{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">“3.6(…)De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld.Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die naar het oordeel van de rechter ervan is uitgegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel worden gezegd dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stellers van het middel maken bezwaar tegen alle drie de onderdelen van de door het hof bevestigde voorwaardelijk opzet-redenering. In het hiernavolgende ga ik daarom in op de bewijsvoering ter zake van de aanmerkelijke kans (5.8-5.20), de wetenschap van de verdachte (5.21-5.23) en de aanvaarding van die kans (5.24-5.27).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanmerkelijke kans 5.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag hoe moet worden vastgesteld of een kans aanmerkelijk is wordt in de literatuur verschillend beantwoord. Duidelijk is inmiddels dat de Hoge Raad de vraag naar de aanmerkelijke kans enerzijds heeft geobjectiveerd, maar anderzijds een (volkomen) kwantitatieve benaderingswijze heeft afgewezen. Zo overwoog de Hoge Raad in zijn arrest van 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, (NJ 2019, 103, m.nt. H.D. Wolswijk): “5.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip 'aanmerkelijke kans' afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de conclusie van de Advocaat-Generaal wordt de vraag opgeworpen of nadere algemene aanknopingspunten kunnen worden gegeven om te bepalen onder welke omstandigheden sprake is van een aanmerkelijke kans als hiervoor bedoeld. Daaromtrent merkt de Hoge Raad het volgende op. Onder 'de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans' dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering \"de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad kan geen algemene regels geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan deze kans in een percentage uitdrukken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het moet dus gaan om een “in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.” Bespiegelingen over de vraag of het moet gaan om een kans die (veel) groter is dan (een veelvoud van) 1 op 200 à 300, minimaal 10 procent, meer dan 40 procent of zelfs meer dan 50 procent zijn daarmee in zekere zin achterhaald geraakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderhavige zaak heeft de rechtbank het niet primair over een getalsmatige boeg gegooid, al is in de hierboven weergegeven bewijsoverwegingen wel een rapport opgenomen waarin een en ander staat over de gevaren van iboga(ïne) en onder meer melding wordt gemaakt van een onderzoek waaruit zou blijken dat er tot 2006 in heel Europa en de Verenigde Staten 8 overlijdensgevallen bekend zijn na inname van ibogaïne, terwijl “terwijl elders verslag wordt gedaan van 12 lethaal verlopende gevallen”. Omdat dit rapport geen informatie geeft over de relatieve frequentie, vertellen deze cijfers niet zoveel over de kansgrootte. Mede om een en ander in perspectief te plaatsen ga ik, voordat ik toekom aan een inhoudelijke bespreking van de aanmerkelijke kans-redenering van het hof, hieronder toch kort op de getalsmatige verhoudingen in.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft – in antwoord op vragen van het hof – verklaard dat zij sinds haar vorige veroordeling “niet heel veel mensen” behandeld heeft met iboga(ïne). Ze schat dat ze in die periode zo’n vijftig behandelingen heeft uitgevoerd. In de periode voor die vorige veroordeling – de verdachte voerde deze behandelingen uit sinds 1999 – heeft zij, zo is toen door de rechtbank vastgesteld, nog eens 1200 mensen met iboga behandeld. De raadsman van de verdachte heeft, zoals hierboven onder 5.4 weergegeven, mede onder verwijzing naar dit vonnis aangevoerd dat “het overgrote deel” van de mensen die met iboga(ïne) behandeld wordt dit overleeft. Ik teken daarbij wel aan dat in de onderhavige zaak niet blijkt dat het hof dit getal (mede) in aanmerking heeft genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volgende vraag is dan die naar de (relatieve) mortaliteitsfrequentie ten gevolge van deze behandelingen. In de bestreden uitspraak wordt in dit verband verwezen naar twee eerdere incidenten. Deze waren ook mede het onderwerp van de eerdere strafzaak tegen de verdachte (zie hiervoor onder 3-3.2). Genoemd worden de behandeling van de onbekend gebleven Amerikaanse vrouw, waarna hartritmestoornissen optraden, en de behandeling van Neven, die na de behandeling een hartstilstand kreeg. In die beide gevallen doen de optredende complicaties enigszins denken aan de onderhavige zaak, zij het dat de slachtoffers niet zijn overleden. Buiten beschouwing laten de rechtbank en het hof de twee eerdere behandelingen waarop incidenten volgden tijdens welke het slachtoffer onder invloed kwam te verkeren van hallucinaties en/of een psychose. Dit betreft in wezen ook een andersoortig gevolg dan waarvan in de onderhavige zaak sprake was, al is het met beide slachtoffers wel slecht – en in één geval: fataal – afgelopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard geldt niet voor alle door de verdachte behandelde personen – noch voor de personen bij wie na de behandeling problemen ontstonden – dat de kans op ongelukken steeds even groot was. De mensen die leden aan verslavingsproblematiek en bij [slachtoffer 2] aanklopten zullen verschillend gepredisponeerd zijn, wat resulteert in verschillende kansen op (lethale) complicaties. De vraag in hoeverre die predisposities moeten worden meegewogen in het bepalen of sprake is van een “aanmerkelijke” kans is een vraag die raakt aan de kwestie in hoeverre hierbij het perspectief van de verdachte moet worden ingenomen, en, zo voeg ik daar aan toe, in hoeverre zulks met zich zou brengen dat – via de band van een Garantenstellung – ook te vergen kennis van predisposities bij de verdachte bij het bepalen van de aanmerkelijke kans moeten worden meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de bestreden uitspraak wordt ten aanzien van deze vraag – niet onbegrijpelijk – overwogen dat de verdachte “volstrekt onvoldoende onderzoek [heeft] gedaan naar de fysieke en geestelijke gesteldheid van de personen die bij haar kwamen voor een behandeling” en dat zij “geen enkele controle [uitvoerde] om na te gaan of personen die bij haar kwamen voor een behandeling vrij van opiaten waren” en zij evenmin controleerde of haar patiënten medicatie gebruikten, terwijl beide omstandigheden wel de kans op complicaties vergroten. Een en ander laat onverlet dat de uitspraak geen vaststellingen bevat waaruit blijkt of volgt dat het slachtoffer [slachtoffer 2] een grotere kans op (lethale) complicaties liep dan andere door de verdachte behandelde personen, met uitzondering van de vaststelling dat de verdachte aan [slachtoffer 2] onjuiste informatie heeft gegeven over het mogen innemen van antidepressiva voorafgaand aan de behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">De hiervoor besproken informatie biedt natuurlijk maar beperkt informatie voor het bepalen van kansenverhoudingen. Zo zijn gebeurtenissen in het verleden niet hetzelfde als kansen in de toekomst, is niet uit te sluiten dat zich meer dan de vijf bekend geworden incidenten hebben voorgedaan, is niet steeds duidelijk in hoeverre de eerdere incidenten (potentieel) dodelijk waren en is ook niet bekend wat de verschillende predisposities van de slachtoffers waren. Het lijkt mij dan ook dat, net als de rechtbank en het hof klaarblijkelijk hebben gemeend, een zuiver getalsmatige benadering niet goed mogelijk is in deze zaak, hetgeen aansluit bij het uitgangspunt van de Hoge Raad dat geen algemene regels zijn te geven over de exacte grootte van de kans die in het algemeen of voor een bepaald type delict minimaal vereist zou zijn, laat staan dat deze kans in een percentage uit te drukken zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag is dus of een antwoord op de aanmerkelijke kans-vraag in zicht komt indien niet met een getalsmatige blik, maar vanuit het perspectief van de algemene ervaringsregels naar de omstandigheden van dit geval wordt gekeken. De gemiddelde rechtsgenoot heeft – zo vermoed ik – maar weinig ervaring met iboga(ïne). De relevante ervaringsregel lijkt zich dus op een iets abstracter niveau te bevinden en in te houden dat het in algemene zin gevaarlijk is om mensen met niet-geregistreerde geneesmiddelen te behandelen, zeker wanneer dit middelen zijn die sterk hallucinogeen zijn en tot een hogere hartslag leiden, dat dit nog meer onverantwoord wordt indien daarbij niet de vereiste zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen en dat zulks temeer geldt indien daarbij wordt betrokken dat er eerder behandelingen verkeerd zijn afgelopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">De aard van de gedraging – een quasi-medische behandeling – is naar het mij voorkomt bovendien gekoppeld aan een vorm van Garantenstellung. Bij een dergelijke behandeling mag van de behandelaar gevergd worden dat alle redelijkerwijs te vermijden risico’s worden vermeden en de regelen van de kunst in acht worden genomen. De omstandigheden van het geval laten zien dat de verdachte dit niet heeft gedaan. In dat verband is, zo zie ik het, door de rechtbank en het hof betekenis toegekend aan die aspecten van de behandeling die – mede blijkens het hierboven genoemde rapport – risicoverhogend waren, waaronder het behandelen met iboga in plaats van ibogaïne, de niet-klinische omgeving, het tekortschietende onderzoek naar de gesteldheid van de personen die bij haar kwamen voor een behandeling en de gebrekkige controle op het gebruik van opiaten en medicijnen door deze personen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Of deze omstandigheden tezamen maken dat kan worden gesproken van een aanmerkelijke kans is iets waarover verschillend kan worden gedacht. Maar steeds voor ogen moet worden gehouden dat bij het onderhavige delict een aanmerkelijke kans op de dood is vereist. Dat er onder de omstandigheden van het geval, afgemeten aan de algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans bestaat op “ongelukken” – hetgeen naar mijn idee wel het geval is – is daarvoor op zichzelf beschouwd onvoldoende. De aanmerkelijke kans op het ontstaan van gevaar is niet gelijk te stellen met de aanmerkelijke kans op het gevolg, in de vorm van de dood van het slachtoffer. Naar ik meen valt uit de bewijsvoering door het hof niet zonder meer af te leiden dat die aanmerkelijke kans op het intreden van dat gevolg bestond ten tijde van het handelen van de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit licht wijs ik er nog op dat uit de gebezigde bewijsmiddelen wel volgt dat de voornaamste bijwerkingen van (vooral hogere) doseringen ibogaïne zijn een aanhoudende tremor en ataxie, misselijkheid, braken, en xerostomie (droge ogen), alsook een daling van de bloeddruk en hartslag, en soms het optreden van een verhoogde sinus arithmie (zoals normaal optreedt tijdens diep inademen), ventrikelfibrilleren en een verlengde QT interval, maar dat hieruit niet blijkt dat deze bijwerkingen een (aanmerkelijke) kans op het intreden van de dood ten gevolge (kunnen) hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alles afwegende meen ik dus dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld om het oordeel dat sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood te kunnen dragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetenschap 5.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bewijsvoering ter zake van verdachtes wetenschap van de kans op het overlijden van [slachtoffer 2] lijkt mij – daargelaten de vraag of deze kans groot genoeg is om van een “aanmerkelijke kans” te kunnen spreken – minder problematisch. In de hierboven weergegeven door het hof bevestigde overwegingen van de rechtbank steunt dit oordeel hoofdzakelijk op de eerdere incidenten waarbij de verdachte betrokken is geweest en op de rapporten over het gevaar van iboga(ïne) die de verdachte bekend zouden moeten zijn omdat deze een rol hebben gespeeld in de vorige strafprocedure jegens de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stellers van het middel brengen hier tegenin dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de verdachte kennis heeft genomen van deze rapporten omdat bijvoorbeeld niet blijkt op welke wijze deze rapporten toen ter zitting is voorgehouden, terwijl in de vorige strafzaak – zij wijzen hierbij slechts op de behandeling van de zaak in hoger beroep – is geoordeeld dat ten aanzien van verschillende slachtoffers geen sprake was van een aanmerkelijke kans (en dus niet van opzet) op het benadelen van de gezondheid (vgl hiervoor onder 3.2). Dit laatste argument is blijkens het hiervoor onder 5.4 weergegeven verweer ook ter zitting door de raadsman aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beide argumenten kunnen niet overtuigen. De eerdere incidenten moeten voor de verdachte een indringende ervaring zijn geweest, zo heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk gemeend. In dit verband zij er ook nog op gewezen dat blijkens de voor het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 4] de verdachte wist dat iboga “sterk hallucinerend” is en leidt tot een verhoogde hartslag. Datzelfde geldt voor de strafzaak waarin zij uiteindelijk tot 141 dagen gevangenisstraf is veroordeeld. Dat in die zaak ten aanzien van drie slachtoffers niet is vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond op benadeling van de gezondheid en/of dat de verdachte dat wist doet daar niet aan af, zeker niet omdat die aanmerkelijke kans bij één slachtoffer – Neven – wel aanwezig werd geacht. Het oordeel dat de verdachte wist van de gevaren die samenhingen met iboga(ïne)behandelingen lijkt mij dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanvaarding 5.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan de aanvaarding van de (aanmerkelijke) kans op de dood van [slachtoffer 2] . Het hof heeft geen verklaringen van de verdachte of getuigen voor het bewijs gebruikt waaruit blijkt wat er ten tijde van de behandeling in de verdachte is omgegaan. Het oordeel van het hof dat de verdachte de dood van [slachtoffer 2] op de koop heeft toegenomen moet dus volgen uit hetgeen in de door het hof bevestigde overweging is vastgesteld ten aanzien van onder meer de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om te beginnen lijkt me te kunnen worden aangenomen dat in de onderhavige casus geen sprake is van een gedraging die naar haar uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het — behoudens contra-indicaties — niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. In de bestreden uitspraak wordt deze route ook niet gekozen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het oordeel dat de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard steunt hoofdzakelijk op de vaststelling dat de verdachte op de hoogte was van deze kans, maar desondanks is “doorgegaan met het behandelen van personen”, zonder daarbij haar werkwijze aan te passen. Aldus abstraheren rechtbank en hof van de behandeling van [slachtoffer 2] – gesproken wordt immers in meervoud over “behandelingen” – en wordt in wezen geoordeeld, zeker nu de uitspraak op het hiervoor (onder 5.14) al genoemde antidepressiva-advies na geen specifieke vaststellingen over die behandeling bevat, dat de verdachte bij het uitvoeren van al deze behandelingen de aanmerkelijke kans op de dood van de door haar behandelde persoon heeft aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de aard van deze behandelingen en de omstandigheden waaronder deze zijn uitgevoerd bevatten de gebezigde bewijsmiddelen beperkt informatie. Hieruit blijkt naar het mij voorkomt – en ook in het licht van hetgeen daaromtrent is aangevoerd door de raadsman van de verdachte – onvoldoende dat de verdachte (steeds) op de koop toe nam dat de behandelde persoon zou komen te overlijden. Daarbij neem ik om te beginnen in aanmerking dat het in essentie ging om behandelingen die erop gericht waren deze personen te helpen. Wat daar overigens van zij – als niet-bevoegde behandelaar had zij zich daaraan niet op deze wijze moeten wagen – van onverschilligheid ten aanzien van leven of dood van de door haar ‘behandelde’ personen geeft dat niet zonder meer blijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vragen aan de betrokken personen om een hartfilmpje (ECG) te laten maken past bij dit doel en is tegelijkertijd een contra-indicatie dat de verdachte onverschillig stond tegenover de kans op (dodelijke) complicaties. Daar komt bij dat, zoals ook lijkt te volgen uit de door de raadsman in zijn verweer aangehaalde getuigenverklaringen, er aanwijzingen zijn dat de verdachte de behandelde personen tijdens de behandeling “in de gaten hield” en zich bekommerde om hun gezondheid voor en tijdens de behandeling, onder meer door het geven van voedingsadvies. Bovendien was zij – zo volgt uit de bewijsmiddelen – “boos” of “geïrriteerd” als mensen ondanks haar verzoek geen ECG meebrachten of de behandeling niet afmaakten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat zij ondanks het ontbreken van zo’n ECG dan toch de behandeling uitvoerde maakt haar handelwijze zonder meer zeer onvoorzichtig en (nog) meer risicovol, maar haar boosheid is naar het mij voorkomt ook een contra-indicatie voor de aanwezigheid van het voor het kunnen aannemen van het voor opzet benodigde wilsaspect.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">De slotsom hiervan is dat ik meen dat het oordeel van het hof dat bij de verdachte sprake was van opzet op de dood van [slachtoffer 2] , mede in het licht van hetgeen hieromtrent ter zitting is aangevoerd, ontoereikend is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het derde middel 6. Met het middel wordt geklaagd over de wijze waarop het hof het gevoerde verweer dat een causaal verband tussen het handelen van de verdachte en het overlijden van [slachtoffer 2] niet kan worden vastgesteld heeft verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kern komt het middel op tegen de volgende overweging, die is opgenomen in het bestreden arrest: “Verbetering en aanvulling van de gronden Het hof is - met de rechtbank - van oordeel dat verdachte iboga(ïne) aan [slachtoffer 2] heeft toegediend en dat [slachtoffer 2] als gevolg daarvan is overleden. De overweging van de rechtbank dat de dood redelijkerwijs kan worden toegerekend aan verdachte is naar oordeel van het hof overbodig nu het hof - met de rechtbank - van oordeel is dat verdachte het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] heeft gehad. Het hof schrapt daarom de overwegingen van de rechtbank op pagina’s 20 en 21 onder het kopje ‘causaal verband’.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze schrapping is in de hiervoor onder 5.2 weergegeven bewijsmotivering weergegeven door een “(…)”, boven overweging 4.3.4. Met deze “verbetering” heeft het hof een overweging van de rechtbank, waarvan de strekking kort gezegd is dat het overlijden van [slachtoffer 2] aan de verdachte kan worden toegerekend omdat “het overlijden van [slachtoffer 2] met tenminste de vereiste mate van waarschijnlijkheid door die toediening is veroorzaakt”, uit de uitspraak verwijderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel komt hiertegen op met de op zichzelf terechte stelling dat opzet en causaliteit twee verschillende leerstukken zijn en dat de causaliteit dus ook niet reeds met het aannemen van voorwaardelijk opzet gegeven is.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit volgt wat mij betreft echter niet dat het middel moet slagen. Het lijkt mij dat de door het hof wel bevestigde overwegingen het oordeel dat sprake is van een causaal verband voldoende kunnen dragen. In dat verband wijs ik met name naar de passage onder het kopje “doodsoorzaak [slachtoffer 2] ”. Met deze overweging heeft het hof het ten aanzien van dit punt gevoerde verweer – wat betreft de inhoud daarvan verwijs ik hier kortheidshalve naar de pleitnota – ook voldoende gemotiveerd weersproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde middel 7. Het middel bevat de klacht dat de redelijke inzendtermijn in de cassatiefase is overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het cassatieberoep is ingesteld op 29 december 2020. De stukken zijn op 5 november 2021 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dit brengt mee dat de inzendtermijn is overschreden. Deze overschrijding kan niet meer worden gecompenseerd door een voortvarende afdoening. Aldus komt deze zaak in aanmerking voor strafvermindering.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel slaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel kan echter onbesproken blijven indien de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het arrest om andere redenen niet in stand kan blijven en de zaak dient te worden teruggewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afronding 8. Het eerste en het tweede middel slagen. De overige middelen kunnen in dat geval onbesproken blijven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">10.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft het onder 1, 4, 5 en 6 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Zie Hof Arnhem-Leeuwarden, 9 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7562. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Midden Nederland van 12 november 2015 (ECLI:NL:RBMNE:2014:5701) ter zake van de feiten 2A, 2B, 3A en 3B. Het vernietigde het vonnis van de rechtbank ter zake van feit 1. De rechtbank had de verdachte hiervan volledig vrijgesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het cassatieberoep in deze zaak is door de Hoge Raad verworpen op 4 april 2017. ECLI:NL:HR:2017:585 (NJ 2017, 470 m.nt. Wolswijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 29 042, nr. 3, p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in gelijke zin V.H. Glerum, aant. 3 bij art. 48 OLW, T&amp;C Internationaal Strafrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik laat de vragen die betrekking hebben op ‘andere’ dan wel ’het zelfde’ feit als genoemd in het EAB hier buiten beschouwing, omdat dit aspect in de onderhavige zaak naar ik meen geen rol speelt – dat het andere feiten betreft is door het gerechtshof ook aangenomen (zie onder 4.1 en 4.5).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 1 december 2008, ECLI:EU:C:2008:669 (NJ 2009, 394, m.nt. A.H. Klip).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rb Haarlem 9 november 2005, ECLI:NL:RBHAA:2005:AU6552, Rb Utrecht 30 oktober 2007, ECLI:NL:RBUTR:2007:BB6901, Rb Amsterdam 14 oktober 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BF9015, Rb Amsterdam, 25 maart 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:2147, Rb Noord-Holland 25 juni 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:6000, Rb Amsterdam 25 oktober 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:20551, Rb Noord-Nederland 19 november 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4871, Rb Limburg 9 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5489, Rb Rotterdam 8 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9244, Rb 1 oktober 2021 ECLI:NL:RBROT:2021:10178; Hof Den Haag 29 september 2005, ECLI:NL:GHSGR:2005:AU3659, Hof Arnhem 13 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV8900.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Amsterdam 11 oktober 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BB5590, Rb Haarlem 27 april 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BI2396, Rb Den Haag 4 augustus 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR4266, Rb Amsterdam 11 juli 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7146, ECLI:NL:RBAMS:2014:6849 en ECLI:NL:RBAMS:2014:6355. Rb Amsterdam 11 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7338, ECLI:NL:RBAMS:2016:7333 en ECLI:NL:RBAMS:2016:7334, Rb Amsterdam 15 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7364 en ECLI:NL:RBAMS:2016:7360, Rb Den Haag 9 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:5680, Rb Overijssel 28 november 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:4438, Rb Overijssel 6 maart 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1436 en ECLI:NL:RBOVE:2020:1366, Rb Overijssel, 3 december 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:4151, Rb Amsterdam 31 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:2732; Hof Amsterdam, 8 juli 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7040, Hof Arnhem-Leeuwarden 23 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10710, Hof Arnhem-Leeuwarden, 31 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:2375.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ‘s-Hertogenbosch, 12 februari 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ3309.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 27 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3123.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 26 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:681.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 17, mei 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:1618.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Amsterdam 28 september 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6931.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Amsterdam 11 juli 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:4952.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Amsterdam 7 februari 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:737.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Limburg 20 november 2020, ECLI:NL:RBLIM:2020:9077.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof ‘s-Hertogenbosch, 28 januari 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:232.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6708 (NJ 2007/527, m.nt. J.M. Reijntjes).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Den Haag: Wolters Kluwer 2021, p. 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteraard zijn op de executeerbaarheid van het rechterlijk vonnis wel weer uitzonderingen mogelijk, zoals de dood van de verdachte (art. 69Sr) of het verstrijken van de tenuitvoerleggingstermijn (art. 6.1.22 Sv, sinds 1 januari 2020 de ‘opvolger’ van de executieverjaring van art. 76 Sr (oud).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718 (NJ 2019, 103, m.nt. H.D. Wolswijk) HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9659 (NJ 2007, 313, m.nt. Y. Buruma).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 231, onder verwijzing naar een eerdere druk.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.A. van Dijk, Opzet, kans en keuzes Een analyse van doodslag in het verkeer, Zutphen: Uitgeverij Paris, p. 369, komt op basis van een empirisch onderzoek naar medewerkers uit de rechtspraktijk tot de conclusie dat zij gemiddeld aan een getal van 40,8% denken bij het begrip “aanmerkelijke kans”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Dijk, a.w., p. 374.</p>\n<p class=\"lf-p\">Proces-verbaal van de zitting van 1 december 2020, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Midden-Nederland, 12 november 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:5701.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Van Dijk, a.w., p. 376 e.v.. De vraag of bij het bepalen van de aanmerkelijke kans inderdaad – zoals Van Dijk beargumenteert – het perspectief van de verdachte moet worden ingenomen laat zich op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad niet eenvoudig beantwoorden. Vgl. HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2763 met HR 20 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6765.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. S.N.P. Wiznitzer, Defensieve dokters. Een juridisch-empirisch onderzoek naar de invloed van het medisch aansprakelijkheidsrecht op het professionele handelen van zorgverleners (diss. Utrecht), Den Haag: Boom Juridisch 2021, p. 91 e.v..</p>\n<p class=\"lf-p\">In de hierboven onder 5.2 weergegeven bewijsoverweging wordt in de voetnoten bij de passages onder het kopje “behandeling [getuige 4] ” verwezen naar het proces-verbaal van verhoor van deze [getuige 4] .</p></div>", "next": 0}