{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie MvG, nr. 3.2, waar KPN opmerkt dat zij (ondanks haar twijfels over de daadwerkelijke partijbedoelingen) geen grief zal richten tegen deze uitleg, aangezien zij geen partij was bij de overeenkomsten tussen Telecom Vastgoed en de eigenaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ST Telecom Vastgoed, nr. 1.55 en ST KPN, nr. 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens maakt Telecom Vastgoed dit onderscheid zelf niet consequent. Vgl. de stelling van haar advocaten ter comparitie in eerste aanleg d.d. 5 februari 2018, onder punt 5: ‘“Huurpenningen” in de vestigingsakte betekent gewoon “huurvorderingen”.’ De rechtbank sprak dienovereenkomstig van ‘de vorderingsrechten met betrekking tot de huurpenningen/retributies’ (rov. 4.11 van het vonnis in eerste aanleg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betoogt Telecom Vastgoed ook niet. Vgl. onderdeel 1.15, dat juist ten betoge strekt dat het verschil tussen Akten mét en zonder verteringsbevoegdheid voor de rechtsgeldigheid van de vruchtgebruiken ‘niet relevant’ is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderdelen vermelden niet dat (en waar) Telecom Vastgoed een beroep op art. 3:41 of 3:42 BW heeft gedaan. Vgl. ST Telecom Vastgoed, nr. 1.37 en ST KPN, nr. 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie K. Everaars, ‘Partijautonomie bij beperkte rechten’, NTBR 2021/19, p. 151. Ook R. Bobbink betoogt in zijn annotatie bij het bestreden arrest dat partiële nietigheid (nl. nietigverklaring van alleen de omschrijving van de vruchten in art. 4 van de Akten) geen uitkomst biedt (JOR 2021/159, onder 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 26 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0905, NJ 1993/329 (Bakker/Zwolsche Algemeene Schadeverzekering), rov. 3.5 en de bijbehorende conclusie van A-G Asser, onder 2.42; HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2123, NJ 2014/347 (BP/ […]), rov. 3.7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledigheidshalve signaleer ik dat het ontwerp van art. 3:9 BW voorzag in een vijfde lid op grond waarvan het ‘recht op toekomstige vruchten (…) los van het goed dat hen voortbrengt’ kon worden overgedragen, mits met inachtneming van de vereisten voor vestiging van een recht van vruchtgebruik op dat goed en onverminderd het bepaalde omtrent huur en pacht. Dit vijfde lid is niet ingevoerd, omdat de wetgever een cessie bij voorbaat afdoende en qua formaliteiten minder bezwaarlijk achtte. Zie Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 93-96, met verwijzing naar HR 15 maart 1940, NJ 1940/848, m.nt. E.M. Meijers (De Boer/Haskerveenpolder).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 3.6 van het bestreden arrest, voor de stelling van KPN dat met de constructie ‘een faillissement-bestendige cessie van toekomstige vorderingen in het kader van een soort non-recourse loan’ is beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 4.2 van het bestreden arrest, voor de vaststelling dat Telecom Vastgoed naar eigen zeggen (MvA, nr. 22) fiscale motieven had voor de gekozen vruchtgebruikconstructie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 5.2 (zevende volzin) van het bestreden arrest, voor de vaststelling dat Telecom Vastgoed niet gebonden wenst te zijn aan verhuurdersverplichtingen en aan vestigingsformaliteiten voor een zakelijk vruchtgebruik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 5.2 (tiende volzin) van het bestreden arrest, voor de vaststelling dat de opstellers van de Akten zich ervan bewust waren dat de afspraken buiten de wettelijke regeling van het vruchtgebruik vielen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 22 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8185, NJ 2003/34, rov. 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 2.6-2.7 en 4.4 (in zoverre niet bestreden in cassatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA, nr. 103 en 126 (genoemd in voetnoot 9 van de procesinleiding in cassatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Illustratief is in dit verband dat onderdeel 1.15 juist de klacht inhoudt dat het hof geen betekenis had mogen toekennen aan het onderscheid tussen Akten mét en zonder verteringsbevoegdheid, omdat dit onderscheid volgens Telecom Vastgoed ‘niet relevant’ is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus de gecursiveerde kop boven de onderdelen 1.11 tot en met 1.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de weergave van het petitum en de grondslag daarvan in 1.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 3.6-3.8, 4.2 en 4.7 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke pleitnotities zijdens Telecom Vastgoed d.d. 29 september 2020, nr. 47. Vgl. ook ST KPN, nr. 3.9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook ST KPN, nr. 3.10.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het woord ‘Overigens’ in de slotzin van rov. 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook ST KPN, nr. 3.13.3-3.13.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de woorden ‘in ieder geval’, ‘bij gebreke van een geldig vruchtgebruik’ en ‘Als die inningsbevoegdheid al niet op artikel 3:210 BW zou berusten’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook ST KPN, nr. 3.14.2 en voetnoot 80.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 5.2, eerste tot en met vierde volzin (mede voortbouwend op rov. 4.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 5.2, vijfde en zesde volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook nr. 4.3.9 van de ST namens KPN.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 5.2, zevende volzin. Hoewel deze volzin begint met de woorden ‘Volgens KPN’, blijkt uit het vervolg (waaronder de verwijzing naar rov. 4.8) dat en waarom het hof deze stellingname van KPN tot de zijne maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 5.2, achtste tot en met elfde volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 5.2, twaalfde en dertiende volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 5.1 (‘Maar ook als het recht van vruchtgebruik wel rechtsgeldig zou zijn gevestigd’) en rov. 5.2, voorlaatste volzin (‘zo al zou moeten worden geoordeeld dat sprake is van een rechtsgeldig vruchtgebruik’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt uit de slotzin van rov. 5.2. Ook het middel gaat van deze lezing uit. Voor zover in ST Telecom Vastgoed, nr. 3.11 klachten worden aangevoerd die ervan uitgaan dat het hof géén misbruik van inningsbevoegdheid heeft aangenomen, zijn die klachten tardief (aldus ook KPN in nr. 12 van de nota van dupliek).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook ST KPN, nr. 4.2.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dit verweer MvA, nr. 173-174.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. o.m. HR 17 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG5024, NJ 1986/760, m.nt. W.M. Kleijn, genoemd in rov. 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ST KPN, nr. 5.2.2, onder verwijzing naar MvG, nr. 3.56, waar KPN aanvoerde dat Telecom Vastgoed, door te profiteren van de wanprestatie van de eigenaren, niet alleen onrechtmatig handelt jegens KPN, maar ook misbruik van recht en bevoegdheid maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader MvG, nr. 3.31 e.v. en 3.52 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die benadeling ligt overigens ook besloten in ’s hofs oordeel dat Telecom Vastgoed de eigenaren had moeten informeren over ‘de bezwaren van KPN tegen de constructie’ (rov. 5.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat profijt ligt overigens ook besloten in ’s hofs verwijzing naar het belang van Telecom Vastgoed ‘dat haar investeringen worden terugbetaald door een paar grote kapitaalkrachtige bedrijven’ (rov. 5.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 25 van het cassatiemiddel verwijst naar MvA, nr. 173-179.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de woorden ‘daarnaast’ en ‘beide verplichtingen’ in de tweede en derde volzin van de tweede alinea van rov. 5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.6 (slot): alleen de oudere Akten bevatten een exclusief gebruiksrecht ten gunste van Telecom Vastgoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA, nr. 173.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA, nr. 174.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA, nr. 175-179.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook ST KPN, nr. 5.2.15.</p></div>", "next": 0}