{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De missie van het maatschappelijk werk is kort gezegd: bevorderen dat mensen in onze samenleving tot hun recht komen, als mens en als burger. Maatschappelijk werkers streven ernaar dat mensen zich in wisselwerking met hun sociale omgeving zo goed mogelijk kunnen ontplooien, naar hun eigen aard, behoeften en opvattingen, en dat ze rekening houden met anderen met wie zij samenleven (Beroepsprofiel, NVMW 2006). (…) Problemen bespreekbaar maken Vragen of problemen kunnen cliënten bespreken in een of meer gesprekken met een maatschappelijk werker. Samen wordt gewerkt aan het vergroten van de mogelijkheden om die problemen op te lossen. De hulp die het maatschappelijk werk biedt is op vrijwillige basis. Er zijn geen kosten aan verbonden. Wat cliënten met de maatschappelijk werker bespreken, wordt uiteraard vertrouwelijk behandeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34 Sociaal Werk Nederland geeft de volgende omschrijving van ‘sociaal werk’: “Wat is sociaal werk?</p>\n<p class=\"lf-p\">Sociaal werkers ondersteunen mensen bij het oplossen van problemen in hun dagelijks leven, zodat zij (weer) deel uit kunnen maken van de maatschappij. Sociaal werkers werken in buurten en wijken met en voor buurtbewoners. Om de buurt leefbaarder, veiliger en leuker te maken. Ze helpen bewoners die hulp nodig hebben om mee te draaien in de snelle, veeleisende samenleving. Het sociaal werk zit overal in Nederland en is in elke gemeente actief.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35 De tekst van post b.29 biedt in mijn optiek ruimte voor een uitleg van het begrip ‘maatschappelijk werk’ die samenvalt met de uitleg van het begrip ‘nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid’ in artikel 132 lid 1 onder g) Btw-richtlijn. Uit de wetsgeschiedenis blijkt naar mijn mening niet dat de wetgever met post b.29 welbewust van de richtlijnbepaling heeft willen afwijken. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is dan vereist dat de diensten onontbeerlijk zijn voor het verrichten van handelingen op het gebied van maatschappelijk werk en sociale zekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 De Staatssecretaris betoogt in cassatie in de zaak 20/03777 in wezen het tegenovergestelde. Hij meent dat de beoordeling of de onderhavige vrijstelling van toepassing is, dient plaats te vinden aan de hand van het vigerende nationale wettelijke kader. Hij merkt op dat in het nationale wettelijke kader de toepassing van de vrijstelling van artikel 11 eerste lid onderdeel f Wet OB zich niet uitstrekt tot de nauw samenhangende leveringen en diensten. Dat betoog kan niet worden aanvaard, omdat de lidstaten niet de vrijheid hebben al dan niet een vrijstelling te verlenen voor de in artikel 132 lid 1 onder g) genoemde handelingen. De lidstaten zijn verplicht de vrijstelling verlenen. De lidstaten hebben enkel de vrijheid voorwaarden te stellen in het kader van de erkenning van de sociale aard van een instelling. Die voorwaarden kunnen niet zo ver gaan dat zij ertoe leiden dat bepaalde nauw met maatschappelijk werk en sociale zekerheid samenhangende leveringen en diensten van de vrijstelling worden uitgesloten. Het kan dus niet zo zijn dat Nederland met de opsomming van de instellingen in bijlage B de op grond van artikel 132 lid 1 onder g Btw-richtlijn vrijgestelde handelingen inperkt. Uit (de aanhef van ) artikel 7 lid 2 Uitv.besl. OB volgt overigens duidelijk dat dergelijke diensten wel degelijk onder het toepassingsbereik van artikel 11 lid 1 onderdeel f Wet OB en bijlage B bij het Uitv.besl. OB kunnen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37 Het betoog van de Staatsecretaris zou aldus kunnen worden gelezen dat hij meent dat Nederland met de regeling van artikel 11 lid 1 onderdeel f Wet OB in samenhang gelezen met artikel 7 lid 2 Uitv.besl. OB (individuele erkenning) heeft gehandeld binnen de hem toegekende beoordelingsbevoegdheid en dat de automatische erkenning van het eerste lid voor specifieke leveringen en diensten voor bepaalde gevallen een ruimhartiger regeling geeft dan waartoe Nederland volgens het Unierecht verplicht is. Daar valt in zijn algemeenheid wel iets voor te zeggen (zie mijn eerdere opmerkingen in 4.24). Als die redenering wordt gevolgd, en artikel 11 lid 1 onderdeel f Wet OB in samenhang gelezen met artikel 7 lid 1 Uitv.besl. OB en post b.29 van bijlage B puur nationaalrechtelijk moeten worden uitgelegd, zou het toepassingsbereik door de zeer algemene bewoordingen wel eens veel ruimer kunnen zijn dan bij een richtlijnconforme uitleg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38 Die redenering kan mijns inziens niet worden aanvaard. De nationale rechter heeft de plicht een nationale bepaling zo veel mogelijk richtlijnconform uit te leggen. Ik meen dat de tekst van post b.29 zo algemeen is geformuleerd en de bewoordingen van die post zo dicht in de buurt komen van de bewoordingen in artikel 132 lid 1 onder g) Btw-richtlijn, terwijl zoals al gezegd uit de wetsgeschiedenis niet volgt dat de nationale wetgever heeft willen afwijken van de richtlijnbepaling, dat een richtlijnconforme uitleg van die post is geboden. Een dergelijke uitleg brengt ook mee dat moet worden voldaan aan de randvoorwaarden die het Hof van Justitie heeft gegeven voor het bepalen van de sociale aard van de instelling. Dat de erkenning op verzoek van artikel 7 lid 2 Uitv.besl. OB dan in wezen overbodig is, omdat alle instellingen die als zodanig leveringen of diensten verrichten die nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, ongeacht of winst wordt beoogd, dan gebruik kunnen maken van post b.29, is het onvermijdelijke gevolg.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 Hier wreekt zich dat Nederland voor de nauw met maatschappelijk werk samenhangende prestaties niet het stramien van de Btw-richtlijn heeft gevolgd, maar heeft willen vasthouden aan een bepaling voor ‘sociaal-culturele’ prestaties en de erkenningssystematiek van sociaal-culturele instellingen, bestaande uit een lijst met automatisch erkende instellingen en daarnaast een erkenning op verzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Een richtlijnconforme uitleg (van het begrip ‘als zodanig’; zie 4.26) brengt verder mee dat bij de uitleg van post b.29 ook het bepaalde in artikel 134 onder b) Btw-richtlijn in acht moet worden genomen. Die bepaling staat de lidstaten niet toe de vrijstelling toe te passen indien in concurrentie wordt getreden met commerciële ondernemingen die handelingen verrichten die wél aan de btw zijn onderworpen (zie 3.4). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat het beginsel van fiscale neutraliteit, dat zijn neerslag vindt in de voornoemde richtlijnbepaling, meebrengt dat diensten die concurreren met wel aan de btw onderworpen handelingen van de vrijstelling zijn uitgesloten (zie 3.19).</p>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening 4.41 Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling van post b.33 moet sprake zijn van leveringen en diensten die als zodanig worden verricht door een instelling die werkzaam is op het gebied van schuldhulpverlening. De bewoordingen van deze post laten mijns inziens niet een richtlijnconforme uitleg toe. De uitleg van deze post vergt een nationale benadering.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42 In onderdeel 2 heb ik het terrein van de schuldhulpverlening verkend. Die verkenning werpt licht op de werkzaamheden die dienstverleners op het gebied van de schuldhulpverlening verrichten maar is niet per se doorslaggevend voor de uitleg van de bewoordingen van post b.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43 Post b.33 bevat geen definitie van het begrip ‘schuldhulpverlening’. Wel heeft de besluitgever post b.33 van een toelichting voorzien. Het ligt in de rede eerst aan de hand van deze toelichting te achterhalen wat de bedoeling van de besluitgever is geweest met de invoering van post b.33.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44 Met ingang van 1 januari 2006 is post 33 toegevoegd aan onderdeel b van bijlage B Uitv.besl. OB en zijn de leveringen en diensten als zodanig verricht door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening, met uitzondering van bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling vrijgesteld. De nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit van het Uitv.besl. OB vermeldt het volgende over post b.33: “De nieuwe post b.33 ziet op instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening. Het gaat hierbij met name om de activiteiten van de (gemeentelijke) kredietbanken die als zodanig zijn aangesloten bij de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Onder «schuldhulpverlening» vallen in de praktijk verschillende werkzaamhede[n], zoals budgetbegeleiding, budgetadvisering, budgetbeheer, schuldregeling in het kader van het minnelijke traject (waarbij een schuldenaar veelal door tussenkomst van een schuldregelaar op minnelijke wijze met zijn schuldeisers overeenstemming tracht te bereiken over het aflossen van zijn schulden) en de afgifte van een zogeheten WSNP-verklaring (Wet schuldsanering natuurlijke personen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Instellingen die op dit gebied werkzaam zijn, houden zich als zodanig bezig met verschillende aspecten van schuldhulpverlening, zoals het bieden van hulp bij het oplossen van problematische schuldsituaties, het voorkomen dat bij de betrokkenen wederom een problematische schuldsituatie ontstaat, en het vinden van een financiële oplossing voor problematische schuldsituaties. De vrijstelling is niet van toepassing op bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling. Voorts mist de vrijstelling toepassing als de diensten op het gebied van schuldhulpverlening al kunnen worden gerangschikt onder de bancaire vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, van de wet, zoals het verlenen van krediet voor schuldsanering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel de activiteiten op het gebied van schuldhulpverlening niet snel winstgevend zullen zijn, kunnen echter ook commerciële instellingen optreden als aanbieder van bepaalde activiteiten op het gebied van schulphulpverlening. Gelet hierop is de voorwaarde dat met de prestaties geen winst wordt beoogd vervallen (zie onderdeel E.8, derde alinea).”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45 Hoewel de (gemeentelijke) kredietbanken aangesloten bij de NVVK expliciet worden genoemd als instelling op het gebied van schuldhulpverlening, geven de woorden ‘met name’ aan dat post b.33 ook geldt voor andere instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening. Dit blijkt ook duidelijk uit het slot van de nota van toelichting, waarin de besluitgever aangeeft dat ook commerciële instellingen als aanbieder van activiteiten op het gebied van schuldhulpverlening kunnen optreden. Uit het gebruik van het woord ‘bepaalde’ volgt dat een aanbieder niet alle mogelijke activiteiten op het gebied van schuldhulpverlening hoeft te verrichten om van de vrijstelling gebruik te kunnen maken, maar dat het volstaat om een deel van die activiteiten te verrichten. Nu de nota van toelichting behalve de verwijzing naar de (gemeentelijke) kredietbanken geen aanwijzingen geeft welke instellingen als instelling op het gebied van schuldhulpverlening moeten worden beschouwd, maar juist voorbeelden geeft van type werkzaamheden die een dergelijk instelling verricht, dient mijns inziens de beoordeling of een belastingplichtige een instelling op het gebied van schuldhulpverlening is, te gebeuren aan de hand van de activiteiten die de belastingplichtige verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.46 De nota van toelichting bevat geen definitie van het begrip ‘schuldhulpverlening’, maar sluit - getuige de derde zin van het hiervoor opgenomen citaat - aan bij de werkzaamheden die daaronder ‘in de praktijk’ vallen. Als voorbeelden van werkzaamheden die in de praktijk onder schuldhulpverlening vallen noemt de nota van toelichting: budgetbegeleiding, budgetadvisering, budgetbeheer, schuldregeling in het kader van het minnelijke traject en de afgifte van een Wsnp-verklaring. Volgens de nota van toelichting houden de instellingen waarvoor post b.33 geldt zich als zodanig bezig met verschillende aspecten van schuldhulpverlening, zoals het bieden van hulp bij het oplossen van problematische schuldsituaties, het voorkomen dat bij de betrokkenen wederom een problematische schuldsituatie ontstaat en het vinden van een financiële oplossing voor problematische schuldsituaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze opsomming maak ik op dat het moet gaan om hulp bij problematische schulden. Omdat de nota dat begrip niet definieert, ligt het voor de hand voor de uitleg van het begrip ‘problematische schulden’ aansluiting te zoeken bij de uitleg die is gegeven in de wettelijke regelingen die gelden voor de schuldhulpverleningspraktijk. Volgens die regelingen is sprake van problematische schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen (zie punten 2.12 en 2.22).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47 Omdat in de praktijk ook preventie en nazorg (zie 2.5, 2.6, 2.11 en 2.13) en stabilisatie (zie 2.10, 2.18 en 2.19) onder schuldhulpverlening vallen en daarbij gebruik kan worden gemaakt van diensten van derden zoals budgetbeheer of beschermingsbewind (zie 2.15 en 2.18) en de besluitgever voor de uitleg van het begrip schuldhulpverlening verwijst naar ‘de praktijk’, meen ik dat de besluitgever ook heeft bedoeld hulp bij het voorkomen, verminderen of stabiliseren van problematische schuldsituaties onder ‘schuldhulpverlening’ te begrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Hoe pakt het uit voor de belanghebbenden?</p>\n<p class=\"lf-p\">5.1 Ingevolge artikel 132 lid 1 aanhef en onder g) Btw-richtlijn verlenen de lidstaten vrijstelling van btw voor diensten die (i) nauw samenhangen met maatschappelijk werk en sociale zekerheid en (ii) worden verricht door een publiekrechtelijk lichaam of een erkende instelling van sociale aard. De lidstaten hebben niet de vrijheid de begrippen ‘maatschappelijk werk’ en ‘sociale zekerheid’ in te vullen. Wat voorwaarde (ii) betreft beschikken de lidstaten over een zekere beoordelingsbevoegdheid. Bij de beoordeling van de sociale aard van de instelling moet met name rekening worden gehouden met ‘de duurzaamheid van het sociaal engagement’ van de dienstverrichter (zie onderdeel 3 en de samenvatting in 3.36-3.37).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarde (i) Nauwe samenhang met maatschappelijk werk en de sociale zekerheid 5.2 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat diensten ‘nauw samenhangen’ als bedoeld in artikel 132 lid 1 aanhef en onder g) Btw-richtlijn indien zij ‘onontbeerlijk’ zijn voor het verrichten van handelingen op het gebied van maatschappelijk werk en sociale zekerheid (zie 3.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 De belanghebbenden in de onderhavige zaken verlenen diensten op het gebied van budgetbeheer en/of inkomensbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering al dan niet met gebruikmaking van wettelijke beschermingsmaatregelen curatele, beschermingsbewind en mentorschap (zie 1.2). Van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of deze diensten een onontbeerlijke stap vormen bij de uitvoering van maatregelen op het gebied van maatschappelijk werk en sociale zekerheid dan wel andersoortig zijn (bijvoorbeeld zoals meer algemene activiteiten van bijstand of juridisch, financieel of ander advies (zie 3.20)). Hoewel dit een beoordeling van feitelijke aard vergt waarvoor in cassatie geen plaats is, valt in algemene zin wel het een en ander te zeggen over de werkzaamheden van de belanghebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Voor zover wordt opgetreden in de hoedanigheid van bewindvoerder, curator of mentor, zijn de aard van de werkzaamheden die moeten worden verricht en de omvang van de vergoeding wettelijk geregeld. Uit de wettelijke bepalingen volgt dat deze beschermers diensten verrichten ten behoeve van personen die (tijdelijk) niet in staat zijn ten volle hun (niet-)vermogensrechtelijke belangen waar te nemen door hun lichamelijke of geestelijke beperking (mentorschap en beschermingsbewind; zie 2.29 en 2.40) of door verkwisting of het hebben van problematische schulden (schuldenbewind; zie 2.29) en ten behoeve van personen die (tijdelijk) niet in staat zijn hun belangen behoorlijk waar te nemen of hun veiligheid of die van anderen in gevaar brengen, als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel gewoonte van drank- en drugsmisbruik en deze belangen niet met een meer passende en minder verstrekkende voorziening kan worden bewerkstelligd (curatele; zie 2.42). Gelet op het takenpakket van deze dienstverrichters ben ik van mening dat deze diensten een onontbeerlijke stap vormen bij de uitvoering van maatregelen op het gebied van maatschappelijk werk en sociale zekerheid. Deze diensten kunnen in mijn optiek worden geschaard onder ‘beschermingsbeheer’ waarvoor de lidstaten een vrijstelling van btw moeten verlenen, indien de diensten door een erkende instelling worden verricht.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Indien de bewindvoerder, mentor of curator, naast de werkzaamheden die hij verricht tegen betaling van de wettelijke forfaitaire beloning, meer algemene activiteiten van bijstand of juridisch, financieel of ander advies tegen een vergoeding verricht, zoals het verzorgen van de boekhouding van een bedrijf van de persoon die onder zijn bewind staat, vallen die diensten naar hun aard niet onder het toepassingsbereik van de vrijstelling (zie 3.18-3.20). Zo nodig moet dan een splitsing worden aangebracht tussen de vrijgestelde en belaste diensten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 De belanghebbenden verrichten ook diensten van budgetbeheer en/of inkomensbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering ten behoeve van personen die niet in staat zijn bepaalde (financiële) handelingen zelfstandig te verrichten en deze op vrijwillige basis tegen betaling uit handen geven aan een van de belanghebbenden, voor wie niet de wettelijke maatregel van bewindvoering, mentorschap of curatele is getroffen. Ook voor deze diensten geldt dat van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of deze diensten naar de aard een onontbeerlijke stap vormen bij de uitvoering van maatregelen op het gebied van maatschappelijk werk of met sociale zekerheid dan wel moeten worden aangemerkt als meer algemene activiteiten. Als zij soortgelijke diensten verrichten als de curator, bewindvoerder of mentor zal het naar verwachting geen onmogelijke opgaaf zijn aannemelijk te maken dat hun diensten een ‘onontbeerlijke stap’ vormen als hiervoor bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 De belanghebbenden zijn geen publiekrechtelijk lichaam, zodat voorts moet worden beoordeeld of aan voorwaarde (ii) is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorwaarde (ii) Erkende instelling van sociale aard 5.8 Nederland kent een regeling voor automatische erkenning van de sociale aard van een instelling (artikel 11 lid 1 onderdeel f in samenhang met artikel 7 lid 1 Uitv.besl. OB en bijlage B bij het Uitv.besl. OB) en een voor de individuele erkenning (artikel 11 lid 1 onderdeel f in samenhang met artikel 7 lid 2 Uitv.besl. OB).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.9 Voor zover ik heb kunnen nagaan, hebben de belanghebbenden in deze zaak niet om een individuele erkenning verzocht. Dat zal, naar ik vermoed, verband houden met de omstandigheid dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de ondernemer geen winst mag beogen. Mochten zij wel om een individuele erkenning hebben verzocht en de inspecteur deze erkenning heeft geweigerd, dan zal aan de hand van de criteria die daarvoor in de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn gegeven moeten worden nagegaan of de inspecteur de grenzen van de beoordelingsbevoegdheid heeft overschreden door de erkenning als instelling van sociale aard te weigeren (zie hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 In feitelijke instanties is enkel in geschil of de belanghebbenden in aanmerking komen voor een zogenoemde automatische erkenning. De belanghebbenden beroepen zich daarbij primair op post b.33 van bijlage B bij het Uitv.besl. OB en subsidiair op post b.29 van die bijlage. Ik start met b.29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Post b.29 5.11 Zoals ik in 4.38 heb uiteengezet, dient post b.29 naar mijn mening richtlijnconform te worden uitgelegd. Dat brengt mee dat de inspecteur de ‘automatische erkenning’ moet verlenen als de diensten naar de aard een onontbeerlijke stap vormen bij de uitvoering van maatregelen op het gebied van maatschappelijk werk of sociale zekerheid. Daarnaast moet worden voldaan aan de randvoorwaarden die het Hof van Justitie heeft gegeven voor het bepalen van de sociale aard van de instelling. In aanvulling daarop dient te worden beoordeeld of de diensten in hoofdzaak ertoe strekken aan de instelling extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen welke worden verricht in rechtstreekse mededinging met aan de heffing van belasting onderworpen handelingen van commerciële ondernemingen. Als dat laatste zo is, zijn de diensten van de vrijstelling uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Bij de beoordeling van de sociale aard van de instelling moet rekening worden gehouden met de doelstellingen die de instelling globaal beschouwd nastreeft en met de duurzaamheid van haar sociaal engagement (zie 3.26 e.v.). Die beoordeling is feitelijk van aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Voor zover wordt opgetreden als bewindvoerder, curator of mentor zijn de relevante feiten bekend, want de taken en vergoedingen zijn wettelijk geregeld. Deze brengen mijns inziens mee dat deze wettelijke vertegenwoordigers die werkzaamheden verrichten tegen betaling van de wettelijke jaarbeloning in zoverre blijk geven van een duurzaam sociaal engagement. De aanwijzingen die het Hof van Justitie heeft gegeven in zijn arrest EQ, met name die in de overwegingen 82 tot en met 85, gelden in nagenoeg gelijke mate voor deze wettelijke vertegenwoordigers.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 Verrichten deze dienstverleners aanvullende ‘meer algemene diensten van advies’ tegen een aanvullende vergoeding, dan is die vergoeding gewoon belast met omzetbelasting.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Indien een dienstverlener soortgelijke diensten verricht als een van de genoemde wettelijke vertegenwoordigers, tegen betaling van een vergoeding die in hoogte vergelijkbaar is met de jaarbeloning voor de wettelijke vertegenwoordigers en voorts sprake is van een vergelijkbare ‘duurzaamheid van het sociaal engagement’ van de dienstverrichter, dan gebiedt de fiscale neutraliteit dat ook de diensten van deze dienstverleners worden vrijgesteld. Het is immers vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat het beginsel van fiscale neutraliteit zich ertegen verzet dat soortgelijke goederen of diensten, dat wil zeggen diensten die met elkaar concurreren, voor de heffing van btw verschillend worden behandeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Hoewel Nederland blijkens de tekst van artikel 11 lid 1 aanhef onderdeel f Wet OB gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in artikel 133 onder a) Btw-richtlijn om instellingen die systematisch het maken van winst beogen uit te sluiten van de sociaal-culturele vrijstelling, vermeldt de aantekening bij bijlage B bij het Uitv.besl. OB dat deze voorwaarde niet geldt voor de instellingen als bedoeld in post b.29. Aan die instellingen kan dus niet worden tegengeworpen dat eventueel een dergelijk doel wordt nagestreefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Post b.33 5.17 Zoals gezegd verlenen de belanghebbenden in de onderhavige zaken diensten op het gebied van budgetbeheer en/of inkomensbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering al dan niet met gebruikmaking van wettelijke beschermingsmaatregelen curatele, beschermingsbewind en mentorschap. De vraag of de diensten van de belanghebbenden als schuldhulpverlening kunnen worden aangemerkt, is feitelijk van aard. Dat geldt ook voor de vraag of aan het ‘als zodanig’-vereiste is voldaan, dat inhoudt dat niet in concurrentie wordt getreden met commerciële ondernemingen die handelingen verrichten die wél aan de btw zijn onderworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Voor zover de belanghebbenden optreden als (schulden)bewindvoerder, mentor of curator kan ik daarover in algemene zin wel het een en ander opmerken, nu de taken en bevoegdheden van een dergelijke beschermer wettelijk zijn geregeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De (schulden)bewindvoerder en de vrijstelling voor schuldhulpverlening 5.19 Bewindvoering wordt zoals gezegd ingezet als beschermingsmaatregel voor de meerderjarige die (a) (tijdelijk) niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand of die (b) tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden (artikel 1:431 lid 1 BW). Ik verwijs naar hetgeen ik eerder heb opgemerkt over de beschermingsbewindvoerder (2.29 – 2.39).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 In 4.47 concludeerde ik dat onder schuldhulpverlening als bedoeld in post b.33 ook hulp bij het voorkomen, verminderen of stabiliseren van problematische schuldsituaties moet worden begrepen. Een bewindvoerder in een schuldenbewind verleent bij uitstek deze hulp. Bij een schuldenbewind wordt het takenpakket van de bewindvoerder uitgebreid tot het stabiliseren van problematische schuldsituaties in het kader van de toeleiding tot een minnelijke- of wettelijke schuldenregeling of voor personen die niet kunnen worden toegelaten tot de Wsnp. Hetzelfde geldt voor de ‘normale’ bewindvoerders die vóór de invoering van het schuldenbewind in 2014 feitelijk cliënten onder zich hadden met problematische schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 Ik kom dan ook tot de slotsom dat de werkzaamheden die een bewindvoerder in een schuldenbewind verricht tegen betaling van de wettelijke (additionele) beloning zijn vrijgesteld van omzetbelasting ingevolge post b.33. Het maakt daarbij niet uit welk beroep de bewindvoerder uitoefent.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat de Wsnp-bewindvoerder expliciet is uitgesloten van de vrijstelling voor schuldhulpverlening. De Wsnp-bewindvoerder en de schuldenbewindvoerder zijn mijns inziens geen gelijke gevallen. Waar de Wsnp-bewindvoerder er met name voor de schuldeisers is (hij ziet erop toe dat de schuldenaar zich maximaal inspant om zoveel mogelijk geld voor het aflossen van zijn schulden bij elkaar te sparen), is de schuldenbewindvoerder er met name voor de schuldenaar (zorgen dat de financiële zaken van de schuldenaar behoorlijk worden waargenomen).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23 Ook van een bewindvoerder in een standaardbewind kan mijns inziens worden gezegd dat hij hulp verleent bij het voorkomen van problematische schuldsituaties, aangezien bij personen die op de voet van artikel 1:431 lid 1 onderdeel a BW onder bewind worden gesteld de kans reëel zal zijn dat zij zonder de diensten van de bewindvoerder in een problematische schuldensituatie terechtkomen. Ook voor deze bewindvoerder kom ik dus tot de slotsom dat zijn werkzaamheden tegen betaling van de forfaitaire wettelijke beloning onder post b.33 vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 Hoewel Nederland blijkens de tekst van artikel 11 lid 1 aanhef onderdeel f Wet OB gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid in artikel 133 onder a) Btw-richtlijn om instellingen die systematisch het maken van winst beogen uit te sluiten van de sociaal-culturele vrijstelling, vermeldt de aantekening bij bijlage B bij het Uitv.besl. OB dat deze voorwaarde niet geldt voor instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening. Aan de instellingen kan dus niet worden tegengeworpen dat eventueel een dergelijk doel wordt nagestreefd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De mentor 5.25 De mentor houdt zich niet bezig met de financiële zaken van de betrokkene, maar enkel met zijn persoonlijke, niet-financiële zaken (zie 2.40 voor een nadere omschrijving). Deze werkzaamheden houden geen verband met schuldhulpverlening. De mentor kan daarom geen gebruikmaken van post b.33 van bijlage B Uitv.besl. OB.</p>\n<p class=\"lf-p\">De curator 5.26 De curator verricht de activiteiten van zowel een bewindvoerder als een mentor en de wettelijke vergoeding die de curator toekomt is gelijk aan 90% van de som van de jaarbeloningen van de (schulden)bewindvoerder en de mentor (zie 2.42 e.v.). Bij curatele worden behalve de financiële belangen ook de persoonlijke belangen behartigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27 Omdat het gaat om een ondeelbare economische prestatie, waarbij beide elementen op hetzelfde niveau moeten worden geplaatst, moet de prestatie van de curator in haar geheel in aanmerking worden genomen. Derhalve valt de prestatie van de curator niet binnen post b.33 van bijlage B Uitv.besl. OB.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Tot slot In de afzonderlijke conclusies bespreek ik de bijzonderheden van de specifieke zaken van de belanghebbenden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De schuldsaneringsregeling natuurlijke personen zoals opgenomen in titel III van de Faillissementswet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 24 maart 2016, kenmerk DGB/2016/1066 U.</p>\n<p class=\"lf-p\">Standpunt van de Kennisgroep van 21 oktober 2014, nr. 14-210-0005, getiteld ‘Omzetbelasting. Artikel 11, lid 1, onderdeel f Wet; Artikel 7 Uitvoeringsbesluit; Bijlage B, post b-33; beschermingsbewind’. Dit standpunt is ingenomen naar aanleiding van een vraag van de inspecteur over de casus van de zaak met nummer 20/02581, zie het verweerschrift in eerste aanleg van de inspecteur, punt 3.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik bedoel daarmee onder meer personen met een verstandelijke beperking, personen met een verslaving aan alcohol of drugs, psychiatrische patiënten, dementerenden en personen met problematische schulden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2005/06, 24 515, nr. 71, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2005/06, 24 515, nr. 71, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2005/06, 24 515, nr. 71, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2005/06, 24 515, nr. 71, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2004/05, 24 515, nr. 59, bijlage 1, pp. 7-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2005/06, 24 515, nr. 71, pp. 6, 7, 8, 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2005/06, 24 515, nr. 71, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2005/06, 24 515, nr. 71, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2005/06, 24 515, nr. 71, p. 15, handreiking p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Schut &amp; E. Turlings, Integrale schuldhulpverlening, handreiking voor gemeenten en uitvoerende instanties, Utrecht: Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening en StimulanSZ 2004, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Schut &amp; E. Turlings 2004, p. 20-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Schut &amp; E. Turlings 2004, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2007/08, 24 515, nr. 140, bijlage 3, p. 17 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2007/08, 24 515, nr. 140, bijlage 3, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 6, 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artikel 3a Wgs (tekst 2020) Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Kranendonk-von Weersch &amp; G.A Le Noble, PS-special: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening 2014, Deventer: Kluwer 2014, Inspectie SZW (2020), Uitvoering schuldhulpverlening nader bekeken, nota van bevindingen, Den Haag, N. Jungmann &amp; G. Kruis, Het verhaal achter de cijfers, de doorstroming van de minnelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsanering, Amsterdam 2014.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Kranendonk-von Weersch e.a. 2014, p. 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Kranendonk-von Weersch e.a. 2014, p. 58, N. Jungmann e.a. 2014, p. 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inspectie SZW (2020), Uitvoering schuldhulpverlening nader bekeken, nota van bevindingen, Den Haag, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 11. https://www.nen.nl/certificatie-en-keurmerken-schuldhulpverlening K. Kranendonk-von Weersch e.a. 2014, p. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">K. Kranendonk-von Weersch e.a. 2014, p. 69, Inspectie SZW (2020), Uitvoering schuldhulpverlening nader bekeken, nota van bevindingen, Den Haag, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toelatingseisen zijn opgenomen in artikel 288 lid 1 Fw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Van Peursem 30 november 2016, 16/02831, ECLI:NL:PHR:2016:1434.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. de Boer, W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 1. Personen- en familierecht. Deel I. De persoon, afstamming en adoptie, gezag en omgang, levensonderhoud, bescherming van meerderjarigen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 681.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van 4 november 2014, Stcrt. 2014, 32149, p. 6 Assers 2020, p. 736.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2011/12, 33 054, nr. 3, p.30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanbevelingen meerderjarigenbewind LOVCK&amp;T 30 mei 2013 Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van 4 november 2014, Stcrt. 2014, 32149, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van 4 november 2014, Stcrt. 2014, 32149, p. 12-13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2011/12, 33 054, nr. 3, p. 6 en 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van 4 november 2014, Stcrt. 2014, 32149, p. 14-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. de Boer, W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 1. Personen- en familierecht. Deel I. De persoon, afstamming en adoptie, gezag en omgang, levensonderhoud, bescherming van meerderjarigen, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 758.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren van 4 november 2014, Stcrt. 2014, 32149, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren, Stb. 2014, 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer HvJ 15 november 2012, Zimmermann, C-174/11, ECLI:EU:C:2012:716 (conclusie A-G Mazák), punt 22; HvJ 15 april 2021, EQ, C-846/19, ECLI:EU:C:2021:277 (conclusie A-G Pitruzzella), punt 57; en HvJ 13 januari 2022, Termas Sulfurosas de Alcafache, C‑513/20, ECLI:EU:C:2022:18, punt 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 21 januari 2016, Les Jardins de Jouvence, C-335/14, ECLI:EU:C:2016:36 (conclusie A-G Bot), punt 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 26 mei 2005, Kingscrest Associates en Montecello, C-498/03, ECLI:EU:C:2005:322 (A-G Ruiz-Jarabo Colomer), punt 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kingscrest Associates en Montecello, punt 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 8 oktober 2020, Finanzamt D, C-657/19, ECLI:EU:C:2020:811.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 10 september 2002, Kügler, C-141/00, ECLI:EU:C:2002:473 (conclusie A-G Tizzano), punt 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Les Jardins de Jouvence, punt 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook conclusie A-G Pitruzzella 14 januari 2021, EQ, C-846/19, ECLI:EU:C:2021:17, punt 47 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HvJ 28 juli 2016, Ordre des barreaux francophones en germanophone e.a., C-543/14, ECLI:EU:C:2016:605 (conclusie A-G Sharpston).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. Les Jardins de Jouvence, punt 46 en Kügler, punt 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 15 april 2021, C-846/19, EQ, ECLI:EU:C:2021:277 (conclusie A-G Pitruzzella).</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 61 van het arrest in samenhang met punt 52-57 van de conclusie van A-G Pitruzzella van 14 januari 2021, C-846/19, ECLI:EU:C:2021:277.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 30 e.v. van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gerechtshoven hebben niet vastgesteld welke vergoeding tegenover de door de belanghebbenden verrichte werkzaamheden staat, zodat daarover ook weinig valt te zeggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punten 63 en 65 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Punt 66 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 7 september 1999, C-216/97, Gregg, ECLI:EU:C:1999:390 (conclusie A-G Cosmas), punten 17 en 18; Zimmermann, punt 57; EQ, punt 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kingscrest Associates en Montecello, punt 49.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kügler, punt 54.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kügler, punt 55.</p>\n<p class=\"lf-p\">EQ, punt 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kügler, punt 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">EQ, punt 81.</p>\n<p class=\"lf-p\">O.m. Kügler, punt 58; Les Jardins de Jouvence, punt 35; Finanzamt D, punt 44 en EQ, punt 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 28 juli 2016, Ordre des barreaux francophones en germanophone e.a., C-543/14, ECLI:EU:C:2016:605 (conclusie A-G Sharpston).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 17 juni 2010, Commissie/Frankrijk, C-492/08, ECLI:EU:C:2010:348 (conclusie A-G Jääskinen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJ 26 mei 2005, Kingscrest Associates en Montecello, C-498/03, ECLI:EU:C:2005:322 (A-G Ruiz-Jarabo Colomer), punt 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 220, nr. 3, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Kennisgroep Omzetbelasting: Vrijstellingen, Overheid en Landbouwregeling (zie voetnoot 3) meent dat voor de toepassing van de vrijstelling van post b.33 wel de voorwaarde geldt dat de vrijstelling niet mag leiden tot ernstige concurrentieverstoring. Zie p.3 van het bindende advies.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die negatieve lijst was vóór 1 januari 2016 opgenomen in lid 6 van artikel 7 van het Uitv.besl. OB. Lid 6 en lid 7 van die bepaling zijn met ingang van 1 januari 2016 komen te vervallen. Zie artikel V van het Besluit van 23 december 2015 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen, Stb. 2015, nr. 544.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Den Haag, 29 mei 2018, SGR 17/7234, ECLI:NL:RBDHA:2018:6319 hanteert een ander criterium. Volgens de rechtbank houdt dit begrip in dat instellingen volgens de vastgelegde statuten en/of doelen de feitelijke activiteiten verrichten op sociaal en/of cultureel gebied.</p>\n<p class=\"lf-p\">De omstandigheid dat een activiteit van sociale aard niet de essentiële activiteit is hoeft ook vanuit Unierechtelijk perspectief niet per se afbreuk te doen aan de sociale aard van de onderneming. Een richtlijnconforme uitleg brengt mee dat de concrete omstandigheden van het betrokken geval moeten worden onderzocht en dat de rechter bij de beoordeling van de sociale aard van de onderneming bijvoorbeeld ook de doelstelling die de ondernemer nastreeft en de duurzaamheid in zijn sociaal engagement in aanmerking moet nemen (zie 3.22 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997/98, 24 515, nr. 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 15 december 2005, Stb. 2005, 687, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers in artikel 11 lid 1 aanhef en onderdeel f Wet OB worden de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen leveringen en diensten van sociale of culturele aard vrijgesteld van omzetbelasting, artikel 7 lid 1 Uitv.besl. OB wijst als leveringen en diensten van sociale of culturele aard aan de in bijlage B bij het Uitv.besl. OB genoemde leveringen en diensten en die bijlage noemt de leveringen en diensten van bepaalde instellingen, in dit geval de leveringen en diensten van instellingen voor algemeen maatschappelijk en bedrijfsmaatschappelijk werk (post b.29) en instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening (post b.33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 31 mei 1995, Stb. 1995, 299.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 15 december 2005, Stb. 2005, 687, p. 14-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. Schmidt, JP van den Toren, M de Wal, Ondernemende brancheorganisaties; balanceren tussen belangen 2003, p. 33. https://www.zorgwelzijn.nl/mogroep-jeugdzorg-wordt-jeugdzorg-nederland-zwz016566w/?ipaccess=1?ipaccess=1 https://www.kinderopvangtotaal.nl/nieuw-brancheorganisatie-kinderopvang-kind716358w/ https://www.sociaalwerknederland.nl/actueel/nieuws/4880-naamswisseling-mogroep-wordt-sociaal-werk-nederland Wel is er een aantal uitspraken van lagere rechters waarin de vrijstelling voor maatschappelijk werk aan de orde komt: o.m. Rechtbank Gelderland, 21 december 2017, AWB 16/5020, ECLI:NL:RBGEL:2017:6613 (artikel 7, lid 2, Uitv.besl. OB); Rechtbank Leeuwarden, 22 juni 2006, 05/223, ECLI:NL:RBLEE:2006:AX9547 (post b.29; tekst tot 2006) en Hof Den Haag, 5 maart 2019, BK-18/00767, ECLI:NL:GHDHA:2019:548 (post b.29; tekst m.i.v. 2006). https://www.sociaalwerknederland.nl/actueel/nieuws/4004-nieuwe-naam-voor-de-beroepsvereniging-van-sociaal-werkers https://www.bpsw.nl/professionals/maatschappelijk-werkers/wat-is-maatschappelijk-werk/ https://www.sociaalwerknederland.nl/over-ons/wat-is-sociaal-werk Beroepschrift in cassatie in de zaak met nummer 20/03777. Hij merkt dat overigens op in verband met de beoordeling van de vraag of de werkzaamheden onder post b.33 vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 15 december 2005, Stb. 2005, 687, p. 14-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. EQ.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 10 november 2011, The Rank Group, C-259/10, ECLI:EU:C:2011:719, punt 32 en de daar genoemde rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. EQ, punten 74 en 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. EQ, punten 74 en 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ 19 juli 2012, Deutsche Bank, C-44/11, ECLI:EU:C:2012:484 (conclusie A-G Sharpston), punt 43.</p></div>", "next": 0}