{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De klacht aan het slot van nr. 8 van de procesinleiding is gericht tegen rov. 3.19. Volgens de klacht is, anders dan het hof overweegt, het wettelijk uitgangspunt niet dat de schuldeiser bij voortijdige nakoming (artikel 6:39 BW) recht heeft op een vergoeding. Volgens de klacht derogeert artikel 22 AV in zoverre aan de wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Deze klacht faalt, omdat zij berust op een onjuiste lezing van rov. 3.19. Het hof verwijst in rov. 3.19 naar zijn rov. 3.4, waarvan de strekking hiervoor besproken is. Overigens laat artikel 6:39 BW de vrijheid onverlet om in de overeenkomst te bedingen dat vervroegde nakoming slechts mogelijk is op voorwaarde dat daardoor veroorzaakt nadeel van de schuldeiser wordt vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Het onderdeel klaagt in nr. 9 van de procesinleiding dat onjuist althans onbegrijpelijk is de overweging van het hof in rov. 3.6 dat tussen partijen niet ter discussie staat dat Rabobank in beginsel aanspraak heeft op vergoeding van het nadeel dat zij lijdt door de tussentijdse aflossing, maar wel wat de omvang van het te vergoeden nadeel is. Volgens de klacht heeft [eiseres] aangevoerd dat Rabobank vanwege artikel 6:39 BW in beginsel überhaupt geen aanspraak op vergoeding van dat nadeel heeft. Indien het hof met deze overweging heeft bedoeld dat (niet ter discussie staat dat) uit artikel 22 onder d AV in de concrete omstandigheden een vergoedingsrecht voortvloeit, dan heeft het hof niet voorbij mogen gaan aan zijn vaststelling in rov. 2.2 onder (vii) dat [eiseres] zich heeft beroepen op vernietiging van dit beding.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17 Het hof heeft een inhoudelijk oordeel gegeven over het beroep van [eiseres] op artikel 6:39 BW en op vernietiging van het beding, in rov. 3.3-3.5 respectievelijk rov. 3.16-3.19. De klacht faalt daarom reeds bij gebrek aan belang. Bovendien heeft [eiseres] bij memorie van grieven herhaald gesteld dat een kredietverstrekker uitsluitend een vergoeding kan vragen “voor zijn werkelijke financiële nadeel, exclusief gederfde winst” en dat Rabobank “meer dan haar werkelijke nadeel” in rekening heeft gebracht. Gezien deze stellingen getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.6 heeft geconstateerd dat tussen partijen niet ter discussie staat dat Rabobank in beginsel aanspraak heeft op vergoeding van het financiële nadeel dat ontstaat als gevolg van de tussentijdse aflossing. Met “in beginsel” heeft het hof kennelijk bedoeld ‘behoudens een geslaagd beroep op vernietiging van het beding’. Ook om die reden kan de klacht niet tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 De slotsom is dat onderdeel 1 niet slaagt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Onderdelen 2 en 3 van het cassatiemiddel (inhoud en transparantie van het beding) Onderdeel 2 (onredelijk bezwarend/oneerlijk beding) 6.1 Onderdeel 2 is gericht tegen de rov. 3.6, 3.13, 3.16, 3.19 en 3.20, waarin het hof overwoog: “3.6 Indien een kredietnemer zijn hypothecaire geldlening tussentijds, voor het einde van de rentevastperiode, aflost, ziet het bedrag dat de kredietnemer aan de kredietgever moet betalen niet op (wettelijke) schadevergoeding - het gebruik maken van een overeengekomen tussentijdse opzeggingsmogelijkheid levert immers geen tekortkoming op - maar op hetgeen partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de vergoeding van het financiële nadeel van de kredietgever dat ontstaat als gevolg van de tussentijdse aflossing. Tussen partijen staat niet ter discussie dat Rabobank in beginsel aanspraak heeft op vergoeding van dat nadeel. In geschil is welk nadeel voor vergoeding in aanmerking komt. Volgens l.uteijn heeft Rabobank alleen recht op vergoeding van daadwerkelijk en rechtstreeks gemaakte kosten als gevolg van de opzegging. De vergoeding die Rabobank in rekening heeft gebracht, ziet echter volgens haar ten onrechte op door Rabobank gederfde winst.(…) 3.13 Het beding is in overeenstemming met de door de AFM geformuleerde uitgangspunten, waarbij Rabobank de door [eiseres] te betalen vergoeding heeft herberekend met inachtneming van uitgangspunt 2 van de Leidraad. Daarin is vastgelegd dat voor het bepalen van de vergelijkingsrente de aanbieder de contractrente van een hypotheek met een looptijd vergelijkbaar met de resterende rentevastperiode gebruikt en als de aanbieder geen vergelijkbare looptijd aanbiedt, hij de hoogste naastgelegen rente kiest. Rabobank had aanvankelijk gerekend met de rente behorend bij de meest nabijgelegen kortere rentevastperiode. Na de herberekening kwam de door [eiseres] te betalen vergoeding € 3.634,57 lager uit. Uitgangspunt 3 zegt dat de vergoeding voor vervroegde aflossing niet hoger mag uitvallen door bij het vaststellen van de vergelijkingsrente ten opzichte van de contractrente een inconsistente Loan-to-Value (hierna: LTV) te hanteren.</div>\n<p class=\"lf-p\">De LTV is de verhouding tussen de hoogte van de hypotheekschuld ten opzichte van de waarde van de woning. Een hogere LTV leidt voor de kredietverstrekker tot een hoger terugbetalingsrisico en dit risico wordt verwerkt in het rentetarief door middel van een opslag. Als onvoldoende betwist staat vast dat in het onderhavige geval bij de berekening van de vergoeding is uitgegaan van dezelfde LTV-opslag als bij het aangaan van de geldlening. De LTV heeft daarmee, conform het door de AFM gehanteerde uitgangspunt, niet tot een hogere vaststelling van de vergoeding geleid. Verder staat als onvoldoende betwist vast dat Rabobank bij de berekening van de vergoeding de hoogte van de andere componenten waaruit het rentetarief is opgebouwd, zoals fundingkosten, niet ten nadele van [eiseres] heeft gehanteerd.(…) 3.16 Op grond van artikel 6:233 in samenhang met artikel 6:237 aanhefen sub i BW wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn een beding op grond waarvan bij beëindiging van een overeenkomst (anders dan wegens een tekortkoming) een geldbedrag moet worden betaald, behoudens voor zover het betreft een redelijke vergoeding voor door de gebruiker van de voorwaarden geleden verlies of gederfde winst. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en beslist, is het hof van oordeel dat het beding geen onredelijk bezwarend beding in bedoelde zin is. ook niet indien het bepaalde in artikel 7:127 lid 3 BW ten tijde van de vervroegde aflossing reeds geldend recht zou zijn.(…)3.19 [eiseres] betoogt daarnaast dat het beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van haar aanzienlijk verstoort. Het hof is van oordeel dat dit betoog faalt. In het beding is tussentijdse opzegbaarheid overeengekomen waar die anders in beginsel zou ontbreken (zie 3.4) en het beding is in overeenstemming met het recht. Rabobank kon daarom redelijkerwijs ervan uitgaan dat [eiseres] het beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke en billijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.20 Anders dan [eiseres] stelt, heeft Rabobank bij het berekenen van de vergoeding niet in strijd met artikel 81c BGfo gehandeld. [eiseres] betoogt dat Rabobank moet uitgaan van de verplichtingen die Rabobank mede ten behoeve van haar hypothecaire geldlening op de kapitaalmarkt is aangegaan, en vervolgens niet meer of anders als vergoeding mag vorderen dan de met de op de kapitaalmarkt aangegane verplichtingen gemoeide kosten die in rechtstreeks verband met de vervroegde aflossing van die geldlening staan. [eiseres] verbindt daaraan de conclusie dat Rabobank haar nadeel ten minste op portefeuilleniveau moet kunnen aantonen. De hiervoor genoemde Richtlijnen evenals artikel 81c BGfo alsmede artikel 7:127 lid 3 BW bieden echter geen enkel aanknopingspunt voor dit betoog van [eiseres] . De stelling van [eiseres] dat Rabobank niet enkel nadeel ondervindt van tussentijdse aflossing van een hypothecaire geldlening brengt daarin geen verandering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gaal ook voorbij aan de stellingen van [eiseres] dat Rabobank haar gezien het bepaalde in (thans) het vierde lid van artikel 81c BGfo onvoldoende heeft geïnformeerd over de vergoeding die zij verschuldigd is en dat Rabobank (nog beter) inzichtelijk moet maken op welke wijze de in rekening gebrachte vergoeding is berekend. Ook die stellingen zijn gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat Rabobank niet meer dan. kort gezegd, 'de rechtstreekse kosten', door [eiseres] ook aangeduid als 'het werkelijke nadeel' als vergoeding mag vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij komt dat in dit geding als vaststaand moet worden beschouwd dat Rabobank de hoogte van de componenten waaruit het rentetarief is opgebouwd niet ten nadele van [eiseres] heeft gewijzigd (zie rov. 3.13). Daaruit volgt dat de door Rabobank bij de berekening gehanteerde hypothesen (voldoende) kenbaar zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Het onderdeel klaagt op p. 8-9 van de procesinleiding over onjuistheid en onbegrijpelijkheid van rov. 3.6 en 3.19 omdat het hof daarin miskent dat de kredietgever in beginsel geen aanspraak heeft op een vergoeding van het nadeel dat de vervroegde aflossing veroorzaakt (rov. 3.6), en dat een bedongen vergoeding wegens vervroegde aflossing niet kan worden gekwalificeerd als tegenprestatie voor een opzeggingsbevoegdheid die anders in beginsel zou ontbreken (rov. 3.19). Hierop sluit aan nr. 10 van de procesinleiding waarin het onderdeel klaagt dat dat het hof in rov. 3.19 miskent dat als de vergoedingsplicht van artikel 22 AV niet was bedongen, [eiseres] vervroegd had mogen aflossen zonder daarvoor een vergoeding verschuldigd te zijn. Het is volgens de klacht niet juist of begrijpelijk dat het hof oordeelt dat Rabobank “daarom” redelijkerwijs ervan heeft kunnen uitgaan dat [eiseres] artikel 22 AV zou hebben aanvaard indien daarover op eerlijke wijze afzonderlijk was onderhandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 Deze klachten borduren kennelijk voort op het in onderdeel 1 (met name nrs. 7 en 8 van de procesinleiding) gedane beroep op artikel 6:39 lid 1 BW. Zoals hiervoor is toegelicht, is het materieelrechtelijke uitgangspunt van deze bepaling dat een betalingstermijn kan strekken ten gunste van de schuldenaar en/of de schuldeiser en dat deze strekking per geval moet worden vastgesteld aan de hand van de partijafspraak, aard van de overeenkomst en omstandigheden (in 5.4.1 tot en met 5.4.5), moet bij de onderhavige geldleningsovereenkomst tegen rente voor bepaalde tijd het vermoeden dat de termijn enkel ten gunste van [eiseres] is gesteld wijken, en laat artikel 6:39 BW de vrijheid onverlet om te bedingen dat vervroegde nakoming slechts mogelijk is tegen vergoeding van het daardoor veroorzaakte nadeel van de schuldeiser (in 5.11.2 tot en met 5.15).</p>\n<p class=\"lf-p\">In dat licht is onjuist noch onbegrijpelijk dat volgens het hof in rov. 3.6 op grond van “hetgeen partijen zijn overeengekomen” Rabobank in beginsel recht heeft op vergoeding van het bedoelde nadeel. Evenmin onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof bij de verwerping van het betoog dat artikel 22 AV oneerlijk zou zijn, heeft overwogen dat in het beding tussentijdse opzegbaarheid/vervroegde aflossing is overeengekomen waar die anders in beginsel zou ontbreken, dat het beding in overeenstemming is met het recht en dat Rabobank redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat [eiseres] het beding zou aanvaarden indien daarover op eerlijke wijze afzonderlijk was onderhandeld. De klachten slagen daarom niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Het onderdeel bevat in nr. 10 van de procesinleiding voorts de klacht dat het hof artikel 22 AV aan de Richtlijn oneerlijke bedingen had moeten toetsen en dat daaraan niet afdoet dat de GHF en de AFM toelaten dat de kredietgever bedingt dat de kredietnemer in geval van vervroegde aflossing de contante waarde moet vergoeden van het verschil tussen de contractrente en een vergelijkingsrente.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Deze klacht slaagt niet. Het hof heeft blijkens rov. 3.17-3.19 artikel 22 AV aan de Richtlijn oneerlijke bedingen getoetst. Door in rov. 3.19 te overwegen dat het beding in overeenstemming is met het recht, verwijst het hof in rov. 3.19 terug naar onder meer zijn rov. 3.16. In rov. 3.16 refereert het hof aan zijn aan rov. 3.16 voorafgaande overwegingen. Bij zijn beoordeling of het beding oneerlijk is, kon het hof in aanmerking nemen dat ten tijde van de contractsluiting in 2008 zelfregulering in de vorm van de GHF berekening van de vergoeding aan de hand van de NCW-methode toeliet (rov. 3.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 Het standpunt van de AFM, waarnaar de klacht ook verwijst, betreft kennelijk de door het hof in rov. 3.12 en 3.13 genoemde Leidraad van de AFM. In verband met de beoordeling van de oneerlijkheid van het in 2008 overeengekomen artikel 22 AV, kan deze Leidraad uit 2017 buiten beschouwing blijven (zie hiervoor in 4.6.1-4.6.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Zoals eerder is opgemerkt (in 4.6.3), is artikel 81c Bgfo relevant met het oog op de beoordeling van de subsidiaire vordering van [eiseres] . De Leidraad is een uitwerking van artikel 81c Bgfo (zie hiervoor in 3.25.1). In rov. 3.20 verwijst het hof bij zijn beoordeling van de subsidiaire vordering naar rov. 3.13. In zoverre kan het zin hebben om in cassatie een tegen rov. 3.13 gerichte klacht te onderzoeken (zie hierover ook hierna in 7.8). Nr. 11 van de procesinleiding bevat een tegen rov. 3.13 gerichte klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 Het onderdeel klaagt in nr. 11 van de procesinleiding over de oordelen van het hof in rov. 3.13 dat als onvoldoende betwist vast staat dat bij de berekening van de vergoeding is uitgegaan van dezelfde Loan-to-Value (LTV) als bij het aangaan van de geldlening en dat Rabobank bij de berekening van de vergoeding de hoogte van de andere componenten waaruit het rentetarief is opgebouwd, zoals fundingkosten, niet ten nadele van [eiseres] heeft gehanteerd. Volgens de klacht is het hof daarmee slechts ten dele, en daarom onvoldoende begrijpelijk, ingegaan op de in de klacht (en voetnoot 36 daarbij) genoemde bezwaren van [eiseres] tegen de berekening van de vergoeding: (a) het hof is niet ingegaan op het bezwaar dat Rabobank geen rekening houdt met verschillen tussen de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst en ten tijde van het aflossen van de uitstaande schuld (inleidende dagvaarding nr. 35 (i)) respectievelijk het hof heeft genegeerd dat de stelling van [eiseres] dat de risico’s ten tijde van het sluiten van de overeenkomst onmogelijk identiek kunnen zijn aan de risico’s ten tijde van de aflossing (memorie van grieven nr. 33(b)) door Rabobank niet afdoende is weerlegd met haar ongemotiveerde stelling dat de componenten in het overeengekomen rentetarief en in het tarief van de vergelijkingsrente tegen elkaar wegvallen (memorie van antwoord nr. 39(b)); (b) de stelling van [eiseres] dat HR 21 april 2017, NJ 2017/794 (T./Dexia) eraan in de weg staat dat Rabobank fundingkosten in haar berekening betrekt (memorie van grieven nr. 43) is door het hof “niet werkelijk weerlegd” met zijn overweging dat volgens Rabobank fundingkosten niet ten nadele van [eiseres] zijn gehanteerd; (c) het hof heeft ook genegeerd dat Rabobank niet is ingegaan op de stelling van [eiseres] dat Rabobank van de vervroegde aflossing helemaal geen nadeel ondervindt als zij de hypothecaire lening aan [eiseres] heeft verhandeld (memorie van grieven nr. 33(d)).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9 Op zichzelf in cassatie onbestreden zijn de vaststellingen van het hof in rov. 3.13 dat bij de berekening van de vergoeding aan de hand van de NCW-methode is uitgegaan van dezelfde LTV-opslag als bij het aangaan van de geldlening en dat de andere componenten waaruit het rentetarief is opgebouwd, zoals fundingkosten, door Rabobank niet ten nadele van [eiseres] zijn gehanteerd. Mede op basis van deze vaststellingen heeft het hof in rov. 3.13 geoordeeld dat Rabobank de vergoeding conform de Leidraad heeft berekend. De hiervoor onder (a) tot en met (c) bedoelde stellingen van [eiseres] dwongen het hof m.i. niet tot het geven van een uitgebreidere motivering om dit oordeel begrijpelijk te doen zijn. De motiveringsklacht slaagt daarom niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Wat betreft de onder (a) bedoelde stelling, kan nog worden opgemerkt dat voor de hand ligt dat indien de contractrente verschilt van de vergelijkingsrente, er ergens een verschil kan optreden in de omvang van de samenstellende componenten van deze tarieven. Het hof behoefde niet afzonderlijk op deze stelling in te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Het hof behoefde ook niet afzonderlijk te reageren op de onder (c) bedoelde stelling, die blijkens de memorie van grieven speculatief van aard was.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12.1 Wat betreft de onder (b) bedoelde stelling merk ik nog op dat toepassing van de door de AFM in de Leidraad onderschreven NCW-methode niet in strijd is met HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:773, NJ 2017/394 (T./Dexia).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12.2 Deze zaak betrof een beding dat Dexia bij ontbinding van de effectenleaseovereenkomst wegens een tekortkoming van haar wederpartij recht gaf op vergoeding van de resterende rentetermijnen, contant gemaakt tegen 5%. De Hoge Raad overweegt in rov. 3.7.7, samengevat, dat bij een wijze van schadebegroting die is gebaseerd op een vergelijking tussen de situaties bij ontbinding en bij nakoming, de eventuele (langlopende) financieringskosten die de financiële instelling in verband met het aangaan van de ontbonden leaseovereenkomsten is verschuldigd, buiten beschouwing dienen te worden gelaten omdat die kosten in beide situaties gelijk zijn. Anders gezegd, in een dergelijk geval wordt de schade bepaald door, bij gelijkblijvende financieringskosten, te kijken naar het verschil in opbrengsten bij volledige nakoming respectievelijk bij ontbinding. Voorts overweegt de Hoge Raad in rov. 3.7.5, 3.7.8 en 3.8.1, samengevat, dat het beding oneerlijk is omdat het niet voldoende rekening houdt met het voordeel dat Dexia heeft doordat het vervroegd ontvangen bedrag voor haar als financiële instelling onmiddellijk opnieuw rentedragend is tegen het percentage dat zij op dat moment kan bedingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12.3 In rov. 3.7.7 van T./Dexia worden, ter bepaling van de op grond van artikel 6:277 BW verschuldigde schadevergoeding, de doorlopende financieringskosten tegenover de opbrengsten gezet. Bij gelijkblijvende kosten, wordt de schade bepaald door het verschil tussen de opbrengst bij volledige nakoming (dat wil zeggen: de verschuldigde termijnen op basis van het contractuele rentepercentage) en de opbrengst bij ontbinding (dat wil zeggen: het rentepercentage dat Dexia op dat moment kan bedingen als het vervroegd opeisbaar geworden bedrag opnieuw rentedragend wordt uitgezet). Hoe die verschillende rentes zijn opgebouwd, is in de zaak T./Dexia verder niet aan de orde gekomen, maar het ligt voor de hand dat de hoogte van deze rentes wordt bepaald door componenten als financieringskosten, opslagen en winst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarom zijn in de berekening van de schadevergoeding aan de hand van het verschil tussen beide rentes, ook eventuele verschillen tussen de financieringskosten die beide rentes (mede) bepalen, verdisconteerd. De NCW-methode gaat er (evenals de prejudiciële beslissing in de zaak T./Dexia) van uit dat de oorspronkelijke financieringskosten van de bank doorlopen. Dit doorlopen is juist de aanleiding om een vergoeding te gaan berekenen bij vervroegde aflossing of tussentijdse rentewijziging. De NCW-methode bepaalt de vergoeding aan de hand van het (contant gemaakte) verschil tussen de contractrente en de actuele (vergelijkings)rente. Daarom zijn in de berekening van de vergoeding aan de hand van het verschil tussen beide rentes, ook eventuele verschillen tussen de financieringskosten die beide rentes (mede) bepalen, verdisconteerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van de NCW-methode is daarom m.i. niet in strijd met rov. 3.7.7 van T./Dexia.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Het betoog in nr. 11 (laatste alinea) en nr. 12 van de procesinleiding betreft de beoordeling of het beding in artikel 22 AV oneerlijk is en de stel- en motiveringsplicht en bewijslast van Rabobank en de ambtshalve taak van de rechter bij de beoordeling of een beding oneerlijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.14 Het onderdeel formuleert (op p. 11-12 van de procesinleiding) onder verwijzing naar rechtspraak van het HvJEU allereerst een norm om te beoordelen of het beding in artikel 22 AV oneerlijk is. Het onderdeel concludeert vervolgens (op p. 13, eerste tekstblok, van de procesinleiding) dat deze norm door artikel 22 AV wordt geschonden, omdat de op basis daarvan berekende vergoeding Rabobank bij voorbaat een verboden aanzienlijk voordeel oplevert, althans dat kan doen, Rabobank een verboden recht op een betaling geeft waar van haar kant geen prestatie tegenover staat, althans een prestatie waarvoor al langs andere weg door middel van risico-opslagen een vergoeding is betaald, dan wel recht op een betaling geeft die niet in verhouding staat met de prestatie van Rabobank zelf. Het onderdeel baseert deze conclusie op het betoog (op p. 12, onderaan, en p. 13, eerste tekstblok, van de procesinleiding) dat het gaat om een vergoeding van het nadeel dat Rabobank (naar zij heeft aangevoerd) op portefeuilleniveau lijdt; dat het nadeel als gevolg van het risico dat de klant vervroegd aflost, al is verdisconteerd in opslagen in de basisrente; en dat de vergoeding wordt berekend aan de hand van een abstracte formule (de contantewaardemethode) op basis van een door de AFM verboden maar voor de bank voordelige parameter van de dichtstbijzijnde kortere rentevaste periode.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 Ik bezie eerst de rechtspraak waarnaar de procesinleiding in dit verband verwijst. Het gaat om HR 21 april 2017, NJ 2017/394 (T./Dexia) en HvJEU 27 januari 2021, C-229/19 (Dexia Nederland), alsmede HvJEU 16 januari 2014, C-226/12 (Constructora Principado), HvJEU 3 oktober 2019, C 621/17 (Kiss/CIB Bank), HvJEU 16 juli 2020, C-224/19 (Caixabank) en HvJEU 3 september 2020, C-84/19 (Profi Credit Polska/Q.J. e.a.).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 HR 21 april 2017, NJ 2017/394 (T./Dexia) is hiervoor (in 6.12.1 tot en met 6.12.3) al aan de orde gekomen. Ik concludeerde dat toepassing van de NCW-methode niet in strijd is met deze prejudiciële beslissing. Uit HvJEU 27 januari 2021, C-229/19 (Dexia Nederland) volgt, voor zover thans relevant, dat de nationale rechter kan oordelen dat een beding oneerlijk is omdat het niet voldoende rekening houdt met het voordeel dat Dexia heeft doordat het vervroegd ontvangen bedrag voor haar als financiële instelling onmiddellijk opnieuw rentedragend is tegen het percentage dat zij op dat moment kan bedingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17.1 De arresten Constructora Principado, Kiss/CIB Bank, Caixabank en Profi Credit Polska/Q.J. e.a. zijn hiervoor (in 3.10.1, 3.10.3 tot en met 3.10.5 en 3.12) besproken. Het gaat in deze zaken om andere soorten bedingen dan thans in cassatie aan de orde is. Het betrof kosten van aansluiting van de woning op de waterleiding en riolering alsmede belasting over de waardestijging van de woning (Constructora Principado), beheerskosten en een uitbetalingsprovisie (Kiss/CIB Bank), openingskosten bij een krediet (Caixabank) respectievelijk commissieloon en een vergoeding voor een financieel product (Profi Credit Polska/QJ e.a.), terwijl in enkele gevallen kwestieus was of daartegenover wel een prestatie stond (Kiss/CIB Bank, Caixabank en Profi Credit Polska/QJ e.a.).</p>\n<p class=\"lf-p\">De arresten Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/QJ e.a. zijn relevant in verband met het transparantievereiste, dat hierna nog aan de orde zal komen. Wat betreft de beoordeling of een beding oneerlijk is, wijzen de arresten Constructora Principado en Caixabank op de betekenis van het nationale recht en wijzen de arresten Kiss/CIB Bank en Profi Credit Polska/Q.J. e.a. op de eventuele onevenredigheid van de kosten ten opzichte van de hoogte van de lening. In het onderhavige geval ontbreekt wet- en regelgeving over de berekening van de vergoeding op het voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding relevante moment van contractsluiting, terwijl zelfregulering (GHF) de in artikel 22 AV gehanteerde NCW-methode (bij vervroegde aflossing) toeliet.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.17.2 Gezien het voorgaande, kan niet worden gezegd dat uit deze arresten reeds volgt dat het hof niet kon komen tot zijn oordeel dat het beding niet onredelijk bezwarend/oneerlijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18.1 Daarom kan ook niet worden gezegd dat artikel 22 AV reeds onredelijk bezwarend/oneerlijk is op de grond dat de op basis van artikel 22 AV berekende vergoeding het nadeel betreft dat Rabobank op portefeuilleniveau lijdt (zoals Rabobank heeft gesteld) respectievelijk een abstract karakter zou hebben (zoals het onderdeel betoogt). Uit de genoemde arresten van het HvJEU blijkt dat voor de beoordeling of een beding oneerlijk is, mede van belang is of het afwijkt van hetgeen zonder het beding volgens het nationale recht zou gelden. In het onderhavige geval ontbreekt wet- en regelgeving over de berekening van de vergoeding op het voor de beoordeling van de oneerlijkheid van het beding relevante moment van contractsluiting, terwijl zelfregulering (GHF) de in artikel 22 AV gehanteerde NCW-methode (bij vervroegde aflossing) toeliet. Het hof heeft hiermee blijkens zijn rov. 3.16 rekening gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18.2 Voorts moet worden opgemerkt dat het onderdeel niet verwijst naar vindplaatsen in de processtukken in feitelijke instanties in verband met de stelling dat het nadeel van de bank als gevolg van vervroegde aflossing al is verdisconteerd in opslagen in de basisrente. De stelling is feitelijk van aard en kan niet voor het eerst in cassatie worden aangedragen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18.3 De opmerking dat Rabobank de vergoeding heeft berekend op basis van een door de AFM verboden, maar voor de bank voordelige parameter van de dichtstbijzijnde kortere rentevaste periode, miskent dat de Leidraad van de AFM uit 2017 nog niet gold op het voor de beoordeling van het beding relevante moment van contractsluiting in 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19 De klacht in nr. 12 van de procesinleiding (op p. 13-14) over de stel- en motiveringsplicht en bewijslast van Rabobank en de ambtshalve taak van de rechter bij de beoordeling of een beding oneerlijk is, is gericht tegen rov. 3.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.20 Deze klacht houdt in de eerste plaats in, dat het hof heeft miskend dat zowel de stel- en motiveringsplicht als de bewijslast ter zake van het tegendeel – dat wil zeggen, van de stelling dat het risico dat de klant de bevoegdheid tot vroegtijdige aflossing uitoefent, wordt verdisconteerd in opslagen op de basisrente − rust op Rabobank. Deze klacht houdt in de tweede plaats in, dat het hof niet het dispuut met toepassing van artikel 149 Rv ten nadele van [eiseres] heeft kunnen beslechten, maar dat het hof zo nodig ambtshalve onderzoeksmaatregelen moest treffen die het hof zowel feitelijk als rechtens in staat zouden stellen om het oneerlijke karakter van artikel 22 AV te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.21 Nu de klacht betrekking heeft op een stelling die, naar in cassatie moet worden aangenomen, niet in feitelijke instanties is aangevoerd, kan zij reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag niet slagen. Overigens gaat het ambtshalve onderzoek dat de rechter bij de beoordeling van een beding zo nodig dient te verrichten, naar mijn mening niet zo ver als het onderdeel thans veronderstelt. In dit verband geldt volgens de rechtspraak van de Hoge Raad: “3.9.1 (…) Indien de rechter over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te vermoeden dat een overeenkomst onder het bereik van Richtlijn 93/13 valt en een beding bevat dat oneerlijk is in de hiervoor genoemde zin, dient hij daarnaar onderzoek te doen, ook indien daarop gerichte stellingen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. Dit geldt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wat het laatste betreft met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.6.3 is overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staan de relevante feiten niet alle vast, dan zal de rechter de instructiemaatregelen moeten nemen die in dit verband nodig zijn om de volle werking van de Richtlijn 93/13 te verzekeren, wat betreft zowel de toepasselijkheid van die richtlijn, als de mogelijke oneerlijkheid van het beding. (…) 3.9.3 Voor de cassatieprocedure betekent het hiervoor overwogene dat met succes kan worden geklaagd dat de feitenrechter het hiervoor bedoelde onderzoek achterwege heeft gelaten indien onbegrijpelijk is dat de in de procedure gebleken gegevens hem geen aanleiding hebben gegeven tot het hiervoor in 3.9.1 bedoelde vermoeden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu in het partijdebat kennelijk niet de specifieke vraag aan de orde was of het risico op vervroegde aflossing was verdisconteerd in het door Rabobank gehanteerde basistarief, en dit geen feitelijk aspect betreft waarvan mag worden aangenomen dat het zich ook zonder aanknopingspunten in het partijdebat voor de beoordelaar van de oneerlijkheid van het beding als relevant aandient, is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof op dit punt geen ambtshalve instructie heeft gelast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.22 Nu de in 6.13 bedoelde klachten niet slagen, geldt hetzelfde voor de daarop voortbouwende, tegen rov. 3.20 gerichte klacht van nr. 13 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.23 De klacht in nr. 14 van de procesinleiding komt neer op een herhaling van de klachten in nr. 12 van de procesinleiding en deelt het lot daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.24 Voor zover in nr. 15 van de procesinleiding wordt geklaagd dat uit de Richtlijn hypothecair krediet en de Nederlandse omzetting daarvan volgt dat artikel 22 AV onredelijk bezwarend is, beroept het onderdeel zich op regels die nog niet golden op het voor de beoordeling van het beding relevante moment van contractsluiting, en behoeft de klacht geen bespreking (zie hiervoor in 4.6.1-4.6.3). Voor zover in dit nummer wordt geklaagd dat het hof in rov. 3.16 ten onrechte heeft overwogen dat artikel 22 AV niet onredelijk bezwarend is, en dat het oordeel in rov. 3.16 onbegrijpelijk is om de in nr. 11 van de procesinleiding gegeven redenen, falen deze klachten op de gronden die hiervoor bij de bespreking van onderdeel 2 aan de orde zijn gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 (transparantievereiste) 6.25 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 3.18, waarin het hof overwoog: “3.18 Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie EU is een gebrek aan transparantie een omstandigheid die moet worden meegewogen bij de beoordeling van de oneerlijkheid van een beding. De strekking van het transparantievereiste is dat de consument op basis van de verkregen informatie kan beslissen of hij gebonden wenst te worden door voorwaarden die de wederpartij van de consument tevoren heeft vastgelegd. Hel hof is van oordeel dat de vermelding in het beding dat het berekende bedrag door de bank contant wordt gemaakt uit grammaticaal oogpunt voldoende duidelijk en begrijpelijk is. 'Contant maken' is een gangbaar rekenkundig begrip voor financiële producten. De normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument kan op basis daarvan de economische gevolgen die voor hem daaruit volgen voldoende voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan kan niet afdoen dat het berekenen van de contante waarde noodzakelijkerwijs dient te leiden tot een rekenkundige exercitie waarbij een bepaalde formule moet worden gebruikt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het contant maken van het bedrag in beginsel in het voordeel is van de klant. Bij de keuze voor de consument om vervroegd af te lossen is met name beslissend het verschil tussen de contractrente en de marktrente. Daarbij bepaalt het contant maken van het berekende bedrag in het algemeen in beperkte mate de hoogte van de verschuldigde vergoeding, zodat niet gezegd kan worden dat het kunnen berekenen van de contante waarde een overwegend bepalend onderdeel is van de toepassing het beding.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.26 Onderdeel 3 signaleert (in nr. 16 van de procesinleiding) dat het hof in rov. 3.18 niet met zoveel woorden overweegt dat artikel 22 AV beantwoordt aan het transparantievereiste. Ik merk op dat het hof in rov. 3.18 reageert op de (in rov. 3.17 weergeven) stelling van [eiseres] dat artikel 22 AV niet transparant is, omdat het de consument niet in staat stelt de contante waarde te berekenen van het verschil tussen de contractrente en de marktrente. Het hof verwerpt deze stelling en overweegt in dat verband, kort gezegd, dat de gemiddelde consument de economische gevolgen voldoende kan voorzien.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.27 Onderdeel 3, zoals toegelicht in de nrs. 16-20 van de procesinleiding, klaagt dat het oordeel in rov. 3.18 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Ik bespreek hierna de verschillende elementen van het onderdeel afzonderlijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.28 Voor zover het onderdeel (op p. 17 en in nr. 20 van de procesinleiding) betoogt dat het hof had moeten overwegen dat artikel 22 AV niet beantwoordt aan het transparantievereiste en dat artikel 22 AV daarom oneerlijk is, dient het te falen in het licht van hetgeen eerder (in 3.6.1 tot en met 3.8.2) is opgemerkt over de betekenis van een gebrek aan transparantie voor de beoordeling of een beding oneerlijk is. Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat een transparantiegebrek een van de elementen is bij de beoordeling van de oneerlijkheid van een beding. Uit die rechtspraak volgt niet dat een transparantiegebrek als regel bij die beoordeling doorslaggevend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.29 Volgens het onderdeel (op p. 17 van de procesinleiding) had het hof moeten overwegen dat artikel 22 AV niet beantwoordt aan het transparantievereiste omdat Rabobank de consument voor het sluiten van de overeenkomst niet in staat stelt de concrete werking van de bepaling te begrijpen en op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de (mogelijk aanzienlijke) economische gevolgen van het beding voor zijn financiële verplichtingen te beoordelen (p. 17 van de procesinleiding). Het onderdeel voert hiertoe, samengevat, het volgende aan. Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat de voornaamste gegevens die voor een berekening nodig zijn, gemakkelijk toegankelijk moeten zijn (nrs. 17 en 18). Hieraan voldoet artikel 22 AV niet, omdat Rabobank in artikel 22 AV noch elders toegang geeft tot de gegevens die voor de berekening van de contante waarde noodzakelijk zijn, maar zelf bepaalt hoe de contante waarde wordt berekend (nr. 18). Het hof heeft niet uitgesloten dat de wijze waarop Rabobank de contante waarde berekent, van invloed is op de omvang van de verplichtingen van [eiseres] (nr. 19).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.30.1 Ik stel voorop dat het transparantievereiste van artikel 5 Richtlijn oneerlijke bedingen ruim moet worden uitgelegd en onder meer gebiedt dat in de overeenkomst de concrete werking van het mechanisme waarop het betrokken beding betrekking heeft op een transparante wijze wordt uiteengezet, zodat de consument op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria de economische gevolgen die voor hem of haar uit de overeenkomst voortvloeien, kan inschatten. Daarbij kan de omvang van de vereiste consumentenvoorlichting variëren naar gelang van de specifieke omstandigheden van het concrete geval en van de betrokken goederen of diensten. Volgens de rechtspraak van het HvJEU gebiedt het transparantievereiste dat de consument de economische gevolgen van de overeenkomst kan “ramen” of “inschatten”. Hieruit volgt naar mijn mening dat een beding voldoende transparant kan zijn, ook al kan de consument de financiële gevolgen ervan niet zonder meer op voorhand nauwkeurig vaststellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.30.2 Uit bijzondere verplichtingen inzake consumentenvoorlichting kunnen nadere eisen voortvloeien. Zo oordeelde het HvJEU in het arrest EOS KSI/Danko dat het vermelden in een consumentenkredietovereenkomst van enkel de formule voor de berekening van het jaarlijks kostenpercentage (JKP) van het krediet zonder de voor deze berekening benodigde gegevens, beslissend kan zijn voor het oordeel dat het betrokken beding niet voldoet aan het transparantievereiste. In deze zaak werd het transparantievereiste volgens het HvJEU ingekleurd door de bepalingen van de toepasselijke Richtlijn consumentenkrediet (in de ‘oude’ versie van Richtlijn 87/102) dat het JKP moet worden berekend op het moment dat de overeenkomst wordt gesloten en dat het JKP in de overeenkomst moet worden vermeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook HvJEU 9 september 2021, C-33/20, C-155/20 en C-187/20, ECLI:EU:C:2021:736 (Volkswagen), punt 100, betrof de Richtlijn consumentenkrediet (in de ‘nieuwe’ versie van Richtlijn 2008/48), meer in het bijzonder artikel 10 lid 2 onder r, waarin is bepaald dat bij vervroegde aflossing in de overeenkomst op duidelijke en beknopte wijze melding moet worden gemaakt van “het recht op vervroegde aflossing, de procedure voor vervroegde aflossing alsmede, in voorkomend geval, informatie over het recht van de kredietgever op een vergoeding en de wijze waarop deze vergoeding wordt vastgesteld”. Volgens het HvJEU is niet nodig dat in de kredietovereenkomst de rekenkundige formule wordt gepreciseerd aan de hand waarvan die vergoeding zal worden berekend, maar moet wel op een concrete en voor de gemiddelde consument gemakkelijk te begrijpen wijze worden vermeld hoe deze vergoeding zal worden berekend, opdat deze het bedrag van de in geval van vervroegde aflossing verschuldigde vergoeding kan berekenen op basis van de in de kredietovereenkomst verstrekte informatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dergelijke bijzondere verplichtingen inzake consumentenvoorlichting bestonden niet ten aanzien van hypothecaire kredieten ten tijde van het sluiten van het hypothecaire krediet in het onderhavige geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.30.3 De vraag of aan het transparantievereiste is voldaan moet door de verwijzende rechter worden onderzocht in het licht van alle relevante feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.31 In het licht van het voorgaande kan naar mijn mening niet worden gezegd dat het, met feitelijke waarderingen verweven, oordeel van het hof in rov. 3.18 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting op de grond dat artikel 22 AV niet duidelijk maakt hoe de bank de contante waarde berekent. Het hof oordeelt dat het beding op het punt van de contante waarde desondanks voldoende duidelijk is, waarbij het hof in aanmerking neemt dat voor de beslissing van de consument om vervroegd af te lossen met name het verschil tussen de contractrente en de (actuele) marktrente beslissend is, het contant maken van het verschuldigde bedrag in het algemeen in beperkte mate de hoogte van de vergoeding bepaalt en in beginsel in het voordeel van de consument is. Het in nrs. 18-19 van de procesinleiding genoemde arrest HvJEU 7 november 2019, C-419/18 (Profi Credit Polska) noopt niet tot een andere conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.32 Onderdeel 3 betoogt (op p. 16 van de procesinleiding) dat het hof (zonder nadere motivering) niet de stellingen had mogen verwerpen dat het begrip \"contante waarde\" een belangrijke rol in de berekening van de vergoeding speelt, maar dat de gemiddelde consument, voor wie het een complex bedrijfseconomisch concept is, niet in staat is om de wiskundige exercitie uit te voeren die nodig is om een bedrag \"contant\" te maken en dat Rabobank de wijze waarop zij bedragen contant maakt, niet uitlegt maar op grond van artikel 22 onder d AV zelf bepaalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.33.1 Anders dan het middel aanvoert, is het oordeel naar mijn mening niet onbegrijpelijk te noemen in het licht van het betoog van [eiseres] in feitelijke instanties, waarnaar het onderdeel verwijst. Het hof is in rov. 3.18 ingegaan op deze stellingen en heeft deze anders gewaardeerd dan door [eiseres] was betoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.33.2 Anders dan het onderdeel aanvoert (in nr. 19 van de procesinleiding), is niet onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat het contant maken van het bedrag in beginsel in het voordeel is van de klant.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.33.3 Anders dan het onderdeel aanvoert (in nr. 19 van de procesinleiding), is niet onbegrijpelijk dat het hof overweegt dat consumenten voornamelijk belang hechten aan het verschil tussen de contractrente en de marktrente. Het hof heeft met juistheid de transparantie van het beding beoordeeld aan de hand van de maatstaf van de gemiddelde consument, zoals ook besloten ligt in HvJEU 7 november 2019, C-419/18 (Profi Credit Polska) waarnaar de procesinleiding hier verwijst. Het hof behoefde deze overweging niet nader te motiveren, ook niet in het licht van het concrete bedrag dat in het onderhavige geval gemoeid is met het contant maken van het verschil tussen de contractrente en de marktrente.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.33.4 De tegen rov. 3.13 gerichte klacht aan het slot van nr. 19 van de procesinleiding berust op een onjuiste lezing van deze overweging. Uit de eerste volzin van rov. 3.13 blijkt immers dat het hof heeft onderkend dat Rabobank de vergoeding heeft herberekend met inachtneming van uitgangspunt 2 van de Leidraad van de AFM.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.34 Onderdeel 3 slaagt naar mijn mening niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Onderdeel 4 (vergoeding in strijd met de wet?) 7.1 Onderdeel 4 is in de eerste plaats gericht tegen rov. 3.14 en 3.15, waarin het hof overwoog dat uit het in rov. 3.7-3.12 weergegeven juridisch kader volgt: “dat Rabobank bij tussentijdse aflossing haar financiële nadeel, bestaande uit het verschil tussen de contractuele rente over het afgeloste bedrag gedurende de resterende rentevastperiode en de ten tijde van de aflossing nog te realiseren rente, in rekening mocht brengen, waarbij het berekende bedrag contant werd gemaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Volgens het onderdeel heeft de kredietgever bij vervroegde aflossing, mits rechtsgeldig bedongen, slechts recht op een vergoeding van de kosten die rechtstreeks door de vervroegde aflossing worden veroorzaakt, en omvatten die kosten niet de winst die de kredietgever door de vervroegde aflossing derft, en dus ook niet, al dan niet in gekapitaliseerde vorm, rente of kosten die ten tijde van de vervroegde aflossing niet verschenen zijn en ten gevolge van de vervroegde aflossing ook niet meer zullen verschijnen. Blijkens de toelichting in de nrs. 21-25 van de procesinleiding, beroept het onderdeel zich hiertoe op artikel 6:39 BW en – vooral – op artikel 16 Richtlijn consumentenkrediet en de omzetting daarvan in artikel 7:68 BW en op artikel 25 Richtlijn hypothecair krediet en de omzetting daarvan in de artikelen 7:127 BW en 81c Bgfo. Het onderdeel betoogt in nr. 26, samengevat, dat het oordeel over artikel 25 Richtlijn hypothecair krediet uiteindelijk aan de Europese wetgever en rechter is en dat de uit rov. 3.7, 3.10-3.12 en 3.15 blijkende Nederlandse opvattingen daaraan niet afdoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Voor zover het onderdeel zich in verband met de beoordeling van de op de vernietiging van het beding gebaseerde primaire vordering richt tegen rov. 3.14-3.15 en daartoe (i) een beroep doet op artikel 6:39 BW, volgt uit de bespreking van onderdeel 1 dat dit beroep niet slaagt, en daartoe (ii) een beroep doet op de artikelen 16 Richtlijn consumentenkrediet, 25 Richtlijn hypothecair krediet, 7:68 BW en 7:127 BW, volgt uit hetgeen hiervoor (in 4.3.2 en 4.6.3) is opgemerkt, dat het onderdeel niet tot cassatie kan leiden en bij gebrek aan belang geen bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Zoals hiervoor (in 4.6.3) is geconstateerd, bestaat er wel belang bij een onderzoek naar de in verband met de subsidiaire vordering tegen rov. 3.20 gerichte klachten van onderdeel 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 In rov. 3.20 overwoog het hof in verband met de op artikel 81c Bgfo gebaseerde subsidiaire vordering onder meer: “Het hof gaal ook voorbij aan de stellingen van [eiseres] dat Rabobank haar gezien het bepaalde in (thans) het vierde lid van artikel 81c BGfo onvoldoende heeft geïnformeerd over de vergoeding die zij verschuldigd is en dat Rabobank (nog beter) inzichtelijk moet maken op welke wijze de in rekening gebrachte vergoeding is berekend. Ook die stellingen zijn gebaseerd op het onjuiste uitgangspunt dat Rabobank niet meer dan, kort gezegd, 'de rechtstreekse kosten', door [eiseres] ook aangeduid als 'het werkelijke nadeel' als vergoeding mag vorderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij komt dat in dit geding als vaststaand moet worden beschouwd dat Rabobank de hoogte van de componenten waaruit het rentetarief is opgebouwd niet ten nadele van [eiseres] heeft gewijzigd (zie rov. 3.13). Daaruit volgt dat de door Rabobank bij de berekening gehanteerde hypothesen (voldoende) kenbaar zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Onderdeel 4 klaagt (in nr. 25 van de procesinleiding) dat het hof ten onrechte overweegt dat het uitgangspunt dat Rabobank niet meer dan de rechtstreekse kosten respectievelijk haar werkelijke nadeel als vergoeding mag vorderen, onjuist is. Het hof miskent daarmee niet alleen dat Rabobank rechtens geen nadeel heeft − ze \"mist\" immers geen rentebetalingen − maar ook dat art. 25 lid 1 Richtlijn hypothecair krediet onderscheidt tussen enerzijds (nog niet verschenen) rente en anderzijds (nog niet verschenen) kosten, en dwingend bepaalt dat de kredietnemer die rente en kosten ook niet zal hoeven te betalen, en dat art. 25 lid 3 Richtlijn hypothecair krediet daarom − net als art. 16 lid 2 Richtlijn consumentenkrediet − niet het oog kan hebben op die rente en kosten, maar alleen op de kosten, zoals de administratieve kosten, die rechtstreeks door de vervroegde aflossing worden veroorzaakt, aldus het middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 De klacht in nr. 25 van de procesinleiding is, denk ik, vooral bedoeld als een uitvloeisel van de tegen rov. 3.14-3.15 gerichte klachten. Ik bespreek haar thans als een zelfstandige klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 De klacht richt zich dan tegen een overweging die dient als onderbouwing van het oordeel in rov. 3.20 dat het hof voorbij gaat aan de stellingen, kort gezegd, dat Rabobank gezien artikel 81c Bgfo [eiseres] onvoldoende heeft geïnformeerd over de vergoeding en beter inzichtelijk moet maken op welke wijze deze is berekend. Dit oordeel berust op twee overwegingen, die ieder zelfstandig dit oordeel kunnen dragen. De eerste overweging wordt door de klacht bestreden, maar de tweede overweging, die verwijst naar rov. 3.13, niet. Ook de andere klachten van het middel die tegen rov. 3.13 zijn gericht, slagen niet (zie hiervoor in 6.7 tot en met 6.12.3 en 6.32.4). Daarom kan het eventuele slagen van de klacht in nr. 25 van de procesinleiding niet leiden tot aantasting van het bedoelde oordeel in rov. 3.20. De klacht behoeft daarom niet onderzocht te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Het voorgaande betekent dat niet wordt toegekomen aan een bespreking van de stellingen van [eiseres] over de eisen die artikel 25 lid 3 Richtlijn hypothecair krediet stelt aan de vergoeding die een kredietgever in rekening kan brengen bij vervroegde aflossing in de zin van artikel 25 lid 1 Richtlijn hypothecair krediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 De slotsom is dat het cassatieberoep dient te worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Plv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik volg in dit opzicht het arrest van het hof. In de procesinleiding wordt gesproken van [eiseres en haar echtgenoot] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Een vergelijkbare problematiek speelt (met betrekking tot tussentijdse rentewijziging) in de zaken 20/04372 en 21/02755.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993, PB L 95/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010, PB L 60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.2 van het in cassatie bestreden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 december 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:3476. In eerste aanleg is van dezelfde feiten uitgegaan, zie de rov. 2.1-2.7 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2888, NTHR 2019, afl. 4, p. 207.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg is [eiseres] samen met haar, nadien overleden, [echtgenoot] als eisende partij opgetreden. Zie rov. 2.1 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in die periode tot stand gekomen Wet op het consumentenkrediet zag niet op hypothecaire kredieten. Zie Kamerstukken II, 1988-1989, 19785, nr. 11, p. 1. Zie voorts K. Danhuis, Nieuwe Gedragscode Hypothecaire Financieringen, JBN 2000/83; W.M. Kleijn, Gedragscode Hypothecaire Financiering en de positie van de notaris, JBN 2007/13; A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, 2018/17.17; J.M. van Poelgeest, Kredietverstrekking aan consumenten, 2020, p. 106; Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/199 en 203.</p>\n<p class=\"lf-p\">De AFM kan toepassing van de code afdwingen via de open normen van passendheid (art. 4.34 Wft en art. 113 e.v. BGfo) en niet-naleving van de code door een daaraan gebonden financier levert een oneerlijke handelspraktijk op (artikel 6:193g onder a BW). Zie W.H. van Boom, Hypothecair krediet aan consumenten – een overzicht, TvC 2012, p. 271.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie GHF artikelen 8-10 (versie 1990), artikelen 9-11 (versies 2001, 2007, 2011) respectievelijk artikelen 5-7 (versie 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.14 van het in cassatie bestreden arrest. Vgl. ook de schriftelijke toelichting namens Rabobank nrs. 4, 26-27, 36(ii) en 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terzijde: men vraagt zich af op welk moment deze percentages gedateerd zullen aandoen. Zo berichtte DNB in juli 2020 dat de gemiddelde hypotheekrente was gedaald van 7% in 1995 tot circa 2%. Zie https://www.dnb.nl/actueel/algemeen-nieuws/dnbulletin-2020/huizenprijs-hangt-meer-samen-met-financieringsruimte-koper-dan-met-woningtekort/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierop wordt toezicht gehouden door DNB/ECB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting namens Rabobank nrs. 4 en 72 met verwijzing naar conclusie van antwoord nr. 11 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, AA 2020, p. 179-186 m.nt. D. Busch, JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 6:238 lid 2 BW. Dezelfde begrippen ‘duidelijk en begrijpelijk’ komen voor in artikel 4 lid 2 van de Richtlijn en artikel 6:231 onder a BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie voor het Euribor-arrest, onder 4.17-4.21.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 30 april 2014, C-26/13, ECLI:EU:C:2014:282, NJ 2014/355 m.nt. M.R. Mok (Kásler), punt 40; HvJEU 23 april 2015, C-96-14, ECLI:EU:C:2015:262 (Van Hove), punt 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook HvJEU 3 oktober 2019, C-621/17, ECLI:EU:C:2019:820, NJ 2020/211 (Kiss/CIB Bank), punt 49: “De door artikel 5 van richtlijn 93/13 vereiste transparantie van een contractueel beding is dan ook een van de elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de door de nationale rechter krachtens artikel 3, lid 1, van die richtlijn uit te voeren beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding. Bij die beoordeling staat het aan die rechter om, in het licht van alle omstandigheden van het geval, na te gaan, in de eerste plaats, of het vereiste van goede trouw is nageleefd en, in de tweede plaats, of er sprake is van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ten nadele van de consument in de zin van die laatste bepaling (zie in die zin arrest van 20 september 2017, Andriciuc e.a., C-186/16, EU:C:2017:703, punt 56).”</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 28 juli 2016, C-191/15, ECLI:EU:C:2016:612, NJ 2018/188 m.nt. Th.M. de Boer (Amazon), punt 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 april 2014, C-342/13, ECLI:EU:C:2014:1857, TvA 2014/60 m.nt. E.R. Meerdink (Sebestyén), punt 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 7 november 2019, C-419/18 en C-483/18, ECLI:EU:C:2019:930 (Profi Credit Polska/Włostowska e.a.), RF 2018/93 met wenk S. Brenninkmeijer, TvCH 2020-4, p. 215-226 m.nt. R.M.M. de Moor.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin Rb. Overijssel 17 december 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4947, rov. 2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Transparantievereiste versus contraproferentem-regeling: de worsteling van de Hoge Raad met algemene voorwaarden in Consumentenovereenkomsten, TvCH 2020-1, p. 8 (r.k.).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.B.M. Loos, Huurverhogingen, algemene voorwaarden en wijzigingsbedingen. Maakt het Hof van Justitie een einde aan oneerlijke huurverhogingen?, NJB 2022/182, p. 195 (l.k.) respectievelijk p. 198 (l.k.).</p>\n<p class=\"lf-p\">M.G.J. van ’t Ende, Grenzen aan wijzigingsbedingen in algemene voorwaarden: biedt de Hoge Raad dezelfde consumentenbescherming als het HvJ EU? (I), WPNR 2020 (7305), p. 877-878.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. R.R.M. de Moor bij Profi Credit Polska/Włostowska e.a., TvCH 2020-4, p. 224, par. 3.3 (“Het Hof (…) geeft vervolgens de nationale rechter mee dat ambtshalve moet worden gecontroleerd of de consument alle informatie heeft gehad. (…) In dat verband is van belang of het betreffende beding voldoende duidelijk en begrijpelijk is opgesteld (transparantie) en de consument daadwerkelijk gelegenheid heeft gehad om kennis te nemen van de inhoud ervan.”); A.F.G. Ancery, Journal of European Consumer and Market Law, 2021, p. 163 (die in een kopje spreekt van een “Recap of Settled Case Law”); S. Brenninkmeijer in RF 2018/93; J.M. van Poelgeest, noot sub 9 onder JOR 2020/05;</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voor vergelijkbare formuleringen in verband met het transparantievereiste: HvJEU 9 juli 2015, C-348/14, ECLI:EU:C:2015:447 (Bucura), punt 66; HvJEU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703, NJ 2018/248 (Andriciuc), punt 47; en voorts in de context van art. 4 lid 2 Richtlijn 93/13: HvJEU 3 maart 2020, C-125/18, ECLI:EU:C:2020:138 (Gómez/Bankia SA), punt 52; HvJEU 9 juli 2020, C-452/18, ECLI:EU:C:2020:536 (XZ/Ibercaja Banco SA), punt 46; HvJEU 10 juni 2021, C-609/19, ECLI:EU:C:2021:469 (BNP Paribas/VE), punt 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 10 juni 2021, C-609/19, ECLI:EU:C:2021:469, RvdW 2021/1119 (BNP Paribas/VE).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook HvJEU 10 juni 2021, gevoegde zaken C‑776/19 t/m C‑782/19, ECLI:EU:C:2021:470 (VB e.a./ BNP Paribas Personal Finance SA), punt 94 en over het concrete geval de punten 101-103; HvJEU 18 november 2021, C‑212/20, ECLI:EU:C:2021:934 (M.P. en B.P./„A.” prowadzący działalność za pośrednictwem „A.” S.A.), punt 58 en over het concrete geval de punten 62-64.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 26 maart 2020, C-779/18, ECLI:EU:C:2020:236 (Mikrokasa), genoemd in de procesinleiding, is voor de beoordeling van het middel in deze zaak niet relevant. De zaak betreft bedingen in leenovereenkomsten waarbij de consument naast rente voorbereidende kosten en administratiekosten moet betalen. Het nationale recht bevatte een methode voor de berekening van het maximumbedrag van de niet-rentekosten van het krediet dat aan de consument kan worden opgelegd. Het HvJEU oordeelde dat de Richtlijn consumentenkrediet zich hier in beginsel niet tegen verzet en dat de op deze basis berekende kosten niet aan de werking van de Richtlijn oneerlijke bedingen zijn onttrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 16 januari 2014, C-226/12, ECLI:EU:C:2014:10, NJ 2014/247 m.nt. M.R. Mok (Constructora Principado), punt 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 26 februari 2015, C-143/13, ECLI:EU:C:2015:127 (Matei), punt 77.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 oktober 2019, C-621/17, ECLI:EU:C:2019:820, NJ 2020/211 (Kiss/CIB Bank), punten 39-40, 43-44 en 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 oktober 2019, C-621/17, ECLI:EU:C:2019:820, NJ 2020/211 (Kiss/CIB Bank), punten 55-56.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 16 juli 2020, C-224/19 en C-259/19, ECLI:EU:C:2020:578, RvdW 2020/99 (Caixabank), punt 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 16 juli 2020, C-224/19 en C-259/19, ECLI:EU:C:2020:578, RvdW 2020/99 (Caixabank), punten 78-79.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 september 2020, C-84/19, C-222/19 en C-252/19, ECLI:EU:C:2020:631, RvdW 2021/357 (Profi Credit Polska/Q.J. e.a.), punten 75-76.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 september 2020, C-84/19, C-222/19 en C-252/19, ECLI:EU:C:2020:631, RvdW 2021/357 (Profi Credit Polska/Q.J. e.a.), punt 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 15 oktober 2020, C-778/18, Association française des usagers de banques/Ministre de l’Économie et des Finances, ECLI:EU:C:2020:831, punt, 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/179; A. Baas, Lexplicatie Richtlijn 2014/17/EU, Inleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 43, leden 2 en 3, voorziet in uitgestelde werking tot 21 maart 2017 van enkele bepalingen van de Richtlijn hypothecair krediet die kredietbemiddelaars betreffen. Dit speelt in deze zaak niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Groenboek Hypothecair krediet in de EU van de EC van 19 juli 2005, COM(2005) 327 final, nr. 21 op p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Witboek over de integratie van de EU-markt voor hypothecair krediet van de EC van 18 december 2007, COM(2007) 807 definitief, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. reeds Groenboek Hypothecair krediet in de EU van de EC van 19 juli 2005, COM(2005) 327 final, nr. 21 op p. 9 (“In sommige lidstaten zijn deze regelingen sterk gereglementeerd en in andere zijn de regelingen een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen consument en kredietgever, welke onder het verbintenissenrecht valt (…). Dergelijke kosten bij vervroegde aflossing worden meestal in rekening gebracht bij vastrentende hypothecaire producten, waarbij de consumenten tegen veranderingen in het rentetarief zijn beschermd en de kosten worden aangerekend wanneer het krediet nog tijdens de periode waarin het vaste rentetarief geldt, vervroegd wordt afgelost. De kosten bij vervroegde aflossing zouden samenhangen met de financieringsmechanismen die de aangeboden producten ondersteunen en een direct effect hebben op de concurrentie, de diversiteit en de beschikbaarheid van producten.”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de evaluatie van Richtlijn 2014/17 van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen, 11 mei 2021, COM(2021) 229 final.</p>\n<p class=\"lf-p\">De ICF-studie, die inmiddels is gepubliceerd: European Commission, Directorate-General for Financial Stability, Financial Services and Capital Markets Union, Andruszkiewicz, O., Herrera, F., Mathis, J., et al., Study on switching of financial services and products : final report, Publications Office, 2020, https://data.europa.eu/doi/10.2874/090150.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik vond de Annexen bij het rapport niet op het internet. Ze zijn op verzoek per email ontvangen via het ‘Publications Office of the European Union’ (info@publications.europa.eu). Daarbij is medegedeeld dat de Annexen alsnog door de auteurs gepubliceerd zullen worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk de versie van 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 lid 2 onder a Richtlijn consumentenkrediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De considerans van de Richtlijn hypothecair krediet vermeldt in dit verband onder meer “(19) Omwille van de rechtszekerheid moet het rechtskader van de Unie op het gebied van kredietovereenkomsten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen sporen met, en complementair zijn aan andere Uniehandelingen, met name op het gebied van consumentenbescherming en prudentieel toezicht. (…)” en “(20) Opdat consumenten over een consistent kader inzake krediet kunnen beschikken en de administratieve last voor kredietgevers en kredietbemiddelaars tot een minimum wordt beperkt, moet het kernkader van deze richtlijn indien mogelijk de structuur van Richtlijn 2008/48/EG volgen (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 11 september 2019, Lexitor, C-383/18, ECLI:EU:C:2019:702, NJ 2020/219.</p>\n<p class=\"lf-p\">COM (2021) 347.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 23 maart 2016 tot wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van richtlijn nr. 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 60/34), Stb. 2016/265. Voor deze zaak zijn niet relevant de wijzigingen door de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2018, Stb. 2018/228.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 3, p. 72; Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/181.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 3, p. 65 (“Voorgesteld wordt om bij het bepalen van de voorwaarden waaronder het recht op vervroegde aflossing kan worden uitgeoefend, bij de GHF aan te sluiten.”). Vgl. ook de opmerking in de nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 6, p. 41, dat “[d]e invulling van deze voorwaarden om praktische redenen aan de kredietgevers [wordt] overgelaten”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 3, p. 66. De transponeringstabel in de memorie van toelichting (op p. 27) vermeldt bij artikel 25 lid 3 Richtlijn hypothecaire financiering “Lidstaten kunnen bepalen dat de kredietgever recht heeft op een vergoeding.” en “Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt, waarbij eveneens wordt aangesloten bij de bepalingen in de Gedragscode hypothecaire financiering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 6, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, 34 292, nr. 3, p. 72.</p>\n<p class=\"lf-p\">De tweede volzin is toegevoegd bij Artikel VIA van de Wet van 20 december 2007, houdende wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 en van enige andere wetten inzake fiscale facilitering banksparen ten behoeve van pensioenopbouw of aflossing eigenwoningschuld, Stb. 2007/577. Zie Kamerstukken II, 2006-2007, 30432, nr. 21, waarin wordt opgemerkt: “Voorts wordt voorgesteld de in de Wet op het financieel toezicht opgenomen delegatiebepaling in die zin te wijzigen, dat expliciet tot uitdrukking wordt gebracht dat de op grond van deze delegatiebepaling bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels onder meer betrekking hebben op de kosten die een financiële onderneming in rekening brengt ingeval een cliënt een overeenkomst wenst te beëindigen om over te kunnen stappen naar een andere aanbieder.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In de transponeringstabel (Stb. 2016/266, p. 43) die is opgenomen bij de betreffende wijzigingen van het Bgfo is bij artikel 25 lid 3 Richtlijn hypothecair krediet opnieuw vermeld “Lidstaten kunnen bepalen dat de kredietgever recht heeft op een vergoeding.” en “Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt, waarbij eveneens wordt aangesloten bij de bepalingen in de Gedragscode hypothecaire financiering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 30 juni 2016 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft, het Besluit markttoegang financiële ondernemingen Wft en het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 60), Stb. 2016/266.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2016/266, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.M. van Poelgeest, JOR 2020/118 onder 5 (“Dit geldt – hoewel niet specifiek bepaald – mijns inziens ook voor art. 81c Bgfo”). Dit wordt ook gesteld door C.H.D.W. van den Borne-Verheijen, JOR 2021/300, noot onder 2. Onder verwijzing naar artikel 81c lid Bgfo vermeldt de (hierna in 3.25.1 bedoelde) AFM Leidraad (op p. 4) daarentegen met zoveel woorden: “[d]e vereisten gelden voor alle lopende hypotheken, dus ook voor hypotheken die vóór 14 juli 2016 zijn afgesloten”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015-2016, Aanhangsel, 3410, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de considerans onder 14 (hiervoor in 3.14.1 geciteerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin ook het hof in de onderhavige zaak in rov. 3.11 (het cassatiemiddel betreft niet dit punt), anders in eerste aanleg Rb. Amsterdam 24 april 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:2888 rov. 4.21. Hof Amsterdam 11 mei 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1365, rov. 3.16, laat dit in het midden (het cassatiemiddel in zaak 21/02755 betreft niet dit punt).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2016/266, Nota van Toelichting onder 3 op p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 21 februari 2019 tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft in verband met de vergoeding voor de voortijdige aanpassing van de debetrentevoet bij hypothecaire kredieten. Stb. 2019/93.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in het citaat genoemde nieuwe derde lid van artikel 81c Bgfo luidt: “Een aanbieder van hypothecair krediet hanteert bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd dezelfde voorwaarden als bij het berekenen van de vergoeding voor vervroegde aflossing van een kredietovereenkomst waarvan de debetrentevoet niet overeenkomstig artikel 81ca, eerste lid, is gewijzigd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In antwoord op Kamervragen naar aanleiding van een opiniebijdrage in het Financieel Dagblad met de titel “Banken rekenen veel te hoge ‘oversluitboete’ dankzij AFM”, heeft de Minister van Financiën in een Kamerbrief van 7 december 2021 over toezeggingen over rentevrije hypotheken en de vergoeding bij het vervroegd aflossen van de hypotheek, verwezen naar de Leidraad. Zie diens brief van 7 december 2021, Kamerstukken II, 2021-2022, 32 545, nr. 155, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting nrs. 18 en voorts de nrs. 46, 49-51 in verband met onderdeel 4 en de nrs. 55, 60 en 70 in verband met onderdeel 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke repliek nr. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van grieven nr. 19 e.v..</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830, AA 2020, p. 179-186 m.nt. D. Busch, JOR 2020/36 m.nt. H. Scholten (Euribor-hypotheken), rov. 3.2.1; HvJEU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, NJ 2021/326, m.nt. M.B.M. Loos (Dexia Nederland), punten 51-53. Dit volgt ook uit artikel 6:233 onder a BW als zodanig. Vgl. HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1923, rov. 3.1.3. Zie voorts Jac. Hijma, Algemene voorwaarden, 2016/27; Asser/Sieburgh 6-III 2018/487.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rabobank (schriftelijke toelichting nr. 21) wijst er verder terecht op dat blijkens artikel 1:23 Wft de publiekrechtelijke normen van artikel 81c BGfo niet kunnen afdoen aan de geldigheid van het beding. Vgl. Asser/De Serière 2-IV 2018/834.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 2 lid 2 onder a Richtlijn consumentenkrediet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Spreekaantekeningen hoger beroep nr. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Van Schaick 7-VIII* 2012/232: “Het artikel is overbodig omdat het niet meer is dan een herhaling van art. 6:39 BW.” Zie ook de schriftelijke toelichting namens Rabobank nrs. 6 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 171 en HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3369, NJ 2000/67 (Visser/Kroon), rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van een tijdsbepaling is slechts sprake, indien het zeker is dat het aangegeven tijdstip zal aanbreken. Zie nader over het verschil tussen een tijdsbepaling en een voorwaarde Asser/Sieburgh 6-I 2020/243.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 170; Eindverslag I, Parl. Gesch. Boek 6, p. 172; Zie W.L. Valk, T&amp;C BW, art. 6:39 BW, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">TM, Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 170. Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/246; De Jong, Krans &amp; Wissink, Verbintenissenrecht algemeen, (SBR 4) 2018/80 (sub 4); M.W. Scheltema, Nakoming (Mon. BW nr. B32a) 2016/22 (op p. 60); Y.R.R.R. Mul, GS Verbintenissenrecht, art. 6:39 BW, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in de context van artikel 7A:1796 BW (oud) Asser Van Schaick 7-VIII* 2012/232: “Als de termijn is bedongen in het belang van de lener, dan heeft deze wel de bevoegdheid om de zaak eerder terug te geven. Die bevoegdheid heeft hij in beginsel niet als de termijn (mede) is bedongen in het belang van de uitlener, zoals vaak het geval is bij hypothecaire geldleningen of bij leningen met hoge rente.” In deze zin ook Asser/Van Schaick 5-IV, 2004, nr. 22; Asser/Kleijn 5-IV, 1988, nr. 102; Asser/Abas, Van Andel &amp; Kleijn 5-II, 1976, p. 291. Asser/Biemans &amp; Van Schaick 7-IA 2021/239 verwijst alleen nog haar het geval van een hoge rente. Ook F.H.J. Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom, (Mon. BW nr. B39) 2017/17.2 noemt dit geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">KiFiD Commissie van Beroep 22 mei 2018, nr. 2018-037; KiFiD Geschillencommissie 21 januari 2019, nr. 2019-043; KiFiD Geschillencommissie 7 februari 2019, nr. 2019-095; KiFiD Geschillencommissie 22 maart 2019, nr. 2019-203; KiFiD Geschillencommisie 6 mei 2019, nr. 2019-326.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830 (Euribor-hypotheken), rov. 3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hiervan moet worden onderscheiden een rekening-courantverhouding of een doorlopend krediet waarbij de kredietnemer het recht heeft opnieuw krediet op te nemen. Vgl. A.J. Verdaas, De bancaire kredietovereenkomst, 2018, p. 71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-I 2020/44; A.J. Verdaas, De bancaire kredietovereenkomst, 2018, p. 71.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:141, NJ 2018/98 (Goglio/SMQ), rov. 3.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Sieburgh 6-III 2018/408 en 603; W.L. Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR 3), 2019/295-296; H.N. Schelhaas, Redelijkheid en billijkheid (Mon. BW nr. A5) 2017/4.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Christian von Bar &amp; Eric Clive, Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law, DCFR Full edition, 2009, p. 2478 (Comment F, zie ook Comments D en E op p. 2477).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de rechtsvergelijkende Notes 11, 18-25 en 31-35 op p. 2480-2485 blijkt overigens dat er de nodige verschillen bestaan tussen de verschillende Europese rechtsstelsels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het DCFR ziet overigens niet op consumentenkrediet of hypothecair krediet. Zie Christian von Bar &amp; Eric Clive, Principles, Definitions and Model Rules of European Private Law, DCFR Full edition, 2009, p. 2455 (Article IV.F-1:101(1)(a) en 2457.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inleidende dagvaarding nr. 4 vermeldt onder meer: “De hypothecaire lening van [eiseres en haar echtgenoot] . heeft een onbepaalde looptijd. Wel is er een rentevaste periode afgesproken, die loopt tot 1 juli 2028.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding, midden tweede alinea van nr. 6 en midden tweede alinea van nr. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De artikelen 7:128 BW en 7:128c BW, waarnaar nr. 7 van de procesinleiding verwijst, betreffen informatieverschaffing bij wijzigingen in de debetrentevoet respectievelijk het semidwingende karakter van titel 7.2B BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. de memorie van grieven nrs. 16, 20, 28, 31 en 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de schriftelijke toelichting namens Rabobank nr. 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rabobank bespreekt in haar schriftelijke toelichting nr. 6.6. e.v. de klachten in nr. 11 (laatste alinea) en nr. 12 van de procesinleiding vanuit het tweede perspectief.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel vermeldt hier abusievelijk artikel 27 AV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hiervoor in 3.10.3, 3.10.4 en 3.10.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rabobank wijst hier terecht op in haar schriftelijke toelichting nr. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rabobank vat de klacht in haar schriftelijke toelichting nr. 66 in deze zin op. Uit de schriftelijke toelichting namens [eiseres] nrs. 2-4 en de schriftelijke repliek nr. 8 maak ik op dat de klacht ook naar de bedoeling van [eiseres] hier (vooral) op gericht is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:691, NJ 20154/274 m.nt. H.B. Krans, rov. 3.9.1. In vergelijkbare zin HvJEU 11 maart 2020, C-511/17, ECLI:EU:C:2020:188, NJ 2020/374 m.nt. M.B.M. Loos (Lintner), punten 37-38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HvJEU 10 juni 2021, C-609/19, ECLI:EU:C:2021:469 (BNP Paribas/VE), punt 42-44; HvJEU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703, NJ 2018/248 (Andriciuc), punt 44-48. Zie ook HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830 (Euribor), rov. 3.4 en de conclusie sub 4.13-4.16 en 4.27-4.28.3 voor dit arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 21 maart 2013, C-92/11, ECLI:EU:C:2013:180 (RWE), punt 51.</p>\n<p class=\"lf-p\">In HvJEU 30 april 2014, C-26/13, ECLI:EU:C:2014:282, NJ 2014/355 m.nt. M.R. Mok (Kásler, punt 75, en HvJEU 26 februari 2015, C-143/13, ECLI:EU:C:2015:127 (Matei), punt 74, spreekt het HvJEU van “voorzien”. In o.m. HvJEU 23 april 2015, C-96-14, ECLI:EU:C:2015:262 (Van Hove), punten 41, 47 en 50, HvJEU 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68, NJ 2021/326, m.nt. M.B.M. Loos (Dexia Nederland), punt 50, HvJEU 20 september 2017, C-186/16, ECLI:EU:C:2017:703, NJ 2018/248 (Andriciuc), punt 45, HvJEU 10 juni 2021, C-609/19, ECLI:EU:C:2021:469, RvdW 2021/1119 (BNP Paribas), punt 46, spreekt het HvJEU van “inschatten”. In de twee laatstgenoemde arresten overweegt het hof in dit verband ook dat de consument de voor hem uit de overeenkomst voortvloeiende kosten moet kunnen “ramen”. In de Franse tekst van HvJEU 9 juli 2015, C-348/14, ECLI:EU:C:2015:447 (Bucura) spreekt het HvJEU in punt 66 van “estimer”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 20 september 2018, C-448/17, ECLI:EU:C:2018:745 (EOS KSI/Danko), punt 59-68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HvJEU 10 juni 2021, C-609/19, ECLI:EU:C:2021:469 (BNP Paribas/VE), punt 46.</p></div>", "next": 0}