{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">32.</span>Aan de verdachte wordt blijkens de tenlastelegging verweten (kort gezegd) dat hij in de periode van 1 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 in Haarlem heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. De tenlastelegging omschrijft eerst uit welke (rechts-)personen de organisatie bestond. Vervolgens wordt het criminele oogmerk uitgewerkt, met een omschrijving van de misdrijven die de organisatie tot oogmerk zou hebben gehad. In lijn met deze inrichting van de tenlastelegging gaat het hof in de bewijsoverwegingen eerst na of het omschreven samenstel van (rechts-)personen in de tenlastegelegde periode voldeed aan de vereisten van een ‘organisatie’. Daarna beoordeelt het hof of deze organisatie het plegen van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven tot oogmerk had. Dat komt mij logisch voor. Van het lostrekken van bewijsthema’s die alleen in (nauwere) samenhang zinvol zouden kunnen worden besproken is geen sprake.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">33.</span>De steller van het middel klaagt voorts, zo begrijp ik, dat de overwegingen die het hof aan de organisatie heeft gewijd niet het oordeel kunnen dragen dat die organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven en in het bijzonder niet dat de verdachte wist van het criminele oogmerk en behoorde tot een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Enige gerichtheid van de verdachte op het plegen van misdrijven of een in dat kader nagestreefd gemeenschappelijk doel zou niet uit de bewijsvoering volgen. Mede gelet op het gevoerde verweer en nu de nadere bewijsoverweging betreffende het oogmerk van de organisatie niet wijst op gedragingen die de verdachte zou hebben verricht in het licht van dat oogmerk, zou het hof de bewezenverklaring nader hebben moeten motiveren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">34.</span>In de overwegingen die het hof aan de organisatie heeft gewijd, wordt vastgesteld dat de leden van de Hells Angels Haarlem, de Stichting en [betrokkene 4] gedurende de ten laste gelegde periode een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband hebben gevormd. Het verbaast dan ook niet dat deze overwegingen niet het oordeel kunnen dragen dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, dat de verdachte wist van het criminele oogmerk en dat hij behoorde tot een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Dat zijn bewijsthema’s die in de overwegingen van het hof onder de kopjes ‘Oogmerk van de organisatie’ en ‘Deelneming’ aan de orde komen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">35.</span>Het is mij niet duidelijk hoe de eis dat uit de bewijsvoering zou moeten blijken van ‘gerichtheid’ van de verdachte op het plegen van (door de organisatie beoogde) misdrijven uit de bestanddelen van art. 140 Sr wordt afgeleid. Dat de organisatie het plegen van strafbare feiten tot oogmerk heeft, behoeft niet uit een ‘gerichtheid’ van de verdachte te blijken. Bij het bewijs van dit bestanddeel kan – zo bleek – onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds gepleegd zijn, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijk doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Van deelneming aan de organisatie is sprake ‘indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking’ van het crimineel oogmerk. Daarbij is voor deelneming in de zin van art. 140, eerste lid, Sr tevens vereist dat de betrokkene ‘in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’. Voor zover de steller van het middel meent dat voor een veroordeling wegens art. 140 Sr vereist is dat in aanvulling op deze eisen een ‘gerichtheid’ van de verdachte op het plegen van door de organisatie beoogde misdrijven wordt vastgesteld, stelt het middel een eis die het recht niet kent.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin ligt besloten dat de bewijsmotivering ook niet tekortschiet omdat aan deze gerichtheid niet afzonderlijk aandacht is besteed.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">36.</span>De steller van het middel voert voorts aan dat in de nadere bewijsoverweging van het hof betreffende het oogmerk van de organisatie niet wordt verwezen naar handelingen of gedragingen die de verdachte zou hebben verricht. Dat zou volgens de steller van het middel van belang zijn nu onder het kopje 'Oogmerk van de organisatie’ het vastgestelde oogmerk wordt toegeschreven aan de gehele eerder vastgestelde organisatie. Daarbij verwijst de steller van het middel naar de eerste deelklacht. Aangevoerd wordt dat het hele charter Hells Angels Haarlem daarmee als het ware wordt ‘opgewaardeerd’ naar een criminele organisatie en dat de handelingen van de verdachte die zijn beschreven onder het kopje ‘Deelneming’ daarmee ook als deelnemend aan die organisatie worden aangemerkt. De verdachte zou echter geen deelnemer zijn omdat hij niet tot ‘die organisatie’ behoort. ’s Hofs andersluidende oordeel zou niet uit de bewijsmiddelen volgen en onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">37.</span>De tenlastelegging stelt het hof voor de vraag of de daarin beschreven organisatie, die de leden van het charter Hells Angels Haarlem omvat, het plegen van de daarin omschreven misdrijven tot oogmerk had. Het hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daarbij wijst het hof niet op specifieke gedragingen van de verdachte; dat is voor een toereikende bewijsvoering van het oogmerk tot het plegen van misdrijven van de organisatie evenwel ook niet noodzakelijk. Dat de Hells Angels Haarlem een bedreigende en gewelddadige reputatie had, dat de leden dat wisten, en dat strafbare gedragingen door de Hells Angels Haarlem werden aangemoedigd en beloond zijn voorts vaststellingen die ook de verdachte als lid betreffen. Ik wijs er daarnaast op dat het hof in ander verband vaststelt dat de verdachte betrokken was bij de zoektocht naar Mongols in Zandvoort. Ten overvloede merk ik nog op dat van deelneming aan een criminele organisatie pas sprake is als aan de daaraan gestelde eisen voldaan is. Uit die eisen volgt dat zich niet het risico voordoet dat het deelnemen aan een ‘onschuldige’ grotere organisatie een misdrijf wordt enkel omdat een kleiner groepje binnen die grotere organisatie zich (op eigen houtje) aan misdrijven schuldig maakt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">38.</span>Al met al meen ik dat het hof uit de bewijsvoering heeft kunnen afleiden dat de verdachte behoorde tot de in de bewezenverklaring omschreven organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en dat de bewezenverklaring in zoverre toereikend is gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>De derde deelklacht klaagt over het oordeel dat de verdachte een voor ‘deelneming aan’ zoals bedoeld in art. 140 Sr vereist aandeel heeft gehad in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie dan wel dergelijke gedragingen heeft ondersteund. Dat oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting althans niet voldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>De steller van het middel voert ten eerste aan dat zonder nadere motivering niet kan worden ingezien hoe het betalen voor de gedetineerde medeverdachte [betrokkene 1] heeft bijgedragen aan het uitoefenen van invloed en stemrecht door [betrokkene 1] . Ook zou uit de bewijsvoering niet blijken dat de verdachte betalingen heeft verricht voor ‘gedetineerd lid [betrokkene 1] ’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">41.</span>Het hof heeft in verband met het ‘betalen voor een gedetineerd lid’ gewezen op de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige over de ‘BHC-potten’ heeft afgelegd: ‘dit is een pot met geld voor jongens die vastzitten’. Het hof vermeldt daarbij dat op één van de potten de naam ‘ [betrokkene 1] ’ staat. Het hof heeft voorts gewezen op hetgeen tijdens de vergadering van 16 september 2016 is gezegd door [betrokkene 1] , die op dat moment met verlof uit detentie was: ‘Kijk wij hebben een huurhuis ja? En wij redden het financieel wel (..) Maar ik weet ook, ik zie hier ook mensen die een fucking baan hebben met een contract, fucking hypotheken hebben, die echt fucking gezeik krijgen wanneer ze een tijdje weggaan en weet je wat het allerergste dan is dan moet het niet zo zijn dat nu moeten jullie voor mij betalen’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft uit ‘het voorgaande, in onderlinge samenhang’ afgeleid dat de verdachte voor [betrokkene 1] heeft betaald tijdens diens detentie. Het hof stelt voorts vast dat [betrokkene 1] was gedetineerd in verband met een veroordeling voor bezit van diverse zware wapens. Het hof overweegt vervolgens dat [betrokkene 1] vanuit detentie, via [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , zijn invloed en stemrecht uitoefende bij de Hells Angels Haarlem. Volgens ’s hofs oordeel is de betaling door de verdachte voor [betrokkene 1] ‘aan te merken als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie’. Met die bewoordingen geeft het hof, zo begrijp ik, een korte samenvatting van de aan rechtspraak van Uw Raad ontleende omschrijving van ‘deelneming’ die het eerder onder het kopje ‘Beoordelingskader’ heeft weergegeven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de leden van de club in zijn algemeenheid met een financiële bijdrage zorgden voor andere leden wanneer deze gedetineerd raakten. Ik wijs in dat verband op ‘s hofs overwegingen onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’. Het hof heeft naar het mij voorkomt ook uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte voor [betrokkene 1] heeft betaald tijdens diens detentie. Dat volgt niet alleen uit de uitlatingen van [betrokkene 1] ; uit de bewijsmiddelen, in hun geheel beschouwd, volgt ook dat van het sociale verband van de Hells Angels Haarlem een betrekkelijk grote druk op de leden uitging. Ik neem voorts in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de Stichting Hells Angels in 2015 in totaal € 1.200 overmaakte aan de medeverdachte [betrokkene 1] (bewijsmiddel 4). En dat uit de bewijsoverwegingen volgt dat op 23 juli 2016 een inzameling voor medeverdachte [betrokkene 1] plaatsvond en dat bij de doorzoeking van het clubhuis op 26 januari 2017 een BHC-pot is aangetroffen met daarop de naam ‘ [betrokkene 1] ’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>Het hof heeft het betalen voor een gedetineerd lid voorts als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr omschreven oogmerk kunnen aanmerken. Die betalingen maakten duidelijk dat de mogelijke financiële gevolgen van detentie niet of in mindere mate een reden behoefden te zijn om van het plegen van misdrijven die met het charter verband hielden af te zien. Door voor een gedetineerd lid te betalen, bevorderde de verdachte aldus het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd; het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven werd vergroot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>Uit ’s hofs overwegingen kan, meen ik, niet worden afgeleid dat het door de verdachte tijdens diens detentie betalen voor [betrokkene 1] als een ‘deelneming’ opleverende gedraging is aangemerkt in verband met het tijdens detentie uitoefenen van invloed dan wel stemrecht door [betrokkene 1] . In zoverre gaat de steller van het middel uit van een verkeerde lezing van het arrest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>De eerste subklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">46.</span>De steller van het middel voert daarnaast aan dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet zou kunnen worden ingezien hoe het betalen van contributie voor het lidmaatschap bijdraagt aan of invloed heeft op hetgeen in het clubhuis werd besproken en besloten, aan het inzamelen van geld voor gedetineerde leden en het bewaken van het clubhuis. Die betalingen zouden geen invloed hebben gehad op het eerder vrijkomen van [betrokkene 1] zodat hij strafbare feiten kon voorbereiden of plegen. Evenmin zou de contributie zijn aangewend om goederen zoals wapens of andere middelen aan te schaffen die ingezet konden worden bij de voorbereiding of het plegen van geweldsmisdrijven, althans daarvan zou niet uit de bewijsvoering blijken. Dat de contributie voor het lidmaatschap van de Hells Angels Haarlem is aangewend voor de vaste lasten van het clubhuis en in dat clubhuis (ook) gesprekken zijn gevoerd en besluiten zijn genomen in het kader van het criminele oogmerk, er geld is ingezameld voor gedetineerde leden en het clubhuis werd bewaakt, zou nog niet maken dat de verdachte door het betalen van contributie gedragingen heeft ondersteund die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie en hij dus daarmee (opzettelijk) zou hebben deelgenomen aan die organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">47.</span>Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte contributie heeft betaald voor het lidmaatschap van de Hells Angels Haarlem. Het hof heeft daarbij gewezen op de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 2] in hoger beroep als getuige heeft afgelegd, inhoudend dat hiermee de vaste lasten voor het clubhuis werden betaald; gas, water, licht, internet en de gemeentelijke belastingen. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het clubhuis het hart vormde van de Hells Angels Haarlem. De leden kwamen daar samen, er werden besluiten genomen en allerlei andere gesprekken gevoerd in verband met het criminele oogmerk van de organisatie. Het clubhuis moest worden ‘gesweept’ en bewaakt en er werd geld ingezameld voor gedetineerde leden. Het hof concludeert dat het betalen van de vaste lasten voor dit clubhuis kan worden beschouwd als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de leden samenkwamen in het clubhuis, dat daar onder meer werd vergaderd en gestemd, en dat daar gesprekken werden gevoerd die verband hielden met het criminele oogmerk van de organisatie. Als de leden geen contributie hadden betaald waaruit de vaste lasten voldaan konden worden, zou de Stichting Hells Angels Haarlem het clubhuis niet beschikbaar hebben kunnen houden voor de leden. Dat brengt mee dat het hof het betalen van de contributie heeft kunnen aanmerken als (het hebben van een aandeel in dan wel) het ondersteunen van gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk. Door het betalen van de contributie is het gevaar van verwezenlijking van het criminele oogmerk vergroot. Daaraan doet niet af dat niet uit de bewijsvoering blijkt dat de betaalde contributie is aangewend voor (één van) de door de steller van het middel omschreven doelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">49.</span>Ik wijs er in dit verband ook op dat in art. 140 Sr expliciet is bepaald: ‘Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie’. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat deze omschrijving niet afdoet aan de eis dat de betrokkene dient te behoren tot het samenwerkingsverband. De verduidelijking heeft volgens Uw Raad betrekking op het vereiste van een aandeel in of ondersteunen van bepaalde gedragingen. Zij kan naar het mij voorkomt aldus worden begrepen dat – volgens de wetgever – aan die eis voldaan is indien van één van de in dit lid genoemde handelingen sprake is, zonder dat nadere vaststellingen vereist zijn over een specifiek doel waarvoor de geldelijke of andere steun is aangewend dan wel de gelden of personen zijn geworven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>De tweede subklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>De steller van het middel voert verder aan dat de conclusie van het hof dat de verdachte heeft vergaderd en gestemd over concrete, door de organisatie te plegen strafbare feiten niet zou zijn gebaseerd op bewijsmiddelen waaruit concreet volgt dat de verdachte gestemd heeft vóór het plegen van strafbare feiten, beslissingen waaruit strafbare feiten zijn voortgekomen of die daarin onmiskenbaar besloten liggen en aan het verwezenlijken van het oogmerk dus een bijdrage heeft geleverd of dat heeft ondersteund. Of steeds met wetenschap van de full members en nadat door hen was gestemd werd beslist over te plegen strafbare feiten of gedragingen waarin het plegen van een strafbaar feit besloten ligt, zou voorts uit de bewijsvoering niet blijken. De steller van het middel wijst daarbij op een bewijsmiddel dat niet verenigbaar zou zijn met ‘s hofs oordeel dat ook door de verdachte is vergaderd en gestemd over het door [getuige 3] moeten achterlaten van zijn motor.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat de verdachte één van de negen deelnemers aan de vergaderingen van de Hells Angels Haarlem was. Die vergaderingen werden (in beginsel) eens per twee weken gehouden. Het hof heeft voorts verklaringen en bescheiden voor het bewijs gebezigd waaruit blijkt dat besluiten alleen werden genomen als alle leden aanwezig waren. Een en ander brengt mee dat de aanwezigheid van de verdachte bij de vergaderingen waar werd beslist over het door [getuige 3] achter moeten laten van zijn motor en over het opleggen van een boete aan [getuige 6] , cruciaal was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>Dat door alle leden en dus ook door de verdachte is vergaderd over het door [getuige 3] moeten inleveren van zijn motor heeft het hof afgeleid en kunnen afleiden uit de drie aangehaalde OVC-gesprekken. Het eerste is het gesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] waarin [betrokkene 1] over de motor van [getuige 3] zegt: ‘lekker laten staan’. [betrokkene 4] zegt tegen [betrokkene 1] dat zij aan [betrokkene 2] zal doorgeven hoe [betrokkene 1] over de kwestie denkt en merkt vervolgens op: ‘ze kunnen niks beslissen zonder jou’. In het tweede gesprek, eveneens tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , wordt gesproken over het voorstel om de motor van [getuige 3] te verkopen. In dat gesprek vertelt [betrokkene 4] tegen [betrokkene 1] dat [betrokkene 3] een bestemming van een deel van de opbrengst van de motor heeft genoemd en heeft aangegeven dat als [betrokkene 1] dat wil, hij ‘het in de groep (gaat) gooien’. In het derde gesprek, tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , bespreekt [betrokkene 3] een appje van [getuige 3] dat hij heeft ontvangen. [betrokkene 1] herinnert [betrokkene 3] aan ‘wat we hebben afgesproken’. [betrokkene 3] zegt dat hij het met ‘de gasten’ over het appje zal hebben. Hij geeft aan dat [betrokkene 1] niet hoeft ‘te bellen en te doen. Terwijl wij misschien een andere koers gaan varen’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>Het bewijsmiddel waar de steller van het middel de aandacht op vestigt is in het voorgaande opgenomen als bewijsmiddel 14, en betreft de uitwerking van een tapgesprek tussen [getuige 3] en de verdachte van 18 augustus 2015. Op de vraag van [getuige 3] of ‘aan de tafel (is) besloten dat ik mijn motor moet inleveren’ antwoordt verdachte: ‘Dat weet ik niet.’ 55. Dit schriftelijk bescheid maakt deel uit van een groter aantal bewijsmiddelen dat op de afpersing van [getuige 3] betrekking heeft. In een tapgesprek van 13 augustus 2015 waaraan de medeverdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 1] deelnemen (zie bewijsmiddel 13), refereert [betrokkene 3] aan een ‘appje van onze vriend [getuige 3] . [verdachte] heeft gevraagd hoe het met hem ging qua gezondheid en hij appt een hele lange tekst terug die hij ook naar mij gestuurd heeft’. [betrokkene 1] herinnert [betrokkene 3] vervolgens aan ‘wat we hebben afgesproken. Dat hoeft dan ook niet te wachten’. [betrokkene 3] antwoordt vervolgens: ‘dan weet je het ff. [verdachte] weet het ook’. Dat is een aanvullende aanwijzing dat de verdachte voorafgaand aan het telefoongesprek met [getuige 3] op 18 augustus 2015 op de hoogte was van de voorgenomen afpersing van de motor. Het ligt tegen die achtergrond niet in de rede dat het hof uit het antwoord dat de verdachte op 18 augustus aan [getuige 3] gaf (‘Dat weet ik niet’) heeft afgeleid dat de verdachte niet wist dat besloten was dat [getuige 3] zijn motor moest inleveren. Uit de bewijsmiddelen, in hun geheel beschouwd, volgt dat de verdachte in dat gesprek met [getuige 3] niet de waarheid heeft gesproken. In die samenhang bezien is van tegenstrijdigheid tussen bewijsmiddelen geen sprake.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">56.</span>Inzake het opleggen van de boete aan [getuige 6] heeft het hof gewezen op een gesprek van 10 december 2015 tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en een NN-man dat over [getuige 6] ging. Het hof heeft uit dat gesprek afgeleid en kunnen afleiden dat door alle leden van de Hells Angels Haarlem, dus ook door de verdachte, is vergaderd en gestemd over het opleggen van een boete aan [getuige 6] . Ik wijs er daarbij in het bijzonder op dat [betrokkene 1] in dat gesprek heeft gezegd: ‘maar ik sta gewoon achter de jongens die een beslissing hebben genomen’ en ‘Maar op het moment dat er beslissingen zijn genomen dan eh kan ik er ook niks meer aan doen. Want wij zijn mannen van ons woord en als er ehh met zijn allen wordt gezegd van zo gaat het gebeuren dan gaat het uiteindelijk zo gebeuren’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">57.</span>Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de beslissingen die door de vergadering genomen werden de leden sterk bonden. Ik wijs daarbij op de opmerkingen van medeverdachte [betrokkene 1] naar aanleiding van de aan [getuige 6] opgelegde boete. De beslissingen waar de verdachte aan meewerkte door aan de vergaderingen deel te nemen en aldaar te stemmen waren de grondslag voor de daaropvolgende (strafbare) gedragingen jegens [getuige 3] en [getuige 6] . Het hof heeft in dat licht kunnen oordelen dat de verdachte door het deelnemen aan deze vergaderingen en door daarin te stemmen een aandeel had in (dan wel ondersteunde) gedragingen die strekten tot (of rechtstreeks verband hielden met) de verwezenlijking van het bewezenverklaarde oogmerk van de organisatie (het plegen van onder meer bedreiging met geweld en afpersing). Daaraan doet niet af dat uit de bewijsvoering niet volgt hoe de verdachte tijdens deze vergaderingen heeft gestemd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">58.</span>Daarbij kan ook met een schuin oog worden gekeken naar rechtspraak en literatuur over het begrip feitelijke leidinggeven. Ook daar kan het gaan om persoonlijke verantwoordelijkheid voor gedragingen die in de context van een organisatie worden begaan. Van feitelijke leidinggeven kan volgens Uw Raad onder meer sprake zijn ‘bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat’. De Hullu meent dat een taakverdeling binnen een bestuur van een rechtspersoon bij het gehouden zijn tot ingrijpen relevant kan zijn. Van een taakverdeling was in dit verband geen sprake; het ging om democratisch genomen beslissingen. En de verdachte bleef na de vergaderingen waarin de betreffende beslissingen werden genomen lid, en was (uitgaande van de normering van het feitelijke leidinggeven) ook na de vergaderingen gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming van de voorgenomen misdrijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Ik merk nog op dat deelneming aan een criminele dan wel terroristische organisatie ook in een arrest van 3 juli 2012 (mede) uit het deelnemen aan bijeenkomsten was afgeleid. De misdrijven waarop het oogmerk was gericht waren (kort gezegd) opruiing (de artt. 131 en 132 Sr), het aanzetten tot haat en geweld (art. 137d Sr), en bedreiging (art. 285 Sr). Uw Raad overwoog dat het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen had vastgesteld dat de verdachte ‘met enige regelmaat bijeenkomsten bijwoonde waarbij de gewelddadige verspreiding van de islam werd gepropageerd en waarbij beeldmateriaal van onthoofdingen werd vertoond’. En voorts dat de verdachte ‘zelf voor zulke bijeenkomsten wel eens beeldmateriaal meebracht van het afslachten van vrouwen en kinderen en van het opblazen van Russische tanks, teneinde het gedachtegoed van de jihad uit te dragen’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof had voorts vastgesteld dat de verdachte ‘actief heeft willen bijdragen aan het propageren van de islam door aan bedoelde bijeenkomsten deel te nemen en mee te werken aan de verspreiding van een geschrift met radicale inhoud, getiteld \"How to catch a wolf\", waarin tot de gewapende jihad wordt opgeroepen’ (rov. 2.5). ’s Hofs oordeel ‘dat de verdachte door zo te handelen daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk en derhalve aan die organisaties heeft \"deelgenomen\" in de hiervoor bedoelde betekenis’ was volgens Uw Raad niet onbegrijpelijk (rov. 2.6).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>Keijzer stelde in zijn noot onder het arrest dat de term ‘ondersteunt’ veronderstelt ‘dat de betrokkene het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd bevordert, in die zin dat het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven wordt vergroot’. Voor zover die eis van ‘bevordering’ (ook in deze context) geldt, is daar naar het mij voorkomt in de onderhavige zaak aan voldaan: door deel te nemen aan besluitvorming inzake deze beslissingen, die de basis vormden voor de daaropvolgende (strafbare) gedragingen jegens [getuige 3] en [getuige 6] , heeft de verdachte het gevaar van verwezenlijking vergroot. Keijzer wees in verband met de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte op het proefschrift van De Vries-Leemans, die schreef: ‘Zo zal bijvoorbeeld het spreken op vergaderingen alleen dan strafbare deelneming kunnen opleveren indien met het betoog ook daadwerkelijk een bijdrage wordt geleverd aan de verwezenlijking van het oogmerk, bijvoorbeeld door het opruien van de toehoorders tot het plegen van de beoogde misdrijven of door het bewust verschaffen van informatie welke op het plegen van die misdrijven betrekking heeft.’ Deze passage illustreert dat het mede van het tenlastegelegde delict en de (andere) omstandigheden van het geval afhangt, of en zo ja welke gedragingen van de verdachte op een bijeenkomst als deelneming in de zin van art. 140 Sr kunnen gelden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als opruien één van de door de organisatie beoogde misdrijven is, kan het verspreiden van (opruiende) geschriften op een bijeenkomst deelneming opleveren. Het kan dat ook zijn als de opruiing ertoe strekt de door de organisatie beoogde misdrijven door derden (die daartoe opgeruid worden) te laten verwezenlijken. In de context van de onderhavige zaak, waarin door negen leden van de Hells Angels wordt besloten over jegens [getuige 3] en [getuige 6] te plegen strafbare feiten, heeft het hof kunnen oordelen dat het mogelijk maken en deelnemen aan die besluitvorming deelneming in de zin van art. 140, eerste lid, Sr oplevert.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>Ik merk ten slotte op dat in hoger beroep niet is aangevoerd dat de verdachte tegen heeft gestemd of nadien de uitvoering van de genomen besluiten heeft getracht te verhinderen. Daarvan blijkt ook niets uit de bewijsvoering van het hof. De raadsman heeft in hoger beroep aangevoerd dat het door [getuige 3] moeten afstaan van zijn motor geen clubbesluit is geweest en dat [getuige 6] is afgeperst door [betrokkene 1] .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>De derde subklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>De steller van het middel voert verder aan dat uit de bewijsmiddelen niet zou volgen dat de verdachte actief heeft deelgenomen aan de vergadering waarin werd gesproken over de werving van nieuwe leden. Aanwezigheid bij die vergadering zou worden ‘opgewaardeerd’ naar betrokkenheid bij gesprekken over werving van nieuwe leden en verhulling en afdekking verband houdende met het criminele oogmerk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>De onderwerpen die op de vergadering van de Hells Angels Haarlem van 16 september 2016 aan de orde kwamen, hadden een ander karakter dan de besluitvorming over de motor van [getuige 3] en de boete van [getuige 6] . Het ging blijkens de bewijsvoering van het hof over de relatie met andere motorclubs, de koers/toekomst van de organisatie zelf (in verband met het werven van nieuwe leden) en het verhullen en afdekken van gedragingen die met de verwezenlijking van dat oogmerk verband houden. Deze onderwerpen staan alle drie in verband met de koers van de organisatie. Het bepalen van de koers kan gezien worden als een gedraging die rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik neem daarbij in aanmerking dat art. 140, vierde lid, Sr bepaalt dat de gevangenisstraffen ten aanzien van de leiders met een derde kunnen worden verhoogd. Deze formulering maakt duidelijk dat ook de leider wordt gezien als iemand die aan de organisatie deelneemt. Uit de parlementaire behandeling van een wijziging van art. 140 Sr waardoor dit begrip in de strafverzwaringsgrond werd ingevoegd, kan worden afgeleid dat voor het zijn van ‘leider’ doorslaggevend is het hebben van een bepaalde macht, dan wel gezag, en dat in dat verband van belang is of de betrokkene dwingende aanwijzingen kan geven. Die macht en dat gezag en de bevoegdheid om dwingende aanwijzingen te geven, lagen bij de Hells Angels Haarlem in belangrijke mate bij de vergadering waar alle leden aan deelnamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen die achtergrond heeft het hof ook het deelnemen aan een vergadering waar de koers van het chapter aan de orde was kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daaraan doet niet af dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte aldaar het woord heeft gevoerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>De vierde subklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>De steller van het middel voert voorts aan dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte met het uitkijken naar leden van de motorclub Mongols in Zandvoort een bijdrage zou hebben geleverd aan een voorgenomen gewelddadige confrontatie. Dat de verdachte wetenschap zou hebben gehad van een voorgenomen gewelddadige confrontatie zou niet uit de bewijsmiddelen volgen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">67.</span>Het hof heeft uit een in de auto opgenomen gesprek van 9 juni 2016 afgeleid dat de verdachte samen met [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en twee niet-leden van het charter Hells Angels Haarlem in Zandvoort op zoek is gegaan naar leden van de Mongols die daar rondreden. Dat werd niet getolereerd want Zandvoort was het territorium van de Hells Angels Haarlem. Ook uit de verdere context van het gesprek blijkt volgens het hof dat men uit was op een gewelddadige confrontatie. Het hof wijst erop dat uit het gesprek volgt dat de telefoons niet meegingen en dat kennelijk ook een vuurwapen in de auto aanwezig was. Dat sluit aan bij uitlatingen van [betrokkene 2] : ‘Zou mooi zijn op de Zeeweg pik. Als ze weggaan. Taktaktak’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>Het hof heeft het deelnemen door de verdachte aan de zoektocht naar leden van de Mongols kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die strekten tot (of rechtstreeks verband hielden met) de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Dat de verdachte wist met welk doel hij daar rondreed ligt naar het mij voorkomt in het geheel van de bewijsvoering besloten. Ik wijs in dat verband in het bijzonder op de uitlatingen van [betrokkene 1] bij de vergadering van 16 september 2016 (drie maanden later) over de vijandige houding van de Hells Angels Haarlem richting andere motorclubs: ‘ik vind dat we alle recht van spreken hebben omdat we met heel veel dingen het voortouw hebben genomen en als enigste stad kunnen zeggen dat wij die kankerhonden hier niet hebben en dat komt alleen maar door onze eigen houding’. Deze opmerking draagt waar het de eigen houding betreft een constaterend karakter. Ik wijs er ook op dat [betrokkene 1] tijdens die vergadering refereert aan een eerdere vechtpartij met de Mongols op 7 april 2016, twee maanden voor het rondrijden in Zandvoort.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>De vijfde subklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>De steller van het middel voert ten slotte aan dat wat betreft het wachtlopen door de verdachte uit de bewijsvoering niet meer volgt dan dat dit ‘een incidenteel karakter’ had. En uit de bewijsvoering zou niet kunnen volgen dat de verdachte wetenschap zou hebben gehad van het feit dat kennelijk op enig moment een vuurwapen in het clubhuis aanwezig is geweest of dat hij het voornemen had een vuurwapen te gebruiken bij de wacht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">71.</span>Met betrekking tot het doel van het wachtlopen citeert het hof een passage uit een gesprek tussen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van 4 januari 2016. Daarin wordt in relatie tot de club gesproken over een vuurwapen. Het hof citeert voorts een passage uit een gesprek dat later die dag tussen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 4] is gevoerd. Daarin wordt gesproken over het gebruiken van ‘dat ding’ als iemand voor de deur staat. Vervolgens citeert het hof een passage uit een gesprek tussen de medeverdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] van 30 november 2015 waarin [betrokkene 2] aangeeft dat met de Kerst en Oud en Nieuw wachtgelopen zal moeten worden, en een passage uit een gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] van 18 december 2015, de dag na de mishandeling van No Surrender-lid [getuige 10] , waarin [betrokkene 1] aangeeft dat het ‘ons’ goed leek om die avond ‘bemand’ te zijn ‘hier’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Het hof heeft uit deze gesprekken in combinatie met het criminele oogmerk van de organisatie afgeleid dat het doel van het wachtlopen de beveiliging van het clubhuis is. Het hof heeft daarbij in de eerste plaats gewezen op de aanwezigheid ‘op enig moment’ van een vuurwapen in het clubhuis, dat gebruikt kan worden in geval van eventuele indringers, in de tweede plaats op het wachtlopen met Kerst en Oud en Nieuw, ‘dagen waarop het onwaarschijnlijk is dat een buitenlands member spontaan zou langskomen’ en in de derde plaats op de ‘extra’ beveiliging na de mishandeling van een lid van No Surrender. Het hof heeft het wachtlopen, in het licht van deze doelstelling, kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (of ondersteuning van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Het zijn de misdrijven waarvan de organisatie het plegen tot oogmerk heeft die het wachtlopen ter beveiliging noodzakelijk maken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">73.</span>Uit de vaststellingen van het hof volgt voorts dat het wachtlopen volgens een rooster verdeeld werd. Dat brengt mee dat het wachtlopen niet een ‘incidenteel karakter’ had. Aan de begrijpelijkheid van de bewijsvoering doet voorts niet af dat het hof in dit kader niet heeft vastgesteld dat de verdachte wist van de aanwezigheid van het vuurwapen in het clubhuis, of dat hij het voornemen zou hebben gehad het wapen tijdens de wacht te gebruiken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>De zesde subklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>Al met al heeft het hof ook de bewezenverklaarde ‘deelneming’ aan een criminele organisatie uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden en is de bewezenverklaring in zoverre eveneens toereikend met redenen omkleed. ’s Hofs oordeel getuigt voorts niet van een onjuiste rechtsopvatting.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Het middel faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Het middel kan in beginsel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 11 mei 2017, p. H199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 6] d.d. 9 juli 2014, p. F0429.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 9 september 2014, p. F0592-0593 en proces-verbaal gesprek [getuige 2] van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 22 mei 2017, p. H213-214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 9] d.d. 22 augustus 2015, p. F1162-1163.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 10] d.d. 5 januari 2016, p. F1199-1200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 7 juni 2017, p. F2429.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 6] d.d. 16 februari 2017, p. H175-178.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020, p. 65-66.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 5] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020, p. 61-65.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 6] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 7] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2020, p. 55-56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2020, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 3] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2020, p. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 13] d.d. 7 maart 2017, p. H186.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 8] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p 45-46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Brandaris van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 15], p. K2.7/105, 106 en 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen spoedtaps n.a.v. krantenbericht van verbalisant [verbalisant 3] d.d. 13 mei 2015, p F0006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 16] d.d. 7 juni 2017, F2414-2415.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 22 mei 2017, p. F2356.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 22 mei 2017, p. F2363.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p C-27/66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] d.d. 22 april 2016, p. L1.2/771-772.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Arrestantenbus van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 18] d.d. 20 februari 2018, p. K2.10/004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 19] d.d. 10 november 2015, p. K2.3/0038.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 2] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2020, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/176.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen bolhamers van verbalisant [verbalisant 13] d.d. 28 maart 2017, p. F1976 en 1981.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 22 maart 2017, p. P/A en proces-verbaal van bevindingen bolhamers van verbalisant [verbalisant 13] d.d. 28 maart 2017, p. F1978-1980.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen toezicht [a-straat] Haarlem van verbalisant J. Meijer d.d. 2 augustus 2016, p. F0207.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 10] d.d. 3 april 2017, p. F1950.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Arrestantenbus van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 18] d.d. 20 februari 2017, p. K2.10/012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/201-202.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/082 en proces-verbaal van bevindingen aanvulling OVC Clubhuis van verbalisant R. Raspoort d.d. 1 mei 2017, p. K2.6/230-231.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 21] d.d. 14 januari 2017, p. L1.2/699-700 en proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 16] d.d. 28 februari 2017, p. F1854-1855.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/5 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisanten [verbalisant 19], [verbalisant 20] en [verbalisant 21] d.d. 15 juli 2016, p. K2.3/1290-1300.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 18 en 21 januari 2021, p. 14-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 4] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisant [verbalisant 19] d.d. 12 juni 2016, p. K2.3/1323.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2021, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 22] d.d. 22 november 2016, p. F0331 en de verklaring van getuige [getuige 8] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p. 43, 46 en 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 11] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] d.d. 9 augustus 2015, p. L1.2/653-654.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C14 Uitkijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] d.d. 30 juni 2015, p. L1.1/027-028.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren PI Zwaag van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 23] d.d. 24 juli 2015, p. K2.1/041-042.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] d.d. 13 augustus 2015, p. I.1.2/455.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C17 Millennium.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Seat van verbalisant [verbalisant 24] d.d. 17 juli 2017, p. K 2.4/608-609.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/170-204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/180.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 13] d.d. 13 december 2016, p. F0253-0261.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6//171.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016 p. K2.6/186.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/183 en 185.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/198.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/201-202.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 22 mei 2017, p. F2352.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 2] d.d. 26 december 2015, p. L1.2/593.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Mercedes van verbalisanten [verbalisant 25] en [verbalisant 26] d.d. 14 oktober 2016, p. K2.2/506-507.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Mercedes van verbalisanten [verbalisant 25] en [verbalisant 26] d.d. 14 oktober 2016, p. K2.2/509.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] d.d. 30 november 2015, p. L1.2/583.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] d.d. 18 december 2015, p. L1.2/545.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 22 mei 2017, p. F2358.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 5] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/94.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2021, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 2] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10406. Zie de conclusie van A-G Assink van 25 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:296.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Gerechtshof Amsterdam 10 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:636, 637, 639, 644, 645, 646 en Rechtbank Noord-Holland 18 juli 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:6115, 6181, 6188, 6251, 6252, 6260, 6266, 6268, 6273, 6277, 6280.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Limburg 9 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5442, 5443, 5458, 5465, 5484, 5488, 5489, 5490, 5491, 5492, 5505, 5512, 5524, 5525, 5533, 5544, 5546, 5570, 5571, 5572 (Bandidos); Rechtbank Noord Nederland 13 november 2020, ECLI:RBNNE:2020:3888, 3889, 3892, 3893 (No Surrender); Rechtbank Limburg 22 februari 2019, ECLI:RBLIM:2019:1676 (Satudarah).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72, rov. 4.3; HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5189, NJ 2010/687, rov. 4.3; HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2631, rov. 7.4; HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, NJ 2018/169, rov. 2.3.2. Het criterium is in de kern reeds te vinden in HR 16 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1248, NJ 1991/442 m.nt. Corstens (Mariënburcht), rov. 13.1-13.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8741, NJ 1991/499, rov. 5.3; HR 6 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB9524, NJ 1993/100, rov. 6.3; HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 m.nt. Mevis; HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/357, rov. 2.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewezenverklaring spreekt van het charter Haarlem; het hof en de stellers van de middelen gebruiken ook de term chapter. Ik zal in deze conclusie ook beide termen gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72. Vgl. ook eerdere arresten betreffende mededaders: HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9220 en HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9222.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder meer HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 m.nt. De Hullu, rov. 5.3; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21, rov. 3.5.2; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, rov. 4.3 en HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:406, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264. Het hof leidde het vereiste opzet af uit het bewust een bedrijfscultuur laten ontstaan en voortbestaan waarin de regels omtrent het melden van ongebruikelijke transacties structureel niet werden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 oktober 1990, NJB 1990, nr. 154. Zie daarover nader M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht. Een onderzoek naar de strafbaarstelling van deelneming aan misdaadorganisaties, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 52. Zie ook HR 29 januari 1991, DD 91.169 (Vredesactiekamp). Ook in HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657 m.nt. Keijzer werd de bewijsvoering van deelneming ontoereikend geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie voor HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:448, randnummer 86. Zie in verband met de reikwijdte van het begrip deelneming ook zijn conclusie voor HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:835, randnummer 12. Vgl. voor een weergave van opvattingen over de betekenis van het bestanddeel ‘deelneming’ in de literatuur A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie, Nijmegen: WLP 2011, p. 57-61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat volgt ook niet uit HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:406, waar de steller van het middel in dit verband op wijst. Uw Raad overwoog daarin (onder meer) dat uit de bewijsvoering niet kon volgen ‘dat de verdachte behoorde tot een op de handel in hennep en hasjiesj gericht samenwerkingsverband’. De gerichtheid van het samenwerkingsverband wordt hier gebruikt als vertaling van het ‘oogmerk’ van het samenwerkingsverband.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze begripsbepaling is als vierde lid aan art, 140 Sr toegevoegd door de Wet terroristische misdrijven, Stb. 2004, 290 en inmiddels vernummerd tot vijfde lid (Wet herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen, Stb. 2019, 311).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416, NJ 2018/72 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NJ 2018/73, m.nt. Kooijmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst naar het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 22] d.d. 22 november 2016, p. F0331 en de verklaring van getuige [getuige 8] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p. 43, 46 en 47; de verklaring van getuige [getuige 11] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 104 en een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] d.d. 9 augustus 2015, p. L1.2/653-654.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik attendeer in verband met de afpersing van [getuige 3] ook nog op drie andere in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen. In een tapgesprek met NNvrouw 6927 zegt [getuige 3] dat [medeverdachte 5] en [verdachte] er ‘een stokkie voor hadden kunnen steken’ maar dat niet hebben gedaan (bewijsmiddel 15). In een ander tapgesprek zegt [getuige 3] dat ‘die ouderen allemaal (…) hadden moeten ingrijpen’ (bewijsmiddel 16). Kennelijk gaat ook [getuige 3] ervanuit dat andere leden dan [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het moeten afstaan van zijn motor hadden kunnen tegenhouden. [getuige 8] heeft op 4 oktober 2016 verklaard dat hij medio september 2014 uit de club is gegooid en dat hij zijn motor moest inleveren (bewijsmiddel 6). De behandeling die [getuige 3] ten deel viel stond kennelijk niet op zichzelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk, rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 488-489.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658 m.nt. Keijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in die zin ook A-G Bleichrodt in de conclusie voor HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1741, randnummer 16. Zie ook De Hullu, a.w., p. 426.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht, diss. Tilburg, Gouda Quint 1995, p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 14. Zie voorts de verklaring die de verdachte op 18 januari 2021 tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft afgelegd. Daarin verklaart hij ten aanzien van het inleveren van de motor door [getuige 3] dat daar niet over is gesproken in een vergadering (p. 18). [getuige 6] kent hij niet (p. 19). Op de zitting van 21 januari 2021 heeft de verdachte verklaard dat deze verklaring ook geldt als verklaring in zijn eigen strafzaak (p. 84).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997/98, 25 638, nr. 6, p. 2 en 4. Zie ook Kamerstukken II 1997/98, 25 638, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de verklaring van de verdachte zoals hij die als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021 heeft afgelegd volgt wat dat betreft ook anders (p. 15).</p></div>", "next": 0}