{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Voor zover de klacht zelfstandig is gericht tegen rov. 3.8, geldt het volgende. In rov. 3.8 verwerpt het hof de stelling dat iedere wijziging van een overeenkomst tevens een (gedeeltelijke) beëindiging daarvan in de zin van artikel 6:237 onder i BW vormt en oordeelt het hof dat artikel 9.2 AV niet meebrengt dat een boeteclausule voor het openbreken van een rentevastperiode onder artikel 6:237 onder i BW valt, omdat uit de context duidelijk wordt dat aldus artikel 14 AV van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. In rov. 3.9 overweegt het hof dat denkbaar is dat het openbreken van een rentevastperiode gepaard gaat met een beëindiging van de lopende kredietovereenkomst in de zin van artikel 6:237 onder i BW gevolgd door het sluiten van een nieuwe overeenkomst, maar dat daarvan in dit geval geen sprake is. Daartoe toetst het hof de omstandigheden van dit geval in het licht van de Haviltexmaatstaf. In het licht van het voorgaande heeft het hof in rov. 3.8 met de context het oog op de samenhang tussen artikel 9.2 AV en artikel 14 AV. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk te noemen en is verder als feitelijk van aard aan het hof voorbehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 De slotsom is dat de besproken klachten van onderdeel 1 niet slagen. Dit geldt ook voor de in nr. 9 van de procesinleiding vervatte louter voortbouwende klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 (vergoeding volgens artikel 25 Richtlijn hypothecair krediet) 5.21 Onderdeel 2 van het cassatiemiddel is gericht tegen rov. 4.6, waarin het hof – onder verwijzing naar zijn arrest van 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3476 − overweegt dat artikel 25 lid 3 Richtlijn hypothecair krediet niet in de weg staat aan een beding als artikel 14 AV. Onderdeel 2 betoogt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Nu de tegen rov. 4.5 gericht klachten van onderdeel 1 van het cassatiemiddel niet opgaan, bestaat er geen belang bij bespreking van onderdeel 2 (zie hiervoor in 4.6.1). Ik zie daarom van een bespreking daarvan af.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Onderdeel 3 (is het beding onredelijk bezwarend?) 6.1 Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof dat artikel 14 AV voldoende transparant is en dat, ook als dit anders zou zijn, het beding niet oneerlijk is (rov. 3.11-3.13). Na te hebben overwogen dat het beding voor de gemiddelde consument voldoende duidelijk en transparant is geformuleerd, overwoog het hof: “3.12 Zo al geoordeeld zou moeten worden dat artikel 14 van de algemene voorwaarden niettemin onvoldoende transparant is in de zin van artikel 5 van de Richtlijn oneerlijke bedingen, kan dat niet tot de conclusie leiden dat het beding oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Daarvoor is vereist dat het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Daarvan is hier geen sprake, zoals hierna nog nader zal worden toegelicht. Een gebrek aan transparantie is in dat verband slechts een van de relevante gezichtspunten. Grief 5 faalt derhalve.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.13 Met grief 4 betogen [eisers] dat artikel 14 van de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233, aanhef en onder a BW. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat daarvan geen sprake is. De wijze waarop artikel 14 de door de bank in rekening te brengen vergoeding berekent bij het openbreken van een rentevaste periode is, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van liet geval, niet onredelijk bezwarend. Dat kan als volgt worden toegelicht. Een consument die de rente op zijn hypothecaire lening gedurende een zekere tijd vastzet, beperkt daarmee zijn renterisico. Omgekeerd betekent het vastzetten van de rente dat hij niet van een rentedaling zal kunnen profiteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toepasselijke algemene voorwaarden wordt aan de consument onverplicht de mogelijkheid geboden om desgewenst toch de rentevastperiode open te breken, zij het tegen een vergoeding. De consument zal van die mogelijkheid eerst gebruik maken als de rente voor de door hem gewenste nieuwe rentevastperiode zodanig is gedaald dat het oversluiten per saldo – met inachtneming van de te betalen vergoeding – voordelig voor hem is. Het openbreken van een rentevastperiode is voor de bank in beginsel nadelig: zij ontvangt niet de rente waarop zij had gerekend, terwijl zij wel kosten heeft gemaakt ter afdekking van haar renterisico voor de opengebroken rentevastperiode. Anders dan [eisers] stellen, is voor de vraag welke vergoeding de bank in haar algemene voorwaarden mag eisen voor het openbreken, niet beslissend hoe en tegen welke kosten ABN AMRO het renterisico dat zij liep op de kredietovereenkomst in kwestie precies had afgedekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bank behoeft over de wijze waarop zij haar renterisico op de kredietovereenkomst met [eisers] had afgedekt dan ook geen openheid van zaken te geven. De berekening uit artikel 14 van de algemene voorwaarden biedt de bank een redelijke vergoeding voor het door haar geleden nadeel. [eisers] verwijzen in het kader van grief 4 opnieuw naar de beperkingen die de Europese wetgever in de Hypothekenrichtlijn volgens hen aan kredietgevers heeft opgelegd bij het in rekening brengen van een boete bij het aanpassen van een lopende kredietovereenkomst op initiatief van de consument. Om de redenen die hiervoor, in 3.5 en 3.6 zijn vermeld, gaal dat argument niet op. Ook grief 4 faalt. ”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Onderdeel 3 klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door zijn overweging (rov. 3.11, 3.12 en 3.13) dat artikel 14 AV niet oneerlijk is omdat de bepaling voldoende transparant is en in elk geval niet het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van [eisers] aanzienlijk verstoort. In elk geval heeft het hof zijn oordeel onbegrijpelijk gemotiveerd, doordat het door [eisers] aangevoerde omstandigheden − zoals de omstandigheid dat in geval van een voortijdige aflossing geen vergoeding voor gederfde winst mag worden bedongen, de omstandigheid dat de vergoeding strekt tot compensatie van een prestatie die ABN AMRO niet verricht en de omstandigheid dat de vergoeding een overlap oplevert met de vergoeding die [eisers] al in de overeengekomen rente betalen − niet (kenbaar) in zijn oordeel heeft betrokken, aldus het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Ter toelichting van onderdeel 3 gaat de procesinleiding in de nrs. 14-17 in op de beoordeling of sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het onderdeel voert in nr. 14 aan dat een aanzienlijke verstoring van het evenwicht kan voortvloeien uit het feit dat de rechtspositie waarin [eisers] als partij bij de betrokken overeenkomst verkeren krachtens de toepasselijke nationale bepalingen, in voldoende ernstige mate wordt aangetast doordat het beding hun een extra verplichting oplegt waarin de toepasselijke nationale bepalingen niet voorzien, doordat het beding niet strekt tot vergoeding van werkelijk verrichte diensten of werkelijk gemaakte en niet reeds anderszins verrekende kosten, doordat het beding louter strekt of kan strekken tot voordeel voor de verkoper. Dit wordt uitgewerkt in de nrs. 15-17 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.1 Ik bezie eerst de arresten van het HvJEU waarnaar de procesinleiding in dit verband verwijst. Het gaat om HvJEU 14 maart 2013, C-415/11 (Aziz), HvJEU 16 januari 2014, C-226/12 (Constructora Principado), HvJEU 26 februari 2015, C 143/13 (Matei), HvJEU 3 oktober 2019, C 621/17 (Kiss/CIB Bank), HvJEU 16 juli 2020, C-224/19 (Caixabank) en HvJEU 27 januari 2021, C 229/19 en C289/19 (Dexia).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.2 De arresten Aziz en Dexia betreffen bedingen bij wanbetaling door een consument van een krediet en zijn niet specifiek van belang voor de in cassatie aanhangige problematiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.3 De arresten Constructora Principado, Matei, Kiss/CIB Bank en Caixabank zijn hiervoor (in 3.10.1-3.10.4 en 3.12) besproken. Het gaat in deze zaken om andere soorten bedingen dan thans in cassatie aan de orde is. Het betrof kosten van aansluiting van de woning op de waterleiding en riolering alsmede belasting over de waardestijging van de woning (Constructora Principado), een risicoprovisie (Matei), beheerskosten en een uitbetalingsprovisie (Kiss/CIB Bank) respectievelijk openingskosten bij een krediet (Caixabank), terwijl in enkele gevallen kwestieus was of daartegenover wel een prestatie stond (Kiss/CIB Bank en Caixabank). De arresten Matei en Kiss/CIB Bank zijn relevant in verband met het transparantievereiste, dat hierna nog aan de orde zal komen. Wat betreft de beoordeling of een beding oneerlijk is, wijzen de arresten Constructora Principado en Caixabank op de betekenis van het nationale recht en wijst het arrest Kiss/CIB Bank op de eventuele onevenredigheid van de kosten ten opzichte van de hoogte van de lening. In het onderhavige geval ontbreekt wet- en regelgeving over de berekening van de vergoeding op het voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding relevante moment van contractsluiting, terwijl zelfregulering (GHF) de in artikel 14 AV gehanteerde NCW-methode (bij vervroegde aflossing) toeliet.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.4 Gezien het voorgaande, kan niet worden gezegd dat uit deze arresten reeds volgt dat het hof niet kon komen tot zijn oordeel in rov. 3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Ik bespreek onderdeel 3 (nr. 14) verder aan de hand van de uitwerkingen die daaraan in de nrs. 15-17 van de procesinleiding worden gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Onderdeel 3 klaagt in nr. 15 van de procesinleiding dat als het hof in rov. 3.13 ervan uitgaat dat artikel 14 AV niet oneerlijk is omdat ABN AMRO in eerlijke en billijke onderhandelingen een vergoeding voor haar gederfde winst had kunnen bedingen, het hof miskent dat dit wordt uitgesloten door artikel 25 lid 1 en lid 3 Richtlijn hypothecair krediet, artikel 7:127 lid 1 en lid 3 BW, en artikelen 81c en 81ca Bgfo zodat artikel 14 AV in zoverre aan [eisers] een extra verplichting oplegt waarin het nationale recht niet voorziet. De overweging is volgens de klacht, mede gelet op artikel 9.2 AV, in elk geval onbegrijpelijk aangezien het hof daarin niet (kenbaar) heeft betrokken dat in geval van vervroegde aflossing geen vergoeding voor gederfde winst mag worden bedongen, aldus het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Deze klachten slagen niet. De artikelen 25 Richtlijn hypothecair krediet, 7:127 BW en 81c Bgfo zien op vervroegde aflossing en niet op tussentijdse rentewijziging. Het hof heeft de door [eisers] bepleite gelijkstelling van voortijdige aflossing en tussentijdse rentewijziging verworpen in rov. 3.5, waartegen onderdeel 1 vergeefs opkomt. Artikel 81ca Bgfo ziet op de berekening van de vergoeding bij tussentijdse rentewijziging. Deze bepaling is per 1 juli 2019 ingevoerd en ziet dus niet op de tussen partijen op 1 december 2016 overeengekomen tussentijdse rentewijziging (zie hiervoor in 3.24.1). De overweging is niet onbegrijpelijk in het licht van artikel 9.2 AV (zie hiervoor in 5.19.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 In nr. 16 van de procesinleiding klaagt onderdeel 3 dat het hof in rov. 3.13 miskent dat artikel 14 AV oneerlijk is omdat het beding niet strekt tot vergoeding van werkelijk verrichte diensten of werkelijk gemaakte kosten. Met het voortijdig (geheel of gedeeltelijk) aflossen van een uitstaand krediet eindigen de afhankelijke verbintenissen die de kredietnemer verplichten tot betaling van rente en kosten over het krediet (zie artikel 16 lid 1 Richtlijn consumentenkrediet, artikel 25 lid 1 Richtlijn hypothecair krediet, artikel 7:68 lid 1 BW en artikel 7:127 lid 1 BW). Doordat ABN AMRO niettemin rente en kosten in rekening brengt die zij zou hebben ontvangen als het krediet conform de overeenkomst was blijven uitstaan, vraagt zij een vergoeding voor een dienst die zij niet verricht, namelijk het ter beschikking stellen van het krediet. De overweging is, mede gelet op artikel 9.2 AV, in elk geval onbegrijpelijk aangezien het hof daarin niet (kenbaar) heeft betrokken dat de vergoeding strekt tot compensatie van een prestatie die ABN AMRO niet verricht, aldus het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.1 Deze klachten slagen niet. Zoals vermeld, zien de artikelen 25 Richtlijn hypothecair krediet, 7:127 BW en 81c Bgfo op vervroegde aflossing en niet op tussentijdse rentewijziging. Het hof heeft de door [eisers] bepleite gelijkstelling van voortijdige aflossing en tussentijdse rentewijziging verworpen in rov. 3.5, waartegen onderdeel 1 vergeefs opkomt. Artikel 16 lid 1 Richtlijn consumentenkrediet en de omzetting daarvan in artikel 7:68 BW zijn niet van toepassing op hypothecair krediet (zie hiervoor in 3.17.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8.2 Overigens geldt het volgende. Anders dan de klacht veronderstelt, kan de in artikel 14 AV bedongen vergoeding niet gelijk worden gesteld met het betalen van de contractrente over de overeengekomen rentevastperiode als tegenprestatie voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom. De vergoeding is immers gebaseerd op het verschil tussen de contractrente die ABN AMRO over het restant van de rentevastperiode in rekening zou hebben kunnen brengen, en de vergelijkingsrente. (Hetzelfde geldt ten aanzien van het betalen van eventuele kosten, naast de contractrente, die de kredietnemer moet betalen als tegenprestatie voor het ter beschikking stellen van de hoofdsom. Nu de klacht niet vermeldt dat dergelijke kosten in deze zaak spelen, laat ik dit verder buiten beschouwing.) 6.8.3 Het hof overwoog in rov. 3.13 dat het openbreken van een rentevastperiode in beginsel nadelig is voor de bank, omdat zij niet de rente ontvangt waarop zij had gerekend terwijl zij wel kosten heeft gemaakt ter afdekking van haar renterisico voor de opengebroken rentevastperiode, en dat de berekening in artikel 14 AV de bank een redelijke vergoeding biedt voor het door haar geleden nadeel. Hierin ligt besloten dat het gaat om door de bank gemaakte kosten ter afdekking van haar renterisico, die doorlopen als de rentevastperiode wordt opengebroken. Omdat deze kosten doorlopen, mag de bank volgens het hof een vergoeding berekenen op voet van artikel 14 AV. Het hof behoefde zijn oordeel niet nader te motiveren, ook niet in het licht van artikel 9.2 AV (zie hiervoor in 5.19.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9 In nr. 17 van de procesinleiding klaagt onderdeel 3 dat het oordeel van het hof in rov. 3.13 onjuist is omdat artikel 14 AV strekt tot vergoeding van een prestatie waarvoor ABN AMRO reeds langs andere weg een vergoeding heeft bedongen. [eisers] hebben volgens de klacht namelijk erop gewezen dat het risico dat consumenten op individueel niveau de kredietovereenkomst niet uitdienen door de kredietgever wordt verdisconteerd door algemene en individuele risico-opslagen op de rentevoet. De in artikel 14 AV bedongen vergoeding overlapt met de vergoeding die [eisers] via de overeengekomen rente betalen terwijl een dergelijke overlap en dubbele betaling volgens HvJEU 16 juli 2020, C-224/19 (Caixabank) onaanvaardbaar zijn. De overweging is volgens de klacht in elk geval onbegrijpelijk omdat het hof de bedoelde omstandigheid niet kenbaar in zijn overwegingen heeft verdisconteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Deze klachten slagen niet. De vraag of het door de klacht bedoelde risico in het door ABN AMRO gehanteerde rentetarief is verdisconteerd, is feitelijk van aard. ABN AMRO wijst er naar mijn mening terecht op dat de stelling dat het risico van een tussentijdse rentewijziging reeds door risico-opslagen op de rente is afgedekt en daarom sprake is van de bedoelde overlap, voor het eerst tijdens het pleidooi in hoger beroep is aangevoerd. In (nr. 36) van de memorie van grieven, waarnaar de klacht (in voetnoot 41) verwijst, wordt slechts betoogd dat de door ABN AMRO bedongen vergoeding haar werkelijke nadeel overstijgt. Daartoe wordt onder meer (in nr. 36 onder b) betoogd dat de componenten waaruit het rentetarief is opgebouwd in de loop der tijd veranderen, in welk verband wordt gewezen op componenten als opslagen in verband met ontwikkelingen op de kapitaalmarkten en kapitaalkosten, individuele risico-opslagen, doorlopende kosten en winst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij pleidooi in hoger beroep namens [eisers] wordt hieraan gerefereerd (spreekaantekeningen nr. 3). Bij pleidooi in hoger beroep (spreekaantekeningen nr. 5) is aangevoerd dat artikel 14 AV ook anderszins oneerlijk is. In dat verband is onder meer gesteld dat ABN AMRO het risico van voortijdige aanpassing van de rentevastperiode al door middel van (risico)opslagen op de basisrente verdisconteerd heeft. Kennelijk heeft het hof deze stelling beschouwd als een nieuwe grief die in een te laat stadium van de procedure is aangevoerd en is het om die reden hieraan voorbij gegaan. Dat getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Ter toelichting van onderdeel 3 gaat de procesinleiding in de nrs. 18-20 in op het transparantievereiste van de Richtlijn oneerlijke bedingen. De klachten worden hier toegespitst op de overwegingen dat artikel 14 AV voldoende duidelijk en transparant is geformuleerd (rov. 3.11) en dat als het beding niettemin onvoldoende transparant zou zijn, dat niet tot de conclusie kan leiden dat het beding ook oneerlijk is (rov. 3.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12 Volgens de tegen rov. 3.12 gerichte klacht (in nr. 20, slot, van de procesinleiding) is onjuist althans onbegrijpelijk dat het hof niet heeft geoordeeld dat artikel 14 AV alleen al oneerlijk is omdat dit beding niet voldoet aan het transparantievereiste. Daarbij wordt verwezen naar HvJEU 10 juni 2021, C-609/19 (BNP Paribas).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Gezien hetgeen eerder (in 3.6.1-3.8.2) is opgemerkt over de betekenis van een gebrek aan transparantie voor de beoordeling of een beding oneerlijk is, faalt deze klacht. Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat een transparantiegebrek een van de elementen is bij de beoordeling van de oneerlijkheid van een beding. Uit die rechtspraak volgt niet dat een transparantiegebrek als regel bij die beoordeling doorslaggevend is. Het is dan ook onjuist noch onbegrijpelijk dat volgens het hof in rov. 3.12 en 3.13 een gebrek aan transparantie slechts een van de relevante gezichtspunten is en dat in dit geval artikel 14 AV niet oneerlijk is ook al zou het beding onvoldoende transparant zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 Volgens de tegen rov. 3.11 gerichte klacht (in nr. 20 van de procesinleiding) heeft het hof met zijn overwegingen niet (afdoende) weerlegd het betoog van [eisers] dat ABN AMRO de wijze van berekening van de boete nauwkeuriger in de overeenkomst had kunnen uitleggen, onder meer door de gegevens te verstrekken die consumenten in staat stellen om zelf de contante waarde te berekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 Omdat het oordeel van het hof in rov. 3.12 en 3.13 in cassatie stand houdt, ontbreekt belang bij deze klacht. Het oordeel van het hof in rov. 3.12-3.13 impliceert immers dat, ook indien artikel 14 AV onvoldoende transparant is op de door [eisers] aangevoerde gronden, artikel 14 AV toch niet oneerlijk of onredelijk bezwarend is. De tegen rov. 3.11 gerichte klacht kan daarom niet tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 Ik kom tot de slotsom dat ook onderdeel 3 niet slaagt. Dit brengt mee dat het cassatieberoep moet worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Plv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare problematiek speelt in zaak 20/0437, waarin ik vandaag ook concludeer, en (met betrekking tot vervroegde aflossing) in zaak 21/00873.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993, PB L 95/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010, PB L 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1365, JOR 2021/300 m.nt. C.H.D.W. van den Borne-Verheijen. In eerste aanleg is van dezelfde feiten uitgegaan, zie rov. 1 van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 28 juni 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwees hiertoe naar hof Amsterdam 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3476, waartegen cassatieberoep is ingesteld (nr. 21/00873).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwees hiertoe naar hof Arnhem-Leeuwarden 29 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7801, waartegen cassatieberoep is ingesteld (20/04372).</p>\n<p class=\"lf-p\">De in die periode tot stand gekomen Wet op het consumentenkrediet zag niet op hypothecaire kredieten. Zie Kamerstukken II, 1988-1989, 19785, nr. 11, p. 1. Zie voorts K. Danhuis, ‘Nieuwe Gedragscode Hypothecaire Financieringen’, JBN 2000/83; W.M. Kleijn, ‘Gedragscode Hypothecaire Financiering en de positie van de notaris’, JBN 2007/13; A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, 2018/17.17; J.M. van Poelgeest, Kredietverstrekking aan consumenten, 2020, p. 106; Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/199 en 203.</p>\n<p class=\"lf-p\">De AFM kan toepassing van de code afdwingen via de open normen van passendheid (art. 4.34 Wft en art. 113 e.v. BGfo) en niet-naleving van de code door een daaraan gebonden financier levert een oneerlijke handelspraktijk op (artikel 6:193g onder a BW). Zie W.H. van Boom, Hypothecair krediet aan consumenten – een overzicht, TvC 2012, p. 271.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie GHF artikelen 8-10 (versie 1990), artikelen 9-11 (versies 2001, 2007, 2011) respectievelijk artikelen 5-7 (versie 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting namens ABN AMRO nrs. 6-20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terzijde: men vraagt zich af op welk moment deze percentages gedateerd zullen aandoen. Zo berichtte DNB in juli 2020 dat de gemiddelde hypotheekrente was gedaald van 7% in 1995 tot circa 2%. Zie https://www.dnb.nl/actueel/algemeen-nieuws/dnbulletin-2020/huizenprijs-hangt-meer-samen-met-financieringsruimte-koper-dan-met-woningtekort/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wordt toezicht gehouden door DNB/ECB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting namens ABN AMRO nrs. 12 en 15. Zie ook de memorie van grieven van [eisers] nr. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, AA 2020, p. 179-186 m.nt. D. Busch, JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 6:238 lid 2 BW. Dezelfde begrippen ‘duidelijk en begrijpelijk’ komen voor in artikel 4 lid 2 van de Richtlijn en artikel 6:231 onder a BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie voor het Euribor-arrest, onder 4.17-4.21.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 30 april 2014, C-26/13, ECLI:EU:C:2014:282, NJ 2014/355 m.nt. M.R. Mok (Kásler), punt 40; HvJEU 23 april 2015, C-96-14, ECLI:EU:C:2015:262 (Van Hove), punt 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook HvJEU 3 oktober 2019, C-621/17, ECLI:EU:C:2019:820, NJ 2020/211 (Kiss/CIB Bank), punt 49: “De door artikel 5 van richtlijn 93/13 vereiste transparantie van een contractueel beding is dan ook een van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de door de nationale rechter krachtens artikel 3, lid 1, van die richtlijn uit te voeren beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding. Bij die beoordeling staat het aan die rechter om, in het licht van alle omstandigheden van het geval, na te gaan, in de eerste plaats, of het vereiste van goede trouw is nageleefd en, in de tweede plaats, of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument in de zin van die laatste bepaling (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C-186/16, EU:C:2017:703, punt 56).”</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 28 juli 2016, C-191/15, ECLI:EU:C:2016:612, NJ 2018/188 m.nt. Th.M. de Boer (Amazon), punt 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 april 2014, C-342/13, ECLI:EU:C:2014:1857, TvA 2014/60 m.nt. E.R. Meerdink (Sebestyén), punt 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 7 november 2019, C-419/18 en C-483/18, ECLI:EU:C:2019:930 (Profi Credit Polska/Włostowska e.a.), RF 2018/93 met wenk S. Brenninkmeijer, TvCH 2020-4, p. 215-226 m.nt. R.M.M. de Moor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin Rb. Overijssel 17 december 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4947, rov. 2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Transparantievereiste versus contraproferentem-regeling: de worsteling van de Hoge Raad met algemene voorwaarden in Consumentenovereenkomsten, TvCH 2020-1, p. 8 (r.k.).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Huurverhogingen, algemene voorwaarden en wijzigingsbedingen. Maakt het Hof van Justitie een einde aan oneerlijke huurverhogingen?, NJB 2022/182, p. 195 (l.k.) respectievelijk p. 198 (l.k.).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.G.J. van ’t Ende, Grenzen aan wijzigingsbedingen in algemene voorwaarden: biedt de Hoge Raad dezelfde consumentenbescherming als het HvJ EU? (I), WPNR 2020 (7305), p. 877-878.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. R.R.M. de Moor bij Profi Credit Polska/Włostowska e.a., TvCH 2020-4, p. 224, par. 3.3 (“Het Hof (…) geeft vervolgens de nationale rechter mee dat ambtshalve moet worden gecontroleerd of de consument alle informatie heeft gehad. (…) In dat verband is van belang of het betreffende beding voldoende duidelijk en begrijpelijk is opgesteld (transparantie) en de consument daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad om kennis te nemen van de inhoud ervan.”); A.F.G. Ancery, Journal of European Consumer and Market Law, 2021, p. 163 (die in een kopje spreekt van een “Recap of Settled Case Law”); S. Brenninkmeijer in RF 2018/93; J.M. van Poelgeest, noot sub 9 onder JOR 2020/05;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voor vergelijkbare formuleringen in verband met het transparantievereiste: HvJEU 9 juli 2015, C-348/14, ECLI:EU:C:2015:447 (Bucura), punt 66; HvJEU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703, NJ 2018/248 (Andriciuc), punt 47; en voorts in de context van art. 4 lid 2 Richtlijn 93/13: HvJEU 3 maart 2020, C-125/18, ECLI:EU:C:2020:138 (Gómez/Bankia SA), punt 52; HvJEU 9 juli 2020, C-452/18, ECLI:EU:C:2020:536 (XZ/Ibercaja Banco SA), punt 46; HvJEU 10 juni 2021, C-609/19, ECLI:EU:C:2021:469 (BNP Paribas/VE), punt 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 10 juni 2021, C-609/19, ECLI:EU:C:2021:469, RvdW 2021/1119 (BNP Paribas/VE).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook HvJEU 10 juni 2021, gevoegde zaken C‑776/19 t/m C‑782/19, ECLI:EU:C:2021:470 (VB e.a./ BNP Paribas Personal Finance SA), punt 94 en over het concrete geval de punten 101-103; HvJEU 18 november 2021, C‑212/20, ECLI:EU:C:2021:934 (M.P. en B.P./„A.” prowadzący działalność za pośrednictwem „A.” S.A.), punt 58 en over het concrete geval de punten 62-64.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 26 maart 2020, C-779/18, ECLI:EU:C:2020:236 (Mikrokasa), genoemd in de procesinleiding, is voor de beoordeling van het middel in deze zaak niet relevant. De zaak betreft bedingen in leenovereenkomsten waarbij de consument naast rente voorbereidende kosten en administratiekosten moet betalen. Het nationale recht bevatte een methode voor de berekening van het maximumbedrag van de niet-rentekosten van het krediet dat aan de consument kan worden opgelegd. Het HvJEU oordeelde dat de Richtlijn consumentenkrediet zich hier in beginsel niet tegen verzet en dat de op deze basis berekende kosten niet aan de werking van de Richtlijn oneerlijke bedingen zijn onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 16 januari 2014, C-226/12, ECLI:EU:C:2014:10, NJ 2014/247 m.nt. M.R. Mok (Constructora Principado), punt 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 26 februari 2015, C-143/13, ECLI:EU:C:2015:127 (Matei), punt 77.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 oktober 2019, C-621/17, ECLI:EU:C:2019:820, NJ 2020/211 (Kiss/CIB Bank), punten 39-40, 43-44 en 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 oktober 2019, C-621/17, ECLI:EU:C:2019:820, NJ 2020/211 (Kiss/CIB Bank), punten 55-56.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 16 juli 2020, C-224/19 en C-259/19, ECLI:EU:C:2020:578, RvdW 2020/99 (Caixabank), punt 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 16 juli 2020, C-224/19 en C-259/19, ECLI:EU:C:2020:578, RvdW 2020/99 (Caixabank), punten 78-79.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 september 2020, C-84/19, C-222/19 en C-252/19, ECLI:EU:C:2020:631, RvdW 2021/357 (Profi Credit Polska/Q.J. e..a.), punten 75-76.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 september 2020, C-84/19, C-222/19 en C-252/19, ECLI:EU:C:2020:631, RvdW 2021/357 (Profi Credit Polska/Q.J. e..a.), punt 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 15 oktober 2020, C-778/18, Association française des usagers de banques/Ministre de l’Économie et des Finances, ECLI:EU:C:2020:831, punt, 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/179; A. Baas, Lexplicatie Richtlijn 2014/17/EU, Inleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 43, leden 2 en 3, voorziet in uitgestelde werking tot 21 maart 2017 van enkele bepalingen van de Richtlijn hypothecair krediet die kredietbemiddelaars betreffen. Dit speelt in deze zaak niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groenboek Hypothecair krediet in de EU van de EC van 19 juli 2005, COM(2005) 327 final, nr. 21 op p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Witboek over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet van de EC van 18 december 2007, COM(2007) 807 definitief, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. reeds Groenboek Hypothecair krediet in de EU van de EC van 19 juli 2005, COM(2005) 327 final, nr. 21 op p. 9 (“In sommige lidstaten zijn deze regelingen sterk gereglementeerd en in andere zijn de regelingen een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen consument en kredietgever, welke onder het verbintenissenrecht valt (…). Dergelijke kosten bij vervroegde aflossing worden meestal in rekening gebracht bij vastrentende hypothecaire producten, waarbij de consumenten tegen veranderingen in het rentetarief zijn beschermd en de kosten worden aangerekend wanneer het krediet nog tijdens de periode waarin het vaste rentetarief geldt, vervroegd wordt afgelost. De kosten bij vervroegde aflossing zouden samenhangen met de financieringsmechanismen die de aangeboden producten ondersteunen en een direct effect hebben op de concurrentie, de diversiteit en de beschikbaarheid van producten.”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de evaluatie van Richtlijn 2014/17 van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, 11 mei 2021, COM(2021) 229 final.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ICF-studie, die inmiddels is gepubliceerd: European Commission, Directorate-General for Financial Stability, Financial Services and Capital Markets Union, Andruszkiewicz, O., Herrera, F., Mathis, J., et al., Study on switching of financial services and products : final report, Publications Office, 2020, https://data.europa.eu/doi/10.2874/090150.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik vond de Annexen bij het rapport niet op het internet. Ze zijn op verzoek per email ontvangen via het ‘Publications Office of the European Union’ (info@publications.europa.eu). Daarbij is medegedeeld dat de Annexen alsnog door de auteurs gepubliceerd zullen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk de versie van 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 lid 2 onder a Richtlijn consumentenkrediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De considerans van de Richtlijn hypothecair krediet vermeldt in dit verband onder meer “(19) Omwille van de rechtszekerheid moet het rechtskader van de Unie op het gebied van kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen sporen met, en complementair zijn aan andere Uniehandelingen, met name op het gebied van consumentenbescherming en prudentieel toezicht. (…)” en “(20) Opdat consumenten over een consistent kader inzake krediet kunnen beschikken en de administratieve last voor kredietgevers en kredietbemiddelaars tot een minimum wordt beperkt, moet het kernkader van deze richtlijn indien mogelijk de structuur van Richtlijn 2008/48/EG volgen (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 11 september 2019, Lexitor, C-383/18, ECLI:EU:C:2019:702, NJ 2020/219.</p>\n<p class=\"lf-p\">COM (2021) 347.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 23 maart 2016 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van richtlijn nr. 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 60/34), Stb. 2016/265. Voor deze zaak zijn niet relevant de wijzigingen door de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2018, Stb. 2018/228.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34292, nr. 3, p. 72; Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/181.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 3, p. 65 (“Voorgesteld wordt om bij het bepalen van de voorwaarden waaronder het recht op vervroegde aflossing kan worden uitgeoefend, bij de GHF aan te sluiten.”). Vgl. ook de opmerking in de nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 6, p. 41, dat “[d]e invulling van deze voorwaarden om praktische redenen aan de kredietgevers [wordt] overgelaten”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 3, p. 66. De transponeringstabel in de memorie van toelichting (op p. 27) vermeldt bij artikel 25 lid 3 Richtlijn hypothecaire financiering “Lidstaten kunnen bepalen dat de kredietgever recht heeft op een vergoeding.” en “Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt, waarbij eveneens wordt aangesloten bij de bepalingen in de Gedragscode hypothecaire financiering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 6, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 3, p. 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede volzin is toegevoegd bij Artikel VIA van de Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld, Stb. 2007/577. Zie Kamerstukken II, 2006-2007, 30432, nr. 21, waarin wordt opgemerkt: “Voorts wordt voorgesteld de in de Wet op het financieel toezicht opgenomen delegatiebepaling in die zin te wijzigen, dat expliciet tot uitdrukking wordt gebracht dat de op grond van deze delegatiebepaling bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels onder meer betrekking hebben op de kosten die een financiële onderneming in rekening brengt ingeval een cliënt een overeenkomst wenst te beëindigen om over te kunnen stappen naar een andere aanbieder.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de transponeringstabel (Stb. 2016/266, p. 43) die is opgenomen bij de betreffende wijzigingen van het Bgfo is bij artikel 25 lid 3 Richtlijn hypothecair krediet opnieuw vermeld “Lidstaten kunnen bepalen dat de kredietgever recht heeft op een vergoeding.” en “Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt, waarbij eveneens wordt aangesloten bij de bepalingen in de Gedragscode hypothecaire financiering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 30 juni 2016 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 60), Stb. 2016/266.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2016/266, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. van Poelgeest, JOR 2020/118 onder 5 (“Dit geldt – hoewel niet specifiek bepaald – mijns inziens ook voor art. 81c Bgfo”). Dit wordt ook gesteld door C.H.D.W. van den Borne-Verheijen, JOR 2021/300, noot onder 2. Onder verwijzing naar artikel 81c lid Bgfo vermeldt de (hierna in 3.25.1 bedoelde) AFM Leidraad (op p. 4) daarentegen met zoveel woorden: “[d]e vereisten gelden voor alle lopende hypotheken, dus ook voor hypotheken die vóór 14 juli 2016 zijn afgesloten”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, Aanhangsel, 3410, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de considerans onder 14 (hiervoor in 3.14.1 geciteerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook Hof Amsterdam 15 december 2020, ECLI:NL:GAMS:2020:3476, rov. 3.11 (het cassatiemiddel in zaak 21/00873 betreft niet dit punt), anders in eerste aanleg Rb. Amsterdam 24 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2888 rov. 4.21. Hof Amsterdam 11 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1365, rov. 3.16, laat dit in het midden (het cassatiemiddel in zaak 21/02755 betreft niet dit punt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2016/266, Nota van Toelichting onder 3 op p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 21 februari 2019 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft in verband met de vergoeding voor de voortijdige aanpassing van de debetrentevoet bij hypothecaire kredieten. Stb. 2019/93.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het citaat genoemde nieuwe derde lid van artikel 81c Bgfo luidt: “Een aanbieder van hypothecair krediet hanteert bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd dezelfde voorwaarden als bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet niet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In antwoord op Kamervragen naar aanleiding van een opiniebijdrage in het Financieel Dagblad met de titel “Banken rekenen veel te hoge ‘oversluitboete’ dankzij AFM”, heeft de Minister van Financiën in een Kamerbrief van 7 december 2021 over toezeggingen over rentevrije hypotheken en de vergoeding bij het vervroegd aflossen van de hypotheek, verwezen naar de Leidraad. Zie diens brief van 7 december 2021, Kamerstukken II, 2021-2022, 32 545, nr. 155, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting nrs. 67 en 95-96 alsmede 117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven nr. 9 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er bestaat niet zoiets als een hypothetisch juridische grondslag, zie A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie, 2019/55 Vgl. HR 29 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:769, NJ 2018/41 m.nt. H.B. Krans (SEBA/Amsterdam I), rov. 5.1.3-5.1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wijst ABN AMRO in haar schriftelijke toelichting nrs. 67 en 95-96.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/273.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, AA 2020, p. 179-186 m.nt. D. Busch, JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euribor-hypotheken), rov. 3.2.1; HvJEU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, NJ 2021/326, m.nt. M.B.M. Loos (Dexia Nederland), punten 51-53. Dit volgt ook uit artikel 6:233 onder a BW als zodanig. Vgl. HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1923, rov. 3.1.3. Zie voorts Jac. Hijma, Algemene voorwaarden, 2016/27; Asser/Sieburgh 6-III 2018/487.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting nr. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding nr. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding nr. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/227.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terzijde merk ik op dat er bij het HvJEU een zaak (C-555/21) aanhangig is over de hier bedoelde kosten. De Oostenrijkse rechter heeft gevraagd of artikel 25 lid 1 van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat het zich verzet tegen een nationale regeling die inhoudt dat in het geval waarin de kredietnemer zijn recht uitoefent om het kredietbedrag vóór het verstrijken van de overeengekomen duur volledig of gedeeltelijk af te lossen, de door hem verschuldigde rente en de kosten die afhangen van de duur van de overeenkomst naar evenredigheid worden verminderd, terwijl een overeenkomstige regeling ontbreekt voor kosten die niet afhangen van de duur van de overeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 7:118 lid 1 onder h, i en j BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de Nederlandse parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 2015-2016, 34292, nr. 3, p. 65) is opgemerkt dat met de ‘totale kredietkosten’ in artikel 7:127 lid 1 BW niet wordt verwezen naar de ‘totale kosten van het aan de consument verleende krediet’ in de zin van artikel 7:118 lid 1 onder i BW, maar dat de consument recht heeft “op een vermindering van de totale kredietkosten, gelijk aan de rente en de kosten voor de resterende duur van de overeenkomst”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/181 en 227.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.J.A. Braspenning &amp; V. Mak, De gevolgen van de EU-richtlijn hypothecaire leningen voor consumenten, WPNR 2018/7179, p. 84 (“Ook kunnen consumenten hun rentevaste periode wijzigen of voor rentemiddeling kiezen. In hoeverre deze gevallen onder het bereik van art. 7:172 BW en art. 81c Bgfo vallen is op dit moment nog ongewis. Uiteindelijk is dit een vraag die onzes inziens in Luxemburg beantwoord moet worden.”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. over de twee stappen, uitleg en kwalificatie, HR 20 december 2019, ECLI:HR:2019:2034 en HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J.W.A. Biemans, T&amp;C Vermogensrecht, 2021, afd. 7.2B.3 BW, aant. 9 en art. 7:127, aant. 1-4; C.W.M. Lieverse, De toetsing van oneerlijke bedingen in kredietovereenkomsten en verzekeringsovereenkomsten aan Richtlijn 1993/13, in: D. Busch e.a. (red.), Zorgplicht in de financiële sector, 2020 onder 9; J.M. van Poelgeest, Kredietverstrekking aan consumenten, 2020, p. 273; O.O. Cherednychenko &amp; M.W. Wallinga, Europese consumentenbescherming op financiële markten, in: E.H. Hondius &amp; V. Mak (red.), Handboek Consumentenrecht, 2020, par. 15.4.1; J.G.J. Rinkes, Bijzondere overeenkomsten (SBR 6), 2019/103. De Richtlijn hypothecair krediet wordt enkel vermeld in L.A.D. Keus, Europees privaatrecht (Mon. BW A30), 2019/40, en niet vermeld in Asser/Hartkamp 3-I 2019 (vgl. de opsomming in nr. 235) noch in V. Heutger, Consumentenkrediet, in: A.S. Hartkamp e.a., (red), De invloed van het Europese recht op het Nederlandse privaatrecht, deel II, 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de cassatiezaak met nummer 20/04372: Rb. Midden-Nederland 20 juni 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2747 en Hof Arnhem-Leeuwarden 29 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7801. In de cassatiezaak met nummer 21/00873: Rb. Amsterdam 24 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2888 en Hof Amsterdam 15 december 2020, ECLI:NL:GAMS:2020:3476. In de cassatiezaak met nummer 21/02755: Rb. Amsterdam 28 juni 2019, nummer 7399165 / CV EXPL 18-27518 (niet gepubliceerd) en Hof Amsterdam 11 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1365. Zie voorts Rb. Rotterdam 26 juni 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:5423, rov. 4.20-4.21; Rb. Amsterdam 15 januari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:802, rov. 4.9. Rb. Limburg 13 juni 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:5616 en Rb. Amsterdam 24 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:3075 kwamen tot dezelfde conclusie in gevallen waarin ook de tussentijdse rentewijziging respectievelijk de vervroegde aflossing dateerde van voor 21 maart 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kifid 31 juli 2017, nr. 2017-499, punt 4.9; 4 augustus 2017, nr. 2017-514, punt 4.6; 23 augustus 2017, nr. 2017-567, punt 4.2; 23 oktober 2017, nr. 2017-700, punt 4.2; 2 november 2017, nr. 2017-737, punt 4.5; 4 december 2017, nr. 2017-818, punt 4.2; 13 december 2017, nr. 2017-843, punt 4.2; 13 december 2017, nr. 2017-844, punt 4.2; 12 maart 2018, nr. 2018-173, punt 4.2; 23 maart 2018, nr. 2018-194, punt 4.5; 6 april 2018, nr. 2018-232, punt 4.5; 11 april 2018, nr. 2018-242, punt 4.4; 4 maart 2019, nr. 2019-152, punt 4.2; 26 november 2018, nr. nr. 2019-462, punt 4.4; 11 februari 2019, nr. 2019-744, punt 4.4. In deze zin ook Kifid 2 november 2017, nr. 2017-737, punt. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Soms worden de ’nieuwe’ regels overigens wel toegepast op ‘oude’ hypothecaire kredieten, zonder een overweging over het overgangsrecht, kennelijk om aan te geven dat een vergoeding die in overeenstemming met die regels is berekend, aanvaardbaar is. Zie Kifid 5 oktober 2017, nr. 2017-656, punten 4.5-4.6 ; 5 februari 2019, nr. 2019-088, punten 4.3-4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 6 oktober 2021, C-561/19, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, JB 2021/179 m.nt. J. Krommendijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. met betrekking tot de uitleg van de Richtlijn hypothecair krediet ook HvJEU 15 oktober 2020, C-778/18, Association française des usagers de banques / Ministre de l’Économie et des Finances, ECLI:EU:C:2020:831, punten 34 en 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook jet betoog in de schriftelijke repliek nr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de voetnoten 36 en 40 en nr. 17 van de procesinleiding. ABN AMRO heeft hierop gereageerd in schriftelijke toelichting nr. 136. De in voetnoot 35 van de procesinleiding genoemde rechtspraak wordt aangehaald in verband met de verplichting tot (ambtshalve) toetsing en vernietiging van een oneerlijk beding, wat in cassatie niet speelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor in 3.10.1 en 3.10.4. Dergelijke twijfel speelde ook in Profi Credit Polska/QJ e.a. (zie hiervoor in 3.10.5), in verband met de mogelijkheid dat onder verschillende benamingen vergoeding voor dezelfde prestatie verlangd werd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de s.t. namens ABN AMRO nr. 121.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting namens ABN AMRO nrs. 138 en 123. In de schriftelijke toelichting nr. 14 wordt overigens betwist dat het tarief een dergelijke opslag bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2019/21 m.nt. J.M.M. Maeijer en H.J. Snijders ( […] /NOM), rov. 4.2.1-4.2.4. Vgl. bijvoorbeeld. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775, NJ 2019/70 m.nt. Ch. Gielen en A.I.M. van Mierlo (Organik/Dow Chemcial), rov. 5.3.2. Zie voorts Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/106; Hammerstein/Koerts, T&amp;C Rv, art. 347 Rv.aant. 1.a. en 2.d.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht lijkt ook voort te bouwen op de in procesinleiding nr. 19 (voetnoot 45) opgenomen verwijzing naar HvJEU 7 november 2019, C-419/18 (Profi Credit Polska), punt 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de schriftelijke toelichting namens ABN AMRO nr. 140 (slot).</p></div>", "next": 0}