minste één dag vóór het sluiten van de kredietovereenkomst (…) de nodige informatie krijgen over de kredietvoorwaarden, de kredietkosten en hun verplichtingen. Zij moeten deze informatie in alle rust en wanneer het hen uitkomt, nader kunnen bestuderen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In haar Algemene oriëntatie stelt de Raad van de Europese Unie voor om in artikel 10 en de considerans de bewoording ‘geruime tijd’ te handhaven. De verantwoordelijke commissie van het Europees Parlement stelt voor om te bepalen dat de informatie “tijdig, maar niet korter dan drie uur” voordat de consument gebonden is, wordt verstrekt. Het is dus thans onduidelijk wat de herziene richtlijn op dit punt zal gaan inhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.16 Gezien de vele soorten kredietovereenkomsten is het naar mijn mening niet mogelijk om in het algemeen een ondergrens te formuleren voor het begrip ‘geruime tijd’. De door het hof Arnhem-Leeuwarden beoordeelde zaak waarnaar de kantonrechter verwijst, betrof een lening van € 49.000 bij de Voorschotbank, die mede diende ter aflossing van twee eerdere leningen. In die zaak oordeelde het hof dat het op de dag van de totstandkoming van de kredietovereenkomst overhandigen van het ESIC-formulier niet geruime tijd voor het sluiten van de kredietovereenkomst was. Deze situatie verschilt aanzienlijk van de situaties waarop vraag XIII betrekking heeft en waarin de consument de keuze wordt geboden tussen onmiddellijke betaling en uitstel van betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.17 Het is denk ik van belang dat de consument die kiest voor achterafbetaling zich realiseert dat sprake is van kredietverlening en dat hij daarvoor – gezien de veronderstelling waarop vraag XIII berust – méér dan onbetekenende kosten verschuldigd is. Indien onder die omstandigheden de consument op grond van de aangeboden informatie goed geïnformeerd een besluit kan nemen over het aangaan van de kredietovereenkomst, en daarbij zelf kan bepalen op welk moment hij gebonden is, lijkt de enkele omstandigheid dat de consument zich daarvoor weinig tijd gunt onvoldoende voor de conclusie dat niet aan het voorschrift van artikel 7:60 lid 1 BW is voldaan. De algemene opmerking in de parlementaire geschiedenis dat van de gemiddelde consument in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij binnen tien minuten de verstrekte informatie bestudeert en tot een afgewogen oordeel komt, doet daaraan naar mijn mening niet af (zoals ook Arvato s.o. nr. 4.71 opmerkt), nu niet blijkt dat daarbij mede in beginsel overzichtelijke gevallen van achterafbetaling onder ogen zijn gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording van vraag XIII 7.18 Het antwoord op vraag XIII luidt als volgt. De rechter dient in het licht van de omstandigheden van het geval te beoordelen of de in artikel 7:60 lid 1 BW bedoelde precontractuele informatie ‘geruime tijd’ voor het sluiten van de kredietovereenkomst is verstrekt. De in vraag XIII bedoelde omstandigheden – waarin de consument, na een keuze te hebben gemaakt voor een bepaald product, vrijwel onmiddellijk de aankoop zal voltooien en zal doorgaan naar de (digitale) kassa om te betalen, en waarin zelden enige tijd zal zijn gelegen tussen de informatieverstrekking op de voet van artikel 7:60 BW en het sluiten van de overeenkomst – dwingen de rechter niet tot het oordeel dat de in artikel 7:60 lid 1 BW bedoelde precontractuele informatie niet ‘geruime tijd’ voor het sluiten van de kredietovereenkomst is verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vraag XIV: de kredietwaardigheidstoets 7.19 Voor zover vraag XIV ertoe strekt in het algemeen te vernemen of de rechter ambtshalve dient te toetsen aan de bepalingen van de Wft en het Bgfo, leent zij zich naar mijn mening niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. Ik vat vraag XIV aldus op, dat zij ertoe strekt te vernemen of de civiele rechter ambtshalve dient te toetsen of de kredietgever de kredietwaardigheidstoets als bedoeld in artikel 4:34 lid 1 Wft heeft uitgevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.20 De kredietwaardigheidstoets is bekend in het civiele recht, het toezichtrecht en het Unierecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.21 Op banken en andere professionele kredietaanbieders rust civielrechtelijk een bijzondere zorgplicht waarvan de reikwijdte afhangt van de omstandigheden van het geval. De civielrechtelijke zorgplicht van de kredietaanbieder kan verder reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving of in zelfregulering zijn neergelegd. De bijzondere zorgplicht brengt onder meer mee dat de kredietaanbieder voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst tot hypothecair krediet met een consument, inlichtingen dient in te winnen over diens inkomens- en vermogenspositie teneinde overkreditering te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22.1 In artikel 28 (oud) Wck (Stb. 1990, 395) was bepaald dat de kredietgever onder omstandigheden diende te beschikken over genoegzame inlichtingen aangaande de kredietwaardigheid van degene voor wie het krediet werd aangevraagd. Regels over overkreditering zijn vervolgens opgenomen in artikel 51 Wet financiële dienstverlening (Wfd) en, nadien, artikel 4:34 Wft. Artikel 4:34 Wft is nadien gaan dienen als implementatie van de in artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet voorgeschreven kredietwaardigheidstoets. Artikel 4:34 Wft is uitgewerkt in de artikelen 113 en 114 Bgfo.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22.2 Uit de prejudiciële beslissing inzake Hoist Finance blijkt dat artikel 114 Bgfo moet worden gezien als een uitwerking van artikel 4:34 lid 1 Wft en dat artikel 113 Bgfo moet worden gezien als een uitwerking van artikel 4:34 lid 2 Wft: “3.1.6 Art. 4:32 lid 1 Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) schrijft voor dat een aanbieder van krediet deelneemt aan een stelsel van kredietregistratie. Art. 4:34 lid 1 Wft bevat een zorgplicht ter voorkoming van overkreditering en verplicht een aanbieder van krediet in het belang van de consument informatie in te winnen over diens financiële positie en te beoordelen of de kredietverlening verantwoord is. De uit dit artikel voortvloeiende zorgplicht is nader uitgewerkt in art. 114 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: BGfo). Daarin is bepaald dat een aanbieder van krediet, voorafgaand aan het verstrekken van een krediet van meer dan € 250,-- het stelsel van kredietregistratie moet raadplegen over reeds aan de consument verleende kredieten. Art. 4:34 lid 2 Wft bepaalt, kort gezegd, dat een kredietaanbieder geen krediet verstrekt indien dit, met het oog op overkreditering van de consument, onverantwoord is. Deze weigeringsplicht is nader uitgewerkt in art. 113 lid 1 BGfo. Daarin is bepaald dat een aanbieder van krediet aan een consument geen krediet verstrekt van meer dan € 1.000,-- indien de aanbieder niet beschikt over voldoende informatie over de financiële positie van de consument om, ter voorkoming van overkreditering, te kunnen beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22.3 Op grond van artikel 4:34 Wft komt het erop aan of kredietverlening met het oog op (de voorkoming van) overkreditering van de consument ‘verantwoord’ is. Deze norm is niet nader ingevuld in de Wft of het Bgfo. Wel zijn er leennormen voor verantwoorde kredietverstrekking, neergelegd in gedragscodes van brancheorganisaties, zoals de Gedragscode Consumptief krediet van de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en de VFN-gedragscode van de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (VFN). De AFM beschouwt deze leennormen als een minimale invulling van de open norm, zodat een afwijkende invulling hiervan, bijvoorbeeld door een kredietaanbieder die niet bij de NVB of de VFN is aangesloten, dezelfde zichtbare bescherming moet bieden tegen overkreditering.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.23 De plicht om te waken tegen overkreditering is opgenomen in artikel 8 van de Richtlijn consumentenkrediet. Artikel 8 lid 1 luidt: “De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument voor het sluiten van de kredietovereenkomst beoordeelt op basis van toereikende informatie die, in voorkomend geval, is verkregen van de consument en, waar nodig, op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand. Lidstaten van wie de wetgeving van kredietgevers vereist dat zij de kredietwaardigheid van consumenten op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand beoordelen, kunnen dit vereiste behouden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de considerans van de richtlijn wordt deze verplichting als volgt toegelicht: “(26) (…) In de zich uitbreidende kredietmarkt is het met name belangrijk dat kredietgevers zich niet inlaten met onverantwoordelijke leningpraktijken of kredieten toestaan zonder de kredietwaardigheid vooraf te hebben beoordeeld, en de lidstaten moeten het nodige toezicht uitvoeren om dergelijk gedrag te vermijden en de noodzakelijke middelen bepalen om de kredietgever te sanctioneren wanneer dat toch het geval is. Onverminderd de kredietrisicobepalingen van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen moeten kredietgevers de verantwoordelijkheid hebben om de kredietwaardigheid van elke consument te beoordelen. Daartoe zouden zij de mogelijkheid moeten hebben om gebruik te maken van informatie die door de consument is verstrekt, niet alleen bij de voorbereiding van de betrokken kredietovereenkomst, maar ook in de loop van een reeds lang bestaande commerciële relatie. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">En verder: “(28) Om de krediettoestand van een consument te beoordelen, dient de kredietgever ook de relevante gegevensbestanden te raadplegen; de wettelijke en feitelijke omstandigheden kunnen vereisen dat die raadpleging in wisselende mate plaatsvindt. Ter voorkoming van concurrentieverstoringen moeten kredietgevers toegang hebben tot private of publieke gegevensbestanden over consumenten in een lidstaat waar zij niet gevestigd zijn, onder voorwaarden die niet discriminerend zijn ten opzichte van kredietgevers in die lidstaat.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.24 Uit het arrest OPR-Finance van het HvJEU volgt dat de rechter ambtshalve moet toetsen of de kredietgever aan artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet heeft voldaan en daaraan ambtshalve de gevolgen moet verbinden die het nationale recht daaraan verbindt: “46 Gelet op al het voorgaande moet op de prejudiciële vragen worden geantwoord dat de artikelen 8 en 23 van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat zij een nationale rechter verplichten om ambtshalve te onderzoeken of de uit dat artikel 8 voortvloeiende precontractuele verplichting voor de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen is nagekomen, en om aan de niet-nakoming van die verplichting de consequenties te verbinden die naar nationaal recht daaruit voortvloeien, op voorwaarde dat de sancties voldoen aan de vereisten van voornoemd artikel 23. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 23 Richtlijn consumentenkrediet vereist dat de door het nationale recht te bepalen sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.25 Het arrest OPR-Finance betrof een procedure waarin de kredietgever aanspraak maakte op terugbetaling van het krediet door de consument, dus een geding tussen twee ‘particulieren’ in de zin van het Unierecht. Volgens Biemans is onduidelijk, althans volgt niet uit de parlementaire geschiedenis, waarom artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet uitsluitend in artikel 4:34 Wft en niet ook in het BW is omgezet. Wat hier verder ook van zij, de keuze voor omzetting van artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet in de Wft impliceert naar mijn mening niet dat de civiele rechter niet gehouden is om het in het arrest OPR-Finance bedoelde ambtshalve onderzoek te verrichten in een procedure waarin de kredietgever de consument aanspreekt tot betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.26 De kantonrechter vermeldt dat over het algemeen tot uitgangspunt wordt genomen dat in geval van schending van de (pre-)contractuele informatieplichten of in geval van het niet-uitvoeren van de kredietwaardigheidstoets de kredietovereenkomst ambtshalve vernietigd kan of moet worden (rov. 4.25 TV I). De kantonrechter stelt hierover geen vraag. Ik herinner eraan dat bij de bespreking van de vragen XVII-XX is geconcludeerd dat in gevallen als het onderhavige de vordering tot betaling van de hoofdsom (de koopprijs) is gebaseerd op de koopovereenkomst (zie hiervoor in 7.8). De kredietovereenkomst is hier beperkt tot het verlenen van uitstel van betaling van de koopprijs tegen − naar thans wordt verondersteld (zie hiervoor in 7.1) − niet onbetekenende kosten. Vernietiging van deze kredietovereenkomst, laat de koopovereenkomst onverlet. Vernietiging van de kredietovereenkomst leidt dan ook niet tot het ontstaan van een verbintenis tot terugbetaling van (een gedeelte van de hoofdsom (de koopprijs) aan de consument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording van vraag XIV 7.27 Het antwoord op vraag XIV luidt als volgt. De rechter is in civiele procedures verplicht om ambtshalve te onderzoeken of de uit artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet voortvloeiende precontractuele verplichting voor de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen, die is omgezet in artikel 4:34 lid 1 Wft, is nagekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vragen XV-XVI: beoordeling of de kredietwaardigheidstoets is uitgevoerd 7.28 Voor het geval het antwoord op vraag XIV bevestigend luidt, luidt vraag XV of de verplichting van artikel 113 lid 1 Bgfo ook geldt voor kredieten van minder dan € 1.000. Het gaat hier om de verplichting om de kredietwaardigheid te toetsen aan de hand van schriftelijke stukken (zie rov. 4.24, derde alinea, TV I). De vraag strekt ertoe, zo begrijp ik, te vernemen (i) of de rechter ambtshalve aan artikel 113 Bgfo dient te toetsen en (ii) of de rechter in het kader van de ambtshalve toetsing aan artikel 8 Richtlijn ook bij een krediet van € 1.000 of minder moet beoordelen of de kredietgever bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidstoets is afgegaan op schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument (zie rov. 4.24, eerste tot en met vijfde alinea, TV I).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.29 Voor het geval naleving van (naar ik begrijp:) artikel 113 Bgfo in civiele procedures (ambtshalve) moet worden getoetst (zie rov. 4.24, zesde alinea, TV I), strekt vraag XVI ertoe te vernemen of de kredietgever de in artikel 113 Bgfo bedoelde stukken of gegevensdragers in het geding moet brengen, welke sanctie op het niet in het geding brengen van die gegevens staat en of de rechter de beoordeling van de kredietwaardigheidstoets door de kredietgever moet overdoen dan wel kan volstaan met een meer marginale toetsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.30.1 Artikel 113 lid 1 Bgfo bepaalt: ‘Een aanbieder van krediet gaat met een consument geen overeenkomst inzake krediet aan waarvan het totale kredietbedrag meer dan € 1000 bedraagt, indien hij niet beschikt over voldoende schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument om, ter voorkoming van overkreditering, te kunnen beoordelen of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledigheidshalve vermeld ik ook artikel 114 Bgfo, dat net als artikel 113 Bgfo een wettelijke grondslag vindt in artikel 4:34 lid 3 Wft: ‘Alvorens met een consument een overeenkomst inzake krediet aan te gaan waarvan het totale kredietbedrag meer dan € 250 bedraagt, raadpleegt een aanbieder van krediet de bij het stelsel van kredietregistratie waaraan hij deelneemt geregistreerde gegevens over reeds aan de consument verleende kredieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.30.2 De financiële grens in artikel 113 lid 1 Bgfo is − via de tussenstap van het op artikel 51 Wfd gebaseerde artikel 59 Besluit financiële dienstverlening (Bfd) − te herleiden tot artikel 28 lid 1 Wck. Artikel 28 lid 1 Wck verbood de kredietgever deel te nemen aan een krediettransactie waarvan de kredietsom meer dan fl. 2.000 bedraagt, zonder te beschikken over genoegzame, andere dan mondelinge, inlichtingen aangaande de kredietwaardigheid van degene, voor wie het krediet wordt aangevraagd. Het hanteren van de grens van fl. 2.000 is destijds in de memorie van toelichting als volgt toegelicht: “Bij kleinere kredieten zou dit een onevenredig zwaar voorschrift inhouden, dat in het algemeen ook niet nodig zou zijn.” Bij de invoering van de Wfd en later de Wft, alsmede bij de omzetting van artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet in de Wft – waarmee de Nederlandse praktijk op dit punt niet zou wijzigen − is deze grens gehandhaafd, afgezien van een omrekening, rekening houdend met enige inflatiecorrectie, van het guldenbedrag naar een bedrag van € 1.000. Ook de aan deze grens ten grondslag liggende gedachte is kennelijk gehandhaafd. Artikel 114 Bgfo is − via de tussenstap van artikel 60 Bfd – te herleiden tot artikel 28 lid 2 Wck, dat aanvankelijk ook een grens van fl. 2.000 hanteerde. Bij de invoering van de Wfd is de drempel verlaagd naar € 250. De minister van Financiën heeft aangekondigd de financiële grens in artikel 113 lid 1 Bgfo ook naar € 250 te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.31 Voor zover, in de eerste plaats, in vraag XV ligt besloten of de civiele rechter ambtshalve moet toetsen of de kredietgever heeft voldaan aan artikel 113 Bgfo, geldt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.32.1 Vraag XV brengt de financiële grens van artikel 113 Bgfo in verband met artikel 4:34 lid 1 Wft en de verplichting van de rechter om ambtshalve te onderzoeken of de kredietgever heeft voldaan aan zijn verplichting uit artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet. Artikel 113 Bgfo is echter geen uitwerking van artikel 4:34 lid 1 Wft, maar van de in artikel 4:34 lid 2 Wft bedoelde weigeringsplicht (zie de hiervoor in 7.22.2 geciteerde prejudiciële beslissing in de zaak Hoist Finance).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.32.2 Deze weigeringsplicht is geen omzetting van een bepaling van de Richtlijn consumentenkrediet. In dit verband wijs ik op de uitspraak Schyns/Belfius, waarin het HvJEU heeft overwogen dat de vaststelling van de verplichtingen die aan de kredietgever kunnen worden opgelegd na de controle van de kredietwaardigheid, niet binnen de werkingssfeer van de Richtlijn vallen: “42 Opgemerkt dient te worden dat richtlijn 2008/48 geen enkele bepaling bevat over de wijze waarop de kredietgever zich dient te gedragen in geval van twijfel aan de kredietwaardigheid van de consument.</p>\n<p class=\"lf-p\">43 In dit verband zijn de lidstaten, zoals de advocaat-generaal in punt 71 van haar conclusie heeft opgemerkt, nog steeds bevoegd om – voor de kredietovereenkomsten waarop richtlijn 2008/48 van toepassing is – de verplichtingen vast te stellen die aan de kredietgever kunnen worden opgelegd na de controle van de kredietwaardigheid, zodat die vaststelling niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">44 Weliswaar harmoniseert richtlijn 2008/48 – zoals in punt 29 van dit arrest in herinnering is gebracht – slechts bepaalde aspecten van de voorschriften van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten, maar volgens overweging 44 van die richtlijn dienen de lidstaten de nodige maatregelen te treffen met het oog op de regulering van en het toezicht op kredietgevers, teneinde voor transparantie en stabiliteit op de markt te zorgen, en in afwachting van verdere harmonisatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">45 Het is dan ook niet in strijd met het doel van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 dat aan de verplichting van de kredietgever om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen een rechtsgevolg wordt verbonden met betrekking tot de wijze waarop de kredietgever zich dient te gedragen in geval van een negatieve beoordeling. In overweging 26 van die richtlijn wordt immers de doelstelling herhaald die erin bestaat kredietgevers verantwoordelijk te maken en te ontmoedigen om er onverantwoordelijke leningpraktijken op na te houden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De Richtlijn consumentenkrediet laat een bepaling als artikel 4:34 lid 2 Wft dus wel toe, maar de vaststelling van een dergelijke bepaling valt niet binnen de werkingssfeer van die richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.32.3 Tegen deze achtergrond is er naar mijn mening onvoldoende grondslag voor de conclusie dat de civiele rechter ambtshalve zou moeten toetsen of door een kredietaanbieder is voldaan aan artikel 113 lid 1 Bgfo.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.33 Nu vraag XVI wordt gesteld voor het geval naleving van artikel 113 Bgfo in civiele procedures (ambtshalve) moet worden getoetst, volgt uit het voorgaande dat deze vraag geen beantwoording behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.34 Voor zover, in de tweede plaats, in vraag XV ligt besloten of de rechter in het kader van de ambtshalve toetsing aan artikel 8 Richtlijn ook bij een krediet van € 1.000 of minder moet beoordelen of de kredietgever bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidstoets is afgegaan op schriftelijke of op een andere duurzame drager vastgelegde informatie aangaande de financiële positie van de consument, geldt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.35 De vraag over welke informatie de kredietgever moet beschikken bij het uitvoeren van de kredietwaardigheidstoets is aan de orde gekomen in het arrest CA Consumer Finance/Bakkaus c.s. van het HvJEU.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.36 Uit dit arrest volgt in de eerste plaats dat de Richtlijn consumentenkrediet zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling volgens welke de bewijslast betreffende de niet-nakoming van (onder meer) de bij artikel 8 Richtlijn opgelegde verplichtingen op de consument rust (punt 32). Lock leidt hieruit af dat de rechter ambtshalve moet onderzoeken of de kredietverstrekker heeft voldaan aan zijn uit die richtlijn voortvloeiende (pre)contractuele informatieverplichtingen heeft voldaan en daartoe zo nodig instructiemaatregelen moeten treffen. Het is volgens Lock aan de kredietverstrekker om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat hij in dit opzicht aan zijn verplichtingen heeft voldaan, ook als de consument zich er niet op beroept dat de kredietverstrekker niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Het ambtshalve onderzoek zal in verstekzaken plaats vinden aan de hand van de dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.37.1 Aan het HvJEU was voorts de vraag voorgelegd of artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet zich ertegen verzet dat de kredietwaardigheid van de consument uitsluitend aan de hand van door deze laatste verstrekte inlichtingen wordt beoordeeld, zonder dat die inlichtingen daadwerkelijk worden getoetst aan andere gegevens. Het hof beantwoordde deze vraag ontkennend: “34 Luidens artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 moet de kredietgever – vóór het sluiten van de kredietovereenkomst – de kredietwaardigheid van de consument beoordelen op basis van toereikende informatie die, in voorkomend geval, is verkregen van de consument, en – waar nodig – op basis van een raadpleging van het desbetreffende gegevensbestand.</p>\n<p class=\"lf-p\">35 In punt 26 van de considerans van deze richtlijn wordt dienaangaande gepreciseerd dat kredietgevers de verantwoordelijkheid moeten hebben om de kredietwaardigheid van elke consument te beoordelen per geval, en dat zij daartoe de mogelijkheid zouden moeten hebben om gebruik te maken van informatie die door de consument is verstrekt, niet alleen bij de voorbereiding van de betrokken kredietovereenkomst, maar ook in de loop van een reeds lang bestaande commerciële relatie. Deze verplichting strekt er dus toe de kredietgevers een verantwoordelijkheidsbesef bij te brengen en te voorkomen dat leningen worden verleend aan consumenten die niet kredietwaardig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">36 Richtlijn 2008/48 bevat geen uitputtende regeling betreffende de inlichtingen op basis waarvan de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument dient te beoordelen en geeft evenmin aan of deze inlichtingen moeten worden gecontroleerd en hoe dat dient te gebeuren. Uit de bewoordingen van artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen tegen de achtergrond van punt 26 van de considerans van deze richtlijn, blijkt daarentegen dat de kredietgever een beoordelingsmarge wordt gelaten om te beslissen of de informatie waarover hij beschikt, volstaat om de kredietwaardigheid van de kandidaat-kredietnemer te bevestigen en of hij deze moet natrekken aan de hand van andere gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">37 Hieruit volgt dat de kredietgever in de eerste plaats per geval – rekening houdend met de specifieke omstandigheden daarvan – moet nagaan of die informatie passend en toereikend is ter beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument. Of deze informatie toereikend is, kan in dit verband verschillen naargelang de omstandigheden waarin de kredietovereenkomst wordt gesloten, de persoonlijke situatie van de consument of het bedrag waarop de overeenkomst betrekking heeft. Deze beoordeling kan worden verricht aan de hand van bewijsstukken van de financiële situatie van de consument, maar het is niet uitgesloten dat de kredietgever al vooraf kennis heeft van de financiële situatie van de kandidaat-kredietnemer en daarmee rekening houdt. Gewone, niet-gestaafde verklaringen van de consument kunnen echter niet als toereikend worden aangemerkt indien zij niet vergezeld gaan van bewijsstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">38 In de tweede plaats legt richtlijn 2008/48, onverminderd de tweede volzin van artikel 8, lid 1, ervan waarin is bepaald dat de lidstaten in hun wetgeving het vereiste kunnen behouden dat kredietgevers een gegevensbestand raadplegen, de kredietgevers niet de verplichting op om de waarachtigheid van de door de consument verstrekte informatie systematisch te controleren. Naargelang de specifieke omstandigheden van elk geval kan de kredietgever ofwel genoegen nemen met de informatie die hem door de consument is verstrekt, ofwel oordelen dat bevestiging van deze informatie dient te worden verkregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">39 Gelet op het voorgaande moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 8, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het er zich enerzijds niet tegen verzet dat de kredietwaardigheid van de consument enkel op basis van door deze laatste verstrekte informatie wordt beoordeeld, mits het om toereikende informatie gaat en gewone verklaringen van de consument vergezeld gaan van bewijsstukken, en het anderzijds de kredietgever niet de verplichting oplegt om de door de consument verstrekte informatie systematisch te controleren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.37.2 Uit (met name de punten 36-37 van) dit arrest blijkt (i) dat de Richtlijn consumentenkrediet geen uitputtende regeling bevat betreffende de inlichtingen op basis waarvan de kredietgever de kredietwaardigheid van de consument dient te beoordelen, (ii) dat de kredietgever een beoordelingsmarge wordt gelaten om te beslissen of de informatie waarover hij beschikt, volstaat, (iii) dat de vraag of de kredietgever beschikt over toereikende informatie om de kredietwaardigheid van de consument te kunnen beoordelen, kan afhangen van de omstandigheden waarin de kredietovereenkomst wordt gesloten waaronder het bedrag waarop de overeenkomst betrekking heeft en (iv) dat de kredietgever niet kan afgaan op gewone, niet-gestaafde verklaringen van de consument, als deze niet vergezeld gaan van bewijsstukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.38 Uit het arrest CA Consumer Finance/Bakkaus c.s. volgt dat verklaringen van de consument met bewijsstukken gestaafd moeten worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.39 Uit het arrest kan naar mijn mening niet worden afgeleid dat de kredietgever de kredietwaardigheidstoets in alle gevallen dient uit te voeren aan de hand van verklaringen van de consument. Die vraag was niet aan het HvJEU voorgelegd. De kredietgever heeft blijkens het arrest enige ruimte ten aanzien van de wijze waarop de kredietwaardigheidstoets dient te worden uitgevoerd. In dit verband kan ook worden gewezen op de considerans onder 28 (zie hiervoor in 7.23), waarin wordt overwogen dat de wettelijke en feitelijke omstandigheden kunnen vereisen dat die raadpleging van de relevante gegevensbestanden (lees: de BKR-toets) in wisselende mate plaatsvindt. De Richtlijn is voorts niet van toepassing op kredieten van minder dan € 200. Als een lidstaat gebruikmaakt van de mogelijkheid om ook deze kredieten onder de werking van de omzettingswetgeving te brengen, zoals Nederland heeft gedaan, dan kan de nationale wetgeving betrekking hebben op “een aantal of alle bepalingen van de richtlijn” (considerans onder 10). De Richtlijn consumentenkrediet laat dus ruimte voor de overweging die reeds aan artikel 28 Wck ten grondslag was gelegd, dat rekening kan worden gehouden met de lasten die voor de kredietgever verbonden kunnen zijn aan een bepaalde wijze van uitvoering van de kredietwaardigheidstoets.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.40.1 Onder verwijzing naar het arrest CA Consumer Finance/Bakkaus c.s. neemt het rapport Ambtshalve toetsing III van het LOVCK&amp;T (op p. 63) het volgende standpunt in: “De redactieraad meent dat de kredietgever met betrekking tot de kredietwaardigheidstoets in verstekzaken kan volstaan met de stelling dat deze toets is gedaan, met overlegging van de door de consument verstrekte informatie en bewijsstukken waaraan de kredietwaardigheid is getoetst.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.40.2 Arvato (s.o. nr. 4.103) betoogt daarentegen dat het oordeel in CA Consumer Finance/Bakkaus c.s. onverenigbaar is met de financiële grens van € 1000 in artikel 113 lid 1 Bgfo en dat deze bepaling niet richtlijnconform kan worden uitgelegd zodat deze bepaling onverkort dient te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.41.1 Naar ik meen, volgt uit het arrest CA Consumer Finance/Bakkaus c.s. niet dat de Richtlijn consumentenkrediet vereist dat de kredietwaardigheidstoets in alle gevallen wordt uitgevoerd aan de hand van met bewijsstukken gestaafde verklaringen van de consument. Dit arrest is daarom niet onverenigbaar met de financiële grens van artikel 113 Bgfo.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.41.2 De Richtlijn lijkt zich er echter niet tegen te verzetten dat, ook indien het krediet valt onder de financiële grens van artikel 113 Bgfo, de rechter bepaalde informatie vraagt teneinde te voldoen aan zijn verplichting van het arrest OPR-Finance om ambtshalve te toetsen of de kredietgever zijn verplichting van artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet (de kredietwaardigheidstoets) heeft nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.42.1 Bij dit ambtshalve onderzoek kan de rechter betekenis hechten aan de financiële grens van artikel 113 Bgfo, maar hij is daartoe naar mijn mening niet verplicht indien hij meent dat de kredietgever meer informatie dient te verschaffen teneinde hem in staat te stellen te voldoen aan zijn verplichting van het arrest OPR-Finance.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.42.2 Volgens vaste rechtspraak van het HvJEU vereist het beginsel van conforme uitlegging dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden, met inachtneming van het gehele interne recht en onder toepassing van de daarin erkende uitleggingsmethoden, al het mogelijke doet om de volle werking van de betrokken richtlijn te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling. Deze verplichting tot richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht wordt evenwel begrensd door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel, in die zin dat zij niet kan dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.42.3 De keuze van de Nederlandse wetgever om de kredietwaardigheidstoets om te zetten in het toezichtrecht (artikelen 4:34 Wft en 113-114 Bgfo) impliceert naar mijn mening niet dat de civiele rechter niet gehouden is om het in het arrest OPR-Finance bedoelde ambtshalve onderzoek te verrichten in een procedure waarin de kredietgever de consument aanspreekt tot betaling (zie hiervoor in 7.25). De civiele rechter dient dan in het gehele nationale recht te zoeken naar aanknopingspunten die hem in staat stellen om door middel van richtlijnconforme interpretatie de volle werking van de Richtlijn te verzekeren. Het Nederlandse recht houdt volgens de rechtspraak van de Hoge Raad in dat de civielrechtelijke zorgplicht van de kredietaanbieder verder kan reiken dan de gedragsregels die in publiekrechtelijke regelgeving zijn neergelegd. Hierin zou de civiele rechter een aanknopingspunt kunnen vinden voor het oordeel dat zijn nationale recht hem niet verhindert om, ook bij kredieten onder de financiële grens van artikel 113 Bgfo, aan de hand van door de kredietgever over te leggen informatie of stukken te onderzoeken of voldoende is komen vast te staan dat de kredietgever heeft voldaan aan zijn verplichting van artikel 8 Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.42.4 Voor het overige geldt mijns inziens, mutatis mutandis, wat de Hoge Raad heeft overwogen in zijn prejudiciële beslissing van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677 (Informatieplichten I), rov. 3.1.17. Dit betekent dat het aan de feitenrechter is overgelaten om te beoordelen of uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de kredietgever heeft voldaan aan de op hem rustende plicht om de kredietwaardigheid van de consument te toetsen, en dat het aan het beleid van de rechter is overgelaten of hij de eisende partij, als uit de overgelegde stukken niet blijkt dat daaraan is voldaan, nader in de gelegenheid stelt stukken ter staving daarvan in het geding te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beantwoording van vragen XV-XVI 7.43 Het antwoord op vraag XV luidt als volgt. De civiele rechter hoeft niet ambtshalve te toetsen of door een kredietaanbieder is voldaan aan artikel 113 lid 1 Bgfo. Het is aan de feitenrechter overgelaten om te beoordelen of uit de stellingen van partijen en uit de overgelegde stukken voldoende blijkt dat de kredietgever heeft voldaan aan de op hem rustende plicht om de kredietwaardigheid van de consument te toetsen.Vraag XVI behoeft geen beantwoording.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Conclusie De conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de gestelde prejudiciële vragen zal beantwoorden zoals aangegeven in de nrs. 5.17, 6.6, 6.17, 6.51, 6.59, 6.68, 6.69, 7.11, 7.18, 7.27 en 7.43 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Plv Zie in het algemeen bijvoorbeeld Commission Staff Working Document – Evaluation of Directive 2008/48/EC on credit agreement for consumers (SWD(2020) 254 final), p. 43-48, 70 en 96; EBA, Final Report on response to the non-bank lending request from the CfA on digital finance, 8 april 2022, p. 41-43; The Woolard Review - A review of change and innovation in the unsecured credit market, Report to the FCA Board, 2 februari 2021, hoofdstuk 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor minder dan het nominale bedrag. Zie de s.o. namens Arvato nr. 4.58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2012, 141 en 142.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierna in 4.13 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.E.J. Bracco Gartner, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:75 BW, aant. A.3 (actueel t/m 21-12-2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1991, 549 en 635 voor de originele regeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 1 Besluit wettelijke rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie laatstelijk het Besluit van 13 juni 2022 tot intrekking van het Besluit tijdelijke verlaging kredietvergoeding in verband met structurele verlaging van de kredietvergoeding, Stb. 2022, 243.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 442, nr. 3 (MvT), p. 21; Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/101; M.E.J. Bracco Gartner, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:75 BW, aant. A.4 en A.8 (actueel t/m 21-12-2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rb. Gelderland 1 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6428, JOR 2022/124 m.nt. J.M. van Poelgeest, rov. 2 voor de volledige weergave van de vastgestelde feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit bedrag bestaat uit de koopsommen (€ 37,97), de payment fee (€ 1), de rente tot 9 oktober 2020 (€ 1,23) en de incassokosten (€ 40).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 1 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6428, JOR 2022/124 m.nt. J.M. van Poelgeest, rov. 4.1 en 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 4 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2441.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de Richtlijn uiterlijk op 11 juni 2010 in nationale wetgeving moest zijn omgezet, is de Nederlandse implementatiewetgeving pas op 25 mei 2011 in werking getreden. Zie Stb. 2011, 246 en Stb. 2011, 247.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/53.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Richtlijn bevat een aantal uitzonderingen op het uitgangspunt van volledige harmonisatie, bijvoorbeeld ten aanzien van de uitzonderingsbepalingen in artikel 2 lid 2 van de Richtlijn. Zie punt 10 van de considerans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit zijn betaalkaarten waarbij aan de consument uitstel van betaling wordt verleend en transacties pas na afloop van de periode waarvoor een bestedingsruimte is vastgesteld worden geïncasseerd. Zie Kamerstukken II, 2009–2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 32. Bij een creditcard kan de aflossing daarentegen in termijnen geschieden. Vgl. Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de considerans onder 13: “Deze richtlijn mag niet gelden voor bepaalde soorten kredietovereenkomsten, zoals kredietkaarten met uitgestelde betaling (deferred debit cards), waarbij het krediet binnen drie maanden dient terugbetaald te worden en slechts onbeduidende kosten worden aangerekend.” Artikel 2 lid 2 onder f is echter niet beperkt tot deferred debit cards. Zie Kamerstukken II, 2009–2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2016, 260 en Stb. 2016, 438.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 12 en 31. Deze uitzondering is opgenomen in artikel 2 lid 2 onder c van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 442, nr. 3 (MvT), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 442, nr. 3 (MvT), p. 20; Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/64 en 126; M.H.P. Claassen &amp; J.L. Snijders, SDU Commentaar BW, art. 7:75 BW, aant. 3 (actueel t/m 01-08-2019); M.E.J. Bracco Gartner, GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:75 BW, aant. A3 (actueel t/m 21-12-2020); C.H.D.W. van den Borne-Verheijen, ‘Van Wet op het consumentenkrediet naar Burgerlijk Wetboek, FR 2017/1-2, par. 10; J.W.A. Biemans, Consumentenkrediet 2013/14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1986-1987, 19 785, nr. 3 (MvT), p. 71; Kamerstukken II, 2015-2016, 34 442, nr. 3 (MvT), p. 20. Artikel 1 onder a Wck bepaalde voor de omzetting van de Richtlijn uitdrukkelijk: “en dat ten minste een van de betalingen van de kredietnemer later plaatsvindt dan drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld, onderscheidenlijk nadat met het verschaffen van het genot van de zaak of het verlenen van de dienst een aanvang is gemaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 442, nr. 3 (MvT), p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover: HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1388, NJ 2020/320, en voorts van dezelfde datum ECLI:NL:HR:2022:1370 en ECLI:NL:HR:2022:1372 (beide afgedaan met art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in de artikelen 4 tot en met 7 van de Richtlijn opgenomen verplichtingen betreffende in reclame en in precontractuele informatie op te nemen standaardinformatie zijn dus geïmplementeerd in zowel titel 7.2A BW als in paragraaf 4.3.1.3 Wft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 5. Zie Stb. 2011, 247 voor het besluit van 25 mei 2011 houdende wijziging van het Bgfo in verband met de implementatie van de Richtlijn consumentenkrediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 6 lid 1 onder b Vrijstellingsregeling Wft bevat een vergelijkbare vrijstelling voor kredietbemiddelaars. Zie Stcrt. 2018, nr. 38961.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel voor een richtlijn betreffende consumentenkrediet, COM(2021) 347 final.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze problemen bijvoorbeeld Commission Staff Working Document – Evaluation of Directive 2008/48/EC on credit agreement for consumers (SWD(2020) 254 final), p. 43-48 en 70, over het toepassingsbereik van de Richtlijn, in het bijzonder ten aanzien van zogenaamde ‘zero-interest rate loans’. Zie over het toepassingsbereik van de Richtlijn tevens het Informatief rapport van het Europees Economisch en Sociaal Comité – INT/884 inzake evaluatie Richtlijn consumentenkrediet (4 juli 2019), par. 4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2020-2021, 22 112, nr. 3175, p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers aan de Raad van 7 juni 2022 betreffende de Algemene oriëntatie, 2021/0171(COD), p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene oriëntatie, goedgekeurd door de Raad concurrentievermogen op 9 juni 2022, 2021/0171(COD).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenkrediet van 5 september 2022, A9-0212/2022, 2021/0171(COD). Dit stuk wordt de inzet van de interinstitutione-le onderhandelingen; zie https://www.europarl.europa.eu/plenary/nl/infos-details.html?id=648&amp;type=priorityInfo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie N. van der Meer Mohr &amp; C.H.D.W. van den Borne-Verheijen, ‘Herziening van de richtlijn consumentenkrediet: touwtrekken over het toepassingsbereik van de consumentenbeschermingsregels?’, FR 2022, p. 300-310. Zie in het tekstvoorstel van de Raad van de Europese Unie de considerans onder 15 en artikel 2 lid 6a alsmede in het tekstvoorstel van de commissie van het Europees Parlement de considerans onder 15 en artikel 2 onder 6bis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De webwinkel is een ‘handelaar’ in afdeling 6.5.2B BW, een ‘verkoper’ in titel 7.1 BW en een ‘leverancier’ in titel 7.2A BW. Ik gebruik in deze conclusie in beginsel de term leverancier.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de namens Arvato en KBvG ingediende schriftelijke opmerkingen wordt de betekenis van het begrip ‘uitstel van betaling’ niet geproblematiseerd, maar ligt de focus op de uitzondering van artikel 7:58 lid 2 onder e BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 8 december 2016, ECLI:EU:C:2016:934, NJ 2017/362 (Verein für Konsumenteninformation/INKO), punten 30, 35 en 36. Vgl. ook de prejudiciële beslissing in HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1385, NJ 2015/477 m.nt. Jac. Hijma, rov. 3.4.2-3.4.3 (Gratis Telefoon I).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 7 titels 1, 7, 9 en 14 1991, p. 259.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afwijking ten nadele van de consument-koper is slechts mogelijk binnen de grenzen van artikel 7:26 lid 2, tweede volzin en artikel 7:6 lid 2 BW (onredelijk bezwarend is een beding in algemene voorwaarden dat voorziet in vooruitbetaling voor meer dan de helft door de consument-koper).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I, 2010-2011, 32 339, nr. C (MvA), p. 7; Kamerstukken I, 2010-2011, 32 339, nr. E (Nadere MvA), p. 6; Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 15 en 32-33. Zie ook Kamerstukken I, 2010-2011, 32 339, nr. C (MvA), p. 9-10, waaruit volgt dat iedere vorm van koop op afbetaling als krediet wordt aangemerkt. Zie voorts het citaat uit de nadere memorie van antwoord zoals hierna vermeld in 6.34.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In enige andere taalversies van artikel 2 lid 2 onder f: ‘has to be repaid’, ‘doit être remboursé’ en ‘zurückzuzahlen ist’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer in verschillende zaken waarin Arvato partij was: Rb. Noord-Holland 21 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:12760, rov. 2.6; Rb. Overijssel 18 mei 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:2104, rov. 3.3; Rb. Overijssel 25 mei 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4664, rov. 3.3; Rb. Amsterdam 29 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1304, rov. 16. Vgl. Rb. Noord-Holland 15 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:12759, rov. 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. van Poelgeest, ‘U mag wel iets later betalen’, FRP 2016/404, par. 1; dezelfde, JOR 2022/124, nr. 4; dezelfde, Kredietverstrekking aan consumenten, 2020, p. 19; N. Huppes, C.M.D.S. Pavillon &amp; T.L. Wildenbeest, ‘De fabel van het gratis mobieltje’, NTBR 2019/5, par. 3.3; J.W.A. Biemans, Consumentenkrediet, 2013, p. 14-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders KBvG s.o. nr. .3.38. De argumentatie aldaar betreft de kwestie die door de vragen VI-VIII wordt bestreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HvJEU 8 december 2016, ECLI:EU:C:2016:934, NJ 2017/362 (Verein für Konsumenteninformation/INKO), punten 44-49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in verband met de Richtlijn oneerlijke bedingen HvJEU 17 mei 2018, ECLI:EU:C:2018:320 (Karel de Grote-Hogeschool), punten 52 en 55; M.Y. Schaub, Onlineplatformen (Mon. Privaatrecht 19), 2020/23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 11 september 2019, ECLI:EU:C:2019:702, NJ 2020/219 (Lexitor), punt 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afbakening tussen consumenten die handelen en beroeps- of bedrijfsmatige handelaren kan buiten beschouwing blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJEU 11 september 2019, ECLI:EU:C:2019:702, NJ 2020/219 (Lexitor), punt 30: “De doeltreffendheid van het recht van de consument op verlaging van de totale kredietkosten zou echter worden afgezwakt als de verlaging ervan kon worden beperkt tot alleen de door de kredietgever als afhankelijk van de duur van de overeenkomst voorgestelde kosten, aangezien de kosten en de verdeling daarvan eenzijdig door de bank worden vastgesteld (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.m. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:405, NJ 2017/336 m.nt. A.L.M. Keirse, rov. 3.3.2-3.3.5; A.G. Castermans &amp; H.B. Krans, Samenloop (Mon. BW A21), 2019/3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de door KBvG voorgestelde beantwoording haar s.o. nrs. 3.35-3.37. Arvato heeft deze vraag in haar s.o. niet behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJEU 21 april 2016, ECLI:EU:C:2016:283, JOR 2016/238 (Radlinger), punt 85; HvJEU 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:582 (SIA Soho Group/Ptac), punt 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 8 december 2016, ECLI:EU:C:2016:934, NJ 2017/362 (Verein für Konsumenteninformation/INKO), punt 33-34, in navolging van de conclusie van A-G Sharpston, punt 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook Arvato s.o. nr. 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 3 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:104, JOR 2016/199 m.nt. J.M. van Poelgeest, rov. 3.3; CBb 7 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:363, JOR 2017/66 m.nt. C.H.D.W. van den Borne-Verheijen, rov. 4.1; CBb 3 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:49, rov. 6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Commission Staff Working Document – Guidelines on the application of Directive 2008/48/EC in relation to costs and the APR (SWD(2012) 128 final), p. 8. Zo ook J.M. van Poelgeest, Kredietverstrekking aan consumenten, 2020, p. 38-41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Sharpston van 21 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:584, NJ 2017/362 (Verein für Konsumenteninformation/INKO), punt 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ten aanzien van de vergelijkbare uitzondering van artikel 1:20 lid 1 onder e Wft: M.H.P. Claassen &amp; J.L. Snijders, noot onder Rb. Rotterdam 24 januari 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:379, JOR 2014/131, nr. 14 en A.L. Wissing, GS Toezicht Financiële Markten, art. 1:20 Wft, aant. 4.1.5.1 (actueel t/m 08-04-2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook Arvato s.o. nr. 4.37. Zie voorts KBvG s.o. nrs. 3.38-3.39 met een argumentatie die mede ziet op de vragen VI-VIII.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vragen III, VI, IX en X zijn toegespitst op het begrip ‘totale kosten van het krediet voor de consument’ van artikel 7:57 lid 1 onder g BW en de vragen IV en VII zijn toegespitst op het begrip ‘kosten’ in artikel 7:58 lid 2 onder e BW. De vragen V en VIII zien op beide begrippen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vormt de omzetting van artikel 3 onder i in verbinding met artikel 19 lid 2, tweede alinea, van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vormt de omzetting van artikel 19 lid 2, eerste alinea, van de Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:582 (SIA Soho Group/Ptac), punt 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 september 2020, ECLI:EU:C:2020:631 (Profi Credit Polska), punten 53-54. Zie tevens HvJEU 8 december 2016, ECLI:EU:C:2016:934, NJ 2017/362 (Verein für Konsumenteninformation/INKO), punt 35; HvJEU 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:582 (SIA Soho Group/Ptac), punt 31; HvJEU 26 maart 2020, ECLI:EU:2020:236 (Mikrokasa/XO), punt 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voorts HvJEU 11 september 2019, ECLI:EU:C:2019:702, NJ 2020/219 (Lexitor), punt 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:582 (SIA Soho Group/Ptac), punten 28-33.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 26 februari 2015, ECLI:EU:C:2015:127 (Matei/SC Volksbank Romania SA), punt 48. Zie ook Commission Staff Working Document – Guidelines on the application of Directive 2008/48/EC in relation to costs and the Annual Percentage Rate of charge, p. 15; Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2 onder g Richtlijn en artikel 7:57 lid 2 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts de opsomming in Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanhangsel Handelingen II, 2011-2012, nr. 644 (antwoord Minister van Financiën op vragen van het lid Blanksma-van den Heuvel); Aanhangsel Handelingen II, 2011-2012, nr. 827 (antwoord Minister van Financiën op vragen van het lid Karabulut).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:582 (SIA Soho Group/Ptac).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts Arvato s.o. nr. 4.42 en KBvG s.o. 3.41-3.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar de vragen spreken over vertragingsrente is daarmee de wettelijke rente bedoeld, omdat Arvato deze in rekening heeft gebracht (zie rov. 4.10 TV I).</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Sharpston van 21 juli 2016, ECLI:EU:C:2016:584, NJ 2017/362 (Verein für Konsumenteninformation/INKO), punt 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Commission Staff Working Document – Guidelines on the application of Directive 2008/48/EC in relation to costs and the Annual Percentage Rate of charge, p. 19: “Fees and charges incurred as a result of failure to comply with the terms of the agreement (e.g. late payment charges in the form of interest or penalties, charges for exceeding the credit limit, charges for returned payments, charges for collection of unpaid debts, charges for calls to pay amounts due or to fulfil other obligations, etc.).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter uitvoering van artikel 5 Richtlijn vermeldt het in Bijlage II bij de Richtlijn gegeven model ‘Europese Standaardinformatie inzake Consumentenkrediet’ in onderdeel ‘3. Kosten van het krediet’ onder het kopje ‘Daaraan verbonden kosten’ onder meer kosten in het geval van een betalingsachterstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie KBvG s.o. nrs. 3.11-3.12 en 3.21; J.M. van Poelgeest, noot bij Rb. Gelderland 1 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6428, JOR 2022/124, onder 7. Ook het argument – wat daar verder van zij – dat de consument ervoor kiest om niet te betalen, gaat niet op in het licht van arrest SIA Soho Group/Ptac.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 8 december 2016, ECLI:EU:C:2016:934, NJ 2017/362 (Verein für Konsumenteninformation/INKO), punten 15, 22-23 en 37-41.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 8 december 2016, ECLI:EU:C:2016:934, NJ 2017/362 (Verein für Konsumenteninformation/INKO), punt 36. Vgl. ook punt 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 27; Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/85; J.M. van Poelgeest, noot bij Rb. Gelderland 1 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6428, JOR 2022/124, onder 7. Zo ook s.o. namens Arvato nr. 4.16 en de s.o. namens KBvG nr. 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 4 onder 13 Richtlijn hypothecair krediet definieert het begrip ‘totale kosten van het aan de consument verleende krediet’ als: “de totale kosten van het aan de consument verleende krediet als omschreven in artikel 3, onder g), van Richtlijn 2008/48/EG, met inbegrip van de kosten voor de waardebepaling van het onroerend goed, waar die waardebepaling nodig is om het krediet te verkrijgen, maar met uitzondering van de registratiekosten voor de eigendomsoverdracht van het onroerend goed. Het omvat niet door de consument te betalen kosten voor de niet-nakoming van de in de kredietovereenkomst vastgestelde verplichtingen; (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 16bis leden 3 en 4 Richtlijn consumentenkrediet, zoals gewijzigd door artikel 27 lid 2 van Richtlijn (EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU, waarvan de omzetting eind 2023 dient plaats te vinden. Deze bepalingen zijn ook overgenomen in artikel 35 leden 3 en 4 van het voorstel voor herziening van de Richtlijn consumentenkrediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">BT-Drs. 16/11643, p. 77. Zie voorts Möller BeckOK BGB, Hau/Poseck 63. Edition 01.08.2022, § 491 BGB, Rn. 87; Rott, Kleinkredite Über Online-Plattformen, BKR 2021, 453, onder III.1.a).bb).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de Wft is deze uitzondering niet nodig, omdat dergelijke kredieten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en niet door een aanbieder van krediet of een bemiddelaar worden aangeboden aan het publiek. Zie Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I, 2010-2011, 32 339, nr. C (MvA), p. 7. Het gaat hier dus om gevallen waarin een betalingsachterstand is ontstaan. In het kader van de Wft worden deze gevallen niet afzonderlijk benoemd (zoals in artikel 7:58 lid 2 onder h BW), maar gebracht onder de algemene omschrijving van krediet, waaronder ook het verlenen van uitstel van betaling wordt verstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I, 2010-2011, 32 339, nr. E (Nadere MvA), p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2011, 247, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 3 (MvT), p. 44 t.a.v. artikel 7:118 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2016, 266, p. 48 t.a.v. artikel 1 Bgfo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2018, nr. 38961, p. 5 t.a.v. artikel 3c. In deze zin ook op p. 3 t.a.v. de bemiddelaar. Op p. 6 is in verband met artikel 43 lid 4 nog opgemerkt: “De gedragsregels zijn voor deze activiteiten niet relevant aangezien de betalingsregeling in het algemeen in het belang van de consument is. De consument krijgt meer tijd om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 3 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:104, JOR 2016/199 m.nt. J.M. van Poelgeest, rov. 3.3; CBb 7 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:363, JOR 2017/66 m.nt. C.H.D.W. van den Borne-Verheijen, rov. 4.1-4.4; CBb 3 februari 2017, ECLI:NL:CBB:2017:49, rov. 6.1-6.2. Vgl. ook Rb. Amsterdam 30 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5213, rov. 3.8-3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 3 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:104, JOR 2016/199 m.nt. J.M. van Poelgeest, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 7 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:363, JOR 2017/66 m.nt. C.H.D.W. van den Borne-Verheijen, rov. 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. van Poelgeest, noot onder CBb 3 mei 2016, ECLI:NL:CBB:2016:104, JOR 2016/199, nr. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Q&amp;A over Flitskrediet ‘onbetekenende kosten’ van oktober 2016, te raadplegen via https://www.afm.nl/nl-nl/professionals/onderwerpen/flitskrediet. Over het eerdere beleid van de AFM schrijft J.M. van Poelgeest, Kredietverstrekking aan consumenten, 2020, p. 40: “Als de AFM echter vanuit het perspectief van consumentenbescherming daartoe aanleiding ziet, zal zij de niet-nakomingskosten die de kredietverschaffer in rekening brengt wel meenemen bij de beoordeling van de vraag of de kosten van het krediet onbetekenend zijn. Te denken is bijvoorbeeld aan de situatie dat de kredietverstrekker voordeel heeft bij niet tijdige terugbetaling van het krediet, omdat zijn verdienmodel gericht is op het maken van winst als de consument zijn krediet niet tijdig aflost.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Te raadplegen via https://www.afm.nl/nl-nl/consumenten/themas/producten/betalen-sparen/buy-now-pay-later.</p>\n<p class=\"lf-p\">De sternoot vermeldt: “*) Voor de rente en incassokosten gelden wettelijke bepalingen. Zie hiervoor respectievelijk artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 96, tweede lid, onderdeel c, van Boek 6 van het BW jo. artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wijst ook KBvG s.o. nrs. 3.23-3.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. hetgeen de kantonrechter heeft overwogen in rov. 4.12, tweede alinea, TV I.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.W.A Biemans, ‘De consumentenkredietovereenkomst in titel 7.2A BW. Over losse eindjes en rafelige randen’, NTBR 2012/46, par. 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. van Poelgeest, noot onder Rb. Gelderland 1 december 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6428, JOR 2022/124, nrs. 6-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. echter ook Arvato s.o. nr. 4.37 en KBvG s.o. nrs. 3.47-3.54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik lees deze woorden en de Engelse, Franse en Duitse taalversies, dus anders dan de kantonrechter; zie TV I, rov. 4.15 en de daarbij behorende voetnoot 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. echter Arvato s.o. nrs. 4.45-4.47 ten aanzien van vraag IX (zij bespreekt vraag X niet in haar s.o.) en KBvG s.o. nrs. 3.56-3.57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Commission Staff Working Document – Guidelines on the application of Directive 2008/48/EC in relation to costs and the APR, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie https://www.afm.nl/nl-nl/professionals/onderwerpen/flitskrediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Biemans &amp; Van Schaick, 7-IA 2021/68; J.W.A Biemans, ‘De consumentenkredietovereenkomst in titel 7.2A BW. Over losse eindjes en rafelige randen’, NTBR 2012/46, par. 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 20 december 2019, ECLI:HR:2019:2034, NJ 2020/43 (Inscharing), rov. 3.2.2-3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die richting tendeert het argument van KBvG (s.o. nr. 3.57, waarnaar in s.o. 3.63 bij de beantwoording van vraag XII wordt terugverwezen) dat het in belang lijkt van een zorgvuldig rechtsverkeer dat partijen hun gedrag kunnen aanpassen en alleen die kosten (door)berekenen die de toets van de Hoge Raad kunnen doorstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Arvato s.o. nr. 4.64 en vgl. KBvG s.o. nr. 3.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. KBvG s.o. nr. 3.63. Arvato bespreekt vraag XII niet in haar s.o.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJEU 16 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:582 (SIA Soho Group/Ptac) en artikel 6:227 BW. Zie over artikel 6:227 BW: HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, NJ 2018/41 m.nt. H.B. Krans (SEBA/Amsterdam I), rov. 4.4.2; HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:765, NJ 2016/239 (Amsterdam/X), rov. 3.5.1-3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij elk van deze varianten kan nog worden bedacht − uitgaande van de veronderstelling waarop de vragen XII-XX berusten − dat er tevens niet-onbetekenende kosten in de zin van artikel 7:58 lid 2 onder e BW zullen zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. reeds de MvT op de Wck, Kamerstukken II, 1986-1987, 19 785, nr. 3 (MvT), p. 68-71.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677, NJ 2022/89 m.nt. C.M.D.S. Pavillon, JOR 2022/52 m.nt. F.C.P. Strijbos, TvC 2022, afl. 3, p. 139 m.nt. T. Jonkers (Informatieplichten I), rov. 3.1.15, 3.1.18 en 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. echter Rb. Amsterdam 5 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1304, rov. 34; Rb. Zeeland-West-Brabant 16 juni 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3028, rov. 2.4.12. In deze uitspraken wordt uitgegaan van situaties als bedoeld in de hoofdtekst in 7.5.3 of 7.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177, NJ 2021/54, JBPr 2021/26 m.nt. M.O.J. de Folter, JIN 2021/64 m.nt. R.J.G. Mengelberg. Zie ook HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:274, NJ 2021/126 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JIN 2021/65 m.nt. S.E. Poutsma, JOR 2021/140 m.nt. J., van Mourik, JBPr 2021/27 m.nt. E Gras.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, NJ 2018/81 m.nt. H.B. Krans, JBPr 2017/38 m.nt. S.L. Mineur, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Snijders onder 3.21 voor HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:619 (art. 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">Arvato bespreekt de vragen XVII-XX niet in haar s.o. Zie voor de door KBvG voorgestelde beantwoording haar s.o. nr. 3.80 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">ESIC staat voor Europese Standaardinformatie Inzake Consumentenkrediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I, 2009-2010, 32 339, nr. C (MvA), p. 12-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie op dit punt ook KBvG s.o. nr. 3.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 34. Zie ook p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I, 2010-2011, 32 339, nr. C (MvA), p. 12-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene oriëntatie, goedgekeurd door de Raad concurrentievermogen op 9 juni 2022, 2021/0171(COD). Zie hierover ook Arvato s.o. nr. 4.77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende consumentenkrediet van 5 september 2022, A9-0212/2022, 2021/0171(COD).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J.M. van Poelgeest, Kredietverstrekking aan consumenten, 2020, p. 213, voetnoot 915: “(…) Het gaat er mijns inziens om dat de consument voldoende tijd krijgt om alles rustig te bestuderen, vragen te stellen en eventueel nader advies in te winnen. Indien de consument binnen een dag wil accepteren, zou dat geen impact moeten hebben op de vraag of het ESIC tijdig is verstrekt. (…).”; M.H.P. Claassen, noot bij Hof Arnhem-Leeuwarden 9 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5655, JOR 2020/8, nr. 10 (“wat is er mis mee als een consument de precontractuele informatie ontvangt en vervolgens zelf (onverplicht en ongedwongen) besluit meteen door te pakken?”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 9 juli 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5655, JOR 2020/8 m.nt. M.H.P. Claassen. Zie voor het tussenarrest in die zaak Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7970. In vergelijkbare zin Rb. Amsterdam 6 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3199 (i.v.m. een krediet met InterBank voor maximaal € 10.000); Rb. Amsterdam 6 juli 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:3200 (i.v.m. een persoonlijke lening met gedaagde partij gesloten met een kredietlimiet van € 12.500); Rb. Noord-Holland 2 maart 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:169 (i.v.m. een persoonlijke lening van meer dan € 62.000). Iets meer ruimte blijkt uit Rb. Amsterdam 24 maart 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1968 (i.v.m. een krediet van € 1.068 voor aankopen in de MediaMarkt) en 31 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2020:1967 (i.v.m. een krediet van € 759 voor aankopen in de MediaMarkt), waarin is overwogen: ”Nu deze informatie op dezelfde datum is verstrekt als het tot stand komen van de overeenkomst, kan zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet worden vastgesteld of deze informatie geruime tijd voor het aangaan van de kredietovereenkomst is verstrekt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op dit aspect wordt in algemene zin gewezen door J.W.A. Biemans, Consumentenkrediet, 2013/22.3 en Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 20 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1231, JOR 2021/244 m.nt. M.H.P. Claassen, rov. 4.8 (informatie over doorlopend krediet van maximaal € 15.000 bij Freo 14 dagen geldig, consument tekent na vier dagen); Rb. Gelderland 8 mei 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:2503, rov. 4.3 (informatie over doorlopend krediet van maximaal € 1.000 bij Rabobank 14 dagen geldig, consument tekent meteen); Rb. Gelderland 2 september 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4764, rov. 4.7 (informatie over persoonlijke lening van € 42.000 bij InterBank 14 dagen geldig, consument tekent meteen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Arvato s.o. nr. 4.84 en KBvG s.o. nr. 3.65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie, met nadere uitwerkingen, HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, NJ 2017/363 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2017/236 m.nt. H. Scholten, Ondernemingsrecht 2017/132 m.nt. B.T.M. van der Wiel (SNS/Stichting Gedupeerden Overwaardeconstructie W&amp;P), rov. 4.2.5-4.2.7; HR 14 december 2018, ECLI:NL: 2018:2298, NJ 2019/184 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2019/58 m.nt. F.M.A. ’t Hart (Amstelstaete) rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, NJ 2017/363 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2017/236 m.nt. H. Scholten, Ondernemingsrecht 2017/132 m.nt. B.T.M. van der Wiel (SNS/Stichting Gedupeerden Overwaardeconstructie W&amp;P), rov. 4.2.2-4.2.3. Ik verwijs naar mijn conclusie onder 3.21-3.28 voor HR 14 december 2018, ECLI:NL: 2018:2298, NJ 2019/184 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2019/58 m.nt. F.M.A. ’t Hart (Amstelstaete). Zie ook de s.o. namens Arvato nrs. 4.97-4.99.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814, NJ 2022/258 m.nt. E.J. Dommering JOR 2022/63 m.nt. C.E.F. van Waesberge, JIN 2022/27 m.nt. D.S. Volleberg (Hoist Finance).</p>\n<p class=\"lf-p\">W.M.A. Pronk &amp; M.J. Bosselaar, ‘De kredietwaardigheidstoets bij consumptief krediet. Ambtshalve toetsing en andere recente ontwikkelingen’, FR 2021/3, p. 90.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie https://www.afm.nl/nl-nl/professionals/doelgroepen/kredietaanbieders/normen. Zie in dit verband ook Kamerstukken II 1986/87, 19 785, nr. 3 (MvT), p. 44: “Wij waarderen deze zelfregulering van de branche positief.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814, NJ 2022/258 m.nt. E.J. Dommering JOR 2022/63 m.nt. C.E.F. van Waesberge, JIN 2022/27 m.nt. D.S. Volleberg (Hoist Finance): “3.1.7 De zorgplicht ter voorkoming van overkreditering is mede gebaseerd op Richtlijn 2008/48/EG (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 5 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:167, JOR 2020/150 m.nt. H. Scholten (OPR-Finance).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.W.A. Biemans, noot onder HvJEU 27 maart 2014, ECLI:EU:C:2014:190, JOR 2014/247 (Credit Lyonnais/Kalhan), nr. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie F.J.P. Lock, ‘De verdeling van stelplicht en bewijslast tussen de consument en de tekortschietende kredietverstrekker; een Nederlands en Europees perspectief’, NTBR 2016/16, onder 7 (p. 119): “Concreet betekent dit dat de rechter zal moeten toetsen of de kredietverstrekker aan zijn uit artikel 7:60 BW en artikel 4:34 lid 1 Wft voortvloeiende informatie- en zorgplichten heeft voldaan.” Zie ook Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/58 en 207; W.M.A. Pronk &amp; M.J. Bosselaar, ‘De kredietwaardigheidstoets bij consumptief krediet. Ambtshalve toetsing en andere recente ontwikkelingen’, FR 2021/3, par 3.2 (p. 92). Zie verder ook het (herzien) rapport Ambtshalve toetsing III, p. 61 e.v., van de redactieraad van het Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton &amp; Toezicht (LOVCK&amp;T).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.W.A. Biemans, noot onder HvJEU 27 maart 2014, ECLI:EU:C:2014:190, JOR 2014/247 (Credit Lyonnais/Kalhan), nr. 4, verbond aan de omzetting van artikel 8 Richtlijn consumentenkrediet in de Wft nog de conclusie dat de kredietwaardigheidstoets niet rechtstreeks van toepassing is op de privaatrechtelijke rechtsverhouding uit hoofde van de consumentenkredietovereenkomst tussen de kredietgever en de consument.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook Hof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2018, ECLI:GHARL:2018:7970, rov. 4.4 en 4.7 (tussenarrest) en 9 juli 2019, ECLI:GHARL:2019:5655 (eindarrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Arvato s.o. nr. 4.92 en vgl. KBvG s.o. nr. 3.69.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verwijzing in vraag XVI naar de breed geformuleerde vraag XIV, waarin tevens wordt gerefereerd aan het Bgfo, heeft kennelijk ook deze strekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1986-1987, 19 785, nr. 3 (MvT), p. 82. Zie ook p. 36-37 waar een verband wordt gelegd tussen de grens van fl. 2000 en de administratieve lasten voor de kredietgever.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009-2010, 32 339, nr. 3 (MvT), p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2005, 676, p. 181, en Stb. 2006, 520, p. 267-268.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J.M. Meindertsma, De kredietwaardigheidstoets bij kredietverlening aan consumenten (diss. Groningen), 2020, par. 4.2.2.2 (p. 51).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2005, 676, p. 182.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van 11 februari 2021, Kamerstukken II, 2020-2021, 24 515, nr. 579, p. 6. Dit voornemen wordt ook genoemd in de toelichting op het Besluit van 13 juni 2022 tot intrekking van het Besluit tijdelijke verlaging kredietvergoeding in verband met structurele verlaging van de kredietvergoeding, Stb. 2022, 243, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 6 juni 2019, ECLI:EU:C:2019:467 (Schyns/Belfius).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Hof Amsterdam 20 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1231, JOR 2021/244 m.nt. M.H.P. Claassen, rov. 4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2464, NJ 2015/262 m.nt. M.R. Mok (CA Consumer Finance/Bakkaus c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J.P. Lock, ‘De verdeling van stelplicht en bewijslast tussen de consument en de tekortschietende kredietverstrekker; een Nederlands en Europees perspectief’, NTBR 2016/16, onder 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.J.P. Lock, ‘De verdeling van stelplicht en bewijslast tussen de consument en de tekortschietende kredietverstrekker; een Nederlands en Europees perspectief’, NTBR 2016/16, onder 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J.M. Meindertsma, De kredietwaardigheidstoets bij kredietverlening aan consumenten (diss. Groningen), 2020, par. 3.2.5.2 (p. 39); V. Mak, ‘Verplichtingen van kredietgevers jegens consumenten in de precontractuele fase nader bepaald’, NTBR 2016/3, onder 3; H. Scholten noot onder HvJEU 5 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:167, JOR 2020/150, nr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raadpleegbaar op www.rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook W.M.A. Pronk &amp; M.J. Bosselaar, ‘De kredietwaardigheidstoets bij consumptief krediet. Ambtshalve toetsing en andere recente ontwikkelingen’, FR 2021/3, p. 93.</p>\n<p class=\"lf-p\">KBvG s.o. nr. 3.73 wijst in dit verband op ontwikkelingen ten aanzien van de toepasselijke financiële grenzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HvJEU 5 maart 2020, ECLI:EU:C:2020:167 (OPR-Finance), punten 42 en 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, NJ 2017/363 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2017/236 m.nt. H. Scholten, Ondernemingsrecht 2017/132 m.nt. B.T.M. van der Wiel (SNS/Stichting Gedupeerden Overwaardeconstructie W&amp;P), rov. 4.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Arvato s.o. nrs. 4.100-4.104 en KBvG s.o. nr. 3.73.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze vraag nog KBvG s.o. nr. 3.75 e.v.</p></div>", "next": 0}