{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In het kader van het onderzoek ter terechtzitting bestaat volop ruimte voor bepaalde vormen van consensualiteit die niet direct betrekking hebben op de beantwoording van de bewijsvraag en de strafoplegging. Het gaat dan om de vormgeving en de inrichting van het onderzoek ter terechtzitting. Zo kan de rechter met instemming van Openbaar Ministerie en verdediging afzien van het horen van (verschenen en niet-verschenen) getuigen (art. 287, tweede lid, Sv en art. 288, derde lid, Sv). Nader getuigen- en deskundigenonderzoek kan met instemming van procesdeelnemers in plaats van door de rechter-commissaris door de zittingsrechter worden uitgevoerd (art. 316, tweede lid, Sv). Datzelfde geldt voor het voortzetten van het onderzoek bij een gewijzigde samenstelling van de rechtbank (art. 322, derde lid, Sv) en het volstaan met het mededelen van de korte inhoud van de dossierstukken (art. 301, derde lid, Sv). Consensus tussen procesdeelnemers kan aldus op verschillende manieren het strafgeding verkorten. Uiteindelijk blijft de rechter echter verantwoordelijk voor de kwaliteit van de gedingvoering.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.48.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de afgelopen jaren is bovendien een aantal wetswijzigingen tot stand gekomen waaraan de veronderstelling ten grondslag ligt dat communicatie tussen de rechter en procesdeelnemers aan de zitting voorafgaat. Te denken valt vooral aan bevelen van de voorzitter van de rechtbank aan de officier van justitie tot het verrichten van aanvullend onderzoek en het doen oproepen van getuigen (art. 258 en 263 Sv). Daarbij komt dat ook rechtsgevolgen kunnen worden verbonden aan consensus tussen partijen die niet ter terechtzitting maar elders (bij de rechter-commissaris, bijvoorbeeld) is gebleken (vgl. art. 288, derde lid, Sv).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Keulen pleit ervoor deze lijn verder door te trekken. De wet zou volgens hem consensualiteit tussen procespartijen meer in het algemeen als rechtsbasis kunnen aanmerken voor het achterwege laten van proceshandelingen. Denkbaar is volgens hem zelfs consensualiteit als basis aan te merken voor het achterwege laten van een terechtzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voortbouwend appel (artikelen 415, tweede lid, en 416, tweede, en, derde lid, Sv ) 6.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het hoger beroep oorspronkelijk gezien werd als een nieuwe behandeling van de zaak, heeft de appelrechter bij de invoering van het voortbouwend appel (art 415, tweede lid, Sv) bij de Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470), de bevoegdheid gekregen om slechts expliciete, door de procespartijen aangebrachte, bezwaren tijdens de behandeling ter terechtzitting te behandelen. Het gevolg hiervan is dat de appelrechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet alle ten laste gelegde feiten hoeft te bespreken en de onbestreden onderdelen van het vonnis in beginsel ongemoeid kan laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een stap verder is de mogelijkheid voor het hof om het hoger beroep in zijn geheel niet te behandelen indien procesdeelnemers na het instellen hoger beroep (alsnog) berusten in het vonnis. Op de voet van art 416, tweede, en, derde, lid, Sv kan immers de verdachte respectievelijk het Openbaar Ministerie in het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet (tijdig) en op de voorgeschreven wijze grieven zijn aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank. De niet-ontvankelijkheid kan ook worden uitgesproken na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in gevallen waarin intrekking van het hoger beroep formeel niet meer mogelijk is maar noch de verdachte noch het Openbaar Ministerie behoefte heeft aan een verdere inhoudelijke behandeling en beoordeling. In hoger beroep bestaat aldus meer ruimte om vergaande consequenties te verbinden aan consensus tussen procesdeelnemers over de wijze van afdoening. Dat past bij een hedendaagse opvatting over het hoger beroep in strafzaken, waarbij de rechter zich in beginsel concentreert op de grieven van de partijen tegen het vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in hoger beroep wordt de invloed van consensualiteit begrensd door de zelfstandige verantwoordelijkheid van de zittingsrechter. Die verantwoordelijkheid wordt uitgedrukt door de laatste zinsnede van art. 415, tweede lid, Sv (‘en op hetgeen overigens nodig is’). Daaruit volgt dat het de appelrechter vrijstaat om onbestreden onderdelen van de uitspraak in eerste aanleg toch aan de orde te stellen teneinde zijn verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de zaak aan de hand van het toetsingskader van de artikelen 348 en 350 Sv waar te kunnen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Modernisering Strafvordering 6.53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals opgemerkt, is in het kader van de modernisering voorzien in een verdere ‘beweging naar voren’. In dit verband wordt een sterkere regie door de rechter beoogd en staan efficiëntie en het contradictoir karakter van het strafgeding hoog in het vaandel.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze grondgedachten van modernisering strafvordering bieden een gunstige voedingsbodem voor een sterkere nadruk op consensualiteit. Zo wordt veel verwacht van de regiebijeenkomst bij de rechter-commissaris, die door art. 185 Sv mogelijk is gemaakt. Met de (ruimere toepassing van) regiebijeenkomsten kan worden ‘toegewerkt naar afronding van een zo compleet mogelijk onderzoek’. Tegelijkertijd kan tijdens deze regiebijeenkomsten worden bekeken in hoeverre (reeds) consensus bestaat over de reikwijdte van het onderzoek. Volgens Keulen zou het nieuwe Wetboek, voortbouwend op het huidige art. 288, derde lid, Sv, de zittingsrechter kunnen toestaan gevolgen te verbinden aan afspraken die tijdens dergelijke bijeenkomsten gemaakt zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.55.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de plannen ten aanzien van het onderzoek ter terechtzitting bevatten aanknopingspunten voor een sterker accent op consensualiteit. De regiefunctie van de rechter staat daarbij centraal. Zo wordt de voorzitter nadrukkelijk in staat gesteld om voorafgaand aan de terechtzitting gelegenheid te geven tot een schriftelijke uitwisseling van standpunten. Indien consensus bestaat tussen procesdeelnemers over onderzoekswensen, kan de beoogde voorzitter al voor de inhoudelijke zitting door een voorzittersbevel bepalen dat het onderzoek wordt uitgevoerd. Niet alleen tijdens een regiebijeenkomst maar ook tijdens een informeel overleg kan die consensus worden verkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenbalans 6.56.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verkenning van het nationale strafprocesrecht levert verschillende aanknopingspunten op voor de beantwoording van de rechtsvragen die in deze vordering centraal staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.57.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het enkele feit dat procesafspraken geen expliciete wettelijke basis hebben, betekent niet dat deze per definitie ontoelaatbaar zijn. Een parallel kan worden getrokken met de toezeggingen aan getuigen in strafzaken, een bijzondere, zaaksoverstijgende vorm van ‘procesafspraken’. Dergelijke toezeggingen waren aanvankelijk evenmin wettelijk geregeld, maar zijn door de Hoge Raad in verschillende zaken toelaatbaar bevonden. Daarbij speelde het opportuniteitsbeginsel een rol.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesafspraken vormen als zodanig geen wezensvreemd element in ons strafvorderlijk stelsel. Buitengerechtelijke vormen van afdoening op basis van wilsovereenstemming zijn geen uitzondering. Zo zijn bij hoge transacties en de ontnemingsschikking onderhandelingen tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging niet ongebruikelijk. De rechter blijft bij buitengerechtelijke vormen van afdoening tot op heden buiten beeld, maar krijgt naar verwachting in de nabije toekomst een rol in het kader van de toetsing van hoge transacties en ontnemingsschikkingen. Daarmee wordt het onderscheid tussen buitengerechtelijke vormen van consensuele afdoening en verschijningsvormen in het kader van de procedure voor de rechter minder scherp.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.59.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in de rechterlijke procedure is steeds meer ruimte gekomen voor consensualiteit. De wetgever heeft toezeggingen aan getuigen en herstelbemiddeling een wettelijke basis gegeven en heeft ook in het kader van de procesvoering bepaalde versnellingen en vereenvoudigingen doorgevoerd onder voorwaarde van instemming van (doorgaans) het Openbaar Ministerie en de verdachte. Het voortbouwend appel past ook in deze ontwikkeling, terwijl in de voorstellen van modernisering strafvordering consensualiteit een nog belangrijker en meer algemene plaats inneemt. Ook de toename van het belang van regiezittingen kan in dit verband worden genoemd. Verschillende wetswijzigingen dragen bij aan de mogelijkheid de omvang van het onderzoek op de terechtzitting beperkt te houden. Gesteld zou kunnen worden dat procesafspraken een steeds natuurlijker plaats in het strafvorderlijk stelsel kunnen gaan innemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.60.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij moet tegelijkertijd worden bedacht dat de wetgever er ook voor heeft gekozen bepaalde vormen van consensualiteit juist niet in te voeren. De bekendste voorbeelden zijn de vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachten en een wettelijke regeling van plea bargaining. In de gevallen waarin wetgevende macht heeft laten blijken een variant niet te willen, zal de rechter in het licht van een evenwichtige verdeling tussen de staatsmachten een pas op de plaats moeten maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook anderszins moeten de grenzen van de rechtsvormende taak van de rechter in aanmerking worden genomen. De Hoge Raad heeft in de context van toezeggingen aan getuigen in strafzaken overwogen dat van een voldoende uitgekristalliseerde, algemeen aanvaarde rechtsopvatting over dit vraagstuk in al zijn verschijningsvormen geen sprake is en dat een nadere bepaling en afgrenzing door de wetgever zal moeten worden gegeven. Dat geldt a fortiori voor procesafspraken in het algemeen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.62.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien mogen procesafspraken geen inbreuk maken op het wettelijk systeem van verdeling van verantwoordelijkheden in het strafproces. De rechter blijft ten volle verantwoordelijk voor de eerlijkheid en volledigheid van het onderzoek en voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv en heeft in dat kader met het oog op de materiële waarheidsvinding een actieve rol. Gewaakt moet verder worden tegen inperking van de door de wetgever aan het slachtoffer / de benadeelde partij toegekende rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.63.</p>\n<p class=\"lf-p\">De straftoemetingsvrijheid van de rechter biedt ruimte rekening te houden met de procesopstelling van de verdachte. Het staat de rechter aldus ook vrij de medewerking van de verdachte aan procesafspraken bij de straftoemeting te betrekken. Ook in zoverre kunnen procesafspraken worden ingepast in het strafvorderlijk stelsel, zij het dat deze de rechter nooit kunnen binden. Consensus tussen het Openbaar Ministerie en de verdachte biedt dan ook geen garantie voor de uitkomst van het rechterlijk geding. Aan de andere kant kan de rechter in het algemeen niet zonder meer voorbij gaan aan die consensus. Zo zal de rechter op grond van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv in het bijzonder de redenen moeten opgeven die hebben geleid tot de afwijking van het gezamenlijke uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van het Openbaar Ministerie en de verdachte.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.64.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een stelsel van procesafspraken waarbij de rechter buitenspel wordt gezet is echter geen enkele steun te vinden in ons stelsel. De rechter houdt het laatste woord.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Rechtsvergelijking: procesafspraken in Duitsland, Oostenrijk en België 7.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Veel lidstaten van de Raad van Europa kennen, anders dan Nederland, een wettelijke regeling van procesafspraken, die door het EHRM ook wel onder de noemer van plea bargaining worden gebracht. Tegen die achtergrond is een korte rechtsvergelijkende schets aangewezen. Voor een meer uitgebreid rechtsvergelijkend onderzoek verwijs ik naar twee boeken van Peters. In haar dissertatie uit 2012 beschrijft zij de relevante wettelijke regelingen in Italië, Duitsland en Frankrijk. In haar boek uit 2018, getiteld Dealen met ondermijningsdelicten, besteedt zij onder meer aandacht aan de wetgeving over procesafspraken in België en Zwitserland.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor deze vordering is ervoor gekozen een drietal landen te bespreken. In de eerste plaats wordt het vizier gericht op onze oosterburen. In Duitsland bestaat al lange tijd een praktijk van procesafspraken. Deze praktijk ging vooraf aan het onder voorwaarden goedkeuren en met nadere waarborgen omgeven daarvan door het Bundesverfassungsgericht en Bundesgerichtshof. Naderhand is deze rechtspraak in de Strafprozessordnung gecodificeerd. Evenals in Nederland, bestond er dus geen wettelijke basis voor het maken van procesafspraken vóórdat aan de Duitse hoogste gerechten de vraag werd voorgelegd of, en zo ja, onder welke voorwaarden procesafspraken mochten worden gemaakt. Ook om die reden is een studie van het Duitse recht voor deze vordering relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede land dat wordt onderzocht, is Oostenrijk. Oostenrijk kent geen wettelijke regeling van procesafspraken. Het Oberste Gerichtshof heeft in twee uitspraken geoordeeld dat het maken van procesafspraken als in die zaken aan de orde ontoelaatbaar is. Het is interessant om deze uitspraken en de Oostenrijkse literatuur nader te bestuderen en te vergelijken met de andere uitkomst in Duitsland.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte wordt een blik geworpen op het Belgische systeem, waarin sinds 2016 een vorm van procesafspraken in de wet is neergelegd. Deze zogenoemde ‘voorafgaande erkenning van schuld’-procedure maakt het mogelijk om afspraken te maken over het afleggen van een bekentenis in ruil voor een lagere strafeis, waarna een wat beknopter onderzoek ter terechtzitting plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duitsland 7.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Duitsland kent een gematigd accusatoir strafproces. Een inquisitoir element is dat de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting actief op zoek moet naar de materiële waarheid. Hij heeft de plicht zoveel mogelijk te achterhalen wat er daadwerkelijk is gebeurd (de in § 244, tweede lid, Strafprozessordnung (hierna: StPO) neergelegde gerichtlicher Aufklärungspflicht).De beginselen van Unmittelbarkeit (onmiddellijkheid) en Mundlichkeit spelen daarbij een belangrijke rol: in beginsel worden alle getuigen en deskundigen tijdens het openbare onderzoek ter terechtzitting gehoord en kan de rechter verzoeken van de verdediging tot nader bewijsonderzoek alleen onder zeer strikte voorwaarden afwijzen. Een en ander brengt mee dat strafprocedures in Duitsland zeer veel tijd in beslag (kunnen) nemen. Dat verklaart mede de behoefte om afspraken te maken die kunnen leiden tot een eerdere beëindiging van de procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sinds 2009 bestaat in Duitsland een wettelijke regeling voor het maken van procesafspraken in strafzaken. Deze regeling is neergelegd in § 257c StPO: Verständigung zwischen Gericht und Verfahrensbeteiligten (hierna: Verständigung). De Verständigung vormt in grote lijnen de codificatie van rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht en het Bundesgerichtshof, waarin het maken van procesafspraken onder bepaalde voorwaarden sinds eind jaren negentig van de vorige eeuw werd toegestaan. Daaraan ging sinds de jaren zeventig al een praktijk vooraf waarin op grond van informeel (niet-openbaar) overleg afspraken werden gemaakt tussen het Openbaar Ministerie, de verdediging en de rechter. Deze praktijk ontstond doordat de strafrechtspleging in die tijd steeds meer overbelast raakte en de wetgever daarop reageerde met enkele wetten die als neveneffect hadden dat procespartijen de mogelijkheid zagen om meer met elkaar te communiceren en consensus te zoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Peters heeft zeer uitgebreid onderzoek gedaan naar de Duitse wettelijke regeling en de geschiedenis van totstandkoming daarvan. Ik vat hierna kort de argumenten samen die in de door haar besproken Duitse literatuur zijn genoemd vóór en tegen de mogelijkheid van het maken van procesafspraken. Daarna bespreek ik de belangrijkste uitspraken van het Bundesverfassungsgericht en het Bundesgerichtshof over procesafspraken en de daaropvolgende wettelijke regeling. Ik eindig met de bespreking van het evaluatieonderzoek dat onlangs heeft plaatsgevonden naar de praktijk van de Verständigung.</p>\n<p class=\"lf-p\">Argumenten vóór en tegen procesafspraken in de Duitse literatuur 7.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorstanders van procesafspraken betoogden dat deze een bijdrage zouden kunnen leveren aan het verminderen van de druk op de justitiële capaciteit. Discussie bestond vooral over de verenigbaarheid van het maken van procesafspraken met het streven naar materiële waarheidsvinding. Tegenstanders meenden dat een afspraak waarbij een bekentenis wordt afgelegd in ruil voor strafkorting per definitie in strijd was met de rechterlijke onderzoeksplicht en de plicht tot materiële waarheidsvinding. Voorstanders meenden eveneens dat de rechterlijke onderzoeksplicht voorop moest staan, maar dat een bekentenis alleen hoefde te worden getoetst in geval van concrete twijfels over de geloofwaardigheid ervan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook bestond verschil van inzicht over de verenigbaarheid van het maken van procesafspraken – buiten het onderzoek ter terechtzitting om – met het onmiddellijkheidsbeginsel, dat in Duitsland van grotere betekenis is dan in Nederland. Verder werd gediscussieerd over de verhouding met het openbaarheidsbeginsel en over de onschuldpresumptie: kon een verkort bewijsonderzoek ter terechtzitting voldoende basis bieden voor een schuldigverklaring en een veroordeling en liep de rechter niet teveel vooruit op een schuldigverklaring door voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting afspraken te maken over een bekentenis? Ook zou het nemo tenetur-beginsel in de weg staan aan het maken van procesafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband werd onder meer gewezen op § 136a StPO. In deze bepaling is neergelegd dat aan de vrije wilsvorming door de verdachte niet mag worden tekortgedaan door misleiding, (be)dreiging en het toezeggen van een niet bij de wet voorzien voordeel. In de literatuur rees de vraag of het aanbieden van een strafkorting in ruil voor een bekentenis onder de reikwijdte van deze bepaling zou vallen, en daarmee dus verboden zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraken van het Bundesverfassungsgericht en het Bundesgerichtshof 7.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bundesverfassungsgericht sprak zich in 1987 uit over de mogelijkheid tot het maken van procesafspraken in strafzaken. Het Hof stelde de beginselen van een eerlijk proces (ein faires, rechtsstaatliches Verfahren) en de plicht van de staat om te zorgen voor een goed functionerende strafrechtspleging (eine funktionstüchtige Strafrechtspflege) voorop en overwoog dat de beginselen van strafvordering niet verbieden dat er buiten het onderzoek ter terechtzitting een gesprek plaatsvindt tussen de verschillende procesdeelnemers over het verloop en de afloop van de procedure. Er mogen echter geen afspraken worden gemaakt over de rechterlijke onderzoeksplicht, de juridische kwalificatie van het ten laste gelegde feit en de beginselen van de straftoemeting. Het toezeggen van een straf die niet in redelijke verhouding staat tot de schuld zou in strijd zijn met § 136a StPO – de verdachte zou tot een bekentenis worden gedwongen door een belofte van een niet bij de wet voorzien voordeel – en was niet toegestaan; de enkele mededeling dat een bekentenis kan leiden tot een lagere straf was volgens het Bundesverfassungsgericht niet in strijd met deze bepaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verschillende strafsenaten (kamers) van het Bundesgerichtshof kwamen daarna tot uiteenlopende oordelen over de verenigbaarheid van het maken van procesafspraken met beginselen van strafprocesrecht. Op 28 augustus 1997 oordeelde de vierde senaat van het Bundesgerichtshof in een richtinggevend arrest uiteindelijk dat de totstandkoming en de inhoud van procesafspraken onder leiding van de rechter met de verdachte onder bepaalde voorwaarden verenigbaar was met het Duitse strafprocesrecht en de daaraan ten grondslag liggende beginselen. De senaat wees daarbij onder meer op de omstandigheid dat het Duitse strafprocesrecht op consensus gebaseerde regelingen kent, waaronder § 153a StPO: de mogelijkheid tot het voorwaardelijk seponeren van bepaalde strafbare feiten. De vierde senaat schetste de volgende randvoorwaarden die in acht zouden moeten worden genomen bij het maken van procesafspraken: (i) De rechter blijft verplicht om op zoek te gaan naar de materiële waarheid. Dat betekent dat geen afspraken kunnen worden gemaakt over de schuld van de verdachte (eine Absprache über den Schuldspruch). De rechter moet zelf vaststellen of de verdachte daadwerkelijk schuldig is en zal daartoe de betrouwbaarheid van de afgelegde bekentenis moeten toetsen en aldus bewijsonderzoek moeten doen. (ii) De verdachte moet vrij zijn in zijn keuze om een afspraak te maken. Hij mag niet worden gedwongen tot het afleggen van een bekentenis door te dreigen met een hogere straf als hij niet bekent of door een niet bij de wet voorzien voordeel toe te zeggen. (iii) Een afspraak die inhoudt dat de verdachte in ruil voor strafvermindering zijn recht opgeeft om een rechtsmiddel in te stellen (het zogenoemde Rechtsmittelverzicht) is niet toegestaan. De verdachte kan pas na het wijzen van het vonnis afstand doen van zijn recht op het instellen van een rechtsmiddel. (iv) De afspraak over de bekentenis van de verdachte en de strafmaat moet tijdens het onderzoek ter terechtzitting tot stand komen. Het maken van een afspraak zonder deelname van de verdachte zelf of met uitsluiting van lekenrechters is niet toegestaan. Bovendien moeten de gemaakte afspraken worden opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting. (v) Er mogen geen afspraken worden gemaakt die een toezegging van een concreet op te leggen straf inhouden. Dat is volgens de vierde senaat in strijd met het beginsel dat de rechter de straf bepaalt op grond van wat tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebeurd (onmiddellijkheid) en met beginselen van de straftoemeting, omdat de rechter bij een afspraak over een concreet op te leggen straf niet meer vrij zou zijn om de hoogte van de straf te bepalen op grond van de schuld van de verdachte. Wel mag de rechter een maximumstraf toezeggen, die bij een geloofwaardige bekentenis niet zal worden overschreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">(vi) De op te leggen straf moet recht doen aan de mate van schuld van de verdachte (vgl. ook § 46 StGB). Het staat de rechter wel vrij om aan de afgelegde bekentenis een strafmatigende werking toe te kennen, ook als de bekentenis niet is afgelegd vanwege schuld of wroeging (Schuldeinsicht und Reue), maar uit tactische overwegingen. (vii) De rechter is gebonden aan de gemaakte afspraken. Dat volgt uit het recht op een eerlijk proces, waaronder ook het vertrouwensbeginsel valt. Alleen als zich na de gemaakte afspraak zwaarwegende nieuwe omstandigheden voordoen die de rechter tot dan toe onbekend waren en die van invloed zijn op diens oordeel, kan de rechter – nadat hij de procespartijen daarvan tijdens het openbare onderzoek ter terechtzitting op de hoogte heeft gesteld – afwijken van de gemaakte afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grote senaat van het Bundesgerichtshof heeft zich op 3 maart 2005 over procesafspraken uitgesproken. De grote senaat bevestigde in hoofdlijnen de koers die de vierde senaat in het hiervoor besproken arrest had uitgezet. Hij benadrukte dat de bekentenis van de verdachte indringend moest worden getoetst op betrouwbaarheid en geloofwaardigheid. Verder overwoog de grote senaat dat het verschil tussen de straf die mogelijkerwijs zou zijn opgelegd als er een regulier contradictoir proces was gevoerd en de maximale straf die kon worden opgelegd naar aanleiding van gemaakte afspraken (de zogenoemde Sanktionsschere) niet te groot mocht worden. Dat zou immers kunnen leiden tot een onacceptabele druk op de verdachte om mee te werken aan een afspraak. Een Rechtsmittelverzicht was volgens de grote senaat in beginsel verboden. De grote senaat eindigde zijn uitspraak met een oproep aan de wetgever om een wettelijke regeling tot stand te brengen, omdat het primair aan de wetgever is om de fundamentele vragen te beantwoorden over de inrichting van het strafproces en daarmee over de regels waarmee het maken van procesafspraken moet worden omgeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetgeving over procesafspraken 7.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2009 heeft de Duitse wetgever de handschoen opgepakt en een regeling tot stand gebracht waarin het maken van procesafspraken onder bepaalde voorwaarden wordt toegestaan. De regeling is neergelegd in § 257c van de Strafprozessordnung onder de aanhef ‘Verständigung zwischen Gericht und Verfahrensbeteiligten’. In grote lijnen codificeerde de wetgever hiermee de rechtspraak van het Bundesgerichtshof. De regeling houdt in hoofdlijnen het volgende in.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter kan in daartoe door hem geschikt geachte gevallen voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting afspraken maken over het verloop en het resultaat van het strafproces. Het toepassingsgebied strekt zich uit tot alle strafbare feiten. In de praktijk worden vooral in economische zaken en drugszaken afspraken gemaakt. Afspraken mogen volgens de wettekst worden gemaakt over het procesverloop en de inhoud van het vonnis. Zo kan het Openbaar Ministerie toezeggen een deel van de zaak te seponeren of de tenlastelegging te beperken en kan de verdachte toezeggen schade te vergoeden of af te zien van het doen van verzoeken tot nader onderzoek of het horen van getuigen. Een bekentenis zou volgens de wetgever een bestanddeel van iedere afspraak moeten zijn. De rechter blijft verplicht tot materiële waarheidsvinding. De rechter kan een bandbreedte van een op te leggen straf aangeven (derde lid), maar ook toezeggingen doen over de wijze waarop het proces zal worden gevoerd, zo lang het maar gaat om procesrechtelijke besluiten die binnen zijn bevoegdheid vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de wet is bepaald dat er geen afspraken mogen worden gemaakt over de kwalificatie van de feiten. Dat zou in strijd zijn met het in Duitsland geldende legaliteitsbeginsel als grondslag voor vervolging (§ 152 StPO) en het beginsel van materiële waarheidsvinding. Ook mogen geen afspraken worden gemaakt over de oplegging van een met de tbs-maatregel vergelijkbare sanctie. Een afspraak die inhoudt dat de verdachte afstand doet van het instellen van een rechtsmiddel is evenmin toelaatbaar. Het slachtoffer dat zich als Nebenkläger heeft gevoegd in de strafprocedure mag zich uitlaten over de afspraak, maar zijn instemming is niet noodzakelijk voor de totstandkoming daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afspraak komt tot stand als de verdachte en het Openbaar Ministerie daarmee instemmen.De voorzitter deelt de inhoud van de afspraak tijdens het onderzoek ter terechtzitting mede (§ 243, vierde lid, StPO) en de overeenkomst wordt opgenomen in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt benadrukt dat de rechter de verdachte goed moet informeren over de inhoud en de gevolgen van een te maken afspraak. Ook moet de verdachte goed worden geïnformeerd over de gevallen waarin de rechter van de gemaakte afspraak kan afwijken en wat de gevolgen daarvan zijn (dat is expliciet bepaald in § 257c, vijfde lid, StPO). Aldus wordt gewaarborgd dat de verdachte een eigen inschatting kan maken van de aan zijn medewerking verbonden risico’s. De informatieverschaffing is des te meer van belang omdat de regeling over procesafspraken niet voorziet in verplichte rechtsbijstand.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gemaakte afspraak is in beginsel bindend voor de rechter. Dat is alleen anders, zo blijkt uit § 257c, vierde lid, StPO, wanneer nieuwe juridisch of feitelijk relevante omstandigheden bekend worden en deze de rechter ervan overtuigen dat het in het vooruitzicht gestelde Strafrahmen niet meer in overeenstemming is met de ernst van het feit of de schuld van de verdachte. Hetzelfde geldt als de procesgedragingen van de verdachte afwijken van de afspraak. Als de rechter om (een van) de voornoemde reden(en) voornemens is af te wijken van de afspraak, dient hij de procespartijen daarvan zo spoedig mogelijk in kennis te stellen. Er volgt dan een reguliere contradictoire procedure met dezelfde rechter(s), waarin de in het kader van de eerder gemaakte afspraak afgelegde bekentenis geen rol meer mag spelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kritiek op de wettelijke regeling 7.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke regeling heeft de kritiek op de Verständigung niet doen verstommen. Nog steeds wordt betwijfeld of de doelstelling van materiele waarheidsvinding zich laat verenigen met het maken van procesafspraken, zeker omdat het Duitse strafproces zich zo sterk kenmerkt door een mondeling en onmiddellijk onderzoek ter terechtzitting. Verder rijst de vraag of de rechter, gelet op diens actieve rol bij het maken van afspraken, nog wel onpartijdig kan fungeren in het strafproces als de afspraken mislukken en het tot een regulier contradictoir strafproces komt. De vraag is opgeworpen of het niet beter zou zijn om een vaste strafkorting van (bijvoorbeeld) twintig/dertig procent te geven, en of de verdachte geen verplichte rechtsbijstand zou moeten hebben als procesafspraken worden gemaakt. Betwijfeld wordt verder of, bij een mislukte afspraak, de reeds door de verdachte afgelegde bekentenis (die niet voor het bewijs mag worden gebruikt) door de rechter nog kan worden ‘weggedacht’. En gewezen wordt op het risico van ongelijke toegang tot de mogelijkheid van het maken van procesafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De praktijk van procesafspraken sinds de inwerkingtreding van § 257c StPO 7.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit officiële cijfers blijkt dat in de Duitse strafrechtspraktijk slechts een laag percentage zaken wordt afgedaan op basis van een Verständigung. Het Bundesverfassungsgericht wijst in zijn uitspraak van 19 maart 2013 op empirisch onderzoek, waaruit blijkt dat de voornaamste reden waarom de wettelijke regeling niet wordt nageleefd, is gelegen in de beperkingen ten aanzien van de mogelijke inhoud van een Verständigung, de verplichtingen ten aanzien van transparantie en documentatie en het verbod op het doen van afstand van rechtsmiddelen. Het Bundesverfassungsgericht heeft in zijn uitspraak benadrukt dat de wettelijke regeling moet worden nageleefd en heeft de wetgever in dezelfde uitspraak verzocht om de verdere ontwikkeling van de praktijk van de Verständigung nauwlettend in de gaten te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding hiervan heeft een evaluatieonderzoek naar de praktijk van de Verständigung plaatsgevonden, waarvan de resultaten in 2020 zijn gepubliceerd. Daaruit bleek dat er nog steeds een informele praktijk van procesafspraken bestaat en dat de grond voor die informele praktijk hoofdzakelijk is gelegen in de wens het proces te versnellen terwijl de wet daarvoor geen ruimte biedt. Bovendien bestaan er veel onduidelijkheden over de vraag wat onder de huidige wettelijke regelgeving wel en niet toelaatbaar is. Ook blijkt uit het onderzoek dat niet altijd (volledig) wordt voldaan aan de verplichting om tijdens het onderzoek ter terechtzitting openheid van zaken te bieden over de in de voorfase gemaakte afspraken en dat gemaakte afspraken niet altijd in het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting worden opgenomen. Verder komt het in de praktijk voor dat een concrete straf (Punktstrafe) onderdeel uitmaakt van de gemaakte afspraken, terwijl volgens de wet de afspraak alleen een onder en bovengrens van de straf mag inhouden. Rechters blijken minder snel bereid afspraken te maken met verdachten die geen rechtsbijstand hebben. Het Rechtsmittelverzicht vormt zo nu en dan nog steeds onderdeel van de gemaakte afspraken. De onderzoekers concluderen dat een informele praktijk van procesafspraken veel groter is bij de Amtsgerichte dan bij de Landgerichte,waar deze praktijk door ondervraagde rechters als een “ein seltenes bis kaum existentes Phänomen” wordt bestempeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Bundesverfassungsgericht heeft in een uitspraak van 29 april 2021 in reactie op de resultaten van voornoemd onderzoek overwogen dat deze geen structureel probleem laten zien en dat in ieder geval bij de Landgerichte de wettelijke voorschriften ten aanzien van transparantie en verslaglegging over het algemeen goed lijken te worden nageleefd. Het Hof vervolgt dat er geen bewijs bestaat dat de bestaande wetgeving eraan bijdraagt dat wordt teruggevallen op informele afspraken en overweegt dat de bestaande handhavingstekorten de verplichting voor de wetgever onderstrepen om de verdere ontwikkelingen nauwlettend in de gaten te houden en ongewenste ontwikkelingen met gepaste maatregelen tegen te gaan. Informele afspraakvormen acht het Bundesverfassungsgericht (nog altijd) ongrondwettig.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oostenrijk 7.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Net als in Duitsland, is in Oostenrijk wettelijk verankerd dat de rechter tijdens het onderzoek ter terechtzitting actief op zoek moet gaan naar de materiele waarheid (Wahrheitserforschung, § 3, derde lid, StPO) en dat hij de plicht heeft om zoveel mogelijk te achterhalen wat er daadwerkelijk is gebeurd (Amtswegigkeit, § 2, tweede lid, StPO). De principes van Mündlichkeit en Öffentlichkeit (§ 12 StPO en § 258 StPO) zijn ook hier van belang en het onmiddellijkheidsbeginsel (Unmittelbarkeit, § 13 StPO) brengt mee dat het bewijs tijdens het onderzoek ter terechtzitting wordt vergaard. Net als in Duitsland, vindt vervolging plaats op grond van het legaliteitsbeginsel, maar bestaan er enkele uitzonderingen op deze vervolgingsplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan Duitsland, kent Oostenrijk geen wettelijke regeling voor het maken van procesafspraken. Het Oberste Gerichtshof keurde het maken van procesafspraken in twee uitspraken bovendien (sterk) af. Er bestaan wel andere vormen van consensualiteit in het Oostenrijkse strafprocesrecht. In de literatuur wordt onder andere gewezen op de rechtsfiguren van Diversion (de transactie, § 198, eerste lid, StPO), het Mandatsverfahren (een versnelde procedure waarin de rechter de straf bepaalt zonder voorafgaande terechtzitting, § 491 StPO) en de kroongetuigenregeling (§ 209a StPO). Ook bevat de wet zogenoemde prozessleitende Absprachen: procesbegeleidingsafspraken. Deze afspraken hebben betrekking op het versnellen van de procedure. Zo bepaalt § 221, tweede lid, StPO dat de verdachte kan instemmen met het verkorten van de voorbereidingstermijn voor de terechtzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de juridische literatuur kan worden afgeleid dat procesafspraken in de Oostenrijkse strafrechtspraktijk, ondanks de uitspraken van het Oberste Gerichtshof, wel degelijk worden gemaakt. De ’Arbeitsgruppe Strafrecht’ van de Oostenrijkse orde van advocaten achtte een wettelijke regeling noodzakelijk, omdat er een levendige praktijk van procesafspraken bestond. Tipold en Wess schrijven in 2014 dat zij verschillende praktijkvoorbeelden kennen waarin procesafspraken werden gemaakt. Moos schrijft in 2004 zelfs dat het maken van procesafspraken in Oostenrijk een min of meer dagelijkse praktijk is geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraken van het Oberste Gerichtshof van 24 augustus 2004 en 4 maart 2010 7.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Oberste Gerichtshof is zeer terughoudend als het gaat om procesafspraken. In een uitspraak van 23 augustus 2004 keurde het Oberste Gerichtshof het maken van procesafspraken in een obiter dictum principieel af. In deze zaak had de raadsman van de verdachte een afspraak gemaakt met de rechter over de op te leggen straf in ruil voor een bekentenis. De rechter legde niettemin een hogere straf op. Het Oberste Gerichtshof oordeelde in sterke bewoordingen dat de gemaakte afspraak in strijd was met fundamentele beginselen van Oostenrijkse strafvordering, met name het beginsel van materiële waarheidsvinding. De betrokkenen konden volgens het Hof tuchtrechtelijk en strafrechtelijk worden aangesproken. Het Oberste Gerichtshof wees in dit verband op § 57 Richter- und Staatsanwaltschaftsdienstgesetz en § 302 Strafgesetzbuch (hierna: StGB). In die laatste bepaling is ambtsmisbruik (Missbrauch der Amtsgewalt) strafbaar gesteld. Ook overwoog het Hof dat de in deze zaak gemaakte afspraken in geen geval te vergelijken waren met de wél wettelijk regelde mogelijkheid van een Diversion.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">In 2010 herhaalde het Oberste Gerichtshof deze overwegingen. In de aan deze uitspraak ten grondslag liggende zaak ging het om een verdachte die had verklaard onschuldig te zijn, maar wiens advocaat met de rechter had afgesproken dat de straf bij een bekentenis lager zou uitvallen: bij een bekentenis zou de op te leggen gevangenisstraf twee maanden bedragen, zonder bekentenis zou een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden worden opgelegd. Vlak voor de terechtzitting stelde de advocaat de verdachte van dit gesprek op de hoogte, maar de verdachte weigerde aan de afspraak mee te werken. Hij kreeg vervolgens een hoge straf opgelegd en klaagde, eerst bij het Oberlandesgericht en daarna bij het Oberste Gerichtshof, dat de rechter niet onpartijdig was geweest nadat de verdachte het voorstel voor een afspraak had afgewezen. Het Oberste Gerichtshof herhaalde zijn oordeel uit 2004 dat het maken van een dergelijke afspraak in strijd was met het grondbeginsel van de materiële waarheidsvinding en dat dat tuchtrechtelijk en strafrechtelijk kon worden gesanctioneerd. In dergelijke gevallen zou de strafzaak ook kunnen worden herzien (§ 353 StPO). Verder wees het Oberste Gerichtshof erop dat de rechter die er niet in is geslaagd om de procedure (versneld) te kunnen beëindigen, mogelijk niet meer geheel vrij is in zijn besluitvorming, zodat er in dergelijke gevallen onder omstandigheden aanleiding kan bestaan voor nietigheid van het vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Oberste Gerichtshof ziet in zijn arrest van 4 maart 2010 wel ruimte voor het maken van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging met het oog op het versnellen van de procedure (‘zur Festlegung des Verhandlungsplans dienende Konferenzen’). Daaraan wijdt het echter verder geen overwegingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">In beide hiervoor besproken zaken was de rechter degene die het initiatief had genomen tot het (proberen te) maken van afspraken met de verdachte. Voor zover ik kan overzien, was het Openbaar Ministerie bij deze afspraken niet betrokken. Niet duidelijk is hoe concreet de toegezegde straf was in de zaak die leidde tot de uitspraak van 24 augustus 2004. In de zaak die leidde tot het arrest van 4 maart 2010 ging het in ieder geval om een concrete straf. De uitspraken van het Oberste Gerichtshof lijken tegelijkertijd een algemenere strekking te hebben. Het Hof overweegt immers in algemene zin: “Verfahrensbeendende Prozessabsprachen widerstreiten dem Gebot der materiellen Wahrheitsfindung und sind daher unzulässig”. Voor zover mij bekend, is deze koers in de rechtspraak nadien niet bijgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Oostenrijkse literatuur over het procesafspraken 7.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur bestaat sinds het begin van deze eeuw een levendige discussie tussen voor- en tegenstanders van procesafspraken. Die discussie richt zich vooral op de mogelijkheid van het ‘uitruilen’ van een bekentenis van de verdachte tegen een lagere straf. Een uitgesproken voorstander van het wettelijk regelen van vonnisafspraken is Ruhri. Hij deed in 2010, namens de hiervoor al genoemde ‘Arbeitsgruppe Strafrecht’ van de Oostenrijkse orde van advocaten, een aanzet voor een wettelijke regeling voor Verständigungen im Strafverfahren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">In reactie op dit pleidooi tonen verschillende auteurs zich tegenstanders van het maken van procesafspraken en het wettelijk regelen daarvan. Zij betrekken in hun betoog het nemo tenetur-beginsel en wijzen op het gevaar dat er teveel druk zal worden uitgeoefend op de verdachte om tot afspraken te komen en in dat verband een bekentenis af te leggen. Ook wordt het onwenselijk geacht dat de kloof tussen (lagere) straffen voor bekennende verdachten en (hogere) straffen voor niet-bekennende verdachten naar verwachting nog groter zal worden. Juist in economische zaken zal de wens om snel tot een afronding van de procedure te komen groot zijn, waardoor het risico ontstaat van ongelijke behandeling tussen rijkere en armere verdachten. De omstandigheid dat het afhankelijk is van de goede contacten tussen de procesdeelnemers of afspraken tot stand kunnen komen zou rechtsongelijkheid in de hand werken en rechtsstaatlich unerträglich zijn. Verder wordt gewezen op het risico dat de kwaliteit van de rechtspraak achteruitgaat en het beginsel van materiële waarheidsvinding geweld wordt aangedaan omdat in minder zaken gedegen inhoudelijk onderzoek wordt gedaan. Ten slotte wijzen auteurs op het risico dat een groot deel van het strafproces niet meer plaatsvindt op de inhoudelijke zitting. Daarmee zou het belang van openbaarheid van het strafproces tekort worden gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Moos betoogt dat hij aanvankelijk tegen het maken van procesafspraken was, omdat deze afspraken “zum Verzicht auf fast Alle Prinzipien führen können, die uns im Strafprozess lieb und teuer sind”. Toch is hij van mening veranderd. De redenen die hij voor zijn ommezwaai opgeeft zijn de volgende. Allereerst worden er steeds meer informele (geheime) afspraken gemaakt; die Wildwuchs in der Praxis is onwenselijk en moet worden gestopt. In de tweede plaats wordt het strafproces efficiënter ingericht als procesafspraken (wettelijk) mogelijk worden gemaakt. En ten derde krijgt het strafproces al steeds meer consensuele trekken, zodat het maken van procesafspraken een logische – en onontkoombare – volgende stap is.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tipold en Wess schrijven dat de wet niet zonder meer in de weg staat aan het maken van afspraken over de op te leggen straf (Strafzumessungsabsprachen). Als er een wettelijke regeling zou komen, zal volgens hen moeten worden voorzien in adequate rechtsbescherming van de verdachte, door het creëren van rechtsmiddelen, het in de openbaarheid tot stand laten komen van de procesafspraken tijdens het onderzoek ter terechtzitting en het laten uitgaan van het initiatief voor het maken van procesafspraken van de zijde van de verdediging. Andere afspraken dan afspraken die de strafoplegging betreffen zouden verboden moeten blijven, omdat deze in strijd zijn met het beginsel van de materiële waarheidsvinding. Ook volgens andere auteurs zou een evenwicht moeten worden gevonden tussen de belangen van alle betrokkenen bij de procedure. Om het vermoeden van ontoelaatbare geheimhouding (Kabinettsjustiz) weg te nemen, moeten de resultaten van de overeenkomst transparant zijn, door deze tijdens het onderzoek ter terechtzitting openbaar te maken. De verdachte moet door de rechter worden geïnstrueerd over de gevolgen en de reikwijdte van de overeenkomst. En hij mag nooit worden verplicht tot het aangaan van de overeenkomst en mag niet worden benadeeld als hij weigert een overeenkomst te sluiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">België 7.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Belgische strafprocesrecht is, net als het Nederlandse, gematigd accusatoir. De taak van de rechter bestaat erin de waarheid te achterhalen, maar dat gebeurt met name door verificatie van het reeds in het vooronderzoek verzamelde bewijs. Het onmiddellijkheidsbeginsel vergt dat al het bewijsmateriaal tijdens de behandeling ter terechtzitting wordt geproduceerd en dat getuigen die in het vooronderzoek zijn gehoord, tijdens het onderzoek ter terechtzitting opnieuw worden gehoord. De praktijk is anders. Veelal gaat de rechter uit van hetgeen is opgenomen in de processen-verbaal van eerder afgenomen getuigenverhoren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">In België geldt het opportuniteitsbeginsel. Het Openbaar Ministerie is dus niet verplicht tot vervolging over te gaan en kan ervoor kiezen op gronden aan het algemeen belang ontleend strafzaken te seponeren. Daarnaast bestaan er al langere tijd vormen van buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten. Te wijzen valt op de minnelijke schikking (arti. 216bis Sv) en de bemiddeling in strafzaken (art. 216ter Sv). Bij de toepassing van deze afdoeningsmodaliteiten is geen rechter betrokken. Sinds februari 2016 kent het Belgische Wetboek van Strafvordering een vorm van procesafspraken waarbij de rechter wel is betrokken: de procedure van de voorafgaande erkenning van de schuld (de VES-procedure). Daarbij wordt een strafvervolging ingesteld die resulteert in een strafoplegging door de correctionele rechtbank of de politierechtbank. Hierna bespreek ik de inhoud en de achtergrond van de VES-procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedure van voorafgaande erkenning van schuld (VES-procedure) 7.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel ter introductie van de VES-procedure blijkt dat het doel van deze wet is de correctionele rechtbank en de politierechtbank te ontlasten en de looptijd van strafprocedures te verkorten. Ook wordt verondersteld dat de tenuitvoerlegging van straffen doeltreffender zal verlopen, aangezien de verdachte zijn straf heeft aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">De VES-procedure is geïnspireerd op de Angelsaksische stelsels van plea bargaining en de Franse regeling van comparution sur reconnaissance préalable de culpabilité en neergelegd in art. 216 van het Belgische Wetboek van Strafvordering. De procedure kan worden toegepast bij strafbare feiten waarvoor het Openbaar Ministerie geen hogere straf zou vorderen dan een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Uitgezonderd van toepassing ervan zijn enkele in § 2 genoemde strafbare feiten (feiten waarvoor een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren kan worden opgelegd en (onder meer) doodslag, verkrachting, kinderprostitutie). De regeling kan worden toegepast tijdens het opsporingsonderzoek, maar ook als de zaak al aanhangig is bij de rechter, zolang er nog geen eindvonnis of -arrest is gewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte moet voor de toepassing van deze procedure schuld erkennen aan de feiten zoals het Openbaar Ministerie deze heeft omschreven. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat er voldoende waarborgen zijn ingebouwd om te vermijden dat er sprake is van druk ten aanzien van de verdachte om het voorstel van het Openbaar Ministerie te aanvaarden. Een van de door de Belgische wetgever in dit verband gecreëerde waarborgen is de eis dat de verdachte alleen schuld mag erkennen in het bijzijn van een (zelf gekozen of hem toegewezen) advocaat, met wie hij vertrouwelijk mag overleggen over het voorstel nadat de advocaat inzage heeft kunnen krijgen in het dossier. Bijstand van een advocaat garandeert volgens de memorie van toelichting dat de verdachte geïnformeerd en zonder druk de beslissing kan nemen om het voorstel van het Openbaar Ministerie al dan niet te aanvaarden. De verdachte heeft bovendien een bedenktijd van tien dagen. Als er een overeenkomst tot stand komt, wordt deze ter bekrachtiging aan de rechter voorgelegd. De rechter moet onder meer onderzoeken of de overeenkomst op een vrije en weloverwogen manier is gesloten. Daartoe hoort de rechter de verdachte en zijn advocaat over de afgesloten overeenkomst en de erkende feiten.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Openbaar Ministerie neemt volgens de wet het initiatief voor het volgen van de VES-procedure, maar kan dat doen op voorstel van de verdediging. Het kan daartoe (maar is niet verplicht) een voorstel aan de verdachte doen om een lagere straf te vorderen dan hij “meende te moeten vorderen”. Tijdens een zogenoemde “interne zitting” licht het Openbaar Ministerie zijn voorstel toe ten overstaan van de verdachte en diens advocaat. De wet bepaalt alleen dat de verdachte het voorstel van het Openbaar Ministerie kan accepteren of afwijzen. Niettemin wordt het binnen het huidige wettelijke kader mogelijk geacht dat het Openbaar Ministerie met de verdachte onderhandelt alvorens hem een definitief voorstel te doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">De overeenkomst wordt opgenomen in een proces-verbaal, dat moet worden ondertekend door het Openbaar Ministerie, de verdachte en zijn advocaat. De overeenkomst wordt vervolgens ter bekrachtiging aan de rechter voorgelegd. De rechter toetst in dat verband of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor toepassing van de VES-procedure. Verder beoordeelt hij niet alleen of de overeenkomst op een vrije en weloverwogen manier is gesloten, maar ook of deze met ’de werkelijkheid van de feiten en met hun correcte juridische kwalificatie’ overeenstemt en of de voorgestelde straffen proportioneel zijn ten opzichte van de aard van de feiten, de omstandigheden waarin deze werden gepleegd, de persoonlijkheid van de verdachte en diens bereidheid tot vergoeding van de eventuele schade. Het is de vraag hoe indringend deze toets zal zijn. In het justitieplan werd in de context van de VES-procedure geschreven dat “er geen debatten worden gevoerd omtrent het bewijs van schuld”. In de literatuur wordt enerzijds gesteld dat de verdachte afstand doet van een grondig onderzoek ter terechtzitting, maar anderzijds dat de weg openligt voor de strafrechter om de zaak aan een volledige beoordeling te onderwerpen. In de Omzendbrief van het College van procureurs-generaal wordt gesteld dat de bevoegdheid van de rechter verder gaat dan een ’louter marginale toets om eigenlijk nog weinig te verschillen van de gewone beoordeling van een feitenrechter’.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter kan de overeenkomst bekrachtigen of afwijzen; hij kan deze niet wijzigen. Bij een bekrachtiging wordt het vonnis gemotiveerd zoals in een reguliere strafprocedure. Bij een afwijzing wordt het dossier opnieuw ter beschikking gesteld aan het Openbaar Ministerie. De rechter(s) die over het verzoek tot bekrachtiging heeft/hebben geoordeeld, kan/kunnen echter in de toekomst niet meer in de zaak worden betrokken. Ook kunnen de stukken die in het kader van de VES-procedure zijn opgemaakt, waaronder de bekennende verklaringen van de verdachte, geen rol meer spelen in een eventuele nieuwe procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vordering van de benadeelde partij maakt geen onderdeel uit van de overeenkomst, maar de benadeelde partij kan zich voegen zodra de overeenkomst ter bekrachtiging aan de rechter wordt voorgelegd. De rechter beslist dan niet alleen over het verzoek om bekrachtiging van de overeenkomst, maar ook over de civielrechtelijke vordering. De bekrachtiging van de overeenkomst wordt niet afhankelijk gesteld van de betaling van een geldsom aan de Staat (ten behoeve van het slachtoffer), omdat de wetgever de toepassing van de VES-procedure mogelijk heeft willen maken ongeacht de vermogenstoestand van de verdachte. Tegelijkertijd wordt in de memorie van toelichting wel overwogen dat de feitenrechter bij zijn beslissing over het al dan niet bekrachtigen van de overeenkomst rekening houdt met de wil van de verdachte om de geleden schade te vergoeden.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter beslist volgens de wet in beginsel binnen een maand over het verzoek tot bekrachtiging. Als de rechter de overeenkomst bekrachtigt, staat tegen die bekrachtiging geen hoger beroep open. Voor het overige brengt de bekrachtiging dezelfde rechtsgevolgen mee als een veroordeling in een reguliere strafprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kritiek op de VES-procedure 7.41.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke regeling van de VES-procedure sluit niet uit dat de rechter de zaak aan een volledige beoordeling onderwerpt. Dat vormt grond voor kritiek vanuit de literatuur, waarin de vraag wordt opgeworpen of de procedure wel zo efficiënt zal zijn als door de wetgever is voorgestaan. De wetgever heeft bovendien de motiveringsverplichting voor de rechter bij de bekrachtiging van de overeenkomst niet beperkt. Ook dat zou een rem betekenen op de beoogde efficiëntiewinst. Daarnaast rijst de vraag hoe succesvol de procedure zal zijn, gelet op de vrijheid die de rechter geniet om het verzoek tot bekrachtiging af te wijzen. Bij de verdachte zal onzekerheid kunnen bestaan over de vraag of zijn bekentenis wel het door hem gewenste effect zal hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">De VES-procedure in de praktijk 7.42.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk lijkt de VES-procedure weinig te worden toegepast. Swennen schrijft dat de uitgewerkte regeling erg omslachtig is en dat deze weinig tot geen voordelen biedt in vergelijking met de reguliere strafprocedure, zodat zelden voor de VES-procedure wordt gekozen. Ook Franssen en Vandeweerd constateren dat de VES-procedure moeilijk zijn plaats vindt in de Belgische rechtsorde. Zij verklaren dit onder andere met een verwijzing naar de al langer bestaande vormen van consensualiteit in het Belgische strafproces – de minnelijke schikking en de bemiddeling in strafzaken – welke procedures meer voordelen zouden bieden voor de verschillende procesdeelnemers. De VES-procedure zou te weinig opleveren voor de verdachte, omdat de uitkomst vergelijkbaar is met die van een regulier contradictoir proces (de verdachte wordt veroordeeld en de veroordeling komt op de Justitiële Documentatie te staan), en de beweerde strafreductie voor de verdediging niet verifieerbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenbalans 7.43.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de discussie over het al dan niet wettelijk regelen van procesafspraken in de onderzochte landen komen in de kern dezelfde argumenten naar voren. Het ontlasten van justitiële capaciteit en het verkorten van de duur van strafzaken worden als argumenten voor een regeling van procesafspraken aangemerkt. Discussie vindt plaats over de rol van de rechter: is het gerechtvaardigd dat hij een meer marginale zoektocht verricht naar de materiële waarheid als er afspraken zijn gemaakt die onder meer een bekentenis van de verdachte behelzen? In Duitsland en Oostenrijk – beide landen met een sterk accent op het onderzoek ter terechtzitting – wordt ook gewezen op de afbreuk die met procesafspraken zou kunnen worden gedaan aan het onmiddellijkheidsbeginsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de verdachte wordt het nemo tenetur-beginsel genoemd: hoe kan worden voorkomen dat de verdachte zich onder druk gezet voelt – door de rechter, de officier van justitie of zelfs zijn advocaat – om een afspraak te maken en daartoe een bekentenis af te leggen? In dat verband wordt vooral benadrukt dat de in het kader van procesafspraken voorgestelde straf niet substantieel lager mag liggen dan de straf die zou zijn gevorderd/opgelegd in een reguliere strafprocedure. Aspecten/beginselen die verder aan de orde komen (in de verschillende landen) zijn de onschuldpresumptie, het risico op ongelijke kansen en het gebrek aan transparantie en openbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.45.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vergelijkbare discussies in de drie landen hebben tot verschillende uitkomsten geleid. De strafvorderlijke stelsels van Duitsland in Oostenrijk vertonen veel overeenkomsten, maar de houding ten opzichte van procesafspraken verschilt. De Duitse hoogste gerechten hebben de praktijk onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar geoordeeld. Het Oostenrijkse Oberste Gerichtshof toonde zich daarentegen een fel tegenstander van – de aan het Hof voorgelegde - procesafspraken waarin rechters betrokken waren. De Oostenrijkse wetgever heeft geen ander geluid laten horen. België en Duitsland hebben wel wettelijke voorzieningen voor procesafspraken getroffen. Die hebben onder meer gemeenschappelijk dat een (toegezegde) bekentenis als een belangrijk onderdeel van de procesafspraken wordt gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nauwe betrokkenheid van de rechter bij de afspraken, alsmede de omstandigheid dat de afspraken de rechter in beginsel binden, zijn kenmerkend voor het Duitse recht. In België houdt de rechter meer afstand tot de overeenkomst en behoudt hij ook in sterkere mate dan in Duitsland zijn verantwoordelijkheid voor de beoordeling van de zaak. In België heeft de wetgever de toepassing van procesafspraken beperkt tot nader aangeduide (categorieën van) strafbare feiten, terwijl in Duitsland in dit verband geen beperking is aangebracht. Bij een afwijzing van de overeenkomst zullen in België andere rechters de zaak moeten beoordelen, terwijl in Duitsland juist dezelfde rechters met de behandeling van de zaak blijven belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">De praktijk heeft de wettelijke regelingen niet volop omarmd. Evaluatieonderzoek naar de Duitse strafrechtspraktijk laat zien dat in de praktijk ook afspraken worden gemaakt die niet voldoen aan de wettelijke (vorm)voorschriften. De Belgische regeling wordt (vooralsnog) weinig toegepast, omdat deze voor de verschillende procesdeelnemers te weinig voordelen zou bieden. Enerzijds kan daaruit worden afgeleid dat het creëren van een wettelijke regeling geen garantie is om het maken van procesafspraken doeltreffend te reguleren. Anderzijds kan daaruit de les worden getrokken juist niet te lang te wachten met wetgeving, mede om te voorkomen dat de praktijk een eigen koers vaart die zich bezwaarlijk laat bijsturen. Bij de inrichting van de wetgeving zal voldoende rekening moeten worden gehouden met de in de praktijk gebleken behoeften.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Welke eisen stelt de rechtspraak van het EHRM aan procesafspraken?</p>\n<p class=\"lf-p\">8.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze vordering dient ook de vraag te worden beantwoord in hoeverre het maken van procesafspraken verenigbaar is met de rechtspraak van het EHRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Comité van Ministers van de Raad van Europa heeft al in 1987 gewezen op de mogelijkheid van het vereenvoudigd afdoen van strafzaken, om te voorkomen dat strafprocedures (zeer) lange tijd in beslag nemen. In een Recommendation van 17 september 1987 noemde het Comité van Ministers daartoe onder meer summary procedures, out-of-court settlements, simplified procedures en the simplification of ordinary judicial procedures. In het kader van deze laatste categorie werd onder meer het volgende overwogen: “7. Wherever constitutional and legal traditions so allow, the procedure of \"guilty pleas\", whereby an alleged offender is required to appear before a court at an early stage of the proceedings in order to state publicly to the court whether he accepts or denies the charges against him, or similar procedures, should be introduced. In such cases, the trial court should be able to decide to do without all or part of the investigation process and proceed immediately to the consideration of the personality of the offender, the imposition of the sentence and, where appropriate, to decide the question of compensation.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>i. The \"guilty plea\" procedure must be carried out in a court at a public hearing. ii. There should be a positive response by the offender to the charge against him. iii. Before proceeding to sentence an offender under the \"guilty plea\" procedure, there should be an opportunity for the judge to hear both sides of the case.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Where the investigation process at the court hearing is retained, notwithstanding the willingness of the accused to admit his guilt, it should be restricted to those steps absolutely necessary for establishing the facts, taking account of procedure already gone through prior to the trial. In particular, the hearing of witnesses who have previously testified before a judicial authority should be avoided as far as possible.”</div>\n<p class=\"lf-p\">8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zaak Natsvlishvili en Togonidze tegen Georgië heeft het EHRM zich uitgesproken over de verenigbaarheid met art. 6, eerste lid, EVRM en art. 2 van het Zevende protocol bij het EVRM van de in die zaak gemaakte procesafspraken. De rechtspraak van het EHRM is uiteraard sterk casuïstisch van aard, maar dat neemt niet weg dat aan deze uitspraak gezichtspunten kunnen worden ontleend die relevant zijn bij het schetsen van een kader waarbinnen procesafspraken toelaatbaar kunnen worden geacht. Deze rechtspraak wordt hieronder besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natsvlishvili en Togonidze tegen Georgië 8.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Natsvlishvili – locoburgemeester van de Georgische plaats Kutaisi en directeur van een autofabriek – en zijn echtgenote Togonidze werden in Georgië vervolgd wegens fraude. Natsvlishvili verklaarde aanvankelijk dat hij onschuldig was, maar na enkele maanden deed hij het aanbod om de aandelen in de fabriek van hem en zijn echtgenote over te dragen aan de staat en verzocht hij de aanklager om tot een schikking (plea bargain) te komen. Dat mondde uit in een overeenkomst tussen de klagers en het Openbaar Ministerie, die ertoe strekte dat aan Natsvlishvili alleen een geldboete zou worden opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor het EHRM werd geklaagd over een schending van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 2 van het Zevende protocol bij het EVRM. Het EHRM stelt bij de beoordeling van de klacht voorop dat “it can be considered a common feature of European criminal-justice systems for an accused to obtain the lessening of charges or receive a reduction of his or her sentence in exchange for a guilty or nolo contendere plea in advance of trial or for providing substantial cooperation with the investigative authority. (…) There cannot be anything improper in the process of charge or sentence bargaining in itself (…). In this connection the Court subscribes to the idea that plea bargaining, apart from offering the important benefits of speedy adjudication of criminal cases and alleviating the workload of courts, prosecutors and lawyers, can also, if applied correctly, be a successful tool in combatting corruption and organised crime and can contribute to the reduction of the number of sentences imposed and, as a result, the number of prisoners” (§ 90).De omstandigheid dat de verdachte (een aantal van) zijn verdedigingsrechten zal moeten opgeven voor de toepassing van een verkorte procedure waarin procesafspraken een rol spelen, is volgens het EHRM niet problematisch.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel moet daarbij in ogenschouw worden genomen dat “it is also a cornerstone principle that any waiver of procedural rights must always, if it is to be effective for Convention purposes, be established in an unequivocal manner and be attended by minimum safeguards commensurate with its importance. In addition, it must not run counter to any important public interest” (§ 91).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM formuleert vervolgens in de kern twee voorwaarden waaraan een plea bargain moet voldoen: deze moet worden geaccepteerd door de verdachte “in full awareness of the facts of the case and the legal consequences and in a genuinely voluntary manner” en de inhoud van de overeenkomst en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, moeten worden onderworpen aan sufficient judicial review (§ 92). Het EHRM oordeelt dat in deze zaak geen sprake is van een schending van art. 6, eerste lid, EVRM en art. 2 van de Zevende protocol bij het EVRM. Daarbij betrekt het Hof de volgende omstandigheden: (i) De klager had het initiatief genomen voor het maken van afspraken met de openbaar aanklager. Hem was al in een vroeg stadium inzage gegeven in het strafdossier en de klager had vanaf het begin van de strafprocedure bijstand gehad van twee door hemzelf gekozen advocaten. Deze advocaten hadden de klager gedurende de gehele onderhandelingsfase van juridisch advies voorzien en hem vertegenwoordigd tijdens de rechterlijke toets van het uiteindelijke akkoord. (ii) De rechter die de rechtmatigheid van het akkoord moest beoordelen, had de klager en diens advocaat ondervraagd over de vrijwilligheid van het handelen van de verdediging en had onderzocht of geen sprake was geweest van undue pressure. De klager had aangegeven dat hij de inhoud van het akkoord volledig begreep, dat hem zijn procedurele rechten en de juridische gevolgen van het akkoord waren uitgelegd en dat zijn beslissing om het voorstel te accepteren niet het resultaat was van any duress or false promises. (iii) Het akkoord was uitgewerkt in een document, zodat de exacte inhoud ervan en de wijze waarop de voorafgaande onderhandeling had plaatsgevonden, kon worden onderworpen aan een rechterlijke toets in a clear and incontrovertible manner. (iv) De rechter was volgens het nationale recht niet gebonden aan het akkoord, maar mocht het akkoord afwijzen op basis van een eigen afweging van de fairness van de inhoud ervan. Ook was de rechter bevoegd de overeengekomen straf in relatie tot de ten laste gelegde feiten te beoordelen en deze te verlagen. Bovendien had de rechter onderzocht of er prima facie evidence bestond voor de ten laste gelegde feiten en had hij de inhoud van de overeenkomst onderzocht gedurende een openbaar onderzoek ter terechtzitting.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM overweegt verder “that it is normal for the scope of the exercise of the right to appellate review to be more limited with respect to a conviction based on a plea bargain, which represents a waiver of the right to have the criminal case against the accused examined on the merits, than it is with respect to a conviction based on an ordinary criminal trial”. Art. 2 van het Zevende protocol staat niet in de weg aan een beperkte mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep tegen de veroordeling, gebaseerd op een plea bargain. Door akkoord te gaan met het voorstel van het Openbaar Ministerie, de klager “as well as relinquishing his right to an ordinary trial, waived his right to ordinary appellate review”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtspraak over afstand van recht: ‘waivers’ 8.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitspraak in de zaak Natsvlishvili en Togonidze tegen Georgië roept het EHRM in herinnering dat de verdachte afstand mag doen van zijn in art. 6 EVRM verankerde rechten. Vereist is dat een dergelijke waiver, “if it is to be effective for Convention purposes, be established in an unequivocal manner and be attended by minimum safeguards commensurate with its importance. In addition, it must not run counter to any important public interest”.In enkele (hierna te bespreken) uitspraken heeft het EHRM daarnaast overwogen dat een waiver niet door dwang/druk (constraint) tot stand mag komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijke situatie deed zich voor in de zaak Deweer tegen België. De klager had afstand gedaan van zijn rechten als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM ten behoeve van het treffen van een schikking met het Openbaar Ministerie. Het EHRM oordeelde dat de voorgestelde schikking – de betaling van een relatief klein geldbedrag – een te grote druk op de klager had gelegd om zijn recht op een rechterlijke instantie op te geven. Er bestond immers een wanverhouding (flagrant disproportion) tussen het aan de klager aangeboden voorstel en de consequenties van het niet akkoord gaan met dat voorstel, te weten de sluiting van de winkel van de klager tot de dag van de rechterlijke uitspraak, met een groot inkomensverlies als gevolg. Het EHRM overwoog daarover dat de druk zo groot was, “that it is not surprising that Mr. Deweer yielded”.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om de waiver in overeenstemming te doen zijn met de rechten zoals gewaarborgd in het EVRM, is daarnaast vereist dat de verdachte volledig is geïnformeerd over de inhoud van de zaak (in full awareness of the facts) en de gevolgen van het doen van afstand van recht. Het mag bovendien niet zo zijn dat het doen van afstand ingaat tegen belangrijke maatschappelijke doelen (import public interests). Interessant in dit verband is het arrest van het EHRM in de zaak V.C.L. en A.N. tegen het Verenigd Koninkrijk. Het ging in deze zaak om de verenigbaarheid met art. 6 EVRM van een plea bargain waarmee de klagers hadden ingestemd. De klagers waren mogelijk ook minderjarige slachtoffers van mensensmokkel. Bij het EHRM klaagden zij er onder meer over dat ten onrechte geen rekening was gehouden met die omstandigheid en dat zij slecht waren geïnformeerd over hun rechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM stelde allereerst vast dat de Engelse autoriteiten hadden verzuimd om te onderzoeken of de klagers daadwerkelijk slachtoffers waren van mensensmokkel en dat dit in de context van art. 6 EVRM meebrengt dat aan de klagers mogelijk een fundamenteel aspect van hun verdediging is ontnomen (§ 200). Tegen die achtergrond oordeelde het EHRM vervolgens over de geldigheid van de waiver. In dat verband herhaalde het EHRM de in Natsvlishvili en Togonidze tegen Georgië geformuleerde voorwaarden om te mogen spreken van een waiver in de context van plea bargains (§ 201): “(A) the bargain must be accepted in full awareness of the facts of the case and the legal consequences and in a genuinely voluntary manner; and (b) the content of the bargain and the fairness of the manner in which it had been reached between the parties must be subject to sufficient judicial review”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof overwoog vervolgens dat de guilty pleas van de klagers unequivocal waren. De klagers waren zich bovendien hoogstwaarschijnlijk bewust van het feit dat geen inhoudelijke beoordeling van de feiten meer zou volgen na hun bekentenis. Daarbij nam het EHRM in aanmerking dat de klagers waren voorzien van rechtsbijstand. Maar omdat zij niet wisten of zij slachtoffers waren van mensensmokkel, was hun bekentenis niet afgelegd in full awareness of the facts. Het EHRM overwoog bovendien dat gelet op de ernst van mensensmokkel en de inbreuk die hiermee wordt gemaakt op de rechten uit het EVRM, het gebrek aan onderzoek hiernaar maakt dat “any waiver of rights by the applicants would have run counter to the important public interest in combatting trafficking and protecting its victims” (§ 202).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM constateerde, na een overall fairness-toets, dat art. 6, eerste lid, EVRM was geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak Di Martino en Molinari tegen Italië waren de klagers in eerste aanleg vrijgesproken, maar werden zij in hoger beroep veroordeeld. In Straatsburg klaagden zij, met een beroep op art. 6, eerste lid, EVRM, dat het hof van beroep had miskend dat de klagers in de gelegenheid hadden moeten worden gesteld om bepaalde getuigen te horen. In deze zaak was een Italiaanse alternatieve strafprocedure gevolgd, de zogenoemde giudizio abbreviato (verkorte procedure). Deze procedure houdt in dat de rechter op verzoek van de verdachte de strafzaak afdoet op grond van het dossier van het opsporingsonderzoek (en dus niet op basis van een – in Italië nog sterk – onmiddellijk strafproces). Daar staat een strafkorting voor de verdachte tegenover. Het EHRM overwoog dat de klagers ermee hadden ingestemd om de hiervoor genoemde verkorte procedure te voeren en (dus) dat zij ermee hadden ingestemd dat zij hun verdediging moesten baseren op grond van de documenten die tijdens het vooronderzoek waren verzameld. Het EHRM zag geen reden eraan te twijfelen dat de klagers ondubbelzinnig afstand hadden gedaan van hun recht om getuigen te horen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Bovendien hadden de klagers geaccepteerd dat de rechters in hun zaak gebruik zouden maken van de eerder afgelegde verklaringen van de getuigen en wisten zij dat bij een eventueel hoger beroep het hof de bevoegdheid had om de zaak opnieuw te behandelen op basis van hetzelfde bewijsmateriaal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 6, eerste lid, EVRM was volgens het EHRM niet geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hiervoor besproken rechtspraak kunnen de volgende relevante eisen worden afgeleid ten aanzien van het doen van afstand van het recht op een reguliere contradictoire behandeling zoals neergelegd in art. 6 EVRM. De verdachte dient zich bewust te zijn van de inhoud van de zaak en de gevolgen voor de verdachte als hij afstand doet van zijn rechten. Dat betekent dat de verdachte daarover adequaat zal moeten worden geïnformeerd. De verdachte mag niet onder dusdanige druk worden gezet om afstand te doen van rechten, dat niet meer gesproken kan worden van vrijwilligheid. Van dergelijke druk kan sprake zijn als aan de verdachte een groot verschil wordt voorgespiegeld tussen de straf die hij in het kader van te maken afspraken kan accepteren en de voor de verdachte nadelige gevolgen als hij deze straf niet accepteert. Ten slotte is er ook een maatschappelijk belang dat in de weg kan staan aan het aannemen van rechtsgeldige waiver. Dat belang kan zijn gelegen in de opsporing en vervolging van bepaalde (ernstige) strafbare feiten en het beschermen van slachtoffers van die feiten. Ik begrijp dat element in de rechtspraak zo, dat in dergelijke situaties de autoriteiten geen genoegen zouden mogen nemen met een waiver, omdat zaaksoverstijgende, maatschappelijke belangen vragen om een regulier contradictoir proces.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtspraak over nemo tenetur / verklaringsvrijheid 8.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijzondere aandacht vraagt een in de onderzochte buitenlandse stelsels veelvoorkomend onderdeel van gemaakte procesafspraken: een door de verdachte af te leggen bekentenis in het licht van het nemo tenetur-beginsel. Dit beginsel (the principle against self-incrimination) vormt onderdeel van het in art. 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces. Het recht zichzelf niet te hoeven belasten bestaat volgens het EHRM vooral uit het zwijgrecht en het veronderstelt dat de vervolgende instantie het ten laste gelegde bewijst “without resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused.” In dit verband benadrukt het EHRM ook de vrijheid van de verdachte zijn procespositie te bepalen. Om te beoordelen of het recht zichzelf niet te hoeven belasten is gerespecteerd, onderzoekt het Hof “the nature and degree of the compulsion, the existence of any relevant safeguards in the procedures and the use to which any material so obtained is put”.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM is in zijn uitspraak in de zogenoemde key case Ibrahim e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk ingegaan op drie categorieën van gevallen waarin sprake kan zijn van improper compusion in strijd met art, 6 EVRM: gevallen waarin een verdachte “is obliged to testify under threat of sanctions and either testifies in consequence or is sanctioned for refusing to testify”, gevallen waarin “physical or psychological pressure, often in the form of treatment which breaches Article 3 of the Convention, is applied to obtain real evidence or statements” en gevallen waarin “the authorities use subterfuge to elicit information that they were unable to obtain during questioning”.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag rijst of het in het vooruitzicht stellen van een bepaald voordeel als een bekentenis wordt afgelegd ook improper compulsion kan opleveren. Dat zou onder omstandigheden mogelijk een vorm van psychological pressure kunnen vormen zoals bedoeld in de tweede categorie. Dat wordt klemmender naarmate het mogelijke voordeel voor de verdachte groter is. Het specifiek voor plea bargaining door het EHRM gehanteerde toetsingskader sluit daarbij aan. Onder bepaalde omstandigheden zal geen sprake meer zijn van totstandkoming van de afspraken op a genuinely voluntary manner.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer dan één verdachte en procesafspraken met niet al deze verdachten 8.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de rechtspraak is ook de situatie aan de orde gekomen waarin sprake is van verschillende verdachten, terwijl niet met alle verdachten procesafspraken tot stand komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Mucha tegen Slowakije werd de klager vervolgd voor deelneming aan een criminele organisatie. Enkele mededaders waren voor dat feit al veroordeeld en hadden in het kader van gemaakte procesafspraken bekennende verklaringen afgelegd. Voor het EHRM deed de klager een beroep op art. 6 EVRM. In het bijzonder klaagde hij erover dat hij niet door een onpartijdige rechter was berecht en dat de onschuldpresumptie was geschonden. Aan deze klachten werd ten grondslag gelegd dat dezelfde rechters de medeverdachten ook hadden veroordeeld en dat in de vonnissen van de medeverdachten werd gewezen op de rol van de verdachte bij de bewezen verklaarde feiten. Het Hof herhaalt zijn eerdere rechtspraak waarin het heeft geoordeeld dat de onschuldpresumptie wordt geschonden indien in een rechterlijke beslissing of verklaring het standpunt besloten ligt dat een verdachte schuldig is voordat de verdachte daadwerkelijk in rechte schuldig is bevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Desalniettemin is het niet ongebruikelijk en aanvaard dat in complexe zaken waarin verschillende personen zijn betrokken die niet tegelijk kunnen worden vervolgd, kan worden verwezen naar de betrokkenheid van individuen, ook als hun zaak nog moet worden behandeld. Gezien de aard en samenhang van de ten laste gelegde feiten in deze zaak, was het nodig om ook te verwijzen naar het handelen van anderen. De uitspraken in de zaken tegen de medeverdachten waarin de procesafspraken zijn goedgekeurd, bevatten echter een gedetailleerde beschrijving van de gepleegde strafbare feiten, waaronder ook specifiek de rol die de verdachte daarin heeft gespeeld. De verwijzingen naar de klager waren niet zodanig omschreven dat duidelijk was dat hij nog zou worden vervolgd en nog niet schuldig was bevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM constateert vervolgens een schending van de onschuldpresumptie en overweegt dat de bij de klager gerezen twijfels over de onpartijdigheid van de rechters objectief gerechtvaardigd zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM verwijst in Mucha tegen Slowakije naar zijn uitspraak in de zaak Navalnyy en Ofitserov tegen Rusland, waarin zich een enigszins vergelijkbare situatie voordeed. Beide klagers waren als verdachten betrokken geweest in een strafzaak wegens fraude. De derde medeverdachte, X, maakte procesafspraken met de openbaar aanklager, die onder meer inhielden dat X informatie gaf over de rol van de klagers bij het plegen van de strafbare feiten. In ruil daarvoor zou X een lagere straf krijgen. De klagers werden vervolgens veroordeeld op grond van onder meer de verklaringen van X. Zij wendden zich tot het Straatsburgse Hof met verschillende klachten gerelateerd aan art. 6 EVRM. Het EHRM overwoog dat de procedure tegen X een versnelde procedure was geweest, waarin de feiten niet waren bewezen, maar legally assumed. Deze feiten mochten niet zonder meer worden gebruikt in de zaken tegen de klagers, zonder in die zaken op toelaatbaarheid en betrouwbaarheid te zijn getoetst (§ 105). Ook wees het EHRM erop dat de omstandigheid dat X was veroordeeld op grond van een versnelde procedure zijn positie als getuige in de zaken tegen de klagers bemoeilijkte. Als getuige was X immers gedwongen om bij zijn eerder afgelegde verklaringen te blijven, omdat anders het oordeel in zijn eigen zaak (inclusief gereduceerde straf) zou kunnen worden herzien (§ 109). Het Hof constateerde een schending van the right to a fair hearing als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het EHRM verwijst in Mucha tegen Slowakije naar een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie. In de verwijzingsbeslissing van de Bulgaarse rechter in die zaak werd aan het Hof van Justitie de vraag voorgelegd of het verenigbaar was met art 4, eerste lid, van de Richtlijn 2016/343 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn, dat in een schikkingsovereenkomst met een van de medeverdachten de gegevens voorkwamen van de andere medeverdachten, die nog niet waren veroordeeld (en ook niet hadden ingestemd met een schikkingsovereenkomst in hun eigen zaak).</p>\n<p class=\"lf-p\">8.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof van Justitie stelt vast dat de schikking een andere rechterlijke beslissing is dan die welke betrekking hebben op de vaststelling van schuld, als bedoeld in art. 4, eerste lid,van de Richtlijn. Volgens de nationale regeling moet de rechter de schikking namelijk goedkeuren. Het Hof vervolgt dat art. 4, eerste lid,van de Richtlijn zich niet verzet tegen een schikking waarin andere verdachten worden geïdentificeerd dan de verdachte die de schikking heeft getroffen. Wel moet de vermelding van die andere verdachten noodzakelijk zijn voor de kwalificatie van de juridische aansprakelijkheid van de persoon die de schikking heeft getroffen. Bovendien moet de schikking duidelijk aangeven dat de andere verdachten nog worden vervolgd in afzonderlijke strafprocedures en dat hun schuld niet in rechte is komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Positieve verplichtingen voortvloeiend uit het EVRM 8.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot nog een opmerking over positieve (procedurele) verplichtingen die voor de staat uit het EVRM voortvloeien. Dergelijke verplichtingen kunnen ook normerend werken ten aanzien van het wel of niet volgen van procesafspraken. Ferdinandusse stelt in dit verband dat het verplichte effectief optreden van de staat inzake ernstige (zeden)misdrijven impliceert dat dit niet alleen geldt voor de politie en het Openbaar Ministerie maar ook voor de rechter als statelijke actor. De rechter zou in voorkomende gevallen bijvoorbeeld nader aanvullend onderzoek moeten (laten) doen en zich niet lijdelijk moeten opstellen. Indien de rechter een verdragsschending kan voorkomen door van die mogelijkheid gebruik te maken, zal hij dat moeten doen.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze redenering kan worden doorgetrokken naar procesafspraken: indien door de aard en de inhoud van de afspraken tekort zou worden gedaan aan slachtoffers en/of het effectief optreden van de staat inzake ernstige (zeden)misdrijven, vormen de positieve verplichtingen die uit het EVRM voortvloeien voor de rechter een (extra) barrière voor het akkoord gaan met procesafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenbalans 8.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hiervoor besproken Europese rechtspraak kunnen bepaalde grenzen worden afgeleid ten aanzien van afspraken die mede inhouden dat de verdachte afstand doet van verdedigingsrechten. Gewaarborgd moet zijn dat de afstand van verdedigingsrechten vrijwillig is. De verdachte mag niet onder dusdanige druk worden gezet om afstand te doen van rechten, dat niet meer gesproken kan worden van vrijwilligheid. De verdachte dient zich bewust te zijn van het feitencomplex dat aan de afspraak ten grondslag ligt en van de rechtsgevolgen voor de verdachte als hij afstand doet van zijn rechten. Dat betekent dat de verdachte daarover adequaat zal moeten worden geïnformeerd. De verdachte dient aldus vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust is van de rechtsgevolgen, te zijn gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de desbetreffende procesafspraken. Er moet voorts zijn voorzien in een adequate rechterlijke toetsing van de eerlijkheid van de wijze van totstandkoming van de procesafspraak en de inhoud daarvan. Voor dat laatste is van belang dat de rechter niet is gebonden aan de afspraken maar zelfstandig onderzoek verricht of de uitkomst passend is.</p>\n<p class=\"lf-p\">8.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zaken met meerdere verdachten moet daarnaast behoedzaam worden omgegaan met procesafspraken die worden gemaakt ten aanzien van een verdachte waarin de betrokkenheid van nog te vervolgen andere medeverdachten worden genoemd. Tot slot moeten maatschappelijke belangen en positieve verplichtingen die uit het EVRM voortvloeien ook worden meegewogen bij de vraag of procesafspraken en/of een verkorte procedure doorgang kunnen vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9Balans Inleiding 9.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorgaande biedt de basis om de balans op te maken. De onderbouwing van de bevindingen volgt voor het overgrote deel uit de in het voorgaande weergegeven analyse van het nationale en het Europese recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesafspraken zonder expliciete wettelijke regeling; rechtsvorming door de wetgever en de rechter 9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een op procesafspraken toegesneden wettelijke regeling ontbreekt. Die enkele omstandigheid betekent niet dat de wet geen ruimte laat voor procesafspraken. Consensualiteit is geen wezensvreemd element in ons strafvorderlijk stelsel. Niet alleen zijn er verschillende vormen van buitengerechtelijke afdoening die zijn gebaseerd op consensualiteit, maar het wetboek kent ook regelingen die mede betrekking hebben op de fase van berechting en waarin consensualiteit centraal staat. Met name de vergelijking met toezeggingen aan getuigen in strafzaken dringt zich op. Aan de wettelijke regeling van toezeggingen aan getuigen in strafzaken ging een praktijk vooraf waarin de Hoge Raad dergelijke toezeggingen onder omstandigheden toelaatbaar oordeelde. Ook de voeging ad informandum is zonder specifieke wettelijke grondslag door de Hoge Raad aanvaard. Denkbaar is dat de Hoge Raad ook ten aanzien van procesafspraken als in de onderhavige zaak aan de orde het voortouw neemt. Niet kan worden gezegd dat de wetgever klaarblijkelijk niet van procesafspraken als zodanig heeft willen weten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder dat procesafspraken als zodanig in de ban hoeven te worden gedaan op grond van het ontbreken van een specifieke wettelijke regeling, is in dit verband wel terughoudendheid geboden. In dit verband moet worden voorkomen dat de rechter zonder specifieke wettelijke grondslag vormen van procesafspraken omarmt die de wetgever op principiële gronden niet in het wetboek heeft opgenomen. Ik geef daarvan twee voorbeelden. In de eerste plaats heeft een wetsvoorstel dat ertoe strekte een vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachten te introduceren nooit kracht van wet gekregen. Van een dergelijke vereenvoudigde procedure heeft de wetgever aldus bewust afgezien. In de tweede plaats is eveneens bewust afgezien van het initiëren van wetgeving die strekt tot de invoering van een stelsel van plea bargaining.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de toenmalige minister van Justitie zouden het Nederlandse inquisitoire stelsel en de daarbij behorende procestraditie te zeer in de weg staan aan een succesvolle introductie van een dergelijke rechtsfiguur in het Nederlands strafprocesrecht. Een dergelijk voorstel zou niet passen in de heersende procestraditie, waarin de rechter een actieve rol heeft bij de waarheidsvinding op de terechtzitting en exclusief verantwoordelijk is voor de bewijsbeslissing. Gelet op de eerdere keuzes om geen wetgeving tot stand te brengen betreffende een vereenvoudigde procedure voor bekennende verdachte en plea bargaining, meen ik dat uiterste terughoudendheid is geboden bij het toekennen van betekenis aan een bekentenis in het kader van procesafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik kom daarop nog terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In meer algemene zin geldt het volgende. De introductie van procesafspraken vergt fundamentele afwegingen en keuzes over de inrichting en structuur van het strafproces en de rolverdeling tussen de procesdeelnemers. Daarbij kan de wetgever niet afzijdig blijven. Zo rijzen vragen over de soorten zaken waarin procesafspraken tot stand kunnen komen, de aard van de afspraken die kunnen worden gemaakt, de toetsing daarvan en de gevolgen van het niet volgen van procesafspraken door de rechter. Het gaat de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten een algemeen kader te geven op basis waarvan al deze vragen kunnen worden beantwoord. In het licht van een evenwichtige verdeling van verantwoordelijkheden van de wetgever en de rechter, ligt een nadere bepaling en afgrenzing van procesafspraken door de wetgever in de rede. De wetgever is hier aan zet.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het ontbreken van een op procesafspraken toegesneden wettelijke regeling geldt het volgende. Bij procesafspraken hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging een essentiële rol. De positie van de officier van justitie als dominus litis, het opportuniteitsbeginsel en de procesautonomie van de verdediging bieden de fundamenten voor het maken van procesafspraken. De officier van justitie bepaalt welke feiten in welke omvang aan de rechter worden voorgelegd. Er is geen rechtsregel die uitsluit dat bij deze beslissing de verdediging wordt betrokken. Hetzelfde geldt voor de voorgenomen eis. Op haar beurt kan de verdediging afzien van onderzoekswensen en het voeren van bepaalde verweren. In dit samenstel ligt de mogelijkheid van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging besloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voortbouwend appel vormt een vruchtbare voedingsbodem voor procesafspraken. In eerste aanleg heeft immers al een onderzoek plaatsgevonden, terwijl het geding in hoger beroep zich in de eerste plaats concentreert op de grieven die het Openbaar Ministerie en de verdediging tegen het vonnis hebben. Ook de ontnemingsprocedure kan zich lenen voor procesafspraken, wellicht in nog sterkere mate dan de strafzaak. Daarbij moet worden bedacht dat het rechterlijk beslissingsmodel beperkter is dan in de hoofdzaak en is toegespitst op het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij gebreke van een op procesafspraken toegesneden wettelijk kader, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld of sprake is van een behandeling van de zaak die in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. De behandeling van de zaak zal verder het systeem van de wet niet mogen doorkruisen en geen strijd mogen opleveren met beginselen van een behoorlijke procesorde.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zonder te pretenderen een algemeen toetsingskader voor procesafspraken te geven, volgen uit de bespreking van het wettelijk systeem, de rolverdeling tussen de procesdeelnemers en de rechtspraak van het EHRM bepaalde randvoorwaarden. Voor het vaststellen daarvan kan ook inspiratie worden geput uit het rechtsvergelijkend onderzoek. Zo kunnen aan de manier waarop het Duitse Bundesgerichtshof vóór de totstandkoming van de wettelijke regeling waarborgen heeft geformuleerd waarmee procesafspraken moeten zijn omgeven aanknopingspunten worden ontleend voor de beantwoording van de in het geding zijnde rechtsvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij moet worden vooropgesteld dat bij procesafspraken sprake is van een dynamiek die afwijkt van de reguliere procedure. Daarvoor dient een goede grond te bestaan. Daarbij moet worden gedacht aan het efficiënter en effectiever afdoen van strafzaken. In dit verband kan worden gestreefd naar het ontlasten van justitiële capaciteit in gevallen waarin procedures zo lang dreigen te duren dat een berechting binnen een redelijke termijn en een effectieve rechtshandhaving niet (meer) tot de mogelijkheden behoren. In dat geval zal wel aannemelijk moeten worden dat procesafspraken kunnen bijdragen aan verkorting van de procedure. Denkbaar is ook dat de effectiviteit en de kwaliteit van de afdoening centraal worden gesteld door in geval van multi-problematiek bij de verdachte een gezamenlijk afdoeningsvoorstel aan de rechter voor te leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verantwoordelijkheid van de rechter 9.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cruciaal voor de legitimiteit van procesafspraken is dat recht kan worden gedaan aan de verantwoordelijkheid van de strafrechter. De rechter mag niet buitenspel worden gezet. In dit verband kunnen drie onderdelen worden onderscheiden. In de eerste plaats doel ik op de verantwoordelijkheid voor de procesvoering, in welk verband de voorzitter een sleutelrol toekomt (vgl. bijv. art. 272 Sv). In de tweede plaats volgt uit de analyse van de rechtspraak van het EHRM dat een rechterlijke toetsing moet plaatsvinden ten aanzien van de eerlijkheid van de wijze van totstandkoming van de procesafspraak. Daarbij dient te worden beoordeeld of de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie over het feitencomplex dat aan de afspraken ten grondslag ligt en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de desbetreffende procesafspraken. Ten slotte zullen procesafspraken niet mogen afdoen aan de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de beoordeling van de zaak aan de hand van het beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 Sv. In dit verband wordt mede invulling gegeven aan de uit de rechtspraak van het EHRM voortvloeiende noodzaak van een rechterlijke toetsing van de inhoud van de afspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het eerste onderdeel geldt het volgende. Juist in complexe zaken verdient het aanbeveling dat de rechter zich al in een vroeg stadium door middel van een voorlopige beoordeling kan uitspreken of hij het ingaan van een traject dat moet uitmonden in procesafspraken aangewezen acht. Het Openbaar Ministerie en de verdediging kunnen daardoor in een vroeg stadium een indicatie krijgen of de rechter (voorlopig) van oordeel is of de zaak zich leent voor een versnelde afdoening met toepassing van procesafspraken. Betrokkenheid van de strafrechter in dit stadium kan bijdragen aan een doelmatige procesvoering, maar vormt geen voorwaarde voor toelaatbaarheid van procesafspraken. De rechter kan ook zelf het initiatief nemen tot een traject van procesafspraken door het Openbaar Ministerie en de verdachte te polsen of bereidheid bestaat een dergelijk traject te beproeven. In dit verband kan een parallel worden getrokken met de situatie waarin de civiele rechter tijdens de mondeling behandeling van een zaak de mogelijkheid van een schikking beproeft (art. 87, tweede lid, onderdeel c, Rv). Er is ook in het kader van procesafspraken in het strafrecht geen rechtsregel die zich tegen een dergelijk initiatief verzet. Een verdergaande betrokkenheid van de rechter bij de totstandkoming van de afspraken, zoals in de Duitse wettelijke regeling, verdraagt zich echter niet met ons strafvorderlijk stelsel.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tweede onderdeel van de rechterlijke toetsing, te weten van de wijze van totstandkoming van de procesafspraken, vloeit voort uit de verantwoordelijkheid van de zittingsrechter voor een behandeling van de zaak waarbij de verdedigingsrechten worden gerespecteerd. In de rechtspraak van het EHRM wordt in dit verband de noodzaak van een sufficient judicial review beklemtoond. De rechter moet beoordelen of de verdachte “in full awareness of the facts of the case and the legal consequences and in a genuinely voluntary manner” tot procesafspraken is gekomen. Er mag geen sprake zijn geweest van undue pressure. Daarbij moet wel worden aangetekend dat de rechtspraak van het EHRM in dit verband is toegesneden op het geval waarin sprake is van plea bargaining en het afleggen van een bekentenis onderdeel is van de procesafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maar ook buiten die situatie dient te worden beoordeeld of de afstand van verdedigingsrechten voldoet aan de voorwaarden die het EHRM aan een afstand van rechten stelt, met name dat de afspraken niet onder druk tot stand zijn gekomen en dat de verdachte adequaat is geïnformeerd over de onderliggende feiten en de rechtsgevolgen van zijn medewerking aan procesafspraken. De rechter dient zich ervan te vergewissen of de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie over het feitencomplex dat aan de afspraken ten grondslag ligt en terwijl hij zich bewust is van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de desbetreffende procesafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het verlengde daarvan ligt dat de rechter in het vonnis of arrest van deze beoordeling blijk geeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij die beoordeling komt zwaar gewicht toe aan de vraag of de verdachte bij het aangaan van procesafspraken was voorzien van rechtsbijstand. Zeker bij de huidige stand van het recht, waarbij een wettelijke regeling die houvast kan bieden ontbreekt, mag worden verlangd dat procesafspraken slechts tot stand kunnen komen indien de verdachte bij het maken van de afspraken wordt bijgestaan door een raadsman.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de desbetreffende beoordeling lijkt het daarnaast in de regel aangewezen dat de verdachte op de zitting waar de procesafspraken ter sprake komen aanwezig is, zodat de rechter de gelegenheid heeft de verdachte in dit verband zelf vragen te stellen teneinde inzicht te krijgen of de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van verdedigingsrechten en zich in dat verband bewust is van het onderliggende feitencomplex en de inhoud, de strekking en de rechtsgevolgen van de procesafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de desbetreffende beoordeling is verder van belang dat waarborgen bestaan ten aanzien van de transparantie en daarmee de toetsbaarheid van de procedure die heeft geleid tot de procesafspraken. Het belang van interne openbaarheid vergt schriftelijke vastlegging van de afspraken en verslaglegging van voorbereidende besprekingen en voeging daarvan in het strafdossier. Voorafgaand aan de totstandkoming van procesafspraken zal de verdediging inzage moeten hebben in het strafdossier teneinde haar procespositie te kunnen bepalen. Het belang van externe openbaarheid vraagt om een openbare zitting waarop de procesafspraken aan de orde worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechterlijke toetsing van de wijze van totstandkoming van de procesafspraken moet worden onderscheiden van de rechterlijke beoordeling van de zaak aan de hand van het beslissingsmodel van de artikelen 348 en 350 Sv. Die beoordeling is in het voorgaande als derde onderdeel van de rechterlijke toetsing gerubriceerd en geeft mede invulling aan de door het EHRM verlangde toetsing van de inhoud van de procesafspraken. De zittingsrechter blijft ten volle verantwoordelijk voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Procesafspraken kunnen niet afdoen aan deze door de wet aan de strafrechter toevertrouwde verantwoordelijkheid. Zo mag de rechter niet de beantwoording van de bewijsvraag overslaan of beperken tot een marginale toetsing omdat over de bewijsbaarheid van het ten laste gelegde feit overeenstemming tussen partijen bestaat. De wet laat wel ruimte voor rechterlijke beoordeling van de bewijsvraag aan de hand van de resultaten van het voorbereidend onderzoek, zonder zelf nader onderzoek te initiëren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van de hoofdvragen van art. 350 Sv dient naar mijn mening in dit verband onderscheid te worden gemaakt. Ik licht dat als volgt toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste hoofdvraag is of het ten laste gelegde feit is bewezen. Het bewijs kan slechts worden aangenomen indien de rechter daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen (art. 338 Sv). Procesafspraken kunnen noch aan de bewijsstandaard noch aan de nadere bewijsregels afbreuk doen. Van marginale toetsing van de inhoud van de door het Openbaar Ministerie en de verdediging voorgestelde bewezenverklaring kan geen sprake zijn. De rechter zal de vraag of het ten laste gelegde is bewezen zelf moeten beantwoorden. Wel zal hij daartoe in beginsel, voor zover zijn verantwoordelijkheid dat toelaat, kunnen volstaan met raadpleging van het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter zal dus onverkort moeten beoordelen of voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is. Indien de rechter tot een andere beoordeling komt van de bewijsbaarheid van het ten laste gelegde dan in het gezamenlijk standpunt van het Openbaar Ministerie en de rechter naar voren is gebracht, zal hij van de procesafspraken moeten afwijken. Dat geldt zowel ten nadele als ten voordele van de verdachte. Dat betekent dat de rechter in geval van een voorstel dat strekt tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit eerst zal moeten beoordelen of het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. Denkbaar is wel dat de rechter bij een lichte afwijking van het afdoeningsvoorstel ten aanzien van de bewezenverklaring de in het afdoeningsvoorstel opgenomen straf toch passend acht. Op de vraag of in een dergelijk geval heropening van de behandeling moet plaatsvinden, kom ik nog terug.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de vraag of de bewezenverklaring onder een wettelijke delictsomschrijving valt, zal de rechter zelf moeten beantwoorden, ongeacht wat de procesafspraken ter zake behelzen. Indien het feit onder een delictsomschrijving valt, zal de beantwoording van de vragen naar de strafbaarheid van het feit en de verdachte in de regel niet problematisch zijn. Nader onderzoek kan aangewezen zijn indien uit het dossier het rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat bijvoorbeeld sprake is van een strafuitsluitingsgrond, ook al doet de verdediging daarop geen beroep. Als het dossier geen andere conclusie toelaat dan dat de verdachte niet strafbaar is, behoort hij te worden ontslagen van rechtsvervolging, ook als de verdachte heeft meegewerkt aan procesafspraken en geen beroep is gedaan op het ontbreken van strafbaarheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar de beantwoording van de eerste drie vragen van art. 350 Sv in essentie niet verschilt van de situatie waarin geen procesafspraken aan de orde zijn, kan daarover ten aanzien van de vierde vraag, over de oplegging van straf of maatregel, anders worden geoordeeld. Hierbij gaat het immers, anders dan bij de andere vragen, om een weging van factoren waarbij de rechter een grote mate van vrijheid toekomt de straf of maatregel op te leggen die hem passend voorkomt. Het wettelijk systeem staat er niet aan in de weg dat het Openbaar Ministerie en de verdediging een gezamenlijk sanctievoorstel doen. De rechter kan vervolgens toetsen of de voorgestelde straf of maatregel hem passend voorkomt. Als dat geval is, zal hij de desbetreffende straf of maatregel zelf opleggen. Denkbaar is dat het afdoeningsvoorstel een bepaalde bandbreedte aanhoudt, zoals in het Duitse recht, maar noodzakelijk is dat niet. De rechter kan bij de straftoemetingsbeslissing de procespositie van de verdachte in aanmerking nemen, dus ook de medewerking aan procesafspraken. De in een afdoeningsvoorstel opgenomen strafvermindering ten opzichte van de te verwachten straf ingeval de reguliere procedure zou worden gevoerd, zal niet dusdanig mogen zijn, dat de verdachte niet meer geacht kan worden vrijwillig zijn medewerking aan de afspraken te hebben verleend. In buitenlandse rechtsstelsels lijkt in dit verband een grens van ongeveer een derde strafvermindering ten opzichte van de gemiddelde straf te zijn aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.22.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechter is ook overigens gehouden bepaalde beslissingen te nemen. Te denken valt aan de beslissing op de vordering van de benadeelde partij (art. 361 Sv) en over de op de voet van art. 94 Sv in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (art. 353 Sv). Ook daaraan kunnen procesafspraken niet afdoen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij procesafspraken die een wijziging van de tenlastelegging behelzen, is de situatie naar mijn mening anders dan bij afdoeningsvoorstellen. Ten aanzien van de inhoud van de tenlastelegging voert het Openbaar Ministerie immers de regie. Daarom blijft de toetsing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging door de rechter in de regel beperkt tot de beoordeling of na wijziging sprake blijft van hetzelfde feit als aanvankelijk ten laste is gelegd (art. 313, tweede lid, Sv). In het licht van de verdeling van verantwoordelijkheden binnen het strafproces, komt het mij minder zuiver voor als de rechter bij de beoordeling van een afdoeningsvoorstel rekening houdt met de bewijsbaarheid van het oorspronkelijk, vóór de wijziging ten laste gelegde feit.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.24.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke voorschriften over de motivering van het vonnis zijn ook van toepassing als aan het vonnis procesafspraken zijn voorafgegaan. Deze voorschriften dienen ook in dat geval onverkort te worden nageleefd. Ik zie echter geen gronden aan te nemen dat de motiveringsplicht in gevallen waarin de rechter een afdoeningsvoorstel volgt verder strekt dan de algemene, wettelijke motiveringsvereisten die voor elk vonnis of arrest gelden. Dat betekent ook dat de rechter met een verkort vonnis zal kunnen volstaan zolang geen gewoon rechtsmiddel is aangewend (art. 365a, eerste lid, Sv). Weliswaar zal in gevallen waarin de rechter een afdoeningsvoorstel volgt het onderzoek ter terechtzitting in de regel zeer beknopt zijn, terwijl doorgaans geen rechtsmiddel tegen het vonnis of arrest zal worden ingesteld, maar daarin zie ik nog geen goede grond om af te wijken van de wettelijke motiveringsvoorschriften. Ook in ander gevallen kunnen terechtzittingen beknopt zijn en kunnen de verdachte en het Openbaar Ministerie afzien van het instellen van rechtsmiddelen. Uiteraard staat het de rechter vrij (bijvoorbeeld) de bewezenverklaring meer uitgebreid te motiveren dan waartoe de wet hem in het algemeen verplicht, maar de enkele omstandigheid dat sprake is van een gevolgd afdoeningsvoorstel noopt hem daartoe naar mijn mening niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten slotte rijst in dit verband de vraag welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de rechter een afdoeningsvoorstel niet (volledig) volgt. Ingeval sprake is van een lichte afwijking, die niet afdoet aan de essentie van het afdoeningsvoorstel, zal de rechter de zaak zonder heropening van de behandeling kunnen afdoen. Heropening van de behandeling zal aangewezen zijn indien de verdedigingsrechten en de procespositie van het Openbaar Ministerie anders tekort zouden worden gedaan. Ook daarbij zijn het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM en de beginselen van een behoorlijke procesorde leidend. De omstandigheden van het geval zijn bepalend. Datzelfde geldt voor de vraag of na heropening de zaak in dezelfde samenstelling kan worden hervat. Uit het rechtsvergelijkend overzicht bleek dat Duitsland en België in dit opzicht afwijkende uitgangspunten hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het komt mij voor dat zich – afhankelijk van de grond voor de heropening – feiten of omstandigheden zouden kunnen voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden als dezelfde rechter die de procesafspraak niet heeft gevolgd na heropening opnieuw de zaak behandelt. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van dergelijke feiten of omstandigheden is de jurisprudentie van het EHRM over de onpartijdigheid van de rechter van belang. Beoordeeld dient te worden of sprake is van omstandigheden die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechters ten aanzien van de verdachte een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij de verdachte daarover bestaande vrees objectief gerechtvaardigd zou zijn. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als de rechters zich vóór heropening hebben uitgelaten over de bewezenverklaring en de schuld van de verdachte. Als een afdoeningsvoorstel op een andere grond niet wordt gevolgd, bijvoorbeeld omdat de rechter onvoldoende informatie over de wijze van totstandkoming van de procesafspraak heeft gekregen teneinde invulling te geven aan toetsing daarvan, lijkt dat niet zonder meer aan een nieuwe behandeling met dezelfde rechters in de weg te hoeven staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadere begrenzing 9.27.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betekenis van de verklaringsvrijheid voor een eerlijk proces en de keuze van de wetgevende macht om af te zien van een vereenvoudigde procedure bij een bekentenis en van een wettelijk stelsel van plea bargaining, vormen zwaarwegende argumenten om bij het ontbreken van een specifieke wettelijke regeling bekentenissen geen onderdeel van procesafspraken te laten uitmaken. In die benadering kan een procesafspraak niet inhouden dat een bekentenis wordt afgelegd. Uiteraard kan het Openbaar Ministerie bij de afweging of het heil ziet in het maken van procesafspraken wel de procespositie van de verdachte betrekken. Daartoe behoort de omstandigheid dat de verdachte het ten laste gelegde al dan niet heeft bekend. Maar dat is iets anders dan dat de bekentenis onderdeel van de afspraken zou worden. Wel denkbaar is dat de verdediging in het kader van procesafspraken verklaart dat wordt afgezien van het voeren van bepaalde bewijsverweren en/of dat de afspraken mede inhouden dat het ten laste gelegde naar het oordeel van de officier van justitie en de verdediging bewijsbaar is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als een bekentenis geen onderdeel van procesafspraken is, kan de vraag of een bekennende verklaring van het bewijs moet worden uitgesloten als de procesafspraken niet worden gevolgd eenvoudig ontkennend worden beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afdoeningsvoorstellen hebben veelal betrekking op de oplegging van een bepaalde straf of maatregel. De wet sluit niet uit dat het Openbaar Ministerie en de verdediging in dit verband een gezamenlijk standpunt innemen. Daarbij kan echter niet worden afgedaan aan materiële en procedurele voorwaarden voor de toepassing van de desbetreffende sancties, zoals de eis van rapportage. De verkorte route van procesafspraken verdraagt zich meer in het algemeen bezwaarlijk met de oplegging van ingrijpende vrijheidsbenemende maatregelen, zoals de terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een afspraak tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, inhoudende dat zij geen rechtsmiddel zullen instellen indien het vonnis van de strafrechter overeenkomt met het gezamenlijke afdoeningsvoorstel, lijkt mij naar huidig recht niet mogelijk. Afstand van een rechtsmiddel tegen een bepaalde uitspraak kan slechts worden gedaan nadat die uitspraak is gewezen. Zelfs als een dergelijke rechtsmiddelenclausule wel zou worden opgenomen, staat deze niet in de weg aan ontvankelijkheid van het hoger beroep ingeval de verdachte niettemin dat rechtsmiddel aanwendt en grieven tegen het vonnis richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesafspraken zullen niet tot gevolg mogen hebben dat buiten de kaders wordt getreden die de wetgever voor vormen van buitengerechtelijke afdoening heeft gesteld. Te denken valt aan een ‘transactie’ die na de aanvang van de terechtzitting in eerste aanleg tot stand is gekomen (vgl. art. 74, eerste lid, Sr), waarna de rechter de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaart in de vervolging. Een dergelijke invulling van procesafspraken miskent naar mijn mening zowel het belang van de wettelijke begrenzing van de transactie als de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Iets soortgelijks geldt voor de tardief tot stand gekomen ‘ontnemingsschikking’. Een schikking als bedoeld in art. 511c Sv is mogelijk zolang het onderzoek op de terechtzitting in de ontnemingsprocedure niet is gesloten. Het gaat daarbij om de zitting in eerste aanleg; art. 511c Sv is op de procedure in hoger beroep niet van overeenkomstige toepassing verklaard. Wel denkbaar is dat het Openbaar Ministerie en de verdediging ook in de fase van hoger beroep overeenstemming bereiken over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting en het hof die schatting overneemt en dienovereenkomstig een betalingsverplichting oplegt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inachtneming van de wettelijke grenzen van de buitengerechtelijke afdoening betekent niet dat procesafspraken slechts mogelijk zijn voor feiten waarvoor bijvoorbeeld een transactie kan worden gesloten. Art. 74, eerste lid, Sr sluit een transactie uit voor misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar. Dezelfde grens geldt voor de strafbeschikking (art. 257a, eerste lid, Sv). Daarbij moet worden bedacht dat in die gevallen geen rechter in de zaak wordt betrokken. Dat is bij procesafspraken anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.34.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zie ook overigens geen aanknopingspunten voor het beperken van het toepassingsbereik van procesafspraken tot bepaalde categorieën strafbare feiten. De wetgever heeft het toepassingsbereik van toezeggingen aan getuigen beperkt tot de (samengevat) ernstiger misdrijven (art. 226g, eerste lid, Sv). Die beperking weerspiegelt de terughoudendheid die de wetgever heeft willen betrachten ten aanzien van het gebruik van het middel van toezeggingen aan getuigen. Dat is een rechtspolitieke afweging. Die is aan de wetgever voorbehouden. Nu het wettelijk systeem geen enkel aanknopingspunt biedt voor algemene regels ten aanzien van gevallen waarin procesafspraken kunnen worden toegepast, zal het eventueel afgrenzen van die mogelijkheid aan de wetgever moeten worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belangen van slachtoffers 9.35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesafspraken komen tot stand tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging. Het slachtoffer heeft daarbij geen ‘vetorecht’. Bij het maken van procesafspraken zullen belangen van het slachtoffer echter wel moeten worden meegewogen. Het slachtoffer heeft onder meer recht op informatie en recht op een correcte bejegening. Het ligt in de rede dat daaruit mede volgt dat het Openbaar Ministerie het slachtoffer op de hoogte dient te stellen van het voornemen tot het maken van procesafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorstel tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel en/of tot het toewijzen van de vordering van de benadeelde partij kan onderdeel uitmaken van de procesafspraken. Indien de procesafspraken strekken tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, zal de rechter deze in de regel aldus kunnen toewijzen. De intensiteit van de toetsing door de rechter is hier immers lichter dan bij de beantwoording van bijvoorbeeld de bewijsvraag. Daarvoor gelden immers de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het wordt gecompliceerder als het afdoeningsvoorstel van het Openbaar Ministerie en de verdachte behelst dat de vordering slechts gedeeltelijk wordt toegewezen of als de vordering van de benadeelde partij buiten de procesafspraken wordt gehouden. Ten aanzien van het gedeelte van de vordering waarover de procesafspraken zich niet uitstrekt, zal de rechter alsnog moeten beslissen aan de hand van de gebruikelijke criteria. Daartoe behoort ook de vraag of behandeling van het desbetreffende gedeelte van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Bij bevestigende beantwoording zal de rechter de benadeelde partij in (dat deel van) de vordering niet-ontvankelijk kunnen verklaren (art. 361, derde lid, Sv).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zittingsrechter die de procesafspraken toetst, zal daarbij moeten betrekken of de afspraken voldoende recht doen aan de belangen van het slachtoffer. Daarbij zal ook in aanmerking moeten worden genomen dat aan het slachtoffer bij bepaalde misdrijven spreekrecht ter terechtzitting toekomt (art. 51e Sv). De wet voorziet niet in een uitzondering op het spreekrecht voor gevallen waarin procesafspraken aan de orde zijn. Ook daarom is het van belang de procespositie van het slachtoffer in een vroeg stadium van de totstandkoming van procesafspraken te betrekken teneinde te beoordelen of de zaak zich leent voor procesafspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Medeverdachten 9.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Complicaties kunnen ook ontstaan als verdachten in samenhangende zaken terechtstaan, terwijl niet met alle verdachten procesafspraken zijn te maken. Uit Europese rechtspraak volgt dat in het licht van de onschuldpresumptie behoedzaamheid is geboden bij procesafspraken met verdachten waarin de betrokkenheid van andere verdachten, die afzonderlijk worden vervolgd, worden genoemd. Dat laat onverlet dat niet is uitgesloten dat slechts met enkele van de verdachten procesafspraken worden gemaakt. In complexe zaken waarin verschillende personen zijn betrokken die niet tegelijk kunnen worden vervolgd, kan ook in vonnissen tegen een of meer van de verdachten worden verwezen naar de betrokkenheid van individuen, ook als hun zaak nog moet worden behandeld. Die situatie verschilt ten aanzien van de onschuldpresumptie niet wezenlijk van gevallen waarin procesafspraken zijn gemaakt met een of meer van de verdachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het overzicht van de feitenrechtspraak bleek dat de omstandigheid dat slechts enkele van de verdachten in aanmerking komen voor procesafspraken niettemin in de weg kan staan aan die vorm van afdoening. Maar dat heeft een andere achtergrond. Doordat niet met alle verdachten afspraken kunnen worden gemaakt, kan de tijdwinst die met procesafspraken kan worden bereikt te beperkt worden om een dergelijk traject te kunnen rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Conclusies ten aanzien van de bestreden uitspraak van de rechtbank 10.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik keer terug naar de onderhavige zaak. Daarbij concentreer ik mij op het door de rechtbank gehanteerde toetsingskader.</p>\n<p class=\"lf-p\">De totstandkoming van de procesafspraken als zodanig 10.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderhavige zaak was de verdachte zelf niet aanwezig op het onderzoek ter terechtzitting. Zijn uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw was wel aanwezig. In het vonnis overweegt de rechtbank dat het “afdoeningsvoorstel” op zitting is besproken “en desgevraagd hebben de officier van justitie en de verdediging bevestigd achter dit voorstel te staan”. De rechtbank overweegt dat de officier van justitie heeft gerekwireerd overeenkomstig het afdoeningsvoorstel en dat de verdediging, bij de mogelijkheid tot pleidooi, geen verweer heeft gevoerd en heeft bevestigd zich te verenigen met het afdoeningsvoorstel. De rechtbank overweegt: “Daarmee is de rechtbank van oordeel dat zowel in het voortraject als ter zitting de belangen van de betrokkenen zijn geëerbiedigd en de juridische waarborgen, neergelegd in de strafvorderlijke regels, zijn nageleefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het voortraject zijn alle procespartijen betrokken geweest en heeft ook de verdediging zijn visie kenbaar kunnen maken.” Daarbij wijst de rechtbank ook op de rollen van de procesdeelnemers: “De advocaat behartigt de belangen van de verdachte. De taak van de rechtbank is het onafhankelijk en onpartijdig beslechten van geschillen en te bewerkstelligen dat enkel schuldigen bestraft worden en onschuldigen juist niet. Vanuit die rolverdeling mag ervan worden uitgegaan dat ook in het geval er in bijzondere omstandigheden tot afspraken gekomen wordt over een bepaalde wijze van afdoening van een strafzaak, de procesdeelnemers op grond van hun specifieke taak en belangenbehartiging komen tot een evenwichtig voorstel dat recht doet aan alle belangen waarbij de rechter vervolgens onafhankelijk en onpartijdig oordeelt over de zaak en het voorstel.” De rechtbank overweegt vervolgens dat op zitting elk van de partijen de gelegenheid is geboden naar voren te brengen wat nodig werd geacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee in dit geval ook voldaan aan het wettelijk vereiste van een eerlijke en controleerbare rechtsgang.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar mijn mening heeft de rechtbank haar taak in het kader van de judicial review te beperkt opgevat. De rechter zal immers niet alleen de inhoud maar ook de wijze van de totstandkoming van de procesafspraken moeten toetsen. Van deze toetsing zal de rechter in het vonnis blijk moeten geven.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door de nadruk te leggen op de door haar geschetste, algemene rolverdeling heeft de rechtbank blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ten onrechte heeft de rechtbank nagelaten als maatstaf te hanteren of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie over het feitencomplex dat aan de afspraken ten grondslag ligt en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beslissingen op de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv 10.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank overweegt terecht dat zij niet is gebonden aan het voorstel van het Openbaar Ministerie en de verdediging en dat zij de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv onverkort hanteert. Ook overweegt zij dat het onderzoek wordt heropend indien zij van oordeel is dat er op basis van het dossier onvoldoende grond bestaat voor een vaststelling van schuld, de kwalificatie van de feiten “evident niet aansluit” bij de inhoud van het dossier en de gekozen kwalificatie leidt tot miskenning van strafvorderlijke en maatschappelijke belangen, dan wel wanneer zij de voorgestelde straf niet passend acht. Hoewel de termen “evident niet aansluit” doen vermoeden dat de rechtbank hierbij doelt op een marginale toetsing, overweegt de rechtbank vervolgens dat het Wetboek van Strafvordering uitgaat van een “volwaardige beoordeling door de rechter”. In samenhang en welwillend gelezen, getuigt het oordeel van de rechtbank in zoverre niet van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het vervolg van het vonnis is echter niet in overeenstemming met de hiervoor weergegeven vooropstellingen. In voorkomende gevallen verzet het Wetboek van Strafvordering zich volgens de rechtbank niet tegen “een toets op redelijkheid van een afdoeningsvoorstel door de rechtbank”. De rechtbank houdt daarbij rekening met een verschil in uitkomst ten opzichte van de situatie waarin de zaak zonder gezamenlijk afdoeningsvoorstel wordt beoordeeld. Voor zover die mogelijke verschillen “niet leiden tot wezenlijke of principiële onjuistheden”, hoeven deze naar het oordeel van de rechtbank niet te leiden tot heropening van de zaak voor een uitvoerige inhoudelijke behandeling. Voor zover de rechtbank ervan uitgaat dat een toetsing op redelijkheid van het afdoeningsvoorstel volstaat, heeft zij een onjuiste maatstaf aangelegd en getuigt haar oordeel aldus van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens overweegt de rechtbank concreet ten aanzien van het bewijs dat de officier van justitie en de verdediging in het afdoeningsvoorstel bij een enkel feit hebben gekozen voor de bewezenverklaring van het mindere (subsidiaire) feit, terwijl op basis van de stukken in het dossier ook het meerdere (het primaire) feit bewezen verklaard zou kunnen worden. Dit is volgens de rechtbank “echter een ‘marginale’ afwijking”. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak voor het overige geen discrepanties in de beoordeling door partijen op een wezenlijk onderdeel van de tenlastelegging en bewezenverklaring. De rechtbank heeft vervolgens in de zaak 03/700050-14 overeenkomstig het afdoeningsvoorstel het subsidiair ten laste gelegde bewezen verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8.</p></div>", "next": 239184}