{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie ook art. 15 Richtlijn. Uit de vaststaande feiten blijkt dat [het antiquariaat] Nippon [KB-medewerker 1] dan om niet in bezit heeft gekregen (zie onder 2.2 hiervoor). Zweden heeft gesteld dat [het antiquariaat] niet een verkrijger te goeder trouw is (zie ook noot 10 hiervoor). Vgl. hierover de spreekaantekeningen van [het antiquariaat] in hoger beroep, onder 18-20: “18 Zweden heeft [het antiquariaat] in deze procedure weggezet als een dubieuze onderneming die louter uit [zou, A-G] zijn op commercieel te behalen voordeel, zich bewust zou hebben ingelaten in een onzuivere situatie, Nippon tegen een te lage prijs zou hebben gekocht, de ethische code van ILAB [International League of Antiquarian Booksellers, A-G] zou hebben geschonden en te kwader trouw zou hebben gehandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze valse aantijgingen steken [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . 19 Als juist zou zijn, zoals Zweden beweert, dat “ [het antiquariaat] gezien haar status [had] moeten weten dat Nippon van de KB was” (nr. 39 dagvaarding), dan had zij Nippon vanzelfsprekend niet kort na aankoop te koop aangeboden in zijn catalogus en op zijn website. Als juist zou zijn, zoals Zweden beweert, dat [het antiquariaat] slechts uit was op commercieel voordeel, dan waren [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet afgereisd naar Zweden om een oplossing te bespreken. [het antiquariaat] zou dan evenmin herhaaldelijk aan Zweden hebben aangeboden om Nippon over te nemen tegen vergoeding van de aanschafprijs. [het antiquariaat] heeft zich kortom in alle opzichten gedragen als een koper te goeder trouw. 20 Sinds haar oprichting in 1899 heeft [het antiquariaat] grote naamsbekendheid en een zeer goede reputatie opgebouwd onder antiquaars en hun clientèle.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die is haar veel waard. De lasterlijke stellingen die Zweden in deze procedure ongefundeerd heeft ingenomen, schaden [het antiquariaat] . Zweden had zich dat moeten realiseren en zich onthouden van het innemen van ongefundeerde verdachtmakingen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de inleidende dagvaarding van Zweden, onder 2: “De KB valt onder gezag van eiseres [Zweden, A-G]” Vgl. ook de memorie van antwoord van [het antiquariaat] , onder 46: “De KB heeft géén rechtspersoonlijkheid en ressorteert rechtstreeks onder het Zweedse ministerie van Onderzoek en Onderwijs”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 3, eerste alinea, Richtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 18 bij de inleidende dagvaarding van Zweden en productie 20 bij de memorie van grieven van Zweden. Zie bijv. ook de Lijst van centrale autoriteiten aangewezen door de lidstaten inzake teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, gepubliceerd overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 93/7/EEG van de Raad (PbEU C 130 van 4 juni 2003, p. 8). Zie verder over de Swedish National Heritage Board, die ressorteert onder het Zweedse ministerie van Cultuur, www.raa.se/in-english/. Voor Nederland was de centrale autoriteit aanvankelijk de Rijksdienst Beeldende Kunst, vervolgens de Inspectie Cultuurbezit die werd omgedoopt tot Erfgoedinspectie en thans de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed, ressorterend onder het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Zie ook Salomons 2014, p. 207. Zie verder ook www.inspectie-oe.nl/ Zie hierover bijv. J. de Ceuster, ‘Les règles communautaires en matières de restitution des biens culturels ayant quitté illicitement le territoire d’un Etat membre; analyse de la directive 93/7/EEG/CEE du 15 mars 1993’, Revue du Marché Unique Européen 1993, 2, p. 75, die spreekt van “l’une des pierres d’achoppement”. Zie ook F. Rigaux, ‘The protection of of cultural heritage. Aspects of EEC law’, in: Kunsthandel (inclusief antiquiteiten) en de bescherming van nationaal cultureel erfgoed (Preadviezen NVIR), Deventer: Kluwer 1994, p. 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8 lid 1 van het Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die ongeoorloofd buiten het grondgebied van een Lid-Staat zijn gebracht (PbEG C 53 van 28 februari 1992, p. 13).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus De Ceuster 1993, p. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Amendement nr. 20 van het Europees Parlement bij het Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die ongeoorloofd buiten het grondgebied van een lid-staat zijn gebracht (PbEG C 176 van 13 juli 1992, p. 132-133).</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8 lid 1 van het Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Lid-Staat zijn gebracht (PbEG C 172 van 8 juli 1992, p. 11). Zie voor de goedkeuring door het Europees Parlement ook PbEG C 72 van 15 maart 1993, p. 72-73.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijv. ook P.S. Sjouke, Het behoud van cultuurgoederen. Twee werelden, twee visies (diss. Rotterdam), Nijmegen: Ars Aequi Libri 1999, p. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus De Ceuster 1993, p. 77. Hij wijst er bovendien nog op dat de verkorte relatieve verjaringstermijn waarschijnlijk ook niet los kan worden gezien van de uiteindelijk vastgestelde lengte van de absolute verjaringstermijnen (waarover noot 9 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een (fictief) voorbeeld P. Rodenburg, ‘Beantwoording rechtsvraag (255) Overdracht van roerende zaken’, AA 1997, p. 55 en 57: “Inmiddels publiceert de gezaghebbende kunsthistoricus Van Groningen in de pers over het weer opduiken van de kostbare Picasso. Tot hun verbazing worden Woons [die de desbetreffende schets van Picasso uit deze casus in 1994 uit particulier bezit had aangekocht, A-G] en Jongejans [die stelt dat de Picasso in 1993 uit diens collectie is gestolen bij een inbraak die in alle kranten is vermeld en op 1 maart 1996 onder Woons conservatoir beslag tot afgifte heeft gelegd, A-G] op 1 mei 1996 aangesproken door de Staat Frankrijk. Deze EG Lid-Staat stelt tegen hen een rechtsvordering tot teruggave in [onder meer stellende dat de Picasso in 1993 op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van Frankrijk is gebracht, A-G]. (…) Art. 3:310a BW bepaalt dat de vordering van de Lid Staat verjaart door verloop van een jaar nadat de plaats waar de zaak zich bevindt en de identiteit van bezitter of houder aan de Lid Staat zijn bekend geworden (…). De termijn van een jaar is in casu nog niet verstreken, aangenomen dat Frankrijk door de publicaties van de kunsthistoricus Van Groningen (na 1 maart 1996) op de hoogte is geraakt van de aanwezigheid van de Picasso bij Woons in Nederland.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit rechtshulpverzoek rov. 2.4, 3.6.2 en 3.6.3 van het arrest. Zie ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 8 december 2020, p. 2 (antwoorden van mr. Das Gupta, advocaat van Zweden in feitelijke instanties): “U vraagt of het proces-verbaal van de politie in Zweden beschikbaar was. Ja, maar dat was niet bestemd voor het instellen van civiele zaken. Er was sprake van een verzoek om rechtshulp in het kader van opsporing in strafrechtelijke zin.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de implementatie in deze lidstaten ook de schriftelijke toelichting van Zweden, onder 10 en de dupliek van [het antiquariaat] , onder 4-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Loi n°95-877 du 3 août 1995 portant transposition de la directive 93/7 du 15 mars 1993 du Conseil des Communautés européennes relative à la restitution des biens culturels ayant quitté illicitement le territoire d'un Etat member, JORF n°180 van 4 augustus 1995, te vinden via www.legifrance.gouv.fr/jorf/id/JORFTEXT000000189108. Zie hierover ook Sjouke 1999, p. 123-145, in het bijzonder p. 140-142.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook Sjouke 1999, p. 141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesetz zur Umsetzung von Richtlinien der Europäischen Gemeinschaften über die Rückgabe von unrechtmäßig aus dem Hoheitsgebiet eines Mitgliedstaats verbrachten Kulturgütern und zur Änderung des Gesetzes zum Schutz deutschen Kulturgutes gegen Abwanderung (Kulturgutsicherungsgesetz – KultgutSiG) van 15 oktober 1998, BGBl. I, p. 3162, te vinden via www.bgbl.de/xaver/bgbl/start.xav?startbk=Bundesanzeiger_BGBl&amp;start=//*[@attr_id=%27bgbl107s0757.pdf%27]#__bgbl__%2F%2F*%5B%40attr_id%3D%27bgbl198070.pdf%27%5D__1647951235810. Deze bepaling is in 2007 vernummerd tot par. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook Sjouke 1999, p. 97-121, in het bijzonder p. 117-120.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus ook Sjouke 1999, p. 118-119.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bericht über die Auswirkungen des Gesetzes zur Ausführung des UNESCO-Übereinkommens vom 14. November 1970 über Maßnahmen zum Verbot und zur Verhütung der rechtswidrigen Einfuhr, Ausfuhr und Übereignung von Kulturgut (Ausführungsgesetz zum Kulturgutübereinkommen) und den Schutz von Kulturgut vor Abwanderung ins Ausland, 2013, te vinden via https://www.bundesregierung.de/resource/blob/974430/333592/b8952b73df2ac346da39788b0ba996da/2013-04-24-bericht-kulturgutschutz-data.pdf, p. 65-66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 35 hiervoor, p. 65.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 35 hiervoor, p. 60-61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover in algemene zin ook Sjouke 1999, p. 163-166, Salomons 2014, p. 208, C. Bollen &amp; G.-R. de Groot, ‘Verknoeit het Europese recht ons Burgerlijk Wetboek. Voorstel wijziging bescherming van derden te goeder trouw en wijziging verjaringsbepalingen’, NTBR 1995/1, p. 1-10 en M.H. Wissink, ‘De reikwijdte van het cultuurgoederenregime in Boek 3 BW’, WPNR 1998/6321, p. 455-462.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23657, nr. 2, p. 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23657, nr. 3, p. 13-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1994/95, 23657, nr. 8, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1994/95, 23657, nr. 8, p. 5. Zie verder ook op p. 4-5: “Opmerking verdient in dit kader verder nog dat Finland, Noorwegen en Zweden waarschijnlijk met ingang van 1 januari 1995 tot de Europese Unie zullen toetreden. Aangezien op dit moment nog geen zekerheid bestaat óf en zo ja, op welke datum ieder van deze staten daadwerkelijk als partij zal toetreden tot het Verdrag inzake de Europese Unie, alsmede welke datum dan zal gelden met betrekking tot artikel 13 van de richtlijn, is in deze nota van wijziging ter zake geen overgangsbepaling opgenomen. (…) Deze tweede nota van wijziging biedt voorts de gelegenheid enkele andere wijzigingen aan te brengen. In het overleg dat regelmatig plaatsvindt tussen ambtenaren van de lid-staten van de Europese Unie en van de Commissie van de Europese Gemeenschappen is onlangs het onderhavige wetsvoorstel aan de orde geweest. Daaruit is naar voren gekomen dat het wetsvoorstel op een enkel punt de bedoeling van de richtlijn duidelijker zou kunnen verwoorden. Enkele onderdelen van deze nota voorzien hierin.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 9 maart 1995, Stb. 1995, 145.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Verordening (EEG) nr. 3911/92 van de Raad betreffende de uitvoer van cultuurgoederen en Richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, COM(2000) 325 definitief van 25 mei 2000, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tweede verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, COM(2005) 675 definitief van 21 december 2005, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Derde verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, COM(2009) 408 definitief van 30 juli 2009, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige noot, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Richtlijn 93/7/EEG van de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht, COM(2013) 310 definitief van 30 mei 2013, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (Herschikking), COM(2013) 311 definitief van 30 mei 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige noot, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (herschikking) (PbEU L 159 van 28 mei 2014).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34097, nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34097, nr. 3, p. 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 14 augustus 2015, Stb. 2015, 319.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 4 juni 2015, Stb. 2015, 225, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Loi n° 2015-195 du 20 février 2015 portant diverses dispositions d'adaptation au droit de l'Union européenne dans les domaines de la propriété littéraire et artistique et du patrimoine culturel, JORF n°0045 van 22 februari 2015, te vinden via www.legifrance.gouv.fr/loda/id/LEGIARTI000030263907/2015-02-23/. Zie art. 6 van deze wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te vinden via www.assemblee-nationale.fr/14/pdf/projets/pl2319.pdf, p. 10. Zie ook op p. 11: “Il précise, conformément au I de l’article 8 de la directive 2014/60/UE, que l’action en restitution se prescrit après un délai de trois ans, au lieu d’un an, jugé trop court, dans le précédent texte, et clarifie le point de départ de ce délai, en mentionnant qu’il commence à courir à compter de la date à laquelle l’autorité centrale de l’État requérant a eu connaissance du lieu où se trouvait le bien culturel et de l’identité de son possesseur ou détenteur. (…) L’article L. 112-10 est modifié, conformément au I article 8 de la directive 2014/60/UE, pour préciser que l’action en restitution se prescrit dans un délai de trois ans à compter du moment où l’autorité centrale de l’État requérant a eu connaissance du lieu où se trouvait le bien culturel et de l’identité de son possesseur ou détenteur.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Gesetz zur Neuregelung des Kulturgutschutzrechts vom 31 Juli 2016, BGB I, nr. 39 van 5 augustus 2016, p. 1928, te vinden via www.bgbl.de/xaver/bgbl/start.xav?startbk=Bundesanzeiger_BGBl&amp;jumpTo=bgbl116s1914.pdf. Zie ook de toelichting op deze bepaling, te vinden via www.kulturgutschutz-deutschland.de/SharedDocs/Downloads/DE/HandreichungKGSG.pdf, p. 229: “§ 56 setzt – ergänzend zu § 55 Absatz 2 – Artikel 8 Absatz 1 Unterabsatz 1 der Richtlinie 2014/60/EU um”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de in de vorige noot bedoelde toelichting, p. 119: “Der Begriff „zentrale Stelle“ entspricht der Begriffswahl in Artikel 4 der Richtlinie 2014/60/EU. An dem früheren Begriff der „Zentralstelle“ nach § 2 des Kulturgüterrückgabegesetzes wurde nicht festgehalten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlage 14 bij Das neue Kulturgutschutzgesetz. Handreichung für die Praxis, te vinden via www.kulturgutschutz-deutschland.de/SharedDocs/Downloads/DE/HandreichungKGSG.pdf, p. 379-383.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. J.L. Smeehuijzen, De bevrijdende verjaring (Recht en praktijk nr. 162), Deventer: Kluwer 2008, nr. 16.1: “De art. 3:310a en 3:310b blijven wegens hun weinig frequente toepassing buiten beschouwing”. In C.J.J.M. Stolker, T&amp;C BW, Deventer: Wolters Kluwer 2021, commentaar op art. 3:310a BW (bijgewerkt t/m 1 juli 2021) en M.W.E. Koopmann, GS Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, art. 3:310a BW (bijgewerkt t/m 1 april 2019) trof ik (afgezien van de hiernavolgende noot) evenmin relevante rechtspraak over art. 3:310a BW aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2644 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), RvdW 1998/103, NJ 1999/44, m.nt. Th.M. de Boer, AA 1998, p. 888, m.nt. P. Vlas (Klooster in een landschap).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Verwaltungsgericht München 31 juli 2008, M 17 K 06.3644, te vinden via https://openjur.de/u/469470.html, rov. 56: “Dabei kann dahingestellt bleiben, ob für den Beginn der Verjährungsfrist ausschließlich die Kenntnis der zentralen Stelle des jeweiligen Mitgliedsstaates maßgebend ist, oder ob auch die Kenntnis anderer Behörden des Mitgliedsstaates die Verjährung in Gang setzt. Selbst wenn man auf die Kenntnis der zentralen Stelle und damit auf die Kenntnis des … Kulturministeriums abstellen will, wäre die Klage gegen den ursprünglichen Beklagten verfristet erhoben worden.” Zie ook Verwaltungsgericht Berlin 9 december 2010, 1 A 199.08, te vinden via https://openjur.de/u/283721.html, rov. 46: “Dabei kann dahingestellt bleiben, ob für den Beginn der Verjährungsfrist ausschließlich die Kenntnis der zentralen Stelle des jeweiligen Mitgliedsstaates maßgebend ist, oder ob auch die Kenntnis anderer Behörden des Mitgliedsstaates die Verjährung in Gang setzt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Selbst wenn man – wie die Klägerin - auf die Kenntnis des Generalsekretärs des italienischen Ministeriums für Kulturgüter abstellt, ist die Klage verfristet erhoben worden.”Vgl. hetgeen [het antiquariaat] in de onderhavige zaak naar voren heeft gebracht over de wetenschap van de centrale autoriteit van Zweden (Swedish National Heritage Board) in de memorie van antwoord, onder 50-54: “50 Bovendien heeft [het antiquariaat] in eerste aanleg een publicatie van The National Heritage Board overgelegd waaruit blijkt dat The National Heritage Board in 2008 volledig van het dossier [KB-medewerker 1] op de hoogte was. Uit deze publicatie kan worden opgemaakt dat zij beschikte over alle relevante informatie uit de documenten die zijn overgelegd, als productie 7 bij de conclusie van antwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het boek bevat een uitgebreide en gedetailleerde beschrijving over de huiszoeking bij Ketterer, de politieverhoren met [KB-medewerker 1] en zijn bekentenissen. Op p. 119 (rechter kolom) wordt uitvoerig beschreven welke informatie de Zweedse politie bij de huiszoeking op de computer van Ketterer Kunst heeft gevonden. Het betreft onder andere informatie over alle transacties die verband hielden met de door [KB-medewerker 1] verduisterde werken. (…) 51 Het kan niet [KB-medewerker 1] dan dat de lijst met transacties waarvan in deze passage melding wordt gemaakt, de lijst betreft die is overgelegd als productie 15 (en pagina 3 daarvan bij conclusie van antwoord als productie 2). Uit het proces-verbaal van de huiszoeking blijkt namelijk niet van enige andere lijst van transacties.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de lijst van Productie 15 staat dat Nippon is verkocht aan [het antiquariaat] . The National Heritage Board wist dat dus in (uiterlijk) 2008. 52 (…) [D]e inhoud van het boek ondermijnt (…) het grootste deel van de stellingen van Zweden, met name de stelling dat The National Heritage Board pas in 2015 bekend zou zijn geworden met het feit dat Nippon aan [het antiquariaat] was verkocht. (…).” Het hof heeft wetenschap van Swedish National Heritage Board niet (kenbaar) in zijn beoordeling betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">OGH 9 juli 2013, 4 Ob 108/13f, te vinden via https://rdb.manz.at/document/ris.just.JJT_20130709_OGH0002_0040OB00108_13F0000_000. Vgl. ook OGH 13 oktober 2010, 3 Ob 111/10k, te vinden via https://rdb.manz.at/document/ris.just.JJT_20101013_OGH0002_0030OB00111_10K0000_000.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bundesgesetz zur Umsetzung der Richtlinie 93/7/EWG über die Rückgabe von unrechtmäßig aus dem Hoheitsgebiet eines Mitgliedstaates der Europäischen Gemeinschaft verbrachten Kulturgütern, BGBl. I, nr. 67/1998, te vinden via https://www.ris.bka.gv.at/GeltendeFassung.wxe?Abfrage=Bundesnormen&amp;Gesetzesnummer=10010076&amp;FassungVom=2016-04-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te vinden via www.parlament.gv.at/PAKT/VHG/XX/I/I_00690/fnameorig_139566.html.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus M.W.E. Koopmann, GS Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, art. 3:310a BW, aant. 7 (bijgewerkt t/m 1 april 2019). Evenzo Salomons 2014, p. 211.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 17 bij de inleidende dagvaarding van Zweden. Zie ook de inleidende dagvaarding, onder 28-30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar art. 288 lid 3 VWEU en vaste rechtspraak van het HvJEU, aangehaald in noot 4 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken van Zweden noot 12 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de considerans van de Richtlijn: “dat de toepassing van deze regeling [tot teruggave van cultuurgoederen, A-G] zo eenvoudig en zo doeltreffend mogelijk dient te zijn”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts bij noot 40 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 65 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 49 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 52 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 19 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. hierover ook de memorie van antwoord van [het antiquariaat] , onder 48-49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar HvJEG 4 juli 2006, ECLI:EU:2006:443, NJ 2006/593 (Adeneler), punt 113-124.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.H. Wissink, ‘Interpretation of Private Law in conformity with EU Directives’, in: A.S. Hartkamp e.a. (red.), The Influence of EU Law on National Private Law (Serie Onderneming en Recht, deel 81-I), Deventer: Kluwer 2014, p. 130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 19 lid 1 Richtlijn 2014/60/EU.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 20 Richtlijn 2014/60/EU.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 4 juli 2006, ECLI:EU:2006:443, NJ 2006/593 (Adeneler), punt 123.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 21 Richtlijn 2014/60/EU.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 4 juli 2006, ECLI:EU:2006:443, NJ 2006/593 (Adeneler), punt 110.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover uitgebreid L.A.D. Keus, ‘The Principle of Legal Certainty’, in: A.S. Hartkamp e.a. (red.), The Influence of EU Law on National Private Law (Serie Onderneming en Recht, deel 81-I), Deventer: Kluwer 2014, p. 279-314. Zie ook kernachtig van dezelfde auteur, Europees privaatrecht (Monografieën BW deel A30), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 31 en 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Keus 2019, nr. 31, onder verwijzing naar HvJEG 17 juli 2008, ECLI:EU:C:2008:416 (ASM Brescia), punt 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. noten 64 en 69 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook de brief van de advocaat van de KB aan de advocaat van [het antiquariaat] van 23 juli 2013 opgenomen als productie 9 bij de inleidende dagvaarding van Zweden (“Without such a confirmation we will consider to file for a restitution claim before the Dutch court. Recent successes to reclaim some of the stolen books from buyers in the United States strengthen our confidence that [het antiquariaat] will accept its responsibility towards the library and immediately return the book to our client. If we do not receive a positive response by aforementioned date, legal proceedings will be instigated without further notice.”) en de brief van de advocaat van de KB aan de advocaat van [het antiquariaat] van 28 augustus 2013 opgenomen als productie 11 bij de inleidende dagvaarding van Zweden (“Please be advised that we have been instructed to prepare relevant court documents and may instigate legal proceedings without further notice”), die het hof betrekt bij zijn oordeel in rov. 3.8 van het arrest. De vordering tot teruggave van Nippon is vervolgens pas in 2018 ingesteld (zie onder 3.1 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst terug naar subonderdeel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar de memorie van grieven van Zweden, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Vlas (ECLI:NL:PHR:2015:2412) voor HR 11 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:394, RvdW 2016/384 (81 RO), onder 2.3. Zie verder bijv. ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2018/175: “De rechter moet ook ambtshalve vreemd recht toepassen. Meestal gebeurt dit op grond van conflictregels. Deze zijn niet van openbare orde. Indien hierover in appel een grief is aangevoerd zal de appelrechter moeten vaststellen of de eerste rechter de juiste regel van internationaal privaatrecht heeft toegepast, en vervolgens of het vreemde recht juist is toegepast. Als de eerste rechter uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft beslist over de vraag welk recht toepasselijk is, zal de appelrechter daarover alleen mogen oordelen als een grief tegen dat oordeel is aangevoerd. Als de eerste rechter over de noodzakelijke keuze van het toepasselijke recht geen (kenbare) beslissing heeft genomen, zal de appelrechter deze vraag op grond van zijn verplichting tot aanvulling van de rechtsgronden zelf moeten beantwoorden, eventueel na partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover nader uit te laten. Daarbij moet worden bedacht dat de beslissing besloten kan liggen in de motivering van de bestreden uitspraak: als de rechter bepalingen van nationaal recht heeft toegepast, ligt daarin besloten dat dit recht naar zijn oordeel op de verhouding tussen partijen van toepassing is.” [zonder voetnoten uit origineel, A-G] Zie bijv. ook de conclusie van antwoord van [het antiquariaat] , onder 21: “De KB valt onder gezag van de Zweedse staat (zie nr. 2 dagvaarding), noemt zich op (de Engelstalige versie van) haar website een ‘state agency’ en ressorteert onder het Zweedse ministerie van onderwijs en onderzoek (‘Utbildningsdepartementet’). De kennis van de KB is in juridische zin kennis van de Zweedse staat, aangezien “deze wetenschap in het maatschappelijk verkeer als wetenschap van [de Zweedse Staat] heeft te gelden.” (zie HR 11 maart 2005, NJ 2005/576 (Idee 2), r.o. 3.4.2).” [cursivering in origineel, A-G] Vgl. over de omstandigheden die het hof in rov. 4.3 van het vonnis betrekt bijv. ook B.M. Katan, Toerekening van kennis aan rechtspersonen (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 165-166.Ook uit de rest van het vonnis blijkt overigens dat de rechtbank Nederlands recht heeft toegepast. Zie bijv. rov. 4.4 van het vonnis, onder verwijzing naar HR 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6241, rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. – in reactie op grief 3 van Zweden – de memorie van antwoord van [het antiquariaat] , onder 45 (“In de arresten Los Gauchos, Idee 2 en Ontvanger/ […] heeft de Hoge Raad bepaald dat bij toerekening van kennis aan rechtspersonen, waaronder publiekrechtelijke rechtspersonen, moet worden bepaald of de kennis van het individu dat die kennis heeft “in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden” als kennis van de rechtspersoon (vgl. de norm voor toerekening van handelingen uit het arrest Kleuterschool Babbel).” [zonder voetnoten uit origineel, A-G]), en onder 55 (“De onhoudbaarheid van stelling III [Bekendheid van een Zweedse officier van justitie en twee politieagenten is onvoldoende voor bekendheid van Zweden in de zin van art. 3:310a lid 1 BW, A-G] is in het voorgaande al kort aan de orde geweest: kennis van een Zweedse officier van justitie en twee Zweedse politieagenten heeft in het maatschappelijk verkeer ontegenzeggelijk te gelden als bekendheid van Zweden in de zin van art. 3:310a lid 1 BW. De stelling van Zweden, die kennelijk meent dat slechts kennis van een zeer select gezelschap van absolute topfunctionarissen, waaronder ministers en ambassadeurs, aan haar kan worden toegerekend, is eenvoudigweg niet te verenigen met voornoemd criterium dat sinds jaar en dag vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is.” [onderstreping in origineel, A-G]).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit subonderdeel opnieuw een beroep doet op autonome uitleg/toepassing van de Richtlijn deelt het in het lot van het vorige subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik doel op rov. 2.4 van het arrest (zie ook onder 2.4 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noten 17 en 18 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de memorie van grieven van Zweden, onder 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie producties 4 en 5 bij de inleidende dagvaarding van Zweden. Het hof dateert het “rapport (…) van [KB-medewerker 4] ” in rov. 3.7 van het arrest overigens abusievelijk op 3 september 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor dit verweer ook rov. 3.4, sub e, van het arrest, onder verwijzing naar de brief van 5 september 2012. Vgl. overigens ook rov. 3.4. sub c, van het arrest, onder verwijzing naar een brief van Zwedens toenmalige advocaat van 28 augustus 2013. Zie voor deze laatste brief productie 11 bij de inleidende dagvaarding van Zweden. Deze brief van 28 augustus 2013 vermeldt onder meer: “Please be advised that the Royal Library has Swedish and German police reports at its disposal, which state that the stolen book was auctioned at Ketterer and was sold to [het antiquariaat] in 2003.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 3. Blijkens het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg, p. 1 is [KB-medewerker 5] verbonden aan de KB.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijv. ook de spreekaantekeningen in hoger beroep van [het antiquariaat] , onder 6: “Het is opmerkelijk dat de eisende procespartij die over alle benodigde documenten, gegevens en getuigen beschikt, zo terughoudend is met het delen van feitelijke informatie. De oorzaak laat zich raden: de feitelijke informatie waarover Zweden beschik[t] ontkracht haar vordering. Het lijdt namelijk geen twijfel dat Zweden al vanaf 2005 een vordering tegen [ [het antiquariaat] ] had kunnen instellen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de vindplaatsen in de gedingstukken in eerste aanleg van [het antiquariaat] genoemd in noot 2 van het verweerschrift tot verwerping, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook rov. 3.1 van het arrest: “De grieven stellen primair de vraag aan de orde of de rechtsvordering van Zweden tot opeising van Nippon als een cultuurgoed in de zin van Zweedse wetgeving was verjaard voordat Zweden de onderhavige procedure in eerste aanleg aanhangig maakte.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de memorie van antwoord van [het antiquariaat] , onder 1: “Alle in eerste aanleg ingenomen stellingen dienen als herhaald en ingelast te worden beschouwd” en de spreekaantekeningen in hoger beroep van [het antiquariaat] , onder 21: “De vorderingen van Zweden moeten integraal worden afgewezen op de gronden die [het antiquariaat] in appel en eerste aanleg heeft aangevoerd”. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep biedt evenmin aanknopingspunten voor ’s hofs oordeel dat [het antiquariaat] in hoger beroep niet langer betwist dat Nippon een cultuurgoed is.</p></div>", "next": 0}