{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2020 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “137. De benadeelde partij heeft een bedrag aan materiele schadevergoeding gevorderd van € 1203,50, bestaande uit kosten van de psycholoog.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">138.</span>Uit het schade onderbouwingsformulier blijkt dat aangeefster door haar huisarts is verwezen naar een psycholoog. Naspeuring op internet leert mij dat hulpverlening door een GZ-psycholoog, zoals hier het geval was, na verwijzing door de huisarts door de zorgverzekering wordt vergoed. Onduidelijk is waarom dit bij aangeefster niet het geval was (antwoord 5a: geen schade vergoed).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">139.</span>Het is aan de benadeelde partij om haar civiele vordering te onderbouwen. Nu dit niet voldoende is gedaan dient de vordering te worden afgewezen.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.203,50. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering niet voldoende is onderbouwd en dat daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Het is onduidelijk waarom voor de benadeelde partij de hulpverlening door een GZ-psycholoog na verwijzing door de huisarts niet door de zorgverzekering is vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verzoek om schadevergoeding omvat de schade die het slachtoffer heeft geleden als gevolg van de inschakeling van een psycholoog die zij nodig had in het kader van de verwerking van hetgeen verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer hebben aangedaan. Het verzoek wordt begeleid door de declaraties van de kosten die de psycholoog aangeefster in rekening heeft gebracht. In de bijlagen bij het ingevulde schadeonderbouwingsformulier zijn de rekeningen per bezoek aan de psycholoog gespecificeerd. Daarbij is een verklaring van de psycholoog geleverd waarom de behandeling nodig was. De geleden schade is daarmee concreet onderbouwd. De betwisting van de raadsman, inhoudende dat onduidelijk is waarom de zorgverzekering de kosten niet heeft gedragen, is geen afdoende inhoudelijke betwisting. De vordering van de benadeelde partij ligt voor toewijzing gereed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het onderzoek ter terechtzitting is aldus naar het oordeel van het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.203,50. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof door te oordelen dat de geleden schade concreet is onderbouwd en de verdediging de vordering niet voldoende inhoudelijk heeft betwist, heeft miskend dat schade die al vergoed is door de verzekeraar niet nogmaals voor vergoeding in aanmerking kan komen en dat de reële mogelijkheid dat de schade reeds vergoed is aanleiding zou moeten zijn voor een onderzoek door de rechter.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>In het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij heeft de Hoge Raad, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen: “‘Rechtstreekse schade’ (art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b , Sv) 2.3.1 De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden. […] Schade 2.4.1 Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (art. 6:95, eerste lid, BW).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">a)</span>Vermogensschade (art. 6:96 BW) 2.4.2 Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Zij bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade. […] Beoordeling en beslissing rechter 2.8.1 Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.</div>\n<p class=\"lf-p\">2.8.2 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.8.3 In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 Rv) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. […] […] Beoordeling en beslissing rechter […] 8.6 Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">54.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheid dat de schade van een benadeelde partij reeds is vergoed door een verzekeringsmaatschappij brengt mee dat deze vergoeding op de voet van art. 6:100 BW wordt aangemerkt als voordeel en dient te worden verrekend met de gevorderde schadevergoeding. De benadeelde partij is echter niet verplicht om schade die door een verzekering wordt gedekt ook door de verzekeraar te laten vergoeden. Zij kan hiervan afzien en ervoor kiezen vergoeding van de schade door de verdachte te vorderen, bijvoorbeeld met het oog op het verlies van no-claimkorting bij de verzekering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Anders dan de steller van het middel meent, komt het oordeel van het hof dat de betwisting van de raadsman, inhoudende dat onduidelijk is waarom de zorgverzekering de kosten niet heeft gedragen, geen afdoende inhoudelijke betwisting is, mij niet onbegrijpelijk voor en was het hof, gelet op het navolgende, mijns inziens niet gehouden tot een nader onderzoek of de schade door de zorgverzekering was vergoed. Allereerst geldt dat de enkele mogelijkheid dat de kosten door de zorgverzekering kunnen worden vergoed, nog niet meebrengt dat ook in alle gevallen vergoeding van deze schade door de verzekeraar plaatsvindt. De benadeelde partij is, als gezegd, niet verplicht de schade door de verzekeraar te laten vergoeden. Verder neem ik in aanmerking dat het voegingsformulier inhoudt dat van de schade ten bedrage van € 1203,50 niets op andere wijze is of wordt vergoed, alsmede dat de schade die niet is of wordt vergoed en die in deze procedure wordt gevorderd € 1203,50 bedraagt. Ten slotte neem ik in aanmerking dat het gegeven dat de benadeelde partij een vergoeding vordert van de door haar geleden schade op zichzelf al veronderstelt dat de benadeelde partij deze schade niet (reeds) van haar zorgverzekeraar vergoed heeft gekregen of zal krijgen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">56.</span>Het hof heeft aan zijn oordeel dat de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de inschakeling van een psycholoog die zij nodig had in het kader van de verwerking van hetgeen verdachte en zijn medeverdachte haar hebben aangedaan, concreet is onderbouwd en dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing gereed ligt, ten grondslag gelegd dat het verzoek om schadevergoeding wordt begeleid door de declaraties van de kosten die de psycholoog de benadeelde partij in rekening heeft gebracht, dat de rekeningen per bezoek aan de psycholoog zijn gespecificeerd in de bijlagen bij het ingevulde schadeonderbouwingsformulier en dat daarbij een verklaring van de psycholoog is geleverd waarom de behandeling nodig was. Het oordeel van het hof dat de schade aldus concreet is onderbouwd en dat de vordering van de benadeelde partij voor toewijzing gereed ligt, geeft mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">57.</span>Het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie 58. De middelen falen. Het eerste, derde, vierde en vijfde middel kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Met weglating van voetnoten. Het weergegeven deel van de pleitnota lijkt ongelukkigerwijs onaangepast te zijn overgenomen uit de pleitnota van de raadsvrouw van de verdachte in de samenhangende zaak. De raadsman zal immers niet doelen op “feit 1 subsidiair”, maar op “feit 1 meer subsidiair” zoals dat in de onderhavige zaak door de rechtbank bewezen is verklaard. Verder zal bijvoorbeeld onder 104 “medeverdachte [verdachte] ” moeten worden gelezen als: medeverdachte [medeverdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC8366, NJ 1990/292 m.nt. Van Veen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag of sprake was van een persoon die aan het gezag van de ambtenaar was onderworpen is eveneens enkele malen in de rechtspraak van de Hoge Raad aan de orde gekomen. Ik wijs in dat kader op HR 9 maart 1948, ECLI:NL:HR:1948:67, NJ 1948/369, HR 5 maart 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8747, NJ 1991/530, en HR 27 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8274.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8602, NJ 1991/381 m.nt. Melai, rov. 5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie AG Fokkens (onder 8) voor HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8602, NJ 1991/381 m.nt. Melai.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0179, NJ 1995/620 m.nt. ’t Hart, rov. 7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3127.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot van Melai (onder 2) onder HR 9 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8602, NJ 1991/381.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de noot van ’t Hart (onder 5) onder HR 30 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0179, NJ 1995/620. Zie ook S.E. van den Brink &amp; S.M. Milani, Zedelijkheidswetgeving. Een overzicht en analyse van zedendelicten (Praktijkwijzer Strafrecht nr. 6), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 172-173, en A.J. Machielse in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, commentaar bij art. 249 Sr, aant. 6 (online, bijgewerkt tot en met 15 augustus 2018).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992/93, 22562, nr. 10, p. 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van voetnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2006/07, 30880, nr. 3, p. 45-46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1994, 275, p. 275-276.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de mogelijkheid van hulpverlening tegen de wil van de hulpbehoevende de conclusie van toenmalig AG Knigge (ECLI:NL:PHR:2010:BK3496, onder 19) voor HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3496, NJ 2010/177 m.nt. Buruma, en de conclusie van mijn ambtgenoot Aben (ECLI:NL:PHR:2019:1047, onder 21-23) voor HR 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1966, NJ 2020/238 m.nt. Reijntjes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van voetnoten. Ook hier geldt dat het weergegeven deel van de pleitnota ongelukkigerwijs onaangepast aan de omstandigheden van de onderhavige zaak lijkt te zijn overgenomen uit de pleitnota van de raadsvrouw van de verdachte in de samenhangende zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4794, NJ 2010/376 m.nt. N . Keijzer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 45 bij randnummer 67 van de pleitnota van de raadsman van de verdachte. Ik merk op dat zowel in randnummer 67 als in voetnoot 45 telkens kennelijk abusievelijk wordt gesproken over “cliënt”, terwijl gedoeld wordt op de medeverdachte [medeverdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, NJ 2019/379 m.nt. Vellinga.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met weglating van voetnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze verrekening of toerekening van voordeel onder meer C.H. Sieburgh, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 6. Verbintenissenrecht. Deel II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2021, randnummers 99 tot en met 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J. Candido e.a., Slachtoffer en de rechtspraak. Handleiding voor de strafrechtspraktijk, Den Haag: Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) 2017, p. 158.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Spronken (ECLI:NL:PHR:2019:641, onder 4.10) voor HR 24 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1422 (HR: art. 81.1 RO).</p></div>", "next": 0}