{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 start met een aanloop. Daarin wordt gesteld dat het OM zich, ten bewijze van zijn vaststelling dat HAMC en HAMC Holland zodanig zijn ingebed in een cultuur van geweld dat hun werkzaamheid in strijd moet worden geacht met de openbare orde (rov. 5.36-5.52 van de beschikking), heeft gebaseerd op diverse bronnen, waaronder persberichten, informatie uit politiesystemen en (buitenlandse) rechtspraak. Het OM heeft die bronnen niet in het geding gebracht, maar er enkel naar verwezen en op basis daarvan stellingen ingenomen. De Stichting c.s. hebben in hoger beroep laten weten geen toegang tot een groot deel van deze bronnen te hebben en hebben daarom bij brief van 14 april 2020 ex art. 22 Rv verzocht het OM te bevelen een afschrift van al deze bronnen te verstrekken, welk verzoek het hof bij beslissing van 24 april 2020 ongemotiveerd heeft afgewezen. Niettemin heeft het hof zijn bewijswaardering in de beschikking in belangrijke mate gebaseerd op het gebruik van voor de Stichting c.s. niet controleerbare of verifieerbare bronnen, waartoe het hof in rov. 5.35 overweegt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren, aldus nog steeds het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.8 Subonderdeel 2.1 klaagt dat “[d]it oordeel” blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 22 Rv jo. art. 6 EVRM.Het hof heeft in de plaats miskend dat het waarborgen van de equality of armshet hof ertoe noopte van zijn bevoegdheid ex art. 22 Rv gebruik te maken teneinde ervoor te zorgen dat alle informatie die in het proces wordt gebruikt, controleerbaar en verifieerbaar is voor alle deelnemers aan het proces. Het betreft hier weliswaar een discretionaire bevoegdheid van de rechter, maar dat neemt niet weg dat de rechter een gemotiveerd verzoek van één van de partijen niet zonder enige motivering naast zich neer kan leggen, zeker niet als het beginsel van equality of arms aan de orde is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik noem dit de eerste klacht van het subonderdeel.Vervolgens heeft het hof in rov. 5.35-5.52 van de beschikking het in art. 6 EVRM besloten beginsel van equality of armsopnieuw miskend door het gebruik door het OM van deze informatie niet alleen toe te staan, maar die informatie ook aan zijn oordeel ten grondslag te leggen. Dat oordeel is “principieel onjuist”, nu uitvloeisel van het beginsel van equality of arms is dat informatie-asymmetrie ten aanzien van de voor het goede partijdebat en de rechterlijke beslissing relevante informatie zoveel mogelijk moet worden voorkomen en nu uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat dit beginsel niet alleen met zich brengt dat partijen gelijke kansen moeten hebben op het terrein van informatieverstrekking aan elkaar en aan de rechter, maar ook dat alle informatie die een partij aan haar betoog in het proces ten grondslag legt controleerbaar en verifieerbaar moet zijn en op zo’n manier beschikbaar dient te zijn dat zij te allen tijde toegankelijk en controleerbaar is voor alle deelnemers aan het proces en ook voor derden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik noem dit de tweede klacht van het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.9 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Art. 22 Rv behelst een discretionaire bevoegdheid van de rechter om partijen te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bescheiden over te leggen.Bij de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of partijen erover kunnen klagen dat de rechter geen bevel op de voet van art. 22 Rv heeft gegeven. Dat is niet het geval. De rechter hoeft zelfs niet uitdrukkelijk te beslissen op een verzoek gebruik te maken van de bevoegdheid ex art. 22 Rv, al zal hij een gemotiveerd verzoek van een van de partijen om toepassing te geven aan art. 22 Rv uiteraard niet zonder meer naast zich neerleggen. Ik citeer Tjong Tjin Tai: “Bij de parlementaire behandeling is de vraag gesteld of partijen erover kunnen klagen dat de rechter geen bevel op de voet van art. 22 Rv heeft gegeven. Dat is niet het geval. Volgens de minister [zie Kamerstukken II 99/20, 26855, 5, p. 28, A-G] behoeft de rechter zelfs niet uitdrukkelijk te beslissen op een verzoek van partijen om gebruik te maken van de bevoegdheid van art. 22 Rv, al zal de rechter een gemotiveerd verzoek van een der partijen terzake uiteraard niet zonder meer naast zich neerleggen. Aangezien de rechter dienaangaande een discretionaire bevoegdheid heeft, kunnen geen hoge eisen worden gesteld aan de motivering van de rechter terzake. Een partij die het overleggen van bescheiden door haar wederpartij wil afdwingen, kan - indien aan de voorwaarden voor toepasselijkheid van deze bepaling is voldaan - ook gebruik maken van art. 843a Rv. Bij een beroep op art. 843a Rv is bovendien de vrije beoordelingsruimte van de rechter kleiner (de rechter heeft in dat geval geen discretionaire bevoegdheid) en gelden ook hogere motiveringseisen.”[zonder verwijzing in origineel, A-G] Het is wellicht niet uitgesloten dat de rechter in een concreet geval gehouden is om een bevel ex art. 22 Rv te geven, ter vermijding van schending van art. 6 EVRM (en het daarin besloten liggende equality of arms-beginsel). Partijen gaan ervan uit dat het hof bij beslissing van 24 april 2020 het in de aanloop van onderdeel 2 bedoelde verzoek van de Stichting c.s. ex art. 22 Rv (ongemotiveerd) heeft afgewezen.De standaardoverweging van het EHRM over het recht op tegenspraak in het kader van art. 6 EVRM, waarvan het beginsel van equality of arms onderdeel uitmaakt, luidt aldus: “30. The Court reiterates that the concept of a fair hearing implies the right to adversarial proceedings, in accordance with which the parties must have the opportunity not only to adduce evidence in support of their claims, but also to have knowledge of, and comment on, all evidence or observations filed, with a view to influencing the court’s decision (see Nideröst-Huber v. Switzerland, 18 February 1997, Reports 1997-I, p. 108, § 24, and K.S. v. Finland, no. 29346/95, § 21, 31 May 2001). (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover hier relevant, moet dus een procesdeelnemer in staat zijn om door andere procesdeelnemers ingebrachte “evidence or observations” te kennen en daarop te responderen met het oog op het beïnvloeden van de rechterlijke beslissing, waarbij zij aangetekend dat hier geen sprake is van een recht met een absoluut karakter. Daarbij gaat het in essentie dus om het waarborgen van een zeker evenwicht (een ‘fair balance’) tussen de procesdeelnemers. Dit brengt bijvoorbeeld, in de woorden van A-G Wesseling-van Gent: “niet het recht van een partij mee op de overlegging van de bewijsstukken die de wederpartij onder zich heeft. Het feit dat partijen in een procedure niet over dezelfde stukken beschikken en er aldus sprake is ongelijkheid tussen de procespartijen, is op zichzelf onvoldoende om tot strijd met art. 6 EVRM te kunnen concluderen. Het EHRM toetst niet of het nationale procesrecht van de verdragsstaten in abstracto voldoet aan de eisen van art. 6 lid 1 EVRM, maar of de concrete procedure in haar geheel 'eerlijk' is verlopen.”[zonder verwijzingen in origineel, A-G] Ik wend mij nu tot het subonderdeel, na eerst nogmaals een blik te hebben geworpen op de beschikking.Het hof stelt in rov. 5.34 van de beschikking voorop, kort gezegd, dat “bepalend is of op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting” kan worden vastgesteld dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde, waarbij geldt dat de bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die tot deze conclusie kunnen leiden op het OM rust. Daarbij verwijst het hof naar de toepasselijke regels van het bewijsrecht (specifiek art. 150 Rv in verbinding met art. 284 Rv), overweegt het hof dat op grond van art. 152 Rv het OM zich daarbij in beginsel op alle bewijsmiddelen mag beroepen, en stelt het hof vast dat voor zover de door het OM aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, het hof die feiten op grond van art. 149 Rv als vaststaand moet aannemen. Daarop laat het hof volgen dat naar zijn oordeel er voldoende feiten en omstandigheden zijn komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde, dat het hof verder aannemelijk gemaakt acht dat een verbod van deze organisaties in Nederland om die reden noodzakelijk is, en dat het hof dat daarna toelicht. ’s Hofs oordeel in rov. 5.34 wordt in cassatie niet (kenbaar) bestreden. Vervolgens zet het hof in rov. 5.35 het volgende uiteen:</p>\n<p class=\"lf-p\">“5.35. Het hof kent weinig betekenis toe aan de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn. Wel van betekenis zijn de bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt. De Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - moeten in staat worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, rijst uit deze bronnen het beeld op van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland. Ook blijkt daaruit van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. En ook is daaruit af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof bouwt daarop voort in o.a. rov. 5.36-5.52.Hieruit volgt onder meer dat naar ’s hofs oordeel in de beschikking wél van betekenis zijn “de bronnen” die in de onderhavige procedure zijn ingebracht door het OM en “die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”, alsmede dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen responderen op deze voor hen kenbare bronnen (waartoe de Stichting c.s. ook in de gelegenheid zijn gesteld), ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren, nu het gaat om deze bronnen met concrete gegevens die (leden van) de Hells Angels zelf betreffen. Zoals het voorgaande laat zien, is dit oordeel van het hof in de beschikking niet in tegenspraak met (rechtspraak van het EHRM in het kader van) art. 6 EVRM, waaronder het beginsel van equality of arms. Dit laatste geldt - in het verlengde van het voorgaande - evenzeer voor het vervolgoordeel van het hof aldaar dat, ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>uit “deze bronnen” (dus “de bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”, zoals in de onderhavige procedure ingebracht door het OM) het beeld oprijst van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>daaruit (dus: uit deze bronnen) ook blijkt van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>daaruit (dus: uit deze bronnen) ook is af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld, zoals het hof nader uiteenzet in rov. 5.36-5.52.Daarmee is gegeven dat de tweede klacht van het subonderdeel kapseist, nu van de daarin veronderstelde ‘principiële onjuistheid’ van ’s hofs oordeel in de beschikking geen sprake is: deze rechtsklacht leest te veel in art. 6 EVRM (inclusief het beginsel van equality of arms) en de in het subonderdeel genoemde rechtspraak van het EHRM ter zake, terwijl het hof in de beschikking voldoet aan hetgeen wel volgt uit (deze EHRM-rechtspraak inzake) art. 6 EVRM (inclusief het beginsel van equality of arms). In het voetspoor daarvan slaat ook om de eerste klacht van het subonderdeel, eveneens een rechtsklacht: “het waarborgen van de equality of arms” noopte het hof niet ertoe van zijn bevoegdheid ex art. 22 Rv gebruik te maken “teneinde ervoor te zorgen dat alle informatie die in het proces wordt gebruikt controleerbaar en verifieerbaar is voor alle deelnemers aan het proces”, terwijl daarin evenmin aanleiding gelegen was voor het hof genoemde beslissing van 24 april 2020 nader te motiveren. Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuit het subonderdeel af.</div>\n<p class=\"lf-p\">3.10 Subonderdeel 2.2 klaagt dat althans in het licht van de gedingstukken onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd ’s hofs oordeel (in rov. 5.35 van de beschikking) dat de Stichting c.s. in staat moeten worden geacht op de informatie van het OM gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om niet-geverifieerde berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Daartoe voert het subonderdeel aan dat het hof hier immers voorbijgaat aan het gedegen onderbouwde (o.a. met een rapport van [betrokkene 4]), niet weersproken verweer van de Stichting c.s. dat een aanzienlijk deel van deze door het OM genoemde bronnen (vooral informatie uit politiesystemen) gesloten en bijgevolg ontoegankelijk voor controle is, de door het OM gebruikte persberichten uit anonieme bronnen afkomstig zijn en daarom niet op betrouwbaarheid zijn te controleren, terwijl een groot deel van de (buitenlandse) rechterlijke uitspraken door geen of onjuiste opgave van vindplaatsen niet traceerbaar is. Het subonderdeel wijst, “puntsgewijs samengevat”, als volgt op hetgeen de Stichting c.s. in dit verband naar voren hebben gebracht:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(i): “Ten aanzien van de door het OM genoemde voorvallen van onregelmatigheden in Nederland, waarbij Hells Angels betrokken zouden zijn, is 35% gebaseerd op een persbericht. Voor buitenlandse incidenten geldt dat dit percentage 55 is. Slechts van 30% van deze persberichten is de auteur bekend, terwijl het OM zich met regelmaat beroept op informatie uit de roddelpers of obscure nieuwswebsites. De juistheid daarvan is veelal niet te verifiëren, omdat het OM geen andere bewijsmiddelen aandraagt die de informatie uit dergelijke persberichten ondersteunt. Ten aanzien van de binnenlandse persbronnen hebben de Stichting c.s. bovendien opgemerkt dat vanuit de overheid bewust wordt ingezet op ‘framing’ van de Hells Angels via de media. De Stichting c.s. hebben in dit verband de vraag opgeworpen of het OM aldus niet gebruik maakt van 'zelf gecreëerde’ bronnen, althans minst genomen als gevolg van die framing gebruik maakt van twijfelachtige bronnen”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(ii): “Ten aanzien van de door het OM aan zijn verzoek ten grondslag gelegde, niet in het geding gebrachte binnenlandse bronnen is het schrikbarende percentage van 91% (namelijk maar liefst 555 van de 607 door het OM genoemde bronnen) niet toegankelijk voor de Stichting c.s. en dus niet op juistheid te controleren, laat staan dat de Stichting c.s. daarop fatsoenlijk kunnen responderen. Het betreft in overwegende mate zeer fragmentarisch gepresenteerde informatie uit politiesystemen, waarvan dus ook nog eens belangrijke context ontbreekt.Bovendien hebben de Stichting c.s. zich ten aanzien van het gebruik door het OM van gesloten bronnen uit politiesystemen beroepen op een deskundigenrapport van professor [betrokkene 4]. Professor [betrokkene 4] concludeert dat het gebruik door het OM van gesloten bronnen, te weten informatie uit politieonderzoeken en politiesystemen, de Stichting c.s. ernstig belemmeren in de mogelijkheid om op deze stukken adequaat te kunnen responderen. Ook de open bronnen (berichten uit de pers, wetenschappelijke publicaties en gerechtelijke uitspraken) zijn in zijn ogen overigens niet of nauwelijks toegankelijk, laat staan controleerbaar”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(iii): “Ten aanzien van de door het OM ter adstructie van zijn verzoek gebruikte bronnen bestaande uit strafrechtelijke beslissingen van buitenlandse gerechtelijke autoriteiten hebben de Stichting c.s. zich eveneens beroepen op het deskundige oordeel van professor [betrokkene 4]. [betrokkene 4] concludeert dat een substantieel deel van de buitenlandse gerechtelijke uitspraken (door het OM dus niet in het geding gebracht), die het OM ter onderbouwing van zijn verzoek heeft genoemd, van een onjuiste vindplaats zijn voorzien. Derhalve is een groot deel van die uitspraken door de Stichting c.s. niet gevonden, terwijl eerst na zeer tijdrovend zoekwerk slechts enkele uitspraken konden worden getraceerd, zij het met een andere vindplaats dan door het OM opgegeven. Professor [betrokkene 4] concludeert ten aanzien van dit punt dat de aantallen waar het hier om gaat dermate significant zijn dat de rechter uiterst behoedzaam te werk moet gaan met het gebruik van dergelijke bronnen in zijn oordeel. Dat is temeer noodzakelijk gelet op de zware motiveringsplicht die in dit verband op het OM rust als consequentie van de vergaande inperking op de vrijheid van vereniging (artikel 11 Gw en artikel 8 EVRM) die toewijzing van het verzoek van het OM met zich brengt”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(iv): “Ten slotte heeft het OM zich beroepen op een aantal criminologische onderzoeken, onder andere een onderzoek van Blokland uit 2014 en Blokland e.a. uit 2017. Uit die onderzoeken zou volgens het OM blijken dat HAMC één van de meest prominent vertegenwoordigde organisaties zou zijn op het gebied van criminaliteit. De Stichting c.s. hebben die stelling gemotiveerd betwist en de onderzoeken, waarop het OM deze stelling baseert, laten analyseren door [betrokkene 3]. [betrokkene 3] concludeert in zijn rapport dat de cijfermatige onderbouwing van het OM ook op dit punt ernstige gebreken vertoont. De cijfers geven bijvoorbeeld geen uitsluitsel over de vraag of een persoon voor of tijdens zijn lidmaatschap van de Hells Angels is veroordeeld. Bovendien zijn de cijfers niet-concludent en erg suggestief waar het gaat om het percentage van Hells Angels-leden dat een strafrechtelijke veroordeling op zijn naam zou hebben.De Stichting c.s. hebben er bovendien op gewezen dat Blokland zelf een kritische reflectie op het gebruik van zijn onderzoeken heeft gegeven in het Tijdschrift voor Criminologie. Blokland stelt daarin zelf dat zijn bevindingen voor de juridische oordeelsvorming omtrent ‘de werkzaamheid van de vereniging’ hooguit indirect bewijs opleveren”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(v): “Voorts hebben de Stichting c.s. gewezen op het rapport van de Nationale Ombudsman ten aanzien van de klacht van de motorclub Veterans MC, die net als [betrokkene 3] in de onderhavige procedure, concludeert dat de cijfermatige onderbouwing voor de kwalificatie van Veterans MC als 'outlaw motorcycle gang’ zeer twijfelachtig is en die kwalificatie derhalve niet rechtvaardigt”.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze (door het OM onweersproken) stellingen laten geen andere uitleg toe dan dat sterk moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van het bewijs dat het OM aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, maar niet in het geding heeft gebracht. Bovendien hebben de Stichting c.s. aangevoerd dat zij ernstig in hun verdedigingsmogelijkheden zijn geschaad omdat er qua bewijspositie sprake is van een structurele onevenwichtigheid tussen partijen, zodat het beginsel van equality of arms is geschonden. Het hof geeft geen enkele respons op dit essentiële verweer, waarmee het in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten en uit het oog heeft verloren dat op het OM een verzwaarde stelplicht en bewijslast rust in verband met de verstrekkende aard van zijn verzoek, aldus nog steeds het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.11 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Vooreerst springt in het oog dat het subonderdeel, zich beroepend met vindplaatsverwijzingen op door de Stichting c.s. aangevoerde stellingen in feitelijke instanties, bijna uitsluitend verwijst naar door de Stichting c.s. in een laat stadium van het hoger beroep ingebrachte stukken: het ‘verweer inzake het bewijs’, een dataset, het rapport van [betrokkene 4] en de bij de mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen. In dit verband is relevant dat de hogerberoepsrechter een verweer dat is gevoerd in een bij een processtuk overgelegde productie of bijlage dient te betrekken in zijn beoordeling, indien - voor zover hier relevant - dit verweer redelijkerwijs kenbaar is en is gevoerd binnen de grenzen van het grondenstelsel en, in verband daarmee, de ‘tweeconclusieregel’. Ik ga ervan uit dat aan het een en ander in dit geval is voldaan, ook nu de Stichting c.s. tijdens de mondelinge behandeling onweersproken hebben gesteld dat het ‘verweer inzake het bewijs’ als processtuk ter rolle is ingediend, in dat verweer en deze spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. wordt verwezen naar de andere bijlagen, en het in het ‘verweer inzake het bewijs aangevoerde’ een uitwerking of precisering vormt van grief 30 in het beroepschrift zijdens de Stichting c.s.Het subonderdeel trekt ten strijde tegen ’s hofs oordeel in rov. 5.35 van de beschikking dat: “5.35. (…) [d]e Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat [moeten] worden geacht daarop [dus: “de bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt” welke door het OM ingebrachte bronnen “[w]el van betekenis zijn”, te onderscheiden van “de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn”, A-G] gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals onder meer uiteengezet onder 3.9 hiervoor volgt hieruit dat naar ’s hofs oordeel in de beschikking wél van betekenis zijn “de bronnen” die in de onderhavige procedure zijn ingebracht door het OM en “die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”, alsmede dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen responderen op deze voor hen kenbare bronnen (waartoe de Stichting c.s. ook in de gelegenheid zijn gesteld), ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren, nu het gaat om deze bronnen met concrete gegevens die (leden van) de Hells Angels zelf betreffen, hetgeen niet in tegenspraak is met (rechtspraak van het EHRM in het kader van) art. 6 EVRM, waaronder het beginsel van equality of arms.De onder 3.10 sub (i) t/m (v) hiervoor weergegeven stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties, waarop subonderdeel 2.2 zich beroept met vindplaatsverwijzingen en waaraan het hof niet voorbijziet (zie ook rov. 5.32), brengen naar de aard en gezien hetgeen het hof overweegt in rov. 5.35 niet mee dat het hof niet zonder nadere motivering kon komen tot dit oordeel in rov. 5.35, zodat van ‘essentiële’ stellingen (waarop het hof nog weer nader had moeten responderen) hier niet kan worden gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij betrek ik mede, kort gezegd:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof dit oordeel in rov. 5.35 toespitst op genoemde, door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en voor de Stichting c.s. kenbare “bronnen” die “concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”, welke bronnen wél van betekenis zijn, te onderscheiden van “de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn”, waaraan het hof weinig betekenis toekent;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat de door het hof onderkende omstandigheid dat het bij deze bronnen met concrete gegevens ten dele gaat over “berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren” onverlet laat, naar het hof aldaar ook onderkent, dat het te dezen gaat om deze bronnen met “concrete gegevens” die (leden van) de Hells Angels zelf betreffen (want zien op “incidenten met leden van de Hells Angels” en “de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt”);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat dit oordeel van het hof betrekking heeft op de vraag of de Stichting c.s. - en in ieder geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen reageren op deze bronnen met concrete gegevens, niet (ook) op bijvoorbeeld de te onderscheiden vraag naar, kort gezegd en in de woorden van het subonderdeel, “de betrouwbaarheid van het bewijs dat het OM aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, maar niet in het geding heeft gebracht”;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof met dit oordeel kenbaar - en dus niet ten onrechte: zie onder 3.9 hiervoor - tot uitdrukking brengt (“moeten in staat worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren”, etc.) dat van enige, met het equality of arms-beginsel strijdige “onevenwichtigheid tussen partijen” ter zake geen sprake is.</div>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, dat wat het subonderdeel aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof in rov. 5.35 zijn oordeel ontoereikend motiveert. Zoals dit een en ander ook laat zien, missen tevens grond de stellingen aan het slot van het subonderdeel dat het hof “geen enkele respons [geeft] op dit essentiële verweer” en dat het hof daarmee “schromelijk in zijn motiveringsplicht [is] tekortgeschoten” en “uit het oog [heeft] verloren dat op het OM een verzwaarde stelplicht en bewijslast rust in verband met de verstrekkende aard van zijn verzoek”, waarbij nog zij aangetekend dat het hof door de beschikking heen - zie o.a. rov. 5.27-5.31, 5.34 en 5.52 - juist blijk ervan geeft de voor het OM geldende drempel ten aanzien van zijn verzoek (ook in termen van stelplicht en bewijslast) steeds scherp voor ogen te hebben.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.12 Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3: “Beoordeling van de ‘structurele situatie van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit’, ‘ingebed in een cultuur van geweld’ bij de Hells Angels (rov. 5.35-5.50): oneigenlijke toepassing van art. 149 Rv. in strijd met de goede procesorde en de waarheidsvinding”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.13 Onderdeel 3 start met een aanloop, waarin een samenvatting wordt gegeven van rov. 5.35-5.50 van de beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.14 Subonderdeel 3.1 klaagt dat “[d]eze oordeelvorming”, waarmee het kort gezegd doelt op ’s hofs oordeel in rov. 5.35-5.50 van de beschikking met als “conclusie dat zowel wereldwijd als in Nederland sprake is van een ‘structurele situatie van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit’”, reeds geen stand kan houden voor zover zij voortborduurt op en tevens is gebaseerd op het in onderdeel 2 als ondeugdelijk (in strijd met het beginsel van equality of arms) aangemerkte uitgangspunt van het hof in rov. 5.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.15 Het subonderdeel faalt, nu het voortbouwt op onderdeel 2 dat faalt, in welk lot het subonderdeel deelt. Zie onder 3.7-3.12 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.16 Subonderdeel 3.2 klaagt dat “[a]fgezien daarvan” ’s hofs “beoordeling” mede in zoverre onjuist is: “3.2 (…) dat het hof miskent dat de toepassing van art. 149 Rv in dit geval ertoe leidt dat de feitelijke (deels) niet verifieerbare stellingen van het OM omtrent de geweldscultuur van de Stichting c.s. voor waar worden gehouden, zonder enige vorm van verificatie door het hof. Deze wijze van beoordeling is in strijd met de goede procesorde. Bovendien heeft het hof aldus het uit een oogpunt van waarheidsvinding onaanvaardbare risico voor lief genomen dat het recht zou spreken op basis van een verondersteld ‘feitensubstraat’ dat niet correspondeert met de werkelijkheid. Daartoe heeft het oordeel van het hof - naar de bevinding van de Stichting c.s. - dan ook geleid: een kafkaëske situatie, die voor de Stichting c.s. dreigt te eindigen in de nachtmerrie van een valse procedurele werkelijkheid die de feitelijke werkelijkheid niet alleen verdringt maar ook vernietigt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.17 Subonderdeel 3.3 klaagt vervolgens: “3.3 De - niet geverifieerde - vaststelling van het hof is mede in zoverre onjuist, dat het zich niet verdraagt met de hoge eisen die moeten worden gesteld aan stelplicht en bewijslast omtrent de ‘werkzaamheid in strijd met de openbare orde’, behorend bij een vordering tot verbod van een (informele) vereniging ex art. 2:20 BW, gelet op de vrijheid van vereniging van art. 8 Gw en art. 11 EVRM.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.18 De subonderdelen 3.2 en 3.3 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.In rov. 5.34 van de beschikking overweegt het hof als volgt: “5.34. “5.34. Voor het hof is bepalend of op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan worden vastgesteld dat sprake is van zodanig ernstige en structurele, aan HAMC en HAMC Holland toe te rekenen gedragingen, dat deze een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten. De bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden die tot deze conclusie kunnen leiden, rust op het OM. Dat volgt uit de regels van het bewijsrecht, die op grond van artikel 284 Rv van overeenkomstige toepassing zijn in deze verzoekschriftprocedure (in dit geval: artikel 150 Rv). Op grond van artikel 152 Rv mag het OM zich daarbij in beginsel op alle bewijsmiddelen beroepen. Voor zover de door het OM aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, moet het hof die feiten op grond van artikel 149 Rv als vaststaand aannemen. “5.34. Naar het oordeel van het hof zijn er voldoende feiten en omstandigheden komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat de werkzaamheid van HAMC en HAMC Holland in strijd is met de openbare orde. Het hof acht verder aannemelijk gemaakt dat een verbod van deze organisaties in Nederland om die reden noodzakelijk is. Het hof licht dat hierna toe.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit oordeel wordt in cassatie niet (kenbaar) bestreden. De toelichting waarop het hof wijst in rov. 5.34 is vervat in rov. 5.35-5.52, welke overwegingen van het hof in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Dit laatste geldt ook voor de onderhavige subonderdelen, dus 3.2 en 3.3.In de eerste plaats geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toepassing van art. 149 Rv in dit geval door te overwegen zoals het doet in rov. 5.34 en 5.35-5.52, waarvan onderdeel uitmaken ’s hofs oordelen (i) dat voor zover de door het OM aan de hand van de overgelegde bijlagen gestelde feiten niet of onvoldoende zijn betwist, het hof die feiten op grond van art. 149 Rv als vaststaand moet aannemen (rov. 5.34), en (ii) dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht gemotiveerd te kunnen reageren op de door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren (rov. 5.35), waarover nader onder 3.9 en 3.11 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan subonderdeel 3.2 veronderstelt, is hier dus geen sprake van “feitelijke (deels) niet verifieerbare stellingen van het OM omtrent de geweldscultuur van de Stichting c.s.”, waarbij zij aangetekend dat die stellingen van het OM (evenals ’s hof oordeel ter zake, zie o.a. rov. 5.27, 5.31, 5.35-5.45, 5.50-5.52) niet zozeer betrekking hebben op “de geweldscultuur” van “de Stichting c.s.”, als wel op die van HAMC (Holland). In het verlengde daarvan ziet subonderdeel 3.2 tevens eraan voorbij dat het hof, mede gezien zijn overwegingen in rov. 5.34 en 5.35-5.52, niet gehouden was - ook niet in het licht van art. 149 Rv of de eisen van een goede procesorde - genoemde stellingen van het OM zelf nog weer aan “enige vorm van verificatie” te onderwerpen, noch aldus oordelend “het uit een oogpunt van waarheidsvinding onaanvaardbare risico voor lief [heeft] genomen dat het recht zou spreken op basis van een verondersteld ‘feitensubstraat’ dat niet correspondeert met de werkelijkheid.” Daarmee valt ook de bodem weg onder de slotzin van het subonderdeel 3.2, waar enkel wordt geponeerd - een te onderscheiden, eigenstandige klacht kan ik er nochtans niet in lezen - dat “naar de bevinding van de Stichting c.s.” het oordeel van het hof “dan ook” heeft geleid tot “een kafkaëske situatie”, die voor hen dreigt te eindigen “in de nachtmerrie van een valse procedurele werkelijkheid die de feitelijke werkelijkheid niet alleen verdringt, maar ook vernietigt.” Daarop loopt subonderdeel 3.2 vast.Voorts geeft het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting zoals bedoeld in subonderdeel 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 3.2 (“De - niet geverifieerde - vaststelling van het hof”, etc.), deelt het in het lot daarvan: zie hiervoor. Voor het overige geldt dat het hof met de in subonderdeel 3.3 bedoelde “vaststelling”, wat - voor zover het subonderdeel feitelijke grondslag heeft - kennelijk betrekking heeft op ’s hofs oordeel inzake “de geweldscultuur” van HAMC (Holland) in rov. 5.35-5.50, niet voorbijziet aan, wat het subonderdeel noemt, de (hoge) eisen die moeten worden gesteld aan stelplicht en bewijslast omtrent de ‘werkzaamheid in strijd met de openbare orde’ behorend bij een verbod van een (informele) vereniging ex art. 2:20 BW gelet op de vrijheid van vereniging van art. 8 Gw en art. 11 EVRM, te onderscheiden van de werking van art. 149 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zij herhaald dat het hof door de beschikking heen - zie o.a. rov. 5.27-5.31, 5.34 en 5.52 - juist blijk ervan geeft de voor het OM geldende drempel ten aanzien van zijn verzoek (ook in termen van stelplicht en bewijslast) steeds scherp voor ogen te hebben. Zie onder 3.11 hiervoor. Waarom dit anders zou zijn, legt het subonderdeel ook niet uit. Daarop strandt subonderdeel 3.3.Hierop stuiten de subonderdelen af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.19 Subonderdeel 3.4 klaagt dat althans onbegrijpelijk is het oordeel van het hof in rov. 5.35 van de beschikking dat, ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, uit deze bronnen het beeld oprijst van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland en dat daaruit ook blijkt van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. Het hof heeft verzuimd te responderen op de essentiële stellingen van de Stichting c.s., die “er kort gezegd op neerkomen dat uit het door het OM naar voren gebrachte bewijsmateriaal onmogelijk het beeld kan oprijzen van een veelheid aan geweldsincidenten, ingebed in een cultuur van geweld.” Het subonderdeel wijst daartoe op het volgende, ik citeer weer:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(i): “Ten aanzien van de door het OM gebezigde informatie uit Nederlandse politiesystemen, die 60% van de totaal door het OM gebruikte bronnen uitmaakt, hebben de Stichting c.s. aangetoond dat 75% van die informatie is gebaseerd op slechts een viertal politieonderzoeken (De onderzoeken Toren, Yngvi/VIDAR, Acroniem en Kievit), die gezamenlijk over een periode van twintig jaar hebben gelopen en concreet ten aanzien van slechts 5 personen een verdenking hebben opgeleverd. Dit terwijl slechts één van die onderzoeken (onderzoek Toren) tot een daadwerkelijke veroordeling heeft geleid. Het OM werd ten aanzien van het onderzoek Acroniem niet-ontvankelijk verklaard omdat het in die zaak maar liefst 128 geheimhoudersgesprekken tussen advocaten en hun cliënten had opgenomen. Ten aanzien van het onderzoek Kievit heeft het OM zelf erkend dat dat onderzoek niet heeft geleid tot aanhouding van een verdachte, terwijl ook niet kon worden vastgesteld dat enige motorclub bij het onderzochte incident was betrokken. De Stichting c.s. hebben hieruit geconcludeerd dat deze onderzoeken bezwaarlijk het oordeel van een geweldscultuur kunnen staven, nu van de in totaal 18 Nederlandse Hells Angels charters, met een totaal ledenaantal van 241, in de afgelopen ruwweg twintig jaar slechts twee charters en vijf leden voorwerp van strafrechtelijk onderzoek zijn geweest, dit ondanks de geïntensiveerde integrale aanpak van motorclubs”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(ii): “Ten aanzien van de Nederlandse rechtspraak, die door het OM is aangevoerd en 34 incidenten behelst in een periode van 21 jaar, hebben de Stichting c.s. erop gewezen dat elf van de door het OM opgevoerde uitspraken niet controleerbaar zijn. Van de in het kader van deze bron genoemde incidenten hebben er drie überhaupt geen betrekking op leden van de Hells Angels. In drie andere gevallen ging het om een incident dat in het kader van andere bronnen al eens door het OM was genoemd, zodat in zoverre sprake is van dubbeltelling. De uitspraken die wel verifieerbaar waren, het zijn er tien, betreffen zonder uitzondering uitspraken die (i) uiteindelijk zijn geëindigd in een vrijspraak (ii) weliswaar in een veroordeling zijn geëindigd, maar het betreffende Hells Angels-lid is geroyeerd en de Hells Angels afstand hebben genomen van het betreffende incident of (iii) een veroordeling is uitgesproken waarbij het gaat om een incident dat volkomen losstaat van het lidmaatschap van de dader van de Hells Angels en waarbij de Hells Angels in de betreffende gerechtelijke uitspraak niet worden genoemd”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(iii): “Ten aanzien van de door het OM opgevoerde buitenlandse bronnen hebben de Stichting c.s. naar voren gebracht dat in totaal slechts 34 landen van de in totaal 63 landen, waar zich charters bevinden, worden vertegenwoordigd. Meer dan 70% van de genoemde incidenten is gebaseerd op publicaties in de pers - waaronder niet geverifieerde berichten in sensatiebeluste boulevardbladen zoals Bild en The Sun -, terwijl van de door het OM genoemde buitenlandse uitspraken meer dan de helft niet verifieerbaar is, onder meer vanwege het ontbreken van vindplaatsen of het noemen van onjuiste vindplaatsen door het OM. De Stichting c.s. hebben op basis van deze feiten en omstandigheden gesteld dat onmogelijk een wereldwijde werkzaamheid van HAMC kan worden vastgesteld”.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft door voorbij te gaan aan deze essentiële verweren en stellingen van de Stichting c.s. zijn oordeel ongenoegzaam gemotiveerd, aldus nog steeds het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.20 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.32 van de beschikking zet het hof - samenvattend - uiteen wat de Stichting c.s. hebben aangevoerd ter betwisting van hetgeen door het OM is aangevoerd, zoals bedoeld in rov. 5.31. Zoals blijkt uit rov. 5.32, onderkent het hof daarin (ook) de stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties waarop het subonderdeel een beroep doet met vindplaatsverwijzingen (zie onder 3.19 sub (i) t/m (iii) hiervoor). Zoals blijkt uit rov. 5.33-5.52, betrekt het hof (ook) deze stellingen van de Stichting c.s. in zijn beoordeling. ’s Hofs - door het subonderdeel bestreden - overweging in rov. 5.35:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, uit deze bronnen het beeld oprijst van “een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland”,</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat daaruit (dus: uit deze bronnen) ook blijkt van “structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden”, en van “structureel verzet tegen overheidsoptreden”, en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat ook daaruit (dus: uit deze bronnen) is af te leiden dat dit een “structurele situatie” is, die is “ingebed in een cultuur van geweld”, vindt afdoende grondslag in hetgeen het hof daaraan blijkens rov. 5.36-5.52 concreet ten grondslag legt, zoals bestudering van rov. 5.36-5.52 leert. Dat hetgeen het hof daaraan blijkens rov. 5.36-5.52 concreet ten grondslag legt een nadere motivering behoefde in het licht van de - door het hof dus onderkende - stellingen van de Stichting c.s. in feitelijke instanties waarop het subonderdeel een beroep doet met vindplaatsverwijzingen (zie onder 3.19 sub (i) t/m (iii) hiervoor), valt niet in te zien: aan hetgeen het hof daar overweegt, staan die stellingen - ook voor zover daarin niet gericht verworpen door het hof, zie o.a. rov. 5.48-5.49 en 5.51 - naar de aard niet in de weg, zoals bestudering van rov. 5.36-5.52 en die stellingen leert.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel, dat zich naar de kern genomen beperkt tot de klacht dat hof heeft verzuimd te responderen op de daarin genoemde stellingen van de Stichting c.s. die “er kort gezegd op neerkomen dat uit het door het OM naar voren gebrachte bewijsmateriaal onmogelijk het beeld kan oprijzen van een veelheid aan geweldsincidenten, ingebed in een cultuur van geweld”, legt verder ook niet uit, laat staan onder verwijzing naar specifieke overwegingen van het hof in rov. 5.36-5.52, waarom dit laatste anders zou zijn. Bij dit een en ander zij nog in herinnering gebracht wat het hof overweegt in rov. 5.34 en de eerste drie zinnen van rov. 5.35, waarover onder 3.9, 3.11 en 3.18 hiervoor. Kortom, van ‘essentiële’ verweren en stellingen van de Stichting c.s. (waarop het hof nog weer nader had moeten responderen) kan hier niet worden gesproken.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.21 Subonderdeel 3.5 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.37-5.38, 5.46 en 5.48-5.49 van de beschikking tevens onbegrijpelijk is gemotiveerd, voor zover het rust op niet overgelegde, ongespecificeerde, gesloten of anderszins oncontroleerbare bronnen van het OM enerzijds en de bevinding van het hof dat de inhoud daarvan onvoldoende (gemotiveerd) door de Stichting c.s. is betwist anderzijds.Dit oordeel is bovendien innerlijk tegenstrijdig met de overweging van het hof in rov. 5.35, voor zover het hof in deze “rechtsoverwegingen” verwijst naar incidenten genoemd in de bijlagen van het OM zonder dat duidelijk wordt waarop de daarin genoemde beschuldigingen zijn gebaseerd en wat precies de feiten zijn. In rov. 5.35 heeft het hof namelijk overwogen dat het van weinig betekenis zal achten de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn.Deze “algemene motiveringsklachten” worden voor iedere “rechtsoverweging” afzonderlijk uitgewerkt door de Stichting c.s., onder 3.5.1 t/m 3.5.5 van het subonderdeel. Ik behandel het subonderdeel op basis van deze ‘afzonderlijke uitwerking’ onder 3.5.1 t/m 3.5.5, waarbij ik verwijs naar subonderdeel 3.5.1 t/m 3.5.5. Lopen deze aldus uitgewerkte klachten vast, dan delen genoemde “algemene motiveringsklachten” in het lot daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.22 Subonderdeel 3.5.1 keert zich tegen rov. 5.37 van de beschikking, waarin het hof overweegt, in de woorden van het subonderdeel, “dat het dossier veel voorbeelden bevat van verzet en geweld van de Hells Angels tegen de politie of dreiging daarmee en dat daaruit zou blijken van een structureel vijandige houding van de Hells Angels tegenover de politie (waarbij het hof verwijst naar bijlage 10 onder 2.1, bijlage 26 onder 10.2.6 en 10.2.7, en bijlage 32 onder 10.2.1), welke voorbeelden niet voldoende gemotiveerd door de Stichting c.s. zijn betwist (rov. 5.37).” Dat oordeel is onbegrijpelijk, omdat het hier gaat om ongespecificeerde informatie uit oncontroleerbare bronnen waarvan niet valt in te zien hoe de Stichting c.s. de inhoud daarvan gemotiveerd zouden hebben kunnen betwisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.23 Subonderdeel 3.5.2 richt zich tegen rov. 5.38 van de beschikking, waarin het hof, in de woorden van het subonderdeel, “zijn oordeel, dat de geslotenheid van de club wordt versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag wederom [baseert] op ongespecificeerde, niet-verifieerbare/controleerbare bronnen (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5, bijlage 28 onder 1.1.3), die het niet of onvoldoende gemotiveerd betwist acht door de Stichting c.s.” Dat oordeel is evenzeer onbegrijpelijk, omdat het hof ook hier eraan voorbijziet dat de Stichting c.s. redelijkerwijs niet op genoemde bronnen konden ingaan en de inhoud daarvan dus niet (genoegzaam) konden betwisten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.24 De subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en falen, gelet op het volgende.In rov. 5.35 van de beschikking overweegt het hof als volgt: “5.35. Het hof kent weinig betekenis toe aan de reeks persberichten over allerlei incidenten verspreid over de wereld, waarbij naar verluid Hells Angels betrokken zouden zijn, zonder dat duidelijk is waarop dat is gebaseerd en wat de feiten precies zijn. Wel van betekenis zijn de bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt. De Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - moeten in staat worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren. Ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, rijst uit deze bronnen het beeld op van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland. Ook blijkt daaruit van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. En ook is daaruit af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover onder 3.9 en 3.11 hiervoor. Het hof werkt dit een en ander uit in rov. 5.36-5.52. Zie daarover onder 3.18 en 3.20 hiervoor. Ik wend mij nu tot de subonderdelen.In rov. 5.37, voor zover bestreden door subonderdeel 3.5.1, gaat het naar ’s hofs oordeel dus om door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt (specifiek veel voorbeelden van verzet en geweld van Hells Angels tegen de politie, of dreiging daarmee, tevens blijk gevend van een structureel vijandige houding van de Hells Angels tegenover de politie ook in de praktijk), ten aanzien waarvan geldt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover subonderdeel 3.5.1 (met de verwijzing daarin naar “ongespecificeerde informatie uit oncontroleerbare bronnen”, etc.) uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het erop stuk dat bestudering van de daarin genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert dat deze niet de conclusie rechtvaardigen dat dit bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is, niettegenstaande hetgeen (in algemene termen) is opgemerkt in noten 50-52 bij het subonderdeel. Kort en goed: wat het hof ter zake overweegt, heeft afdoende grond in genoemde vindplaatsen.In rov. 5.38, voor zover bestreden door subonderdeel 3.5.2, gaat het naar ’s hofs oordeel dus ook om door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt (specifiek voorbeelden van de geslotenheid van de club - dus van de Hells Angels, een sterk gesloten club (zie rov. 5.37) - versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag), ten aanzien waarvan geldt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover subonderdeel 3.5.2 (met de verwijzing naar het redelijkerwijs door de Stichting c.s. niet op genoemde bronnen kunnen ingaan en de inhoud daarvan dus niet (genoegzaam) kunnen betwisten) uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, loopt het erop stuk dat bestudering van de daarin genoemde vindplaatsen in de gedingstukken in feitelijke instanties leert dat deze niet de conclusie rechtvaardigen dat dit bestreden oordeel van het hof onbegrijpelijk is, niettegenstaande hetgeen (in algemene termen) is opgemerkt in noten 53-54 bij het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, ook hier geldt dat wat het hof ter zake overweegt, afdoende grond heeft in genoemde vindplaatsen.Hierop stuiten de subonderdelen af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.25 Subonderdeel 3.5.3 bestrijdt rov. 5.46 van de beschikking, waarin het hof, in de woorden van het subonderdeel, “[constateert] dat ‘uit vele voorbeelden in het dossier’ zou volgen dat de Hells Angels niet tolereren dat (leden van) andere motorclubs zich in hun territorium begeven en, indien dit wel gebeurt, een conflict ontstaat.” Dit oordeel is ontoereikend gemotiveerd, nu het hof heeft verzuimd aan te geven uit welke bronnen het deze constatering precies afleidt. ’s Hofs constatering is daarom op zichzelf al oncontroleerbaar, nog afgezien van het feit dat de kans groot is dat de bronnen, waar het hof op hint maar die op basis van zijn nogal algemene overweging niet uit de enorme hoeveelheid materiaal zijn te achterhalen, evenmin controleerbaar/verifieerbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.26 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Het subonderdeel ziet vooreerst eraan voorbij dat rov. 5.46 van de beschikking niet geïsoleerd gelezen moet worden, maar in onderling(e) verband en samenhang met o.a. hetgeen het hof overweegt in rov. 5.47 (“vijf voorbeelden daarvan”, etc.), 5.48 (“Het dossier bevat verder diverse voorbeelden van gevallen”, etc.) en 5.49 (“Aan de hiervoor genoemde voorbeelden kan op basis van de stukken nog het volgende worden toegevoegd”, etc.). Daarin benoemt het hof telkens de concrete basis in het procesdossier voor deze vaststellingen, daarmee zijn oordeel ter zake controleerbaar makend. Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. Ook overigens loopt het subonderdeel vast, en wel in het voetspoor van de subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2, waarover onder 3.24 hiervoor. Wat ik daar opmerkte, doet hier eveneens opgeld voor zover relevant in het kader van, en toegesneden op, dit subonderdeel (dat zich ter zake beperkt tot het ten onrechte, en zonder enige verdere uitwerking, opperen van ‘een grote kans’ dat de bronnen waarop het hof doelt in rov. 5.46 “evenmin controleerbaar/verifieerbaar zijn”). Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.27 Subonderdeel 3.5.4 klaagt dat “[h]etzelfde motiveringsgebrek” te vinden is in rov. 5.48 van de beschikking, waar het hof, in de woorden van het subonderdeel, “‘uit diverse voorbeelden uit het dossier’ afleidt dat ex-leden, slachtoffers en getuigen geen verklaring durven af te leggen over incidenten waarbij de Hells Angels zouden zijn betrokken.” Het hof maakt ook hier niet inzichtelijk waarop zijn oordeel is gebaseerd. Bovendien rust dit oordeel opnieuw op niet-verifieerbaar bewijs van het OM, in zoverre het hof overweegt, in de woorden van het subonderdeel, “dat er voorbeelden zijn waaruit blijkt dat de Hells Angels daadwerkelijk zouden intimideren met het doel te voorkomen dat er aangifte wordt gedaan of verklaringen worden afgelegd (met verwijzing naar bijlage 10 en bijlage 26 onder 11.2.1).”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.28 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Het subonderdeel ziet vooreerst eraan voorbij dat rov. 5.48, eerste zin van de beschikking niet geïsoleerd gelezen moet worden, maar in onderling(e) verband en samenhang met hetgeen het hof overweegt in rov. 5.48, tweede zin. De in rov. 5.48, tweede zin benoemde concrete basis in het procesdossier (“zie bijvoorbeeld bijlage 10”, etc.) is ook relevant voor de vaststelling in rov. 5.48, eerste zin, waarmee het hof zijn oordeel ter zake controleerbaar maakt. Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. Ook overigens loopt het subonderdeel vast, en wel in het voetspoor van de subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2, waarover onder 3.24 hiervoor. Wat ik daar opmerkte, doet hier eveneens opgeld voor zover relevant in het kader van, en toegesneden op, dit subonderdeel (dat zich ter zake beperkt tot het ten onrechte, en zonder enige verdere uitwerking, suggereren dat ’s hofs oordeel in rov. 5.48, tweede zin (dat er ook voorbeelden zijn waaruit blijkt dat de Hells Angels daadwerkelijk intimideren met het doel te voorkomen dat er aangifte wordt gedaan of verklaringen worden afgelegd) “opnieuw” berust op bronnen waarop het OM beroep doet maar niet gemotiveerd gereageerd kan worden). Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.29 Subonderdeel 3.5.5 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.49 van de beschikking evenzeer ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof, in de woorden van het subonderdeel, zijn oordeel “dat sprake is van een reeks ernstige geweldsincidenten door leden van Hells Angels” wederom put uit het niet voor de Stichting c.s. verifieerbaar of überhaupt toegankelijke, door het OM weliswaar genoemde, maar niet daadwerkelijk in het geding gebrachte materiaal (bijlage 26 onder 8.1.12 en 14.1.2-14.1.3), zonder inzichtelijk te maken uit welk materiaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.30 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.49 van de beschikking wijst het hof “op basis van de stukken”, te weten diverse genummerde (onderdelen van) bijlagen en daarin vermelde gevallen van ernstig geweld door leden van de Hells Angels die het hof traceerbaar uitlicht, aanvullend nog op “ernstige incidenten met de Hells Angels in buurland Duitsland en in Nederland.” Daarmee maakt het hof dus wel degelijk inzichtelijk waarop het zich hier concreet baseert. Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist. Ook overigens loopt het subonderdeel vast, en wel in het voetspoor van de subonderdelen 3.5.1 en 3.5.2, waarover onder 3.24 hiervoor. Wat ik daar opmerkte, doet hier eveneens opgeld voor zover relevant in het kader van, en toegesneden op, dit subonderdeel (dat zich ter zake beperkt tot het ten onrechte, en zonder enige verdere uitwerking, suggereren dat ’s hofs oordeel in rov. 5.49 (“dat sprake is van een reeks ernstige geweldsincidenten door leden van Hells Angels”) “wederom” berust op bronnen waarop het OM beroep doet maar niet gemotiveerd gereageerd kan worden). Dit behoeft geen verdere toelichting.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.31 Daarmee is gegeven dat subonderdeel 3.5 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.32 Subonderdeel 3.6 klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 5.37-5.38, 5.41 en 5.43-5.50 van de beschikking bovendien onbegrijpelijk gemotiveerd is, omdat het hof steevast “op eenzijdige en grofmazige wijze tot verstrekkende conclusies komt” ten aanzien van ‘de structurele situatie van het plegen van strafbare feiten’, ‘ingebed in een cultuur van geweld’ bij de Hells Angels, waarbij het hof verzuimt te responderen op essentiële verweren en nuanceringen die de Stichting c.s. ten aanzien van de door het hof besproken afzonderlijke omstandigheden naar voren hebben gebracht.Deze “motiveringsklacht” wordt per genoemde “rechtsoverweging” uitgewerkt door de Stichting c.s., onder 3.6.1 t/m 3.6.7 van het subonderdeel. Ik behandel het subonderdeel op basis van deze ‘uitwerking’ onder 3.6.1 t/m 3.6.7, waarbij ik verwijs naar subonderdeel 3.6.1 t/m 3.6.7. Lopen deze aldus uitgewerkte klachten vast, dan deelt genoemde “motiveringsklacht” in het lot daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.33 Subonderdeel 3.6.1 luidt als volgt: “3.6.1 In rov. 5.37 overweegt het hof dat de Hells Angels een sterk gesloten club vormen die overheidsgezag zoveel mogelijk buiten de deur houdt, onder meer door de regel dat ‘verraders’, (ex-)agenten en personen die werken of hebben gewerkt voor andere handhavingsinstanties geen lid van de Hells Angels mogen worden. Ook zou in de praktijk blijken van een vijandige houding tegenover de politie. Het hof bespreekt vervolgens de beweerde zwijgplicht, het strikte verbod om mee te werken met overheidsgezag alsmede een bad standing beleid binnen de Hells Angels dat gepaard gaat met geweld. Zo stelt het hof in rov. 5.38 vast dat van de Hells Angels strikte geheimhouding wordt verwacht, die niet op één lijn te stellen is met het zwijgrecht van verdachten in een strafproces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt dat af uit een aantal uitspraken (zoals ‘silence is golden, duct tape is silver’ en ‘three may keep a secret if two are dead’). Dat er voorbeelden zijn waarbij leden van een charter wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces, doet wat het hof betreft aan zijn oordeel niet af. Volgens het hof zijn meerdere voorbeelden voorhanden waaruit valt af te leiden dat geen verklaringen worden afgelegd omdat dit tot ernstige repercussies kan leiden (verwijzend naar bijlage 4, onder 4.2.7 en bijlage 26 onder 2.1.1). Dit terwijl uit diverse bronnen zou blijken van een bad standing beleid gepaard gaand met geweld (verwijzend naar bijlage 26 onder 8.2.1, bijlage 28 onder 3.2.3 en 7.2.1 en bijlage 32 onder 4.2.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 5.48 herhaalt het hof dat het dossier diverse voorbeelden zou bevatten van gevallen waarin ex-leden, slachtoffers en getuigen geen verklaring af durven te leggen (met verwijzing naar bijlage 10 en bijlage 26 onder 11.2.1). Uit dit alles leidt het hof een structurele situatie van geweldspleging, ingebed in een geweldscultuur af (vgl. rov. 5.50-5.52).Deze oordeelsvorming is ontoereikend gemotiveerd, nu het hof met geen woord ingaat op [i] het geadstrueerde verweer van de Stichting c.s. dat de voorbeelden van een zwijgplicht uit bijlage 4, paragraaf 2 van het OM slechts rusten op mediaberichten waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen het zwijgrecht, dat iedere verdachte in een strafproces toekomt, en de beweerde vanuit de Hells Angels aan het betreffende lid opgelegde zwijgplicht, en dat door het OM slechts vijf zaken worden genoemd waaruit deze zwijgplicht zou moeten blijken, terwijl uit het merendeel van die gevallen niet valt af te leiden dat sprake is van een door de Hells Angels opgelegde zwijgplicht maar dat de zwijgzaamheid van het betreffende lid een vrijwillige keuze was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien [ii] hebben de Stichting c.s. ten aanzien van een aantal leuzen (zoals ‘silence is golden, duct tape is silver’ en ‘three may keep a secret if two are dead’ - afkomstig van Benjamin Franklin, één van de oprichters van de VS) gesteld dat deze geen slogans van de Hells Angels zijn maar in brede kring gebruikte kreten die, op allerlei voorwerpen geprint of gedrukt, vrij verkrijgbaar zijn op internet en veeleer aantonen dat er kennelijk een markt is voor rebelse teksten met een gezonde dosis humor dan dat deze teksten aanzetten tot geweld of andere gedragingen in strijd met de openbare orde. Mede in het licht van deze verweren is de overweging van het hof, dat de voorbeelden waarin door Hells Angels leden wel wordt meegewerkt met de politie, zoals door de Stichting c.s. opgemerkt, niet afdoen aan zijn oordeel dat bij 'de club’ sprake is van een zwijgplicht, onbegrijpelijk.”[vetgedrukte Romeinse cijfers tussen blokhaken toegevoegd, A-G] 3.34 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s., waarnaar het subonderdeel verwijst (noot 59 aldaar) en voor zover relevant voor de stelling in het subonderdeel onder [i], hebben de Stichting c.s. het volgende aangevoerd: “332. Ten derde: Het bestaan van een zogenaamde zwijgplicht of “omerta” waaraan Hells Angels leden zouden moeten voldoen, heeft verzoeker eveneens onvoldoende onderbouwd. Verzoeker heeft niet voldoende onderbouwd dat Hells Angels-leden zouden worden verplicht om zich op hun zwijgrecht te beroepen, of een zwijgplicht hebben. De aangehaalde voorbeelden in bijlage 4 paragraaf 2 van verzoeker berusten voornamelijk op mediaberichten, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen het zwijgrecht dat iedere verdachte heeft en de beweerdelijke zwijgplicht. Het is dan ook niet duidelijk of men zich beroept op hun zwijgrecht of dat deze wordt opgelegd. Berichten uit de media kunnen niet als voldoende betrouwbaar worden geacht om de stelling van verzoeker te bewijzen. Iedere nadere onderbouwing ontbreekt - waaruit zou moeten blijken dat deze zwijgplicht bestaat en door Hells Angels charters zou worden opgelegd aan hun leden - ontbreekt.333. Verzoeker heeft in bijlage 4 paragraaf 3 slechts vijf zaken genoemd waaruit deze zwijgplicht zou moeten blijken. Het merendeel van deze zaken geeft bovendien geen blijk van de juistheid van de stelling van verzoeker dat de zwijgplicht door de Hells Angels zou worden opgelegd aan hun leden. Het lijkt eerder een vrijwillige keuze van het betrokken lid.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 5.38 van de beschikking overweegt het hof allereerst als volgt: “5.38. De geslotenheid van de club wordt verder versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag. De Stichting c.s. betwisten dat weliswaar, maar er zijn voldoende voorbeelden in het dossier waaruit dat blijkt (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5; bijlage 28 onder 1.1.3), die niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken. (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">Reeds hieruit volgt dat het hof de stelling in het subonderdeel onder [i] zoals door de Stichting c.s. in feitelijke instanties betrokken (zie hiervoor) onder ogen ziet (“De Stichting c.s. betwisten dat weliswaar”, etc.) en daaraan gemotiveerd voorbijgaat (“maar er zijn voldoende voorbeelden in het dossier waaruit dat blijkt (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5; bijlage 28 onder 1.1.3), die niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken”). Voor zover het subonderdeel ter zake uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel ter zake wel feitelijke grondslag heeft, ziet het eraan voorbij dat het hof met zijn geciteerde overweging in rov. 5.38 - onder verwijzing naar “bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5; bijlage 28 onder 1.1.3” - dat het dossier “voldoende voorbeelden” bevat waaruit “blijkt” dat “[d]e geslotenheid van de club wordt versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag” en die “niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken”, geen onbegrijpelijke uitleg geeft aan die bronnen noch aan die stelling in het subonderdeel onder [i] zoals door de Stichting c.s. in feitelijke instanties betrokken en als geheel navolgbaar motiveert waarom het de betwisting door de Stichting c.s. passeert, welk oordeel zich - verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard - niet voor verdere toetsing in cassatie leent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij wijs ik er nog op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof in rov. 5.38 ook diverse slogans noemt (blijkend uit een wandschildering in het clubhuis van de Hells Angels in Haarlem en uit stickers verkrijgbaar via diverse buitenlandse websites van de Hells Angels) die “illustreren dat van de Hells Angels strikte geheimhouding wordt verwacht”;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof in rov. 5.38 met zoveel woorden onderkent dat “[d]e zwijgplicht die geldt voor de Hells Angels niet [kan] worden gelijkgesteld met het zwijgrecht dat verdachten hebben in een strafproces”, dat “[z]oals de naam al zegt, dat [dit zwijgrecht, A-G] een recht [is] en geen plicht; een ieder moet de vrijheid hebben om er wel of geen gebruik van te maken”, wat nog eens bevestigt dat het hof genoemde bronnen ook beziet met inachtneming van dit verschil;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof in rov. 5.38 ook in aanmerking neemt dat aan het daarvoor overwogene evenmin afdoet dat er te onderscheiden voorbeelden zijn waarbij leden van een charter “wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces”, nu het daarbij gaat om uitzonderlijke gevallen, wat de Stichting c.s. niet hebben betwist;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof in rov. 5.38 ook in aanmerking neemt dat er meerdere voorbeelden zijn “waaruit valt af te leiden dat geen verklaringen worden afgelegd omdat dit tot ernstige repercussies kan leiden (zie bijvoorbeeld bijlage 4, onder 4.2.7, bijlage 26 onder 2.1.1)”;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof in rov. 5.38 ook in aanmerking neemt dat verder uit diverse bronnen blijkt “de toepassing van het bad standing beleid dat gepaard gaat met geweld (zie bijvoorbeeld bijlage 26 onder 8.2.1, bijlage 28 onder 3.2.3 en 7.2.1 en bijlage 32 onder 4.2.1)”;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat, anders dan het subonderdeel suggereert, ’s hofs bevindingen in rov. 5.50-5.52 niet slechts voortvloeien uit rov. 5.37-5.38 en 5.48, maar uit rov. 5.36-5.49 welke overwegingen weer bezien moeten worden in het licht van het daaraan voorafgaande, waaronder rov. 5.27-5.35.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij dient voorts te worden bedacht dat het naar ’s hofs oordeel in rov. 5.36-5.52 - derhalve ook in rov. 5.38 - dus gaat om door het OM in de onderhavige procedure ingebrachte en kenbare bronnen die concrete gegevens bevatten over incidenten met leden van de Hells Angels en over de cultuur van de Hells Angels die daarbij een rol speelt, ten aanzien waarvan geldt dat de Stichting c.s. - en in elk geval HAMC en HAMC Holland - in staat moeten worden geacht daarop gemotiveerd te kunnen reageren, ook als het gaat om berichtgeving uit de pers, informatie uit politiesystemen die niet is vastgelegd in processen-verbaal die in deze procedure zijn overgelegd of (buitenlandse) rechterlijke uitspraken die de Stichting c.s. niet hebben kunnen traceren (zie rov. 5.35). Zie onder 3.9 en 3.11 hiervoor. Zoals duidelijke moge zijn, strandt dus de klacht in het subonderdeel dat de daarin bedoelde “oordeelsvorming ontoereikend [is] gemotiveerd” nu het hof met geen woord ingaat op die stelling in het subonderdeel onder [i] zoals door de Stichting c.s. in feitelijke instanties betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de spreekaantekeningen in eerste aanleg (eerste termijn, deel II) zijdens de Stichting c.s., waarnaar het subonderdeel verwijst (zie noot 60 aldaar) in het kader van de stelling in het subonderdeel onder [ii], hebben de Stichting c.s. het volgende aangevoerd: “89. Waar het overige patches betreft zoals “silence is golden, duct tape is silver”, “bike thieves will be shot, survivors will be shot again” en “three may keep a secret if two are dead” weigert verzoeker volledig van context te voorzien. Deze patches zijn vrij verkrijgbaar en ook op websites te vinden die volledig los staan van de Hells Angels. Zo is de kreet “bike thieves will be shot, survivors will be shot again” bij onder andere de webshop Me by me (www.mebymeshop.com) gemakkelijk te verkrijgen op mokken, kussens, kleding en portemonnees. Hieruit blijkt dat hooguit dat er een markt is voor rebelse teksten met een gezonde dosis galgenhumor.90. Ook de tekst “silence is golden, duct tape is silver” is onder meer zichtbaar op producten verkrijgbaar in een webshop genaamd fruugo (ww.fruugo.nl) en wordt door de webshop zelf bestempeld als “grappige womens t-shirt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Amerikaanse punkband Against All Authority heeft zelfs een muzieknummer getiteld “silence is golden, duct tape is silver” uit 2006, deze teksten lijken in deze context generlei aan te zetten tot geweld of andere gedragingen in strijd met de openbare orde.91. De laatste tekst die in een ander licht gezien dient te worden is “three may keep a secret if two are dead”. De oorsprong van deze uitspraak lijkt te liggen bij een bekende Amerikaanse politicus uit de 18de eeuw genaamd Benjamin Franklin. Deze uitspraak is opgenomen in zijn “poor Richard’s Almanak”, die jaarlijks uitgebracht werd tussen 1733 en 1758. Op geen enkele wijze is deze expressie in deze context verbonden aan geweld of andere gedragingen in strijd met de openbare orde.”[onderstrepingen toegevoegd, A-G] Het hof overweegt in rov. 5.38 dat “[s]logans zoals ‘Omerta’ (wandschildering in het clubhuis van de Hells Angels in Haarlem), ‘Be careful of what you say on this phone’, ‘What you hear in this room stays in this room’, ‘Silence is golden, duct tape is silver’, ‘Three can keep a secret if two are dead’ en ‘We don’t call 911’ (stickers verkrijgbaar via diverse buitenlandse websites van de Hells Angels) illustreren dat van de Hells Angels strikte geheimhouding wordt verwacht”. Deze ‘illustratie’ zoals bedoeld door het hof moet worden gelezen in het licht van het daaraan voorafgaande in rov. 5.38 (weer aansluitend op rov. 5.37), waar het hof overweegt dat de geslotenheid van de club (de Hells Angels) verder wordt versterkt door het bestaan van een zwijgplicht en een feitelijk verbod om mee te werken met het overheidsgezag, alsmede dat de Stichting c.s. dit weliswaar betwisten, maar er voldoende voorbeelden in het dossier zijn waaruit dat blijkt (bijlage 4, hoofdstuk 4 en 5; bijlage 28 onder 1.1.3), die niet of onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken; waarover hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat wat in die spreekaantekeningen zijdens de Stichting c.s. geïsoleerd is opgemerkt over de daar bedoelde “patches” (“zoals “silence is golden, duct tape is silver”, “bike thieves will be shot, survivors will be shot again” en “three may keep a secret if two are dead””) en “teksten” (“silence is golden, duct tape is silver”, “three may keep a secret if two are dead”) in de daar bedoelde ‘neutrale’ context die onderscheiden moet worden van hetgeen het hof in rov. 5.38 specifiek op het oog heeft in het kader van genoemde club, staat naar de aard niet in de weg aan deze of andere overwegingen van het hof in rov. 5.38 - noch overigens de in het subonderdeel bedoelde “oordeelsvorming” van het hof - en gaf het hof (dus) geen aanleiding zijn oordeel nog weer nader te motiveren, derhalve ook niet voor zover op dat in die spreekaantekeningen opgemerkte een beroep wordt gedaan in het kader van de stelling in het subonderdeel onder [ii].</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, ook voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof zijn oordeel in de beschikking ontoereikend motiveert vanwege die stelling in het subonderdeel onder [ii], loopt het subonderdeel vast.De uitkomst wordt niet anders door het slot van het subonderdeel, erop neerkomend dat “[m]ede in het licht van deze verweren” onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 5.38 dat de voorbeelden waarin door Hells Angels-leden wel wordt meegewerkt met de politie, waarop door de Stichting c.s. is gewezen, niet afdoen aan zijn oordeel dat bij de club sprake is van een zwijgplicht. Gegeven het voorgaande valt zonder meer, welk meerdere in het subonderdeel ontbreekt, niet in te zien dat die “verweren” - waarmee ten hoogste gedoeld kan worden op de stellingen in het subonderdeel onder [i] en [ii], zoals betrokken door de Stichting c.s. in feitelijke instanties - ’s hofs bestreden oordeel onbegrijpelijk zouden maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij betrek ik mede dat het hof in rov. 5.38 ook in aanmerking neemt dat aan het daarvoor overwogene evenmin afdoet dat er te onderscheiden voorbeelden zijn waarbij leden van een charter “wel een verklaring bij de politie hebben gegeven of als getuige zijn opgetreden bij een strafproces”, nu het daarbij gaat om uitzonderlijke gevallen, wat de Stichting c.s. niet hebben betwist, welke betwisting ik ook in nr. 334 van het verweerschrift in eerste aanleg zijdens de Stichting c.s. dus niet lees.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.35 Subonderdeel 3.6.2 luidt als volgt: “3.6.2 Het hof overweegt dat er gebruiken zijn, die erop wijzen dat het plegen van geweld en andere vormen van criminaliteit normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd door de Hells Angels. In dat verband wijst het hof op defence funds en jail funds en het bestaan van BHC (Big House Crew)-lijsten van leden die vastzitten. Andere leden zouden via nieuwsbrieven opgeroepen worden hen moreel en financieel te steunen. Het hof overweegt dat strafvervolging en detentie aldus worden voorgesteld als normaal ‘bedrijfsrisico’ dat elk lid van de Hells Angels kan overkomen. Dat in Nederland geen fonds voor juridische bijstand bestaat en dat hoogst uitzonderlijk is dat alle Hells Angels charters financieel bijdragen voor een strafrechtelijk proces van een lid, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, doet aan het voorgaande niet af, aldus het hof (rov. 5.41).Deze overweging is reeds onbegrijpelijk, omdat zij niet is te rijmen met het betoog van de Stichting c.s. dat in Nederland geen fonds voor bijstand aan (gedetineerde) Hells Angels bestaat en de stelling dat het OM maar één voorbeeld van dergelijke ondersteuning heeft kunnen geven, dat bovendien zag op de uitzonderlijke situatie waarbij een Hells Angels lid mogelijk met de doodstraf werd geconfronteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tevens hebben de Stichting c.s. gesteld dat door de Hells Angels geenszins wordt aangemoedigd aan dergelijke fondsen bij te dragen. Niet valt in te zien waarom deze stellingen 'niet af zouden doen’ aan de constatering dat strafrechtelijke vervolging vanwege het bestaan van ‘defence funds’ en 'jail funds’ door de Hells Angels als een soort bedrijfsrisico wordt gezien.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.36 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.41 van de beschikking overweegt het hof als volgt: “5.41. Daar komt bij dat er gebruiken zijn die erop wijzen dat het plegen van geweld en andere criminaliteit normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd door de Hells Angels. Zo zijn er defence funds en jail funds en worden er wereldwijd BHC (Big House Crew)-lijsten bijgehouden van leden die vastzitten. Daarbij worden andere leden via nieuwsbrieven opgeroepen hen moreel en financieel te steunen. Typerend is een worldmotion uit 2010, die bij de national secretary van HAMC Holland is aangetroffen, met deze inhoud: ‘Brothers in jail shall be treated with respect and we shall do everything we can to make the inmates situation as good as it can be. Remember brothers, it can be you sitting there tomorrow.’ Een fonds voor juridische bijstand van lotgenoten en financiële steun voor gedetineerden hoeft op zichzelf geen vragen op te roepen, maar wat hier opvalt is dat strafvervolging en detentie worden voorgesteld als normaal ‘bedrijfsrisico’ dat elk lid van de Hells Angels kan overkomen. Een uitleg waarom dat zo is ontbreekt, anders dan dat de Hells Angels kennelijk activiteiten die serieuze strafrechtelijke consequenties kunnen hebben erbij vinden horen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in Nederland geen fonds voor juridische bijstand bestaat en dat het hoogst uitzonderlijk is dat alle Hells Angels charters financieel bijdragen voor een strafrechtelijk proces van een lid, zoals de Stichting c.s. aanvoeren, doet aan het voorgaande niet af.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste alinea van rov. 5.41 geeft het hof diverse, wereldwijde voorbeelden van gebruiken die erop wijzen dat het plegen van geweld en andere criminaliteit normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd door de Hells Angels. Aan al hetgeen het hof daar overweegt, doet naar de aard nog niet af, zoals het hof onderkent in de tweede alinea van rov. 5.41, dat specifiek “in Nederland” niet zo’n fonds voor juridische bijstand bestaat en dat het “hoogst uitzonderlijk” is dat “alle” Hells Angels-charters financieel bijdragen voor een strafrechtelijk proces van een lid, waarmee het hof doelt op de stellingname ter zake van de Stichting c.s. in feitelijke instanties waarop ook het subonderdeel beroep doet.,Dat door de Stichting c.s. in feitelijke instanties zou zijn gesteld “dat door de Hells Angels geenszins wordt aangemoedigd aan dergelijke fondsen bij te dragen”, zoals het subonderdeel poneert, kan ik niet lezen in de daar aangehaalde vindplaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij komt dat het hof in rov. 5.41 gemotiveerd vaststelt, kort gezegd, dat andere leden via nieuwsbrieven (“Typerend is een worldmotion uit 2010”, etc.) worden opgeroepen om leden die vastzitten moreel en financieel te steunen. Kortom, hetgeen het subonderdeel daartoe aanvoert, maakt niet dat wat het hof overweegt in rov. 5.41 onbegrijpelijk is. Daarbij zij nog aangetekend dat het hof daar, gezien ook rov. 5.41, eerste alinea en anders dan het subonderdeel aan het slot suggereert, niet slechts overweegt dat de in rov. 5.41, tweede alinea bedoelde stellingen van de Stichting c.s. niet afdoen “aan de constatering dat strafrechtelijke vervolging vanwege het bestaan van ‘defence funds’ en ‘jail funds’ door de Hells Angels als een soort bedrijfsrisico wordt gezien.” In zoverre gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de beschikking, waarmee het feitelijke grondslag mist.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.37 Subonderdeel 3.6.3 luidt als volgt: “3.6.3 In rov. 5.43 gaat het hof in op het bestaan van eretekens bij de Hells Angels. Volgens het hof vormen deze tekens bewijs van de geweldscultuur bij de Hells Angels. Ten eerste noemt het hof in dit verband de Filthy Few-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch wordt uitgereikt aan Hells Angels die een moord (of zwaar geweld) hebben gepleegd voor de club. Dat het (slechts) gaat om enkele voorbeelden uit de periode 2003-2013 uit het buitenland, doet daar in de ogen van het hof niet aan af. Ook de affidavit van mr. Caplan (raadsman van de Hells Angels in de Verenigde Staten) en de beschrijving van [betrokkene 2] brengen het hof niet op andere gedachten. Weliswaar overweegt het hof dat de Stichting c.s. hebben gesteld dat de patch vrijelijk via internet verkrijgbaar is en veelal wordt gedragen door leden die niet werkelijk een moord of geweld pleegden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Echter, zelfs als dat zo is, overweegt het hof, neemt dat niet weg dat een teken dat staat voor het plegen van een moord als statussymbool wordt gebruikt. Dit oordeel is onbegrijpelijk. In cassatie dient (als hypothetisch feitelijke grondslag) tot uitgangspunt dat de Filthy Few-patch voornamelijk voor de show is, niet werkelijk uitsluitend wordt gedragen door iemand die voor de club een moord heeft begaan en de patch bovendien vrijelijk op internet verkrijgbaar is. Het hof heeft de juistheid van deze stellingen immers in het midden gelaten. Daar komt nog bij, dat de verklaringen van mr. Caplan en [betrokkene 2] erop duiden dat deze patch enkel een ereteken is voor de 'hardest partyer’ van de betreffende charter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die stand van zaken valt zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien waarom deze patch wordt uitgereikt aan iemand die een moord heeft gepleegd, laat staan dat de patch enig bewijs zou kunnen vormen voor de wereldwijd aanwezige geweldscultuur van de Hells Angels. Het enkele feit dat gedurende de periode 2003-2013 een enkele Hells Angel een andersluidende verklaring zou hebben gegeven, volstaat daarvoor in ieder geval niet, zoals de Stichting c.s. hebben gesteld, in het licht van de onderbouwde verklaring van de betekenis van deze patch door [betrokkene 2] en mr. Caplan. Ook de constatering van het hof, dat uit het boek van [betrokkene 2] juist zou blijken dat de patch wel degelijk zou betekenen dat de drager iemand zou hebben vermoord, is volstrekt onbegrijpelijk, nu het door het hof genoemde citaat onmogelijk zo kan worden begrepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het citaat wordt juist de conclusie bereikt dat de patch niet redelijkerwijs in verbinding kan staan met moorddadig gedrag, zoals de Stichting c.s. hebben gesteld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.38 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.Naar de kern genomen oordeelt het hof in rov. 5.43 van de beschikking gemotiveerd dat de Filthy Few-patch die werd of wordt uitgereikt aan Hells Angels aan te merken valt als een van de eretekens waarmee geweld wordt gestimuleerd en verheerlijkt, welke patch - naar het hof aannemelijk acht - staat voor het plegen van moord (of zwaar geweld) voor de club (de Hells Angels) en wordt gebruikt als statussymbool, en welk ereteken in sommige gevallen ook reële betekenis heeft aldus dat de drager ervan in werkelijkheid zo’n moord (of zulk zwaar geweld) heeft gepleegd (in die zin is deze patch dan niet “voor de show”, want gerelateerd aan zulk ernstig geweld dat daadwerkelijk is gepleegd). Daarbij betrekt het hof aldaar:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>diverse verklaringen van (voormalige) Hells Angels en een rechterlijke uitspraak, zoals vermeld in rov. 4.37 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019, waaruit blijkt van de betekenis die genoemde patch heeft gekregen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof niet kan volgen het standpunt van de Stichting c.s. dat er vraagtekens te plaatsen zijn bij de betrouwbaarheid van deze verklaringen gezien de beweerdelijke zwijgplicht die binnen HAMC zou bestaan, nu het feit dat er een zwijgplicht bestaat niet wil zeggen dat leden die deze plicht doorbreken wellicht niet de waarheid spreken;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat de omstandigheid dat deze voorbeelden dateren uit 2003-2013 en betrekking hebben op het buitenland de betekenis ervan voor deze zaak ook niet wegnemen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof de affidavit van mr. Caplan (raadsman van het Hells Angels-charter Minneapolis), waarop de Stichting c.s. zich beroepen, onvoldoende vindt om aan genoemde betekenis van deze patch te twijfelen: wat er van de gestelde oorsprong ook zij (mr. Caplan verklaart dat met filthy few “the hardest partyers” worden bedoeld (degenen die bij een evenement het eerst aankomen en het laatst weggaan), wat zou teruggaan op een evenement in 1966 waarbij dit voor het eerst is gebruikt), dit doet niet af aan de verklaringen over de betekenis die de patch met deze naam volgens meerdere (voormalige) Hells Angels heeft gekregen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat het hof de beschrijving van [betrokkene 2] (voormalig president van Hells Angels-charter Minneapolis), waarop de Stichting c.s. zich beroepen, onvoldoende vindt om aan genoemde betekenis van deze patch te twijfelen: uit het geciteerde tekstfragment uit zijn boek (met de veelzeggende naam ‘Breaking the code’) blijkt dat volgens de schrijver, dus [betrokkene 2], de patch wel degelijk betekent dat de drager iemand zou hebben vermoord; alleen zegt hij erbij dat dit bij de dragers in werkelijkheid waarschijnlijk meestal niet zo is, zijn conclusie is dat de patches voornamelijk voor de show zijn;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat op dit laatste ook duidt de stelling van de Stichting c.s. dat de patch vrijelijk verkrijgbaar is via internet en wordt uitgedeeld bij allerlei evenementen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat ook als dat zo is, dit niet wegneemt dat een teken dat staat voor het plegen van moord wordt gebruikt als statussymbool noch dat dit ereteken in sommige gevallen wel reële betekenis heeft.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik wend mij nu tot het subonderdeel.Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, ziet het eraan voorbij dat wat het aanvoert ’s hofs oordeel in rov. 5.43 niet onbegrijpelijk maakt. Ook als de Filthy Few-patch voornamelijk voor de show is (in zoverre dus niet gerelateerd is aan zulk ernstig geweld dat daadwerkelijk is gepleegd, zoals het hof onder ogen ziet) en vrijelijk op internet verkrijgbaar is (zoals het hof ook onder ogen ziet), staat dat naar de aard nog niet in de weg aan ’s hofs oordeel in rov. 5.43 dat deze patch die werd of wordt uitgereikt aan Hells Angels aan te merken valt als een van de eretekens waarmee geweld wordt gestimuleerd en verheerlijkt, welke patch - naar het hof aannemelijk acht - staat voor het plegen van moord (of zwaar geweld) voor de club (de Hells Angels) en wordt gebruikt als statussymbool, en welk ereteken in sommige gevallen ook reële betekenis heeft aldus dat de drager ervan in werkelijkheid zo’n moord (of zulk zwaar geweld) heeft gepleegd (in die zin is deze patch dan niet “voor de show”, want gerelateerd aan zulk ernstig geweld dat daadwerkelijk is gepleegd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt voor de verklaring van mr. Caplan, die, naar het hof onderkent, weliswaar ingaat op de oorsprong van ‘filthy few’ (de betekenis van “the hardest partyers” (degenen die bij een evenement het eerst aankomen en het laatst weggaan), wat zou teruggaan op een evenement in 1966 waarbij dit voor het eerst is gebruikt), maar daarmee nog niet onderuit haalt de verklaringen over de betekenis die de patch met deze naam volgens meerdere (voormalige) Hells Angels nadien “heeft gekregen”, waarvan het hof in genoemd oordeel uitgaat. Hetzelfde geldt voor de beschrijving van [betrokkene 2], die hier niet spreekt in termen van ‘hardest partyer’ en juist onderkent - naar ’s hofs niet onbegrijpelijke uitleg van genoemd tekstfragment in rov. 5.43 - dat de patch wel degelijk betekent dat de drager iemand zou hebben vermoord, met dien verstande dat hij (dus [betrokkene 2]) erbij zegt dat dit bij de dragers in werkelijkheid waarschijnlijk meestal niet zo is, in die zin concluderend “dat de patches voornamelijk voor de show zijn”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee valt de bodem weg onder de stelling in het subonderdeel dat “[b]ij die stand van zaken” zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien valt “waarom deze patch wordt uitgereikt aan iemand die een moord heeft gepleegd, laat staan dat de patch enig bewijs zou kunnen vormen voor de wereldwijd aanwezige geweldscultuur van de Hells Angels”. Dat geldt ook voor de stelling in het subonderdeel dat, “in het licht” van de onderbouwde verklaring van de betekenis van deze patch door [betrokkene 2] en mr. Caplan, daarvoor in ieder geval niet volstaat het enkele feit dat gedurende de periode 2003-2013 een enkele Hells Angel een andersluidende verklaring zou hebben gegeven, waarbij nog zij aangetekend dat het hof in rov. 5.43 uitgaat van diverse verklaringen van (voormalige) Hells Angels en een rechterlijke uitspraak, zoals bedoeld in rov. 4.37 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019, en dat het hof daar ook betrekt dat de omstandigheid dat deze voorbeelden dateren uit 2003-2013 en betrekking hebben op het buitenland de betekenis ervan voor deze zaak niet wegneemt.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.39 Subonderdeel 3.6.4 luidt als volgt: “3.6.4 In rov. 5.44 geeft het hof een vergelijkbaar ongenuanceerd oordeel ten aanzien van de Dequiallo-patch. Het hof acht aannemelijk dat deze patch wordt verdiend door het plegen van geweld of gewelddadig verzet tegen de politie of andere overheidsdiensten (waarbij het hof verwijst naar rov. 4.38 van de beschikking van de rechtbank). Voor dat oordeel is volgens het hof redengevend dat er diverse voorbeelden zouden zijn waarbij is geconstateerd dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later deze patch op hun colors droegen, en dat uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen twee leden van de Haarlemse Hells Angels-charter duidelijk deze betekenis naar voren komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opmerking van de Stichting c.s., dat deze leden de intentie en doelen van de Hells Angels niet hebben begrepen en daarom geroyeerd zijn, is volgens het hof onvoldoende om de betekenis aan het gesprek te ontnemen.Deze beoordeling is in het licht van de gedingstukken evenmin begrijpelijk gemotiveerd. In cassatie dient (als hypothetisch feitelijke grondslag) tot uitgangspunt dat de betreffende leden, van wie het hof getapte gespreksdelen citeert, door de Hells Angels zijn geroyeerd omdat zij de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, nu het hof de juistheid van die stelling van de Stichting c.s. in het midden laat (vgl. rov. 5.44 één-na-laatste zin). In dat licht valt zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien waarom aan deze patch de betekenis toegedicht zou kunnen worden van geweldpleging tegen politie of andere overheidsdiensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de constatering van het hof, dat sprake zou zijn van diverse voorbeelden waarbij is geconstateerd dat Hells Angels politieambtenaren bedreigden en korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen, kan dat oordeel niet dragen. Daaruit blijkt immers niet, zoals de Stichting c.s. hebben aangevoerd, dat deze 'constateringen’ door de politie geverifieerd of geobjectiveerd zijn, noch dat er enig bewijs zou zijn van een causaal verband tussen die bedreiging en het dragen van de patch. Bovendien heeft het hof verzuimd te responderen op de onbetwiste stelling van de Stichting c.s. dat er geen sprake is van een structurele uitreiking van deze patch door charters en evenmin van een uitreiking bij wijze van beloning, terwijl een lid op geen enkele wijze toestemming van 'de club’ nodig heeft voor het dragen ervan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.40 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 4.38 van haar beschikking van 29 mei 2019 overweegt de rechtbank als volgt: “4.38. Voor de Dequiallo-patch geldt hetzelfde. HAM Corporation en de belanghebbenden stellen dat deze patch symbool staat voor het overkomen en het overwinnen van tegenslag in het leven, maar hebben hiervan geen enkel concreet voorbeeld gegeven. Daar staat tegenover dat het OM zijn uitleg, namelijk dat deze patch wordt verdiend door het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten, wel heeft gesubstantieerd. Zo heeft het OM een aantal voorbeelden opgesomd van constateringen door de politie dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd en/of bedreigd, korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen. Verder is op 22 april 2016 door een Haarlemse Hells Angel ([betrokkene 5]) in een afgeluisterd telefoongesprek gezegd dat een andere Haarlemse Hells Angel ([betrokkene 6]) slap is omdat hij geen Dequiallo-patch heeft en dat hij deze patch maar moet halen door de wijkagent in | elkaar te slaan. [betrokkene 6] had tot slot in een eerder afgeluisterd gesprek gezegd: Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weetje hé? De rechtbank acht gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk dat de Dequiallo-patch verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten symboliseert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat een deel van de door het OM gegeven voorbeelden over twee van de drie personen van het Haarlems HA-charter gaat die op 7 juni 2017 door HAMC zijn geroyeerd, kan hier niet aan afdoen. De drie Haarlemse Hells Angels zijn immers volgens de belanghebbenden geroyeerd omdat zij hun lidmaatschap van HAMC misbruikten. Niet is gesteld of gebleken dat daarmee hun uitspraken in verband met de Dequiallo-patch in een ander licht moeten worden gezien.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 5.44 van zijn beschikking oordeelt het hof dat het in de tweede plaats gaat om de Dequiallo-patch en dat het hof het aannemelijk acht: “dat deze patch wordt verdiend voor het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten (op de gronden als vermeld in rov. 4.38 van de beschikking van de rechtbank).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor dat oordeel is redengevend, zo vervolgt het hof, dat er diverse voorbeelden zijn waarbij is geconstateerd (dus door de politie) dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen, en dat uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen twee leden van het Haarlemse Hells Angels-charter duidelijk deze betekenis naar voren komt (“Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weet je hé?”). Daaraan voegt het hof toe dat de opmerking van de Stichting c.s. dat deze leden de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, wat hun een royering heeft opgeleverd, onvoldoende is om de betekenis aan het gesprek te ontnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar komt bij, zo sluit het hof af, dat de Stichting c.s. de door hen verdedigde uitleg - dat deze patch symbool zou staan voor het overkomen en overwinnen van tegenslag in het leven - ook in hoger beroep op geen enkele manier hebben onderbouwd. Aldus gaat het hof - gelijk de rechtbank in rov. 4.38 van haar beschikking - in rov. 5.44 mee met de door het OM voorgestane uitleg (betekenis) van de Dequiallo-patch, niet met de door de Stichting c.s. verdedigde uitleg van deze patch. Ik wend mij nu tot het subonderdeel.Voor zover het subonderdeel uitgaat van een andere lezing van de beschikking is deze lezing onjuist en mist het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag. Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, ziet het eraan voorbij dat wat het aanvoert ’s hofs oordeel in rov. 5.44 niet onbegrijpelijk maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof daar in het midden laat of juist is dat - zoals opgemerkt door de Stichting c.s. - genoemde leden van het Haarlemse Hells Angels-charter “de intentie en doelen van de Hells Angels niet hadden begrepen, wat hun een royering heeft opgeleverd”, wil, anders dan het subonderdeel betoogt, nog niet zeggen dat “zonder nadere, ontbrekende motivering niet valt in te zien waarom aan deze patch de betekenis toegedicht zou kunnen worden van geweldpleging tegen politie of andere overheidsdiensten.” Ook als dit eerste juist zou zijn (waarbij onduidelijk blijft wat dan die “intentie en doelen van de Hells Angels” zijn die genoemde leden niet hadden begrepen, hetgeen heeft geleid tot hun royering, en waaruit dit tot hun royering leidende ‘niet begrijpen’ dan bestaat; zie in dat verband ook rov. 5.42 van de beschikking), is daarmee zonder meer nog niet gegeven dat ‘dus’ aan genoemd gesprek (waaronder: “Als ik aangehouden word, dan ga ik voor dequiallo, dat weet je hè?”) de betekenis moet worden ontnomen die het hof daaraan toekent, te weten dat uit dit gesprek tussen deze Hells Angels-leden (gezien dat niet mis te verstane citaat) duidelijk naar voren komt dat de Dequiallo-patch wordt verdiend voor het plegen van verzet/geweld tegen de politie of andere overheidsdiensten (dat uit genoemd gesprek “duidelijk deze betekenis naar voren komt”, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee kom ik bij het betoog in het subonderdeel dat uit ’s hofs vaststelling in rov. 5.44 dat er diverse voorbeelden zijn waarbij is geconstateerd dat Hells Angels die politieambtenaren (ernstig) hadden beledigd of bedreigd korte tijd later de Dequiallo-patch op hun colors droegen: “niet [blijkt], zoals de Stichting c.s. hebben aangevoerd, dat deze ‘constateringen’ door de politie geverifieerd of geobjectiveerd zijn, noch dat er enig bewijs zou zijn van een causaal verband tussen die bedreiging en het dragen van de patch”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit betoog loopt reeds erop vast dat het subonderdeel hier niet verwijst naar enige vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties voor deze stellingname van de Stichting c.s. Ten overvloede wijs ik erop dat waar het hof hier - met de rechtbank in rov. 4.38 van haar beschikking, en bij gebreke aan een gerichte, gemotiveerde betwisting van de daartoe strekkende stellingname van het OM - uitgaat van een aantal als feit aangenomen gevallen (“voorbeelden”) waarin genoemde constateringen door de politie zijn gedaan, voor doeleinden van de hier voorliggende vraag zonder meer geen nadere ‘verificatie’ of ‘objectivering’ van deze constateringen is vereist noch enig verdergaand bewijs van een ‘causaal verband’ tussen dat (ernstige) beledigen/bedreigen en dat dragen van de patch, zodat in dat ‘niet blijken’ waarop het subonderdeel doelt (“Daaruit blijkt immers niet”, etc.) hoe dan ook geen gebrek in ’s hofs oordeel in rov. 5.44 gelegen kan zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat resteert is de stelling in het subonderdeel dat bovendien het hof heeft verzuimd te responderen op de onbetwiste stelling van de Stichting c.s. “dat er geen sprake is van een structurele uitreiking van deze patch door charters en evenmin van een uitreiking bij wijze van beloning, terwijl een lid op geen enkele wijze toestemming van ‘de club’ nodig heeft voor het dragen ervan.” Niet valt in te zien, en het subonderdeel zet verder ook niet uiteen, waarom deze niet uitgewerkte stelling van de Stichting c.s., gegeven ook hetgeen het hof overweegt in rov. 5.44 inzake de daar centraal staande uitleg (betekenis) van de Dequiallo-patch, het hof daar aanleiding gaf tot een nog weer nadere motivering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij betrek ik dat het hof daar ook vaststelt dat bij een en ander komt (“Daarbij komt”, etc.) dat de Stichting c.s. de door hen verdedigde uitleg - dat de Dequiallo-patch symbool zou staan voor iets anders dan het OM voorstaat, namelijk voor het overkomen en overwinnen van tegenslag in het leven - ook in hoger beroep op geen enkele manier hebben onderbouwd, hetgeen het subonderdeel negeert.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.41 Subonderdeel 3.6.5 luidt als volgt: “3.6.5 Het hof verbindt in rov. 5.45 met betrekking tot de zgn. Death head Purple Heart Pin en -oorkonde opnieuw een verstrekkende conclusie aan een flinterdun bewijs. Volgens het hof wordt deze oorkonde door charters uitgereikt aan Hells Angels die gewond zijn geraakt bij aan de club gerelateerd geweld. De strekking van deze oorkonde zou zijn dat degenen die de club met hun eigen bloed hebben verdedigd daarvoor speciaal moeten worden geëerd, zodat geweld ook hierbij centraal staat, aldus het hof.Dit oordeel is evenmin toereikend gemotiveerd, nu daarin geen rekening is gehouden met het gegeven dat de Stichting c.s. deze strekking van de oorkonde hebben betwist en bovendien hebben gesteld dat deze oorkonde, waarvan er hooguit 50 exemplaren in omloop zijn, slechts door één Amerikaans Hells Angels charter wordt uitgereikt. Het hof ziet tevens voorbij aan de onbetwiste constatering van de Stichting c.s. dat de aanname van het OM, dat de oorkonde wordt uitgereikt aan Hells Angels die geweld hebben gebruikt, slechts indirect is afgeleid uit één enkele oorkonde die bij de doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden. In het licht van dit een en ander is, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk hoe de summiere stellingen van het OM als basis kunnen dienen voor het oordeel dat deze oorkonde een teken van geweldsverheerlijking door de Hells Angels wereldwijd is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.42 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.45 van de beschikking overweegt het hof als volgt: “5.45. In de derde plaats bestaat de Death head Purple Heart Pin en -oorkonde. Deze wordt door charters uitgereikt aan Hells Angels die gewond zijn geraakt bij aan de club gerelateerd geweld. Op de oorkonde staat: ‘Any member who has earned the Deathhead Purple Heart has given his blood, in the Defence and Honor of the Hells Angels Motorcycle Club, and shall forever be revered by his fellow members’. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om Hells Angels die slachtoffer zijn geworden van geweld tegen de club, zoals de verklaring van mr. Caplan inhoudt, maar kan volgens de tekst ook zeer wel betrekking hebben op leden die actief zijn opgetreden ter bescherming van (de eer van) de club en daarbij gewond zijn geraakt. De strekking is in elk geval dat degenen die de club met hun eigen bloed hebben verdedigd daarvoor speciaal moeten worden geëerd. Geweld staat ook hierbij centraal.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het subonderdeel is dit oordeel evenmin toereikend gemotiveerd, nu daarin geen rekening is gehouden met het gegeven dat de Stichting c.s. “deze strekking van de oorkonde hebben betwist” en “bovendien hebben gesteld dat deze oorkonde, waarvan er hooguit 50 exemplaren in omloop zijn, slechts door één Amerikaans Hells Angels-charter wordt uitgereikt”. In de vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties die het subonderdeel daarbij noemt, kan ik geen betwisting door de Stichting c.s. van “deze strekking van de oorkonde” lezen, noch de stelling “dat deze oorkonde, waarvan er hooguit 50 exemplaren in omloop zijn, slechts door één Amerikaans Hells Angels charter wordt uitgereikt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat in die vindplaats staat, is dat in tegenstelling tot de andere patches die worden aangehaald in de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 de Purple Heart-pin en -oorkonde wordt uitgevaardigd door een Hells Angels-charter, dat het charter Oakland in Californië deze traditie in het leven heeft geroepen, en dat er sindsdien zo’n 50 in circulatie zijn. Dat het hof blijkens rov. 5.45 hierin niet leest dat deze oorkonde “slechts door één Amerikaans Hells Angels charter wordt uitgereikt”, en wel dat deze pin/oorkonde “door charters” wordt uitgereikt, acht ik (dus) niet onbegrijpelijk. De stelling van de Stichting c.s. dat er sindsdien zo’n 50 in circulatie zijn, hoefde het hof niet nader te betrekken in rov. 5.45, nu dat niet raakt aan de strekking van deze pin/oorkonde waarop het hof daar het oog heeft (hetzelfde geldt overigens voor de stelling dat het charter Oakland in Californië deze traditie in het leven heeft geroepen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, dat wat het subonderdeel ter zake aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat het hof zijn oordeel in rov. 5.45 ontoereikend motiveert.Verder voert het subonderdeel aan dat het hof in rov. 5.45 tevens voorbijziet: “aan de onbetwiste constatering van de Stichting c.s. dat de aanname van het OM, dat de oorkonde wordt uitgereikt aan Hells Angels die geweld hebben gebruikt, slechts indirect is afgeleid uit één enkele oorkonde die bij de doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de vindplaats in de gedingstukken in feitelijke instanties die het subonderdeel daarbij noemt, staat het volgende: “257. De rechtbank meent in rechtsoverweging 4.39 dat deze uitleg “te beperkt” zou zijn gelet op de tekst van een Deathhead Purple Heart-oorkonde die bij een doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden. De rechtbank leidt uit de woorden op deze oorkonde - “any member who has earned the Deathhead Purple Heart has given his blood” - af dat er sprake is van een “actievere rol dan alleen de slachtofferrol”.258. Uit de woorden “has given his blood in the Defense and Honour of the Hells Angels Motorcycle Club” kan echter niet zonder meer als enige conclusie worden afgeleid dat, zoals de rechtbank aanneemt, “de onderscheiding wordt verdiend door de Hells Angel die zijn bloed heeft gegeven bij de verdediging van (de eer) van HAMC”, en dat dit “duidt op situaties waarin de onderscheiden Hells Angel zelf ook geweld (onderstreping advocaten) heeft gebruikt en gewond is geraakt”.259.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, de woorden “has given his blood” duiden weliswaar op het zijn van slachtoffer van geweld, maar daarmee is geheel niet gezegd dat de betreffende persoon zelf actief geweld heeft gebruikt. Dit laatste is een element dat de rechtbank eraan toevoegt zonder dat dit een feitelijke basis heeft.260. De uitleg van appellanten is ook om die reden meer aannemelijk. Bovendien blijkt uit de door appellanten ter zitting gepresenteerde statistieken dat de meeste van de zogeheten geweldsincidenten van doen hebben met geweld tegen de Hells Angels (…).Conclusie261. Uit het bovenstaande dient geconcludeerd te worden dat het uitreiken van de Deathhead Purple Heart-pin en -oorkonde niets van doen heeft met “een cultuur die geweld stimuleert en verheerlijkt en dat die cultuur bovendien geweld meebrengt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overwegingen van de rechtbank omtrent deze pin en oorkonde zijn feitelijk onjuist en daardoor kan ook de aanname van een “cultuur van wetteloosheid” als “bijzondere feit c.q. omstandigheid’ niet langer overeind blijven.”[zonder verwijzingen in origineel, A-G] Zoals deze passages laten zien, ligt de nadruk daarin op de uitleg van de tekst op de “Deathhead Purple Heart-oorkonde die bij een doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden”, die volgens de Stichting c.s. een andere inhoud heeft dan daaraan is gegeven door de rechtbank in rov. 4.39 van haar beschikking van 29 mei 2019. Daarop gaat het hof in rov. 5.45 ook in (“Op de oorkonde staat”, etc.). In deze passages valt niet te lezen dat de Stichting c.s. de aanname van het OM dat de oorkonde wordt uitgereikt aan Hells Angels die geweld hebben gebruikt, (ook) bestrijdt met de (te onderscheiden) stelling dat deze aanname slechts indirect is afgeleid uit één enkele oorkonde die bij de doorzoeking van een clubhuis in Haarlem is gevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof dit laatste blijkens rov. 5.45 evenmin in die passages leest, acht ik (dus) niet onbegrijpelijk. Van een ten onrechte voorbijzien door het hof in rov. 5.45 aan die door het subonderdeel bedoelde “onbetwiste constatering van de Stichting c.s.” kan dan niet worden gesproken. Kortom, dat wat het subonderdeel ter zake aanvoert, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat het hof zijn oordeel in rov. 5.45 ontoereikend motiveert.Daarmee valt ook de bodem weg onder de stelling in het subonderdeel dat “[i]n het licht van dit een en ander” zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is hoe de summiere stellingen van het OM als basis kunnen dienen voor het oordeel dat deze oorkonde een teken van geweldsverheerlijking door de Hells Angels wereldwijd is.Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.43 Subonderdeel 3.6.6 voert aan dat het slagen van (één van) de hiervoor uitgewerkte klachten tevens aantast het oordeel van het hof in rov. 5.50 van de beschikking, in de woorden van het subonderdeel, “dat sprake is van een cultuur van geweld bij de Hells Angels en het gewelddadige imago van de Hells Angels een belangrijke factor is waarvan de leden gebruik maken, welk imago zij als het nodig is ook consequent zouden waarmaken en dat daarbij geweld op verschillende manieren wordt aangemoedigd en verheerlijkt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.44 Het subonderdeel faalt, nu het voortbouwt op subonderdelen 3.6.1 t/m 3.6.5 die falen, in welk lot het subonderdeel deelt. Zie onder 3.32-3.42 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45 Subonderdeel 3.6.7 luidt als volgt: “3.6.7 In rov. 5.46-5.47 acht het hof van groot belang de verhouding tussen de Hells Angels en andere motorclubs, die volgens het hof regelmatig tot gewelddadigheden leidt. De Hells Angels zouden niet tolereren dat (leden van) andere motorclubs zich in hun territorium begeven. Het hof bespreekt in rov. 5.47 een vijftal voorbeelden van dit soort confrontaties. In rov. 5.49 bespreekt het hof vervolgens nog een aantal geweldsincidenten, waarna het in rov. 5.50, op basis van die geweldsincidenten, concludeert dat sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit bij de Hells Angels, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Dit oordeel is evenzeer ontoereikend gemotiveerd. [i] Het hof baseert zijn oordeel slechts op acht voorbeelden (vijf voorbeelden in rov. 5.47 en drie voorbeelden in rov. 5.48 [hier zal rov. 5.49 zijn bedoeld, gelet ook op de alinea hiervoor, A-G]) uit slechts drie landen (te weten Nederland, Duitsland en Canada) over een tijdsspanne van bijna tien jaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder nadere, ontbrekende toelichting valt niet in te zien waarom dit nogal beperkte aantal voorvallen het oordeel kan dragen dat wereldwijd en in Nederland sprake is van een ‘structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit bij de Hells Angels’.[ii] Bovendien verzuimt het hof aan te geven in hoeverre de voorbeelden getuigen van enige betrokkenheid van de Hells Angels als club bij het incident, terwijl uit de gedingstukken evenmin blijkt dat die incidenten in verband zijn te brengen met enig organisatorisch verband van de Hells Angels. [iii] Bovendien respondeert het hof niet op essentiële verweren van de Stichting c.s. [a] Zo hebben de Stichting c.s. ten aanzien van het incident genoemd in rov. 5.47 onder b aangevoerd dat dit incident geen betrekking heeft op een lid van de Hells Angels maar op een vermeend lid van supportcrew 81, terwijl uit niets blijkt dat de dader, [betrokkene 7], überhaupt lid was van deze club, laat staan dat een verband te zien is met de Hells Angels.</p>\n<p class=\"lf-p\">In ieder geval blijkt dat niet uit de gerechtelijke uitspraken die door het OM in dat verband worden genoemd omdat in die uitspraken de Hells Angels noch supportcrew 81 worden genoemd, aldus de Stichting c.s.[b] Ten aanzien van het incident genoemd in rov. 5.47 onder c heeft het hof nota bene in aanmerking genomen dat de betreffende Hells Angels geen colors droegen en zijn vrijgesproken van het in vereniging plegen van geweld, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom dit voorbeeld kan bijdragen aan het oordeel dat bij ‘de Hells Angels’ sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten. Bovendien laat het hof ten onrechte onbesproken dat deze leden door de Hells Angels zijn geroyeerd, zodat de verantwoordelijkheid van enig organisatorisch verband voor deze incidenten geenszins in de rede ligt.”[vetgedrukte Romeinse cijfers en Latijnse letters tussen blokhaken toegevoegd, A-G] 3.46 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.In rov. 5.50 van de beschikking overweegt het hof als volgt: “5.50. Uit het voorgaande blijkt dat over een langere periode veelvuldig (soms zeer ernstige) geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit (waaronder wapenbezit) hebben plaatsgevonden waarbij leden van de Hells Angels zijn betrokken, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Het gaat daarbij om een structurele situatie, die niet los kan worden gezien van de cultuur van geweld die bij de Hells Angels bestaat. Een belangrijke factor is het gewelddadige imago, waarvan de leden gebruik maken en dat zij als het nodig is ook consequent waar maken. Daarbij wordt dat geweld op verschillende manieren aangemoedigd en verheerlijkt. Een andere factor is de rivaliteit met andere motorclubs, die regelmatig leidt tot machtsstrijd en bijbehorende geweldsconfrontaties. Deze conflicten worden daarbij meer dan eens uitgevochten te midden van het publiek op straat. Het bad standing-beleid leidt ertoe dat leden zich moeilijk kunnen losmaken van de club en gaat eveneens gepaard met geweld en dreiging met geweld. Intimidatie van (ex-)leden, slachtoffers en getuigen zorgt er verder voor dat justitieel optreden sterk wordt bemoeilijkt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit een en ander steunt niet enkel op rov. 5.46-5.49 (waaronder de in rov. 5.47 bedoelde vijf gevallen in Canada, Denemarken, Duitsland en Nederland in 2013-2017, de in rov. 5.48 bedoelde gevallen inclusief die genoemd in rov. 4.35 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 (let wel: het gaat hierbij dus om “beduidend meer” dan dit laatste voorbeeld uit 2013, aldus het hof), en de in rov. 5.49 bedoelde moord en “reeks” van andere gevallen in Duitsland in 2012-2019 plus het daar bedoelde geval in Nederland in 2018), maar mede op rov. 5.36-5.49, te bezien in het licht van het daaraan voorafgaande waaronder rov. 5.27-5.35, waarvan het slot als volgt luidt: “5.35. (…) Ondanks alles wat de Stichting c.s. daartegen hebben ingebracht, rijst uit deze bronnen het beeld op van een veelheid aan geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit waarbij de Hells Angels zijn betrokken, op allerlei plaatsen ter wereld en ook in Nederland. Ook blijkt daaruit van structurele intimidatie, zowel binnen de club als tegenover rivaliserende motorclubs en derden, en van structureel verzet tegen overheidsoptreden. En ook is daaruit af te leiden dat dit een structurele situatie is, die is ingebed in een cultuur van geweld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit licht het hof dus verder toe in rov. 5.36-5.49, waarop rov. 5.50 weer aansluit. Aldus heeft hetgeen het hof vaststelt in rov. 5.50 een afdoende basis in de beschikking. Ik wend mij nu tot het subonderdeel.De motiveringsklacht in het subonderdeel onder [i] strandt, reeds omdat deze uitgaat van een onjuiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag mist. Het hof baseert het daarin bestreden oordeel in rov. 5.50 immers niet “slechts op acht voorbeelden (vijf voorbeelden in rov. 5.47 en drie voorbeelden in rov. 5.48 [hier zal dus rov. 5.49 zijn bedoeld, A-G]) uit slechts drie landen (te weten Nederland, Duitsland en Canada) over een tijdsspanne van bijna tien jaar”, zie hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarmee valt al de bodem weg onder de klacht dat zonder nadere, ontbrekende toelichting “niet [valt] in te zien waarom dit nogal beperkte aantal voorvallen het oordeel kan dragen dat wereldwijd en in Nederland sprake is van een ‘structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit bij de Hells Angels”, nog daargelaten dat wat het hof daar allemaal betrekt - zie hiervoor - zijn bestreden oordeel in rov. 5.50 zonder meer kan dragen. Ook de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [ii] strandt, nu niet valt in te zien dat het hof het daarin bestreden oordeel in rov. 5.50 ontoereikend motiveert omdat het hof daar verzuimt aan te geven in hoeverre de in het subonderdeel bedoelde voorbeelden getuigen van enige betrokkenheid van de Hells Angels als club bij het incident, terwijl uit de gedingstukken evenmin blijkt dat die incidenten in verband zijn te brengen met enig organisatorisch verband van de Hells Angels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in rov. 5.50 door het hof gehanteerde vertrekpunt is immers dat: “[u]it het voorgaande blijkt dat over een langere periode veelvuldig (soms zeer ernstige) geweldsincidenten en andere vormen van criminaliteit (waaronder wapenbezit) hebben plaatsgevonden waarbij leden van de Hells Angels zijn betrokken, verspreid over de wereld en ook in Nederland. Het gaat daarbij om een structurele situatie [dus: dat wat in de voorgaande zin staat, A-G], die niet los kan worden gezien van de cultuur van geweld die bij de Hells Angels [dus: als club, te onderscheiden van die “leden van de Hells Angels”, A-G] bestaat.”[cursivering toegevoegd, A-G] Bij deze door het hof gehanteerde benadering was er geen aanleiding voor het hof nog weer nader aan te geven in hoeverre de in het subonderdeel bedoelde voorbeelden getuigen van enige betrokkenheid van de Hells Angels als club bij het incident, en is evenmin relevant in hoeverre uit de gedingstukken blijkt dat die incidenten in verband zijn te brengen met enig organisatorisch verband van de Hells Angels los van hetgeen het hof daaromtrent vaststelt in de beschikking, mede in rov. 5.50 (wat aansluit op rov. 5.27-5.49), waarover hiervoor. Dan resteert de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii], erop neerkomend dat het hof “[niet] respondeert op essentiële verweren van de Stichting c.s.” Ook deze klacht strandt. Daarbij maak ik omwille van de duidelijkheid onderscheid in de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.a] en de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.b].</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer waarop de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.a] doelt, betreft de volgende passages in de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens de Stichting c.s.: “196. Het OM heeft in haar bijlagen de brandstichting drie keer apart opgevoerd als incident, een keer in bijlage 8 paragraaf 3.2.35 met bron “politiesysteem” en een keer in bijlage 17 paragraaf 1.14.1 met de bron “justitiële documentatie” en een keer in bijlage 3 paragraaf 3.4.2 met als bron “politiesystemen”. Het zou gaan om een brandstichting op 25 maart 2015 in een café [A] in Kerkrade door een vermeend lid van de motorclub supportCrew81, ene [betrokkene 7] Geen Hells Angel dus, maar ook blijkt nergens dat [betrokkene 7] lid is van de supportCrew81 en/of er een verband bestaat tussen Hells Angels en supportcrew81.197. In de genoemde paragrafen wordt niet verwezen naar bijvoorbeeld de rechtbankuitspraak of het arrest van het Gerechtshof Den Bosch. Na ontzettend veel inspanning heeft ons kantoor de twee uitspraken weten te traceren in deze zaak en bestudeert. De uitspraken zijn geanonimiseerd en het is dus niet vast te stellen dat het [betrokkene 7] betreft als verdachte. In zowel het vonnis als het arrest worden de Hells Angels niet genoemd. De supportCrew81 wordt ook niet genoemd in beide uitspraken. Dit incident is dus niet toe te rekenen aan de supportCrew81. Laat staan aan de Hells Angels of een Hells Angels lid.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De in dit citaat vervatte (blote) stellingen van de Stichting c.s. dat nergens uit blijkt dat de brandstichter (“ene [betrokkene 7]”) lid is van supportCrew81 en/of dat er een verband bestaat tussen Hells Angels en die supportclub, alsmede dat niet is vast te stellen dat het [betrokkene 7] betreft als verdachte nu de door het kantoor van de advocaten van de Stichting c.s. verkregen exemplaren van de uitspraken in eerste aanleg en hoger beroep in die zaak geanonimiseerd zijn, passeert het hof klaarblijkelijk als onvoldoende gemotiveerd in rov. 5.47 onder b, onder verwijzing naar rov. 4.40 van de beschikking van de rechtbank van 29 mei 2019 (“In rov. 4.40 van de beschikking van de rechtbank zijn vijf voorbeelden daarvan genoemd, te weten (…) b. het in brand steken van een café (…) door een lid van een supportclub van de Hells Angels”, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien ook de onderbouwde stellingen van het OM ter zake in eerste aanleg, die de Stichting c.s. in hoger beroep dus al bekend waren, acht ik dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Gelet op hetgeen het hof ter zake vaststelt in rov. 5.47, was er evenmin aanleiding voor het hof nog weer nader in te gaan op de stelling van de Stichting c.s. dat nu in genoemde uitspraken de Hells Angels en supportCrew81 niet worden genoemd, dit incident ‘dus’ niet is toe te rekenen aan supportCrew81, laat staan aan de Hells Angels of een Hells Angels-lid. Gelet op dit een en ander loopt de motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.a] vast.De motiveringsklacht in het subonderdeel onder [iii.b] voert vooreerst aan dat ten aanzien van het incident genoemd in rov. 5.47 onder c het hof nota bene in aanmerking heeft genomen dat de desbetreffende Hells Angels geen colors droegen en zijn vrijgesproken van het in vereniging plegen van geweld, zodat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom dit voorbeeld kan bijdragen aan het oordeel dat bij ‘de Hells Angels’ sprake is van een structurele situatie van het plegen van geweldsincidenten.</p></div>", "next": 238870}