{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Overkleeft-Verburg toonde zich in haar al genoemde annotatie wel kritisch over de praktische gevolgen van een strikte invulling van de fiscale geheimhoudingsplicht. Zij meende dat de uitspraak van een ‘toch wel enigszins gedateerde opvatting’ over de betekenis van de fiscale geheimhoudingsplicht getuigde en niet spoorde met ‘de politiek-bestuurlijke realiteit van toenemend hergebruik van fiscale persoonsgegevens’. Niettemin noemde zij het ‘terecht’ dat de Afdeling een ‘systematisch-teleologische interpretatie van informatieverplichtingen’, zoals door de Staat verdedigd, in de context van art. 67 lid 2 onder a Awr had verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.34 Andere kritiek betreft de toepassing van de f-grond en het recht van verzet door de Afdeling. Overkleeft-Verburg betoogt dat aan deze ‘instrumentalisering van de f-grond’ bezwaren zijn verbonden. Ten eerste wordt daarmee de systematiek van de verwerkingsgronden doorbroken: de f-grond is bedoeld voor gegevensverwerking in de particuliere sector. Ten tweede krijgt daardoor het recht van verzet een ‘andere lading dan daarmee is beoogd’: het verzet wordt ‘verbreed en verzelfstandigd’ en ‘ingezet bij de toetsing op naleving van de geheimhoudingsplicht’. Daardoor wordt het er voor de rechtzoekende burger ‘niet gemakkelijker op’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.35 Groenhart onderschrijft de bereikte uitkomst, maar noemt de route ernaartoe – toepassing van de f-grond omwille van ontvankelijkheid van het verzet – wel een ‘hele grote stap’. De f-grond beoogt immers ‘een correctiemogelijkheid te bieden voor een rechtmatige verwerking die wegens bijzondere omstandigheden in een individueel geval ongerechtvaardigd kan uitvallen’. Ook de route van het recht van verzet ‘verrast’ volgens Groenhart. Dat de geheimhoudingsplicht de verstrekking niet toelaat, is volgens hem ‘geen persoonlijke omstandigheid’ in de zin van art. 40 Wbp, maar een omstandigheid die de gegevensverstrekking ‘in alle gevallen op voorhand al onrechtmatig’ maakt. Bij die situatie past beter het recht op gegevenswissing in de zin van art. 36 Wbp (door Groenhart ‘correctierecht’ genoemd). Hij merkte in dit verband op dat het verschil tussen verzet en gegevenswissing van belang is voor een eventuele aanspraak op schadevergoeding. In de sleutel van het recht van verzet ontstaat immers pas een onrechtmatige verwerking als die verwerking ná gegrondbevinding van het verzet wordt voortgezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestuursrechtelijk vervolg op de ABRvS-uitspraak 6.36 De ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 is herhaald en bevestigd in een nagenoeg gelijkluidende uitspraak van 6 april 2016. Daarin ging het om een huurder die ‘bezwaar’ had gemaakt tegen de verstrekking van een inkomensverklaring, welk bezwaar door de inspecteur was afgehandeld als ‘klacht’. De Afdeling oordeelde dat de inspecteur het bezwaar als ‘verzet’ had moeten aanmerken en verklaarde het verzet gegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.37 In een uitspraak van de ABRvS van 3 oktober 2018 kwam de vervolgvraag aan de orde of art. 7:252a lid 3 BW sinds de Reparatiewet van 1 april 2016 wél een toereikende grondslag biedt voor de beoogde doorbreking van de fiscale geheimhoudingsplicht. Zoals te verwachten was, beantwoordde de Afdeling die vraag bevestigend. De appellant in deze zaak was dezelfde huurder die met de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 een overwinning had geboekt. Zijn argument dat de wetgever bij de totstandkoming van de Reparatiewet zelf had opgemerkt dat daarmee ‘geen enkele inhoudelijke wijziging’ was beoogd, trof bij de Afdeling geen doel. De Afdeling oordeelde dat art. 7:252a lid 3 BW sinds 1 april 2016 (wel) een verplichting bevat voor de inspecteur om op verzoek van een verhuurder een inkomensverklaring te verstrekken. Zij achtte deze verplichting niet strijdig met art. 8 EVRM en concludeerde dat de verstrekking onder de c-grond viel, zodat daartegen geen verzet kon worden ingesteld. Annotator Mulder gaat ervan uit dat deze uitspraak onder de AVG niet anders zou luiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.38 In twee andere uitspraken van de Afdeling kwam de vervolgvraag aan de orde of huurders recht hebben op schadevergoeding wegens onrechtmatige verstrekking van inkomensverklaringen in de periode tussen 16 maart 2013 en 1 april 2016 (vóór de Reparatiewet). In beide zaken kreeg de huurder nul op het rekest.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.39 In een uitspraak van 24 december 2019 ging het om een appellant die op grond van art. 8:88 lid 1 Awb (zoals geldend sinds de invoering van de Wns) een verzoek tot schadevergoeding had ingediend bij de Belastingdienst, zich beroepend op de ABRvS-uitspraak. Zijn schade was volgens de appellant gelegen in de huurverhogingen die hij in de jaren 2014 en 2015 had gekregen als gevolg van de onrechtmatig geachte verstrekkingen van inkomensverklaringen aan de verhuurder. De Afdeling verwierp dit betoog, reeds omdat art. 8:88 Awb ingevolge art. V (het overgangsrecht) van de Wns niet van toepassing is op besluiten of andere handelingen van de Belastingdienst. Ook verwierp de Afdeling het standpunt van de appellant dat de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 ‘algemene werking’ zou hebben in die zin dat ‘de onrechtmatigheid van de verstrekkingen daarmee ook in zijn geval vaststaat’.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.40 In een uitspraak van 10 juni 2020 ging het om een appellant die verzet had aangetekend tegen verstrekkingen van inkomensverklaringen in de jaren 2013 tot en met 2015 (vóór de Reparatiewet) en een verzoek tot schadevergoeding had ingediend, een en ander met een beroep op schending van de fiscale geheimhoudingsplicht. De rechtbank had in eerste aanleg het verzet ongegrond verklaard, nu de gegevensverwerking al was voltooid vóór de indiening van het verzet, maar het verzoek om schadevergoeding toegewezen op grond van art. 8:88 lid 1 Awb (nieuw). Volgens de rechtbank stond op grond van de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 vast dat de verstrekking ook in dit geval in strijd met art. 67 Awr had plaatsgevonden. De schade werd begroot op de huurverhogingen. De Afdeling vernietigde deze uitspraak, daartoe overwegende dat art. 8:88 lid 1 Awb (nieuw) ingevolge art. V van de Wns niet van toepassing was in deze zaak. Voorts oordeelde de Afdeling – in afwijking van de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016 – dat het beroep op onrechtmatige verwerking (strijd met art. 67 Awr) geen argument kon vormen voor honorering van het verzet, omdat het hier geen bijzondere persoonlijke omstandigheden in de zin van art. 40 Wbp betrof. De Afdeling onderzocht ambtshalve of er aanleiding bestond het verzet van de appellant te kwalificeren als een verzoek tot gegevenswissing. Dat was niet het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.41 Laatstgenoemde uitspraak – die ook door het hof samenvattend is weergegeven in rov. 1.11 van het bestreden arrest – ligt in het verlengde van de ABRvS-uitspraak van 24 december 2019 en vloeit logisch voort uit het ‘oude’ bestuursrechtelijke schadevergoedingsrecht (art. 8:73 (oud) Awb), zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wns op 1 juli 2013. De uitspraak was toch met spanning afgewacht – en zelfs reden om de onderhavige zaak aan te houden – onder meer omdat kort daarvóór, in een viertal ABRvS-uitspraken van 1 april 2020, was geoordeeld dat, omwille van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming, dezelfde rechter die oordeelt over een verzoek ex art. 15 tot en met 22 AVG, óók kan worden verzocht om vergoeding van daarmee in verband staande schade. Aangenomen wordt dat hiermee een bres is geslagen in het bastion van het ‘besluitenprocesrecht’: in AVG-kwesties waarbij een bestuursorgaan als verwerkingsverantwoordelijke optreedt, kan rechtstreeks bij de bestuursrechter worden opgekomen tegen de gegevensverwerking (een zuiver feitelijke handeling) én schadevergoeding worden verzocht, zonder dat daarvoor een band met een onrechtmatig besluit is vereist (als bedoeld in art. 8:88 Awb). Deze lijn is in de ABRvS-uitspraak van 10 juni 2020 echter – uitdrukkelijk – níet doorgetrokken naar gevallen van gegevensverwerking door de Belastingdienst, omdat art. V van de Wns daaraan in de weg staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.42 De ABRvS-uitspraak van 10 juni 2020 is om nog een andere reden interessant, namelijk omdat de Afdeling daarin gedeeltelijk terugkomt van de ABRvS-uitspraak van 3 februari 2016. Hiervoor bleek al dat in de literatuur de toepassing van art. 40 Wbp in die uitspraak was bekritiseerd, omdat het rechtsmiddel van verzet niet is bedoeld voor situaties waarin de gegevensverwerking van meet af aan en in algemene zin onrechtmatig is geweest (zie hiervoor, 6.34 e.v.). De Afdeling lijkt zich deze kritiek te hebben aangetrokken, door in die zaak ambtshalve te onderzoeken of er grond was voor toepassing van art. 36 Wbp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Civielrechtelijke rechtspraak over verstrekking inkomensverklaringen 6.43 Tot besluit van dit juridisch kader inventariseer ik nog de relevante civielrechtelijke rechtspraak waarin de verstrekking van inkomensverklaringen op de voet van art. 7:252a BW centraal stond. In 6.13 wees ik al op het kortgedingvonnis van 13 april 2012, dat leidde tot een verbod van de door de wetgever voorgenomen ontheffing van de fiscale geheimhoudingsplicht, vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging. Verder memoreer ik het in 6.22 genoemde vonnis van de Haagse rechtbank van 15 oktober 2014, over de rechtmatigheid en verbindendheid van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.44 Vermeldenswaard is verder de lagere rechtspraak over de huurrechtelijke vraag wat de ABRvS-uitspraak met de daarin geconstateerde schending van de fiscale geheimhoudingsplicht betekent voor de rechtsgeldigheid van de huurverhogingen die voorafgaand aan de invoering van de Reparatiewet met toepassing van art. 7:252a lid 1 BW zijn overeengekomen, op basis van inkomensgegevens die zonder toereikende wettelijke grondslag zijn verstrekt, maar op zichzelf wel juist waren. Deze rechtspraak volgt de vaste lijn dat de onrechtmatigheid van de gegevensverstrekking niet afdoet aan de rechtsgeldigheid van de huurverhoging. Daarbij wordt mede gewezen op art. 7:252a lid 5 BW, waarin is geregeld dat de huurverhoging ook zónder inkomensverklaring rechtsgeldig tot stand kan komen, indien de huurder door het ontbreken daarvan niet is benadeeld (zie noot 42). Tegen deze achtergrond wordt in de huurrechtelijke literatuur aangenomen dat het vorderen van schadevergoeding voor de huurverhogingen (in mijn woorden) een ‘long shot’ is, met name in het licht van de vereisten van causaliteit en relativiteit.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.45 Ten slotte wijs ik nog op een directe jurisprudentiële voorganger van deze zaak: een kortgedingvonnis van 4 april 2016, waarin de Woonbond en individuele huurders niet-ontvankelijk zijn verklaard in hun vorderingen tegen de Staat, strekkend tot het doen verbieden van de verstrekking van inkomensverklaringen wegens schending van het legaliteitsbeginsel (met een verwijzing naar de ABRvS-uitspraak). Volgens de voorzieningenrechter hadden de individuele huurders verzet op de voet van art. 40 Wbp kunnen instellen en trof hun niet-ontvankelijkheid op die grond ook de Woonbond, aangezien diens vorderingen strekten tot behartiging van de gebundelde belangen van de huurders.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Bespreking van het principale cassatiemiddel 7.1 Het principale cassatiemiddel namens de Staat is opgenomen achter randnummer 2 van de procesinleiding in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 Het middel bestaat uit drie onderdelen. Onderdeel 2.2 is gericht tegen rov. 5.7 tot en met 5.11 (het ontvankelijkheidsoordeel over tijdvak I). Onderdeel 2.4 is gericht tegen rov. 5.12 (het onrechtmatigheidsoordeel over tijdvak I). Onderdeel 2.5 behelst een voortbouwende klacht die geen bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.2: ontvankelijkheid (rov. 5.7-5.11) 7.3 Onderdeel 2.2 valt uiteen in negen subonderdelen, die gericht zijn tegen verschillende schakels in de motivering van het ontvankelijkheidsoordeel. De Staat bestrijdt niet het juridisch kader dat het hof aan zijn ontvankelijkheidsoordeel ten grondslag heeft gelegd (rov. 5.4) en evenmin het uitgangspunt dat gegevensverstrekkingen feitelijke handelingen zijn, waartegen als zodanig niet kan worden opgekomen in de bestuursrechtelijke kolom (rov. 5.6). Ten slotte komt de Staat ook niet op tegen de vaststelling van het hof dat de vordering van de Woonbond niet is gebaseerd op een onrechtmatig besluit op een verzoek tot verwijdering of afscherming, maar op onrechtmatig feitelijk handelen (rov. 5.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Voor een goed begrip signaleer ik dat het bestreden oordeel in twee zelfstandig dragende redeneerlijnen uiteenvalt. De eerste redeneerlijn luidt dat de Woonbond ontvankelijk is (rov. 5.11), omdat de vordering van de Woonbond niet is gebaseerd op een onrechtmatig besluit ex art. 36 of 40 Wbp, maar op een onrechtmatig feitelijk handelen (rov. 5.7-5.8). Toegespitst op art. 40 Wbp voegt het hof hieraan kennelijk ten overvloede nog toe dat het recht van verzet bovendien niet van toepassing is in deze zaak, aangezien geen van partijen een beroep doet op bijzondere persoonlijke omstandigheden in de zin van art. 40 Wbp (rov. 5.8).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 De tweede redeneerlijn die het hof ontvouwt, luidt dat de Woonbond ontvankelijk is in zijn vordering (rov. 5.11), niet alleen omdat de vordering van de Woonbond geen betrekking heeft op een besluit ex art. 36 of 40 Wbp (rov. 5.7-5.8), maar ook omdat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom geen schadevergoeding kan krijgen (rov. 5.9-5.10). In dit kader zet het hof eerst uiteen dat het de Woonbond in deze zaak (uiteindelijk) is te doen om schadevergoeding voor de huurders (rov. 5.9), om vervolgens te beargumenteren waarom de huurders in de bestuursrechtelijke procedure geen schadevergoeding zouden (hebben) kunnen krijgen, namelijk vanwege de toepasselijkheid van het oude bestuursrechtelijke schadevergoedingsrecht ingevolge art. V Wns (rov. 5.10).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Subonderdeel 2.2.1 is (evenals de volgende drie subonderdelen) gericht tegen de eerste redeneerlijn, namelijk tegen rov. 5.7 en 5.8 (in samenhang met rov. 5.11), waar het hof oordeelt dat het openstaan van een bestuursrechtelijke rechtsingang op grond van art. 36 en 40 Wbp voor individuele huurders niet aan ontvankelijkheid van de Woonbond in de weg staat. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is. Het feitelijke karakter van de gegevensverstrekkingen (genoemd in rov. 5.6) en de omstandigheid dat de vordering van de Woonbond niet is gebaseerd op een onrechtmatig besluit (genoemd in rov. 5.7) zijn volgens de Staat niet relevant. Waar het om gaat, is dat degenen van wie de Woonbond de belangen bundelt op de voet van art. 36 en 40 Wbp een oordeel van de bestuursrechter hadden kunnen uitlokken over de (on)rechtmatigheid van de gegevensverwerking. Reeds daarom zijn de vorderingen van de Woonbond niet-ontvankelijk bij de civiele rechter, aldus de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Deze klacht gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. De vorderingen van de Woonbond strekken ertoe een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van de verstrekking van de inkomensverklaringen door de Belastingdienst. Die verstrekking berust niet op een besluit, maar betreft een zuiver feitelijk handelen van de Staat (meer in het bijzonder de inspecteur). De wetsgeschiedenis van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging bevestigt dit met zoveel woorden: de inkomensverklaring brengt ‘geen rechtsgevolg teweeg’. Oftewel: de inkomensverklaring wordt verstrekt zonder dat daaraan een besluit ten grondslag ligt. Hiermee is sprake van een wettelijke regeling – het verstrekkingenregime van art. 7:252a BW – waarvan huurders de werking – kennisneming van hun inkomensgegevens door verhuurders – rechtstreeks ondervinden, namelijk zonder tussenkomst van een besluit.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die stand van zaken is een vordering als die van de Woonbond – die de rechtmatigheid van het verstrekkingenregime als zodanig ter discussie beoogt te stellen – volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad ontvankelijk (zie hiervoor, 4.5 e.v.). Dat geldt ook als er in theorie wel mogelijkheden zijn om via de bestuursrechtelijke weg een oordeel te verkrijgen over de rechtmatigheid van de onderliggende regeling (zoals in dit geval door middel van het uitlokken en eventueel aanvechten van een besluit op een verzoek om gegevenswissing ex art. 36 Wbp). Het hof heeft dus terecht geoordeeld dat de Woonbond ontvankelijk is, reeds gelet op het zuiver feitelijke karakter van het aan de Staat verweten handelen waarop de vorderingen betrekking hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 Aan het slot van het subonderdeel wordt nog aangevoerd dat het bestreden oordeel eveneens onjuist is indien het erop is gebaseerd dat de in rov. 5.4 bedoelde rechtspraak van de Hoge Raad ‘niet van toepassing’ zou zijn indien een vordering wordt ingesteld die ziet op onrechtmatig feitelijk handelen. Dat heeft het hof niet geoordeeld. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Subonderdeel 2.2.2 is gericht tegen het oordeel in rov. 5.8 dat het recht van verzet (art. 40 Wbp) niet van toepassing is in deze zaak. Het subonderdeel bestrijdt dat oordeel als zodanig niet, maar voert aan ‘dat degenen van wie de belangen worden gebundeld in de bestuursrechtelijke rechtsgang ook voldoende rechtsbescherming genieten indien zij slechts één ingang hebben om het beweerdelijke onrechtmatige handelen bij de bestuursrechter aan de orde te stellen’. Het hof zou, met andere woorden, hebben miskend dat reeds het openstaan van een bestuursrechtelijke rechtsingang op de voet van art. 36 Wbp tot niet-ontvankelijkheid van de Woonbond moet leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 Deze klacht gaat uit van dezelfde onjuiste rechtsopvatting als het voorgaande subonderdeel. Het enkele feit dat ‘een’ bestuursrechtelijke rechtsingang openstond ter zake van de onrechtmatig geachte gegevensverstrekkingen (namelijk een verzoek ex art. 36 Wbp), wil niet zeggen dat reeds daarom de Woonbond niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Nu de vorderingen van de Woonbond een zuiver feitelijk handelen van de Staat betreffen, dat zijn grondslag heeft in een wettelijke regeling waarvan de achterban van de Woonbond de gevolgen rechtstreeks ondervindt, heeft het hof de Woonbond terecht ontvankelijk verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 Subonderdeel 2.2.3 gaat uit van een lezing van rov. 5.7 en 5.8 waarin het hof zou hebben geoordeeld dat de Woonbond (indirect) een beroep zou hebben gedaan op onverbindendheid van art. 7:252a lid 3 BW en dat de Woonbond dáárom ontvankelijk is. In dat geval zou het oordeel van het hof onjuist, althans onbegrijpelijk zijn, omdat de vordering van de Woonbond niet in die sleutel stond.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.12 Voor de voorgestane lezing biedt het arrest geen aanknopingspunten. Uit rov. 5.1 (eerste volzin) in samenhang met rov. 5.7 (laatste volzin) blijkt duidelijk dat het hof de vorderingen aldus heeft opgevat, dat de Woonbond in dit geding een beroep doet op onrechtmatig feitelijk handelen van de Staat in de vorm van het verstrekken van inkomensverklaringen aan verhuurders. Dat het hof de vorderingen niet zo heeft gelezen als het subonderdeel veronderstelt, blijkt ook uit de materiële beoordeling in rov. 5.12, die niet in de sleutel staat van onverbindendheid van de wettelijke regeling, maar van onrechtmatige gegevensverstrekking.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13 Subonderdeel 2.2.4 gaat uit van een lezing van rov. 5.7 waarin het hof zou hebben geoordeeld dat de rechtsgang bij de bestuursrechter op grond van art. 36 Wbp tekortschiet en dat de Woonbond dáárom ontvankelijk is. In dat geval zou het oordeel van het hof onjuist zijn, nu het er volgens de Staat enkel om gaat dat een huurder langs de weg van art. 36 Wbp een oordeel van de bestuursrechter kon uitlokken over de (on)rechtmatigheid van de gegevensverwerking (zoals het hof heeft vastgesteld in rov. 5.7).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14 Deze klacht gaat uit van dezelfde onjuiste rechtsopvatting als onderdeel 2.2.1. Ik verwijs naar de bespreking daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.15 Subonderdeel 2.2.5 is gericht tegen de tweede redeneerlijn van het hof, namelijk tegen rov. 5.9 en 5.10 (in samenhang met rov. 5.11), waar het hof oordeelt dat de Woonbond ook ontvankelijk is omdat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom geen schadevergoeding kan krijgen. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is, omdat slechts bepalend is of degenen van wie de belangen worden gebundeld in de bestuursrechtelijke rechtsgang voldoende rechtsbescherming genieten in die zin dat zij het onrechtmatig geachte handelen (in dit geval de gegevensverwerking) in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter aan de orde kunnen stellen. Ook indien juist zou zijn dat de huurder in de bestuursrechtelijke kolom geen schadevergoeding kan verkrijgen, brengt dat volgens de Staat niet mee dat de Woonbond om die reden ontvankelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.16 Deze klacht berust op een juiste rechtsopvatting, maar faalt niettemin bij gebrek aan belang. De eerste redeneerlijn is de hoofdlijn; zij draagt de bestreden beslissing zelfstandig. De tweede redeneerlijn is kennelijk ten overvloede toegevoegd. Het hof wil hiermee, naar ik aanneem, verder verduidelijken waarom de huurders in dit geval niet de bestuursrechtelijke weg behoefden te bewandelen (op straffe van niet-ontvankelijkheid van de Woonbond in deze collectieve actie), namelijk niet alleen omdat het hier een zuiver feitelijk handelen van de Staat betreft, maar ook omdat ze er vanuit schadevergoedingsoogpunt (waarom het de Woonbond te doen is) niets mee zouden opschieten. Aldus opgevat is de tweede redeneerlijn te volgen. Zij is echter niet nodig en (dus) niet dragend voor het bestreden oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.17 Subonderdeel 2.2.6 richt het vizier weer op de eerste redeneerlijn, meer in het bijzonder op rov. 5.8 (vanaf de derde volzin), waar het hof oordeelt dat het recht van verzet (art. 40 Wbp) niet van toepassing is in deze zaak. Geklaagd wordt dat dit oordeel rechtens onjuist is, als het hof daarop heeft gebaseerd dat de Woonbond ontvankelijk is. Uit de door het hof besproken ABRvS-uitspraken van 3 februari 2016 en 10 juni 2020 (hiervoor besproken in 6.29 e.v. en 6.40) volgt namelijk volgens de Staat onmiskenbaar dat huurders verzet konden doen op de voet van art. 40 Wbp. Daarmee stond voor hen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang open om het gestelde onrechtmatige handelen bij de bestuursrechter aan de orde te stellen, ongeacht de slagingskansen daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.18 Deze klacht faalt bij gebrek aan belang, nu zij is gericht tegen een overweging ten overvloede. De kern van de eerste redeneerlijn is dat de Woonbond ontvankelijk is, reeds gelet op het zuiver feitelijke karakter van het aan de Staat verweten handelen waarop de vorderingen betrekking hebben. Het openstaan van bestuursrechtelijke rechtsingangen ex art. 36 en 40 Wbp (de mogelijkheid om een besluit uit te lokken ter zake van de gegevensverstrekking) maakt dat niet anders (rov. 5.7 en 5.8, eerste en tweede volzin). Kennelijk ten overvloede voegt het hof, toegespitst op art. 40 Wbp, nog toe dat het recht van verzet bovendien niet van toepassing is in deze zaak, aangezien geen van partijen een beroep doet op bijzondere persoonlijke omstandigheden in de zin van art. 40 Wbp (rov. 5.8, vanaf de derde volzin).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.19 De klacht faalt bovendien omdat het bestreden oordeel juist is. In de ABRvS-uitspraak van 10 juni 2020 is geoordeeld dat het beroep van de appellant op onrechtmatige gegevensverwerking (wegens strijd met de fiscale geheimhoudingsplicht) ‘geen argument kan vormen om het verzet gerechtvaardigd te achten’. Hieruit blijkt dat het rechtsmiddel van verzet weliswaar openstaat voor huurders van wie inkomensverklaringen zijn verstrekt aan verhuurders, maar geen rechtsingang biedt voor het ter discussie stellen van de rechtmatigheid van de gegevensverwerking (de beweerde strijd met de geheimhoudingsplicht). Dat heeft te maken met het hoogstpersoonlijke en casuïstische karakter van het rechtsmiddel verzet (zie 4.29 e.v.). Hieruit volgt dat art. 40 Wbp ter zake van het onderhavige geschil geen ‘voldoende rechtsbescherming’ biedt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.20 Het subonderdeel vervolgt met een motiveringsklacht tegen het slot van rov. 5.8, waar het hof (voortbouwend op voornoemde overweging ten overvloede) overwoog: “De (veronder)stelling van de Staat dat wel sprake zou zijn geweest van bijzondere persoonlijke omstandigheden als de huurders kort na de verstrekking van de inkomensgegevens, althans vóór 3 februari 2016, verzet hadden ingesteld in plaats van “mee te liften” op de uitspraak van de Afdeling van 3 februari 2016, vindt geen steun in het recht, ook niet in één van de uitspraken van de Afdeling.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Geklaagd wordt dat het hof hier het standpunt van de Staat onjuist weergeeft, althans onvoldoende begrijpelijk adresseert. De Staat heeft naar eigen zeggen niet gesteld dat wel sprake zou zijn geweest van bijzondere persoonlijke omstandigheden als de huurders eerder verzet hadden ingesteld, maar ‘dat voor de huurders die geen of niet tijdig verzet hebben ingesteld, geldt dat zij dit nu ook niet meer kunnen doen en de burgerlijke rechter er derhalve ten aanzien van de gegevensverstrekking van uit moet gaan dat die ten aanzien van deze huurders rechtmatig is’.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.21 Deze klacht faalt, niet alleen omdat rov. 5.8 vanaf de derde volzin als gezegd een overweging ten overvloede behelst, maar ook omdat het standpunt van de Staat, zoals in het subonderdeel verwoord, de Staat niet kan baten. De gegevensverstrekking betreft een zuiver feitelijk handelen van de staat (rov. 5.6, onbestreden in cassatie). Zuiver feitelijk handelen heeft geen formele rechtskracht. Het niet (tijdig) instellen van verzet ex art. 40 Wbp heeft ook niet tot gevolg dat dit handelen voor rechtmatig moet worden gehouden. Honorering van het verzet heeft immers geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gegevensverwerking (zie hiervoor, 4.29). Bovendien heeft de vordering van de Woonbond betrekking op een feitelijk handelen dat zijn grondslag heeft in een wettelijke regeling waarvan de achterban van de Woonbond de gevolgen rechtstreeks ondervindt. Ook daarom faalt het bedoelde standpunt van de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22 Subonderdeel 2.2.7 is weer gericht tegen de tweede redeneerlijn, meer in het bijzonder tegen rov. 5.10 (vanaf de zevende volzin: ‘Het hof ziet echter…’), waar het hof aanneemt dat, ook als de Afdeling een op de voet van art. 36 Wbp ingesteld beroep tegen de gegevensverwerking gegrond zou hebben bevonden, zij niet met toepassing van art. 8:73 lid 1 (oud) Awb schadevergoeding had kunnen toewijzen. Volgens het subonderdeel had dat wél gekund en is de Afdeling in haar uitspraak van 10 juni 2020, anders dan het hof in rov. 1.11 bij de weergave van die uitspraak lijkt te veronderstellen, ook niet van het tegendeel uitgegaan. Het subonderdeel vervolgt met bezwaren die zijn gericht tegen de twee laatste volzinnen van rov. 5.10 (‘Aldus wordt immers…’ en ‘Het hof vindt…’), die voortbouwen op de zojuist weergegeven aanname.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.23 Deze klachten zijn gericht tegen een overweging ten overvloede (de tweede redeneerlijn). Zij betreffen de uitleg van oud schadevergoedingsrecht in een hypothetische situatie, namelijk de vraag hoe de Afdeling over eventuele schadevergoedingsmogelijkheden had geoordeeld als de appellant in de desbetreffende ABRvS-procedure wél een beroep op art. 36 Wbp had gedaan én dat beroep gegrond was bevonden. Feit is dat in de uitspraak van de ABRvS van 10 juni 2020, die precies het gevalstype betrof waarvoor de Woonbond in dit geding opkomt, is geoordeeld ‘dat het wel toepasselijke artikel 8:73 van de Awb de bestuursrechter niet de mogelijkheid biedt de minister in dit geval tot schadevergoeding te veroordelen’. Hoe dit oordeel zou hebben geluid als de appellant wél een succesvol beroep op art. 36 Wbp had gedaan, kan in cassatie in het midden blijven. De klacht faalt bij gebrek aan belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.24 Subonderdeel 2.2.8 behelst een voortbouwende klacht die is gericht tegen de door het hof in rov. 5.11 bereikte slotsom omtrent de ontvankelijkheid. Deze klacht behoeft geen bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.25 Subonderdeel 2.2.9 richt een voortbouwende klacht tegen de beslissing van het hof in rov. 5.11 dat de Woonbond ook ontvankelijk is in haar vordering over tijdvak II. Deze klacht is ingesteld onder de voorwaarde dat de beslissing van het hof in rov. 5.13 tot en met 5.17 met succes wordt bestreden in het incidentele cassatieberoep. Deze voorwaarde acht ik niet vervuld (zie onder 8 hierna). Afgezien daarvan faalt het subonderdeel in het voetspoor van de voorgaande klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2.4: onrechtmatigheid (rov. 5.12) 7.26 Onderdeel 2.4 is gericht tegen rov. 5.12, waar het hof zich aansluit bij het oordeel van de Afdeling in de ABRvS-uitspraak dat de verstrekking van inkomensverklaringen in de periode van 16 maart 2013 tot 1 april 2016 onrechtmatig is geweest wegens strijdigheid met de fiscale geheimhoudingsplicht. Geklaagd wordt dat dit oordeel (van de Afdeling, zoals overgenomen door het hof) onjuist is. Volgens de Staat bood art. 7:252a lid 3 BW, zoals dat tot 1 april 2016 gold, een toereikende wettelijke grondslag voor de gegevensverstrekking. Daartoe wordt aangevoerd dat dit artikellid ‘zinledig’ zou zijn (geweest) als de inspecteur afgifte van inkomensverklaringen met een beroep op art. 67 lid 1 Awr steeds had moeten weigeren. De Staat wijst in dit verband ook op art. 19b lid 5 Uhw. Gelet daarop kón volgens de Staat in art. 7:252a BW ‘geen onverkorte verplichting’ worden opgenomen, nu de inspecteur de verstrekking van een inkomensverklaring in elk geval in het in art. 19b lid 5 Uhw bedoelde geval had moeten weigeren. Bovendien bevatte art. 19b Uhw waarborgen tegen misbruik van inkomensgegevens door verhuurders.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.27 Deze klacht beoogt de Hoge Raad ertoe te bewegen het oordeel van de Afdeling over de strijdigheid van art. 7:252a lid 3 (oud) BW met de fiscale geheimhoudingsplicht te heroverwegen. Mij lijkt dat daarvoor geen plaats is. In de totstandkomingsgeschiedenis van art. 67 Awr is benadrukt dat uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht duidelijk, expliciet en transparant moeten zijn (zie hiervoor, 5.2 e.v.). Ook privacyrechtelijk is hier veel voor te zeggen, omdat het doelbindingsbeginsel meebrengt dat rechthebbenden er in beginsel op mogen vertrouwen dat hun voor de fiscaliteit vergaarde gegevens niet worden gebruikt voor onverenigbare doeleinden (zie hiervoor, 5.13 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.28 Hoewel de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging er geen twijfel over laat bestaan dat de wetgever van meet af aan de bedoeling heeft gehad om een uitzondering te maken op de geheimhoudingsplicht (zie hiervoor, 6.20 met vindplaatsen in de parlementaire geschiedenis), was dat in de oorspronkelijke tekst van art. 7:252a lid 3 BW (zoals geldend tot 1 april 2016) niet duidelijk, expliciet en transparant tot uitdrukking gebracht. Het artikellid omschreef waaraan een voorstel tot inkomensafhankelijke huurverhoging als bedoeld in lid 1 moest voldoen. In dát kader werd gesproken van de bijvoeging van ‘een door de inspecteur op verzoek van die verhuurder aan deze afgegeven verklaring’. Dat de inspecteur naar de bedoeling van de wetgever verplicht was tot afgifte van de verklaring, blijkt hier niet uit, laat staan duidelijk. In het licht van (de betekenis en doelstellingen van) de fiscale geheimhoudingsplicht is dat problematisch.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.29 Gelet op het voorgaande acht ik de ABRvS-uitspraak juist en overtuigend. Voor zover hierover bij de Hoge Raad twijfel mocht bestaan, wijs ik erop dat de ABRvS-uitspraak sinds 2016 niet of nauwelijks ter discussie heeft gestaan in de rechtspraak en de literatuur (voor zover het de daarin aangenomen schending van de geheimhoudingsplicht betrof), dat de kernoverweging van de ABRvS-uitspraak is overgenomen in de memorie van toelichting bij de UAVG en dat de ABRvS-uitspraak tot reparatiewetgeving heeft geleid (zie hiervoor, 6.32 e.v.). Bij die stand van zaken moeten er mijns inziens dwingende redenen aanwijsbaar zijn om (ruim zes jaar na dato) de koers te verleggen. Zulke redenen zie ik niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.30 Vanuit het perspectief van de taakverdeling tussen de civiele rechter en de bestuursrechter bij de toetsing van algemeen verbindende voorschriften merk ik nog het volgende op. Normaliter komt die taakverdeling erop neer dat exceptieve toetsing door de bestuursrechter voorrang geniet boven een civiele actie uit onrechtmatige overheidsdaad. Een uitzondering geldt als de belanghebbende de werking van het desbetreffende voorschrift rechtstreeks ondervindt (zoals in dit geval). Ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken ligt het dan wel voor de hand dat de civiele rechter en de bestuursrechter hun oordelen ter zake zoveel mogelijk inhoudelijk afstemmen (zie hiervoor, 4.10). Ook vanuit dat perspectief heeft aansluiting bij de ABRvS-uitspraak voorkeur boven een nieuwe koers.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.31 Gelet op het voorgaande acht ik het onderdeel tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.32 Ik kom tot de slotsom dat het principale cassatiemiddel geen doel treft.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Bespreking van het incidentele cassatiemiddel 8.1 Het incidentele cassatiemiddel namens de Woonbond bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.4 (de maatstaf voor het ontvankelijkheidsoordeel). Onderdeel 2 komt op tegen rov. 5.16 (de verwerping van het beroep op strijd met het doelbindingsbeginsel in tijdvak II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1: maatstaf voor ontvankelijkheid (rov. 5.4) 8.2 Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.4, waar het hof het volgende vooropstelt: “5.4. Uit vaste rechtspraak volgt dat de enkele bundeling van belangen door een belangenorganisatie er niet toe kan leiden dat de weg naar de civiele rechter voor die organisatie open komt te staan. De Woonbond is alleen ontvankelijk bij de civiele rechter als wordt opgekomen voor de gebundelde belangen van personen voor wie geen met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Daarbij is niet van belang dat niet exact dezelfde vorderingen ingesteld zouden kunnen worden in die andere procedure. Het feit dat de huurders die de achterban vormen van de Woonbond (hierna kortweg: de huurders) geen verklaring voor recht zouden (hebben) kunnen vorderen in een bestuursrechtelijke procedure levert bijvoorbeeld geen rechtstekort op dat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid bij de burgerlijke rechter. Kern is of in de andere procedure eenzelfde of een vergelijkbaar resultaat kan of kon worden behaald.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.3 In subonderdeel 1.1 wordt geklaagd dat het hof hiermee blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Meer in het bijzonder zou deze vooropstelling te beperkt zijn. Een belangenorganisatie dient volgens de Woonbond óók ontvankelijk te zijn in civilibus, indien zij niet als belangenorganisatie op de voet van art. 1:2 lid 3 Awb voor het desbetreffende belang kan opkomen bij de bestuursrechter, althans indien haar achterban slechts door uitlokking van een appellabel besluit kan opkomen bij de bestuursrechter (subonderdeel 1.2). Hierop voortbouwend wordt aangevoerd dat bij de toetsing van de ontvankelijkheid ‘in ieder geval’ een reeks gezichtspunten in acht moet worden genomen, te weten (i) in hoeverre het van belanghebbenden redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij de bestuursrechtelijke route bewandelen, (ii) hoe bezwaarlijk de bestuursrechtelijke route voor hen is, (iii) of belanghebbenden al dan niet eerst een appellabel besluit moeten uitlokken, (iv) in hoeverre dit laatste voor belanghebbenden kenbaar is, (v) in hoeverre de belangenorganisatie specifiek opkomt voor het in de procedure behartigde belang, (vi) in hoeverre de belangenorganisatie zelf bij de bestuursrechter kan opkomen voor dat belang, (vii) in hoeverre de rechtmatigheid van de grondslag van een besluit bij de bestuursrechter kan worden getoetst, (viii) in hoeverre de belangenorganisatie die rechtmatigheid als belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 3 Awb aan de orde kan stellen en (ix) in hoeverre er daadwerkelijk appellabele besluiten zijn of worden genomen op basis waarvan het behartigde belang bij de bestuursrechter aan de orde kan worden gesteld (subonderdeel 1.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.4 Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang, omdat het hof de Woonbond ontvankelijk heeft verklaard en de Staat hiertegen tevergeefs opkomt in cassatie (zie par. 6). Een ruimer beoordelingskader voor de ontvankelijkheid kan dus niet leiden tot een gunstiger uitkomst voor de Woonbond. Overigens stemt het door de Woonbond bepleite beoordelingskader niet overeen met het geldende recht. Ik zie ook niet de meerwaarde ervan in. Het beoordelingskader komt erop neer dat een belangenorganisatie, meer dan thans het geval is, in staat wordt gesteld om in civilibus collectieve belangen te behartigen waarvoor een bestuursrechtelijke rechtsingang bestaat. Het gevolg zou zijn dat vaker parallelle bestuursrechtelijke en civiele procedures over dezelfde materie gevoerd zouden (kunnen) worden. Dat scenario beoogt de huidige, terughoudender rechtspraak van de Hoge Raad juist te voorkómen (zie o.a. 4.6 en 4.11). Dat lijkt mij terecht. Voor zover het onderdeel beoogt eventuele tekorten in de bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen algemeen verbindende voorschriften aan de orde te stellen, is de Woonbond daarvoor bij de Hoge Raad aan het verkeerde adres.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2: doelbindingsbeginsel (rov. 5.16) 8.5 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 5.16, waar het hof voor tijdvak II (ná inwerkingtreding van de Reparatiewet van 1 april 2016) het beroep van de Woonbond op schending van het doelbindingsbeginsel in de zin van art. 6 lid 1 onder b Privacyrichtlijn verwerpt. Ik citeer deze overweging in haar geheel, met toevoeging van nummers tussen vierkante haken voor iedere zin: “5.16. [1] Tot slot heeft de Woonbond een beroep gedaan op de Privacyrichtlijn (grief 6). [2] Op zich is juist dat beoordeeld moet worden of de regeling van artikel 7:252a BW, zoals deze sinds 1 april 2016 luidt, in de periode tot 25 mei 2018 conform de Privacyrichtlijn is geweest en voor de periode daarna conform de AVG. [3] Van schending van de Privacyrichtlijn is geen sprake. [4] De Woonbond doet een beroep op het doelbindingsbeginsel in de zin van artikel 6, eerste lid, sub b Privacyrichtlijn en betoogt dat de Inspecteur van de Belastingdienst met de verstrekking van de inkomensverklaringen persoonsgegevens voor een ander doel verwerkt dan die gegevens zijn verzameld. [5] Dat betoog kan niet slagen. [6] Met de invoering van artikel 7:252a BW staat vast dat inkomensgegevens mede worden verzameld om voor verhuurders inkomensverklaringen te kunnen opstellen. [7] De gegevens die de Inspecteur van de Belastingdienst in dat kader verwerkt, worden dus niet gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verzameld. [8] Daar komt bij dat die verstrekkingen ook niet onverenigbaar zijn met het in artikel 21b Awr genoemde doeleinde van de BRI, te weten afnemers voorzien van inkomensgegevens. [9] Dat doel is breed en is voldoende verwant aan de hiervoor genoemde doeleinden van de verstrekking van inkomensverklaringen, mede gelet op de waarborgen die zijn getroffen, zoals de kennisgeving aan de huurders en de beperking van de inkomensverklaring tot een verklaring dat het inkomen al dan niet hoger is dan een bepaald gedrag. [10] Ook de aard van de gegevens (uitsluitend het gegeven of het inkomen al dan niet hoger is dan een bepaald bedrag) en de te verwachten gevolgen voor de betrokkene (uitsluitend een aanpassing van de huur aan de inkomenssituatie van de betrokkene) wijzen niet op een schending van het doelbindingsbeginsel. [11] Zoals de Woonbond zelf heeft opgemerkt, brengt de AVG op dit punt geen significante wijziging mee. [12] Voor zover de Woonbond heeft bedoeld te betogen dat de regeling met ingang van 25 mei 2018 in strijd is met de AVG, verwerpt het hof dat betoog dus op dezelfde gronden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6 Het onderdeel vangt aan met een weergave van dit oordeel (subonderdeel 2.1). Vervolgens wordt een klacht gericht tegen de zesde en zevende volzin van rov. 5.16. De klacht luidt dat het hof hiermee miskent dat art. 7:252a BW eerst vanaf 1 april 2016 een rechtsgrond bood voor de verzameling van inkomensgegevens met het oog op de verstrekking daarvan ex art. 7:252a BW. Inkomensgegevens die vóór 1 april 2016 zijn verzameld en ná 1 april 2016 zijn verstrekt, zijn dus volgens het onderdeel ‘nog steeds met een ander doel verzameld dan waarvoor zij vervolgens zijn verstrekt/verwerkt’. Althans zou het oordeel in het licht van deze tegenwerping onbegrijpelijk zijn (subonderdeel 2.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7 Deze klacht faalt. Voor de toepassing van het doelbindingsbeginsel (in de zin van art. 6 lid 1 sub b Privacyrichtlijn) is niet van belang of ten tijde van de vergaring van de inkomensgegevens al een voldoende duidelijke wettelijk omschreven verplichting tot verstrekking daarvan bestond (in de zin van art. 67 lid 2 onder a Awr). Het gaat er alleen om of een verdere verwerking van inkomensgegevens uit de BRI, teneinde te kunnen voldoen aan de (sinds 1 april 2016 genoegzaam wettelijk verankerde) wettelijke plicht van art. 7:252a BW, niet onverenigbaar is met de doeleinden van de fiscale gegevensvergaring. In de achtste, negende en tiende volzin van rov. 5.16 heeft het hof die vraag positief beantwoord. Subonderdeel 2.2 is dus gericht tegen een overweging die (voor zover het betreft de inkomensgegevens die vóór 1 april zijn verzameld en ná 1 april zijn verstrekt) niet dragend is voor het bestreden oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.8 Het onderdeel vervolgt met een tweetal klachten die gericht zijn tegen de achtste en de negende volzin van rov. 5.16. Geklaagd wordt dat het hof daarmee miskent dat art. 21b Awr alleen ziet op de verstrekking van inkomensgegevens aan bestuursorganen, en niet aan verhuurders. Althans zou het oordeel in het licht van deze tegenwerping onbegrijpelijk zijn (subonderdeel 2.3). Hierop voortbouwend wordt geklaagd dat de verwijzing in de achtste volzin naar art. 21b Awr temeer onbegrijpelijk zou zijn, omdat het hof eerder in rov. 5.14 heeft overwogen dat de BRI-regeling ‘evenmin relevant’ is voor deze zaak (subonderdeel 2.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9 Ook deze klachten zijn tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft terecht en begrijpelijkerwijs geoordeeld dat een verdere verwerking van inkomensgegevens uit de BRI, teneinde te kunnen voldoen aan de wettelijke plicht van art. 7:252a BW, ‘niet onverenigbaar’ is met het in art. 21b genoemde doeleinde van de BRI, te weten ‘afnemers voorzien van inkomensgegevens’. Uiteraard zegt het hof hiermee niet dat verhuurders ‘afnemers’ in de zin van art. 21b Awr zijn. Als dat het geval was, zou van ‘verdere verwerking’ geen sprake zijn en behoefde de verenigbaarheid met het doelbindingsbeginsel helemaal niet te worden onderzocht. In 5.15 hiervoor bleek al dat, waar sprake is van gegevensverwerking voor publieke doeleinden (zoals in dit geval de uitvoering van een inkomensafhankelijke regeling), een verdere verwerking doorgaans in overeenstemming zal zijn met het doelbindingsbeginsel. De overweging in rov. 5.14 dat de regeling rond de BRI ‘evenmin relevant’ is voor deze zaak, moet worden begrepen in het licht van art. 67 Awr waaraan het hof op die plaats refereert.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10 Het onderdeel besluit met een klacht die is gericht tegen de tiende volzin van rov. 5.16, waar het hof verwijst naar de aard van de gegevens en de te verwachten gevolgen voor de betrokkene. Geklaagd wordt dat deze gezichtspunten ‘niet relevant’ zijn voor de vraag of aan het doelbindingsbeginsel is voldaan (onderdeel 2.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11 Deze klacht lijkt mij te berusten op een misvatting. Deze gezichtspunten zijn juist wel relevant ingevolge art. 9 lid 2 Wbp en 6 lid 4 AVG.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12 Ik kom tot de slotsom dat ook het incidentele cassatiemiddel tevergeefs is voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale en het incidentele cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G https://www.woonbond.nl/huren-en-recht/rechtszaken-gluurverhoging.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:253, rov. 3.2-3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 22 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2605 (Woonbond/Staat).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting namens de Woonbond, onder 2.18-2.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders de schriftelijke toelichting namens de Staat, onder 1.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 5.12, laatste volzin, van het bestreden arrest, waar wordt gewezen op andere verweren van de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 1.1-1.10 van het arrest van hof Den Haag van 22 december 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:2605). Ik wijs erop dat de weergave van ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375 in rov. 1.11 van dat arrest wordt bestreden door onderdeel 2.2.7 van het principale cassatiemiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 7:246 e.v. BW, waarover bijv. Asser/Rossel &amp; Heisterkamp 7-II 2021/235 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van inkomen), Stb. 2013/89.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 14 maart 2013 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), Stb. 2013/90.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 21 november 2002, houdende integratie van de Huurprijzenwet woonruimte en de Wet op de huurcommissies in een uitvoeringswet huurprijzen woonruimte onder gelijktijdige overheveling van een deel van de tekst van de Huurprijzenwet woonruimte naar de nieuwe titel 7.4 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte), Stb. 2002/589. Art. 19b Uhw was aanvankelijk genummerd 19a en is met ingang van 19 november 2014 vernummerd tot 19b (Stb. 2014/458). Ingevolge het eerste lid van dat artikel gebruikt de verhuurder de gegevens die hem door de Belastingdienst worden verstrekt, uitsluitend voor het doen van een voorstel tot verhoging van de huurprijs als bedoeld in het eerste lid van dat artikel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7:252a BW, waarover Asser/Rossel &amp; Heisterkamp 7-II 2021/255. Het basishuurverhogingspercentage wordt ingevolge art. 7:248 lid 2 BW jo. 10 lid 2 Uhw bij ministeriële regeling bepaald (de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte; zie Bijlage V).</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 1 januari 2017 werden in art. 10 lid 2 Uhw drie inkomenscategorieën gehanteerd. Daarna waren dat er twee (zoals het hof vermeldt in rov. 1.4). Sinds 1 januari 2022 (ná het bestreden arrest) worden weer drie categorieën gehanteerd, met binnen elke categorie een onderscheid naar éénpersoons- dan wel meerpersoonshuishoudens (Wet wijziging huurverhogingsmogelijkheden en inkomensgrenzen Woningwet, Stb. 2021/167). Zie bijv. Asser/Rossel &amp; Heisterkamp 7-II 2021/255.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de inkomenscategorie tussen € 34.678 en € 44.360 bedroeg dat percentage maximaal 0,5 procentpunt en voor de inkomenscategorie boven € 44.360 was dat maximaal 2,5 procentpunt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds de invoering van de Wet doorstroming huurmarkt 2015 (Stb. 2016/158) op 1 januari 2017 spreekt art. 7:252a lid 3 BW over een ‘huishoudverklaring’ en is de verstrekking geregeld in art. 7:252a lid 4 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de als prod. 5 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte inkomensverklaring van 17 april 2013 en de als prod. 2 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte voorbeelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PbEU L 119/1 d.d. 4 mei 2016 (rectificatie in PbEU L 74/35 d.d. 4 maart 2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 juli 2000, houdende regels inzake de bescherming van persoonsgegevens (Wet bescherming persoonsgegevens), Stb. 2000/302.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PbEG L 281 d.d. 23 november 1995, p. 31 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 2 juli 1959, houdende regelen, welke aan een aantal rijksbelastingen gemeen zijn, Stb. 1959/301, zoals gewijzigd bij Wet van 27 september 2007, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijnen (Versterking fiscale rechtshandhaving), Stb. 2007/376.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 30 maart 2016 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (gegevensverstrekking Belastingdienst), Stb. 2016/124 (iwtr. Stb. 2016/125).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. I onder C van de Wet van 14 april 2016 tot wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten in verband met het stellen van nadere huurmaatregelen tot verdere bevordering van de doorstroming op de huurmarkt (Wet doorstroming huurmarkt 2015), Stb. 2016/158.</p>\n<p class=\"lf-p\">Petitum iv (een bevel tot staking van de gegevensverwerking) en petitum viii (een bevel tot onderhandeling) zijn met de eiswijziging in hoger beroep vervallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de weergave van het petitum in eerste aanleg in rov. 2.1 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie inleidende dagvaarding onder 36 e.v. en akte wijziging van eis d.d. 3 juli 2017 onder 5 e.v., zoals samengevat weergegeven in rov. 4.7 van het eindvonnis van de rechtbank (ECLI:NL:RBDHA:2018:171).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie conclusie van antwoord onder 5.1 e.v. (m.b.t. de ontvankelijkheid), 6.1 e.v. (m.b.t. de periode ná 1 april 2016) en 7.1 e.v. (m.b.t. de periode vóór 1 april 2016). Zie ook memorie van antwoord onder 3.1 e.v. (m.b.t. de ontvankelijkheid) en 6.1 e.v. (m.b.t. de periode ná 1 april 2016).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vonnis rechtbank, rov. 4.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, rov. 4.39 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Petitum IV (een veroordeling tot terugbetaling van hetgeen de Woonbond op grond van het bestreden vonnis had voldaan) speelt in cassatie geen zelfstandige rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de weergave van het petitum in rov. 3.1 van het bestreden arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 20 maart 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie), Stb. 2019/130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 20 november 2019 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie en het besluit register collectieve acties, Stb. 2019/447. Vgl. ook HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347, rov. 3.1.4 over de temporele werkingssfeer van de Wamca.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 7 van het proces-verbaal van de pleidooizitting d.d. 26 september 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 3.2 en 5.3 van het bestreden arrest (onbestreden in cassatie). Zie ook nr. 1.10 en 3.5.2 van de ST namens de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 22 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2605, JHV 2021/11, m.nt. T. Gardenbroek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst in voetnoot 5 naar HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296 (Staat/Privacy First), HR 3 juli 2016, ECLI:NL:HR:1049 (SCAU/Universiteiten) en HR 20 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:58 (Alcoholslot).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst in voetnoot 6 naar een niet bestaand arrest. Bedoeld is kennelijk HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU4548, NJ 2006/271 (Abacus/Staat).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst in voetnoot 7 naar het arrest Changoe/Staat, hierna besproken in 4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst in voetnoot 8 (tweemaal) naar ABRvS 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2751, rov. 5 (lees: rov. 9.5), laatste alinea. Deze zaak betrof echter geen gegevensverwerking door de Belastingdienst, zoals het hof vermeldt, maar een verstrekking van politiegegevens aan de Belastingdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst hierbij naar ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, rov. 3.3, hierna besproken in 6.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 31 januari 2013 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht met bepalingen over nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige overheidsdaad (Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten), Stb. 2013/50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit artikellid luidt: ‘Indien een overeenkomst tot wijziging van de huurprijs tot stand komt naar aanleiding van een voorstel daartoe, dat niet voldoet aan lid 3, is de verhoging van de huurprijs op basis van een voorstel als bedoeld in lid 1 niet mogelijk, tenzij blijkt dat de huurder niet door het verzuim is benadeeld.’ Het hof verwijst hierbij naar ABRvS 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3215, hierna besproken in 6.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ‘de hiervoor genoemde doeleinden’ verwijst het hof naar de in rov. 5.15 (in het kader van de toetsing aan art. 8 EVRM) genoemde doeleinden van de Wet inkomensafhankelijke huurverhoging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 22 december 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2605, JHV 2021/11, m.nt. T. Gardenbroek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie laatstelijk HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1806, NJ 2019/413, m.nt. H.B. Krans en T. Kooijmans ([…]), rov. 3.5.2 (in de strafrechtelijke sfeer). Zie in de bestuursrechtelijke sfeer bijv. HR 20 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:58, NJ 2017/50 (Alcoholslot), rov. 3.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 28 februari 1992, NJ 1992/687, m.nt. M. Scheltema (Changoe/Staat), rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze rechtspraak bijv. G. Snijders, Overheidsprivaatrecht. Algemeen deel (Mon. BW nr. A26a), Deventer: Kluwer 2011, nr. 8; R.J.N. Schlössels, R.J.B. Schutgens en S.E. Zeilstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat. Band 2 (HSB), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 783 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling is met name van belang voor zgn. ‘bestuurswetgeving’ die aan bestuursorganen is gedelegeerd. Zie daarover bijv. R.M. van Male, ‘Aanvullende rechtsbescherming tegen bestuurswetgeving’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), De burgerlijke rechter in het publiekrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 165 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, NJ 2016/262, m.nt. H.J. Snijders (Staat/Privacy First), rov. 3.3.2, onder verwijzing naar vaste ABRvS-jurisprudentie (o.m. ABRvS 28 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8644, AB 2013/183, m.nt. A.M. Klingenberg).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9556, NJ 2005/152, m.nt. T. Koopmans (OZB/Staat), rov. 3.3.1 (m.b.t. de situatie dat de belanghebbende ná verlies van een bestuursrechtelijke procedure een civiele procedure entameert) en HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314, NJ 2012/241, (Staat/Vreemdelingenorganisaties), rov. 4.4 en 4.6 (m.b.t. de situatie dat de belanghebbende zónder het aanwenden van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen een civiele procedure entameert).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314, m.nt. H.J. Snijders (Staat/Vreemdelingenorganisaties).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, NJ 2016/262, m.nt. H.J. Snijders (Staat/Privacy First).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, NJ 2017/46, m.nt. T. Barkhuysen en M. Claessens (SCAU/Universiteiten).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, (SCAU/Universiteiten), rov. 4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2169, NJ 1997/165, m.nt. M. Scheltema (Leenders/Ubbergen), rov. 3.4.3-3.4.4, aangehaald in HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049, (SCAU/Universiteiten), rov. 4.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de geschillen over de Regeling fosfaatreductieplan 2017; zie hof Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3067 en HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2375 (81 RO). De bestuursrechter (het CBb) had te oordelen over de toepassing van die regeling op individuele gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. H.J. Snijders, NJ 2016/262 (Staat/Privacy First), onder 5; T. Barkhuysen en M. Claessens, NJ 2017/46 (SCAU/Universiteiten), onder 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314 (Staat/Vreemdelingenorganisaties), rov. 4.4; HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, (Staat/Privacy First), rov. 3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, (Staat/Privacy First), rov. 3.3.5; HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049 (SCAU/Universiteiten), rov. 4.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, (Staat/Privacy First), rov. 3.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, (Staat/Privacy First), rov. 3.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7808, (Staat/VAJN en NJCM), rov. 3.4.2, zoals verduidelijkt in HR 22 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1296, (Staat/Privacy First), rov. 3.4.1. Vgl. nog HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2314 (Staat/Vreemdelingenorganisaties), rov. 4.5, waar werd overwogen dat de belangenorganisaties in Staat/VAJN en NJCM opkwamen voor een eigen belang (de onder (ii) bedoelde situatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens stelt het bestuursrecht – via het belanghebbendebegrip – ook grenzen aan de mogelijkheid voor het voeren van collectieve acties. Zie bijv. J.C.A. de Poorter, T&amp;C Awb, art. 1:2 Awb (2021), aant. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. T. Barkhuysen, ‘Inspraak en rechtsbescherming bij algemeen verbindende voorschriften’, NJB 2015/1949 (afl. 39), p. 2729; G.A. van der Veen en C.N.J. Kortmann, AB 2016/267 (Staat/Privacy First), onder 5; T. Barkhuysen en M. Claessens, NJ 2017/46 (SCAU/Universiteiten), onder 3 en 10; R.J.B. Schutgens, ‘Rechtsbescherming tegen algemene regels: tijd om de Awb te voltooien’, in: W.J.M. Voermans e.a., Algemene regels in het bestuursrecht (Preadviezen VAR 2017), Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 111 e.v.; P.J. Huisman en G.A. van der Veen, ‘Bestuursproces(recht) als partijengeding’, in: R.J.N. Schlössels e.a. (red.), In het nu… wat worden zal. Over toekomstig bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 94 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie F.J. van Ommeren en C.N.J. Kortmann, AB 2016/268 (SCAU/Universiteiten), onder 13; T. Barkhuysen en M. Claessens, NJ 2017/46 (SCAU/Universiteiten), onder 8. De schriftelijke toelichting namens Woonbond verwijst daarnaar onder 2.11-2.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 5.1, tweede volzin, van het bestreden arrest (onbestreden in cassatie). Zie over de kwalificatie van (de inhoud van) inkomensverklaringen als persoonsgegevens R.C.H. Burgers en M.B.J. Thijssen, ‘Bescherming van persoonsgegevens bij verhuur van woonruimte’, HIP 2018/44 (afl. 2), p. 17-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. art. 94 en 99 AVG, in verbinding met onderdeel 171 van de considerans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 2. Zie nader over de verschillen tussen de Richtlijn en de AVG het handboek H.R. Kranenborg en L.F.M. Verheij, De Algemene Verordening Gegevensbescherming in Europees en Nederlands perspectief (MM SBR), Deventer: Kluwer 2018, p. 66 e.v. Vgl. ook rov. 5.16 van het bestreden arrest (toegespitst op het doelbindingsbeginsel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 83. Vgl. thans onderdeel 45 van de considerans van de AVG en MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 35. ‘Advies 06/2014 over het begrip “gerechtvaardigd belang van de door de gegevensverwerking verantwoordelijke” in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG’, 844/14/NL WP 217, 9 april 2014, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kranenborg en Verheij, De AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 152.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814 (Prejudiciële vragen bkr), rov. 3.1.5 en 3.1.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 6 lid 1 onder e AVG spreekt, conform art. 7 onder e van de Privacyrichtlijn, van ‘een taak van algemeen belang’ of ‘een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag’. De in art. 8 onder e Wbp gebruikte terminologie ‘publiekrechtelijke taak’ houdt, richtlijnconform uitgelegd, dus hetzelfde in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het advies genoemd in voetnoot 72, p. 26-27; MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 85-86. Vgl. thans art. 6 lid 3 AVG, punt 45 van de considerans en MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 35-36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kranenborg en Verheij, De AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 155.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 163. Vgl. MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 35, waar staat dat de e-grond ‘dynamisch en veranderlijk door de tijd heen’ is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kranenborg en Verheij, De AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 154.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nogmaals de ‘legitimate interest opinion’ (voetnoot 72), p. 27, waar wordt opgemerkt dat de e-grond een ‘breed toepassingsgebied’ heeft, ‘gelijkenissen’ vertoont met de f-grond en ‘in sommige omstandigheden, met name voor overheidsinstanties, artikel 7, onder f), [kan] vervangen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 86. Zie nader de conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814 (Prejudiciële vragen bkr), onder 2.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook punt 47 van de considerans van de AVG en MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 34-35, 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de legitimate interest opinion (voetnoot 72), p. 32 (m.b.t. de ontwerptekst van art. 6 lid 1 onder f AVG), waar onder verwijzing naar EHRM-rechtspraak wordt opgemerkt dat, ‘ook krachtens de huidige richtlijn’, ‘voldoende gedetailleerde en specifieke wettelijke toestemming noodzakelijk [is] indien de verwerking door overheidsinstanties inmenging in de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen met zich brengt’. Vgl. ook H.R. Kranenborg en L.F.M. Verheij, Wet bescherming persoonsgegevens in Europees perspectief, Deventer: Kluwer 2011, p. 89, die opmerken dat de f-grond ‘specifiek van belang is voor de particuliere sector’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 83. Zie ook de conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814 (Prejudiciële vragen bkr), onder 2.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het oude recht MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 83. Vgl. voor de AVG Kranenborg en Verheij, De AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 151.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg, JB 2016/87, onder 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kranenborg en Verheij, Wet bescherming persoonsgegevens in Europees perspectief, 2011, p. 89.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader de conclusie van A-G Rank-Berenschot voor HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814 (Prejudiciële vragen bkr), onder 2.16 en 2.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het recht op schadevergoeding (art. 49 Wbp en 82 AVG) laat ik buiten beschouwing omdat de Woonbond haar vordering tot schadevergoeding heeft ingetrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2018/144.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 164 en p. 174 (waar de kwalificatie als besluit vanuit bestuursrechtelijk oogpunt overbodig wordt genoemd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 117.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het oude recht MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 87-88 en 163.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 163.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kranenborg en Verheij, Wet bescherming persoonsgegevens in Europees perspectief, 2011, p. 132.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 164.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 85-86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de huidige regeling in de AVG ook mijn conclusie in de zaak X/Google LLC, ECLI:NL:PHR:2021:531, onder 4.21 e.v. voor HR 26 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:329.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 65 van de considerans van de AVG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 12 onder b van de Privacyrichtlijn, waarvan art. 36 Wbp de implementatie vormde, sprak over een recht op rectificatie, uitwissing of afscherming van gegevens waarvan de verwerking ‘niet overeenstemt met de bepalingen van deze richtlijn, met name op grond van het onvolledige of onjuiste karakter van de gegevens’. Zie hierover MvT (Wbp), Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 160.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 27 september 2007, houdende wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van enige andere wetten, in het kader van het versterken van de fiscale rechtshandhaving en het verkorten van beslistermijnen (Versterking fiscale rechtshandhaving), Stb. 2007/376.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in art. 67 lid 2 onder b Awr bedoelde ministeriële regeling is de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, Stcrt. 1994/114.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitvoerig over art. 67 Awr en de totstandkomingsgeschiedenis ervan B.M. van der Sar, Fiscale geheimhoudingsplicht: art. 67 AWR ontrafeld (diss. Leiden) (Fiscale monografieën 168), Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 65 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0409, NJ 1992/277, m.nt. J.B.M. Vranken (Verschueren/Kloosterboer), rov. 3.2 (genoemd op p. 19 van de MvT).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Privacyrechtelijk is dit een vorm van ‘verdere verwerking’ als hierna besproken in 5.12 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 18. Zie ook p. 13-14 (over verdere verwerking van fiscale gegevens in het licht van het doelbindingsbeginsel). Zie over doorlevering van fiscale gegevens aan derden ook Van der Sar, Fiscale geheimhoudingsplicht, 2021, p. 298 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota n.a.v. Verslag (Versterking fiscale rechtshandhaving), Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 7, p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 27 juni 2008 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en enige andere wetten in verband met de invoering van een basisregistratie inkomen en een basisregistratie waarde onroerende zaken, Stb. 2008/269.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader MvT (Basisregistratie inkomen en basisregistratie waarde onroerende zaken), Kamerstukken II 2006/07, 31 085, nr. 3, p. 3 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Basisregistratie inkomen en basisregistratie waarde onroerende zaken), Kamerstukken II 2006/07, 31 085, nr. 3, p. 21-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Basisregistratie inkomen en basisregistratie waarde onroerende zaken), Kamerstukken II 2006/07, 31 085, nr. 3, p. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Van der Sar, Fiscale geheimhoudingsplicht, 2021, p. 291-292.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onderdeel 2 van het incidentele cassatiemiddel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook punt 50 van de considerans van de AVG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 5.16 van het bestreden arrest, voor de als zodanig onbestreden vaststelling dat de AVG t.a.v. het doelbindingsbeginsel ‘geen significante wijziging’ heeft meegebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn conclusie voor HR 25 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:985 (Dutch Filmworks/Ziggo) onder 3.9 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 38. Zie ook Kranenborg en Verheij, De AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p.163.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kranenborg en Verheij, De AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 164-165.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. voor het niet-limitatieve karakter de woorden ‘in elk geval’ (art. 9 lid 2 Wbp) en ‘onder meer’ (art. 6 lid 4 AVG).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kranenborg en Verheij, De AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 164.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kranenborg en Verheij, De AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 164-165.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Versterking fiscale rechtshandhaving), Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 3, p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nrs. 1.5-1.7 van de schriftelijke toelichting namens de Staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het principale cassatiemiddel, onderdeel 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), Kamerstukken II 2011/12, 33 330, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Brief van de minister van BZK d.d. 23 augustus 2012, Kamerstukken I 2011/12, 33 129, F, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies RvS en Nader rapport (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken II 2011/12, nr. 4, p. 2 e.v. (met op p. 5 de reactie van de regering).</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), Kamerstukken II 2011/12, 33 330, nr. 3, p. 5. Zie identiek Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken I 2011/12, 33 129, D, p. 20; MvT (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), Kamerstukken II 2011/12, 33 330, nr. 3, p. 5-6; MvT (Wet doorstroming huurmarkt), Kamerstukken II 2015/16, 34 373, nr. 3, p. 27-28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 6, p. 25 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 6, p. 28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II 2011/12, nr. 72, item 7 d.d. 4 april 2012, p. 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel van wet (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 2, art. III. Het artikel is ongewijzigd aangenomen (Stb. 2013.89).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 6, p. 35. Zie over de beoogde ontheffing van de geheimhoudingsplicht ook (in antwoord op Kamervragen) Aanhangsel Handelingen II 2011/12, 1693, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. ’s-Gravenhage (vzr.) 13 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2236, JHV 2012/97, m.nt. T. Gardenbroek; NTFR 2012/937, m.nt. E. Thomas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 19 april 2012, Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cbp, Brief aan de staatssecretaris van Financiën d.d. 15 mei 2012 (‘Verstrekken inkomensgegevens Belastingdienst’), beschikbaar via &lt;https://autoriteitpersoonsgegevens.nl/nl/nieuws/cbp-verstrekken-inkomensgegevens-aan-verhuurder-door-belastingdienst-strijd-met-wet&gt;.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslag (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken I 2011/12, 33 129, C, p. 9 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 2011/12, nr. 33, item 7 d.d. 19 juni 2012, p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 2011/12, nr. 33, item 7 d.d. 19 juni 2012, p. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen I 2011/12, nr. 33, item 10 d.d. 19 juni 2012, p. 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van de minister van BZK d.d. 24 augustus 2012 (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), Kamerstukken II 2011/12, 33 330, nr. 5, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">College bescherming persoonsgegevens, ‘Advies houdende voorstel tot wijziging van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte’ d.d. 24 juli 2012 (Bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 33 330, nr. 5), p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brief van de minister van BZK d.d. 23 augustus 2012 (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken I 2011/12, 33 129, F, p. 2-3 en 4. Zie identieke Brief van de minister van BZK d.d. 24 augustus 2012 (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), Kamerstukken II 2011/12, 33 330, nr. 5, p. 2 en 4; Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van een tweede categorie huishoudinkomens), Kamerstukken II 2012/13, 33 330, nr. 8, p. 20 en 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie &lt;https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/33330_huurverhoging_op_grond_van&gt;.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2013/89-90 en Stb. 2013/91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 15 oktober 2014, zaaknummer C/09/458707 / HA ZA 14-126 (prod. 1 bij CvA), rov. 4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 22 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9902 (naderhand bevestigd in de ABRvS-uitspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (Gegevensverstrekking Belastingdienst), Kamerstukken II 2015/16, 34 374, nr. 3, p. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Advies RvS en Nader rapport (Gegevensverstrekking Belastingdienst), Kamerstukken II 2015/16, 34 374, nr. 4, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA (Gegevensverstrekking Belastingdienst), Kamerstukken I 2015/16, 34 374, C, p. 3. Zie in gelijke zin MvA (Wet doorstroming huurmarkt), Kamerstukken I 2015/16, 34 373, E, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie &lt;https://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/34374_verduidelijking_en&gt;. Het wetsvoorstel heeft overigens op de website van de Eerste Kamer een andere naam heeft gekregen, namelijk ‘Verduidelijking en aanscherping uitvoeringstechnische elementen van gegevensverstrekking door de Belastingdienst’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2016/124-125.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 3 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:253, JB 2016/87, m.nt. G. Overkleeft-Verburg; JHV 2016/1, m.nt. T. Gardenbroek; JBP 2016/10, m.nt. N.W. Groenhart; bevestigt Rb. Amsterdam 22 juli 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:9902.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg, JB 2016/87, onder 8; N.W. Groenhart, JBP 2016/10, onder ‘Wettelijke plicht: uitzondering en grondslag’; T. Gardenbroek, JHV 2016/1. Groenhart merkt t.a.p. op dat de uitkomst onder het regime van de AVG niet anders zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie fiscaalrechtelijk bijv. Van der Sar, Fiscale geheimhoudingsplicht, 2021, p. 121-122, 284; R.P.M. Lemmen, SDU NDFR Commentaar Formeel belastingrecht, art. 21 AWR (2022), aant. 3.1. Zie privacyrechtelijk bijv. Kranenborg en Verheij, De AVG in Europees en Nederlands perspectief, 2018, p. 151-152. Zie huurrechtelijk bijv. G.J. Scholten, WR 2016/26; R.B. Rouwen, HIP 2018/86 (afl. 4), p. 24; R.B. Rouwen en K.J. van Bergenhenegouwen, HIP 2018/96 (afl. 5), p. 15; A.R. de Jonge, Huurrecht, Den Haag: BJU 2019, p. 556-557; ; G.J. Scholten, WR 2021/19 (afl. 2), p. 80; H.W. Hielkema, GS Huurrecht, art. 7:252a BW (2021), aant. 7; Y.A.M. Jacobs, T&amp;C Burgerlijk Wetboek, art. 7:252a BW (2021), aant. 4b.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (UAVG), Kamerstukken II 2017/18, 34 851, nr. 3, p. 35-36 (met verwijzing in voetnoot 18 naar de ABRvS-uitspraak).</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg, JB 2016/87, onder 2 (e.v.), 7 en 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. Overkleeft-Verburg, JB 2016/87, onder 8 en 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">N.W. Groenhart, JBP 2016/10, onder ‘Ontvankelijkheid verzet en grondslag’ en ‘Verzet en correctierecht’).</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:911.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in gelijke zin N.W. Groenhart, JBP 2016/10, onder ‘Verzet en correctierecht’); R.B. Rouwen, HIP 2018/86 (afl. 4), p. 24. Zie ook Rb. Den Haag 10 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:172, rov. 4.14 e.v.; Rb. Den Haag 26 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5386, NTFR 2018/1480, m.nt. C.M. Dijkstra, rov. 7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3215, AB 2018/439, m.nt. T. Mulder, rov. 6.2 e.v.; Rb. Amsterdam 30 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:2681.</p>\n<p class=\"lf-p\">T. Mulder, AB 2018/439, onder 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4443, rov. 4.2.2 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 26 april 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:5386, NTFR 2018/1480, m.nt. C.M. Dijkstra, rov. 6.3 en 9.1-9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, AB 2020/312, m.nt. L.M. Koenraad, rov. 3.2 e.v. en 4.1 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader over het bestuursrechtelijke schadevergoedingsrecht van vóór en ná de Wns bijv. Schlössels, Schutgens en Zeilstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat 2, 2019, nr. 961 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie p. 7 van het proces-verbaal van 26 september 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898-901, AB 2020/307-310, m.nt. L.M. Koenraad en C.N.J. Kortmann onder AB 2020/307.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. L.M. Koenraad en C.N.J.Kortmann, AB 2020/307, onder 7 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, AB 2020/312, m.nt. L.M. Koenraad, rov. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. ’s-Gravenhage (vzr.) 13 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2236, JHV 2012/97, m.nt. T. Gardenbroek, NTFR 2012/937, m.nt. E. Thomas.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 15 oktober 2014, zaaknummer C/09/458707 / HA ZA 14-126 (prod. 1 bij CvA).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rb. Midden-Nederland (ktr.) 2 november 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5968, NJF 2017/79, rov. 4.10-4.11; Rb. Den Haag 10 januari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:171, NJF 2018/199 (de uitspraak in eerste aanleg in de zaak van de Woonbond tegen de andere gedaagden), rov. 4.39 e.v. (waarover instemmend G.J. Scholten, WR 2018/19); Rb. Amsterdam (ktr.) 27 november 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8608, rov. 10; en rov. 5.26 e.v. van het bestreden arrest (in het appel tegen woningcorporatie Lieven de Key).</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J. Scholten, WR 2016/26, onder 12-13; R.B. Rouwen, HIP 2018/86, p. 25; R.B. Rouwen en K.J. van Bergenhenegouwen, HIP 2018/96 (afl. 5), p. 18; G.J. Scholten, WR 2021/19 (afl. 2), p. 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag (vzr.) 4 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:3632, rov. 4.2-4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 1 is een inleiding die geen zelfstandige klachten bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de tweede volzin van de tweede alinea van subonderdeel 2.2.1, waar die vaststelling wordt overgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvT (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 3, p. 6; Nota n.a.v. verslag (huurverhoging op grond van inkomen), Kamerstukken II 2011/12, 33 129, nr. 6, p. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin verschilt deze zaak bijvoorbeeld van zaken waarin een belastingmaatregel wordt aangevallen bij de civiele rechter, terwijl de belasting op aangiften moet worden voldaan waartegen bestuursrechtelijk bezwaar en beroep openstaat. Vgl. bijv. Rb. Den Haag 18 december 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:19337 (Essent en E.ON/Staat (kolenbelasting)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 2.2.6 doet dat wel; zie hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de woorden ‘Daar komt bij dat’ aan het begin van rov. 5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het woord ‘Bovendien’ aan het begin van de derde volzin van rov. 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, AB 2020/312, m.nt. L.M. Koenraad, rov. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de in voetnoot 3 van het cassatiemiddel vermelde vindplaatsen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook het hof in rov. 5.26 (voorlaatste volzin) van het bestreden arrest (in de appelprocedure tegen Lieven de Key).</p></div>", "next": 0}