{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De stelling “dat de problematiek binnen de Haven structureler is dan slechts (…) een in ongenade gevallen directeur” en het “onverminderd aanwezig” zijn van “[d]e belangen bij een enquête”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Enkele zinnen over [betrokkene 3] .</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De opmerking dat een interim-bestuurder van SMHHC ( [betrokkene 1] ) “facturen ter goedkeuring [tekende] zonder daar kritisch naar te kijken”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De suggestie “dat [belanghebbende 22] [slechts] een exponent lijkt van een diepgeworteld probleem binnen het Havenconcern” en dat “[u]it onderzoek [… 4] blijkt dat anderen met een formele functie in de Haven of anderszins invloed uitoefenend op het beleid daarvan, geen strobreed in de weg is gelegd.”</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze stellingen van het OM gaven het Hof dus ook geen aanleiding zijn oordeel in Beschikking IV nog weer nader te motiveren. Daarmee valt de bodem onder de klacht weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.17.3 In het voetspoor daarvan strandt de derde klacht in het subonderdeel, voor zover al te onderscheiden van de tweede klacht in het subonderdeel. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.17.4 Ook de vierde klacht in het subonderdeel loopt spaak. Aan de - in cassatie niet met vrucht bestreden - vaststelling van het Hof in rov. 2.7 van Beschikking IV dat op de eerste zitting is gevraagd naar de daar bedoelde aanwijzingen is inherent dat dit reeds toen in de onderhavige procedure ook aan het OM is voorgelegd en dat ook het OM zich daarover vervolgens in de onderhavige procedure heeft kunnen uitlaten. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat het bestreden oordeel van het Hof in Beschikking IV rechtens onjuist is, want in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor. Gezien ook 3.17.1-3.17.3 hiervoor doet daaraan niet af wat de klacht tot slot nog opmerkt (dus dat volgens het OM de door het Hof bedoelde vraag niet ter zitting aan het OM is voorgelegd en dat dit oordeel van het Hof zich niet afdoende laat verifiëren bij gebreke van een proces-verbaal van die eerste zitting).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.18 Hierop stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.19 Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 2 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 3.20 De slotsom luidt dat het principale cassatieberoep van het OM vergeefs is voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep 4.1 Het verweerschrift in het principale cassatieberoep tevens incidenteel cassatieberoep van [belanghebbende 22] bestaat wat betreft laatstgenoemd beroep uit een klacht (p. 3) met een toelichting daarop (p. 4-7), gevolgd door een “Voorbehoud procesdossier” (p. 7-8).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 De eerste aanvulling op het incidentele cassatieberoep van [belanghebbende 22] bestaat uit een inleiding (p. 2-3), gevolgd door twee klachten (p. 4-16) en een “Handhaving voorbehoud aanvulling procesdossier” (p. 16).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 De tweede aanvulling op het incidentele cassatieberoep van [belanghebbende 22] bestaat uit een inleiding (p. 2-3), gevolgd door een “aanvulling” op de “argumentatie” die [belanghebbende 22] heeft gegeven in nrs. 20-24 van de onder 4.2 hiervoor genoemde eerste aanvulling op zijn incidentele cassatieberoep, welke aanvulling bestaat uit een serie citaten uit producties 40-41 bij het verweerschrift van 15 mei 2018 van de vennootschappen (p. 4-5).</p>\n<p class=\"lf-p\">De (aangevulde) klachten 4.4 De (aangevulde) klachten van [belanghebbende 22] komen neer op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.1 In de eerste plaats dat de beslissing van het Hof in rov. 4.1 van Beschikking I om bij wijze van voorlopige voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding met ingang van Beschikking I [belanghebbende 22] als statutair bestuurder van de vennootschappen te schorsen, en de argumentatie van het Hof in rov. 3.4 van Beschikking I waarop deze beslissing steunt:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>strijdig zijn met het beginsel van hoor en wederhoor, nu het Hof [belanghebbende 22] niet deugdelijk in de gelegenheid heeft gesteld zijn stem te laten horen ter zake van met name de tegen hem verzochte schorsing en het enquêteverzoek zelf;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zijn, doordat het Hof naar aanleiding van het ter zake namens [belanghebbende 22] gevoerde verweer niet buiten twijfel heeft gesteld dat [belanghebbende 22] wel correct was opgeroepen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Daarom kan Beschikking I niet in stand blijven. Dat geldt ook voor Beschikking II t/m IV, nu deze beschikkingen voortbouwen op de hier bestreden beslissing en motivering daarvoor in Beschikking I. Zie onder 4.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4.2 In de tweede plaats dat het Hof:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in rov. 3.4 van Beschikking I of daarna niet (voldoende) is ingegaan op het verweer van de vennootschappen dat het OM geen belang heeft bij de verzochte schorsing van [belanghebbende 22] door het Hof, omdat [belanghebbende 22] door de vennootschappen al was geschorst en daarna op non-actief is gesteld, zodat de beslissing van het Hof om [belanghebbende 22] te schorsen rechtens onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in rov. 3.4 van Beschikking I ten onrechte, althans op onbegrijpelijke wijze, zijn schorsingsbeslissing mede heeft gebaseerd op de aan het verzoek tot schorsing ten grondslag gelegde redenen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Deze te onderscheiden klachten worden door [belanghebbende 22] aangevoerd ter aanvulling op een passage (diep) in de toelichting op de onder 4.4.1 hiervoor bedoelde klacht. Zie onder 4.2-4.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Deze (aangevulde) klachten falen reeds bij gebrek aan belang, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.1 In rov. 2.7 van Beschikking IV stelt het Hof mede vast dat de enige bestuurder [belanghebbende 22] inmiddels, na in een separate strafrechtelijke procedure in eerste aanleg onder meer te zijn veroordeeld tot 46 maanden gevangenisstraf (ECLI:NL:OGEAC:2020:23, ook genoemd in rov. 2.1 van Beschikking III), door de vennootschappen is ontslagen zonder vergoeding.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2 In dit strafvonnis van 29 januari 2020 lees ik niets over de schorsing door het Hof in Beschikking I van [belanghebbende 22] als bestuurder van de vennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.3 Het desbetreffende ontslagbesluit van 23 april 2020 is ook op schrift gesteld. Daaruit blijkt dat aan het ontslag van [belanghebbende 22] ten grondslag is gelegd: “i. the criminal suspicion and conviction [in genoemd strafvonnis, A-G] for fraud and embezzlement in the capacity as Managing Director, ii. the judgment [in genoemd strafvonnis, A-G] that [belanghebbende 22] is not allowed to act as Managing Director of a government-owned company for six years, iii. the irreparable lack of trust in [belanghebbende 22] by the GMS [de algemene vergadering, A-G], iv. the corrupted name and reputation of [belanghebbende 22] to third parties and investors locally, regionally and worldwide.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaruit blijkt verder dat “[e]ven if the Court of Appeal (or ultimately the Supreme Court) would acquit [belanghebbende 22] ” in genoemde strafrechtelijke procedure, gronden iii. en iv. “would still apply and warrant the dismissal”. De schorsing door het Hof in Beschikking I van [belanghebbende 22] als bestuurder van de vennootschappen wordt hier dus niet genoemd. Daarbij verdient nog opmerking dat uit genoemd besluit blijkt dat [belanghebbende 22] op 23 april 2020 voorafgaand in de gelegenheid is gesteld ter aandeelhoudersvergadering (waarin dit besluit is genomen) te worden gehoord en gebruik te maken van zijn raadgevende stem inzake het agendapunt betreffende zijn ontslag, wat ook is gebeurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.4 Met zijn (aangevulde) klachten tegen Beschikking I t/m IV beoogt [belanghebbende 22] vernietiging van deze beschikkingen op de onder 4.4-4.4.2 hiervoor samengevat weergegeven gronden. Dit in essentie “zodat, na verwijzing, alsnog [belanghebbende 22] aan het woord kan worden gelaten over de tegen hem verzochte schorsing”.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.5 Ik stel vast dat wat het Hof oordeelt in Beschikking II t/m IV duidelijk niet (ook) voortbouwt op zijn beslissing in Beschikking I tot schorsing van [belanghebbende 22] als bestuurder van de vennootschappen, met inbegrip van de motivering daarvoor in rov. 3.4 van Beschikking I. Zie ook onder 3.3 en 3.13 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.6 Over zijn “belang bij cassatie” heeft [belanghebbende 22] ermee volstaan op 9 juni 2021 het volgende op te merken, onder verwijzing naar “pagina 2, 5e tot en met 8e alinea” van zijn brief van 18 mei 2020 waarop het Hof doelt in rov. 1.2 van Beschikking IV: “ [belanghebbende 22] [heeft] gesteld dat de schorsing door het hof een voor hem diffamerend effect heeft gehad in achtereenvolgens de strafrechtelijke procedure en in de ontslagprocedure die jegens hem zijn gestart. (…) Voorts is het zo dat, zoals aan het slot van de brief genoemd, [belanghebbende 22] hoger beroep heeft ingesteld van de tegen hem uitgesproken strafrechtelijke veroordeling. Verder is het zo dat [belanghebbende 22] zich niet wenst neer te leggen bij zijn ontslag en dat hij zich beraad op rechtsmaatregelen daartegen. Op grond hiervan behoort [belanghebbende 22] alsnog te worden toegelaten tot het inhoudelijke debat terzake van het schorsingsverzoek, teneinde te trachten de genoemde diffamerende werking te ontzenuwen. (…) Daartoe dienen de beschikkingen te worden gecasseerd en dient verwijzing te volgen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een nadere concretisering en onderbouwing hiervan heeft [belanghebbende 22] daarin niet gegeven. Daarbij verdient nog opmerking dat de bevoegdheid om vernietiging van een besluit te vorderen, vervalt zes maanden na het einde van de dag waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd (art. 2:21 lid 4 BW-SM). Deze vervaltermijn kan door de belanghebbende bij een binnen die termijn aan de rechtspersoon gedaan exploot met een termijn van maximaal zes maanden worden verlengd (art. 2:21 lid 5 BW-SM). Ik breng in herinnering dat [belanghebbende 22] aanwezig was ter aandeelhoudersvergadering van 23 april 2020 waarin genoemd ontslagbesluit is genomen. Zie onder 4.5.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.7 Op p. 2, vijfde t/m achtste alinea van genoemde brief valt niet meer te lezen dan het volgende: “Als gevolg van het vorengenoemde heeft [belanghebbende 22] immers geen verweer kunnen voeren en is hij dan ook benadeeld in zijn verdediging in de gerechtelijke enquêteprocedure en ten gevolge hiervan ook in de strafzaak in Eerste Aanleg bij het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat nadeel heeft - zoals beschreven in de bijlage - ook nadelige consequenties gehad bij het innemen van een standpunt - door [belanghebbende 22] - tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van SMHHC omtrent zijn ontslag. Hij is immers nooit in de gelegenheid gesteld om zijn kant van het verhaal naar voren te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo blijkt ook uit de bijlage bij deze brief dat nimmer door de algemene vergadering van aandeelhouders van SMHHC werd gereageerd op door [belanghebbende 22] ingebrachte stukken. [belanghebbende 22] is nimmer op enig moment door uw Hof gehoord of in de gelegenheid gesteld om zijn standpunten te verdedigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat [belanghebbende 22] zonder hoor en wederhoor door uw Hof is geschorst heeft aanmerkelijke nadelige consequenties gehad in de strafrechtelijke procedure in Eerste Aanleg en mede op de beslissing zoals genomen werd in de algemene vergadering van aandeelhouders van SMHCC.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier gaat het enkel om enige blote stellingen zijdens [belanghebbende 22] . De daarin bedoelde bijlage heb ik in de gefourneerde procesdossiers niet aangetroffen. Daarbij verdient nog opmerking dat zijdens [belanghebbende 22] is verzocht de zaak af te doen op de procesdossiers die zijn gefourneerd door de overige partijen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.8 Zijdens zowel het OM, de vennootschappen als het Land is gemotiveerd aangevoerd dat [belanghebbende 22] onvoldoende belang heeft bij zijn incidentele cassatieberoep. Daarnaar zij kortheidshalve verwezen. [belanghebbende 22] is niet naar aanleiding daarvan nader ingegaan op zijn belang bij cassatie. Ook niet (in de twee aanvullingen op het incidentele cassatieberoep van [belanghebbende 22] ) naar aanleiding van het eerste verweer ter zake van het OM. Dat verweer dateert van ruim voor de twee aanvullingen op het incidentele cassatieberoep van [belanghebbende 22] . Evenmin heeft [belanghebbende 22] verzocht nog nader te mogen ingaan op zijn belang bij cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.9 M.i. rechtvaardigt dit een en ander onder 4.5.1-4.5.8 hiervoor de conclusie dat het vereiste belang van [belanghebbende 22] bij de (aangevulde) klachten ontbreekt. Daarmee valt al het doek voor het incidentele cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Hierop stuiten de (aangevulde) klachten af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 4.7 De slotsom luidt dat ook het incidentele cassatieberoep van [belanghebbende 22] vergeefs is voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 Daarmee is gegeven dat Beschikking I t/m IV in stand kunnen blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep en van het incidentele cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 14 juni 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:106, ARO 2018/88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze bepaling luidt, ook destijds: “Ter voorbereiding van een door het openbaar ministerie in te dienen verzoek kan het openbaar ministerie een of meer deskundige personen belasten met het inwinnen van inlichtingen over het beleid en de gang van zaken bij de rechtspersoon. De rechtspersoon is verplicht de gevraagde inlichtingen te verschaffen en desgevraagd ook inzage in zijn boeken, bescheiden en andere gegevensdragers te geven aan de deskundigen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 22 februari 2019, registratienummer EJ 84462 - HAR 11/18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 14 februari 2020, registratienummer EJ 84462 - HAR 11/18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 11 december 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:274.</p>\n<p class=\"lf-p\">De cassatietermijn bedroeg drie maanden. Zie art. 4 van de Rijkswet rechtsmacht Hoge Raad voor Aruba, Curaçao, Sint Maarten en voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoekschrift tot cassatie van het OM bevat een bijlage 1 (e-mailcorrespondentie tussen het OM en het Hof).</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking verdient hier nog dat het Hof onderkent in rov. 2.3 van Beschikking II dat het tussen het OM en de vennootschappen gepleegde overleg - waarover ook rov. 3.7, laatste zin van Beschikking I - niet heeft geleid tot overeenstemming over de vorm en reikwijdte van een in opdracht van de vennootschappen of een eventueel op last van het Hof te verrichten onderzoek. Dit punt is dan dus van tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thans vervat in Titel 8, Afdeling 2 van Boek 2 BW: art. 2:344-359 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de invoering de Landsverordening van 9 januari 2014 tot wijziging van Boek 2 BW van het Burgerlijk Wetboek (AB 2014, nr. 11). Deze landsverordening is op 1 april 2014 in werking getreden. Zie voor de herziening de Landsverordening van 7 november 2019 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (AB 2019, nr. 43). Deze landsverordening is op 20 november 2019 in werking getreden. Voorafgaand aan genoemde invoering kende art. 2:54 Boek 2 BW-SM een eenvoudig opgezette enquêteregeling voor de stichting, daarna kende Boek 2 BW-SM een meer uitgewerkt enquêterecht dat toepassing kan vinden bij alle in Boek 2 BW-SM geregelde rechtspersonen. Zie de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 9 januari 2014, AB 2014, nr. 11, p. 141.</p>\n<p class=\"lf-p\">Thans vervat in Titel 8 van Boek 2 BW-SM: art. 2:270-287 BW-SM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7245, NJ 2000/653, rov. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440, NJ 2003/486, rov. 3.3.3 rept de Hoge Raad van “de eerste fase van de enquêteprocedure waarin moet worden beoordeeld of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, en de tweede fase waarin moet worden beoordeeld of van wanbeleid sprake is geweest en welke gevolgen daaraan eventueel moeten worden verbonden”, waarover ook HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.7, 3.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7245, NJ 2000/653, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te onderscheiden van de in art. 2:349a BW bedoelde onmiddellijke voorzieningen, waarover hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7245, NJ 2000/653, rov. 4.2. De Hoge Raad rondt daar af met de overweging dat als er geen aanleiding bestaat voor het instellen van zo’n onderzoek en wel behoefte bestaat aan voorzieningen de gewone procedure bij de burgerlijke rechter, met alle daaraan verbonden waarborgen, openstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210, rov. 3.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het vervolg in HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210, rov. 3.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, NJ 2007/293, rov. 4.4: “De ondernemingskamer mag een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 BW niet bevelen zonder dat daaraan een daartoe strekkend verzoek ten grondslag ligt, doch als zij gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheden heeft de ondernemingskamer een ruime mate van vrijheid in haar beoordeling. Het is in beginsel aan het oordeel van de ondernemingskamer overgelaten het verzoek tot een enquête al dan niet toe te wijzen, met dien verstande dat ingevolge art. 2:350 BW het verzoek slechts toewijsbaar is wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid van de betrokken rechtspersoon te twijfelen (HR 20 november 1996, nr. OK55, NJ 1997, 188). De ondernemingskamer moet daarbij zowel op de belangen van verzoekers tot een enquête letten als op die van andere bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken belanghebbenden. Daarbij staat het belang van de rechtspersoon voorop.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210, rov. 3.2.2. Tot de doeleinden van het enquêterecht zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Zie o.a. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5516, NJ 2011/210, rov. 3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste voorloper van deze bepaling dateert uit 1928. Zie daarover A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2010:BM0976) voor HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544, onder 3.2.5. In Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24 is deze bepaling aangestipt: “De achterliggende gedachte [van art. 2:349a lid 1, eerste zin BW, A-G] is dat een enquêteverzoek alleen op zijn plaats is wanneer er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid (of juiste gang van zaken). Daarom moet de behandeling van het verzoek niet op de lange baan kunnen worden geschoven. Wanneer een verzoeker vraagt om onmiddellijke voorzieningen (lid 2) is er ook alle reden om het verzoek met spoed te behandelen.” Zie nader onder 3.7-3.7.5 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1104, NJ 2019/394, rov. 3.4.6 naar aanleiding van het wettelijke stelsel van het Curaçaose enquêterecht, wat evenzeer opgaat voor het wettelijke stelsel van het Nederlandse enquêterecht getuige ook de verwijzing naar HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234, NJ 1990/466. Zie verder bijv. ook HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, NJ 2007/293, rov. 4.4, geciteerd in noot 19 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus niet slechts een voorlopig oordeel ter zake. Zie ook onder 3.7.1 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 23-24, waaronder: “Het tweede voorbeeld [“het geval dat de behandeling (inclusief het debat ter terechtzitting) wordt uitgesteld en de Ondernemingskamer alleen het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandelt en toewijst”, A-G] (…) leidt wel tot toepassing van artikel 2:349a lid 3 BW. Op basis van de hiervoor genoemde (…) formulering van dat artikellid, moet de Ondernemingskamer voorlopig oordelen of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen.” Het eerste voorbeeld, dat niet leidt tot toepassing van art. 2:349a lid 3 BW, betreft “het geval dat het enquêteverzoek wel inhoudelijk is behandeld (inclusief het debat ter terechtzitting), maar de Ondernemingskamer wacht met de benoeming van een onderzoeker, bijvoorbeeld omdat partijen mogelijk tot een minnelijke regeling komen”. Zie ook hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat die bestaande praktijk zonder méér in strijd werd geacht met wat ook thans staat in art. 2:349a lid 1, eerste zin BW, lees ik niet in die parlementaire geschiedenis. Noch in bijv. HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105, rov. 3.5-3.7; de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2007:BB3523) voor deze Hoge Raad-beschikking, onder 3.65-3.100; Asser/G. van Solinge &amp; M.P. Nieuwe Weme, De naamloze en besloten vennootschap (2-II*), Deventer: Kluwer 2009, nrs. 767-769; en A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2010:BM0976) voor HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0976, NJ 2010/544, onder 3.2.5-3.2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105, rov. 3.6, waarover o.a. annotator J.M.M. Maeijer in nr. 6 onder deze beschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 33. HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105 wordt genoemd op p. 32. Zie ook Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 23, 24 en Kamerstukken II 2011/12, 32887, 7, p. 2, 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067, NJ 2011/335, rov. 3.6, verwijzend naar HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523, NJ 2008/105.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook o.a. Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 33-34, ook met gegevens uit dat empirische onderzoek. Dit onderzoek betreft K. Cools, P.G.F.A. Geerts, M.J. Kroeze &amp; A.C.W. Pijls, Het recht van enquête, een empirisch onderzoek, Deventer: Kluwer 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2011/12, 32887, 6, p. 24. Dit valt te bezien tegen de achtergrond ook van Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34: “Indien echter een minnelijke regeling en een onderzoek uitblijven, kunnen de onmiddellijke voorzieningen feitelijk het karakter van permanente voorzieningen krijgen, zonder dat aan de kern van een enquêteprocedure - het onderzoeken van het beleid en de gang van zaken - is voldaan.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk op basis van tussentijdse verlenging ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34, waaronder: “Zo ligt een langere termijn voor de hand wanneer de Ondernemingskamer ervan overtuigd is dat de procespartijen op korte termijn op een schikking kunnen uitkomen en geen behoefte hebben aan een onderzoek op korte termijn. Hetzelfde geldt wanneer de Ondernemingskamer uit een oogpunt van proceseconomie pas wil overgaan tot het bevelen van een onderzoek wanneer zeker is gesteld dat de daarvoor benodigde gelden beschikbaar zijn (vgl. Hoge Raad 26 juni 2009 (QWEST)).” Wat de OK niet kan doen is met voorbijgaan aan het voorgaande de behandeling van het enquêteverzoek “simpelweg naar de toekomst verschuiven”. Zie Kamerstukken II 2010/11, 32887, 3, p. 34 naar aanleiding van de vraag “hoe de slotzin van het derde lid zich verhoudt tot de eerste volzin van het eerste lid. Kan de Ondernemingskamer de behandeling van het enquêteverzoek simpelweg naar de toekomst verschuiven en volstaan met het treffen van onmiddellijke voorzieningen?” Dit laatste kan dus niet, aldus de minister.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hetzelfde geldt logischerwijs voor de overweging in HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210, NJ 2007/293, rov. 4.4 dat de enquêteprocedure is gericht op een spoedige beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus met het in de wet (Boek 2 BW) vastgelegde stelsel van het Nederlandse enquêterecht. Zie HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067, NJ 2011/335, rov. 3.6, toegespitst op het daar voorliggende geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. recent Hof Amsterdam (OK) 22 maart 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:991, rov. 3.16: “De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker voorlopig aanhouden om te bezien of al door de te treffen onmiddellijke voorziening een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder van partijen of de door de Ondernemingskamer benoemde bestuurder kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">En volgend op de vaststelling dat van zulke “gegronde redenen”, etc. is gebleken, en eventueel het treffen van een of meer onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie wel onder 3.7.5 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van deze techniek is vaker gebruik gemaakt door de Hoge Raad. Zie bijv. HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, NJ 2006/443, rov. 3.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik kan daarlaten dat de onderhavige procedure bij het Hof voor 20 november 2019 is gestart en nadien is geëindigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 7 november 2019, AB 2019, nr. 43, p. 116. Dit is een herhaling van de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 9 januari 2014, AB 2014, nr. 11, p. 141: “De hier voorgestelde regeling is op de Nederlandse regeling van 1971 (artikelen 2:344 e.v. NedBW) afgestemd. Wel is zij ten opzichte van de Nederlandse regeling op een aantal punten vereenvoudigd en - mede gelet op de ervaringen in Nederland - verbeterd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 7 november 2019, AB 2019, nr. 43, p. 116, 133, 143, 144-149.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover o.a. A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2016:513) voor HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574 NJ 2017/75, onder 3.4 en in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2018:742) voor HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1104, NJ 2019/394, onder 3.28; en A-G Vlas in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:BY1880) voor HR 1 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1880, NJ 2013/82, onder 2.2-2.3. Een recente bron uit de West is M.V.R. Snel, ‘Het concordantiebeginsel en het internationaal privaatrecht van Aruba, Curaçao en Sint Maarten’, Caribisch Juristenblad 2020, p. 10-23. Zie ook het Hof in rov. 2.4 van Beschikking IV en de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 7 november 2019, AB 2019, nr. 43, p. 118.</p>\n<p class=\"lf-p\">Per 20 november 2019 zijn in art. 2:274 lid 1, tweede zin BW-SM de woorden “of aan een juiste gang van zaken” ingevoegd, waardoor deze bepaling beter aansluit bij art. 2:271 lid 1 BW-SM. Deze invoeging komt overeen met art. 2:350 BW zoals geformuleerd per 1 januari 2013. Zie de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 7 november 2019, AB 2019, nr. 43, p. 146.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook R.P. Jager, Het enquêterecht in rechtsvergelijkend perspectief. Nederland, Curaçao, Aruba, de BES-eilanden, Sint-Maarten en Suriname, Zutphen: Uitgeverij Paris 2014, nrs. 2.1, 3.2.3, 4.2.3, 4.4.1, 5.5-5.6 en K. Frielink, Kort begrip van het Nederlands Caribisch rechtspersonenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, hoofdstuk 8. Ik wijs volledigheidshalve nog op R.P. Jager, ‘Het enquêterecht in rechtsvergelijkend perspectief. Nederland, Curaçao, Aruba, de BES-eilanden, Sint-Maarten en Suriname’, Ondernemingsrecht 2015/64 en R.B. van Hees &amp; R.F. van den Heuvel, ‘Kroniek Caribisch enquêterecht 2014-2019’, in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2019-2020, Deventer: Wolters Kluwer 2020, onderdeel I.3. Terzijde: de twee laatstgenoemde auteurs traden in de onderhavige procedure bij het Hof op als advocaten van het OM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067, NJ 2011/335, rov. 3.6 en art. 2:282 lid 5 BW-SM bijv. ook Jager 2014, p. 120, 164.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 9 januari 2014, AB 2014, nr. 11, p. 143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook HR 8 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:316, NJ 2019/395, rov. 3.4.2 en rov. 2.4 van Beschikking IV. De in HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1104, NJ 2019/394, rov. 3.4.5 bedoelde situatie (waarin op een relevant punt welbewust is gekozen voor een andere regeling) doet zich in het onderhavige geval dus niet voor. Zie verder o.a. Snel 2020, par. 2 met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 9 januari 2014, AB 2014, nr. 11, p. 143.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in 2014 ingevoerde art. 2:276 BW-SM is toegelicht in de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 9 januari 2014, AB 2014, nr. 11, p. 143-144. De bredere toelichting op het per 1 april 2014 ingevoerde wettelijke stelsel van het Sint Maartense enquêterecht is daar te vinden op p. 141-145. Daarin opgenomen rechtspraakverwijzingen betreffen ook louter rechtspraak van de Hoge Raad en de OK van ruim voor 1 januari 2013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot die datum bevatte het wettelijke stelsel van het Nederlandse enquêterecht alleen in art. 2:349a lid 2 BW een regeling inzake onmiddellijke voorzieningen, afgezien van de schakelbepaling in art. 2:355 lid 3 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie R.P. Jager, ‘Curaçaos en Sint-Maartens enquêterecht’, Ars Aequi 2019, p. 428.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ontkoppeling waarvan het Hof zich destijds ook wel bediende. Zie bijv. Jager 2014, p. 119-120, over de bestaande praktijk waarin het Hof voorlopige voorzieningen treft “vóórdat het een onderzoek heeft gelast, de zogenoemde ‘spoedvoorzieningen’.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat door het Hof destijds evenmin werd miskend. Zie bijv. Jager 2014, p. 120, die o.a. opmerkt dat het Hof met deze eis rekening houdt, en Frielink 2017, nr. 8.7: “Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kan in iedere stand van het geding worden gedaan, dus ook dadelijk bij de indiening van het verzoek tot enquête. De aard van het verzoek brengt mee dat soms spoed geboden is. Dit kan meebrengen dat, vooruitlopend op de behandeling van het enquêteverzoek, de voorlopige voorziening al wordt getroffen. Ook in dat geval zullen er echter naar het voorlopig oordeel van het Hof gegronde redenen moeten zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen. Bij de eerstvolgende herziening van Boek 2 BW zal de wet in die zin worden aangevuld” [zonder verwijzing in origineel, A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook nog de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 9 januari 2014, AB 2014, nr. 11, p. 143: “Ook een “tijdelijke‟ voorziening [in de zin van art. 2:276 BW-SM, A-G] kan echter voor de rechtspersoon en de daarbij betrokken personen tot ingrijpende gevolgen leiden. Daartoe mag niet lichtvaardig worden overgegaan. Het belang dat bij het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt aangevoerd, moet tegen andere in aanmerking komende belangen worden afgewogen. Ook los daarvan ware als stelregel aan te houden dat er voldoende zwaarwegende redenen moeten zijn om een gevraagde voorziening te treffen. Vgl. HR 14 december 2007, NJ 2008,105 (DSM).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervolg, in art. 2:276 lid 2, laatste zin BW-SM, luidt: “Alvorens te beslissen kan het Hof desverzocht of ambtshalve getuigen en deskundigen horen.” Dit stond voor 20 november 2019 in art. 2:276 lid 1, laatste zin BW-SM en betreft dus slechts een verplaatsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 7 november 2019, AB 2019, nr. 43, p. 147.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander voorbeeld staat in noot 50 hiervoor. Zie verder bijv. art. 2:272 BW-SM inzake enquêtebevoegde partijen, waarover de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 7 november 2019, AB 2019, nr. 43, p. 144-145 mede naar aanleiding van art. 2:346 BW zoals per 1 januari 2013 geformuleerd. Er zijn nog diverse andere voorbeelden te geven. Ik laat het hierbij.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs op art. 2:274 BW-SM inzake de rechter-commissaris, waarover de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 7 november 2019, AB 2019, nr. 43, p. 146 mede naar aanleiding van art. 2:350 BW zoals per 1 januari 2013 geformuleerd. Op art. 2:276 BW-SM inzake de term ‘voorlopige voorziening’, waarover de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 7 november 2019, AB 2019, nr. 43, p. 146 mede naar aanleiding van art. 2:349a BW. En op art. 2:279 BW-SM inzake de aansprakelijkheid van onderzoekers, waarover de memorie van toelichting bij de Landsverordening van 7 november 2019, AB 2019, nr. 43, p. 148 mede naar aanleiding van art. 2:351 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jager 2014, p. 120 achtte het niet noodzakelijk dat de Sint Maartense wetgever een met art. 2:349a lid 3, laatste zin BW vergelijkbare regeling in art. 2:276 BW-SM zou opnemen. Dit omdat het Hof, wat betreft het alsnog behandelen van en beslissen op het enquêteverzoek nadat reeds desverzocht een of meer voorlopige voorzieningen zijn getroffen door het Hof, “daar op verzoek van de meest gerede partij, men denke aan de verzoeker tot enquête, de rechtspersoon of een (andere) belanghebbende, toe kan overgaan.” M.i. bestaat die noodzaak strikt genomen nog steeds niet, maar om een andere reden: zie hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook Frielink 2017, nr. 8.7: “De aard van het verzoek brengt mee dat soms spoed geboden is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin doet zich evenmin de situatie voor waarop de minister doelt in Handelingen I 1969/70, 9596, p. 1095, geciteerd op p. 10 van het verzoekschrift tot cassatie van het OM (dus het “uit haar lijden verlost” zijn van de onderneming “voordat de procedure tot een einde is gekomen”, etc.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst daarbij (in noot 58 aldaar) naar: “verzoekschrift nrs. 2.2, 2.3, 6.3, 9; akte uitlating d.d. 27 november 2018, nr. 3.7; akte van antwoord d.d. 15 november 2019, nr. 3.3; akte van antwoord d.d. 4 september 2020, nr. 4; akte van antwoord d.d. 4 september 2020, nr. 2.3 (p. 6), zoals hierboven geciteerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst daarbij (in noot 59 aldaar) naar: “verzoekschrift nrs. 2.2, 2.3, 6.3, 9; akte uitlating d.d. 27 november 2018, nr. 3.7; akte van antwoord d.d. 15 november 2019, nr. 3.3; akte van antwoord d.d. 4 september 2020, nr. 4; akte van antwoord d.d. 4 september 2020, nr. 2.3 (p. 6), zoals hierboven geciteerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel noemt daarbij (in noot 60 aldaar): “HR 1 februari 2002, NJ 2002/226 (De Vries Robbé), rov. 3.2”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel merkt daarbij op (in noot 61 aldaar): “Gelet op de andere relevante regelgeving en andere bevoegdheden met betrekking tot de reikwijdte van die onderzoeken, vgl. Hof Amsterdam 3 augustus 1995, rekestnr. 242/95, OK (Vie d’Or), rov. 4.1-4.2.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel noemt daarbij (in noot 62 aldaar): “HR 26 juni 2009, JOR 2009/192 (KPNQwest), rov. 3.2.4; zie ook HR 26 juni 1996, NJ 1996/730 (Transom); HR 20 november 1996, NJ 1997/188, (Louder Holding); HR 18 november 2005, NJ 2006/173, m.nt. Maeijer, JOR 2005/295 (Unilever) en HR 30 maart 2007, JOR 2007/138 (ATR).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst daarbij (in noot 63 aldaar) naar: “verzoekschrift nrs. 2.2, 2.3, 6.3, 9; Akte uitlating d.d. 27 november 2018, nr. 3.7; Akte van antwoord d.d. 15 november 2019, nr. 3.3; Akte van antwoord d.d. 4 september 2020, nr. 4; Akte van antwoord d.d. 4 september 2020, nr. 2.3 (p. 6), zoals hierboven geciteerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik citeer hier uit HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8832, NJ 2002/226, rov. 3.2. Onder meer hiermee respondeert de Hoge Raad daar op de klacht die ertoe strekt dat waar het openbaar ministerie vraagt om een onderzoek (zie art. 2:345 lid 2 BW) dit moet worden afgewezen als reeds een onderzoek is bevolen. Zie ook annotator J.M.M. Maeijer in nr. 4 onder deze beschikking: “Indien de redenen van openbaar belang juist zijn bevonden, is het aan de OK om te beoordelen of de vordering van de AG in verband met de doeleinden van het onderzoek (en gelet op het bepaalde in art. 2:350 lid 1 BW) voor toewijzing in aanmerking komt. Evenals bij een verzoek om enquête is de bevoegdheid van de OK een enquête te bevelen, ook hier een discretionaire.” Rov. 2.2-2.8 van Beschikking IV ligt daarmee in lijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel merkt daarbij op (in noot 64 aldaar): “Het OM heeft daartoe navraag gedaan bij het hof, dat heeft aangegeven dat er geen proces-verbaal is opgemaakt (en dat dat nu, achteraf, ook niet meer kan omdat de zittingsaantekeningen in het ongerede zijn geraakt). Zie bijlage 1 bij dit verzoekschrift.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel merkt daarbij op (in noot 65 aldaar): “Vgl. artikel 279 lid 4 RvNL, dat eveneens verplicht tot het opstellen van een proces-verbaal van de mondelinge behandeling in verzoekschriftprocedures (zoals een OK-procedure) op straffe van schending van het recht, zie GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 279 Rv, aant. 12.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst daarbij (in noot 66 aldaar) naar: “Akte van antwoord d.d. 15 november 2019, p. 7”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst daarbij (in noot 67 aldaar) naar: “Akte van uitlating d.d. 27 november 2018, nr. 3.3”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst daarbij (in noot 68 aldaar) naar: “Akte van antwoord d.d. 4 september 2020, p. 4-5”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel noemt daarbij (in noot 69 aldaar): “HR 16 april 2004, NJ 2004/425 (Laurus/Eiting), rov. 3.3.5; HR 2 maart 2012, NJ 2012/157, rov. 3.4; Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 2015/265; B.T.M. van der Wiel e.a., Cassatie, 2019, p. 78”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst daarbij (in noot 70 aldaar) naar: “Akte van uitlating d.d. 27 november 2018, nr. 3.3; akte van antwoord d.d. 4 september 2020, p. 4-5”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel noemt daarbij (in noot 71 aldaar): “Asser Procesrecht/Asser 3 2017/94”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067, NJ 2011/335, rov. 3.7, verwijzend naar HR 16 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1941, NJ 2004/425. Zie bijv. ook HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2161, NJ 2003/286, rov. 3.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nu uit de door het OM zelf overgelegde correspondentie met het Hof blijkt van een feitelijke onmogelijkheid ter zake. Zie bijlage 1 bij het verzoekschrift tot cassatie van het OM. Daaruit blijkt dat de zittingsaantekeningen van de zitting van 24 mei 2018 kennelijk door een technische oorzaak (IT) in het ongerede zijn geraakt, reden waarom geen proces-verbaal meer kan worden opgemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dat verband o.a. F.J.P. Lock, Sdu Commentaar Burgerlijk Procesrecht, Den Haag: Sdu 2021, art. 279 Rv, aant. C.5 inzake art. 279 lid 4 Rv, waaronder: “Op het niet opmaken van een proces-verbaal staat geen sanctie”. Iets anders lees ik niet in bijv. A.I.M. van Mierlo, T&amp;C Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2022 (actueel t/m 1 januari 2022), art. 279 Rv, aant. 7 of E.L. Schaafsma-Beversluis, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Kluwer 2013 (actueel t/m 27 september 2013), art. 279 Rv, aant. 12, waar ter zake niet meer staat dan dat als geen proces-verbaal wordt opgemaakt dit “schending van het recht” oplevert. Van Mierlo voegt daaraan slechts toe: “In zo een geval staat niets eraan in de weg de rechter eventueel te horen als getuige (zie HR 7 juni 2002, NJ 2002/394 (mr X/ [… 5] -Domaro))”. Zie ook A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 1 juni 2019), nr. 75, waar hij opmerkt dat er weinig tegen valt uit te richten “als het proces-verbaal, meestal vanwege gebrek aan menskracht, niet wordt opgemaakt of slechts de ‘uitwendige formaliteiten’ bevat (bijvoorbeeld dat de advocaten van partijen hebben gepleit aan de hand van pleitnotities, dat zij hebben gerepliceerd en gedupliceerd en dat zij vragen van het hof hebben beantwoord).” Zie voor de achtergrond van het onderhavige geval de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat oordeel van het Hof heeft ook geen betrekking op het al dan niet opmaken van dat proces-verbaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een “slecht persoon”, iemand “die niet wil deugen”. Dat is de omschrijving van ‘rotte appel’ die Van Dale geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband ook het citaat in rov. 2.5 van Beschikking IV van een stellingname van het OM over het voorkomen “dat wederom een stroman van een machtig politicus aan het roer komt te staan en een dominante invloed kan uitoefenen op door de Haven te nemen zakelijke en beleidsbeslissingen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de akte van antwoord zijdens het OM d.d. 15 november 2019, p. 7. Die belangen zijn volgens het OM aldaar: “Bestaan en omvang van het wanbeleid zijn immers nog niet onderzocht, er is niet (volledig) in kaart gebracht welke (aanvullende) maatregelen nodig zijn om een einde te maken aan het huidig wanbeleid en potentieel wanbeleid in de toekomst.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarover staat in de akte van antwoord zijdens het OM d.d. 15 november 2019, p. 7 dat [betrokkene 3] (een politicus, zie p. 6; niet iemand binnen de vennootschappen, zoals [belanghebbende 22] ) degene zou zijn met de daadwerkelijke zeggenschap - in informeel opzicht - over grote projecten binnen de Haven, en het er in het onderhavige geval simpelweg op neerkwam dat hij een brug wilde en [belanghebbende 22] deed wat [betrokkene 3] wilde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de akte uitlating zijdens het OM d.d. 27 november 2018, nr. 3.3 (p. 10).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de akte van antwoord zijdens het OM d.d. 4 september 2020, p. 4-5. Ik breng in herinnering dat het Hof in rov. 2.7 van Beschikking IV vaststelt dat de strafzaak [… 4] in de onderhavige procedure slechts zijdelings aan de orde is geweest en dat niet is aangevoerd dat uit de strafzaken is gebleken van meer ‘rotte appels’ binnen de vennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in noot 82 hiervoor genoemde bronnen baten de klacht dan ook niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">De enkele verwijzing in de klacht naar Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Bewijs (3), Deventer: Wolters Kluwer 2017, nr. 94 maakt dat uiteraard niet anders. “Die argumentatie komt erop neer dat het hof, door in de beschikking van 4 juni 2018, te beslissen zijn uitspraak ten aanzien van het gevraagde onderzoek aan te houden tot na een voortzetting van de behandeling, moet worden geacht de aan het verzoek tot enquête ten grondslag gelegde redenen niet als feit te hebben vastgesteld, zodat hof het schorsingsverzoek niet kon toewijzen, omdat dit op dezelfde redenen is gebaseerd”, aldus nr. 12 van deze tweede aanvulling op het incidentele cassatieberoep van [belanghebbende 22] . Dit betreft de tweede klacht zoals vervat in de onder 4.2 hiervoor genoemde eerste aanvulling op het incidentele cassatieberoep van [belanghebbende 22] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om nr. 28 van het verweerschrift in het principale cassatieberoep tevens incidenteel cassatieberoep van [belanghebbende 22] : “Omdat het hof het hier bestreden oordeel en de desbetreffende overwegingen uit de beschikking van 14 juni 2018, niet bij beschikking van 11 december 2020, of in een van de andere beschikkingen in deze zaak, ongedaan heeft gemaakt (door [belanghebbende 22] alsnog over het schorsingsverzoek te horen), dan wel omdat het hof juist de beschikking van 14 juni 2018 steeds integraal tot uitgangspunt heeft genomen (zie de beschikking van 11 december 2020, 1.1., 2.1., en 2.7. (gelet op de verwijzing naar [belanghebbende 22] als “rotte appel”), kunnen ook de overige beschikkingen niet in stand blijven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin is [belanghebbende 22] ook voor de duur van zes jaar “ontzet (…) van het recht om het ambt/beroep van bestuurder van enige overheidsentiteit van het Land Sint Maarten te bekleden/uit te oefenen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgelegd door het Land bij akte d.d. 26 juni 2020, productie 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 3.4 van Beschikking I, waar het Hof al vaststelt dat de vennootschappen “hebben gesteld voornemens te zijn [belanghebbende 22] te ontslaan indien hij door het Gerecht in eerste aanleg schuldig wordt bevonden in de tegen hem lopende strafzaak”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met inbegrip van Beschikking I, waarin het Hof [belanghebbende 22] bij wege van voorlopige voorziening heeft geschorst voor vooralsnog de duur van het geding met ingang van 14 juni 2018 als bestuurder van de vennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift in het principale cassatieberoep tevens incidenteel cassatieberoep van [belanghebbende 22] , nr. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift in het principale cassatieberoep tevens incidenteel cassatieberoep van [belanghebbende 22] , nrs. 30-33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift in het incidentele cassatieberoep, nrs. 6-8 en het aanvullend verweerschrift in het incidentele cassatieberoep, nrs. 10-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift in het incidenteel cassatieberoep, nr. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het verweerschrift tegen het incidentele cassatieberoep, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. B.T.M. van der Wiel &amp; N.T. Dempsey, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (actueel t/m 1 juni 2019), nrs. 197-198 met verwijzingen.</p></div>", "next": 0}