{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie uitgebreid daarover mijn conclusie onder 2.10 e.v. vóór HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, NJ 2019/225 m.nt. L.C.A. Verstappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de beschrijving van de zaak rov. 3.1 en rov. 3.2.2 van het arrest, vindplaats hiervoor, alsmede de inleiding van mijn conclusie voor dit arrest en de noot van Verstappen bij het arrest onder 2 en 3. Zie ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent van 14 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:34, onder 3.35-3.37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, NJ 2019/225 m.nt. L.C.A. Verstappen, rov. 3.22 en de noot van Verstappen onder 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook P. Blokland, ‘Roma locuta: de Hoge Raad geeft uitsluitsel over uitsluitingsclausule, consumptie en reprise’, FTV 2019/27, p. 10, die schrijft: “Daarnaast valt op dat de Hoge Raad de repriseregeling enigszins buitenwettelijk toepast. Waar in rov. 3.3.2 wordt aangegeven ‘Het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW brengt dan mee dat de vrouw als gevolg van deze vermogensverschuiving in beginsel jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag (vgl. art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 (voorheen lid 3) BW)’ is wel sprake van een redenering pour besoin de la cause. Je kunt je namelijk afvragen of het enkele ‘parkeren’ van het privé-geld op de en/of-rekening op grond van genoemde artikelen wel leidt tot het ontstaan van een reprise.</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, er is op het moment van de storting geen sprake van de verkrijging van een nieuw gemeenschapsgoed dat met privé-middelen is gefinancierd (art. 1:95 lid 2 BW) en ook wordt op dat moment nog geen gemeenschapsschuld uit privé-vermogen voldaan (art. 1:96 – thans – lid 4 BW). De Hoge Raad geeft wel aan dat er al op het moment van de storting een reprise ontstaat, maar neemt daarmee in feite een voorschot op wat er later is gebeurd, want volgens de letter van art. 1:96 – thans – lid 4 BW ontstaat de reprise pas als er – met het gestorte geld – gemeenschapsschulden zijn voldaan. Er lijkt dus sprake te zijn van een reprise sui generis, die on[t]staat doordat privé-vermogen op andere wijze dan via de verkrijging van een gemeenschapsgoed of de betaling van een gemeenschapsschuld aan de gemeenschap ten goede komt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">R.E. Brinkman, ‘De uitsluitingsclausule op het scherp van de snede’, WPNR 2019/7243, p. 467.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstappen is kritisch op deze overweging en merkt in zijn NJ-annotatie onder het arrest, onder 8, op dat de Hoge Raad zich wellicht baseert op art. 1:84 lid 2 BW (‘jegens elkaar verplicht’), maar dat die bepaling ziet op de fourneerplicht en niet op de draagplicht. De draagplicht vloeit rechtstreeks voort uit lid 1 en is zeker een verplichting die volgens Verstappen kan resulteren in een vordering die aan de gemeenschap toekomt. Zie in die kritische zin ook C.A. Kraan &amp; S.H. Heijning, Handboek huwelijksvermogensrecht. (Boom masterreeks), Den Haag: Boom Juridisch 2022/1.4, p. 37-38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verstappen verwijst in zijn annotatie onder 14 naar HR 22 mei 1987, NJ 1988/231, m.nt. E.A.A. Luijten (Ridder te voet) en HR 29 april 1994, NJ 1995/561 (Doktersvrouw).</p>\n<p class=\"lf-p\">NJ-annotatie onder het arrest, onder 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Blokland, ‘Roma locuta: de Hoge Raad geeft uitsluitsel over uitsluitingsclausule, consumptie en reprise’, FTV 2019/27, p. 13. Zo ook B.E. Reinhartz, ‘De Hoge Raad hakt de knoop door: wel een reprise als met privégeld consumptieve uitgaven zijn betaald’, JBN 2019/25, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Blokland, ‘Roma locuta: de Hoge Raad geeft uitsluitsel over uitsluitingsclausule, consumptie en reprise’, FTV 2019/27, p. 13-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blokland schrijft hier in een voetnoot: “Wat meer is, de gemiddelde schenker/testateur gaat er vanuit dat dit ‘op is op’-beginsel van rechtswege geldt en is tamelijk verbaasd als hij (m/v) hoort dat dat niet zo is.”</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Blokland, ‘Roma locuta: de Hoge Raad geeft uitsluitsel over uitsluitingsclausule, consumptie en reprise’, FTV 2019/27, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook voetnoot 13 van de annotatie van A.J.M. Nuytinck bij HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, in AA20190384, p. 387. Zie kritisch over oneigenlijke vermenging bij samengekomen soortzaken: E. Koops, ‘Vermenging is een vat vol tegenstrijdigheden’, AA 2015, p. 964. Koops acht het onderscheid tussen eigenlijke en oneigenlijke vermenging arbitrair en meent dat oneigenlijke vermenging eigenlijk vermenging is en gewoon in de wet is geregeld, en wel in art. 5:15 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Blokland, ‘Roma locuta: de Hoge Raad geeft uitsluitsel over uitsluitingsclausule, consumptie en reprise’, FTV 2019/27, p. 10, onder verwijzing naar HR 12 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC2286, NJ 1968/274.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 18; T.M. Subelack, ‘Huwelijksgemeenschap, vergoedingsrechten en bankrekening’, FJR 2022/29; B. Breederveld, ‘Vergoedingsrechten en de huwelijksgemeenschap: een nadere beschouwing’, REP 2019/503, p. 38; R.E. Brinkman, ‘De uitsluitingsclausule op het scherp van de snede’, WPNR 2019/7243, p. 466-467; C.M. Mellema &amp; E.G. de Jong, ‘De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?’, REP 2019/504, p. 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige voetnoot. Blokland lijkt er echter betekenis aan te hechten dat de Hoge Raad het oordeel van het hof over vermenging op de en/of-rekening zonder enig voorbehoud overneemt, hetgeen volgens hem bijvoorbeeld uitsluit dat de bankrekening of een deel daarvan tot het privé-vermogen van de vrouw is blijven behoren (zoals in de bespreking van het arrest door Brinkman als vraag wordt opgeworpen). Zie P. Blokland, ‘Roma locuta: de Hoge Raad geeft uitsluitsel over uitsluitingsclausule, consumptie en reprise’, FTV 2019/27, p. 10 (voetnoot 13), onder verwijzing naar R.E. Brinkman, ‘De uitsluitingsclausule op het scherp van de snede’, WPNR 2019/7243.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik laat het vraagstuk hoe om te gaan met (het saldo van) de voorhuwelijkse bankrekening van een van de echtgenoten (niet deel uitmakende van de beperkte gemeenschap van goederen) en bij- en afschrijvingen op die rekening tijdens het bestaan van de beperkte gemeenschap van goederen op deze plek buiten beschouwing.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie B. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding (diss. Amsterdam VU), Den Haag: Boom Juridisch 2008, p. 250-251; en B. Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen in verband met echtscheiding (Recht en Praktijk nr. PFR2), Deventer: Kluwer 2011, p. 82 en 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.A. Kraan, ‘Bankrekening en uitsluitingsclausule’, EB 2000/1, p. 2. Zie ook C.A. Kraan &amp; S.H. Heijning, Handboek huwelijksvermogensrecht. (Boom masterreeks), Den Haag: Boom Juridisch 2022/4A.2, p. 132.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie B. Breederveld, ‘De bankrekening, de huwelijksgemeenschap en echtscheiding’, WPNR 2014/7006. Zie verder bijvoorbeeld ook C.M. Mellema, ‘De uitsluitingsclausule bij vermenging van vermogens’, REP 2014/306, p. 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Breederveld, ‘De bankrekening, de huwelijksgemeenschap en echtscheiding’, WPNR 2014/7006, p. 151. Zie ook p. 154 waar hij schrijft: “Uitsluitend indien de echtgenoot in verband met zijn aanspraken als erfgenaam uit een erfenis of krachtens een gift, waaraan een uitsluitingsclausule is verbonden, een bedrag heeft ontvangen, waarvoor hij een afzonderlijke bankrekening heeft geopend en het bedrag op die rekening (als eerste saldo) is bijgeschreven, zal dit saldo tot het privévermogen van de echtgenoot (blijven) behoren en vindt er geen vermogensverschuiving plaats, evenals wanneer een bijschrijving van deze aanspraak plaatsvindt op een bestaande bankrekening die reeds tot het privévermogen van de betreffende echtgenoot behoort.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Breederveld merkt hier in een voetnoot op: “Nadat de bankrekening als privévordering is ontstaan, kan dit goed niet meer “overvliegen” van privé naar gemeenschap of omgekeerd.” Hier wordt echter ook wel anders over gedacht; zie bijvoorbeeld C.M. Mellema &amp; E.G. de Jong, ‘De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?’, REP 2019/504, p. 42, die in het vervolg ook worden aangehaald op dit punt.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.H.M. Zonnenberg, ‘Vergoedingsvordering en zaaksvervanging’, EB 2013/60.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: Heida e.a., EB Klassiek 2018, p. 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.M. Mellema &amp; E.G. de Jong, ‘De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?’, REP 2019/504, p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 januari 1968, ECLI:NL:HR:1968:AC2286, NJ 1968/274.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.M. Mellema &amp; E.G. de Jong, ‘De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?’, REP 2019/504, p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitgebreid daarover mijn conclusie onder 2.12 e.v. vóór HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, NJ 2019/225 m.nt. L.C.A. Verstappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: Heida e.a., EB Klassiek 2018, p. 75.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Blokland, ‘Roma locuta: de Hoge Raad geeft uitsluitsel over uitsluitingsclausule, consumptie en reprise’, FTV 2019/27, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Blokland, ‘Roma locuta: de Hoge Raad geeft uitsluitsel over uitsluitingsclausule, consumptie en reprise’, FTV 2019/27, p. 13-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blokland geeft in voetnoot 37 een tekstvoorstel voor een dergelijke nuancering. Zie voor andere tekstvoorstellen (waaronder voor het geval een dat de schenker/testateur de uitsluitingsclausule juist niet wil nuanceren): H. de Jonge, ‘De uitsluitingsclausule en gemeenschapsvermogen: voorkomen is beter dan genezen!’, JBN 2018/25, p. 15-16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blokland wijst in een voetnoot erop, met verdere verwijzing naar literatuur, dat over de mogelijkheid van een obligatoir voorwaardelijke uitsluitingsclausule communis opinio bestaat, maar dat over de mogelijkheid van een goederenrechtelijk voorwaardelijke uitsluitingsclausule nog niet iedereen het eens is. Zie recentelijk over dit vraagstuk (met eveneens veel verwijzing naar literatuur) bijvoorbeeld C.C.M. van Oorschot, ‘Goederenrechtelijke of verbintenisrechtelijke werking van de voorwaardelijke uitsluitingsclausule’, WPNR 2022/7354, p. 29-38.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: Heida e.a., EB Klassiek 2018, p. 78. Zie naast deze bijdrage ook: T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021; en T.M. Subelack, ‘De verknochtheid van een ontslagvergoeding’, REP 2018/281, p. 48-49. Zie verder voor een vergelijkbare visie (niet per definitie vermenging) ook: B. Breederveld, ‘Vergoedingsrechten en de huwelijksgemeenschap: een nadere beschouwing’, REP 2019/503, p. 38-39; R.E. Brinkman, ‘De uitsluitingsclausule op het scherp van de snede’, WPNR 2019/7243, p. 466-467; C.M. Mellema &amp; E.G. de Jong, ‘De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?’, REP 2019/504, p. 42 en 46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie vorige voetnoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259, rov. 4.1.5 en 4.3.7; zie ook T.M. Subelack, ‘De verknochtheid van een ontslagvergoeding’, REP 2018/281, p. 48-49.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 15-17.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Breederveld, ‘Vergoedingsrechten en de huwelijksgemeenschap: een nadere beschouwing’, REP 2019/503, p. 38.</p>\n<p class=\"lf-p\">Breederveld verwijst naar zijn bijdrage ‘De bankrekening, de huwelijksgemeenschap en echtscheiding’, WPNR 2014/7006, p. 152.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘De verknochtheid van een ontslagvergoeding’, REP 2018/281, p. 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 19-20, met verdere verwijzing naar literatuur. Zie verder uitgebreid over de juridische kwalificatie en rechtsgevolgen van een bankrekening en girale betaling: T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: Heida e.a., EB Klassiek 2018, p. 78-82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subelack verwijst in een voetnoot naar F.H.J. Mijnssen, De rekening-courantverhouding (Monografieën Privaatrecht, deel 15) Deventer: Wolters Kluwer 2010, p. 18. Zie voor een meer recente druk: F.H.J. Mijnssen &amp; A.I.M. van Mierlo, De rekening-courantverhouding (Mon. Pr. nr. 15) 2019/4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subelack verwijst hier in een voetnoot onder meer naar C.J. van Zeben, J.W. du Pon &amp; M.M. Olthof (red.). Parlementaire Geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 518, waar letterlijk wordt opgemerkt: 'De in het saldo begrepen afzonderlijke vorderingen blijven voortbestaan. [...].' Subelack verwijst naar HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259, rov. 4.1.5 en 4.3.7 en naar zijn bijdrage ‘De verknochtheid van een ontslagvergoeding’, REP 2018/281, p. 48-49.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 23-24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subelack merkt in een voetnoot het volgende op: “Daaraan doet niet af dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 5 april 2019 (HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504) heeft geoordeeld dat [uit] de regel van artikel 1:94 lid 5 oud BW - dat alle schulden van ieder van de echtgenoten tot de huwelijksgemeenschap behoren, met uitzondering van de in dat artikel onder sub a) en b) genoemde schulden en van de in artikel 1:94 lid 3 oud BW bedoelde schulden die aan een van de echtgenoten zijn verknocht - het vermoeden volgt dat de tijdens het bestaan van de huwelijksgemeenschap uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn. In de door mij geschetste situatie is de schuld immers niet voldaan met gemeenschapsmiddelen, maar juist met privémiddelen van de echtgenoot die stelt een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap te hebben.”</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">B. Breederveld, ‘Vergoedingsrechten en de huwelijksgemeenschap: een nadere beschouwing’, REP 2019/503, p. 38-39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Breederveld verwijst naar Mijnssen, ‘De rekening-courantverhouding’, Monografieën Privaatrecht, 2010, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Breederveld verwijst ter vergelijking naar HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0957; HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Giraal goed, vergoeden moet?’, in: Actuele ontwikkelingen in het familierecht. UCERF-reeks deel 15, Ars Aequi Libri 2021, p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Subelack, ‘Huwelijksgemeenschap, vergoedingsrechten en bankrekening’, FJR 2022/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Holland 1 april 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2447, RFR 2020/115, rov. 2.5.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Noord-Holland 1 april 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:2447, RFR 2020/115, rov. 2.5.21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding onder 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze rechtsoverweging hiervoor onder 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt in een voetnoot verwezen naar de stellingen van partijen in rov. 4.8 en 4.9 en ook rov. 4.10.3, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt in een voetnoot verwezen naar PV zitting hof, p. 2 onderaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt in een voetnoot onder meer verwezen naar de stellingen van de vrouw aangehaald in rov. 4.8. Tevens wordt in een voetnoot opmerkt dat uit HR 5 april 2019, ECLI:NLHR: 2019:504 volgt dat uitgaven in verband met kosten van de huishouding ex art. 1:84 BW zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden, hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht jegens de gemeenschap door die uitgaven niet is aangetast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt in een voetnoot verwezen naar de stellingen van de vrouw samengevat in rov. 4.8 en in nr. 15 van haar beroepschrift tevens houdende aanvulling, c.q. wijziging, vermeerdering verzoeken.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt in een voetnoot vermeld dat de man ook heeft erkend dat de privérekening tot het gemeenschapsvermogen hoorde en wordt vervolgens verwezen naar PV zitting hof, p. 2 onderaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, NJ 2018/259, rov. 4.1.5 en 4.3.7 Zie ook de procesinleiding, onderdeel 1, onder 3 (p. 1 onderaan) en voetnoot 1 waarin wordt verwezen naar de stellingen van partijen in rov. 4.8 en 4.9 en ook rov. 4.10.3, p. 8, van de beschikking van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt in een voetnoot verwezen naar ook het beroepschrift tevens houdende aanvulling, c.q. wijziging, vermeerdering verzoeken van de vrouw nr. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt in een voetnoot verwezen naar het slot van de 1e en 2e alinea in rov. 3.3.4, in HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR: 2019:504.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt in een voetnoot verwezen naar het verweerschrift in incidenteel appel nrs. 19 en 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de procesinleiding wordt in een voetnoot verwezen naar HR 18 oktober 2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE7008 (Avago/Gemeente Axel).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Kroeze 2-I 2021/169, met verwijzing naar onder meer HR 15 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY7840, NJ 2013/290 (Biek Holdings). Volgens Kroeze geldt dit zowel voor de openbare als de stille maatschap. Zie verder bijvoorbeeld ook Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/16 en Asser/Van Olffen 7-VII 2022/162, 182-183 en 189 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 6 januari 1960, ECLI:NL:HR:1960:AY0559, BNB 1960/52 en HR 15 december 1961, ECLI:NL:HR:1961:25, NJ 1962/48. Zie verder onder meer Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/273 en Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel A 2020/4.4.4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/De Boer, Kolkman &amp; Salomons 1-II 2016/273.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Van Olffen 7-VII 2022/156, onder verwijzing naar o.a. De Bruijn/Huijgen &amp; Reinhartz, Het Nederlandse huwelijksvermogensrecht 2019/III.3 en V.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Van Olffen 7-VII 2022/156.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Mourik, Verstappen &amp; Burgerhart, Handboek Scheiding Deel A 2020/4.4.4.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de procesinleiding, onderdeel 3, onder 7.</p></div>", "next": 0}