{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">22.</span>Uit ’s hofs bewijsvoering volgt voorts dat [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij hun criminele activiteiten niet op eigen houtje opereerden. De afpersing van [getuige 2] en daarmee de klap die in dat kader is uitgedeeld was uitvloeisel van een clubbesluit. Dat geldt ook voor de afpersing van [getuige 7] . De gewelddadigheden tegen leden van andere motorclubs zijn een uitvloeisel van wat [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering van 16 september 2016 (bewijsoverwegingen onder het kopje ‘Afpersing, dwang, bedreiging en mishandeling’) omschrijft als ‘onze eigen houding’. Uit de bewijsvoering volgt ook dat meer leden van het charter bij acties in dit kader betrokken zijn. Als Mongols worden gespot in Zandvoort (dat de Hells Angels Haarlem als onderdeel van hun territorium zien) rijdt medeverdachte [medeverdachte 2] daar rond (bewijsmiddel 6).</div>\n<p class=\"lf-p\">De vriendin van medeverdachte [medeverdachte 2] waarschuwt [betrokkene 3] nadat deze [getuige 10] , lid van Satudarah, heeft mishandeld, dat ‘ze’ naar hem op zoek zijn (bewijsmiddelen 11 en 12). [betrokkene 1] wijst vier leden van het charter aan (waaronder zichzelf) die vast hadden gezeten als Van der Valk (waar een vechtpartij tussen de Hells Angels en de Mongols had plaatsgevonden) betere camera’s had gehad (bewijsoverweging onder het kopje ‘De koers/toekomst van de organisatie zelf en verhullen/afdekken’). Na de mishandeling van [getuige 9] (lid van No Surrender) vindt een vergadering plaats waarover in ieder geval medeverdachte [medeverdachte 5] en medeverdachte [medeverdachte 1] worden geïnformeerd (bewijsmiddelen 17 en 18).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">23.</span>Ook bij de gang van zaken rond andere misdrijven zijn meer leden van het charter betrokken. [getuige 3] , die wordt gedwongen om zijn tattooshop te sluiten, belt medeverdachte [medeverdachte 1] , die in [plaats] een tattooshop heeft (bewijsmiddelen 8 en 9). [getuige 2] stuurt een appje naar medeverdachte [medeverdachte 2] en belt hem ook (bewijsmiddelen 13 en 14). De medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] krijgen na de inbeslagneming van een vuurwapen van medeverdachte [betrokkene 2] het advies om hun telefoon in het Noordzeekanaal te gooien (bewijsmiddelen 19, 20 en 21). En bij de andere misdrijven die het hof in aanmerking neemt ligt eveneens in de bewijsvoering besloten waarom deze met (het criminele oogmerk van) de organisatie verband houden. [getuige 8] is afgeperst uit hoofde van de positie die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] binnen de Hells Angels Haarlem hadden, en heeft klappen gekregen in het clubhuis; [betrokkene 3] verwijst bij de afpersing van [getuige 5] in telefoongesprekken naar de Hells Angels en geeft aan dat de club ermee gemoeid is. En het hof koppelt de in de open haard van het clubhuis aangetroffen kogel aan het vuurwapen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] voorhanden hadden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>De enkele omstandigheid dat de misdrijven die het hof opsomt (voor het overgrote deel) zijn begaan door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] staat er in dit licht niet aan in de weg dat het hof het grotere verband van de Hells Angels Haarlem, samen met [betrokkene 4] en de Stichting, mede op grond van deze misdrijven heeft kunnen aanmerken als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">25.</span>Dat niet alles op het clubhuis werd besproken, heeft ook het hof onder ogen gezien. Het wijst onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ onder meer op uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering van 16 september 2016, waarin deze aangeeft: ‘als er echt wat te bespreken (BFK: valt) gaan we weg’. Mede in aanmerking genomen dat de raadsman de stelling dat de oude garde zich van de jonge garde distantieerde enkel heeft gebaseerd op het ‘naar boven’ gaan op clubavonden, het corrigeren van [betrokkene 1] bij ‘negatief gedrag’ en het maken van een opmerking toen iemand tegen een motor opliep (pleitnota randnummer 18), meen ik dat het hof inzake die stelling niet tot nadere motivering gehouden was. Aan de toereikendheid van de bewijsvoering doen deze stellingen niet af. Dat geldt ook voor de stelling dat de ‘jonge garde’ in bad standing uit de Hells Angels Haarlem zou zijn gezet (pleitnota randnummer 86). Die beslissing kan verschillende achtergronden hebben en is kennelijk na de bewezenverklaarde periode genomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>In ’s hofs vaststellingen ligt al met al besloten waarom het van oordeel is dat in de bewezenverklaarde periode niet sprake was van een ‘scheiding’ tussen jonge en oude garde die meebrengt dat de Hells Angels Haarlem niet in zijn geheel als organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven heeft kan worden aangemerkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In zoverre wordt geklaagd dat het hof niet expliciet op alle stellingen van de raadsman is ingegaan merk ik op dat de in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv omschreven motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">27.</span>De tweede en zevende deelklacht falen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">28.</span>De steller van het middel voert in verband met de oorkonde ‘Deathhead Purple Heart’, de patch ‘dequiallo’ en het symbool van de ‘ball peen hammer’ aan dat volgens de bewijsoverwegingen in concreto uitsluitend over ‘dequiallo’ is gesproken, en wel door de medeverdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Uit de bewijsoverwegingen zou voorts volgen dat in de context van strafbare feiten uitsluitend door deze medeverdachten aan ‘dequiallo’ is gerefereerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">29.</span>Het hof wijst in de bewijsoverweging over ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ eerst op de oorkonde ‘Deathhead Purple Heart’ die in het clubhuis hangt en stelt vast dat op die oorkonde in het Engels staat dat een ieder die dit heeft verdiend zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Het hof leidt vervolgens uit het dossier af dat de zogenaamde patch ‘dequiallo’ verdiend kan worden door geweld dat clubleden van Hells Angels hebben toegepast richting overheidspersoneel. Deze patch is in het clubhuis op de muur geschilderd en vier leden dragen deze patch. Het hof overweegt vervolgens dat een andere betekenis van de term ‘dequiallo’ niet aannemelijk is, en wijst in die context op afgeluisterde gesprekken van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [betrokkene 2] . De omstandigheid dat alleen uitlatingen van deze medeverdachten (mede) aan de vaststelling van de betekenis ten grondslag zijn gelegd, doet er niet aan af dat het hof de vaststellingen inzake deze patch mede ten grondslag heeft kunnen leggen aan het oordeel ‘dat het plegen van strafbare gedragingen, met name geweld, door de Hells Angels Haarlem wordt aangemoedigd en beloond.’ 30. Ook de derde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">31.</span>De steller van het middel meent voorts dat niet begrijpelijk is dat uit de door het hof genoemde symbolen een aanmoedigen en belonen van strafbare feiten kan worden afgeleid, nu het hof niet heeft vastgesteld dat de oorkonde, de patch en de ‘ball peen hammer’ telkens in lijn met de betekenis die daar volgens de overwegingen aan moet worden toegekend, is verstrekt. En ook als aan deze symbolen een verheerlijking van geweld niet kan worden ontzegd, zou ’s hofs arrest niet toereikend zijn gemotiveerd, nu verheerlijking van geweld geen misdrijf is. Ook zou het hof in dit verband ten onrechte niet hebben gereageerd op het standpunt dat de 'oude garde’ een goede band had met onder meer de burgemeester van Haarlem en de wijkagent.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">32.</span>Uit ’s hofs overwegingen volgt dat de oorkonde ‘Deathhead Purple Heart’ in het clubhuis hangt, en dat op die oorkonde in het Engels staat dat een ieder die dit heeft verdiend, zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de oorkonde een beloning is voor de toepassing van geweld. Geweldsdelicten zijn in de bewezenverklaring vermeld; bewezenverklaard is dat de organisatie onder meer het plegen van openlijke geweldpleging en de strafbaar gestelde vormen van mishandeling tot oogmerk heeft. De patch ‘dequiallo’ kan, zo volgt uit ‘s hofs overwegingen, verdiend worden door geweld dat clubleden van Hells Angels hebben toegepast richting overheidspersoneel.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze patch was in het clubhuis op de muur geschilderd en vier leden droegen deze patch. Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de patch een beloning is voor het toepassen van geweld tegen een ambtenaar in functie. In de bewezenverklaring is onder de geweldsdelicten expliciet ook (gekwalificeerde) mishandeling van ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening opgenomen. De ‘ball peen hammer’ is, zo stelt het hof vast, een symbool bedoeld voor leden die geverifieerd geweld namens de club hebben gebruikt en is op de motor van de verdachte aangetroffen. Het hof heeft kunnen oordelen dat ook dit symbool aldus een beloning is voor een geweldsdelict.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ligt in ’s hofs vaststellingen besloten dat van het enkel verheerlijken van geweld geen sprake is. Ik attendeer er voorts op dat het hof de bewezenverklaring van het criminele oogmerk niet alleen heeft gebaseerd op de omstandigheden waar het onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ op heeft gewezen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">33.</span>Verder ontgaat mij waarom het hof afzonderlijk zou hebben dienen te reageren op het standpunt dat de ‘oude garde’ een goede band zou hebben gehad met onder meer de burgemeester van Haarlem en de wijkagent. Dat de Hells Angels Haarlem een goede band zouden hebben gehad met de politie vindt zijn weerlegging in een voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] : ‘Wij zijn bij politie en justitie een doorn in het oog.’ Los daarvan merk ik op dat art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv de rechter er niet toe noopt op elk detail van het aangevoerde in te gaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">34.</span>De vierde deelklacht faalt eveneens.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">35.</span>De steller van het middel voert voorts aan dat ’s hofs oordeel dat uit ‘inzamelingen voor gedetineerde leden’ blijkt dat het plegen van strafbare feiten door de leden van de Hells Angels Haarlem volstrekt normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd, onbegrijpelijk is, omdat uit de bewijsvoering niet zou blijken van meerdere inzamelingen en het daadwerkelijk ophalen van geld. Ook zou daaruit niet blijken dat [betrokkene 1] , met wiens detentie de inzameling verband hield, gevangen zat wegens een feit dat uit naam van de Hells Angels Haarlem is begaan. Uit ’s hofs bewijsvoering zou niets anders kunnen worden afgeleid dan dat dergelijke inzameling de betekenis had van het verlenen van financiële steun ter voorkoming van het verlies van de woning wanneer door de gedetineerde de huur of hypotheekrente niet meer zou zijn op te brengen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">36.</span>Het hof heeft onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ overwogen dat ook uit de inzamelingen die voor gedetineerde leden worden georganiseerd, blijkt dat het plegen van strafbare feiten door de leden van de Hells Angels Haarlem volstrekt normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd en daarmee indirect wordt aangemoedigd. Het hof wijst daarbij op ‘de zogenaamde Big House Crew’. Onder het kopje ‘Betalen voor een gedetineerd lid’ is overwogen dat bij de doorzoeking van het clubhuis op 26 januari 2017 twee ‘BHC-potten’ zijn aangetroffen, waarbij op één ‘ [betrokkene 1] ’ is vermeld, en waarover de verdachte heeft verklaard: ‘dit is een pot met geld voor jongens die vastzitten’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof wijst voorts op een inzameling die op 23 juli 2016 plaatsvond voor [betrokkene 1] , die op dat moment gedetineerd zat. En het hof wijst op uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering van 16 september 2016, waarin deze ingaat op het risico van vast komen te zitten. Uit een proces-verbaal van bevindingen waarin verslag wordt gedaan van onderzoek naar bankafschriften van de Stichting Hells Angels Haarlem over de periode 1 januari 2013 t/m 10 juli 2015 blijkt voorts dat in deze periode ‘diverse bedragen voor verschillende personen’ zijn overgemaakt naar verschillende penitentiaire inrichtingen. In 2013 is een bedrag van € 1.600,00 t.b.v. [betrokkene 9] . In 2014 is een bedrag van € 1.440,00 overgemaakt t.b.v. [medeverdachte 3] en [betrokkene 10] .</p>\n<p class=\"lf-p\">En in 2015 is een bedrag van € 1.800,00 overgemaakt ten behoeve van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2). Anders dan de steller van het middel meen ik dat uit de bewijsvoering blijkt van meerdere inzamelingen (via de Big House Crew en op 23 juli 2016 voor [betrokkene 1] ) en van het daadwerkelijk ophalen van geld voor en betalen van geld aan gedetineerde leden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">37.</span>Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs overwegingen doet voorts niet af dat niet blijkt dat [betrokkene 1] gevangen zat wegens een feit dat uit naam van de Hells Angels Haarlem is begaan. Het hof leidt uit de (betalingen en) inzamelingen slechts af dat het plegen van strafbare feiten meer in het algemeen volstrekt normaal wordt gevonden en geaccepteerd. Dat blijkt ook uit de uitlatingen van [betrokkene 1] die door het hof geciteerd worden. [betrokkene 1] sprak onder meer over het risico van ‘vast komen als jij woorden krijgt met je buurman en je slaat hem achterstevoren’. Het ging ook [betrokkene 1] kennelijk niet alleen om detentie als gevolg van strafbare feiten die met het criminele oogmerk van de Hells Angels Haarlem samenhingen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">38.</span>Ook de omstandigheid dat de betalingen en inzamelingen samen zouden hangen met het risico van verlies van de woning doet aan die begrijpelijkheid niet af. Waar het hof in de geciteerde overweging betekenis aan hecht is dat het risico van vast komen te zitten blijkens de betalingen en inzameling niet werd gezien als een persoonlijk risico dat het betrokken lid – dat voor het strafbare feit vast zit – zelf diende te dragen. Juist bij dit risico sprongen de andere leden en de Stichting bij.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>De vijfde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>De steller van het middel acht het ook onbegrijpelijk dat het hof de acceptatie van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels Haarlem tevens afleidt uit de omstandigheid dat het niet de bedoeling is dat deze leden (met de politie) praten. Een dergelijke ‘geheimhoudingsplicht’ of ‘zwijgplicht’ zou niet kunnen worden geduid als een beloning en/of aanmoediging van geweld. En uit de bewijsvoering zou niet kunnen worden afgeleid dat een dergelijke plicht betrekking had op (één van) de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven. Het hof zou daarbij ten onrechte onbesproken hebben gelaten dat de oude garde volgens de verdediging goede contacten had met de wijkagent. Dat het hof betekenis heeft toegekend aan de uitlating door medeverdachte [medeverdachte 5] in de arrestantenbus zou evenmin begrijpelijk zijn, omdat [medeverdachte 5] deze uitlating kennelijk deed als verdachte en uit de bewijsvoering niet zou blijken jegens wie hij deze deed. Tot slot zou ’s hofs overweging dat medeverdachte [medeverdachte 4] niet wilde dat over de telefoon over drugs in het clubhuis werd gesproken niet begrijpelijk zijn omdat het oogmerk op overtreding van de Opiumwet niet bewezen is verklaard en [medeverdachte 4] deze uitlating deed in een telefoongesprek met een vriendin.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">41.</span>Het hof heeft onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ overwogen dat de acceptatie van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels naar het oordeel van het hof eveneens blijkt uit de omstandigheid dat het niet de bedoeling was dat leden van de Hells Angels Haarlem (met de politie) praatten. Het hof wijst daarbij in de eerste plaats op regel 12 van de clubregels en op de tekst ‘omerta’ die op de muur van het clubhuis was geschilderd. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof aan deze omstandigheid betekenis heeft kunnen hechten in verband met het oordeel dat het plegen van strafbare gedragingen door de Hells Angels Haarlem werd aangemoedigd en beloond. Dat het niet de bedoeling is dat de leden met de politie praten brengt mee dat de kans wordt verkleind dat strafbare feiten waar andere leden kennis van dragen tot een veroordeling leiden . Het hof heeft kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat daar, in samenhang met de andere vaststellingen inzake het criminele oogmerk van de organisatie, een aanmoediging vanuit gaat om deze feiten (in het bijzijn van andere leden) te plegen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>Uit ’s hofs overwegingen volgt voorts dat het hof heeft geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht betrekking had op alle strafbare feiten. Regel 12 van de clubregels luidt: ‘Alles wat Hells Angels H’lem met elkaar bespreken blijft tussen ons; dus wordt op geen enkele manier naar buiten gebracht’. Juist dit algemene, ongeclausuleerde karakter van de zwijgplicht, en de handhaving via de clubregels, brengt mee dat het hof mede uit de zwijgplicht heeft kunnen afleiden dat het plegen van strafbare feiten door de organisatie werd aangemoedigd. Dat algemene karakter brengt voorts mee dat de zwijgplicht ook betrekking had op de in de bewezenverklaring omschreven – door de organisatie beoogde - misdrijven. De stelling dat de oude garde goede contacten zou hebben gehad met de wijkagent doet voorts niet aan de begrijpelijkheid van ’s hofs overwegingen af. Ik neem daarbij in aanmerking dat niet is aangevoerd dat de wijkagent op de hoogte is gebracht met feiten en omstandigheden die onder de zwijgplicht vallen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>Het hof heeft in deze context ook gewezen op een uitlating van medeverdachte [medeverdachte 5] in de arrestantenbus: “zwijgen … met alles”. Anders dan de steller van het middel meent, kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat [medeverdachte 5] als verdachte in de arrestantenbus met [medeverdachte 1] in het compartiment achter is geplaatst (bewijsmiddel 7). De gefluisterde mededeling van [medeverdachte 5] was derhalve kennelijk voor medeverdachte [medeverdachte 1] bedoeld. Dat is voor de betekenis die het hof aan deze mededeling heeft gehecht naar het mij voorkomt overigens niet van belang. Dat [medeverdachte 5] deze uitlating mogelijk als verdachte heeft gedaan, staat er evenmin aan in de weg dat het hof er betekenis aan kon hechten in verband met de vaststelling van een zwijgplicht. Ik wijs er in dat verband op dat [medeverdachte 1] werd meegedeeld dat hij ‘met alles’ moest zwijgen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>Het hof heeft er aan het slot van de overwegingen inzake de zwijgplicht nog op gewezen dat medeverdachte [medeverdachte 4] , wanneer een vrouw contact met hem zoekt die ervan wordt beschuldigd verdovende middelen te hebben gestolen vanuit het clubhuis van de Hells Angels te Haarlem, niet wil dat dit soort dingen over de telefoon wordt besproken. Naar het mij voorkomt heeft het hof ook aan de uitlatingen van [medeverdachte 4] in dit telefoongesprek in deze context betekenis kunnen hechten. Daaraan doet niet af dat niet bewezen is verklaard dat de organisatie het plegen van in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven tot oogmerk heeft. Waar het om gaat is dat ook uit deze uitlatingen duiden op een cultuur waarin het weghouden van informatie over strafbare feiten bij de politie een belangrijk element is. Ook de omstandigheid dat de uitlatingen zijn gedaan in een gesprek met een vriendin doet aan deze betekenis niet af.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>De zesde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">46.</span>In verband met de (overkoepelende) klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd voorbij is gegaan aan het standpunt dat de Hells Angels charter Haarlem niet (samen met [betrokkene 4] en de Stichting) een criminele organisatie vormden, wijs ik nog op het ook door het hof en de steller van het middel genoemde arrest van Uw Raad van 15 mei 2007. Uw Raad gaf in dat arrest aan dat voor het bewijs van dit oogmerk onder meer betekenis zal kunnen toekomen aan, kort gezegd (1) misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, (2) het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, en (3) de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijk doel van de organisatie verrichte activiteiten. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen uiteengezet welke betekenis het heeft gehecht aan misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd. Uit ‘s hofs overwegingen blijkt voorts dat de samenwerking een sterk gestructureerd karakter had. De Stichting vervulde een aantal functies, het charter had een strakke structuur met diverse functies, en er was structureel periodiek overleg waar beslissingen op democratische wijze werden genomen. De planmatigheid en stelselmatigheid van de met het oog op het plegen van misdrijven verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie komen alleen al uit de bewijsvoering inzake de bedreigende en gewelddadige reputatie van de Hells Angels Haarlem naar voren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">47.</span>Al met al meen ik dat de bewezenverklaring van het criminele oogmerk van de organisatie en de afwijking van het omschreven standpunt ook in het licht van de vingerwijzing die Uw Raad in genoemd arrest heeft gegeven toereikend zijn gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Het eerste middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede middel 49. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het deelnemen door de verdachte aan een criminele organisatie op onbegrijpelijke althans ontoereikende gronden heeft aangenomen. Ook deze klacht valt in een aantal deelklachten uiteen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat daadwerkelijk door de Hells Angels Haarlem is vergaderd over het door [getuige 2] inleveren van diens motor en het door [getuige 7] betalen van een boete. Het hof zou voorts in dit verband slechts hebben vastgesteld dat in vergaderingen op grond van democratische besluitvorming werd beslist en niet hoe telkens de stem van de verdachte luidde. Aldus zou het hof ten onrechte geen betekenis hebben gegeven aan de mogelijkheid dat de verdachte in die vergaderingen tegen deze besluiten heeft gestemd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr is sprake ‘indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk’. Ook betrekkelijk passieve gedragingen kunnen de kwalificatie ‘deelneming’ rechtvaardigen. Van het hebben van een aandeel in dan wel ondersteunen van de omschreven gedragingen is geen sprake als de vastgestelde activiteiten van de betrokkene verband houden met aspecten van de organisatie die los staan van het criminele oogmerk. A-G Hofstee heeft het wel aldus geformuleerd dat ‘de deelnemers aan een organisatie die in de criminele tak ervan geen enkele rol spelen buiten schot blijven’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat de verdachte één van de negen deelnemers aan de vergaderingen van de Hells Angels Haarlem was. Die vergaderingen werden (in beginsel) eens per twee weken gehouden. Het hof heeft voorts verklaringen en bescheiden voor het bewijs gebezigd waaruit blijkt dat besluiten alleen werden genomen als alle leden aanwezig waren. Dat brengt mee dat de aanwezigheid van de verdachte bij de vergaderingen waar werd beslist over het door [getuige 2] achter moeten laten van zijn motor en over het opleggen van een boete aan [getuige 7] , cruciaal was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>Dat door alle leden en dus ook door de verdachte is vergaderd over het door [getuige 2] moeten inleveren van zijn motor heeft het hof afgeleid en kunnen afleiden uit de drie aangehaalde OVC-gesprekken. Het eerste is het gesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] waarin [betrokkene 1] over de motor van [getuige 2] zegt: ‘lekker laten staan’. [betrokkene 4] zegt tegen [betrokkene 1] dat zij aan [betrokkene 2] zal doorgeven hoe [betrokkene 1] over de kwestie denkt en merkt vervolgens op: ‘ze kunnen niks beslissen zonder jou’. In het tweede gesprek, eveneens tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , wordt gesproken over het voorstel om de motor van [getuige 2] te verkopen. In dat gesprek vertelt [betrokkene 4] tegen [betrokkene 1] dat [betrokkene 3] een bestemming van een deel van de opbrengst van de motor heeft genoemd en heeft aangegeven dat als [betrokkene 1] dat wil, hij ‘het in de groep (gaat) gooien’. In het derde gesprek, tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , bespreekt [betrokkene 3] een appje van [getuige 2] dat hij heeft ontvangen. [betrokkene 1] herinnert [betrokkene 3] aan ‘wat we hebben afgesproken’. [betrokkene 3] zegt dat hij het met ‘de gasten’ over het appje zal hebben. Hij geeft aan dat [betrokkene 1] niet hoeft ‘te bellen en te doen. Terwijl wij misschien een andere koers gaan varen’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>Inzake het opleggen van de boete aan [getuige 7] heeft het hof gewezen op een gesprek van 10 december 2015 tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en een NN-man dat over [getuige 7] ging. Het hof heeft uit dat gesprek afgeleid en ook kunnen afleiden dat door alle leden van de Hells Angels Haarlem, dus ook door de verdachte, is vergaderd en gestemd over het opleggen van een boete aan [getuige 7] . Ik wijs er daarbij in het bijzonder op dat [betrokkene 1] in dat gesprek heeft gezegd: ‘maar ik sta gewoon achter de jongens die een beslissing hebben genomen’ en ‘Maar op het moment dat er beslissingen zijn genomen dan eh kan ik er ook niks meer aan doen. Want wij zijn mannen van ons woord en als er ehh met zijn allen wordt gezegd van zo gaat het gebeuren dan gaat het uiteindelijk zo gebeuren’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de beslissingen die door de vergadering genomen werden de leden sterk bonden. Ik wijs daarbij op de opmerkingen van medeverdachte [betrokkene 1] naar aanleiding van de aan [getuige 7] opgelegde boete. De beslissingen waar de verdachte aan meewerkte door aan de vergaderingen deel te nemen en aldaar te stemmen waren de grondslag voor de daaropvolgende (strafbare) gedragingen jegens [getuige 2] en [getuige 7] . Het hof heeft in dat licht kunnen oordelen dat de verdachte door het deelnemen aan deze vergaderingen en door daarin te stemmen een aandeel had in (dan wel ondersteunde) gedragingen die strekten tot (of rechtstreeks verband hielden met) de verwezenlijking van het bewezenverklaarde oogmerk van de organisatie (het plegen van onder meer bedreiging met geweld en afpersing).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">56.</span>Daarbij kan ook met een schuin oog worden gekeken naar rechtspraak en literatuur over het begrip feitelijke leidinggeven. Ook daar kan het gaan om persoonlijke verantwoordelijkheid voor gedragingen die in de context van een organisatie worden begaan. Van feitelijke leidinggeven kan volgens Uw Raad onder meer sprake zijn ‘bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat’. De Hullu meent dat een taakverdeling binnen een bestuur van een rechtspersoon bij het gehouden zijn tot ingrijpen relevant kan zijn. Van een taakverdeling was in dit verband geen sprake, het ging om democratisch genomen beslissingen. En de verdachte bleef na de vergaderingen waarin de betreffende beslissingen werden genomen lid, en was (uitgaande van de normering van het feitelijke leidinggeven) ook na de vergaderingen gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming van de voorgenomen misdrijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">57.</span>Ik merk nog op dat deelneming aan een criminele dan wel terroristische organisatie ook in een arrest van 3 juli 2012 (mede) uit het deelnemen aan bijeenkomsten was afgeleid. De misdrijven waarop het oogmerk was gericht waren (kort gezegd) opruiing (de artt. 131 en 132 Sr), aanzetten tot haat en geweld (art. 137d Sr), en bedreiging (art. 285 Sr). Uw Raad overwoog dat het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen had vastgesteld dat de verdachte ‘met enige regelmaat bijeenkomsten bijwoonde waarbij de gewelddadige verspreiding van de islam werd gepropageerd en waarbij beeldmateriaal van onthoofdingen werd vertoond’. En voorts dat de verdachte ‘zelf voor zulke bijeenkomsten wel eens beeldmateriaal meebracht van het afslachten van vrouwen en kinderen en van het opblazen van Russische tanks, teneinde het gedachtegoed van de jihad uit te dragen’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof had voorts vastgesteld dat de verdachte ‘actief heeft willen bijdragen aan het propageren van de islam door aan bedoelde bijeenkomsten deel te nemen en mee te werken aan de verspreiding van een geschrift met radicale inhoud, getiteld \"How to catch a wolf\", waarin tot de gewapende jihad wordt opgeroepen’ (rov. 2.5). ’s Hofs oordeel ‘dat de verdachte door zo te handelen daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk en derhalve aan die organisaties heeft \"deelgenomen\" in de hiervoor bedoelde betekenis’ was volgens Uw Raad niet onbegrijpelijk (rov. 2.6).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">58.</span>Keijzer stelde in zijn noot onder het arrest dat de term ‘ondersteunt’ veronderstelt ‘dat de betrokkene het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd bevordert, in die zin dat het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven wordt vergroot’. Voor zover die eis van ‘bevordering’ (ook in deze context) geldt, is daar naar het mij voorkomt in de onderhavige zaak aan voldaan: door deel te nemen aan besluitvorming inzake deze beslissingen, die de basis vormden voor de daaropvolgende (strafbare) gedragingen jegens [getuige 2] en [getuige 7] , heeft de verdachte het gevaar van verwezenlijking vergroot. Keijzer wees in verband met de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte op het proefschrift van De Vries-Leemans, die schreef: ‘Zo zal bijvoorbeeld het spreken op vergaderingen alleen dan strafbare deelneming kunnen opleveren indien met het betoog ook daadwerkelijk een bijdrage wordt geleverd aan de verwezenlijking van het oogmerk, bijvoorbeeld door het opruien van de toehoorders tot het plegen van de beoogde misdrijven of door het bewust verschaffen van informatie welke op het plegen van die misdrijven betrekking heeft.’ Deze passage illustreert dat het mede van het tenlastegelegde delict en de (andere) omstandigheden van het geval afhangt, of en zo ja welke gedragingen van de verdachte op een bijeenkomst als deelneming in de zin van art. 140 Sr kunnen gelden.</div>\n<p class=\"lf-p\">Als opruien één van de door de organisatie beoogde misdrijven is, kan het verspreiden van (opruiende) geschriften op een bijeenkomst deelneming opleveren. Het kan dat ook zijn als de opruiing ertoe strekt de door de organisatie beoogde misdrijven door derden (die daartoe opgeruid worden) te laten verwezenlijken. In de context van de onderhavige zaak, waarin door negen leden van de Hells Angels werd besloten over jegens [getuige 2] en [getuige 7] te plegen strafbare feiten, heeft het hof kunnen oordelen dat het mogelijk maken en deelnemen aan die besluitvorming deelneming in de zin van art. 140, eerste lid, Sr oplevert.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Ik merk ten slotte op dat in hoger beroep niet is aangevoerd dat de verdachte tegen heeft gestemd of nadien de uitvoering van de genomen besluiten heeft getracht te verhinderen. Daarvan blijkt ook niets uit de bewijsvoering van het hof. De raadsman heeft in hoger beroep over zowel het door [getuige 7] betaalde bedrag als het inleveren van de motor door [getuige 2] aangevoerd dat een rechtstreeks verband met de Hells Angels Haarlem niet vaststaat.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>De eerste deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>In de tweede deelklacht voert de steller van het middel aan dat het hof de bewezenverklaring (mede) heeft gebaseerd op het door de verdachte deelnemen aan een vergadering waarin de vijandige houding van de Hells Angels Haarlem richting andere motorclubs, de koers en toekomst van de organisatie en ‘verhullen en afdekken’ aan de orde zijn gekomen. Het hof zou in dit verband niet meer hebben vastgesteld dan dat tijdens deze vergadering de genoemde onderwerpen aan de orde zijn gekomen dan wel dat daarover is gesproken. Niet is vastgesteld dat over deze onderwerpen in die vergadering is besloten. Dat zou ten aanzien van de bewezenverklaring van ‘deelneming’ in de zin van art. 140 Sr temeer klemmen omdat blijkens de vaststellingen van het hof in die vergadering over het ‘beleid’ is gezegd dat dit ‘te donker’ is en met betrekking tot een vechtpartij tussen de Hells Angels en Mongols is gezegd dat ‘we sowieso niet meer op deze manier moeten handelen.’ Ook zou uit ’s hofs vaststelling dat [betrokkene 1] tijdens een vergadering over de vechtpartij tussen de Hells Angels en de Mongols in het Van der Valk hotel te Rotterdam op 7 april 2016 heeft gezegd dat ‘we dan allemaal een probleem hadden gehad’, terwijl de verdachte daarop zei ‘mother fucking probleem gehad ja’, niet kunnen volgen dat ‘allemaal’ slaat op het gehele chapter Haarlem.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>In de derde deelklacht voert de steller van het middel aan dat niet begrijpelijk is waarom het versnipperen van ‘moties’ en het (voornemen tot) ‘sweepen’ van het clubhuis als een aan de verwezenlijking van het oogmerk in de zin van art. 140 Sr bijdragende of ondersteunende handeling is aangemerkt. Zonder nadere motivering zou niet begrijpelijk zijn waarom het enkele ‘versnipperen’ of ‘sweepen’ als dergelijke handelingen zijn te kwalificeren. Wat betreft de ‘moties’ zou het hof voorts niet hebben vastgesteld dat de inhoud daarvan voor de verdachte als belastend in de zin van art. 140 Sr is aan te merken. Wat het (voornemen tot) ‘sweepen’ betreft zou van belang zijn dat het hof zijn vaststellingen daarover heeft gebaseerd op één gesprek, waaraan uitsluitend [betrokkene 2] en [betrokkene 1] deelnamen, zodat ‘s hofs vaststelling dat ook de verdachte heeft deelgenomen aan gesprekken (meervoud) over dit ‘sweepen’ onbegrijpelijk is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>Deze twee deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">64.</span>Uit de overwegingen van het hof volgt dat het hof het versnipperen van de ‘moties’ en het ‘sweepen’ van het clubhuis van belang heeft geacht in verband met ‘de koers/toekomst van de organisatie zelf en verhullen/afdekken’. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte moties die op de vergaderingen moesten worden besproken op een stick in ontvangst heeft genomen, dat hij deze (deels) heeft uitgeprint en heeft gezegd deze te zullen vernietigen. Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan gesprekken over het ‘sweepen’ van het clubhuis. Uit ’s hofs vaststellingen volgt voorts dat het versnipperen van de moties en het ‘sweepen’ van het clubhuis aan de orde was bij de vergadering van 16 september 2016, dat deze handelingen zagen op het verhullen en afdekken en dat de verdachte bij deze vergadering aanwezig was. Voor zover het middel erover klaagt dat ’s hofs vaststellingen wat betreft het ‘sweepen’ zouden zijn gebaseerd op één gesprek waaraan uitsluitend de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] deelnamen, berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>De onderwerpen die op de vergadering van 16 september 2016 aan de orde kwamen, hadden een ander karakter dan de besluitvorming over de motor van [getuige 2] en de boete voor [getuige 7] . Het ging blijkens de bewijsvoering van het hof over de relatie met andere motorclubs, de koers/toekomst van de organisatie zelf (in verband met het werven van nieuwe leden) en het verhullen en afdekken van gedragingen die met de verwezenlijking van het criminele oogmerk verband houden. Deze onderwerpen staan alle drie in verband met de koers van de organisatie. Het bepalen van de koers kan gezien worden als een gedraging die rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ik neem daarbij in aanmerking dat art. 140, vierde lid, Sr bepaalt dat de gevangenisstraffen ten aanzien van de leiders met een derde kunnen worden verhoogd. Deze formulering maakt duidelijk dat ook de leider wordt gezien als iemand die aan de organisatie deelneemt. Uit de parlementaire behandeling van de wijziging van art. 140 Sr waardoor dit begrip in de strafverzwaringsgrond werd ingevoegd, kan worden afgeleid dat voor het zijn van ‘leider’ doorslaggevend is het hebben van een bepaalde macht dan wel gezag, en dat in dat verband van belang is of de betrokkene dwingende aanwijzingen kan geven. Die macht en dat gezag en de bevoegdheid om dwingende aanwijzingen te geven, lagen bij de Hells Angels Haarlem in belangrijke mate bij de vergadering waar alle leden aan deelnamen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede tegen die achtergrond heeft het hof het deelnemen aan een vergadering waar de koers van het chapter aan de orde was (inclusief het bespreken van moties op de vergadering die de verdachte op een stick in ontvangst heeft genomen, heeft uitgeprint en heeft gezegd te zullen vernietigen en het deelnemen aan een gesprek over het ‘sweepen’ van het clubhuis) kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>Daaraan doet niet af dat het hof de inhoud van de moties niet heeft vastgesteld. En daaraan doet ook niet af dat tijdens die vergadering door medeverdachte [betrokkene 2] is gezegd dat het beleid ‘gewoon te donker’ is. En dat medeverdachte [betrokkene 1] tijdens diezelfde vergadering naar aanleiding van een eerder treffen tussen de Hells Angels en de Mongols in het Van der Valk hotel te Rotterdam, met het oog op het risico van het vast komen te zitten van leden, heeft gezegd dat ‘we sowieso niet meer op deze manier moeten handelen’. Uit de weergave van het tijdens de vergadering besprokene in de bewijsmiddelen blijkt niet dat de koers wezenlijk zou zijn bijgesteld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">67.</span>Naar aanleiding van de stelling dat [betrokkene 1] , toen hij naar aanleiding van de vechtpartij tussen de Hells Angels en de Mongols sprak over het ‘allemaal’ een probleem hebben, kan hebben gedoeld op alleen de nieuwe garde, merk ik op dat de verdachte daarop opmerkte: ‘mother fucking probleem gehad ja’. Ook de verdachte voelde zich kennelijk aangesproken. Daarbij heeft [betrokkene 1] daaraan voorafgaand vier personen, waaronder zichzelf, aangewezen als personen die vast hadden gezeten als er betere camera’s waren geweest. De nieuwe garde bestaat uit drie man ( [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] ). Mede in dat licht staat in toereikende mate vast dat het probleem waar [betrokkene 1] over sprak, een probleem betrof van alle leden die op de vergadering aanwezig waren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">68.</span>De tweede en derde deelklacht falen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>De steller van het middel klaagt vervolgens dat het hof in verband met het wachtlopen bij het clubhuis niet meer heeft vastgesteld dan dat het doel daarvan was het beveiligen van het clubhuis. ’s Hofs overweging in verband hiermee dat ‘op enig moment’ een vuurwapen in het clubhuis aanwezig is, zou onbegrijpelijk zijn, althans ontoereikend gemotiveerd, nu het hof daarover slechts heeft vastgesteld dat dit ‘kennelijk’ het geval was en niet dat de verdachte heeft wachtgelopen tijdens die kennelijke aanwezigheid. Daarbij zou het hof hebben vastgesteld dat volgens de verdachte het wachtlopen er was omdat een buitenlands member (onverwacht) langs kon komen en opgevangen diende te worden. Voor zover het hof met betrekking tot het wachtlopen een ander doel heeft aangenomen zou het arrest in het licht van die vaststelling innerlijk tegenstrijdig en aldus onbegrijpelijk zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">70.</span>Het hof overweegt dat de verdachte heeft verklaard dat er ‘wacht’ was omdat een buitenlands member (onverwacht) langs kon komen en opgevangen diende te worden. Dat het hof deze verklaring van de verdachte weergeeft, betekent niet dat het hof zou hebben vastgesteld dat het wachtlopen voor de verdachte daadwerkelijk dat doel had. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof zou hebben vastgesteld dat het wachtlopen verband hield met de mogelijke komst van een gast uit het buitenland, ontbeert het aldus feitelijke grondslag. Daarbij merk ik op dat het hof blijkens de aanvulling de verklaring van de verdachte die hij ter terechtzitting van de rechtbank van 27 maart 2018 heeft afgelegd voor het bewijs heeft gebezigd. De verdachte heeft toen over het wachtlopen het volgende verklaard: ‘Wij liepen wacht om de boel in de gaten te houden’ (bewijsmiddel 1).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">71.</span>Het hof citeert in de bewijsoverweging die het aan het doel van het wachtlopen heeft gewijd vervolgens eerst een passage uit een gesprek tussen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van 4 januari 2016. Daarin wordt in relatie tot de club gesproken over een vuurwapen. Het hof citeert voorts een passage uit een gesprek dat later die dag tussen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 4] is gevoerd. Daarin wordt gesproken over het gebruiken van ‘dat ding’ als iemand voor de deur staat. Vervolgens citeert het hof een passage uit een gesprek tussen de medeverdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] van 30 november 2015 waarin [betrokkene 2] aangeeft dat met de Kerst en Oud en Nieuw wachtgelopen zal moeten worden, en een passage uit een gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] van 18 december 2015, de dag na de mishandeling van No Surrenderlid [getuige 9] , waarin [betrokkene 1] aangeeft dat het ‘ons’ goed leek om die avond ‘bemand’ te zijn ‘hier’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Het hof heeft uit deze gesprekken in combinatie met het criminele oogmerk van de organisatie afgeleid dat het doel van het wachtlopen de beveiliging van het clubhuis was. Het hof heeft daarbij in de eerste plaats gewezen op de aanwezigheid ‘op enig moment’ van een vuurwapen in het clubhuis, dat gebruikt kan worden in geval van eventuele indringers, in de tweede plaats op het wachtlopen met Kerst en Oud en Nieuw, ‘dagen waarop het onwaarschijnlijk is dat een buitenlands member spontaan zou langskomen’ en in de derde plaats op de ‘extra’ beveiliging na de mishandeling van een lid van No Surrender. Dat het hof uit deze aanwijzingen heeft afgeleid dat het doel van het wachtlopen de beveiliging van het clubhuis was, is niet onbegrijpelijk en dit oordeel is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat uit ’s hofs vaststellingen niet volgt dat het wapen aanwezig was toen de verdachte wacht liep. Het wachtlopen was niet gekoppeld aan de aanwezigheid van het wapen, maar aan de beveiliging van het clubhuis.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">73.</span>In het licht van de vastgestelde doelstelling van het wachtlopen heeft het hof het wachtlopen door de verdachte voorts kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met het verwezenlijken van het criminele oogmerk van de organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">74.</span>Ook de vierde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">75.</span>De steller van het middel voert voorts aan dat het onbegrijpelijk is dat het ‘betalen voor een gedetineerd lid’ door de verdachte is aangemerkt als een aan de verwezenlijking van het oogmerk in de zin van art. 140 Sr bijdragende of ondersteunende handeling. Op de eerste plaats zou uit de bewijsvoering niet af te leiden zijn dat de verdachte een dergelijke betaling heeft verricht. Op de tweede plaats zou uit het verlenen van financiële steun ter voorkoming van verlies van de woning niet een aan de verwezenlijking van het oogmerk in de zin van art. 140 Sr bijdragende of ondersteunende handeling kunnen worden afgeleid. Dat zou temeer klemmen omdat uit de bewijsvoering niet zou volgen dat [betrokkene 1] , met wiens detentie de inzameling verband hield, gevangen zat wegens een feit dat uit naam van de Hells Angels Haarlem is begaan. Voor zover het hof zou hebben bedoeld dat die betalingen tot doel hadden om [betrokkene 1] , die gedetineerd zat, zijn stemrecht te kunnen laten uitoefenen, zou dat onbegrijpelijk zijn, omdat zonder nadere motivering niet zou zijn in te zien dat een betaling daartoe functioneel is.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">76.</span>Het hof heeft in verband met het ‘betalen voor een gedetineerd lid’ gewezen op de verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep over de ‘BHC-potten’ heeft afgelegd: ‘dit is een pot met geld voor jongens die vastzitten’. Het hof vermeldt daarbij dat op één van de potten de naam de naam ‘ [betrokkene 1] ’ staat. Het hof heeft daarna gewezen op hetgeen tijdens de vergadering van 16 september 2016 is gezegd door [betrokkene 1] , die op dat moment met verlof uit detentie was: ‘Kijk wij hebben een huurhuis ja? En wij redden het financieel wel (..) Maar ik weet ook, ik zie hier ook mensen die een fucking baan hebben met een contract, fucking hypotheken hebben, die echt fucking gezeik krijgen wanneer ze een tijdje weggaan en weet je wat het allerergste dan is dan moet het niet zo zijn dat nu moeten jullie voor mij betalen (…)’. Het hof heeft uit ‘het voorgaande, in onderlinge samenhang’ afgeleid dat de verdachte voor [betrokkene 1] heeft betaald tijdens zijn detentie. Het hof stelt voorts vast dat [betrokkene 1] was gedetineerd in verband met een veroordeling voor bezit van diverse zware wapens. Het hof overweegt vervolgens dat [betrokkene 1] vanuit detentie, via [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , zijn invloed en stemrecht uitoefende bij de Hells Angels Haarlem. Naar ’s hofs oordeel is de betaling door de verdachte voor [betrokkene 1] ‘aan te merken als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">77.</span>Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de leden van de club in zijn algemeenheid met een financiële bijdrage zorgden voor leden wanneer deze gedetineerd raakten. Ik wijs in dat verband op ‘s hofs overwegingen onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’. Het hof heeft naar het mij voorkomt ook uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte voor [betrokkene 1] heeft betaald tijdens diens detentie. Dat volgt niet alleen uit diens uitlatingen; uit de bewijsmiddelen, in hun geheel beschouwd, volgt ook dat van het sociale verband van de Hells Angels Haarlem een betrekkelijk grote druk op de leden uitging. Ik neem voorts in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de Stichting Hells Angels in 2015 in totaal € 1.200 overmaakte aan de medeverdachte [betrokkene 1] (bewijsmiddel 3). En dat uit de bewijsoverwegingen volgt dat op 23 juli 2016 een inzameling voor medeverdachte [betrokkene 1] plaatsvond en dat bij de doorzoeking van het clubhuis op 26 januari 2017 een BHC-pot is aangetroffen met daarop de naam ‘ [betrokkene 1] ’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">78.</span>Het hof heeft het betalen voor een gedetineerd lid voorts als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr omschreven oogmerk kunnen aanmerken. Die betalingen maakten duidelijk dat de mogelijke financiële gevolgen van detentie niet of in mindere mate een reden behoefden te zijn om van het plegen van misdrijven die met het charter verband hielden af te zien. Door voor een gedetineerd lid te betalen, bevorderde de verdachte aldus het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd; het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven werd vergroot. Dat brengt mee dat het niet relevant is of [betrokkene 1] op dat moment gedetineerd zat voor een strafbaar feit dat gerelateerd kan worden aan de Hells Angels Haarlem.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">79.</span>Uit ’s hofs overwegingen kan, meen ik, niet worden afgeleid dat het door de verdachte tijdens diens detentie betalen voor [betrokkene 1] als een ‘deelneming’ opleverende gedraging is aangemerkt in verband met het tijdens detentie uitoefenen van invloed dan wel stemrecht door [betrokkene 1] . Tegen die achtergrond ga ik voorbij aan het bezwaar dat geformuleerd is voor het geval wel van die lezing zou moeten worden uitgegaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">80.</span>De vijfde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">81.</span>De steller van het middel voert verder aan dat ‘s hofs oordeel dat het betalen van contributie ‘deelneming’ in de zin van art. 140 Sr oplevert niet toereikend zou zijn gemotiveerd, omdat uit ‘s hofs bewijsvoering niet zou kunnen worden afgeleid dat het betalen van contributie geschiedde om gesprekken over criminele activiteiten te faciliteren, terwijl evenmin uit die bewijsvoering zou zijn af te leiden dat de verdachte van een dergelijk doel van het betalen van contributie wetenschap droeg. Dit zou temeer klemmen omdat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte sinds 2006 lid was van de Hells Angels, vanuit intenties die niet te maken hadden met het door het hof bewezenverklaarde oogmerk, terwijl het hof deze intenties van de verdachte ten onrechte onbesproken heeft gelaten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">82.</span>Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte contributie heeft betaald voor het lidmaatschap van de Hells Angels Haarlem. Het hof heeft daarbij gewezen op de verklaring van de verdachte in hoger beroep, inhoudend dat hiermee de vaste lasten voor het clubhuis werden betaald; gas, water, licht, internet en de gemeentelijke belastingen. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het clubhuis het hart vormde van de Hells Angels Haarlem. De leden kwamen daar samen, er werden besluiten genomen en allerlei andere gesprekken gevoerd in verband met het criminele oogmerk van de organisatie. Het clubhuis moest worden ‘gesweept’ en bewaakt en er werd geld ingezameld voor gedetineerde leden. Het hof concludeert dat het betalen van de vaste lasten voor dit clubhuis dan ook kan worden beschouwd als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">83.</span>Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de leden samenkwamen in het clubhuis, dat daar onder meer werd vergaderd en gestemd, en dat daar gesprekken werden gevoerd die verband hielden met het criminele oogmerk van de organisatie. Als de leden geen contributie hadden betaald waaruit de vaste lasten voldaan konden worden, zou de Stichting Hells Angels Haarlem het clubhuis niet beschikbaar hebben kunnen houden voor de leden. Dat brengt mee dat het hof het betalen van de contributie heeft kunnen aanmerken als (het hebben van een aandeel in dan wel) ondersteunen van gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk. Door het betalen van de contributie is het gevaar van verwezenlijking van het criminele oogmerk vergroot.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">84.</span>Aan een en ander doet niet af hetgeen namens de verdachte is aangevoerd over de intenties van waaruit hij eerder lid was geworden van de Hells Angels. En daaraan doet evenmin af dat uit de bewijsvoering niet zou volgen dat het betalen van contributie als (naaste) doel het financieren van gesprekken over criminele activiteiten had.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">85.</span>Ik wijs er in dit verband ook op dat in art. 140 Sr expliciet is bepaald: ‘Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie’. Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat deze omschrijving niet afdoet aan de eis dat de betrokkene dient te behoren tot het samenwerkingsverband. De verduidelijking heeft volgens Uw Raad betrekking op het vereiste van een aandeel in of ondersteunen van bepaalde gedragingen. Zij kan naar het mij voorkomt aldus worden begrepen dat – volgens de wetgever - aan die eis voldaan is indien van één van de in dit lid genoemde handelingen sprake is, zonder dat nadere vaststellingen vereist zijn over een specifiek doel waarvoor de geldelijke of andere steun is aangewend dan wel de gelden of personen zijn geworven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">86.</span>De zesde deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">87.</span>De steller van het middel voert in de zevende deelklacht aan dat uit ’s hofs vaststellingen over het deelnemen aan vergaderingen, het versnipperen van ‘moties’ en het ‘sweepen’, het wachtlopen, het ‘betalen voor een gedetineerd lid’ en het betalen van contributie niet kan worden afgeleid dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de Hells Angels, charter Haarlem tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Ook daarom zou het arrest niet toereikend met redenen zijn omkleed.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">88.</span>Om een persoon als deelnemer aan de organisatie te kunnen aanmerken, is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet vereist is dat de verdachte enige vorm van opzet op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven heeft gehad. Vereist lijkt mij evenmin dat (het hof expliciet vaststelt dat) de verdachte wetenschap had van alle kenmerken van de organisatie waar het hof de vaststelling van het criminele oogmerk op heeft gebaseerd. Voldoende is dat de feiten en omstandigheden waar de verdachte van wist het oordeel kunnen dragen dat hij in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">89.</span>Het hof heeft geoordeeld dat in het verrichten van ‘al de hiervoor genoemde gedragingen’, waarmee de verdachte ‘aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende en ondersteunende handelingen heeft verricht’, de wetenschap van de verdachte van dit oogmerk besloten ligt. Het hof heeft in de eerste plaats het deelnemen aan vergaderingen over en het stemmen over het door [getuige 2] achter moeten laten van zijn motor en het opleggen van een boete aan [getuige 7] in aanmerking genomen. Het hof heeft voorts het deelnemen aan de vergadering van 16 september 2016 in aanmerking genomen, waar de relatie met andere motorclubs, de koers/toekomst van de organisatie en verhullen/afdekken besproken werden. Naar het mij voorkomt heeft het hof in het bijzonder uit deze gedragingen de wetenschap van de verdachte van het criminele oogmerk van de organisatie kunnen afleiden. Daar komt bij dat de verdachte heeft verklaard dat het wachtlopen plaatsvond om ‘de boel in de gaten te houden’. In het licht van een en ander heeft het hof kunnen aannemen dat ook het betalen voor een gedetineerd lid en het betalen van de contributie plaatsvond terwijl de verdachte (in zijn algemeenheid) wist van het criminele oogmerk van de organisatie.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">90.</span>De zevende deelklacht faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">91.</span>Als achtste deelklacht voert de steller van het middel ten slotte aan dat het hof bij de in aanmerking genomen gedragingen ten onrechte niet zou hebben gereageerd op het namens de verdachte ingenomen standpunt dat de jonge garde los van de oude samen met elkaar optrok onder meer tot het plegen van geweldsmisdrijven, dat volgens [betrokkene 1] de door de jonge garde gepleegde geweldsincidenten niets met de club te maken hadden, dat [betrokkene 1] . [betrokkene 2] en [betrokkene 3] volgens [betrokkene 3] met ‘de rest’ nauwelijks contact hadden over ‘bepaalde dingen’, dat eveneens volgens [betrokkene 3] geweld door individuele leden van de Hells Angels op het clubhuis niet werd besproken, dat de ‘oude garde’ de ‘jonge garde’ aansprak op negatief gedrag en dat de ‘oude garde’ - waaronder dus de verdachte - als maatregel naar aanleiding van het gedrag van de ‘jonge garde’, deze ‘jonge garde’ in ‘bad standing’ uit de club heeft gezet toen men erachter kwam wat zij had gedaan. Ook daarom zou het arrest niet toereikend zijn gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">92.</span>De steller van het middel heeft ook bij andere deelklachten de aandacht gevestigd op deze onderdelen van het in hoger beroep gevoerde pleidooi. Ik heb bij de bespreking van die deelklachten aangegeven waarom het hof niet afzonderlijk op diverse van deze onderdelen uit het pleidooi behoefde in te gaan. Ook aan de toereikendheid van de bewijsvoering inzake de wetenschap van het criminele oogmerk bij de verdachte doen zij niet af. Dat geldt ook voor de stelling dat de ‘jonge garde’ in bad standing uit de Hells Angels Haarlem zou zijn gezet in het licht van het gebeurde. Die beslissing doet niet af aan vaststellingen inzake wat de verdachte tijdens de bewezenverklaarde periode wist.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">93.</span>De achtste deelklacht faalt. Dat brengt mee dat het tweede middel faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">94.</span>Ik merk nog op dat het hof van een aantal gedragingen van de verdachte separaat heeft vastgesteld dat deze deelneming door de verdachte aan een criminele organisatie opleveren. Uw Raad heeft eerder ook wel beoordeeld of een samenstel van door het hof vastgestelde gedragingen als deelneming kan worden aangemerkt. Beide benaderingen zijn mijns inziens verenigbaar met de interpretatie die Uw Raad aan het begrip ‘deelneming’ heeft gegeven. Anders dan bij medeplegen behoeft niet een bijdrage van ‘voldoende gewicht’ te worden vastgesteld. Het optellen van verschillende gedragingen teneinde aan dit gewicht te komen is zo bezien niet noodzakelijk. In beide benaderingen geldt mede in dat licht naar het mij voorkomt dat in het geval Uw Raad van oordeel zou zijn dat één van de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden niet zelfstandig als ‘deelneming’ kan worden aangemerkt, dit nog niet behoeft mee te brengen dat voldoende belang bij cassatie bestaat.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het derde middel 95. Het derde middel bevat de klacht dat het hof de strafoplegging onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd door deze mede te baseren op de overweging dat alle ‘full colour members’ van de Hells Angels charter Haarlem ervan op de hoogte zijn geweest dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">96.</span>Het hof heeft in het kader van de strafmotivering onder meer het volgende overwogen: ‘In het onderzoek Toren stond de afdeling Haarlem van de ‘outlaw motorcycle gang’ Hells Angels centraal. Deze afdeling, ook wel charter genoemd, van de Hells Angels is opgericht in 1980. Het charter Haarlem bestond ten tijde van de bewezenverklaarde periode - uiteindelijk - uit negen zogenaamde ‘full colour members’, dit zijn leden die volledig lid zijn van de Hells Angels. De verdachte [verdachte] was één van hen. De verdachte maakt sinds 27 april 2006 als ‘full colour member’ deel uit van het charter Haarlem en had in de bewezenverklaarde periode de functie van ‘secretary’. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven nog steeds ‘member’ te zijn van de Hells Angels Haarlem.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht bewezen dat de negen ‘full colour members’ samen met de Stichting Hells Angels Haarlem en medeverdachte [betrokkene 4] in de periode van mei 2014 tot en met januari 2017 een criminele organisatie hebben gevormd en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft daarbij vastgesteld, dat in de bewezenverklaarde periode meerdere ernstige geweldsincidenten waaronder afpersingen, mishandelingen en brandstichtingen hebben plaatsgevonden die direct gerelateerd kunnen worden aan de club Hells Angels charter Haarlem. Op meerdere momenten zijn de geweldsacties besproken binnen het charter. Alle ‘full colour members’ zijn ervan op de hoogte geweest dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd. De ‘full colour members’ hebben op meerdere momenten deelgenomen aan de besluitvorming die plaatsvond in het kader van bijvoorbeeld afpersingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het charter beschikte over een clubhuis in Haarlem. In dit clubhuis vonden niet alleen vergaderingen en feesten - onder andere ter geldinzameling voor gedetineerde leden - plaats, maar werd ook in woord en geschrift uiting gegeven aan het zich buiten de wet willen plaatsen. Zo stond de tekst ‘dequiallo’, hetgeen betekent dat men zich verzet heeft tegen een overheidsdienaar, op een van de wanden in het clubhuis geschreven en hing er een geschrift aan de muur waarop stond ‘Deathhead Purple Heart’ met daaronder in het Engels onder meer de tekst dat een ieder die de ‘Purple Heart’ heeft verdiend zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Op een muur in het clubhuis stond ook groot geschreven het woord ‘omerta’ dat, zoals algemeen bekend is, verwijst naar een zwijgcultuur in een criminele omgeving.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste komt ook tot uitdrukking in de op 16 september 2016 gehouden vergadering van de ‘full colour members’, als daar wordt gesproken over weer eens ‘sweepen’ van het clubhuis. De president - [betrokkene 1] - van het charter zegt daarop dat als er echt iets te bespreken is ze dat wel buiten het clubhuis doen. Ook de opmerking van de verdachte [medeverdachte 5] ‘zwijgen met alles’ in de arrestantenbus net na de aanhouding past in de cultuur van ‘omerta’. De omstandigheid dat de verdachte en zijn medeverdachten zich bij de berechting in hoger beroep niet op hun zwijgrecht dan wel verschoningsrecht hebben beroepen, doet aan bovenstaande niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat verklaringen van de verdachten onderling waren afgestemd. De eensgezinde uitleg ter zitting in hoger beroep van ‘dequiallo’, die volstrekt in tegenspraak was met de uitleg die ‘full colour member’ [betrokkene 2] als getuige op de zitting had gegeven (verzet bij arrestatie, hetgeen past bij de algemeen internationaal bekende betekenis), was bijvoorbeeld opmerkelijk. Te meer nu de gegeven uitleg niet eerder door één van de verdachten naar voren was gebracht terwijl zij daar wel naar gevraagd waren. De ogenschijnlijke afstemming van verklaringen en het feit dat zowel de verdachte als zijn medeverdachten desgevraagd bevestigden dat zij nog steeds lid zijn van de Hells Angels charter Haarlem, zijn illustratief voor de vergaande verbondenheid die de verdachten - die elkaar ‘brothers’ noemen - naar elkaar ervaren en dat het charter nog steeds actief is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gegeven dat de verdachte en zijn in hoger beroep terechtstaande medeverdachten niet zelf actief hebben deelgenomen aan de gewelddadigheden zoals die door drie andere leden zijn gepleegd, doet aan de strafwaardigheid van de deelname aan een criminele organisatie niet af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deelnemen aan een criminele organisatie is als zelfstandig delict strafbaar gesteld omdat van dergelijke samenwerkingsverbanden een bijzondere dreiging richting de maatschappij uitgaat. Het is een misdrijf tegen de openbare orde. Deze strafzaak illustreert dit ook; meerdere ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuigen gaven aan geen specifieke vrees te hebben voor de individuele verdachten die terecht stonden in hoger beroep, maar gaven wel aan vrees te hebben voor de Hells Angels als club.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte is lid geweest van het charter Haarlem, heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie waartoe dit - in de woorden van [betrokkene 2] als kei- en keihard bekend staande - charter behoorde en was er ook overigens van op de hoogte dat er strafbare feiten uit naam van de Hells Angels werden gepleegd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie.’ 97. De steller van het middel voert aan dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte ‘aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende en ondersteunende handelingen heeft verricht’. In aanmerking genomen dat voor het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie niet is vereist dat misdrijven of strafbare pogingen daartoe zijn begaan of zelfs maar voorbereidingen zijn getroffen, zou het hof de aan de verdachte ‘toegeschreven wetenschap over strafbare feiten (…) door enkele leden van het charter (…) kennelijk als strafverzwarende omstandigheid (hebben) aangemerkt’. Uit de bewijsvoering zou echter niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte ‘als ‘full colour member’ ervan op de hoogte is geweest dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd’. In het bijzonder zou het hof blijkens de bewijsvoering niet hebben vastgesteld dat de verdachte ‘op de hoogte was van het (vervolgens) door anderen daadwerkelijk afpersen van [getuige 2] en [getuige 7] ’.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">98.</span>Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 1 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (kort samengevat) openlijke geweldpleging, brandstichting, dwang, bedreiging, (zware) mishandeling (met voorbedachte raad en van ambtenaren), afpersing en het voorhanden hebben van (een) wapen(s) en munitie. Deze organisatie bestond uit de full members van het charter Hells Angels Haarlem, waaronder de verdachte, alsmede [betrokkene 4] en de Stichting Hells Angels Haarlem. Het hof heeft onder het kopje ‘De deelname en rol van [verdachte] aan/bij vergaderingen over’ onder het subkopje ‘Aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen’ onder meer vastgesteld dat de verdachte ‘met de andere leden van de Hells Angels Haarlem (heeft) vergaderd en gestemd over concrete, door de organisatie te plegen strafbare feiten en heeft vergaderd over gepleegde strafbare feiten’. Daarin ligt, zo stelt het hof onder het kopje ‘Conclusie met betrekking tot wetenschap’ vast, wetenschap van de verdachte van het criminele oogmerk van de organisatie besloten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">99.</span>Daarmee vindt de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte ervan op de hoogte is geweest ‘dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd’ een toereikende basis in de feiten die het hof in de bewijsmotivering heeft vastgesteld. Dat geldt in het bijzonder (ook) voor de afpersing van [getuige 2] en [getuige 7] . Ik neem daarbij in aanmerking dat door de ledenvergadering genomen beslissingen de leden in sterke mate bonden, zoals blijkt uit de eerder geciteerde uitlatingen van [betrokkene 1] inzake de ‘boete’ die aan [getuige 7] was opgelegd. Ik wijs er voorts op dat voorbereiding van en poging tot afpersing strafbaar is. Wat de gepleegde strafbare feiten betreft wijs ik voorts op de vergadering van 16 september 2016, waar ‘onze eigen houding’ tegen andere motorclubs, het beleid dat ‘te donker’ is, het vast kunnen komen te zitten naar aanleiding van de vechtpartij met de Mongols in het Van der Valk hotel in Rotterdam en het verhullen/afdekken voorbij kwamen. Tegen die achtergrond meen ik dat de klacht, die ik aldus begrijp dat deze door het hof in aanmerking genomen omstandigheid geen toereikende basis zou hebben in de door het hof vastgestelde feiten, faalt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">100.</span>Het derde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afronding 101. Alle middelen falen en kunnen in beginsel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">102.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 11 mei 2017, p. H199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 9 juli 2014, p. F0429.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] d.d. 9 september 2014, p. F0592-0593 en proces-verbaal gesprek [getuige 4] van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] d.d. 22 mei 2017, p. H213-214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 7] d.d. 22 augustus 2015, p. F1162-1163.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] d.d. 5 januari 2016, p. F1199-1200.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] d.d. 7 juni 2017, p. F2429.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 4] d.d. 16 februari 2017, p. H175-178.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 3] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020, p. 65-66.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 6] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020, p. 61-65.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 7] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 8] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2020, p. 55-56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2020, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 2] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2020, p. 92.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 11] d.d. 7 maart 2017, p. H186.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p 45-46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Brandaris van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 13] , p. K2.7/105, 106 en 111.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen spoedtaps n.a.v. krantenbericht van verbalisant [verbalisant 14] d.d. 13 mei 2015, p F0006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 16] d.d. 7 juni 2017, F2414-2415.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 19] d.d. 22 mei 2017, p. F2356.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 19] d.d. 22 mei 2017, p. F2363.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d 1 augustus 2017, p C-27/66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] d.d. 22 april 2016, p. L1.2/771- 772.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Arrestantenbus van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 25] d.d. 20 februari 2017, p. K2.10/004.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 17] d.d. 10 november 2015, p. K2.3/0038.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [betrokkene 2] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2020, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/176.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen bolhamers van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 28 maart 2017, p. F1976 en 1981.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 22 maart 2017, p. P/A en proces-verbaal van bevindingen bolhamers van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 28 maart 2017, p. F1978-1980.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen toezicht [a-straat] Haarlem van verbalisant [verbalisant 24] d.d. 2 augustus 2016, p. F0207.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitsluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 8] d.d. 3 april 2017, p. F1950.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Arrestantenbus van verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 25] d.d. 20 februari 2017, p. K2.10/012.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/201-202.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/082 en proces-verbaal van bevindingen aanvulling OVC Clubhuis van verbalisant [verbalisant 15] d.d. 1 mei 2017, p. K2.6/230-231.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [medeverdachte 4] en [betrokkene 21] d.d. 14 januari 2017, p. L1.2/699-700 en proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 16] d.d. 28 februari 2017, p. F1854-1855.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/5 en 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 en 21 januari 2021, p. 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 4] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisant [verbalisant 17] d.d.12 juni 2016, p. K2.3/1323.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep 18 januari 2021, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 18] d.d. 22 november 2016, p. F0331 en de verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p. 43, 46 en 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [getuige 11] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] d.d. 9 augustus 2015, p. L1.2/653-654.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C14 Uitkijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] d.d. 30 juni 2015, p. L1.1/027-028.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren PI Zwaag van verbalisanten [verbalisant 14] en [verbalisant 23] d.d. 24 juli 2015, p. K2.1/041, 42).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] d.d. 13 augustus 2015, p. I1.2/455.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C17 Millennium.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Seat van verbalisant [verbalisant 26] d.d. 17 juli 2017., p. K 2.4/608-609.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/170-204.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/180.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 11] d.d. 13 december 2016, p. F0253-0261.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/175.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/171.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/183-185.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/197.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/198.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/174, 178 en 179.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/201-202.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 19] d.d. 22 mei 2017, p. F2352.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 27 maart 2018, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Mercedes van verbalisanten [verbalisant 20] en [verbalisant 21] d.d. 14 oktober 2016, p. K2.2/506-507.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Mercedes van verbalisanten [verbalisant 20] en [verbalisant 21] d.d. 14 oktober 2016, p. K2.2/509.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] d.d. 30 november 2015, p. L1.2/583.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] d.d. 18 december 2015, p. L1.2/545.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 en 21 januari 2021, p. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 19] d.d. 22 mei 2017, p. F2358.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 3] d.d. 6 december 2016. p. K2.6/196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/94.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van verdachte [medeverdachte 3] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 en 21 januari 2021, p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verklaring van getuige [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10406. Zie de conclusie van A-G Assink van 25 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:296.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Gerechtshof Amsterdam 10 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:636, 637, 639, 644, 645, 646 en Rechtbank Noord-Holland 18 juli 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:6115, 6181, 6188, 6251, 6252, 6260, 6266, 6268, 6273, 6277, 6280.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Limburg 9 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5442, 5443, 5458, 5465, 5484, 5488, 5489, 5490, 5491, 5492, 5505, 5512, 5524, 5525, 5533, 5544, 5546, 5570, 5571, 5572 (Bandidos); Rechtbank Noord Nederland 13 november 2020, ECLI:RBNNE:2020:3888, 3889, 3892, 3893 (No Surrender); Rechtbank Limburg 22 februari 2019, ECLI:RBLIM:2019:1676 (Satudarah).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72, rov. 4.3; HR 2 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5189, NJ 2010/687, rov. 4.3; HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2631, rov. 7.4. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, NJ 2018/169, rov. 2.3.2. Het criterium is in de kern reeds te vinden in HR 16 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1248, NJ 1991/442 m.nt. Corstens (Mariënburcht), rov. 13.1-13.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8741, NJ 1991/499, rov. 5.3; HR 6 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992ÄB9524, NJ 1993/100, rov. 6.3; HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 m.nt. Mevis, rov. 3.4; HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/357, rov. 2.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1, 3.8.1 en 3.8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewezenverklaring spreekt van het charter Haarlem; het hof en de stellers van de middelen gebruiken ook de term chapter. Ik zal in deze conclusie ook beide termen gebruiken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134, NJ 2008/72. Vgl. ook eerdere arresten betreffende mededaders: HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9220 en HR 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9222.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dat verband Gerechtshof Amsterdam 15 juni 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7689, NJ 2009/370 m.nt. Buruma. Buruma beschrijft hoe de omerta er in deze zaak toe leidde dat twaalf leden van het Limburgse chapter van de Hells Angels werden vrijgesproken van het medeplegen van moord dan wel doodslag op drie clubgenoten. De omerta is een breder probleem bij opsporing in verband met Outlaw Motorcycle Gangs; vgl. de Voortgangsrapportage Outlaw Motorcycle Gangs 2017 van het Landelijk Strategisch Overleg Integrale aanpak OMG’s, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:HR:2007:BA0502, NJ 2008/559 m.nt. Mevis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. onder meer HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225 m.nt. De Hullu, rov. 5.3; HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4415, NJ 2011/21, rov. 3.5.2; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, rov. 4.3 en HR 15 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:406, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264. Het hof leidde het vereiste opzet af uit het bewust een bedrijfscultuur laten ontstaan en voortbestaan waarin de regels omtrent het melden van ongebruikelijke transacties structureel niet werden nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 16 oktober 1990, NJB 1990, nr. 154. Zie daarover nader M.J.H.J. De Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht. Een onderzoek naar de strafbaarstelling van deelneming aan misdaadorganisaties, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 52. Ook in HR 29 januari 1991, DD 91.169 (Vredesactiekamp) en in HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161, NJ 2012/657 m.nt. Keijzer werd de bewijsvoering van deelneming ontoereikend geoordeeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie voor HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:448, randnummer 86. Zie in verband met de reikwijdte van het begrip deelneming ook zijn conclusie voor HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:835, randnummer 12. Vgl. voor een weergave van opvattingen over de betekenis van het bestanddeel ‘deelneming’ in de literatuur A.N. Kesteloo, Deelneming aan een criminele organisatie, Nijmegen: WLP 2011, p. 57-61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst naar het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 18] d.d. 22 november 2016, p. F0331 en de verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p. 43, 46 en 47; de verklaring van getuige [getuige 11] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 104 en een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] d.d. 9 augustus 2015, p. L1.2/653-654.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik attendeer in dit verband ook nog op drie in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen. In een tapgesprek met NNvrouw 6927 zegt [getuige 2] dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] er ‘een stokkie voor hadden kunnen steken’ maar dat niet hebben gedaan (bewijsmiddel 15). In een ander tapgesprek zegt [getuige 2] dat ‘die ouderen allemaal (…) hadden moeten ingrijpen’ (bewijsmiddel 16). Kennelijk gaat ook [getuige 2] ervanuit dat andere leden dan [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het moeten afstaan van zijn motor hadden kunnen tegenhouden. [getuige 1] heeft op 4 oktober 2016 verklaard dat hij medio september 2014 uit de club is gegooid en dat hij zijn motor moest inleveren (bewijsmiddel 6). De behandeling die [getuige 2] ten deel viel stond kennelijk niet op zichzelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, NJ 2016/375 m.nt. Wolswijk, rov. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 488-489.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178, NJ 2012/658 m.nt. Keijzer. Dat was ook het geval in HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5136, NJ 2012/656 m.nt. Keijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in die zin ook A-G Bleichrodt in de conclusie voor HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1741, randnummer 16. Zie ook De Hullu, a.w., p. 426.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. De Vries-Leemans, a.w., p. 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de randnummers 47-49, 53-55. Zie voorts de verklaring die de verdachte op 19 januari 2021 tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft afgelegd. Daarin verklaart hij dat de club heeft besloten dat [getuige 2] niet meer terug hoefde te komen. Op de vraag wie daarbij aanwezig waren, verklaart de verdachte: ‘van mij hoefde hij in ieder geval niet meer terug te komen’. Hem is niet bekend ‘dat [getuige 2] zijn motor moest inleveren’ (p. 51). Op 21 januari 2021 heeft [verdachte] , gehoord als verdachte, verklaard dat hij bleef bij de verklaring die hij op 19 januari als getuige had afgelegd; deze kon ook in zijn strafzaak gelden (p. 70).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997/98, 25 638, nr. 6, p. 2 en 4. Zie ook Kamerstukken II 1997/98, 25 638, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze begripsbepaling is als vierde lid aan art, 140 Sr toegevoegd door de Wet terroristische misdrijven, Stb. 2004, 290 en inmiddels vernummerd tot vijfde lid (Wet herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen, Stb. 2019, 311).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416, NJ 2018/72 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413, NJ 2018/73, m.nt. Kooijmans.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225, m.nt. De Hullu, rov. 5.4; HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, NJ 2003/64, rov. 3.3 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814, rov. 2.3.1. Zie over deze eis nader A. Kesteloo, ‘Het bijzonder opzetvereiste bij deelneming aan een criminele organisatie: wetenschap (in de zin van onvoorwaardelijk opzet)’, TPWS 2016/38, met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5136, BW5161, BW5178, NJ 2012/656-658 m.nt. Keijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis, rov. 3.2.1; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 m.nt. Mevis, rov. 3.2.1 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 m.nt. Rozemond. Zie nader De Hullu, a.w., p. 439-444.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten overvloede merk ik nog op dat, meer in het algemeen, niet vereist is dat feiten en omstandigheden die in de strafmotivering in aanmerking worden genomen, uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Zie Borgers en Kooijmans, a.w., p. 961.</p></div>", "next": 0}