{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ter illustratie wijs ik op de in deze conclusie besproken feitenrechtspraak. Luijten constateerde reeds in 1980 dat echtgenoten in toenemende mate al voor hun huwelijk een regeling wensen te treffen over hun alimentatiepositie en dat zij daarbij soms opteerden voor het doen van afstand van het recht op alimentatie over en weer. E.A.A. Luijten, annotatie bij: HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7449, NJ 1980/363, onder 1 en 2. Zie nadien ook A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 1), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 121. F.W.J.M. Schols &amp; F.M.H. Hoens, ‘CNR-Huwelijksvoorwaardenonderzoek, deel 1: algemeen en koude voorwaarden’, WPNR 2012 (6956), p. 951 constateerden op basis van een onderzoek naar de inhoud van huwelijkse voorwaarden en partnerschapsvoorwaarden opgemaakt in 2004-2009 evenwel dat het een zeldzaamheid is als daarin aandacht wordt besteed aan alimentatie. Over de periode na 2009 zijn mij geen cijfermatige gegevens bekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.D. Kolkman e.a., Alimentatie van nu. Acceptatie van alimentatie in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen (onderzoek in opdracht van het WODC), Den Haag: Boom juridisch 2021, p.337 en p. 349. Zie ook: MvT, Wetsvoorstel herziening kinderalimentatie, Kamerstukken II 2015/16, 34154, nr. 7, p. 20, 40, met betrekking tot de onderhoudsplicht van samenwonende partners uit een tweede relatie of volgende relatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">TNS NIPO, Scheiden in Nederland 2012. Onderzoek uitgevoerd door TNS NIPO in opdracht van de vFAS, p. 9, ook aangehaald in: Kolkman e.a. (WODC), 2021, p. 160-161.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Vranken voor HR 12 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1959, NJ 1996/352, par. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de inwerkingtreding van de Wet Herziening partneralimentatie op 1 januari 2020 zijn de artikelen 1:156 en 1:157 en daarmee ook de verwijzing in art 1:158 BW gewijzigd. Het betreft geen inhoudelijke wijziging van art. 1:158 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. T.F.H. Reijnen, ‘Huwelijksvoorwaarden, echtscheiding en de notaris of: “alles wat geen natuurwet is, is dogma”, WPNR 2010 (6867), p. 923-924, 927; F.W.J.M. Schols, ‘Er was eens … een huwelijksvermogensrechtelijke wolf in schaapskleren. Enkele gedachten betreffende de opzet van en de creativiteit met huwelijkse voorwaarden’, WPNR 2010 (6860), p. 756; F Schonewille, Partijautonomie in het relatievermogensrecht (diss. Leiden), Antwerpen: Maklu 2012, par. 5.4. Zie eerder ook E.A.A. Luijten, ‘Het grensgebied tussen huwelijksvoorwaarden en echtscheidingsconvenant’, in: Gr. Van der Burght e.a. (red.), Met recht verenigd (Dijk-bundel), Gouda: Quint BV 1986, p. 83-86. Hij concludeerde destijds echter, mede op basis van de uitspraak van de Hoge Raad uit 1980, dat een voorwaardelijk alimentatiebeding terzake van een mogelijke echtscheiding in een akte van huwelijkse voorwaarden niet thuis hoort. (p. 93) Wet Herziening partneralimentatie, Wet van 18 juli 2019, Stb.2019, 283, in werking getreden op 1 januari 2020. Op grond van het overgangsrecht is de nieuwe regelgeving slechts van toepassing op een uitkering tot levensonderhoud die op of na 1 januari 2020 is vastgesteld of tussen partijen overeengekomen en geldt deze slechts voor verzoeken tot vaststelling of wijziging van partneralimentatie waarin het inleidend verzoekschrift is ingediend op of na 1 januari 2020. De leden 1 tot en met 3 van het nieuwe art. 1:156 BW komen echter – met uitzondering van de laatste zin van lid 3 over de toepasselijke termijn – woordelijk overeen met de leden 1 tot en met 3 van het oude art. 1:157 BW. In het hiernavolgende zal ik om praktische redenen art: 1:156 BW zoals het thans geldt aanhalen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/633-634; HR 9 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9900, NJ 2001/216, m.nt. S.F.M. Wortmann.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 459-461 (antwoord minister in S.O.), zie ook p. 463, 466-470 (Handelingen II). Zie ook Kamerstukken II, 1968/69, 10213, nr. 3, p. 23. Zie over de parlementaire geschiedenis ook hierna, onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 september 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6056, NJ 1978/432, m.nt. E.A.A. Luijten en o.m. HR 9 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9900, NJ 2001/216, m.nt. S.F.M. Wortmann; HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6632, NJ 2002/171. Zie nader o.a. N.D. Spalter, Grondslagen van partneralimentatie (diss. Amsterdam VU), Boom Juridische Uitgevers, Den Haag 2013; S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:156 BW, aant. 1-1A; M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen, 2020, par. 2.1; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/633 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Schonewille 2012, par. 5.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB7830, NJ 1990/189; o.a. gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:3587, EB 2021/59; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/600.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/600.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/666; Kolkman e.a. (WODC), 2021, p. 20; M.J.A. van Mourik, L.C.A. Verstappen &amp; W. Burgerhart (m.m.v. F.M.H. Hoens, M.L.C.C. Lückers, M.J.J.R. van Mourik en G.M.C.M. Staats), Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding Deel B (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht), Deventer: Wolters Kluwer 2020/5.2; Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (SBR 1), 2021/151. In HR 15 november 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC4375, NJ 1976/122, m.nt. E.A.A. Luijten overwoog de Hoge Raad dat de wetgever de echtgenoten in de regeling van de gevolgen van de echtscheiding een grote vrijheid heeft willen laten en dat geen grond bestaat aan te nemen dat de wetgever de echtgenoten daarbij heeft willen binden aan de maatstaven welke, zonder een overeenkomst zoals bedoeld in art. 1:158 BW, bij de vaststelling van een uitkering tot levensonderhoud door de rechter moeten worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook mijn conclusie vóór HR 1 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1689, NJ 2020/32, m.nt. S.F.M. Wortmann, par. 2.46. In deze prejudiciële beslissing overwoog de Hoge Raad dat een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie nietig is op grond van art. 3:40 lid 1 BW jo. 3:59 jo. 1:404 BW voor zover dat ertoe strekt dat een toename van de draagkracht van een onderhoudsplichtige of van de behoefte van het kind niet kan leiden tot een hogere kinderalimentatie (rov. 2.4.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/666, onder verwijzing naar HR 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9543, NJ 2010/396, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. L.C.A. Verstappen &amp; W. Burgerhart, Handboek Scheiding deel B 2020/6.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0015, NJ 1988/438, m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 3.2 en 3.3; HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3635, NJ 2016/160, m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.6-3.6.3; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/669-670; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/605; S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:401 BW, aant. 7 (bijgewerkt t/m 01-01-2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Wortmann is de bepaling van openbare orde, S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:401 BW, aant. 1 (01-01-2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 2 juli 2014, Stb. 2014, 270, in werking getreden op 1 januari 2015. Zie nader o.a. S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:159a BW; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/672.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader o.a. S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:158 BW, aant. 3; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/667.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 10 juli 1947, houdende wijziging van de bepalingen betreffende het kinderrecht, voorkomende in het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek, en in verband daarmede – wijziging en aanvulling van de andere boeken van dat Wetboek, alsook van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van andere wetten (Wet wijziging bepalingen kinderrecht). Stb. 1947, H 232.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II, 1939/40, nr. 55, item 1 (MvA II), p. 25. Vgl. F. Schonewille, ‘De voorhuweljikse alimentatieovereenkomst revisited. Of; het belang van het opnemen van een considerans in huwelijkse voorwaarden’, WPNR 2007 (6699), onder ‘nihilbeding’, Vgl. C. Spierings, Afstand van recht. (Monografieën BW. A-Serie, 6a), Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 19. Afstand van recht kan ook onder voorwaarde of tijdsbepaling geschieden. Zie Spierings, nr. 20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl., met betrekking tot kinderalimentatie, waarvoor uiteraard wel art. 1:404 geldt: I. Van der Kamp, ‘De rechterlijke toetsing van door partijen in het ouderschapsplan gemaakte afspraak ter zake kinderalimentatie’, WPNR 2013/6976, p. 399-403, par. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. M.J.A. van Mourik, L.C.A. Verstappen &amp; W. Burgerhart (m.m.v. J.G. Knot), Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding Deel A (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht), Deventer: Wolters Kluwer 2020/14.4.4; Rb. 's-Gravenhage 2 maart 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT2694, JPF 2005/54; rb. Midden-Nederland 21 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5057, EB 2017/5, JPF 2017/9, m.nt. P. Vlaardingenbroek; (en, met iets andere bewoordingen) rb. Amsterdam 8 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:637, EB 2017/44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248, m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.5.2-3.5.4, 3.5.6-3.5.7. Zie nader o.a. Kolkman e.a. (WODC), 2021, par. 7.2.1; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/576, 559 en de daar genoemde literatuur over ongehuwde samenlevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I, 2020/21, 34 231, H (Brief van de Minister voor Rechtsbescherming), p. 2; Handelingen I, 2018/19, nr. 28, item 6, p. 6 en 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kolkman e.a. (WODC), 2021, p. 120, onder verwijzing naar P. Kuik, W.M. Schrama &amp; L.C.A. Verstappen, ‘Samenlevingsovereenkomsten in de notariële praktijk’, Family &amp; Law november 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderzoekers schrijven, onder verwijzing naar gegevens van het CBS uit 2018, dat 23% van alle huishoudens met twee partners bestaat uit een huishouden van ongehuwde samenwoners. Kolkman e.a. (WODC), 2021, p. 118. Ze verwijzen naar C. van Duin, S. te Riele &amp; L. Stoeldraijer, CBS Statistische trends. Huishoudensprognose 2018-2060: opmars eenpersoonshuishoudens zet door, CBS 2018. Online via https://www.cbs.nl/-/media/_pdf/2018/51/2018st28-huishoudensprognose_web.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kolkman e.a. (WODC), 2021, p. 360, zie ook p. 357 over de door de onderzoekers gehouden expertmeeting en p. 364 voor een voorstel tot wijziging van art. 1:156 BW. Zie eerder ook M.V. Antokolskaia e.a., ‘Koude uitsluiting. Materiële problemen en onbillijkheden na scheiding van in koude uitsluiting gehuwde echtgenoten en na scheiding van ongehuwd samenlevende partners, alsmede instrumenten voor de overheid om deze tegen te gaan’ (Familie &amp; Recht, deel 2), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2011, p. 273-274, 276-277, 279, 288.</p>\n<p class=\"lf-p\">L. Stoeldraijer, S. te Riele, C. van Duin, P. van der Reijden, CBS Statistische trends. Huishoudensprognose 2021-2070: groei aantal huishoudens houdt aan, CBS 16 december 2021, online via https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2021/huishoudensprognose-2021-2070-groei-aantal-huishoudens-houdt-aan, par. 3.2, onder ‘verschillen tussen ongehuwden en ooit-gehuwden nemen af’.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBS Statline, https://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/37975/table?dl=4586A (meerperoonshuishoudens bestaande uit niet-gehuwde paren, totaal en met kinderen), geraadpleegd op 2 februari 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">L. Stoeldraijer e.a., CBS Statistische trends 2021, par. 4.2-4.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 16 Mei 1934 tot vereenvoudiging van de bepalingen betreffende de vaststelling van krachtens Boek I B.W. verschuldigde uitkeeringen tot onderhoud en de tenuitvoerlegging, wijziging en intrekking van vonnissen, beschikkingen en regelingen tusschen partijen terzake van zoodanige uitkeeringen. Stb. 1934, 253.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie tevens art. 344c lid 1 en 344d met betrekking tot de verplichting tot verstrekking van levensonderhoud door de vader aan natuurlijke door hem niet erkende kinderen en art. 379 en 380 met betrekking tot onderhoudsverplichtingen in de opgaande lijn. Ook deze bepalingen vervielen met invoering van titel 15A. Ten aanzien van levensonderhoud tijdens het echtscheidingsgeding (art. 268) ontbrak juist een regeling over de mogelijkheid tot wijziging en intrekking. Zie Kamerstukken II 1932-1933, 288, nr. 3 (MvT), p. 2-3, 10-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na invoering van het nieuwe Boek 1 art. 161. Stb. 1969, 257.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader o.a. A. Minkenhof, De wet herziening echtscheidingsrecht, Groningen: W.E.J. Tjeenk Willink 1971, p. 59 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 10 juli 1947, houdende wijziging van de bepalingen betreffende het kinderrecht, voorkomende in het eerste boek van het Burgerlijk Wetboek, en in verband daarmede – wijziging en aanvulling van de andere boeken van dat Wetboek, alsook van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en van andere wetten (Wet wijziging bepalingen kinderrecht). Stb. 1947, H 232.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1936/37, 387, nr. 3, p. 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1936/37, 387, nr. 2, p.18-19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II, 1939/40, nr. 55, item 2 (NvW), p. 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Handelingen II, 1939/40, nr. 55, item 1 (MvA II), p. 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststelling van Boek 1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, met uitzondering van de titels 9 en 10 (Kamerstukken 3767); Vaststelling van de titels 9 en 10 van Boek 1 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Kamerstukken 3768). Stb. 1969, 257, inwerkingtreding Stb. 1969, 259.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 459-461 (antwoord minister in S.O.), zie ook p. 463, 466-470 (Handelingen II). Zie ook Kamerstukken II, 1968/69, 10213, nr. 3, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de systematiek van het nieuwe Boek 1 op deze onderwerpen o.a. Parl. Gesch. Boek 1 BW, p. 406 en 717 (beide T.M.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding, Stb. 2008, 500.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met uitzondering van het later ingevoerde lid 13 van art 1:408 BW over de inning van onderhoudsbijdragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 782-783.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 775 (V.V. II.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 776 (M.v.A II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 776 (M.v.A. II). Zie ook Parl. Gesch. Boek 1 BW Inv. 1969, p. 1445-1446 (M.v.A II Inv.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 462-463, 467-469 (Handelingen II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 469 (Handelingen II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. Parl. Gesch. Boek 1 BW Inv. 1969, p. 1281 (Handelingen II Inv.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 725 (Handelingen II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW Inv. 1969, p. 1429 (Handelingen II Inv).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 mei 1971, houdende herziening van het echtscheidingsrecht. Stb. 1971, 290, zoals gewijzigd bij wet van 9 juni 1971, Stb. 380; inwerkingtreding 1 oktober 1971.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1968/69, 10213, nr. 3, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1968/69, 10213, nr. 3, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1968/69, 10213, nr. 3, p. 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1970/71, 10213, nr. 6, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 28 april 1994 tot Wijziging van bepalingen in het Burgerlijk Wetboek in verband met de regeling van de limitering van alimentatie na scheiding, Stb. 1994, 324 (Kamerstukken 19295); de hierna genoemde Wet herziening partneralimentatie, Stb. 2019, 83. Twee andere voorstellen/nota’s haalden de eindstreep niet: initiatiefnota van de leden Van der Steur (VVD), Recourt (PvdA) en Berndsen (D66), Kamerstukken 2011/12, 33312, nr. 2; wetsvoorstel van het lid Bontes (PVV) tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het beperken van de duur van partneralimentatie en tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het desverzocht verstrekken van berekeningen van draagkracht en behoefte in zaken betreffende partneralimentatie, Kamerstukken 2011/12, 33311, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2011/12, 33312, nr. 2, p. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2014/15, 34231, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2014/15, 34231, nr. 3, p. 1, 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2014/15, 34231, nr. 3, p. 23-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2014/15, 34231, nr. 3, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2014/15, 34231, nr. 2 en nr. 3, p. 27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekst in voetnoot: ‘Voorstel van wet van de leden Berndsen-Jansen, Recourt en Van Oosten tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet teneinde de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen te beperken (Kamerstuknummer 33 987).’ Tekst in voetnoot: ‘HR 7 maart 1980, NJ 1980, 363 met een noot van Luijten en HR 12 januari 1996, NJ, 352 geannoteerd door Vranken.’ Tekst in voetnoot: ‘Hidma, T.R. «Nihilbeding art. 158 boek 1 BW; ook vóór het huwelijk overeen te komen» WPNR 1979/5470, 170–172 en Hidma, T.R., «Wel Degelijk een onaantastbaar «nihilbeding» vóór het huwelijk overeen te komen: een repliek...» WPNR 1979/5492, blz. 556–557.’ Tekst in voetnoot: ‘Reijnen, T.F.H. 2010. «Huwelijksvoorwaarden, echtscheiden en de notaris, of: «alles wat geen natuurweg is, is dogma.» WPNR 2010/6867, blz. 923–929.’ Tekst in voetnoot: ‘Asser-De Boer 2006. Personen- en Familierecht. Groningen: Kluwer.’ Tekst in voetnoot: ‘Schonewille, F. 2013. «Partneralimentatieclausules in premaritale huwelijkse voorwaarden» Tijdschrift Relatierecht en Praktijk 7 (oktober), blz. 289–294.’ Kamerstukken II, 2014/15, 34231, nr. 3, p. 4-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015/16, 34231, nr. 5, p. 18-19; Raad voor de Rechtspraak Advies wetsvoorstel herziening partneralimentatie, 11 september 2015, www.rechtspraak.nl, p. 2; R. van Coolwijk &amp; J.E.M.C. Moons, ‘Reactie vFAS op wetsvoorstel Herziening partneralimentatie’, EB 2015/86, par. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015/16, 34231, nr. 5, p. 18-19. Zie ook kritiek en vragen van de leden van de SP-, SGP- en CDA-fractie: Kamerstukken II, 2016/17, 34231, nr. 6 (Verslag), p. 5-7, 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Coolwijk &amp; Moons, EB 2015/86, par. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Coolwijk &amp; Moons, EB 2015/86, onder conclusies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Raad voor de Rechtspraak, Advies wetsvoorstel herziening partneralimentatie, 11 september 2015, www.rechtspraak.nl, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2017/18, 34231, nr. 10 (NvW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2016/17, 34231, nr. 7, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 2019, 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 1919, ECLI:NL:HR:1919:79, NJ 1919, 574.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad overweegt dat ‘de verplichting om naar de behoefte van het oogenblik, waarop het te verstrekken levensonderhoud wordt vastgesteld, den echtgenoot, op wiens verzoek de scheiding werd uitgesproken, te blijven steunen (..) berust op de levensverhouding zooals die door het huwelijk is geschapen en deze haar werking, zij het dan al in beperkter omvang, behoudt ook al wordt de huwelijksband geheel of ten deele geslaakt’ (onderstreping A-G).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 juli 1942, ECLI:NL:HR:1942:35, NJ 1942/645.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 april 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5437, NJ 1975/237, m.nt. E.A.A. Luijten, rov. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7449, NJ 1980/363, m.nt. E.A.A. Luijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Vranken voor HR 12 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1959, NJ 1996/352, par. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Vranken voor HR 12 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1959, NJ 1996/352, par. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1959, NJ 1996/352, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 mei 1979, HR:1979:AC6583, NJ 1980/5, m.nt. E.A.A. Luijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden beschikking, rov. 7; rb. Rotterdam 2 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9890, RFR 2016/39 (beschikking in eerste aanleg in de onderhavige zaak); rb. 's-Gravenhage 2 maart 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT2694, JPF 2005/54; rb. Amsterdam 11 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7675, RFR 2014/38; rb. Midden-Nederland 21 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5057, EB 2017/5, JPF 2017/9, m.nt. P. Vlaardingenbroek; hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1248, RFR 2019/71, EB 2019/39, rov. 5.4; rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:864, EB 2020/43, rov. 4.10; rb. Limburg, 5 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5249, rov. 2.3.5. Zie voorts, minder uitvoering gemotiveerd dan in de hoofdtekst uiteengezet: rb. Zwolle-Lelystad 20 juli 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:BC8854, RFR 2006/46; rb. Haarlem 7 juli 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2412; rb. Amsterdam 8 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:637, EB 2017/44; en impliciet: hof Arnhem-Leeuwarden 4 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3851, PFR-Updates.nl 2017-0143, rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden beschikking, rov. 7; rb. 's-Gravenhage 2 maart 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT2694, JPF 2005/54; rb. Amsterdam 11 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7675, RFR 2014/38; rb. Midden-Nederland 21 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5057, EB 2017/5, JPF 2017/9, m.nt. P. Vlaardingenbroek; rb. Amsterdam 8 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:637, EB 2017/44; hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1248, RFR 2019/71, EB 2019/39, rov. 5.4; rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:864, EB 2020/43; rb. Limburg, 5 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5249, rov. 2.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden beschikking, rov. 7; rb. Limburg, 5 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5249, rov. 2.3.5. rov. 2.6.5 (beschikking in eerste aanleg in de onderhavige zaak); rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:864, EB 2020/43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1248, RFR 2019/71, EB 2019/39, rov. 5.1; rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:864, EB 2020/43, rov. 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 2 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9890, RFR 2016/39, rov. 2.6.5 (beschikking in eerste aanleg in de onderhavige zaak); rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:864, EB 2020/43, rov. 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden beschikking, rov. 7; rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:864, EB 2020/43, rov. 4.10 Rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:864, EB 2020/43, rov. 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden beschikking, rov. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. 's-Gravenhage 2 maart 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT2694, JPF 2005/54; rb. Midden-Nederland 21 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5057, EB 2017/5, JPF 2017/9, m.nt. P. Vlaardingenbroek; (en, met iets andere bewoordingen) rb. Amsterdam 8 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:637, EB 2017/44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. 's-Gravenhage 2 maart 2005, ECLI:NL:RBSGR:2005:AT2694, JPF 2005/54; rb. Midden-Nederland 21 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5057, EB 2017/5, JPF 2017/9, m.nt. P. Vlaardingenbroek Rb. Midden-Nederland 21 september 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:5057, EB 2017/5, JPF 2017/9, m.nt. P. Vlaardingenbroek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 4 mei 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:3851, PFR-Updates.nl 2017-0143, rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 8 februari 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:637, EB 2017/44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts: rb. Zwolle-Lelystad 20 juli 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:BC8854, RFR 2006/46; Rb. Amsterdam 11 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7675, RFR 2014/38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zwolle-Lelystad 20 juli 2005, ECLI:NL:RBZLY:2005:BC8854, RFR 2006/46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 2 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9890, RFR 2016/39 (beschikking in eerste aanleg in de onderhavige zaak), rov. 2.6.10; rb. Limburg, 5 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5249, rov. 2.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 2 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9890, RFR 2016/39 (beschikking in eerste aanleg in de onderhavige zaak), rov. 2.6.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Zeeland-West-Brabant 21 februari 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:864, EB 2020/43; rb. Limburg, 5 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5249, rov. 2.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Limburg, 5 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5249, rov. 2.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Amsterdam 11 september 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7675, RFR 2014/38, rov. 4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Haarlem 7 juli 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN2412. Een einduitspraak in deze zaak is niet gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamer voor het notariaat Den Haag 13 mei 2015, ECLI:NL:TNORDHA:2015:14. Zie over deze uitspraak F.M.H. Hoens, ‘Alimentatie en contractsvrijheid. Anticipeer voorzichtig’, AdvoTip 2015-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze lijn: Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/667; M. Antokolskaia, resp. B. Breederveld, in: W.M. Schrama, M.V. Antokolskaia &amp; G.C.A.M. Ruitenberg (red.), Familierecht. Een introductie, Den Haag: Boom juridisch, par. 16.6.2 resp. 7.19.2; A.R. de Bruijn e.a., Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 53-54, 271; R. van Coolwijk, ‘Wet herziening partneralimentatie door de bril van een advocaat’, FJR 2019/44, p. 205; A. Heida, Alimentatie, de wettelijke onderhoudsplicht, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 76; E.A.A. Luijten, annotatie bij: HR 19 april 1974, ECLI:NL:HR:1974:AC5437, NJ 1975/237; A.H.N. Stollenwerck, ‘Nihilbeding partneralimentatie in huwelijkse voorwaarden, een goed idee?’, FTV 2017/1-1;</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel A, 2020/par. 14.4.4; Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel B, 2020/6.5.2; T.F.H. Reijnen, ‘Huwelijksvoorwaarden, echtscheiding en de notaris of: “alles wat geen natuurwet is, is dogma”, WPNR 2010 (6867), p. 924-925, 928; Wortmann &amp; Van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht 2021/104c en 156; S.F.M. Wortmann, in: GS Personen- en familierecht, art. 1:400 BW, aant. 3; I.C. Zwart, ‘Het alimentatiebeding anno 2012, REP 2012, nr. 6, p. 251; N.D. Spalter, Grondslagen van partneralimentatie, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2013, p. 31; Nuytinck, Personen- en familierecht, relatievermogensrecht en erfrecht (SBR 1), 2021/151.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook ondergetekende: M.L.C.C. Lückers, Alimentatieverplichtingen, 2020, par. 10.1; M.L.C.C. Lückers &amp; M. Mook, in: Sdu Commentaar Relatierecht, commentaar op art. 1:400 BW, aant. C.2; 2.16. (over het oude BW); Asser/Wiarda, Handleiding tot de beoefening van het Nederlandsch burgerlijk recht. Eerste deel Personenrecht, eerste stuk Natuurlijke personen en familierecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1957, p. 949-950.</p>\n<p class=\"lf-p\">Luijten, NJ 1975/237. Vgl. ook Asser/Wiarda, Handleiding tot de beoefening van het Nederlandsch burgerlijk recht. Eerste deel Personenrecht, eerste stuk Natuurlijke personen en familierecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1957, p. 949-950.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel A, 2020/14.4.4 en over de term echtgenoten voetnoot 76 in deze paragraaf.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.N. Labohm, Wet herziening partneralimentatie: de tweede nota van wijziging van 11 juni 2018, EB 2018/76, par. 7; T.F.H. Reijnen, ‘Het aangepaste voorstel tot beperking van alimentatie: zullen we er maar van afzien?’, WPNR 2017(7172), p. 933 onder verwijzing naar de memorie van toelichting bij de Wet Herziening partneralimentatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekst in voetnoot: Advies RvS, Kamerstukken II 2015/16, 34231, nr. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tekst in voetnoot: NvW, Kamerstukken II 2017/18, 34 231, nr. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kolkman e.a., (WODC) 2021, p. 66-67.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar het advies van de vFAS (gepubliceerd in EB 2015/86).</p>\n<p class=\"lf-p\">Stollenwerck, FTV 2017/1-1. Vgl. ook Spalter, die zich aansluit bij het advies van de Raad van State. N.D. Spalter, ‘Het initiatiefwetsvoorstel Wet herziening partneralimentatie: partneralimentatie eerlijker, simpeler en korter?’, FJR 2017/22, par. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/667.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/637. Zie ook F.W.J.M. Schols, ‘De (missing) link tussen het nihilbeding en de andere wettelijke rechten,’ FTV 2015/49.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.M. Nuytinck, ‘Wet herziening partneralimentatie: voorhuwelijkse alimentatieovereenkomst wordt geldig’, WPNR 2015 (7079), p. 874, 876.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 342, laatst gewijzigd bij Stb. 2021, 328.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zwart, REP 2012-6, p. 252-253, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1990/91, 21893, nr. 3, p. 7-8, waar, samengevat, is opgemerkt dat met de WvP enerzijds getracht is een regeling te treffen ter vermijding van conflicten en ter bescherming van (meestal) de vrouw, maar anderzijds partijen de vrijheid wordt gelaten een eigen regeling te treffen en dat de verwachting is dat door de maatschappelijke ontwikkelingen richting een steeds grotere economische zelfstandigheid van met name de vrouw, partijen dat ook steeds vaker zullen doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Labohm, EB 2018/76, par. 7. Zie ook A.N. Labohm, ‘Wet herziening partneralimentatie door de bril van de rechter’, EB 2018/81, par. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reijnen, WPNR 2010 (6867), p. 924-925, 928.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reijnen, WPNR 2010 (6867), p. 927-928. Zie ook T.F.H. Reijnen, ‘Het aangepaste voorstel tot beperking van alimentatie: zullen we er maar van afzien?’, WPNR 2017(7172), p. 933.</p>\n<p class=\"lf-p\">Reijnen, WPNR 2017(7172), p. 933. Zie ook T.F.H. Reijnen, ‘Huwelijkse voorwaarden, pensioenverevening en alimentatie’, WPNR 2012 (6916), p. 93.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.W.J.M. Schols, ‘Alimentatieafspraken in (vóór)huwelijkse voorwaarden? De tijd is rijp’, Vakblad Estate Planning 2015-35, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schols, Vakblad Estate Planning 2015, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.L.D.J. Maasland, ‘Een pleidooi voor meer partijautonomie in het familievermogensrecht’, KWEP 2021/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Minkenhof, De wet herziening echtscheidingsrecht, Groningen: W.E.J. Tjeenk Willink 1971 p. 70-71, 97.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.R. Hidma, ‘Nihil-beding’ art. 158 Boek 1 BW: ook vóór het huwelijk overeen te komen’, WPNR 1979 (5470), p. 170-171. Nuytinck schrijft op één lijn te zitten met Hidma. Nuytinck, WPNR 2015 (7079), p. 876.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie anders, over de mogelijkheid van latere wijziging, maar naar het recht van voor art. 1:158 en 1:159 BW: L.D. Pels Rijcken, ‘Aard en rechtsgevolgen der alimentatie-overeenkomst’, in: L.A. Nypels e.a., Door tijd en vlijt (1777-1952), ’s-Gravenhage: N.V. De Nederlandsche Boek- en Steendrukkerij v/h H.L. Smits, p. 124-129.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hidma WPNR 1979 (5470), p. 171-172, voetnoot 23. Zie ook T.R. Hidma, ‘Wel degelijk een onaantastbaar ‘nihilbeding’ vóór het huwelijk overeen te komen: een repliek’, WPNR 1979 (5492), p. 556-557.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.T. de Jong ‘Nogmaals: ‘Nihilbeding ook vòòr het huwelijk?’, WPNR 1979 (5492), p. 554.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Jong, WPNR 1979 (5492), p. 554-555.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Jong, WPNR 1979 (5492), p. 553.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Jong, WPNR 1979 (5492), p. 554-555.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. Schonewille, ‘Partneralimentatieclausules in premaritale huwelijkse voorwaarden’, REP 2013-7, p. 290, onder verwijzing naar in de navolgende voetnoten aangehaalde eerdere publicaties van zijn hand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schonewille 2012, par. 5.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1968/69, 10213, nr. 3, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schonewille WPNR 2007, onder ‘Wetsgeschiedenis’; Schonewille 2012, p. 133-134, in beide teksten voor wat betreft het gebruik van de term ‘echtgenoten’, onder verwijzing naar de conclusie van A-G Franx voor HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7449, NJ 1980/363, m.nt. E.A.A. Luijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schonewille, WPNR 2007, onder ‘Voorhuwelijkse alimentatieovereenkomst’; Schonewille 2012, p. 130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schonewille, TPR 2013, p. 290.</p>\n<p class=\"lf-p\">2007, par. Visie Hoge Raad achterhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schonewille, REP 2013, p. 291-293.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schonewille, REP 2013, p. 293-294.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.H.M. Zonnenberg, Het verrekenbeding (R&amp;P nr. RFR1) 2019/6.6.7. Aan het slot van par. 6.6.5 wordt nog opgemerkt dat de auteur heeft gevraagd om cassatie in het belang der wet te willen instellen met betrekking tot de bestreden beschikking. Zie nadien ook: L.H.M. Zonnenberg, ‘Huwelijkse voorwaarden en alimentatie: vroeger was het beter dan nu!’, in: F. Ibili, A.N. Labohm &amp; B.E. Reinhartz (red.), Van notariaat tot rechtspraak. (Stollenwerck bundel), Ars Notariatus nr. 171, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 127-136. En eerder: L.H.M Zonnenberg, ‘Huwelijkse voorwaarden en alimentatie: mag de klok een halve eeuw terug?’, EB 2017/31; L.H.M. Zonnenberg, ‘Huwelijkse voorwaarden en partneralimentatie’, WPNR 2014/7009; L.H.M. Zonnenberg, ‘Prenups en partneralimentatie’, in: F. Schonewille &amp; L.H.M. Zonnenberg (red.), Prenups, Apeldoorn/Antwerpen: Maklu Uitgevers 2014, p. 65-74.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.H.M. Zonnenberg, Het verrekenbeding (R&amp;P nr. RFR1) 2019/6.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.H.M. Zonnenberg, Het verrekenbeding (R&amp;P nr. RFR1) 2019/6.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.H.M. Zonnenberg, Het verrekenbeding (R&amp;P nr. RFR1) 2019/6.6.3, 6.6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.H.M. Zonnenberg, Het verrekenbeding (R&amp;P nr. RFR1) 2019/6.6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.H.M Zonnenberg, EB 2017/31, par. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 78 lid 7 Wet RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/De Boer 1* 2010/1025; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-I 2020/583.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 462-463, 467-469 (Handelingen II).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1936/37, 387, nr. 3, p. 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 775 (V.V. II.); Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 776 (M.v.A. II). Zie ook Parl. Gesch. Boek 1 BW Inv. 1969, p. 1445-1446 (M.v.A II Inv.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 469 (Handelingen II); Parl. Gesch. Boek 1 BW 1962, p. 1281 (Handelingen II Inv.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1968/69, 10213, nr. 3, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 1968/69, 10213, nr. 3, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 maart 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB7449, NJ 1980/363, m.nt. E.A.A. Luijten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het initiatiefwetsvoorstel Herziening partneralimentatie voorzag wel in een regeling op grond waarvan (aanstaande) echtgenoten de mogelijkheid van wijziging van een alimentatieovereenkomst verder konden beperken. Daarvoor is mijns inziens inderdaad een wetswijziging noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Labohm, EB 2019/81, par. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 januari 1944, NJ 1944/120 (Van de Water/Van Hemme); HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3103, NJ 2012/422.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 4 en 5 Wvp. Zie nader over de ontwikkeling in de praktijk van huwelijkse voorwaarden en partnerschapsvoorwaarden op het punt van zowel ouderdomspensioen als partnerpensioen in de periode 2004-2009 F.M.H. Hoens &amp; F.W.J.M. Schols, ‘CNR-Huwelijksvoorwaardenonderzoek, deel III: pensioen’, WPNR 2015 (7049). Zie over pensioenverevening vs alimentatie ook Reijnen, WPNR 2012 (6916), p. 90-94.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schonewille 2012, par. 5.4.3, 5.4.4; Schonewille, REP 2013-7, p. 290. Zie ook Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel A, 2020/par. 14.4.3-14.4.4, met dien verstande dat voorhuwelijkse alimentatieafspraken niet tot een lagere alimentatie dan de wettelijke maatstaven mogen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel A, 2020/par. 14.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Vranken voor HR 12 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1959, NJ 1996/352, par. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel A, 2020/par. 6.1 en 6.2; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/388 over het formele en materiële begrip van huwelijkse voorwaarden.</p>\n<p class=\"lf-p\">O.a. De Bruijn e.a., Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht, 2019, p. 269; Schonewille 2012, p. 87-88; Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/408-409.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens Lieber en Schonewille kan ook een ouderschapsplan in huwelijkse voorwaarden opgenomen worden. J.H. Lieber, GS Personen- en familierecht, art. 1:121 BW, aant. 4; Schonewille 2012, hoofdstuk 8. Zie ook Nuytinck in Verjaring, O&amp;R nr. 120, 2020/14.3.1 die de huwelijkse voorwaarden ziet als een familierechtelijke overeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.E. Brinkman, ‘Reactie op: ‘Wanneer kan een notariële akte huwelijkse voorwaarden bevatten?’ van prof.mr. W.G. Huijgen in WPNR 2019/7225’, WPNR 2019 (7237), p. 359.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.W.J.M. Schols, WPNR 2010 (6860), p. 756; Schonewille 2012, par. 5.4.1-5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.25 – 4.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7004, NJ 2004/399, m.nt. A.J.M. Nuytinck, rov. 4.2; HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3103, NJ 2012/422 m.nt. L.C.A. Verstappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook A.J.M. Nuytinck, ‘De verwatering van het onderscheid tussen huwelijkse voorwaarden en echtscheidingsconvenant’, AA september 2012, p. 630-634.</p></div>", "next": 0}