{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>De steller van het middel is van mening dat het hof ten onrechte geen onderscheid zou hebben gemaakt tussen de organisatie Hells Angels Haarlem/de Stichting Hells Angels Haarlem, waarvan ook de verdachte deel uitmaakte, en een separate organisatie waarvan [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] deel uitmaakten en/of dat het hof het daarop betrekking hebbende verweer onvoldoende gemotiveerd zou hebben verworpen (randnummer 17). Zo zou uit de verklaringen van derden die het hof tot het bewijs bezigt in verband met de bedreigende en gewelddadige reputatie van het charter Hells Angels Haarlem niet kunnen worden afgeleid dat het oogmerk van dat charter het plegen van misdrijven was (randnummers 24-26). Uit ’s hofs overwegingen zou niet kunnen blijken dat de benadering van [betrokkene 8] meer was dan een individuele actie van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , en uit de ter zitting afgelegde verklaring van [betrokkene 11] zou naar voren komen dat wat zij gezegd had kennelijk betrekking had op [betrokkene 3] .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">15.</span>In de bewijsoverwegingen die het hof aan de bedreigende en gewelddadige reputatie van de Hells Angels Haarlem heeft gewijd, stelt het de verklaringen en tapgesprekken van slachtoffers voorop. Daarbij gaat het om de getuigen [betrokkene 8] , [betrokkene 9] , [betrokkene 7] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 5] en [betrokkene 12] . Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof uit de uitlatingen van deze getuigen heeft kunnen afleiden dat blijkt van (het hebben van angst voor) de Hells Angels als groep. Zo heeft [betrokkene 8] weliswaar verklaard dat er twee personen voor zijn deur stonden, te weten ‘ [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ’, maar verklaart hij ook: ‘Weet u, ik had niet te maken met de plaatselijke roeivereniging en ik wist niet wie ik tegenover mij had’. [betrokkene 11] heeft verklaard geen aangifte te zullen doen omdat de Hells Angels dan ongetwijfeld langs komen en de ramen inschieten met mitrailleurs. [betrokkene 7] heeft aangegeven dat hij niet wilde dat de leden van de club erachter kwamen wat hij de politie had verteld en dat hij hen tot alles in staat achtte. [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij in het verleden betalingen heeft moeten doen aan de Hells Angels Haarlem en in die tijd doodsbang was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">16.</span>Het hof heeft uit de verklaringen en tapgesprekken van de slachtoffers kunnen afleiden dat de Hells Angels Haarlem een bedreigende en gewelddadige reputatie hadden. Daaraan doet niet af dat in veel verklaringen en tapgesprekken slechts melding wordt gemaakt van gedragingen van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . En daaraan doet evenmin af dat het hof in de bewijsoverwegingen niet nader heeft uiteengezet wat bij enkele getuigen de aanleiding was voor de angst voor represailles.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">17.</span>De eerste deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">18.</span>De steller van het middel meent voorts dat zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn dat het hof uitsluitend op basis van de mening van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] over het charter daaraan een bedreigende en gewelddadige reputatie heeft toegedicht (randnummer 27). En zonder nadere motivering zou ook onbegrijpelijk zijn dat het chapter Haarlem met de uit de krantenberichten blijkende reputatie van [betrokkene 1] wordt vereenzelvigd (randnummer 28).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">19.</span>Naar het mij voorkomt berust het middel in zoverre op een verkeerde lezing van de bewijsmotivering. Het hof leidt uit de uitlatingen van slachtoffers in diverse verklaringen en tapgesprekken af dat het charter een bedreigende en gewelddadige reputatie heeft. Dat de leden van de Hells Angels Haarlem zich bewust waren van deze reputatie leidt het hof vervolgens (onder meer) af uit een uitlating van [betrokkene 2] , de beschrijving door [betrokkene 1] van de gang van zaken op een clubavond en twee krantenberichten. De betreffende uitlating van [betrokkene 2] , inhoudend dat het chapter Haarlem in Holland bekend staat als kei- en keihard, is gedaan op de clubavond op 16 september 2016 waar de verdachte en de andere leden bij aanwezig waren, en draagt het karakter van een constatering. In de beide krantenberichten komt de naam van [betrokkene 1] voor, maar wordt ook gesproken over het ‘beruchte chapter’, van het uit zijn op oorlog en van het hanteren van een harde lijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">20.</span>Het hof heeft uit de vermelde feiten en omstandigheden kunnen afleiden dat de leden bekend waren met de reputatie van het chapter. Daarvoor is niet vereist dat expliciet blijkt dat alle leden de opvattingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] deelden. Het hof behoefde dit oordeel voorts niet nader te motiveren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">21.</span>De tweede deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">22.</span>De steller van het middel meent voorts dat de conclusie die het hof uit de oorkonde ‘Deathhead Purple Heart’, de patch ‘dequiallo’ en het symbool van de ‘ball peen hammer’ trekt, te weten dat daarmee strafbare gedragingen worden beloond en aangemoedigd, onvoldoende met redenen is omkleed (randnummer 30). Dat de oorkonde, de patch en het symbool in het bredere verband van de (wereldwijde) organisatie van de Hells Angels uitingen zijn waarmee geweld wordt beloond, zou nog niet betekenen dat dit ook binnen Hells Angels Haarlem gold noch dat daarnaar werd gehandeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">23.</span>Het hof wijst in de bewijsoverweging over ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ eerst op de oorkonde ‘Deathhead Purple Heart’ die in het clubhuis hangt, en stelt vast dat op die oorkonde in het Engels staat dat een ieder die dit heeft verdiend zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de oorkonde een beloning is voor de toepassing van geweld en dat dit ook gold binnen de Hells Angels Haarlem. Geweldsdelicten zijn in de bewezenverklaring vermeld; bewezenverklaard is dat de organisatie onder meer het plegen van openlijke geweldpleging en de strafbaar gestelde vormen van mishandeling tot oogmerk had. De ‘ball peen hammer’ is, zo stelt het hof vast, een symbool bedoeld voor leden die geverifieerd geweld namens de club hebben gebruikt en is op de motor van medeverdachte [medeverdachte 2] aangetroffen. Het hof heeft kunnen oordelen dat ook dit symbool aldus een beloning is voor een geweldsdelict en dat dit ook zo gold binnen de Hells Angels Haarlem.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>Het hof leidt verder uit het dossier af dat de zogenaamde patch ‘dequiallo’ verdiend kan worden door geweld dat clubleden van Hells Angels hebben toegepast richting overheidspersoneel. Deze patch is in het clubhuis op de muur geschilderd en vier leden droegen deze patch. Het hof overweegt voorts dat een andere betekenis van de term ‘dequiallo’ niet aannemelijk is, en wijst in die context op afgeluisterde uitlatingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [betrokkene 2] . Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de patch een beloning is voor het toepassen van geweld tegen een ambtenaar in functie. In de bewezenverklaring is onder de geweldsdelicten expliciet ook (gekwalificeerde) mishandeling van ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening opgenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">25.</span>Aan de begrijpelijkheid en toereikendheid van ’s hofs overwegingen doet niet af dat het hof naar verklaringen en afgeluisterde gesprekken van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] verwijst, waarvan door de verdediging is gesteld dat zij waar het ging om het plegen en beramen van misdrijven onafhankelijk van de Hells Angels Haarlem opereerden. Het hof heeft mede op basis van deze uitlatingen kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat binnen de Hells Angels Haarlem aan de oorkonde, de patch en het symbool de vermelde betekenis werd gehecht. Ik wijs er daarbij op dat van de ‘oude garde’ de medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] de patch droegen, en dat de ‘ball peen hammer’ is aangetroffen op de motor van [medeverdachte 2] , eveneens lid van de ‘oude garde’. Dat door de verdediging is aangevoerd dat leden van de ‘oude garde’ hebben verklaard dat er steeds goed contact was tussen de Hells Angels Haarlem, de gemeente Haarlem en de politie doet evenmin af aan de begrijpelijkheid en toereikendheid van ’s hofs overwegingen. Dat de Hells Angels Haarlem in de bewezenverklaarde periode een goed contact zouden hebben gehad met de politie vindt daarbij zijn weerlegging in een voor het bewijs gebezigde uitlating van [betrokkene 1] tijdens de vergadering op 16 september 2016: ‘Wij zijn bij politie en justitie een doorn in het oog’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>De derde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">27.</span>De steller van het middel voert voorts aan dat ’s hofs oordeel dat het organiseren van inzamelingen voor gedetineerde leden en de regel dat het niet de bedoeling is dat leden van de Hells Angels Haarlem (met de politie) praten onder het belonen en aanmoedigen van geweld vallen onbegrijpelijk is (randnummer 35). Het hof zou ‘leunen’ op één inzameling voor [betrokkene 1] en op uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering van 16 september 2016. Uit die uitlatingen zou voorts niet kunnen worden afgeleid dat de aanwezige leden met een voorstel zouden hebben ingestemd. Zonder nadere motivering zou uit ’s hofs overwegingen niet zijn af te leiden dat binnen het chapter sprake is (geweest) van inzamelingen, terwijl daaruit evenmin zou kunnen volgen dat die zouden zijn te scharen onder het belonen en aanmoedigen van geweld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">28.</span>Het hof heeft onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ overwogen dat ook uit de inzamelingen die voor gedetineerde leden worden georganiseerd, blijkt dat het plegen van strafbare feiten door de leden van de Hells Angels Haarlem volstrekt normaal wordt gevonden en geaccepteerd en daarmee indirect wordt aangemoedigd. Het hof wijst daarbij op ‘de zogenaamde Big House Crew’. Onder het kopje ‘Betalen voor een gedetineerd lid’ is overwogen dat bij de doorzoeking van het clubhuis op 26 januari 2017 twee ‘BHC-potten’ zijn aangetroffen, waarbij op één de naam ‘ [betrokkene 1] ’ is vermeld, en waarover medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige heeft verklaard: ‘dit is een pot met geld voor jongens die vastzitten’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof wijst voorts op een inzameling die op 23 juli 2016 plaatsvindt voor [betrokkene 1] , die op dat moment gedetineerd zat. En het hof wijst op uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering van 16 september 2016, waarin deze ingaat op het risico van vast komen te zitten. Van een voorstel waarmee de leden op die vergadering al dan niet zouden hebben ingestemd is geen sprake: het hof heeft de uitlatingen van [betrokkene 1] naar het mij voorkomt tot het bewijs gebezigd omdat zij wijzen op een staande praktijk waarin voor gedetineerde leden betaald wordt. Uit een proces-verbaal van bevindingen waarin verslag wordt gedaan van onderzoek naar bankafschriften van de Stichting Hells Angels Haarlem over de periode 1 januari 2013 t/m 10 juli 2015 blijkt dat in deze periode ‘diverse bedragen voor verschillende personen’ zijn overgemaakt naar verschillende penitentiaire inrichtingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2013 is een bedrag van € 1.600,00 overgemaakt t.b.v. [betrokkene 21] . In 2014 is een bedrag van € 1.440,00 overgemaakt t.b.v. [medeverdachte 3] en [betrokkene 22] . En in 2015 is een bedrag van € 1.800,00 overgemaakt ten behoeve van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] (bewijsmiddel 3). Anders dan de steller van het middel meen ik dat uit de bewijsvoering blijkt van meerdere inzamelingen (via de Big House Crew en op 23 juli 2016 voor [betrokkene 1] ) en tevens van het daadwerkelijk ophalen van geld voor en het betalen van geld aan gedetineerde leden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">29.</span>Het hof heeft uit de inzamelingen voor (en betalingen aan) gedetineerde leden kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de mogelijke financiële gevolgen van detentie voor de leden niet of in mindere mate een reden behoefden te zijn om van het plegen van misdrijven die met het charter verband hielden af te zien. Het hof heeft in dat licht mede uit de inzamelingen voor en betalingen aan gedetineerde leden kunnen afleiden dat het plegen van strafbare gedragingen, met name geweld, door de Hells Angels Haarlem werd aangemoedigd en beloond. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">30.</span>De vierde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">31.</span>De steller van het middel brengt ook bezwaren naar voren tegen ’s hofs overwegingen inzake een afspraak om niet (met de politie) te praten (randnummer 37). Dat er een clubregel was ‘dat wat er wordt besproken tussen de leden van de Hells Angels Haarlem blijft’ en dat het woord ‘omerta’ op de muur geschreven stond, zou zonder nadere motivering bezwaarlijk kunnen worden geduid als beloning en aanmoediging van geweld. Ook zou niet zijn in te zien dat hetgeen [medeverdachte 5] in de arrestantenbus heeft gezegd (‘zwijgen...met alles’) te scharen zou zijn onder het belonen en aanmoedigen van geweld. En dat zou ook gelden voor het spreken in een ruimte en over de telefoon waarbij kennelijk het sterke vermoeden bestaat dat er wordt meegeluisterd. Dat het daarbij zou gaan om zaken die betrekking hebben op het plegen dan wel beramen van misdrijven zou uit de bewijsvoering van het hof niet kunnen worden afgeleid; daardoor zou ook hier van een toereikende onderbouwing dat daarmee geweld wordt beloond of aangemoedigd geen sprake zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">32.</span>Het hof heeft onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ overwogen dat de acceptatie van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels naar het oordeel van het hof eveneens blijkt uit de omstandigheid dat het niet de bedoeling was dat leden van de Hells Angels Haarlem (met de politie) praatten. Het hof wijst daarbij in de eerste plaats op regel 12 van de clubregels en op de tekst ‘omerta’ die op de muur van het clubhuis was geschilderd. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof aan deze omstandigheid betekenis heeft kunnen hechten in verband met het oordeel dat het plegen van strafbare gedragingen door de Hells Angels Haarlem wordt aangemoedigd en beloond.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat het niet de bedoeling is dat de leden met de politie praten brengt mee dat de kans wordt verkleind dat strafbare feiten waar andere leden kennis van dragen tot een veroordeling leiden . Hetzelfde geldt voor het beleid inzake het spreken in een ruimte en over de telefoon in verband met het risico afgeluisterd te worden. Het hof heeft kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat van dat beleid, in samenhang met andere vaststellingen inzake het criminele oogmerk van de organisatie, een aanmoediging uitging om (in het bijzijn van andere leden) strafbare feiten te plegen. Het hof heeft bij de vaststellingen inzake dit beleid ook de uitlating van medeverdachte [medeverdachte 5] in de arrestantenbus kunnen betrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte 5] samen met de verdachte in het compartiment achter in de bus was geplaatst (bewijsmiddel 6). De gefluisterde mededeling van [medeverdachte 5] was kennelijk voor de verdachte bedoeld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">33.</span>Uit ’s hofs overwegingen volgt voorts dat het hof – niet onbegrijpelijk – heeft geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht betrekking had op alle strafbare feiten. Regel 12 van de clubregels luidt: ‘Alles wat Hells Angels H’lem met elkaar bespreken blijft tussen ons; dus wordt op geen enkele manier naar buiten gebracht’. Juist dit algemene, ongeclausuleerde karakter van de zwijgplicht, en de handhaving via de clubregels, brengt mee dat het hof mede uit de zwijgplicht heeft kunnen afleiden dat het plegen van strafbare feiten door de organisatie werd aangemoedigd. Dat algemene karakter brengt voorts mee dat de zwijgplicht ook betrekking had op de in de bewezenverklaring omschreven misdrijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">34.</span>De vijfde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">35.</span>De steller van het middel voert vervolgens aan dat de gepleegde misdrijven uitsluitend zagen op door ‘de groep van [betrokkene 1] c.s. gepleegde strafbare feiten’ (randnummer 38). Het toerekenen van het oogmerk van het plegen van strafbare feiten dat bij drie van de leden bestond aan de organisatie als geheel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting van art. 140 Sr en/of meebrengen dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed (randnummer 43).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">36.</span>Anders dan de steller van het middel meen ik dat de misdrijven die het hof bespreekt niet uitsluitend zijn gepleegd door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Ik wijs daarbij in het bijzonder op de afpersing van [betrokkene 9] . Uit de bewijsmiddelen volgt dat [betrokkene 9] heeft verklaard dat zijn vestje van No Surrender is afgepakt door zes leden van de Hells Angels, dat zij op een donderdagavond omstreeks 21:30 uur in zijn café kwamen, dat donderdagavond een clubavond van de Hells Angels is, dat zij in full colours het café binnenkwamen en dat de Hells Angels hebben gezegd dat zij geen No Surrender in Haarlem wilden (bewijsmiddel 9). Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid wie precies voor de afpersing van het betreffende vest verantwoordelijk waren. Wel volgt daaruit dat de afpersing in het teken stond van de doelstellingen van Hells Angels Haarlem en niet door alleen [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] is gepleegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">37.</span>Uit ‘s hofs bewijsvoering volgt voorts dat [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij hun criminele activiteiten niet op eigen houtje opereerden. De afpersing van [betrokkene 7] en daarmee de klap die in dat kader is uitgedeeld was uitvloeisel van een clubbesluit. Dat geldt ook voor de afpersing van [betrokkene 5] . De gewelddadigheden tegen leden van andere motorclubs zijn een uitvloeisel van wat [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering van 16 september 2016 (bewijsoverwegingen onder het kopje ‘Afpersing, dwang, bedreiging en mishandeling’) omschrijft als ‘onze eigen houding’. Uit de bewijsvoering volgt ook dat meer leden van het charter bij acties in dit kader betrokken zijn.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als Mongols worden gespot in Zandvoort (dat de Hells Angels Haarlem als onderdeel van hun territorium zien) rijdt medeverdachte [medeverdachte 1] daar rond. En [betrokkene 2] geeft aan dat de verdachte ook komt (overwegingen onder het kopje ‘Communiceren met/ondersteunen van andere leden tijdens zoektocht naar leden van de Mongols’). De vriendin van medeverdachte [medeverdachte 1] waarschuwt [betrokkene 3] nadat deze [betrokkene 13] , lid van Satudarah, heeft mishandeld, dat ‘ze’ naar hem op zoek zijn (bewijsmiddelen 10 en 11). [betrokkene 1] wijst vier leden van het charter aan (waaronder zichzelf) die vast hadden gezeten als Van der Valk (waar een vechtpartij tussen de Hells Angels en de Mongols had plaatsgevonden) betere camera’s had gehad (bewijsoverweging onder het kopje ‘Vergadering 16 september 2016’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de mishandeling van [betrokkene 14] (lid van No Surrender) vindt een vergadering plaats waarover in ieder geval medeverdachte [medeverdachte 5] en de verdachte worden geïnformeerd (bewijsmiddelen 16 en 17).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">38.</span>Ook bij de gang van zaken rond andere misdrijven zijn meer leden van het charter betrokken. [betrokkene 8] , die wordt gedwongen om zijn tattooshop te sluiten, belt de verdachte, die in [plaats] een tattooshop heeft (bewijsmiddelen 7 en 8). [betrokkene 7] stuurt een appje naar medeverdachte [medeverdachte 1] en belt hem ook (bewijsmiddelen 12 en 13). De medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] krijgen na de inbeslagneming van een vuurwapen van [betrokkene 2] het advies om hun telefoon in het Noordzeekanaal te gooien (bewijsmiddelen 18. 19 en 20). En bij de andere misdrijven die het hof in aanmerking neemt ligt eveneens in de bewijsvoering besloten waarom deze met (het criminele oogmerk van) de organisatie verband houden. [betrokkene 12] is afgeperst uit hoofde van de positie die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] binnen de Hells Angels Haarlem hadden, en heeft klappen gekregen in het clubhuis; [betrokkene 3] verwijst bij de afpersing van [betrokkene 10] in telefoongesprekken naar de Hells Angels en geeft aan dat de club ermee gemoeid is. En het hof koppelt de in de open haard van het clubhuis aangetroffen kogel aan het vuurwapen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] voorhanden hadden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>De enkele omstandigheid dat de misdrijven die het hof opsomt voor het overgrote deel zijn begaan door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] staat er in dit licht niet aan in de weg dat het hof het grotere verband van de Hells Angels Haarlem, samen met [betrokkene 4] en de Stichting, mede op grond van deze misdrijven heeft kunnen aanmerken als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van toerekening van het oogmerk van deze drie medeverdachten aan de in de bewezenverklaring omschreven organisatie is gelet op ’s hofs overwegingen geen sprake. Ik attendeer er in dat verband ook op dat het hof de bewezenverklaring van het oogmerk tevens baseert op (vaststellingen inzake) de bedreigende en gewelddadige reputatie alsmede het belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>De zesde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">41.</span>De steller van het middel klaagt voorts over ’s hofs afsluitende overweging inzake het oogmerk, inhoudend dat uit ‘het voorgaande en de bewijsmiddelen in het dossier’ is gebleken dat door de leden van de Hells Angels Haarlem strafbare feiten worden gepleegd uit naam van het charter en niet op persoonlijke titel. Voor zover het hof zijn oordeel mede baseert op ‘bewijsmiddelen in het dossier’ zou dat volgens de steller van het middel kennelijk zien op bewijsmiddelen die niet in de overwegingen zijn genoemd, maar die zich wel in het dossier bevinden. Het (in hoger beroep bestreden) oordeel dat [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] uit naam van het charter hebben gehandeld zou daarmee op feiten en omstandigheden berusten die niet in het arrest zijn genoemd en waarbij het hof niet nader zou hebben aangegeven aan welk(e) bewijsmiddel(en) het die feiten en omstandigheden heeft ontleend. Ook in dat opzicht zou de bewezenverklaring derhalve onvoldoende met redenen zijn omkleed (randnummer 44).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>Dat leden van de organisatie uit naam van het charter strafbare feiten hebben gepleegd heeft het hof uit de voorafgaande overwegingen kunnen afleiden. Uit de formulering van deze afsluitende overweging volgt mede in dat licht niet dat het hof met de ‘bewijsmiddelen in het dossier’ op andere bewijsmiddelen zou doelen dan die welke in de bewijsoverwegingen en de aanvulling zijn vermeld. Voor zover het middel daarvan uitgaat berust het op een onjuiste lezing van het arrest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>De zevende deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>De eerste zeven deelklachten vormen een uitwerking van de (overkoepelende) klacht dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat de Hells Angels charter Haarlem (samen met [betrokkene 4] en de Stichting) een criminele organisatie vormden. In verband met die meer algemene klacht wijs ik nog op het ook door het hof en de steller van het middel genoemde arrest van Uw Raad van 15 mei 2007. Uw Raad gaf in dat arrest aan dat voor het bewijs van dit oogmerk onder meer betekenis zal kunnen toekomen aan, kort gezegd (1) misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, (2) het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, en (3) de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijk doel van de organisatie verrichte activiteiten.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft in de bewijsoverwegingen uiteengezet welke betekenis het heeft gehecht aan misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd. Uit ‘s hofs overwegingen blijkt voorts dat de samenwerking een sterk gestructureerd karakter had. De Stichting vervulde een aantal functies, het charter had een strakke structuur met diverse functies, en er was structureel periodiek overleg waar beslissingen op democratische wijze werden genomen. De planmatigheid en stelselmatigheid van de met het oog op het plegen van misdrijven verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie komen alleen al uit de bewijsvoering inzake de bedreigende en gewelddadige reputatie van de Hells Angels Haarlem naar voren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>Al met al meen ik dat de bewezenverklaring van het criminele oogmerk van de organisatie ook in het licht van de vingerwijzing die Uw Raad in genoemd arrest heeft gegeven toereikend is gemotiveerd. Uit het verband tussen de door het hof in aanmerking genomen aanwijzingen en de vingerwijzing in dat arrest volgt ook reeds dat en waarom het hof bij de bewijsvoering van het oogmerk aan die aanwijzingen betekenis kon hechten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">46.</span>De steller van het middel formuleert vervolgens een aantal deelklachten die op de bewijsvoering van deelneming aan de in de bewezenverklaring omschreven criminele organisatie betrekking hebben. Alvorens op die deelklachten in te gaan merk ik het volgende op.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">47.</span>Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr is sprake ‘indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk’. Ook betrekkelijk passieve gedragingen kunnen de kwalificatie ‘deelneming’ rechtvaardigen. Van het hebben van een aandeel in dan wel ondersteunen van dergelijke gedragingen is geen sprake als de vastgestelde activiteiten van de betrokkene verband houden met aspecten van de organisatie die los staan van het criminele oogmerk. A-G Hofstee heeft het wel aldus geformuleerd dat ‘de deelnemers aan een organisatie die in de criminele tak ervan geen enkele rol spelen buiten schot blijven’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>De steller van het middel meent dat uit ’s hofs bewijsvoering niet kan blijken dat de verdachte een aandeel heeft gehad in dan wel heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk (randnummer 48). In dit verband wordt herhaald dat de verdachte geen deel uitmaakte van het samenwerkingsverband van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">49.</span>Het hof heeft geconcludeerd dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de leden van de Hells Angels Haarlem, de Stichting Hells Angels Haarlem en [betrokkene 4] . Die gevolgtrekking wordt in cassatie niet bestreden. De steller van het middel heeft met diverse deelklachten bestreden dat deze organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. In het voorgaande is aangegeven dat en waarom deze deelklachten falen. Dat de verdachte geen deel uitmaakte van het door de steller van het middel genoemde viertal is niet van belang in verband met de beoordeling van de bewijsvoering inzake het deelnemen aan de genoemde organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>De achtste deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>De steller van het middel voert vervolgens aan dat uit het deelnemen door de verdachte aan vergaderingen van de Hells Angels Haarlem niet kan volgen dat door de verdachte is (mee)beslist over zaken die met het bewezenverklaarde oogmerk verband houden en dat hij daarvan wetenschap had (randnummer 52). In het bijzonder zou uit ’s hofs overwegingen niet kunnen volgen dat (in een vergadering) is besloten dat [betrokkene 7] zijn motor diende in te leveren en dat [betrokkene 5] een boete diende te betalen (randnummers 55.1 en 55.2).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat de verdachte één van de negen deelnemers aan de vergaderingen van de Hells Angels Haarlem was. Die vergaderingen werden (in beginsel) eens per twee weken gehouden. Het hof heeft voorts verklaringen en bescheiden voor het bewijs gebezigd waaruit blijkt dat besluiten alleen werden genomen als alle leden aanwezig waren. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof in de wijze waarop voorafgaand aan een vergadering de opvatting van [betrokkene 1] werd gepeild, de uitzondering heeft kunnen zien die deze regel bevestigt. Een en ander brengt mee dat de aanwezigheid van de verdachte bij de vergaderingen waar werd beslist over het door [betrokkene 7] achter moeten laten van zijn motor en over het opleggen van een boete aan [betrokkene 5] , cruciaal was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>Dat door alle leden en dus ook door de verdachte is vergaderd over het door [betrokkene 7] moeten inleveren van zijn motor heeft het hof afgeleid en kunnen afleiden uit de drie aangehaalde OVC-gesprekken. Het eerste is het gesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] waarin [betrokkene 1] over de motor van [betrokkene 7] zegt: ‘lekker laten staan’. [betrokkene 4] zegt tegen [betrokkene 1] dat zij aan [betrokkene 2] zal doorgeven hoe [betrokkene 1] over de kwestie denkt en merkt vervolgens op: ‘ze kunnen niks beslissen zonder jou’. In het tweede gesprek, eveneens tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , wordt gesproken over het voorstel om de motor van [betrokkene 7] te verkopen. In dat gesprek vertelt [betrokkene 4] tegen [betrokkene 1] dat [betrokkene 3] een bestemming van een deel van de opbrengst van de motor heeft genoemd en heeft aangegeven dat als [betrokkene 1] dat wil, hij ‘het in de groep (gaat) gooien’. In het derde gesprek, tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , bespreekt [betrokkene 3] een appje van [betrokkene 7] dat hij heeft ontvangen. [betrokkene 1] herinnert [betrokkene 3] aan ‘wat we hebben afgesproken’. [betrokkene 3] zegt dat hij het met ‘de gasten’ over het appje zal hebben. Hij geeft aan dat [betrokkene 1] niet hoeft ‘te bellen en te doen. Terwijl wij misschien een andere koers gaan varen’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>Inzake het opleggen van de boete aan [betrokkene 5] heeft het hof gewezen op een gesprek van 10 december 2015 tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en een NN-man dat over [betrokkene 5] ging. Het hof heeft uit dat gesprek afgeleid en kunnen afleiden dat door alle leden van de Hells Angels Haarlem, dus ook door de verdachte, is vergaderd en gestemd over het opleggen van een boete aan [betrokkene 5] . Ik wijs er daarbij in het bijzonder op dat [betrokkene 1] in dat gesprek heeft gezegd: ‘maar ik sta gewoon achter de jongens die een beslissing hebben genomen’ en ‘Maar op het moment dat er beslissingen zijn genomen dan eh kan ik er ook niks meer aan doen. Want wij zijn mannen van ons woord en als er ehh met zijn allen wordt gezegd van zo gaat het gebeuren dan gaat het uiteindelijk zo gebeuren’. Dat de uitlatingen van [betrokkene 1] in het tapgesprek ‘door geen enkel ander bewijsmiddel gestaafd’ worden, zoals de steller van het middel aanvoert, staat er niet aan in de weg dat het hof daar de in het arrest vermelde vaststellingen op heeft kunnen baseren. Tot nadere motivering was het hof niet gehouden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de beslissingen die door de vergadering genomen werden de leden sterk bonden. Ik wijs daarbij op de opmerkingen van medeverdachte [betrokkene 1] naar aanleiding van de aan [betrokkene 5] opgelegde boete. De beslissingen waar de verdachte aan meewerkte door aan de vergaderingen deel te nemen en aldaar te stemmen waren de grondslag voor de daaropvolgende (strafbare) gedragingen jegens [betrokkene 7] en [betrokkene 5] . Het hof heeft in dat licht kunnen oordelen dat de verdachte door het deelnemen aan deze vergaderingen en door daarin te stemmen een aandeel had in (dan wel ondersteunde) gedragingen die strekten tot (of rechtstreeks verband hielden met) de verwezenlijking van het bewezenverklaarde oogmerk van de organisatie (het plegen van onder meer bedreiging met geweld en afpersing).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">56.</span>Daarbij kan ook met een schuin oog worden gekeken naar rechtspraak en literatuur over het begrip feitelijke leidinggeven. Ook daar kan het gaan om persoonlijke verantwoordelijkheid voor gedragingen die in de context van een organisatie worden begaan. Van feitelijke leidinggeven kan volgens Uw Raad onder meer sprake zijn ‘bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat’. De Hullu meent dat een taakverdeling binnen een bestuur van een rechtspersoon bij het gehouden zijn tot ingrijpen relevant kan zijn. Van een taakverdeling was in dit verband geen sprake, het ging om democratisch genomen beslissingen. En de verdachte bleef na de vergaderingen waarin de betreffende beslissingen werden genomen lid, en was (uitgaande van de normering van het feitelijke leidinggeven) ook na de vergaderingen gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming van de voorgenomen misdrijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">57.</span>Ik merk nog op dat deelneming aan een criminele dan wel terroristische organisatie ook in een arrest van 3 juli 2012 (mede) uit het deelnemen aan bijeenkomsten was afgeleid. De misdrijven waarop het oogmerk was gericht waren (kort gezegd) opruiing (de artt. 131 en 132 Sr), het aanzetten tot haat en geweld (art. 137d Sr), en bedreiging (art. 285 Sr). Uw Raad overwoog dat het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen had vastgesteld dat de verdachte ‘met enige regelmaat bijeenkomsten bijwoonde waarbij de gewelddadige verspreiding van de islam werd gepropageerd en waarbij beeldmateriaal van onthoofdingen werd vertoond’. En voorts dat de verdachte ‘zelf voor zulke bijeenkomsten wel eens beeldmateriaal meebracht van het afslachten van vrouwen en kinderen en van het opblazen van Russische tanks, teneinde het gedachtegoed van de jihad uit te dragen’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof had voorts vastgesteld dat de verdachte ‘actief heeft willen bijdragen aan het propageren van de islam door aan bedoelde bijeenkomsten deel te nemen en mee te werken aan de verspreiding van een geschrift met radicale inhoud, getiteld \"How to catch a wolf\", waarin tot de gewapende jihad wordt opgeroepen’ (rov. 2.5). ’s Hofs oordeel ‘dat de verdachte door zo te handelen daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk en derhalve aan die organisaties heeft \"deelgenomen\" in de hiervoor bedoelde betekenis’ was volgens Uw Raad niet onbegrijpelijk (rov. 2.6).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">58.</span>Keijzer stelde in zijn noot onder het arrest dat de term ‘ondersteunt’ veronderstelt ‘dat de betrokkene het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd bevordert, in die zin dat het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven wordt vergroot’. Voor zover die eis van ‘bevordering’ (ook in deze context) geldt, is daar naar het mij voorkomt in de onderhavige zaak aan voldaan: door deel te nemen aan besluitvorming inzake deze beslissingen, die de basis vormden voor de daaropvolgende (strafbare) gedragingen jegens [betrokkene 7] en [betrokkene 5] , heeft de verdachte het gevaar van verwezenlijking vergroot. Keijzer wees in verband met de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte op het proefschrift van De Vries-Leemans, die schreef: ‘Zo zal bijvoorbeeld het spreken op vergaderingen alleen dan strafbare deelneming kunnen opleveren indien met het betoog ook daadwerkelijk een bijdrage wordt geleverd aan de verwezenlijking van het oogmerk, bijvoorbeeld door het opruien van de toehoorders tot het plegen van de beoogde misdrijven of door het bewust verschaffen van informatie welke op het plegen van die misdrijven betrekking heeft’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze passage illustreert dat het mede van het tenlastegelegde delict en de (andere) omstandigheden van het geval afhangt, of en zo ja welke gedragingen van de verdachte op een bijeenkomst als deelneming in de zin van art. 140 Sr kunnen gelden. Als opruien één van de door de organisatie beoogde misdrijven is, kan het verspreiden van (opruiende) geschriften op een bijeenkomst deelneming opleveren. Het kan dat ook zijn als de opruiing ertoe strekt de door de organisatie beoogde misdrijven door derden (die daartoe opgeruid worden) te laten verwezenlijken. In de context van de onderhavige zaak, waarin door negen leden van de Hells Angels werd besloten over jegens [betrokkene 7] en [betrokkene 5] te plegen strafbare feiten, heeft het hof kunnen oordelen dat het mogelijk maken en deelnemen aan die besluitvorming deelneming in de zin van art. 140, eerste lid, Sr oplevert.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Ik merk ten slotte op dat in hoger beroep niet is aangevoerd dat de verdachte tegen heeft gestemd of nadien de uitvoering van de genomen besluiten heeft getracht te verhinderen. Daarvan blijkt ook niets uit de bewijsvoering van het hof. De raadsman heeft in hoger beroep over het door [betrokkene 5] betaalde bedrag alleen aangevoerd dat daar bij vergaderingen niet over is gesproken of beslissingen over zijn genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>De negende deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>De steller van het middel voert wat betreft de mishandeling van [betrokkene 14] door [betrokkene 2] aan dat niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte, door de enkele kennisneming van die mishandeling achteraf, een aandeel heeft gehad in die gedraging, dan wel die gedraging zou hebben ondersteund (randnummer 55.3). En dat zou ook gelden voor de zoektocht naar de Mongols. Uit de bewijsvoering zou voorts niet kunnen blijken dat de verdachte daadwerkelijk is gekomen om mee te zoeken of een ‘duimpje’ heeft gestuurd. En daaruit zou ook niet kunnen volgen dat ‘men uit was op een gewelddadige confrontatie’. De uitspraak van [betrokkene 3] in de onderlinge communicatie zou bezwaarlijk anders op te vatten zijn dan dat het de bedoeling was dat wanneer de motoren waarop de Mongols reden ergens zouden staan, die door [betrokkene 3] zouden worden omgetrapt. Dat zou evenwel vernieling opleveren, en dat feit is niet in de bewezenverklaring vermeld als een door de organisatie beoogd misdrijf.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>Onder het kopje ‘De relatie met andere motorclubs’ maakt het hof er in de eerste plaats melding van dat de verdachte met andere leden dan wel een ander lid van de Hells Angels Haarlem heeft gesproken over de mishandeling op 17 december 2015 door [betrokkene 2] van een lid van No Surrender, [betrokkene 14] . Het hof maakt vervolgens melding van het communiceren met en ondersteunen van andere leden tijdens de zoektocht naar leden van de Mongols op 9 juni 2016. [betrokkene 2] heeft in de afgeluisterde gesprekken aangegeven dat de verdachte ook zou komen. Onder het kopje ‘Aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen?’ overweegt het hof vervolgens dat de verdachte heeft ‘bijgedragen aan/ondersteund de vijandigheid en de gewelddadigheid van de Hells Angels Haarlem richting onder meer Satudarah, No Surrender en de Mongols.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft zich heeft laten informeren over de mishandeling van een lid van No Surrender en hij heeft de zoektocht van andere leden van de Hells Angels Haarlem naar leden van de Mongols ondersteund’. Het hof vermeldt voorts dat de verdachte door zijn aanwezigheid bij de vergadering van 16 september 2016 betrokken is geweest bij gesprekken over de vijandige verstandhouding van de Hells Angels Haarlem tot onder meer Satudarah, No Surrender en de Mongols. Het hof overweegt vervolgens dat het kennelijk ook aan de verdachte te danken is dat deze motorclubs niet in het ‘territorium’ van de Hells Angels Haarlem aanwezig zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>Voor zover het middel klaagt dat het hof zou hebben geoordeeld dat de verdachte een aandeel heeft gehad in de mishandeling van [betrokkene 14] of dat hij die mishandeling zou hebben ondersteund, berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest. De vermelding van de gesprekken over de mishandeling van [betrokkene 14] is in het geheel van ‘s hofs overwegingen relevant omdat mede daaruit kan worden afgeleid wat [verdachte] voor ogen stond toen hij een half jaar later aangaf naar Zandvoort te zullen komen. Met die toezegging heeft hij gedragingen ondersteund die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Hij heeft de leden van Hells Angels Haarlem die reeds ter plekke aanwezig waren daarmee gesterkt in het voornemen tot het plegen van gewelddadigheden die met het criminele oogmerk van de organisatie verband hielden. Dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid of de verdachte daadwerkelijk is gekomen doet daar niet aan af.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>Wat de voorgenomen inhoud van de gewelddadigheden betreft is van belang dat het hof uit een in de auto opgenomen gesprek van 9 juni 2016 afleidt dat [medeverdachte 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] alsmede twee niet-leden van het charter Hells Angels Haarlem in Zandvoort op zoek zijn gegaan naar leden van de Mongols die daar rondreden. Dat werd niet getolereerd want Zandvoort was het territorium van de Hells Angels Haarlem. Ook uit de verdere context van het gesprek blijkt volgens het hof dat men uit was op een gewelddadige confrontatie. Het hof wijst erop dat uit het gesprek volgt dat de telefoons niet meegaan en dat er kennelijk ook een vuurwapen in de auto aanwezig is. Dat sluit aan bij uitlatingen van [betrokkene 2] ( [betrokkene 2] ): ‘Zou mooi zijn op de Zeeweg pik. Als ze weggaan. Taktaktak’. Het hof heeft op grond van deze vaststellingen kunnen oordelen dat de voorgenomen confrontatie niet enkel gericht was op vernieling van motoren, al kon deze daar wel onderdeel van zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>De tiende deelklacht faalt .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>De steller van het middel voert in verband met het deelnemen door de verdachte aan het landelijk overleg tussen de Nederlandse Hells Angels charters en aan de vergadering van 16 september 2016 voorts aan dat nergens uit blijkt dat het onderwerp van die vergaderingen het plegen van strafbare feiten was. Voorts zou wat betreft die laatste vergadering niet blijken dat hetgeen [betrokkene 1] aldaar heeft verwoord de instemming had van de bij de vergadering aanwezige leden en/of dat men daarover beslissingen heeft genomen (randnummer 55.4).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">67.</span>Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte namens het charter Hells Angels Haarlem heeft deelgenomen aan de Holland Meeting van 24 februari 2016 en dat hij deze vergadering eerder die dag inhoudelijk met [betrokkene 2] heeft voorbesproken. Het hof heeft onder het kopje ‘Aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen?’ overwogen dat de verdachte daar de lijn van het charter Haarlem naar voren heeft gebracht. Het hof heeft dat naar het mij voorkomt kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (of ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De Hells Angels Haarlem maakten deel uit van een bredere organisatie; voor de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de Hells Angels Haarlem is van belang dat die bredere organisatie daarvoor ruimte liet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>De onderwerpen die op de vergadering van de Hells Angels Haarlem van 16 september 2016 aan de orde kwamen, hadden een ander karakter dan de besluitvorming over de motor van [betrokkene 7] en de boete van [betrokkene 5] . Het ging blijkens de bewijsvoering van het hof over de relatie met andere motorclubs, de koers/toekomst van de organisatie zelf (in verband met het werven van nieuwe leden) en het verhullen en afdekken van gedragingen die met de verwezenlijking van dat oogmerk verband houden. Deze onderwerpen staan alle drie in verband met de koers van de organisatie. Het bepalen van de koers kan gezien worden als een gedraging die rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik neem daarbij in aanmerking dat art. 140, vierde lid, Sr bepaalt dat de gevangenisstraffen ten aanzien van de leiders met een derde kunnen worden verhoogd. Deze formulering maakt duidelijk dat ook de leider wordt gezien als iemand die aan de organisatie deelneemt. Uit de parlementaire behandeling van de wijziging van art. 140 Sr waardoor dit begrip in de strafverzwaringsgrond werd ingevoegd, kan worden afgeleid dat voor het zijn van ‘leider’ doorslaggevend is het hebben van een bepaalde macht, dan wel gezag, en dat in dat verband van belang is of de betrokkene dwingende aanwijzingen kan geven. Die macht en dat gezag en de bevoegdheid om dwingende aanwijzingen te geven, lagen bij de Hells Angels Haarlem in belangrijke mate bij de vergadering waar alle leden aan deelnamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede tegen die achtergrond heeft het hof het deelnemen aan een vergadering waar de koers van het chapter aan de orde was en het deelnemen aan een vergadering (de Holland Meeting) waarin de lijn van het chapter naar voren werd gebracht, kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>Daaraan doet niet af dat niet expliciet blijkt dat hetgeen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben verwoord de instemming van de andere leden van het chapter had. [betrokkene 1] koppelt het ‘kunnen zeggen dat wij die kankerhonden hier niet hebben’ aan ‘onze eigen houding’ en uit de bewijsvoering blijkt niet dat hij daarin wordt weersproken. Dat geldt ook voor zijn uitlatingen voor zover die met verhullen en afdekken verband houden (‘hier niet praten’; ‘als er echt wat te bespreken valt (…) gaan we ergens anders heen simpel zat’). De uitlating van [betrokkene 2] , inhoudend dat het chapter Haarlem in Holland bekend staat als kei- en keihard, draagt het karakter van een constatering en wordt evenmin weersproken. Uit de weergave van het tijdens de vergadering besprokene blijkt meer in het algemeen niet dat de koers wezenlijk zou zijn bijgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>De elfde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">71.</span>De steller van het middel klaagt vervolgens over ’s hofs afsluitende overweging (randnummer 55.5). De conclusie dat de verdachte met andere leden zou hebben vergaderd en gestemd over concrete, door de organisatie te plegen strafbare feiten en over gepleegde strafbare feiten zou uit de daaraan voorafgaande overwegingen van het hof niet kunnen worden getrokken. Daaruit zou evenmin kunnen blijken dat hij heeft bijgedragen aan gewelddadigheid jegens Satudarah, No Surrender en de Mongols. Voorts zou het hof ten onrechte de in de vergadering van 16 september 2016 door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gedragen lijn als door de vergadering gedragen hebben geïnterpreteerd. Dat de verdachte op de landelijke vergadering een ‘lijn’ van het chapter naar voren heeft gebracht zou niet blijken. En uit ’s hofs overwegingen zou evenmin kunnen blijken dat de verdachte aan de op de vergadering van 16 september 2016 uitgedragen handelwijze met betrekking tot het verhullen/afdekken heeft bijgedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Deze klachten zijn deels een herhaling van voorgaande deelklachten. Uit de bespreking van die deelklachten volgt reeds dat en waarom het hof uit de vastgestelde feiten en omstandigheden heeft kunnen afleiden dat de verdachte met andere leden heeft vergaderd en gestemd over concrete, door de organisatie te plegen strafbare feiten jegens [betrokkene 7] en [betrokkene 5] . En dat het hof uit de toezegging van de verdachte om naar Zandvoort te komen heeft kunnen afleiden dat hij gedragingen heeft ondersteund die strekten tot (of rechtstreeks verband hielden met) de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Dat de verdachte meer in het algemeen instemde met gewelddadigheden jegens leden van Satudarah, No Surrender en de Mongols als zij zich in het territorium van de Hells Angels Haarlem ophielden, heeft het hof ook kunnen afleiden uit de uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de vergadering van 16 september 2016, die aan ‘onze eigen houding’ toeschrijft dat andere OMG’s niet in Haarlem komen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Voorts heeft het hof mede gelet op de omstandigheid dat de verdachte de landelijke vergadering met [betrokkene 2] heeft voorbesproken kunnen aannemen dat de verdachte daar de lijn van het chapter naar voren heeft gebracht. Dat uit de bewijsoverwegingen niet blijkt van specifieke verhullende gedragingen van de verdachte doet er voorts niet aan af dat het hof het deelnemen door de verdachte aan een vergadering waar de koers en toekomst van de organisatie en (in samenhang daarmee) het verhullen en afdekken van strafbare feiten aan de orde waren heeft kunnen zien als het hebben van een aandeel in gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">73.</span>De twaalfde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>De steller van het middel voert voorts aan dat het door het hof vastgestelde (extra) wachtlopen bezwaarlijk als een verwezenlijking van een crimineel oogmerk kan worden beschouwd. Om die reden zou het oordeel van het hof dat de verdachte door aan het wachtlopen een bijdrage te leveren een crimineel oogmerk van de organisatie zou hebben ondersteund, onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn. Dat de verdachte of andere leden bij dat wachtlopen beschikten over een wapen of dat zij dat zouden tolereren, zou niet kunnen blijken (randnummer 57).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>Met betrekking tot het doel van het wachtlopen citeert het hof een passage uit een gesprek tussen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van 4 januari 2016. Daarin wordt in relatie tot de club gesproken over een vuurwapen. Het hof citeert voorts een passage uit een gesprek dat later die dag tussen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 4] is gevoerd. Daarin wordt gesproken over het gebruiken van ‘dat ding’ als iemand voor de deur staat. Vervolgens citeert het hof een passage uit een gesprek tussen de medeverdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] van 30 november 2015 waarin [betrokkene 2] aangeeft dat met de Kerst en Oud en Nieuw wachtgelopen zal moeten worden, en een passage uit een gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] van 18 december 2015, de dag na de mishandeling van No Surrenderlid [betrokkene 14] , waarin [betrokkene 1] aangeeft dat het ‘ons’ goed leek om die avond ‘bemand’ te zijn ‘hier’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Het hof heeft uit deze gesprekken in combinatie met het criminele oogmerk van de organisatie afgeleid dat het doel van het wachtlopen de beveiliging van het clubhuis is. Het hof heeft daarbij in de eerste plaats gewezen op de aanwezigheid ‘op enig moment’ van een vuurwapen in het clubhuis, dat gebruikt kan worden in geval van eventuele indringers, in de tweede plaats op het wachtlopen met Kerst en Oud en Nieuw, ‘dagen waarop het onwaarschijnlijk is dat een buitenlands member spontaan zou langskomen’ en in de derde plaats op de ‘extra’ beveiliging na de mishandeling van een lid van No Surrender. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof het wachtlopen, in het licht van deze doelstelling, heeft kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Het zijn de misdrijven waarvan de organisatie het plegen tot oogmerk heeft die het wachtlopen ter beveiliging noodzakelijk maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet niet af dat uit ’s hofs vaststellingen niet volgt dat de verdachte over het wapen beschikte als hij wacht liep. Het wachtlopen was niet gekoppeld aan het beschikken over het wapen, maar aan de beveiliging van het clubhuis. En aan de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel doet evenmin af dat, zoals de steller van het middel aanvoert, niet alle leden mogelijk hetzelfde dachten over het voorhanden hebben van een vuurwapen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>De dertiende deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>De steller van het middel voert voorts aan dat de vaststelling van het hof dat de verdachte voor [betrokkene 1] zou hebben betaald tijdens diens detentie niet uit de daarop betrekking hebbende overwegingen kan worden afgeleid; die vaststelling zou daarom onbegrijpelijk zijn (randnummer 60). En zelfs als de verdachte wel betaald zou hebben voor [betrokkene 1] tijdens diens detentie zou dit niet het oordeel rechtvaardigen dat daarmee een bijdrage aan of ondersteuning van een crimineel oogmerk van de organisatie werd geleverd (randnummer 62). Niet zou immers blijken dat het strafbare feit waarvoor [betrokkene 1] vast zat, was gepleegd uit naam van Hells Angels Haarlem of daarmee in verband te brengen was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">80.</span>Het hof heeft in verband met het ‘betalen voor een gedetineerd lid’ gewezen op de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige over de ‘BHC-potten’ heeft afgelegd: ‘dit is een pot met geld voor jongens die vastzitten’. Het hof vermeldt daarbij dat op één van de potten de naam ‘ [betrokkene 1] ’ staat. Het hof heeft daarna gewezen op hetgeen tijdens de vergadering van 16 september 2016 is gezegd door [betrokkene 1] , die op dat moment met verlof uit detentie was: ‘Kijk wij hebben een huurhuis ja? En wij redden het financieel wel (..) Maar ik weet ook, ik zie hier ook mensen die een fucking baan hebben met een contract, fucking hypotheken hebben, die echt fucking gezeik krijgen wanneer ze een tijdje weggaan en weet je wat het allerergste dan is dan moet het niet zo zijn dat nu moeten jullie voor mij betalen (…)’. Het hof heeft uit ‘het voorgaande, in onderlinge samenhang’ afgeleid dat de verdachte voor [betrokkene 1] heeft betaald tijdens diens detentie. Het hof stelt voorts vast dat [betrokkene 1] was gedetineerd in verband met een veroordeling voor bezit van diverse zware wapens. Het hof overweegt vervolgens dat [betrokkene 1] vanuit detentie, via [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , zijn invloed en stemrecht uitoefende bij de Hells Angels Haarlem. Naar ’s hofs oordeel is de betaling door de verdachte voor [betrokkene 1] ‘aan te merken als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de leden van de club in zijn algemeenheid met een financiële bijdrage zorgden voor andere leden wanneer deze gedetineerd raakten. Ik wijs in dat verband op ‘s hofs overwegingen onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’. Het hof heeft naar het mij voorkomt ook uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte voor [betrokkene 1] heeft betaald tijdens diens detentie. Dat volgt niet alleen uit de uitlatingen van [betrokkene 1] ; uit de bewijsmiddelen, in hun geheel beschouwd, volgt ook dat van het sociale verband van de Hells Angels Haarlem een betrekkelijk grote druk op de leden uitging. Ik neem voorts in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de Stichting Hells Angels in 2015 in totaal € 1.200 overmaakte aan [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4). En dat uit de bewijsoverwegingen volgt dat op 23 juli 2016 een inzameling voor medeverdachte [betrokkene 1] plaatsvond en dat bij de doorzoeking van het clubhuis op 26 januari 2017 een BHC-pot is aangetroffen met daarop de naam ‘ [betrokkene 1] ’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">82.</span>Het hof heeft het betalen voor een gedetineerd lid voorts als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr omschreven oogmerk kunnen aanmerken. Die betalingen maakten duidelijk dat de mogelijke financiële gevolgen van detentie niet of in mindere mate een reden behoefden te zijn om van het plegen van misdrijven die met het charter verband hielden af te zien. Door voor een gedetineerd lid te betalen, bevorderde de verdachte aldus het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd; het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven werd vergroot. Dat brengt mee dat het niet relevant is of [betrokkene 1] op dat moment gedetineerd zat voor een strafbaar feit dat gerelateerd kan worden aan de Hells Angels Haarlem.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>De veertiende deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>De steller van het middel voert daarna aan dat het feit dat [betrokkene 1] via [betrokkene 4] en [betrokkene 3] vanuit detentie invloed had op en zijn stemrecht binnen het charter kon uitoefenen, evenmin toereikend is voor de conclusie dat met het tijdens detentie betalen voor [betrokkene 1] een bijdrage/ondersteuning werd geleverd aan enig crimineel oogmerk (randnummer 64).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">85.</span>Uit ’s hofs overwegingen kan, meen ik, niet worden afgeleid dat het door de verdachte tijdens diens detentie betalen voor [betrokkene 1] als een ‘deelneming’ opleverende gedraging is aangemerkt in verband met het tijdens detentie uitoefenen van invloed dan wel stemrecht door [betrokkene 1] . In zoverre gaat de steller van het middel naar het mij voorkomt uit van een verkeerde lezing van het arrest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>De vijftiende deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">87.</span>De steller van het middel voert inzake het betalen van contributie door de verdachte aan dat uit de overwegingen van het hof niet zou kunnen volgen dat de contributie ook diende voor betaling van het ‘sweepen’ en het bewaken van het clubhuis, of voor betalingen aan gedetineerde leden (randnummer 67). Zonder nadere motivering zouden de conclusies met betrekking tot de contributiebetaling als bijdragende/ondersteunende handelingen voor het criminele oogmerk onbegrijpelijk zijn (randnummer 70).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">88.</span>Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte contributie heeft betaald voor het lidmaatschap van de Hells Angels Haarlem. Het hof heeft daarbij gewezen op de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 2] in hoger beroep als getuige heeft afgelegd, inhoudend dat hiermee de vaste lasten voor het clubhuis werden betaald; gas, water, licht, internet en de gemeentelijke belastingen. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het clubhuis het hart vormde van de Hells Angels Haarlem. De leden kwamen daar samen, er werden besluiten genomen en allerlei andere gesprekken gevoerd in verband met het criminele oogmerk van de organisatie. Het clubhuis moest worden ‘gesweept’ en bewaakt en er werd geld ingezameld voor gedetineerde leden. Het hof concludeert dat het betalen van de vaste lasten voor dit clubhuis kan worden beschouwd als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de leden samenkwamen in het clubhuis, dat daar onder meer werd vergaderd en gestemd, en dat daar gesprekken werden gevoerd die verband hielden met het criminele oogmerk van de organisatie. Als de leden geen contributie hadden betaald waaruit de vaste lasten voldaan konden worden, zou de Stichting Hells Angels Haarlem het clubhuis niet beschikbaar hebben kunnen houden voor de leden. Dat brengt mee dat het hof het betalen van de contributie heeft kunnen aanmerken als (het hebben van een aandeel in dan wel) het ondersteunen van gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk. Door het betalen van de contributie is het gevaar van verwezenlijking van het criminele oogmerk vergroot. Daaraan doet niet af dat uit de bewijsvoering geen verband blijkt tussen het betalen van contributie en het sweepen en bewaken van het clubhuis alsmede het doen van betalingen aan gedetineerde leden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">90.</span>Ik wijs er in dit verband ook op dat in art. 140 Sr expliciet is bepaald: ‘Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie’. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat deze omschrijving niet afdoet aan de eis dat de betrokkene dient te behoren tot het samenwerkingsverband. De verduidelijking heeft volgens Uw Raad betrekking op het vereiste van een aandeel in of ondersteunen van bepaalde gedragingen. Zij kan naar het mij voorkomt aldus worden begrepen dat – volgens de wetgever – aan die eis voldaan is indien van één van de in dit lid genoemde handelingen sprake is, zonder dat nadere vaststellingen vereist zijn over een specifiek doel waarvoor de geldelijke of andere steun is aangewend dan wel de gelden of personen zijn geworven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">91.</span>De zestiende deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">92.</span>Ten slotte voert de steller van het middel aan dat uit de bewijsvoering niet zou kunnen volgen dat de verdachte de gedragingen die naar ’s hofs oordeel strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk heeft verricht en/of dat de door hem verrichte gedragingen noch kunnen strekken tot noch rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk. Daarom zou de bewezenverklaring van deelneming aan een organisatie met als oogmerk het plegen van misdrijven onvoldoende met redenen zijn omkleed (randnummer 71).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat uit de bewijsvoering dient te volgen dat de verdachte gedragingen heeft verricht die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk stelt zij een eis die het recht niet kent. Uit de bewijsvoering behoeft slechts te kunnen volgen dat de verdachte een aandeel heeft gehad in dergelijke gedragingen dan wel dergelijke gedragingen heeft ondersteund.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>Mij komt het voor dat het hof uit de vastgestelde feiten en omstandigheden heeft kunnen afleiden dat de verdachte een aandeel heeft gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met het criminele oogmerk van de organisatie en/of deze gedragingen heeft ondersteund, en dat het hof de bewezenverklaring in zoverre toereikend met redenen heeft omkleed.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">95.</span>De zeventiende deelklacht faalt, dat brengt mee dat het eerste middel faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">96.</span>Ik merk nog op dat het hof van een aantal gedragingen van de verdachte separaat heeft vastgesteld dat deze deelneming door de verdachte aan een criminele organisatie opleveren. Uw Raad heeft eerder ook wel beoordeeld of een samenstel van door het hof vastgestelde gedragingen als deelneming kan worden aangemerkt. Beide benaderingen zijn mijns inziens verenigbaar met de interpretatie die Uw Raad aan het begrip ‘deelneming’ heeft gegeven. Anders dan bij medeplegen behoeft niet een bijdrage van ‘voldoende gewicht’ te worden vastgesteld. Het optellen van verschillende gedragingen teneinde aan dit gewicht te komen is zo bezien niet noodzakelijk. In beide benaderingen geldt mede in dat licht naar het mij voorkomt dat in het geval Uw Raad van oordeel zou zijn dat één van de door het hof in aanmerking genomen gedragingen niet zelfstandig als ‘deelneming’ kan worden aangemerkt, dit nog niet behoeft mee te brengen dat voldoende belang bij cassatie bestaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede middel 97. Het tweede middel bevat de klacht dat het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid leidt doordat de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota in het ongerede is geraakt. Blijkens de toelichting op het middel heeft de klacht betrekking op de ter terechtzitting van 22 januari 2021 door de raadsman van de verdachte overgelegde pleitnota. In de pleitnota zou alinea 13 midden in een zin zijn afgebroken, waarna de volgende pagina verder gaat met alinea 15. Dit zou het ernstige vermoeden doen rijzen dat de pleitnota niet compleet is. Daardoor zou niet zijn na te gaan of ter terechtzitting meer verweren zijn gevoerd of meer uitdrukkelijk onderbouwde standpunten naar voren zijn gebracht dan in de zich in het dossier bevindende pleitnota.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">98.</span>De steller van het middel wijst erop dat bij bericht van 18 augustus 2021 is verzocht de complete pleitnota in het digitaal portaal te plaatsen. Op dit verzoek was ten tijde van de indiening van de schriftuur op 6 september 2021 nog geen reactie gekomen. Bij schrijven van 19 augustus 2021 heeft een medewerker dossierbehandeling van de Hoge Raad bij het hof ‘De volledige pleitnotitie in hoger beroep d.d. 22 januari 2021 (de tekst van het randnr. 13/14 ontbreekt)’ opgevraagd. Dit heeft geleid tot een brief van mr. M.J.A. Plaisier, raadsheer bij het hof, van 4 oktober 2021. Deze houdt onder meer in: ‘Bijgevoegd zijn de volledige pleitnota én de door de raadsman ter terechtzitting van 22 januari 2021 overgelegde schriftelijke aanvulling daarop. De door de raadsman overgelegde aanvulling betreft een aanvulling op randnummer 13 van de pleitnota, waarbij het hof opmerkt dat randnummer 10 van de aanvulling (vermoedelijk) als randnummer 14 van de pleitnota dient te worden beschouwd’. De brief vermeldt voorts hetgeen de raadsman blijkens de zittingsaantekeningen van de griffier ter terechtzitting van 22 januari 2021 als aanvulling op de pleitnota én op de door hem overgelegde aanvulling heeft opgemerkt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">99.</span>Aan de indiener van de schriftuur is op 21 maart 2022 medegedeeld dat een afschrift van de door haar opgevraagde stukken in het digitaal dossier is geplaatst, dat door een administratieve misslag de stukken helaas niet tijdig in het webportaal beschikbaar zijn gesteld en dat gelet daarop door de rolraadsheer is beslist dat een nadere termijn wordt verleend teneinde de indiener van de schriftuur in de gelegenheid te stellen om – met betrekking tot hetgeen door haar is opgevraagd – de eerder ingediende schriftuur te wijzigen, aan te vullen dan wel een of meer middelen in te trekken. De indiener van de schriftuur heeft op 8 april 2022 (binnen de verleende nadere termijn) een ‘nadere toelichting schriftuur van cassatie (middel II)’ ingediend. Deze houdt onder meer in dat de op 21 maart 2022 in het digitaal portaal geplaatste pleitnota aan hetzelfde euvel lijdt als de pleitnota waar het middel over gaat. Nu een nadere toelichting over de (mogelijke) oorzaak van het ontbreken van genoemde passages zou ontbreken, wordt het middel gehandhaafd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">100.</span>Ik wijs in dit verband op de hiervoor vermelde brief van mr. M.J.A. Plaisier, de daarbij gevoegde pleitnota en de daarbij gevoegde schriftelijke aanvulling op de pleitnota die door de raadsman ter terechtzitting van 22 januari 2021 is overgelegd. Deze stukken zijn naast en na de pleitnota zonder aanvullingen op 21 maart 2022 in het digitaal dossier geplaatst. De steller van het middel voert niets aan dat de inhoud van deze stukken bestrijdt. Nu de volledige pleitnota in hoger beroep zich (thans) bij de stukken bevindt, mist het middel feitelijke grondslag, zodat het niet tot cassatie kan leiden .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">101.</span>Het tweede middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het derde middel 102. Het derde middel bevat een klacht over de strafmotivering. Het hof zou bij het bepalen van de straf vaststellingen hebben gedaan die niet zijn terug te vinden in de bewijsvoering noch uit de processen-verbaal van de terechtzittingen kunnen blijken. Het in de overwegingen van het hof besloten liggende oordeel dat het feit de verdachte zwaarder wordt aangerekend omdat hij zou hebben geweten dat enkele leden van het charter strafbare feiten pleegden en op meerdere momenten zouden hebben deelgenomen aan de besluitvorming in het kader van bijvoorbeeld afpersingen, zou niet begrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">103.</span>Het hof heeft in het kader van de strafmotivering onder meer het volgende overwogen: ‘Het hof heeft daarbij vastgesteld, dat in de bewezenverklaarde periode meerdere ernstige geweldsincidenten waaronder afpersingen, mishandelingen en brandstichtingen hebben plaatsgevonden die direct gerelateerd kunnen worden aan de club Hells Angels charter Haarlem. Op meerdere momenten zijn de geweldsacties besproken binnen het charter. Alle ‘full colour members’ zijn ervan op de hoogte geweest dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd. De ‘full colour members’ hebben op meerdere momenten deelgenomen aan de besluitvorming die plaatsvond in het kader van bijvoorbeeld afpersingen.’ 104. De steller van het middel voert aan dat het hof bij de bepaling van de straf rekening heeft gehouden met het feit dat alle ‘full colour members’, en dus ook verdachte, ervan op de hoogte zijn geweest dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd en dat zij op meerdere momenten hebben deelgenomen aan de besluitvorming die plaatsvond in het kader van bijvoorbeeld afpersingen, terwijl dit niet zou blijken uit de bewijsvoering of de processen-verbaal van de zittingen. De strafmotivering zou derhalve niet begrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">105.</span>Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte in de periode van 1 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (kort samengevat) openlijke geweldpleging, brandstichting, dwang, bedreiging, (zware) mishandeling (met voorbedachte raad en van ambtenaren), afpersing en het voorhanden hebben van (een) wapen(s) en munitie. Deze organisatie bestond uit de full members van het charter Hells Angels Haarlem, waaronder de verdachte, alsmede [betrokkene 4] en de Stichting Hells Angels Haarlem. Het hof heeft onder het kopje ‘1. Deelnemen aan vergaderingen: besluitvorming/koersbepaling’ onder het subkopje ‘Aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen’ onder meer vastgesteld dat de verdachte ‘met de andere leden van de Hells Angels Haarlem (heeft) vergaderd en gestemd over concrete, door de organisatie te plegen strafbare feiten en heeft vergaderd over gepleegde strafbare feiten’ en dat hij zich heeft ‘laten informeren over de mishandeling van een lid van No Surrender’. Daarin ligt, zo stelt het hof onder het kopje ‘Conclusie met betrekking tot wetenschap’ vast, wetenschap van de verdachte van het criminele oogmerk van de organisatie besloten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">106.</span>Daarmee vindt de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte ervan op de hoogte is geweest ‘dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd’ een toereikende basis in de feiten die het hof in de bewijsmotivering heeft vastgesteld. En dat geldt ook voor de omstandigheid dat hij ‘op meerdere momenten (heeft) deelgenomen aan de besluitvorming die plaatsvond in het kader van bijvoorbeeld afpersingen’. Van belang is in de eerste plaats de besluitvorming inzake de afpersing van [betrokkene 7] en [betrokkene 5] . Mede in aanmerking genomen dat door de ledenvergadering genomen beslissingen de leden in sterke mate bonden, heeft het hof daaruit kunnen afleiden dat de verdachte wist dat door andere leden ‘strafbare feiten werden gepleegd’. Ik wijs er daarbij op dat voorbereiding van en poging tot afpersing reeds strafbaar is. Wat de gepleegde strafbare feiten betreft wijs ik voorts op de vergadering van 16 september 2016, waar ‘onze eigen houding’ tegen andere motorclubs, het beleid dat ‘te donker’ is, het vast kunnen komen te zitten naar aanleiding van de vechtpartij met de Mongols in het Van der Valk hotel in Rotterdam en het verhullen/afdekken voorbij kwamen. Tegen die achtergrond meen ik dat de klacht, die ik aldus begrijp dat deze door het hof in aanmerking genomen omstandigheid geen toereikende basis zou hebben in de door het hof vastgestelde feiten, faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">107.</span>Het derde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afronding 108. Alle middelen falen en kunnen in beginsel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">109.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 11 mei 2017, p. H199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 9 juli 2014, p. F0429.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 9 september 2014, p. F0592-0593 en proces-verbaal gesprek [betrokkene 9] van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 22 mei 2017, p. H213-214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 7] d.d. 22 augustus 2015, p. F1162-1163.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] d.d. 5 januari 2016, p. F1199-1200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] d.d. 7 juni 2017, p. F2429.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 4] d.d. 16 februari 2017, p. H175-178.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 8] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020, p. 65-66.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 11] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020, p. 61-65.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 5] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 12] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2020, p. 55-56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2020, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 7] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2020, p. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 11] d.d. 7 maart 2017, p. H186.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 6] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p 45-46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Brandaris van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 13] , p. K2.7/105, 106 en 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen spoedtaps n.a.v. krantenbericht van verbalisant [verbalisant 14] d.d. 13 mei 2015, p F0006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 15] d.d. 7 juni 2017, F2414-2415.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 16] d.d. 22 mei 2017, p. F2356.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 16] d.d. 22 mei 2017, p. F2363.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p C-27/66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] d.d. 22 april 2016, p. L1.2/771-772.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Arrestantenbus van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 17] d.d. 20 februari 2018, p. K2.10/004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 18] d.d. 10 november 2015, p. K2.3/0038.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 2] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2020, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/176.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen bolhamers van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 28 maart 2017, p. F1976 en 1981.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 22 maart 2017, p. P/A en proces-verbaal van bevindingen bolhamers van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 28 maart 2017, p. F1978-1980.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen toezicht [a-straat 1] Haarlem van verbalisant [verbalisant 19] d.d. 2 augustus 2016, p. F0207.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] d.d. 3 april 2017, p. F1950.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Arrestantenbus van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 17] d.d. 20 februari 2017, p. K2.10/012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/201-202.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/082 en een proces-verbaal van bevindingen aanvulling OVC Clubhuis van verbalisant [verbalisant 20] d.d. 1 mei 2017, p. K2.6/230-231.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [medeverdachte 4] en [alias 2] d.d. 14 januari 2017, p. L1.2/699-700 en proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 15] d.d. 28 februari 2017, p. F1854-1855.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/5 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 18 en 21 januari 2021, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 4] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisant [verbalisant 18] d.d. 12 juni 2016, p. K2.3/1323.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep 18 en 21 januari 2021, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 21] d.d. 22 november 2016, p. F0331 en de verklaring van getuige [betrokkene 6] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p. 43, 46 en 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 17] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] d.d. 9 augustus 2015, p. L1.2/653-654.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C14 Uitkijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] d.d. 30 juni 2015, p. L1.1/027-028.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren PI Zwaag van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 22] d.d. 24 juli 2015, p. K2.1/041-042.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] d.d. 13 augustus 2015, p. I.1.2/455.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C17 Millennium.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Seat van verbalisant [verbalisant 23] d.d. 17 juli 2017, p. K 2.4/608-609.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C15 Martini.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [alias 3] d.d. 17 december 2015, p. L1.2/764.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep 18 en 21 januari 2021, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [verdachte] d.d. 17 december 2015, p. L1.2/502.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisanten [verbalisant 18] , [verbalisant 24] en [verbalisant 25] d.d. 15 juli 2016, p. K2.3/1290-1300.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van verhoor van verdachte van verbalisanten [verbalisant 26] en [verbalisant 27] d.d. 3 mei 2017, p. VE-02/53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 2] d.d. 24 februari 2016 p. L1.2/604-605.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 13 juni 2017, p. F2534-2536.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/170-204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/180.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 13 december 2016, p. F0253-0261.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/171.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/183 en 185.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/198.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/200-201.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 16] d.d. 22 mei 2017, p. F2352.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [verdachte] d.d. 16 augustus 2015 d.d. 24 februari 2016, p. L1.2/457.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal bevindingen uitluisteren OVC Mercedes van verbalisanten [verbalisant 28] en [verbalisant 29] d.d. 14 oktober 2016, p. K2.2/506-507.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Mercedes van verbalisanten [verbalisant 28] en [verbalisant 29] d.d. 14 oktober 2016, p. K2.2/509.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] d.d. 30 november 2015, p. L1.2/583.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] d.d. 18 december 2015, p. L1.2/545.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 16] d.d. 22 mei 2017, p. F2358.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal bevindingen uitluisteren Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016. p. K2.6/196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/94.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 18 en 21 januari 2021, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10406. Zie de conclusie van A-G Assink van 25 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:296.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Gerechtshof Amsterdam 10 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:636, 637, 639, 644, 645, 646 en Rechtbank Noord-Holland 18 juli 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:6115, 6181, 6188, 6251, 6252, 6260, 6266, 6268, 6273, 6277, 6280.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Limburg 9 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5442, 5443, 5458, 5465, 5484, 5488, 5489, 5490, 5491, 5492, 5505, 5512, 5524, 5525, 5533, 5544, 5546, 5570, 5571, 5572 (Bandidos); Rechtbank Noord Nederland 13 november 2020, ECLI:RBNNE:2020:3888, 3889, 3892, 3893 (No Surrender); Rechtbank Limburg 22 februari 2019, ECLI:RBLIM:2019:1676 (Satudarah).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72, rov. 4.3; HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5189, NJ 2010/687, rov. 4.3; HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2631, rov. 7.4; HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, NJ 2018/169, rov. 2.3.2. Het criterium is in de kern reeds te vinden in HR 16 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1248, NJ 1991/442 m.nt. Corstens (Mariënburcht), rov. 13.1-13.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8741, NJ 1991/499, rov. 5.3; HR 6 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB9524, NJ 1993/100, rov. 6.3; HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 m.nt. Mevis rov. 3.4; HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/357, rov. 2.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewezenverklaring spreekt van het charter Haarlem; het hof en de stellers van de middelen gebruiken ook wel de term chapter. Ik zal in deze conclusie ook beide termen gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72. Vgl. ook eerdere arresten betreffende mededaders: HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9220 en HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9222.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dat verband Gerechtshof Amsterdam 15 juni 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7689, NJ 2009/370 m.nt. Buruma. Annotator Buruma beschrijft hoe de omerta er in deze zaak toe leidde dat twaalf leden van het Limburgse chapter van de Hells Angels werden vrijgesproken van het medeplegen van moord dan wel doodslag op drie clubgenoten. De omerta is een breder probleem bij opsporing in verband met Outlaw Motorcycle Gangs; vgl. de Voortgangsrapportage Outlaw Motorcycle Gangs 2017 van het Landelijk Strategisch Overleg Integrale aanpak OMG’s, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder meer HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 m.nt. De Hullu, rov. 5.3; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21, rov. 3.5.2; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, rov. 4.3 en HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:406, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264. Het hof leidde het vereiste opzet af uit het bewust een bedrijfscultuur laten ontstaan en voortbestaan waarin de regels omtrent het melden van ongebruikelijke transacties structureel niet werden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 oktober 1990, NJB 1990, nr. 154. Zie daarover nader M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht. Een onderzoek naar de strafbaarstelling van deelneming aan misdaadorganisaties, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 52. Zie ook HR 29 januari 1991, DD 91.169 (Vredesactiekamp). Ook in HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657 m.nt. Keijzer werd de bewijsvoering van deelneming ontoereikend geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie voor HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:448, randnummer 86. Zie in verband met de reikwijdte van het begrip deelneming ook zijn conclusie voor HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:835, randnummers 11 en 12. Vgl. voor een weergave van opvattingen over de betekenis van het bestanddeel ‘deelneming’ in de literatuur A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie, Nijmegen: WLP 2011, p. 57-61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst naar het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 21] d.d. 22 november 2016, p. F0331 en de verklaring van getuige [betrokkene 6] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p. 43, 46 en 47; de verklaring van getuige [betrokkene 17] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 104 en een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] d.d. 9 augustus 2015, p. L1.2/653-654.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik attendeer in dit verband ook nog op drie in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen. In een tapgesprek met NNvrouw 6927 zegt [betrokkene 7] dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] er ‘een stokkie voor hadden kunnen steken’ maar dat niet hebben gedaan (bewijsmiddel 14). In een ander tapgesprek zegt [betrokkene 7] dat ‘die ouderen allemaal (…) hadden moeten ingrijpen’ (bewijsmiddel 15). Kennelijk gaat ook [betrokkene 7] ervan uit dat andere leden dan [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het moeten afstaan van zijn motor hadden kunnen tegenhouden. [betrokkene 6] heeft op 4 oktober 2016 verklaard dat hij medio september 2014 uit de club is gegooid en dat hij zijn motor moest inleveren (bewijsmiddel 5). De behandeling die [betrokkene 7] ten deel viel stond kennelijk niet op zichzelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk, rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 488-489.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658 m.nt. Keijzer. Dat was ook het geval in HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5136, NJ 2012/656 m.nt. Keijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in die zin ook A-G Bleichrodt in de conclusie voor HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1741, randnummer 16. Zie ook De Hullu, a.w., p. 426.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. De Vries-Leemans, a.w., p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pleitnota, randnummer 28. Zie voorts de verklaring die de verdachte op 18 januari 2021 tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft afgelegd. Daarin verklaart hij ten aanzien van het inleveren van de motor door [betrokkene 7] dat deze ‘er waarschijnlijk vanuit (ging) dat iedereen daarvan op de hoogte was, maar dat is niet zo’ (p. 27). De naam van [betrokkene 5] zegt de verdachte niets (p. 28). Op de zitting van 21 januari 2021 heeft de verdachte verklaard dat deze verklaring ook geldt als verklaring in zijn eigen strafzaak (p. 80).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997/98, 25 638, nr. 6, p. 2 en 4. Zie ook Kamerstukken II 1997/98, 25 638, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze begripsbepaling is als vierde lid aan art, 140 Sr toegevoegd door de Wet terroristische misdrijven, Stb. 2004, 290 en inmiddels vernummerd tot vijfde lid (Wet herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen, Stb. 2019, 311).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416, NJ 2018/72 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NJ 2018/73, m.nt. Kooijmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5136, BW5161, BW5178, NJ 2012/656-658 m.nt. Keijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3.2.1; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2.1 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. Rozemond. Zie nader De Hullu, a.w., p. 439-444.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede merk ik nog op dat, meer in het algemeen, niet vereist is dat feiten en omstandigheden die in de strafmotivering in aanmerking worden genomen, uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Zie Borgers en Kooijmans, a.w., p. 961.</p></div>", "next": 0}