{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie voor een voorbeeld Ktr. Amersfoort 23 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2959, rov. 4.5: “Vooropgesteld wordt dat het moment waarop de werkgever bevoegd is (geweest) tot opzegging niet hoeft samen te vallen met het moment waarop het einde van de wachttijd is bereikt en de werkgever geen loon meer verschuldigd is. Op grond van het bepaalde in artikel 7:669 lid 1 en 3 aanhef en onder b BW, bestaat de bevoegdheid tot opzegging namelijk niet wanneer binnen 26 weken na het einde van de wachttijd zoals bedoeld in artikel 7:670 lid 1 sub a BW, herstel valt te verwachten en/of er mogelijkheden bestaan om binnen die periode de arbeid in aangepaste vorm te verrichten. Deze uitzonderingen golden vóór 1 juli 2015 ook al op grond van artikel 5:2 Ontslagbesluit.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 9.17 voor de situatie waarin een werknemer door tijdsverloop niet langer onder de overgangsregeling valt die voor oudere werknemers met een langdurig dienstverband gold.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H.A.C.M. Bouwens in zijn noot in NJ 2020/135 bij de Xella-uitspraak, onder 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.R. Houweling in zijn noot in AR-Updates 2019/1182 bij de Xella-uitspraak, onder 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H.A.C.M. Bouwens in zijn noot in NJ 2020/135 bij de Xella-uitspraak, onder 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H.A.C.M. Bouwens in zijn noot in NJ 2020/135 bij de Xella-uitspraak, onder 15. Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 4 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:146, JAR 2020/66, rov. 3.14-3.16 en Hof Den Bosch 9 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:31, JAR 2020/32 m.nt. J. Dop, rov. 3.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63, AR-Updates 2022-0111 (Secretaresse/Advocatenkantoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie, met aanvullende verwijzingen naar rechtspraak en literatuur, o.m. mijn conclusies voor HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, NJ 2018/401 (Katholieke Scholengroep), onder 3.7-3.16, en voor HR 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1617, NJ 2019/323, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Kolom), onder 3.2-3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, NJ 2018/401 (Katholieke Scholengroep), rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 7, p. 79 (NaV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 38-42, p. 110 (MvT). Zie ook Kamerstukken I 2013/14, 33 818, nr. C, p. 96 (MvA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, NJ 2018/401 (Katholieke Scholengroep), rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2014, 504; Stb. 2015, 233; Stb. 2015, 376; Stb. 2015, 464; Stb. 2018, 234; Stb. 2019, 219; Stb. 2019, 483 (naast de jaarlijkse wijzigingen waarmee enkel de maximering uit lid 2 is verhoogd). Daarnaast was in de Wwz reeds bepaald dat het toen ingevoerde art. 7:673a en 673d BW per 1 januari 2020 zouden vervallen, zie Stb. 2014, 216.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1617, NJ 2019/323, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Kolom), rov. 3.4.3-3.5.6. Zie ook HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283, NJ 2020/378, m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Victoria), rov. 3.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 39 (MvT Wwz).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2014, 538, en inmiddels gewijzigd met Stb. 2019, 298 en Stb. 2020, 188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2015, 171, en inmiddels gewijzigd met Stb. 2020, 188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stcrt. 2014, 36823, en inmiddels gewijzigd met Stcrt. 2015, 34289 en Stcrt. 2020, 32782.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1845, NJ 2018/401 (Katholieke Scholengroep), rov. 3.4.2-3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook mijn conclusie voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286, JAR 2020/200 (Nayak), onder 3.25-3.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 7, 40-41, 113 (MvT Wwz).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:673a lid 4 BW (oud), zie Artikel I, onderdeel W van de Wwz (Stb. 2014, 216).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. E.W. de Groot, 'Slapend dienstverband, opgelost of illusie?', TRA 2020/32, par. 4, 7 en 11, en C.J. Frikkee onder 2. in haar noot in TRA 2020/82 bij Ktr. Nijmegen 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4402.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1734, NJ 2020/135 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Xella), rov. 2.2 onder iii) en iv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Meest recent bijv. D.J. Buijs in zijn noot in TRA 2022/5 bij Hof Den Bosch 7 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3054. Overigens wordt de term ‘diepslapers’ soms ook gebruik als containerbegrip voor beide gevalstypen, dus voor alle slapende dienstverbanden waarvan de wachttijd reeds voor 1 juli 2015 is verstreken. Zie bijv. ook de eerste voetnoot in het verweerschrift in cassatie van Ammeraal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie E.W. de Groot, 'Slapend dienstverband, opgelost of illusie?', TRA 2020/32, par. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 11 juli 2018, Wet houdende maatregelen met betrekking tot de transitievergoeding bij ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden of langdurige arbeidsongeschiktheid, Stb. 2018, 234.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:673e BW is opgenomen in art. 9 van bijlage 2 bij de Awb. Zie ook art. III van Wet compensatie transitievergoeding, Stb. 2018, 234. Dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in dergelijke beroepsprocedures niet de hoogste bestuursrechter is, is overigens niet onderkend in A.R. Houweling (red.) c.s., Loonstra&amp;Zondag/Arbeidsrechtelijke Themata II, Den Haag: Boom juridisch 2020, par. 12.7.5.1, p. 134.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze wijziging is doorgevoerd als onderdeel van de Wet arbeidsmarkt in balans, Stb. 2019, 219.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 10, p. 4-5 (NvW WAB).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2020, 496; zie art. IVa onder B. Deze wijziging is in werking getreden per 1 januari 2021, zie Stb. 2020, 497.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een beknopte toelichting op de wijzigingen is te vinden in de eerste nota van wijziging van deze verzamelwet: Kamerstukken II 2019/20, 35 494, nr. 6, p. 13-15 (NvW Verzamelwet SZW 2021), meer duidelijk in samenhang met Kamerstukken II 2019/20, 34 699, nr. 8, p. 2 (Brief van de Minister van SZW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 699, nr. 3, p. 13 (MvT WCT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 699, nr. 3, p. 4 (MvT WCT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2016/17, 34 699, nr. 3, p. 4-5 en 14-15 (MvT WCT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft deze beperking is – voorafgaand aan het afstel door de Verzamelwet SZW 2021 – het inwerkingtredingsbesluit gewijzigd, zie Stb. 2019, 474.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2020, 496 (Verzamelwet SZW 2021), in lijn met de voorgestelde aanpassing uit de eerste nota van wijziging bij deze wet (Kamerstukken II 2019/20, 35 494, nr. 6). Deze definitieve wijziging van lid 2 is per 1 januari 2021 in werking getreden, zie Stb. 2020, 497.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 23 lid 6 WIA.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 29b Ziektewet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook P.S. Fluit &amp; M.J. Smit, ‘Nadere overwegingen over de compensatieregeling’, TRA 2019/57, par. 2.4, signaleren het vraagpunt hoe zou moeten worden omgegaan met de zieke werknemer van wie de salarisbetaling (al dan niet deels) ‘gedekt’ is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook art. 7:629 lid 5 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 34 699, nr. 8, p. 2 (Brief van de Minister van SZW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 35 494, nr. 6 (NvW Verzamelwet SZW 2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit gebrek aan inzichtelijkheid illustreert m.i. dat een verzamelwet niet steeds het meest gerede wetgevingsinstrument is. Ook de Raad van State (RvS) plaatst regelmatig vraagtekens bij de verzamelwet-werkwijze van SZW. Vgl. recent M. Nap, ‘Verzamelwetgeving’, RegelMaat 2021/4, p. 365-369. Tegen de achtergrond van een reflectie door de Staatssecretaris van Justitie over ‘inhoudelijke veegwetten’ in 2011 (op verzoek van de Eerste Kamer), haalt Nap op p. 367 ter illustratie de Verzamelwet SZW 2012 aan, ten aanzien waarvan de RvS kritiek had op de samenvoeging van technische wijzigingen en inhoudelijke wijzigingen in diverse wetten. Op p. 368 noemt Nap vergelijkbare kritiek van de RvS op de Verzamelwetten SZW 2016 en 2020. Zie Kamerstukken II 2011/12, 33 015, nr. 4, p. 1 (Advies RvS en NR Verzamelwet SZW 2012), Kamerstukken II 2014/15, 34 273, nr. 4, p. 10-11 (Advies RvS en NR Verzamelwet SZW 2016) en Kamerstukken II 2018/19, 35 275, nr. 4, p. 3-4 (Advies RvS en NR Verzamelwet SZW 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Die verlenging bedraagt maximaal 52 weken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2016-2017, 34 699, nr. 3, p. 5 (MvT WCT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 10, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Heerma van Voss 7-V 2020/419a. Zie ook H. Wiarda &amp; I. Baijens, ‘De complicaties voor de werkgever bij het uit dienst treden van een zieke werknemer: een (praktisch) overzicht’, in: TvO 2018/2, p. 49. In de jurisprudentie wordt hierover wisselend geoordeeld, zie verwijzingen naar feitenrechtspraak in P. Kruit, in: Arbeidsovereenkomst, aant. 1.3 bij art. 7:673e BW (online, bijgewerkt t/m 1 augustus 2021). Zie nadien, uitgebreid en m.i. overtuigend, Hof Den Bosch 7 oktober 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3054, JAR 2021/268, rov. 3.8-3.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2018/19, nr. 48, item 8, p. 56 (l.k.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover onder meer J. Dop, ‘Nooit meer slapen?’, TAP 2020/96, p. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals reeds onder de Wwz was bepaald, zie art. 7:673a lid 4 BW (oud) (Stb. 2014, 216).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit volgt uit het overgangsrecht, zie art. XIII lid 2 van de WAB, Stb. 2019, 219. Hierover, voorafgaand aan de Xella-uitspraak, H.L. Doorn, ‘Pas op: het overgangsrecht van de WAB’, ArbeidsRecht 2019/55, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2019/20, 34 699, nr. 8, p. 3 (Brief van de Minister van SZW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Oorspronkelijk was dit in lid 1 geregeld; dit is gewijzigd met de WAB, Stb. 2019, 219, art. K. Zie ook mijn conclusie voor de Xella-uitspraak, onder 12.2 en 14.5-14.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2016/17, 34 699, nr. 3, p. 4 (MvT WCT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2013/14, 33 818, nr. 3, p. 39 (MvT Wwz).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 34 699, nr. 3, p. 5 (MvT WCT).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2019, 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. VI lid 2 van de Wet compensatie transitievergoeding, Stb. 2018, 234.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2014, 274 (Besluit van 10 juli 2014 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet werk en zekerheid).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover uitgebreid, en onder verwijzing naar bronnen, mijn conclusie van 11 februari 2022, zaaknr. 21/03296 (ESD), onder 7.7-7.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Limburg 18 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:334.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Limburg 18 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:332; Rb. Limburg 18 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:333.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 6 december 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:13705, rov. 8.1-8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 28 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:7051, JAR 2021/209, m.nt. M.L.G. Otto, rov. 8.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 10 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 26 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:365; Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:427; Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:429; Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:431; Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:432; Rb. Zeeland-West-Brabant 28 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:433.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Utrecht 28 juli 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:3534, JAR 2021/241.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Bijvoorbeeld de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8645, en van het gerechtshof Amsterdam van 26 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 21 december 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7578, Zie P.S. Fluit, 'Compensatieregeling bij langdurige arbeidsongeschiktheid', TRA 2019/25, par. 3, die uit art. 7:673e lid 2 BW afleidt dat bij het verstrijken van de tweejaar-termijn vóór 1 juli 2015 geen aanspraak op compensatie bestaat, omdat er op dat moment nog geen aanspraak op een transitievergoeding bestond. Zie ook E. Verhulp, 'Slapende dienstverbanden? Laten slapen of wakker kussen?', TRA 2019/37, par. 4: ‘Ik vermoed dat de formulering van de wet ertoe leidt dat de compensatie van de transitievergoeding, betaald aan de werknemer die twee jaar arbeidsongeschikt was voor 1 juli 2015 maar is ontslagen na die datum, niet wordt gecompenseerd. Op het moment waarop de werkgever door de Wet CT werd geacht de arbeidsovereenkomst te beëindigen bestond het recht op transitievergoeding immers niet.’ Diverse argumenten voor en tegen worden genoemd door P.S. Fluit &amp; M.J. Smit, ‘Nadere overwegingen over de compensatieregeling’, TRA 2019/57, par. 4. J. Dop, ‘Nooit meer slapen?’, TAP 2020/96, p. 17 (r.k.), schrijft: ‘Voor de werkgever kan dit extra zuur worden omdat door de fixatie op de dag na afloop van de twee jaar wachttijd deze mogelijk geen beroep kan doen op de compensatieregeling.’ Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8645, JAR 2020/285, rov. 6.17. Zie ook mijn conclusie van 18 september 2019 voor de Xella-uitspraak, onder 13.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Ktr. Zwolle 24 maart 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1282, JAR 2020/97, die in rov. 9.1 tot de slotsom komt dat het er vermoedelijk niet toe doet op welk moment de loondoorbetalingsperiode is geëindigd, maar dat het erom gaat op welk moment het dienstverband wordt beëindigd (op of na 1 juli 2015). Zie echter ook Ktr. Utrecht (als vzr.) 19 februari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:563, Prg. 2020/96, die in rov. 3.8 overweegt dat het naar de huidige stand van de wetgeving onvoldoende aannemelijk is dat de wetgever met de WCT ook vergoedingen wil compenseren voor dienstverbanden die reeds voor 1 juli 2015 zijn gaan slapen, nu onder meer de tekst van art. 7:673e lid 2 BW daaraan in de weg lijkt te staan, en stelliger Ktr. Amersfoort 23 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2959, rov. 4.7-4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 15.1 en de verwijzingen naar de wetsgeschiedenis op de aldaar genoemde vindplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals onder meer gebezigd door Bouwens in zijn noot in NJ 2020/135 bij de Xella-uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.R. Houweling in zijn noot in AR-Updates 2019/1182 bij de Xella-uitspraak, onder 5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot van M.L.G. Otto in JAR 2021/155 bij hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4698.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de gevolgen van het vervallen van de 50+regeling voor compensatie: P.S. Fluit &amp; M.J. Smit, ‘Nadere overwegingen over de compensatieregeling’, TRA 2019/57, par. 6, en A.J.C. Theunissen, ‘Slapende dienstverbanden. Het bedje is gespreid’, Advocatenblad 2019/10, p. 62. Zie ook W.H.A.C.M. Bouwens in zijn noot in NJ 2020/135 bij de Xella-uitspraak, onder 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook het op deze situatie betrekking hebbende overgangsrecht uit art. XII en XIII van de WAB, Stb. 2019, 219. Hierover, voorafgaand aan de Xella-uitspraak, H.L. Doorn, ‘Pas op: het overgangsrecht van de WAB’, ArbeidsRecht 2019/55, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Kruit &amp; I.H. Kersten, ‘Statistiek Ontbindingsprocedure Q1 en Q2 2020: i-grond vooralsnog dode letter’, ArbeidsRecht 2020/40, par. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie van 11 februari 2022, zaaknr. 21/03296 (ESD), onder 11.1-11.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.J.B.M. Besselink, 'Een jaar na Xella: is iedereen wakker?', TvO 2021/1, par. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.J.M. Vermulst, 'Wie slaapt er nog na Xella?', TRA 2021/24, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J. Frikkee onder 2 in haar noot in TRA 2020/82 bij Ktr. Nijmegen 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4402.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.R. Houweling in zijn noot bij de Xella-uitspraak in AR-updates 2019-1182, par. 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.W. de Groot, 'Slapend dienstverband, opgelost of illusie?', TRA 2020/32, par. 4, 7 en 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.W. de Groot, 'Slapend dienstverband, opgelost of illusie?', TRA 2020/32, par. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot van K. Manse bij hof Amsterdam 26 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:197, JIN 2021/56.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.H.A.C.M. Bouwens in zijn noot in NJ 2020/135 bij de Xella-uitspraak, onder 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.L.G. Otto in zijn annotatie in JAR 2021/155 bij hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2021, Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4698.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Dop, ‘Nooit meer slapen?’, TAP 2020/96, p. 17 (r.k.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:514, RAR 2021/76, rov. 3.3 (slot). Zie bijv. ook, eveneens steeds met betrekking tot diepslapers, Ktr. Amsterdam 19 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:997, JAR 2020/74, rov. 14 en Ktr. Amsterdam (vzr.) 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5427, rov. 16. Zie ook Ktr. Enschede (als vzr.) 11 januari 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:191, rov. 4.8. Het hof Den Bosch verwijst naar de uitspraak van het hof Amsterdam, maar laat in het midden of het die opvatting juist acht, zie Hof Den Bosch 8 juli 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:2156, rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8645, JAR 2020/285.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 26 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:197, JIN 2021/56, m.nt. K. Manse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ktr. Alkmaar (vzr.) 23 december 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:10491, JAR 2020/41, m.nt. M.L.G. Otto) en die het hof Amsterdam in de bestreden uitspraak heeft vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ktr. Leeuwarden 21 februari 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:912. Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8645, JAR 2020/285, rov. 6.15.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8645, JAR 2020/285, rov. 6.15.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de eerste volzin van rov. 2.7.2 van de Xella-uitspraak, en de daar opgenomen verwijzing naar vindplaatsen in de conclusie voor die zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Ktr. Zwolle 24 maart 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1282, JAR 2020/97, rov. 8.5-8.15. De kantonrechter komt in rov. 9.1 tot de slotsom dat het er vermoedelijk niet toe doet op welk moment de loondoorbetalingsperiode is geëindigd, maar dat het erom gaat op welk moment het dienstverband wordt beëindigd (op of na 1 juli 2015).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook P. Hufman in haar noot in JAR 2020/240, p. 2311 (r.k.) bij Ktr. Nijmegen 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4402.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Ktr. Arnhem 2 december 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:6531, rov. 4.2 en 4.3, en Ktr. Utrecht (als vzr.) 19 februari 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:563, Prg. 2020/96, rov. 3.8-3.9. Zie bijv. ook Ktr. Amsterdam 19 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:997, JAR 2020/74; Ktr. Amsterdam (als vzr.) 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5427; Hof Arnhem-Leeuwarden 26 oktober 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:8645, JAR 2020/285, rov. 6.21 (hoewel in deze uitspraken mede – en m.i. dus ten onrechte – in zijn algemeenheid de voorwaarde wordt gesteld voor het bestaan van een Xella-verplichting dat de werkgever in een concreet geval recht heeft op compensatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 26 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:197, JIN 2021/56, m.nt. K. Manse.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie voor de Xella-uitspraak onder 19.11. Idem onder 20.6 bij de beantwoording van de prejudiciële vragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Deze argumenten zijn ook terug te vinden in de literatuur (zij het vaak uitgebreid met argumenten die m.i. níet relevant zijn). Zie o.m. E. Verhulp, Slapende dienstverbanden? Laten slapen of wakker kussen? In: TRA 2019/37, onder 6; E. Wits, Gaat de Hoge Raad recyclen? Annotatie onder Ktr. Roermond 10 april 2019, ECLI:NL:RBLIM:2019:3331. In: AR-Updates.nl 2019-0390, onder 3; N. Cuppen en M. van den Eeckhout, Slapend dienstverband is niet zomaar wereld uit. In: Advocatenblad 2019/6, p. 57; C.J. Frikkee, Slapende dienstverbanden, opzegrecht of niet? That is the question! In: TRA 2019/70, onder 8; M.L.G. Otto, Slapend dienstverband of slapende werknemers: goed werkgeverschap als doorbraak van de impasse? In: TRA 2016/93, onder 2; N. Jansen, Het slapend dienstverband: van onfatsoenlijk tot slecht werkgeverschap. In: TvO 2019/2, p. 60-61; A. Dera-ten Bokum, De transitievergoeding bij een ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. In: VFP 2018/29; D.J. Buijs, Transitievergoeding, ook na 104 weken arbeidsongeschiktheid. Annotatie onder Ktr. Gouda 21 oktober 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:15421. In: TRA 2016/16, onder 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. M.L.G. Otto in zijn noot in JAR 2021/155 bij hof Arnhem-Leeuwarden 17 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4698. Zie ook D.J. Buijs in zijn noot bij de Xella-uitspraak in TRA 2020/5, onder 4, waar hij schrijft dat de Hoge Raad korte metten heeft gemaakt met de door mij gesuggereerde omstandigheden, en: ‘Weliswaar gebruikt de Hoge Raad de woorden ‘bijvoorbeeld’, maar de onder (ii) tot en met (iii) genoemde omstandigheden vallen daar in elk geval niet onder’. Zie ook E. Wits, ‘Slapende dienstverbanden en de reële re-integratiemogelijkheid: een dubbele wake-up call?’, ArbeidsRecht 2020/9, par. 3. Iets voorzichtiger zijn A.R. Houweling (red.) c.s., Loonstra&amp;Zondag/Arbeidsrechtelijke Themata II, Den Haag: Boom juridisch 2020, par. 12.7.5.1, p. 133, waar zij schrijven ‘De advocaat-generaal gaf daarom in haar conclusie het advies de niet of gedeeltelijke compensatie een onderdeel van de 611-afweging te laten zijn De Hoge Raad lijkt hier niet voor te hebben gekozen.’ Vgl. A.R. Houweling in zijn noot bij de Xella-uitspraak in AR-updates 2019-1182, par. 5.3, onder ‘uitzonderlijk is uitzonderlijk’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een bevestigend antwoord op de vraag A.R. Houweling in zijn noot bij de Xella-uitspraak in AR-updates 2019-1182, par. 5.2 (‘Actieve informatieplicht werkgever bij Doornroosjes’). Zie over de kwestie verder bijv. Ktr. Rotterdam 24 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3997, JAR 2020/133, Ktr. Gelderland 4 november 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:5890, Prg. 2021/8, rov. 4.5-4.8, Ktr. Alkmaar 25 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:7326, rov. 5.9-5.10, Ktr. Tilburg 29 januari 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:614, rov. 5.3, en Ktr. Den Bosch 3 juni 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:2603, rov. 4.9-4.10. Zie ook J. Dop, ‘Nooit meer slapen?’, TAP 2020/96, p. 21, B.J.M. Vermulst, 'Wie slaapt er nog na Xella?', TRA 2021/24, par. 6, en de annotaties bij Ktr. Nijmegen 28 augustus 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:4402 van P. Hufman in JAR 2020/240, p. 2311 (r.k.) en van C.J. Frikkee in TRA 2020/82 onder 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, onderdeel 1, p. 9, onder xiv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, onderdeel 1, p. 9 en 10, onder xv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, onderdeel 1, p. 10, onder xvi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, onderdeel 3, p. 11.</p></div>", "next": 0}