{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In de thans in cassatie bestreden uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende, met hetgeen in het geding is aangedragen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat X-Y in Turkije rechtshandelingen heeft verricht die naar Turks recht (telkens) rechtsgeldig zijn en (telkens) familierechtelijke betrekkingen tot stand hebben gebracht tussen hem en de kinderen op grond waarvan de kinderen aan te merken zijn als 'zijn kinderen' als bedoeld in artikel 46 van de Wet. De enkele omstandigheid dat X-Y in de overgelegde Turkse geboorteakten als de vader van de kinderen is vermeld, is daartoe onvoldoende, aldus het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel aangevoerde klachten dient vooropgesteld te worden (i) dat de vraag of de door belanghebbende overgelegde bescheiden bewijzen dat (zoals blijkens de hiervoor in 4.1 geciteerde overweging beslissend is) X-Y in Turkije rechtshandelingen heeft verricht die naar Turks recht (telkens) rechtsgeldig zijn, en naar Turks recht (telkens) familierechtelijke betrekkingen tot stand gebracht hebben tussen hem en de respectieve kinderen, niet een feitelijke vraag is, maar een vraag waarvan de beantwoording afhankelijk is van hetgeen Turks recht bepaalt omtrent de bewijskracht van de overgelegde bescheiden met betrekking tot het verricht-zijn van rechtshandelingen als hiervoor in 4.1 bedoeld; en (ii) dat het Hof gehouden was zich ambtshalve te vergewissen van hetgeen Turks recht hieromtrent bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het licht van deze vooropstelling is 's Hofs hiervoor in 4.3 weergegeven oordeel niet toereikend gemotiveerd. Indien dat oordeel berust op de opvatting dat het enkel op basis van het over en weer aangevoerde de aannemelijkheid had te beoordelen van belanghebbendes stellingen omtrent de inhoud van Turks recht met betrekking tot de bewijskracht van de overgelegde bescheiden, is het onjuist blijkens het hiervoor in 4.4 onder (ii) overwogene. Indien dat oordeel berust op eigen onderzoek van het Hof naar de inhoud van Turks recht met betrekking tot die bewijskracht, is het onvoldoende gemotiveerd, omdat het Hof van zulk onderzoek geen rekenschap afgelegd heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.18 De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de ontvanger zijn eigen bevoegdheden heeft op basis van de wet en dat voor het antwoord op de vraag of iemand bestuurder is als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 niet beslissend is of iemand in het handelsregister staat ingeschreven als bestuurder van de desbetreffende vennootschap:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de beoordeling van dit middel moet worden vooropgesteld dat de ontvanger in een geval als het onderhavige niet behoort tot de door artikel 18 van de Handelsregisterwet 1996 beschermde derden. Zijn vordering berust immers op de wet en vloeit niet voort uit een rechtsbetrekking waarop genoemd artikel 18 ziet, te weten een rechtsbetrekking op het aangaan waarvan het ontbreken van een juiste en volledige inschrijving in het handelsregister van hetgeen daarin wettelijk ingeschreven moet worden, in het algemeen van invloed kan zijn (vgl. HR 18 juni 1952, NJ 1953, 530 en HR 23 november 2001, NJ 2002, 95). Voor het antwoord op de vraag of iemand bestuurder is als bedoeld in artikel 36, lid 1, van de Wet is niet beslissend of betrokkene in het handelsregister staat ingeschreven als bestuurder van de desbetreffende vennootschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">Civiele kamer 4.19 In een Antilliaanse zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon ophoudt te bestaan op het moment dat de vereffenaar geconstateerd heeft dat er geen bekende baten meer aanwezig zijn:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 SFT en CITCO hebben zich primair op het standpunt gesteld dat AFF en [eiser 2] niet-ontvankelijk zijn in hun beroep; wat AFF betreft omdat zij als rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan en wat [eiser 2] aangaat omdat hij geen belang heeft bij zijn beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.1 Niet in geschil is dat in het handelsregister Curaçao is vermeld dat AFF op 12 oktober 2004 is ontbonden en dat de op 29 mei 2006 aangevangen vereffening van die vennootschap voor 19 juli 2007, de datum waarop de slotverantwoording ten kantore van het handelsregister ter inzage is gelegd, is voltooid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.2 Dit laatste heeft evenwel, anders dan SFT en CITCO betogen, niet tot gevolg dat AFF als niet meer bestaand in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk is. Ingevolge art. 31 lid 7 BWNA eindigt de vereffening en houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het geval van AFF kan echter niet worden geoordeeld dat geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn, zolang niet onherroepelijk is beslist op de onderhavige, in eerste aanleg bij verzoekschrift van 25 augustus 2004 door AFF aan de rechter voorgelegde, vordering (vgl. HR 26 maart 2004, nr. C02/316, LJN AO2779, NJ 2004/330). AFF is dus ontvankelijk in haar beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20 De Hoge Raad heeft als volgt geoordeeld over de bevoegdheidsverdeling tussen de civiele rechter en de belastingrechter:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5 Zoals het hof – in cassatie terecht niet bestreden – heeft geoordeeld, staat niet ter vrije bepaling van partijen of de belastingrechter dan wel de burgerlijke rechter van een geschil zal kennisnemen. Uitsluitend de belastingrechter is bevoegd tot beoordeling van de juistheid van de aan de Rederij opgelegde, mede op de hiervoor in 3.1 onder (iii) en (vi) bedoelde overeenkomsten berustende, aanslagen toeristenbelasting 2011 en 2012. Dat geldt ook indien die aanslagen worden bestreden met de stelling dat de daaraan ten grondslag liggende overeenkomsten zoals in dit geval aangegaan, nietig zijn op gronden ontleend aan het burgerlijk recht (vgl. HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4548, NJ 2006/271 (Abacus/De Staat)). Daarbij verdient opmerking dat de belastingrechter in het kader van een beroep tegen een fiscaal besluit mede kan nagaan of een daaraan ten grondslag liggende overeenkomst met de belastingplichtige rechtsgeldig is, en in die toetsing ook art. 3:40 BW kan betrekken (vgl. bijv. HR 9 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU7728, BNB 2006/201, onder 3.4.2). Anders dan het middel betoogt, heeft de belastingrechter deze mogelijkheid ook met betrekking tot een beding in een dergelijke overeenkomst waarin wordt afgezien van bezwaar en beroep tegen aanslagen bij de belastingrechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21 De Hoge Raad heeft beslist dat bij gebreke van een toelichting op een bepaling uit het Burgerlijk Wetboek van Sint Maarten aangesloten kan worden bij de uitleg van een vergelijkbare bepaling uit het BW:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Partijen gaan — terecht — ervan uit dat, bij gebreke van een toelichting op art. 7:226 BWSM die in een andere richting wijst, voor de uitleg van die bepaling kan worden aangesloten bij de uitleg van art. 7:226 van het Nederlandse BW. Dit strookt met het in art. 39 lid 1 van het Statuut voor het Koninkrijk neergelegde concordantiebeginsel, dat ertoe strekt het burgerlijk recht binnen het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Literatuur 4.22 Over de uitgangspunten bij toepassing van buitenlands (privaat)recht in belastingzaken, heeft Warren geschreven:</p>\n<p class=\"lf-p\">3.1 Buitenlands recht: feit, recht of hybride?</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit art. 8:69 lid 2 en 3 Awb volgt dat het onderscheid tussen feit en recht bepalend is voor de rolverdeling tussen partijen enerzijds en de belastingrechter anderzijds. De kwalificatie van buitenlands recht als feit of recht bepaalt dus wie - partijen of de belastingrechter - verantwoordelijk is voor de vaststelling ervan. Op de verantwoordelijkheid voor de vaststelling van buitenlands recht zit vermoedelijk geen enkele procesdeelnemer te wachten, want wat weet de gemiddelde Nederlandse jurist nu af van niet-Nederlands recht? Vanwege dit kennisprobleem wordt buitenlands recht in sommige rechtsstelsels als feit aangemerkt. Een voorbeeld is het Verenigd Koninkrijk: de Britse rechter kent alleen het Britse recht dus partijen moeten de inhoud van niet-Brits recht maar bewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Nederland ligt dit anders. Hier is buitenlands recht geen door de belastingplichtige of inspecteur te bewijzen feit, maar ambtshalve door de rechter toe te passen recht. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft dit meer dan tien jaar geleden verduidelijkt in een procedure die draaide om de toepassing van Turks afstammingsrecht. In deze zaak maakte de belastingplichtige aanspraak op aftrek van de uitgaven van levensonderhoud van zijn drie bij zijn ouders in Turkije wonende kinderen uit een vorige niet-huwelijkse relatie. Volgens de inspecteur stond niet vast dat de belanghebbende zijn kinderen juridisch had erkend. Om de erkenning te staven had de belanghebbende Turkse geboorteakten overgelegd waarin hij als vader stond vermeld. Naar eigen zeggen kon het hof uit de geboorteakten niet opmaken of de belanghebbende daadwerkelijk naar Turks recht erkenningshandelingen had verricht. De Hoge Raad vernietigde deze beslissing. Volgens de Raad was beslissend of de juridische erkenning in Turkije naar Turks recht kon worden bewezen door de geboorteakten die de belastingplichtige had overgelegd. De bewijskracht van die akten naar Turks recht - en dat is hier het voornaamste punt - had het hof ambtshalve moeten onderzoeken. (…) door te beslissen dat buitenlands recht geen feit is maar door de rechter ambtshalve toe te passen recht is, trad de belastingkamer van de Hoge Raad in het voetspoor van de civiele kamer die sinds 1915 buitenlands recht kwalificeert als recht in de zin van - tegenwoordig- art. 25 Rv, het civielrechtelijke equivalent van art. 8:69 lid 2 Awb. (…) 3.2.1 Doorwerking van buitenlands privaatrecht In de eerste plaats kan buitenlands recht doorwerken via belastingbepalingen die verwijzen naar privaatrechtelijke normen en begrippen. Vaak zal het gaan om Nederlands privaatrecht, maar het komt voor dat een voor de toepassing van het belastingrecht relevante privaatrechtelijke rechtsverhouding reeds wordt beheerst door buitenlands privaatrecht. Het zojuist genoemde arrest over het Turkse afstammingsrecht is daar een voorbeeld van.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23 Mees heeft over de taak van de Nederlandse belastingrechter bij de uitleg van buitenlands (civiel) recht opgemerkt:</p>\n<p class=\"lf-p\">De taak van de belastingrechter is wat het buitenlandse recht betreft altijd beperkt, in theorie althans. Het materiële recht volgens welk hij de zaak beslist is altijd Nederlands belastingrecht. Nooit wordt de vraag of de vordering van de belanghebbende tot vermindering van de aanslag toegewezen moet worden - in bestuursrechtelijke terminologie: de vraag of het beroep gegrond verklaard moet worden - als zodanig beslist volgens een buitenlandse belastingwet. In die zin past de belastingrechter nooit het recht van vreemde staten toe, zoals het in art. 79 Wet RO heet, over de schending waarvan in cassatie niet geklaagd kan worden. De buitenlandse wet speelt ‘slechts’ een rol bij de vaststelling of beoordeling van een feit dat van belang is voor de toepassing van een Nederlandse fiscale wetsbepaling. De belastingschuld wordt altijd vastgesteld volgens de Nederlandse wet. Dat neemt niet weg dat als de inhoud van het buitenlandse recht in geschil is, de Nederlandse belastingrechter op dat ene onderdeel evenzeer moet doen alsof hij de buitenlandse rechter is als de Nederlandse civiele rechter. In het voorbeeld van zo-even gaat hij op de stoel van de Franse civiele rechter zitten. Sterker, het kan zeer wel zijn dat in de naar Nederlands recht te beslissen belastingzaak alleen een vraag van buitenlands recht in geschil is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Beoordeling van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris Middel I 5.1 In het eerste middel wordt aangevoerd dat het Hof ten onrechte geoordeeld heeft dat het ambtshalve het bestaan van de vennootschap dient te toetsen en bij die toetsing heeft miskend dat niet voldoende is dat aan de mededelingsplicht van artikel 2:31, zevende lid, van het BWC is voldaan, doch dat door de daartoe bevoegde rechter feitelijk dient te worden vastgesteld dat geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn. Het Hof heeft verzuimd na te gaan of dit door de bevoegde rechter (tot in hoogste instantie) is vastgesteld. Ten gevolge van dit onjuiste oordeel heeft het Hof de beroepen van belanghebbende ten onrechte ontvankelijk verklaard en ten onrechte het onherroepelijke oordeel van de bevoegde civiele rechter niet afgewacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 De toelichting op het middel behelst kennelijk drie klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Ten eerste wordt bestreden dat het Hof had mogen toetsen of belanghebbende opgehouden was te bestaan op het moment van het nemen van de informatiebeschikkingen. Volgens de Staatssecretaris was namelijk niet het Hof bevoegd, maar de civiele rechter in Curaçao waar op dat moment een zaak aanhangig was waarin de Ontvanger en de Staat een vordering tot verklaring voor recht hebben ingesteld jegens belanghebbende en de voormalige vereffenaar, strekkende tot verklaring voor recht van het (voortdurende) juridisch bestaan van belanghebbende als NV.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Het Hof heeft overwogen dat ‘de vraag of belanghebbende ten tijde van het geven van de informatiebeschikkingen was opgehouden te bestaan […] geen feitelijke vraag [is], maar een vraag waarvan de beantwoording afhankelijk is van hetgeen Curaçaos recht bepaalt over het einde van de vereffening en het ophouden te bestaan van een naar dat recht opgerichte rechtspersoon. Het Hof is gehouden zich hiervan ambtshalve (zelfstandig) te vergewissen (vergelijk HR 10 oktober 2008, nr. 41.983, ECLI:NL:HR:2008:BF7181). De stelling van de Inspecteur dat de Nederlandse belastingrechter niet bevoegd is zich hierover uit te laten, wordt daarom verworpen.’ 5.5 Ik merk op dat ingevolge artikel 26, eerste lid, onderdeel b, jo. 52a, eerste lid, van de AWR de belastingrechter exclusief bevoegd is om kennis te nemen van een geschil over een informatiebeschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Dat wordt niet anders als in een geschil de uitleg van buitenlands recht, zoals in casu Curaçaos recht, aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 Omdat in casu de status van belanghebbende onderdeel van het partijdebat is, heeft het Hof zich in overeenstemming met artikel 8:69, tweede lid, van de Awb gehouden geacht uitleg te geven over het toepasselijke Nederlandse en buitenlandse recht, als basis voor de verdere feitelijke toetsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Het Hof is daarbij terecht uitgegaan van hetgeen het recht van Curaçao bepaalt over het voortbestaan van een vennootschap opgericht naar Curaçaos recht. Volgens het Nederlandse internationale privaatrecht wordt namelijk de beëindiging van het bestaan van een rechtspersoon beheerst door het recht van de staat waarvan die rechtspersoon ingevolge de akte van oprichting zijn zetel heeft en naar het recht waaronder zij is opgericht. De Curaçaose wet- en regelgeving zijn in casu dus bepalend.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 De vraag naar het toepasselijke nationale recht staat los van de vraag welke (Nederlandse of buitenlandse) rechter bevoegd is kennis te nemen van enig geschil waarin de vennootschap wordt betrokken. Het is namelijk heel wel mogelijk dat een Nederlandse rechter moet komen tot uitleg en toepassing van buitenlands recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Ik merk op dat in dit kader niet van toepassing is de Brussel-I-bis verordening, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en burgerlijke en handelszaken. Deze verordening is namelijk hiertoe beperkt, terwijl in artikel 1 expliciet vermeld is dat de verordening niet ziet op fiscale zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Voor het standpunt van de Staatssecretaris dat de Curaçaose (civiele) rechter in deze casus exclusief bevoegd is te oordelen over het bestaan van belanghebbende, is voor het overige mijns inziens evenmin enige steun te vinden in het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Ik meen dat het voorgaande strookt met de rechtspraak van de Hoge Raad over de bevoegdheidsverdeling tussen de civiele rechter en de belastingrechter en met de opvattingen van de A-G in de voornoemde samenhangende Curaçaose civiele zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Daarop stuit de eerste klacht af.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 De tweede klacht houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de laatste zin van artikel 2:31, zevende lid, van het BWC geen constitutief vereiste is voor het ophouden van het bestaan van een Curaçaose vennootschap. Verder mocht het Hof volgens de Staatssecretaris niet afgaan op gegevens uit het Handelsregister.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 De Rechtbank heeft in r.o. 25 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 2:31, zevende lid, van het BW Curaçao eindigt de vereffening en houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop geen aan de vereffenaar bekende baten meer aanwezig zijn en de vereffenaar dit op de juiste wijze heeft meegedeeld. De vereffenaar stelt een slotverantwoording op en legt deze ter inzage ten kantore van de rechtspersoon en het handelsregister. Die bepaling geldt naar het oordeel van de rechtbank in alle gevallen, dus zowel wanneer een rekening en verantwoording wordt gemaakt als in de situatie dat de vereffenaar terstond vaststelt dat geen hem bekende baten aanwezig zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Het Hof heeft daarentegen in r.o. 4.8 overwogen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ingevolge het bepaalde in het zevende lid van artikel 2:31 BW (Curaçao) eindigt de vereffening en houdt de rechtspersoon op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffenaar op de in het tweede lid voorziene wijze heeft medegedeeld dat aan hem geen bekende baten meer aanwezig zijn. Het Hof heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat hieraan niet is voldaan, gezien de publicatie van die strekking in de Curaçaosche Courant van 31 juli 2015 (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17 Ik merk om te beginnen op dat het recht van Curaçao niet als vreemd recht als bedoeld in artikel 79, eerste lid, onderdeel b, van de Wet RO heeft te gelden, zodat ’s Hofs overwegingen omtrent de uitleg van het Curaçaose recht hier in cassatie volledig op juistheid kunnen worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Het Hof heeft aan de hand van artikel 2:31, zevende lid, van het BWC getoetst of belanghebbende was opgehouden te bestaan. Gelet op de mededeling in de Curaçaosche Courant van 31 juli 2015, inhoudende dat belanghebbende was ontbonden, de vereffenaar geen baten bekend waren en de vereffening was geëindigd, is het Hof tot de slotsom gekomen dat belanghebbende ten tijde van het opleggen van de belastingaanslagen en het nemen van de informatiebeschikkingen was opgehouden te bestaan. Daarbij heeft het Hof overwogen dat het de tweede zin van artikel 2:31, zevende lid, van het BWC niet leest als een constitutief vereiste voor het ophouden te bestaan van een rechtspersoon naar Curaçaos recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Het tweede, het zesde en het zevende lid van artikel 2:31 van het BWC luiden:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De vereffenaar legt de in het eerste lid genoemde stukken gedurende een periode van ten minste dertig dagen ter inzage ten kantore van de rechtspersoon en het handelsregister. In het van Landswege uitgegeven blad waarin de officiële berichten worden geplaatst, alsmede schriftelijk aan leden en houders van aandelen op naam alsmede aan alle bekende crediteuren, maakt hij bekend waar en tot wanneer deze stukken ter inzage liggen. (…) 6. Het eerste tot en met het vijfde lid vindt geen toepassing indien de vereffenaar terstond bij zijn aantreden vaststelt dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>De vereffening eindigt en de rechtspersoon houdt op te bestaan op het tijdstip waarop de vereffenaar op de in het tweede lid voorziene wijze heeft medegedeeld dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn. De vereffenaar stelt een slotverantwoording op en legt deze ter inzage ten kantore van het handelsregister en, zo mogelijk ten kantore van de rechtspersoon.</div>\n<p class=\"lf-p\">5.20 Bij gebrek aan een toelichting op de laatste zin van artikel 2:31, zevende lid, van het BWC komt het mij voor dat aangesloten kan worden bij de uitleg van artikel 2:31 van het BWA en artikel 2:19 van het BW, de civielrechtelijke evenknieën in respectievelijk Aruba en Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 Uit deze bepalingen en met name uit artikel 2:31, zesde lid, van het BWA, leid ik af dat het opmaken en ter inzage leggen van een slotverantwoording geen constitutief vereiste is voor het ophouden van het bestaan van een rechtspersoon indien, zoals in casu, de vereffenaar terstond bij zijn aantreden vaststelt dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn. Slechts is vereist dat er geen baten meer zijn en dat daarvan mededeling is gedaan op de voorgeschreven wijze. Daarmee eindigt mijns inziens het bestaan van de vennootschap van rechtswege.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Uit de civiele rechtspraak van de Hoge Raad, die overigens ook door de Staatssecretaris wordt aangehaald, leid ik verder af dat het oordeel van de vereffenaar dat geen baten meer aanwezig zijn getoetst kan worden door de rechter. Schuldeisers van de vennootschap kunnen daartegen weliswaar opkomen, maar dat lijkt mij een andere kwestie. Nog afgezien van het gegeven dat een dergelijk opkomen in casu niet heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23 Het komt mij voor dat de voornoemde opvatting van het Hof juist te achten is, zodat de daartegen gerichte tweede klacht faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 De derde klacht is een motiveringsklacht waarin wordt geklaagd over onbegrijpelijkheid en tegenstrijdigheid in de Hofuitspraak:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de aanhef van de uitspraak geeft het Hof aan dat [X1] N.V. zal worden aangeduid als belanghebbende. In onderdeel 1.2. e.v. vermeldt het Hof dat namens de voormalig vereffenaar en de voormalige aandeelhouders ten tijde van de vereffening van belanghebbende, op naam van belanghebbende bezwaar is gemaakt. In onder meer onderdeel 1.6 geeft het Hof aan dat belanghebbende handelingen heeft verricht. In r.o. 4.10 komt het Hof tot het oordeel dat de belanghebbende heeft opgehouden te bestaan. Hieruit volgt dat ook voor het Hof kennelijk niet duidelijk is of belanghebbende nog bestond. Als belanghebbende niet meer bestaat, kan zij ook geen handelingen verrichten. Ook in zoverre is sprake van tegenstrijdigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25 Het Hof heeft conform het arrest van 19 september 2003 geoordeeld dat belanghebbende in hoger beroep is gekomen, hetgeen naar mijn mening processueel juist is. Dat het Hof vervolgens is gekomen tot het inhoudelijke oordeel dat belanghebbende was opgehouden te bestaan, staat daaraan niet in de weg. Zo is de volgorde van eerst processuele ingang en vervolgens beslissing van een te beslechten geschilpunt. Ik vermag daarin geen onbegrijpelijkheid te zien.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.26 Dat betekent dat de derde klacht het lot van de eerdere moet delen, zodat het eerste middel in zijn geheel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Middel II 5.27 Ingevolge r.o. 4.23 heeft het Hof de informatiebeschikkingen vernietigd. Het bestaanseinde van belanghebbende heeft tot gevolg dat belanghebbende niet meer tot nakoming van verplichtingen uit hoofde van de informatiebeschikkingen in staat was. Er is volgens het Hof namelijk geen vertegenwoordigend orgaan (bestuurder of vereffenaar) aan te wijzen die aan de verzoeken van de Inspecteur kon voldoen. Aan de bewaarder van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, komt die vertegenwoordigende bevoegdheid naar Curaçaos recht niet toe. Op de bewaarder rust slechts een bewaarplicht en de verplichting tot inschrijving van de aanwijzing of benoeming tot bewaarder in het Handelsregister. Gelet hierop kan belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet in verzuim zijn in de voldoening aan haar verplichtingen uit hoofde van de informatiebeschikkingen. Deze heeft het Hof daarom vernietigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.28 In het tweede middel wordt gesteld dat het Hof daarmee miskent dat belanghebbende wel aan haar informatieplicht kon voldoen, nu het Hof de bezwaren ontvankelijk heeft geacht vanwege de door de voormalige vereffenaar en/of de voormalige aandeelhouders toegepaste 'zaakwaarneming'.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.29 Ik begrijp dit middel aldus dat het zo zou zijn dat als aan een voormalige vereffenaar en/of voormalige aandeelhouders rechtsingang toekomt tegen aansprakelijkstelling, daaruit zou volgen dat zij gehouden zijn als zaakwaarnemer voort te gaan, in casu door het verstrekken van inlichtingen namens de vennootschap.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.30 Ik meen daarentegen dat de door de Hoge Raad met het oog op rechtsbescherming - om een geliquideerde vennootschap niet zonder fiscale rechtsbescherming te laten - gegeven mogelijkheid dat onder andere voormalige vereffenaars bezwaar en beroep kunnen instellen tegen een door de Inspecteur aan een geliquideerde vennootschap achteraf opgelegde fiscale verplichtingen, tot het instellen van rechtsmiddelen beperkt is. Dat impliceert niet de verplichting voor voormalige vereffenaars om anderszins door te gaan na de rechterlijke vaststelling dat de vennootschap heeft opgehouden te bestaan. Dit is te zien als het eindpunt van de liquidatie (behoudens heropening op verzoek van schuldeisers, maar daarvan is in casu geen sprake).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.31 Aldus faalt ook het tweede middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, nrs. 17/01187 t/m 17/01202, ECLI:NL:GHARL:2020:9536.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, nrs. 17/01222 t/m 17/01240, ECLI:NL:GHARL:2020:9538.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, nrs. 17/01268 t/m 17/01277, ECLI:NL:GHARL:2020:9542.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 17 november 2020, nrs. 17/01250 t/m 17/01259, ECLI:NL:GHARL:2020:9540.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wesseling-van Gent van 24 december 2021, nr. 20/03485, ECLI:NL:PHR:2021:1238, onderdeel 2.40-2.52. In onderdeel 2.40 staat dat: ‘(…) de (voor)vraag of de Vennootschap heeft opgehouden te bestaan door de belastingrechter moet/kan worden beoordeeld en getoetst in het kader van zijn beoordeling van de opgelegde belastingaanslagen en informatiebeschikkingen. De belastingrechter is daarbij bevoegd om deze voorvraag volledig te toetsen en op dezelfde wijze als de civiele rechter doet, waarbij de belastingrechter daarnaast ook aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toetst. Het feit dat de vraag of een rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, een civielrechtelijke kwestie betreft, waarover de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen en waarover uitsluitend bij de civiele rechter een verklaring voor recht kan worden gevraagd, is m.i. dus niet van doorslaggevende aard, zodat er in beginsel dus geen plaats voor ingrijpen door de burgerlijke rechter (als restrechter).’ De verschillen die er zijn zien onder meer op de jaartallen van het bestaan van de vennootschappen en daaraan gekoppeld voor welke jaren de belastingaanslagen zijn opgelegd, het wel of niet opleggen van belastingaanslagen in de kansspelbelasting, het wel of niet vragen van een machtiging van de gemachtigde van belanghebbende en de activiteiten van de vennootschappen. Zoals ik al aangeef, zijn dit echter geen relevante verschillen voor de beoordeling van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 25 oktober 2017, nrs. AWB 17/4058 t/m AWB 17/4073, ECLI:NL:RBGEL:2017:5462. Voor de parallelzaken zie Rb. Gelderland 25 oktober 2017, nrs. AWB 17/4039 t/m AWB 17/4057, ECLI:NL:RBGEL:2017:5461; Rb. Gelderland 25 oktober 2017, nrs. AWB 17/4074 t/m AWB 17/4083, ECLI:NL:RBGEL:2017:5463; Rb. Gelderland 25 oktober 2017, nrs. AWB 17/4029 t/m AWB 17/4038, ECLI:NL:RBGEL:2017:5460.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in deze conclusie opgenomen citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn meestal zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten met een tekstbewerking, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven. In citaten voorkomende witregels zijn soms weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 7 in origineel: De inspecteur heeft het Hof op 28 augustus 2020 geïnformeerd over de vindplaats van de uitspraak in hoger beroep. Het Hof heeft n.a.v. dit bericht de zaak niet heropend. Daarmee heeft het Hof verzuimd vast te stellen of sprake is van een onherroepelijk oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 9 in origineel: Artikel 18, derde lid, Handelsregisterverordening 2010: \"Indien bij rechterlijke uitspraak hetgeen in het handelsregister is ingeschreven geheel of gedeeltelijk onrechtmatig is verklaard, doet de Kamer op verzoek van een belanghebbende daarvan aantekening in het handelsregister.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1962/63, 2079, nr. 5, p. 9, r.k. (MvA). Zie ook Kamerstukken II 1962/63, 2079, nr. 6, p. 1, l.k. en vergelijk artikel 1, tweede lid, van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (luidende: ‘De rechtsstelsels van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelden niet als rechtsstelsels van vreemde staten in de zin van artikel 79, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de rechterlijke organisatie.’).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 september 2003, nr. 38 372, ECLI:NL:HR:2003:AK8288.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 oktober 2008, nr. 41 983, ECLI:NL:HR:2008:BF7181.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 27 juni 2008, nr. 07/10704, ECLI:NL:HR:2008:BD5467.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 december 2010, nr. 09/00421, ECLI:NL:HR:2010:BN9461. Zie ook HR 26 maart 2004, nr. C02/316, ECLI:NL:HR:2004:AO2779, r.o. 3.4 over het Burgerlijk Wetboek van Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 juni 2017, nr. 16/01405, ECLI:NL:2017:1103. Zie ook HR 21 april 2006, nr. C04/300HR, ECLI:NL:HR:2006:AU4548.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 oktober 2017, nr. 16/02319, ECLI:NL:HR:2017:2560.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.J.D. Warren, ‘Een hybride mismatch maar dan anders’, WFR 2020/24.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Mees, ‘Vreemd recht: feit of recht?’, in: L.J.A. Pieterse e.a. (red.), Draaicirkels van formeel belastingrecht (Niessenbundel), Amersfoort: Sdu Uitgevers 2009, p. 238.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover nader onderdeel 1.3 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hofuitspraak, r.o. 4.4, zoals opgenomen in onderdeel 2.5 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de literatuur opgenomen in onderdeel 4.22 en 4.23 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Hofuitspraak, r.o. 4.1, zoals opgenomen in onderdeel 2.5 van deze conclusie: ‘Het antwoord op de vraag of de bezwaren tegen de informatiebeschikkingen terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard door de Inspecteur en zo nee, of de informatiebeschikkingen dienen te worden vernietigd, al dan niet vanwege misbruik van bevoegdheid (détournement de pouvoir), valt of staat met het antwoord op de eerste vraag: is belanghebbende naar Curaçaos recht opgehouden te bestaan?’ Zie HR 10 oktober 2008, nr. 41 983, ECLI:NL:HR:2008:BF7181 (Turkije II), zoals opgenomen in onderdeel 4.17 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikelen 10:118 en 10:119, aanhef, onderdeel f, van het BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel 4.7 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 juni 2017, nr. 16/01405, ECLI:NL:2017:1103, r.o. 3.5, zoals opgenomen in onderdeel 4.20 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wesseling-van Gent van 24 december 2021, nr. 20/03485, ECLI:NL:PHR:2021:1238. Zie onderdeel 1.3 van mijn onderhavige conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1962/63, 2079, nr. 5, p. 9, r.k. (MvA), zoals opgenomen in onderdeel 4.15 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hofuitspraak, r.o. 2.4, zoals opgenomen in onderdeel 2.5 van deze conclusie: ‘Bij besluit van de Buitengewone Algemene Vergadering van Aandeelhouders van de Vennootschap is besloten de Vennootschap per 8 juli 2015 te ontbinden en [A] N.V. tot Vereffenaar te benoemen. De Vereffenaar heeft terstond bij zijn aantreden vastgesteld dat geen aan hem bekende baten aanwezig zijn. Overeenkomstig artikel 31 lid 7 Boek 2 BW is door de onderhavige publicatie van dat feit de vereffening geëindigd en is de Vennootschap opgehouden te bestaan. De slotverantwoording wordt ter inzage gelegd ten kantore van het handelsregister.’ Hofuitspraak, r.o. 4.6-4.11, zoals opgenomen in onderdeel 2.5 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk het zogenoemde concordantiebeginsel, neergelegd in artikel 39 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en HR 6 oktober 2017, nr. 16/02319, ECLI:NL:HR:2017:2560, r.o. 3.5.2, zoals opgenomen in onderdeel 4.21 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2:31, zesde lid, van het BWA luidt: ‘De vereffening eindigt en de rechtspersoon houdt op te bestaan op het tijdstip waarop een schriftelijke verklaring van de vereffenaar dat geen aan hem bekende baten meer aanwezig zijn op de in het tweede lid voorziene wijze is ter inzage gelegd en medegedeeld.’ De zin over het opmaken en het ter inzage leggen van een slotverantwoording is neergelegd in het achtste lid van artikel 2:31, achtste lid, van het BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 december 2010, nr. 09/00421, ECLI:NL:HR:2010:BN9461, r.o. 3.2.2, zoals opgenomen in onderdeel 4.19 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 september 2003, nr. 38 372, ECLI:NL:HR:2003:AK8288, r.o. 3.2.3, zoals opgenomen in onderdeel 4.16 van deze conclusie.</p></div>", "next": 0}