{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In 2002 is aan het College bescherming persoonsgegevens (voorloper van de Autoriteit Persoonsgegevens) voorgelegd of het openstellen van de rol van alle Nederlandse gerechten voor alle advocaten (naar aanleiding van de afschaffing van het procuraat) verenigbaar was met de Wbp (CBP 27 februari 2003, z2002-1015, WBP 2009/51). Mijns inziens is de rechterlijke macht niet langer gebonden aan het desbetreffende advies van het CBP, omdat zij sinds de invoering van de AVG niet langer is onderworpen aan het toezicht van het CBP of haar opvolger, de AP, dit met het oog op haar de onafhankelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.P. de Jong, ‘De Algemene Verordening Gegevensbescherming’, Ars Aequi 2016, p. 771.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook AVG, overweging 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover ook overweging 26 AVG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A. Engelfriet, L. Chew-Meij en P. Kager, De Algemene Verordening Gegevensbescherming, 2018, par. 4.1; N.J. Margetson, ‘De Algemene verordening gegevensbescherming’, NTHR 2018/3, par. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Engelfriet e.a., a.w., par. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJ EU 29 juni 2010, zaak C-28/08 P, ECLI:EU:C:2010:378 (Commissie/Bavarian Lager), rov. 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Margetson, t.a.p., p. 149; Engelfriet e.a., a.w., par. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Engelfriet e.a., a.w., par. 2.1 en 4.2 met o.m. verwijzing naar HvJ EU 6 november 2003, zaaknr. C-101/01, ECLI:EU:C:2003:596 (Lindqvist).</p>\n<p class=\"lf-p\">Margetson, t.a.p., p. 149.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie overweging 15: “Dossiers of een verzameling dossiers en de omslagen ervan, die niet volgens specifieke criteria zijn gestructureerd, mogen niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn [te] vallen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 29 juni 2010, zaak C-28/08 P, ECLI:EU:C:2010:378 (Commissie/Bavarian Lager), rov. 69. Zie ook HvJ EU 19 april 2012, zaak C‑461/10 EU:C:2012:219 (Bonnier Audio e.a.), rov. 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 116.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 24 maart 2022, zaak C-245/20, ECLI:EU:C:2022:216 (X, Z tegen Autoriteit Persoonsgegevens).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover ook artikel 2.3 van de Persrichtlijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 11 van het in de vorige voetnoot genoemde arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 16 en 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">De A-G verwijst hier onder meer naar de reeds genoemde uitspraken van het HvJ EU in Commissie/Bavarian Lager en Bonnier Audio e.a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover M. van Opijnen, ‘Alle uitspraken online? Hoe dan? Noodzakelijke ingrediënten voor een wettelijke regeling’, AA20210127, p. 130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2017-2018, 34 851, nr. 3, p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens bestaat bij de Hoge Raad de mogelijkheid om zittingen online uit te zenden via een livestream. Dat gebeurt enkel bij uitzonderlijke zaken met een zaaksoverstijgend publiek belang of met een zeer groot aantal procespartijen. Ook bij andere gerechten worden zittingen soms via een livestream uitgezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet open overheid, Stb. 2021, 499.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 1.1 Woo; Kamerstukken II 2011-2012, 33 328 nr. 3, p. 2 en 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 3.1 Woo.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011-2012, 33 328 nr. 3, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierboven onder 9.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie H.C. Naves, S. Sicking en J.G.L. van der Wees, 'Meer én verantwoord publiceren van gerechtelijke uitspraken', NJB 2021/3258, p. 3620 e.v.</p></div>", "next": 0}