{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft ook gewezen op de omstandigheid dat volgens het recht van de Staat Oekraïne cultuurgoederen die niet na het verstrijken van de in de exportvergunningen genoemde termijn zijn teruggekeerd naar Oekraïne, worden beschouwd als onrechtmatig uitgevoerd. De rechtbank heeft overwogen dat in het geval dat volgens het recht van de Staat Oekraïne de Krimschatten onrechtmatig in Nederland verblijven, dat ook voor de Nederlandse rechter het uitgangspunt moet zijn voor de toepassing van het UNESCO-verdrag (rov. 4.15).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 Het hof heeft daarentegen in het bestreden eindarrest geopteerd voor een enge interpretatie en overwogen dat het begrip ‘onrechtmatige uitvoer’ uitsluitend betrekking heeft op het moment waarop de museumstukken de verdragsstaat verlaten en niet mede op de daarop aansluitende periode dat de objecten zich buiten dat grondgebied bevinden. Op grond van deze enge interpretatie heeft het hof geoordeeld dat art. 6.3 Erfgoedwet in deze zaak niet van toepassing is (rov. 3.4-3.18). Het hof heeft de betekenis van ‘uitvoer’ in het normale spraakgebruik doorslaggevend geacht en geoordeeld dat het doel van het UNESCO-verdrag geen aanleiding geeft tot de ruime uitleg die het rechtbank heeft gehanteerd (rov. 3.7.1; 3.8.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 De argumenten die de rechtbank naar voren heeft gebracht, komen mij overtuigend voor. De uitleg van het hof is naar mijn mening te eng en uitsluitend gebaseerd op de betekenis van het begrip ‘uitvoer’ in het normale spraakgebruik. Met de rechtbank ben ik van mening dat het geven van een ruime betekenis aan het begrip ‘onrechtmatige uitvoer’ strookt met het doel van het UNESCO-verdrag. De door de rechtbank voorgestane uitleg heeft immers tot gevolg dat de Staat Oekraïne in dit geval teruggave kan vorderen op grond van art. 6.7 Erfgoedwet en art. 1011a Rv, waarmee de Staat Oekraïne kan bewerkstelligen dat de Krimschatten voor hem worden behouden. De ruime uitleg van het begrip ‘onrechtmatige uitvoer’ sluit tevens aan bij de bedoeling van de wetgever om binnen de grenzen van art. 31 WVV zoveel mogelijk betekenis aan de verdragsbepalingen toe te kennen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Overeenkomst inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen, gesloten te Parijs op 17 november 1970, Trb. 1972, 50 (Engelse en Franse authentieke teksten), 1983, 66 (Nederlandse vertaling). Het UNESCO-verdrag is op 17 oktober 2009 voor Nederland in werking getreden, voor Oekraïne op 28 juli 1988.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 9 december 2015 houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed, Stb. 2015, 511, in werking getreden op 1 juli 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2-3.5 van het bestreden tussenarrest van het hof Amsterdam van 16 juli 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:2427, NJF 2019/408 en rov. 3.3 van het bestreden eindarrest van het hof Amsterdam van 26 oktober 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3201.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit museum is door de rechtbank en in de door partijen overgelegde stukken ook wel aangeduid als het ‘National Historical Museum of Ukraine’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 2.4 van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:8264, NJF 2017/42.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:RBAMS:2015:2000. In dit vonnis is de vordering tot tussenkomst van de Staat der Nederlanden afgewezen. De Staat der Nederlanden had gevorderd te mogen tussenkomen om te bewerkstelligen dat geen schendingen van internationale verplichtingen zouden plaatsvinden. De rechtbank heeft overwogen dat dit geen doel is waarvoor de vordering tot tussenkomst is bedoeld, zie rov. 5.4 van het vonnis in incident.</p>\n<p class=\"lf-p\">ECLI:NL:GHAMS:2020:2870, JBPr 2021/15, m.nt. A. Hammerstein. Het eerste wrakingsverzoek van de Staat Oekraïne is afgewezen bij beslissing van de wrakingskamer van het hof Den Haag van 1 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2842.</p>\n<p class=\"lf-p\">De motivering van dit oordeel is op bepaalde punten uitgebreid ten opzichte van de motivering in het tussenarrest (rov. 4.13-4.39).</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 3.32.1 van het eindarrest wordt abusievelijk gesproken van ‘Resolution’, terwijl kennelijk de Regulation is bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof van Discipline ’s-Gravenhage 16 december 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:175.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 1 maart 1974, ECLI:NL:HR:1974:AB3384, NJ 1975/6, m.nt. W.L. Haardt; HR 2 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9764, NJ 2002/372, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in het algemeen over onttrekking: Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/244; T&amp;C Rv, commentaar op art. 226 Rv (Mirzojan, voorheen bewerkt door Van Dam-Lely); W.H.B. den Hartog Jager, Procederen met of zonder procesvertegenwoordiger en andere aspecten van procesvertegenwoordiging, 2012, nr. 130; A.J. Rijsterborgh, De onttrekkende advocaat. En diens informatieplicht jegens de (ex-)cliënt over de procedurele gevolgen, NJB 2015/1321.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 12 januari 2010, 33539/02 (Bąkowska/Polen), par. 45, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van het EHRM. Zie ook HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0736, NJ 1993/3; HR 18 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AD2977, NJ 1999/271; HR 30 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4497.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 12 januari 2010, reeds aangehaald, par. 47, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van het EHRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 7 van de NJ-noot van Snijders onder HR 2 februari 2001, reeds aangehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nr. 1.1.1-1.15 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9228, NJ 2015/376, m.nt. N.J. Schrijver, rov. 3.15.5; HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1431, NJ 2017/33, m.nt. L. Strikwerda, rov. 5.3.2; HR 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:918, NJ 2019/224, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.2; HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645, NJ 2022/102, m.nt. C.M.J. Ryngaert en A.I.M. van Mierlo, rov. 5.2.17-5.2.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. nr. 53 en p. 60 (onder § 14-15) van de conclusie van antwoord op de eis in tussenkomst d.d. 21 oktober 2015 en nr. 86-90 van de conclusie van dupliek in tussenkomst d.d. 1 juni 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. nr. 4.3.5 van de akte na tussenarrest d.d. 7 januari 2020 en nr. 1.3.8 en 3.6.7 van de pleitnotities voor de mondelinge behandeling van 22 april 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 3.23, laatste volzin, van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van onderdeel 2 (zie nr. 2.3.4(xi) van de procesinleiding) hebben de Krimmusea gesteld dat het een feit van algemene bekendheid (art. 149 lid 2 Rv) betreft dat de door het hof aangenomen tijdelijkheid ‘hoogstwaarschijnlijk’ een ‘dode mus’ zal blijken, omdat ‘het is onzeker of Oekraïne ooit, en in elk geval onmogelijk te voorspellen wanneer, weer de daadwerkelijke soevereiniteit over de Krim zal uitoefenen’, kennelijk zodat daarmee in cassatie toch rekening kan worden gehouden. De onzekerheid of een bepaald feit zich zal voordoen, kan echter op zichzelf en zonder dat partijen zich daarover hebben uitgelaten niet als een feit van algemene bekendheid worden aangemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over art. 1 EP EVRM in algemene zin o.a. Guide of Article 1 of Protocol No. 1 to the European Convention on Human Rights (Protection of Property), te raadplegen via: https://www.echr.coe.int/Documents/Guide_Art_1_Protocol_1_ENG.pdf (laatst bijgewerkt op 31 augustus 2022); B. Rainey, P. McCormick &amp; C. Ovey, Jacobs, White, and Ovey: The European Convention on Human Rights, 2021, p. 559-591; A.E.M. Leijten, Sdu Commentaar EVRM, art. 1 Prot. 1 EVRM, 2020; Harris, O’Boyle &amp; Warbrick, Law of the European Convention on Human Rights, 2018, p. 849-895.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie recentelijk EHRM 10 november 2022, 2317/20 (The Karibu Foundation/Noorwegen), par. 72. Zie bijv. ook EHRM 23 september 1982, 7152/75 (Sporrong en Lönnroth/Zweden), par. 55; EHRM 25 maart 1999, 31107/96 (Iatridis/Griekenland), par. 55; EHRM 25 oktober 2012, 71243/01 (Vistiņš en Perepjolkins/Letland), par. 93.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere taalversies van het EP is dit begrip ruimer omschreven. Zo wordt in de Engelse versie gesproken van ‘possessions’ en in de Franse versie van ‘biens’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Guide on Article 1 of Protocol No. 1, par. 9, onder verwijzing naar EHRM rechtspraak: ‘In the case of non-physical assets, the Court has taken into consideration, in particular, whether the legal position in question gave rise to financial rights and interests and therefore had an economic value’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is vaste rechtspraak, zie bijv. EHRM 30 november 2004, 48939/99 (Öneryildiz/Turkije), NJ 2005/210, m.nt. E.A. Alkema, par. 124; EHRM 11 januari 2007, 73049/01 (Anheuser-Busch Inc./Portugal), NJ 2008/534, m.nt. Ch. Gielen, par. 63; EHRM 27 augustus 2015, 46470/11 (Parrillo/Italië), par. 211.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 29 maart 2010, 34044/02 (Depalle/Frankrijk), NJ 2011/214, m.nt. A.E. Alkema, par. 68.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. over dit recht nr. 20 en 21 van de schriftelijke toelichting van de Staat Oekraïne, waarin wordt opgemerkt dat dit recht ‘een relict uit de Sovjettijd’ is en ‘stamt van communistische origine’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. nr. 26-27 van conclusie van antwoord op de eis in tussenkomst d.d. 21 oktober 2015 en nr. 333 van de memorie van grieven d.d. 22 augustus 2017 van de Krimmusea en nr. 31 van de conclusie van eis in tussenkomst d.d. 1 juli 2015 en nr. 9 van de akte na tussenarrest d.d. 7 januari 2020 van de Staat Oekraïne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. nr. 3.2.1-3.2.2 van de akte na tussenarrest d.d. 7 januari 2020 en nr. 3.1.4 van de antwoordakte na tussenarrest d.d. 3 maart 2020 van de Krimmusea en nr. 51 van de akte na tussenarrest d.d. 7 januari 2020 en nr. 60 van de tweede akte na tussenarrest d.d. 3 maart 2020 van de Staat Oekraïne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. nr. 3.2.3 en 3.2.13 van de akte na tussenarrest d.d. 7 januari 2020 van de Krimmusea en nr. 56 en 59 van de akte na tussenarrest d.d. 7 januari 2020 van de Staat Oekraïne.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Guide on Article 1 of Protocol No. 1, par. 90.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 25 oktober 2012 (Vistiņš en Perepjolkins/Letland), reeds aangehaald, par. 96; EHRM 23 januari 2014, 19336/04 (East/West Alliance Limited/Oekraïne), par. 167.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 5 januari 2000, 33202/96 (Beyeler/Italië), NJ 2000/571, par. 109.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 24 november 2005, 49429/99 (Capital Bank AD/Bulgarije), par. 134; EHRM 11 december 2018, 36480/07 (Lekić/Slovenië), JOR 2019/178, m.nt. J.H.L. Beckers, par. 95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 11 januari 2007 (Anheuser-Busch Inc./Portugal), reeds aangehaald, par. 83; EHRM 15 november 2022, 27269/09 (Arnavutköy Greek Orthodox Taksiarhis Church Foundation/Turkije), par. 48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 8 november 2005, 4251/02 (Saliba/Malta), par. 39; EHRM 24 juni 2014, 48357/07, 52677/07, 52687/07 en 52701/07 (Azienda Agricola Silverfunghi S.A.S. et al./Italië), par. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 25 oktober 2012 (Vistiņš en Perepjolkins/Letland), reeds aangehaald, par. 99; EHRM 12 januari 2023, 76286/14 (Pařízek/Tsjechië), par. 43: ‘The Court has always understood the term “law” in its “substantive” sense, not its “formal” one (…)’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 3.33 van het eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 25 oktober 2012, reeds aangehaald, par. 106.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. EHRM 5 januari 2000, reeds aangehaald, par. 112-113; EHRM 1 december 2005, 61093/00 (SCEA Ferme de Fresnoy/Frankrijk), p. 22; EHRM 29 maart 2007, 61951/00 (Debelianovi/Bulgarije), par. 53-54; EHRM 19 februari 2009, 2334/03 (Kozacıoğlu/Turkije), par. 53-54. Zie ook J. Malíř, Public Interest before the ECtHR: Protection of Cultural Heritage and the Right to Property, in: L. Tichý &amp; M. Potacs (ed.), Public Interest in Law, 2021, p. 311-328.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. EHRM 22 juni 2004, 31443/96 (Broniowski/Polen), par. 150-151.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 10 november 2022 (The Karibu Foundation/Noorwegen), reeds aangehaald, par. 74.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 8 oktober 2013, 62235/12 en 57725/12 (Da Conceição Mateus en Santos Januário/Portugal), par. 29; EHRM 15 oktober 2013, 66365/09 (Savickas/Litouwen), par. 93-94.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Van der Voort Maarschalk, a.w., 2019/68. Zie bijv. HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1557, JBPr 2014/39, m.nt. G.C.C. Lewin; HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2737, NJ 2015/179, m.nt. D.W.F. Verkade.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM 28 oktober 1999, 24846/94 en 34165/96 t/m 34173/96 (Zielinski, Pradal en Gonzalez et al./Frankrijk), par. 57. Zie bijv. ook EHRM 9 december 1994, 13427/87 (Stran Greek Refineries en Stratis Andreadis/Griekenland), par. 49; EHRM 24 juni 2014 (Azienda Agricola Silverfunghi S.A.S. et al./Italië) , reeds aangehaald, par. 76.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitgebreid over deze leer L. Strikwerda, Semipubliekrecht in het conflictenrecht. Verkenningen op een kruispunt van methoden (diss. UvA),1978, p. 34 e.v.; zie ook R. van Rooij, De positie van publiekrechtelijke regels op het terrein van het internationaal publiekrecht (diss. Leiden), 1976, p. 215-218.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie L. Strikwerda/S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse Internationaal Privaatrecht, 2019/148.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze ‘leer van de bijzondere aanknoping’ werd reeds in 1966 door de Hoge Raad aanvaard in het Alnati-arrest, waarin de mogelijkheid werd geopend voor toepassing van derdelandsnormen, zie HR 13 mei 1966, ECLI:NL:HR:1966:AB4654, NJ 1967/3, m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verordening (EG) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, PbEU 2008, L 177/6, met rectificatie in PbEU 2009, L 309/87.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trb. 1980, 156.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 23 november 1999, gevoegde zaken C-369/96 en C-374/96, ECLI:EU:C:1999:575, NJ 2000/251, r.o. 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Strikwerda/Schaafsma 2019/149.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover o.a. Strikwerda/Schaafsma 2019/149-151; L. Strikwerda, De overeenkomst in het IPR, Praktijkreeks IPR, deel 11, 2015, nr. 246-253; Asser/Vonken 10-I 2018/589 e.v.; Asser/Kramer &amp; Verhagen 10-III 2022/931 e.v.; C.G. van der Plas, De taak van de rechter en het IPR (diss. Nijmegen), 2005, p. 213-259.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Vonken 10-I 2018/597. Zie over het voorrangsregelkarakter van regelingen met betrekking tot cultureel erfgoed ook D. Martiny, Beachtung ausländischer kulturgüterrechtlicher Normen im internationalen Schuldvertragsrecht, IPRax 2012, p. 562-566.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Ten Wolde e.a., Parl. Gesch. BW Boek 10 2014/II.9.3 (p. 104).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie C.G. van der Plas, Het leerstuk van de voorrangsregels gecodificeerd in boek 10: werking(ssfeer), NIPR 2010/3, p. 424-426.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Vonken 10-I 2018/626.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser/Vonken t.a.p.; Strikwerda/Schaafsma 2019/151.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Van der Plas 2010, a.w., p. 425.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HvJEU 17 oktober 2013, reeds aangehaald, punt 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Szpunar (ECLI:EU:C:2016:281) vóór HvJ EU 18 oktober 2016 (Griekenland/Nikiforidis), reeds aangehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport betreffende het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, door M. Giuliano en P. Lagarde, PbEG 1980, C 282/27-28.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport Giuliano-Lagarde, art. 7, nr. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 1945, F 214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T&amp;C Arbeidsrecht, commentaar op BBA, inleidende opmerkingen (Verhulp). Zie over het voorrangsregelkarakter van deze bepaling o.a. HR 23 oktober 1987, ECLI:NL:HR:1987:AD0017, NJ 1988/842, m.nt. J.C. Schultsz; HR 24 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8512, NJ 2012/274, m.nt. M.V. Polak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel, Cassatie 2019/71; W.D.H. Asser, Cassatie, 2018, par. 4.6.3; Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/188.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Strikwerda/Schaafsma 2019/101.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. punt 2.8-2.9 van mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2012:BW1254) vóór HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1254, JAR 2012/172 (art. 81 RO). Zie ook S. Stuij, Iura novit curia en buitenlands recht: een rechtsvergelijkend en Europees perspectief, (diss. Rotterdam), 2021, nr. 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675, NJ 2012/627, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.3; C. Seinen, De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit, TCR 2020-2, p. 33-47.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:154, NJ 2016/92, rov. 3.3.3; conclusie A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2014:1849) vóór HR 3 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3451, punt 3.11.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht, Rapport aan de Minister van Justitie, Algemene Bepalingen Wet Internationaal Privaatrecht, 1 juni 2002, uitgave Ministerie van Justitie, 2003, p.54-55, overgenomen in: Ten Wolde e.a., Parl. Gesch. BW Boek 10 2014/II.9.2 (p. 102-103).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II, 32 137, nr. 3, overgenomen in: Ten Wolde e.a., Parl. Gesch. BW Boek 10 2014/II.9.3 (p. 104).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Vonken 10-I 2018/608.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Van der Plas, a.w., NIPR 2010, p. 425-426.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in het kader van derdelandsnormen en art. 7 lid 1 EVO: HR 18 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1443, NJ 2021/137, m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.3.2, onder verwijzing naar het Rapport Guiliano/Lagarde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Van der Plas, a.w., NIPR 2010, p. 425.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Vonken 10-I 2018/628. De vraag of het belang beschermenswaardig is, kan ook zo worden opgevat dat zij mede de vraag behelst of Nederland het belang achter de vreemde voorrangsregel wil dienen, zie Van der Plas, t.a.p.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Vonken 10-I 2018/629.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rapport Giuliano-Lagarde, art. 7, nr. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Van der Plas, a.w., NIPR 2010, p. 426.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie A.A.H. van Hoek, De bilaterisering van de voorrangsregelleer in Europa, in: R. Kotting e.a. (red.), Voorkeur voor de lex fori. Symposium ter gelegenheid van het afscheid van Prof.mr. Th.M. de Boer, 2004, p. 8, die het verdedigbaar acht dat de afweging tussen de belangen al gemaakt is op het moment dat de status van voorrangsregel wordt erkend. Zie ook Van der Plas, diss. 2005, p. 234, die stelt dat de nationale rechter uiterst terughoudend moet zijn met de gevolgentoets.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser/Vonken 10-I 2018/629.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 september 2020, reeds aangehaald, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dezelfde zin ook (in vervolg op het arrest van 18 september 2020) Gem. Hof Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2 september 2022, ECLI:NL:OGHACMB:2022:82, NJF 2022/413, rov. 2.6 en 2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook A. Bonomi, Mandatory rules in private international law. The quest for uniformity of decisions in a global environment, Yearbook of PIL 1999, Vol. 1, p. 236-237.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Hoek, a.w., p. 10-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Strikwerda, a.w., diss. 1978, p. 196, die opmerkt: ‘Onder het geldende conflictenrecht immers, worden semipubliekrechtelijke voorschriften onderworpen aan een bijzonder procedé dat toegepast wordt naast het algemene verwijzingssysteem: doet zich een wetsconflict voor waarbij een semipubliekrechtelijke norm zich aandient, dan wordt eerst door middel van de normale verwijzingsregel het toepasselijke rechtsstelsel, de lex causae, bepaald en vervolgens met behulp van het bijzondere procedé vastgesteld of de publiekrechtelijke norm, ongeacht of zij tot de lex causae behoort of niet, toepassing verlangt en “derhalve” het verwijzingsresultaat doorbreekt’ [mijn curs., A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Strikwerda, a.w., diss. 1978, p. 196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stb. 2009, 255.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 4.9 en 4.10 van het vonnis van de rechtbank van 14 december 2016 en rov. 3.6 van het bestreden eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969, Trb. 1972, 51 en 1977, 169 (Nederlandse vertaling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.10 van het vonnis van de rechtbank van 14 december 2016 en rov. 3.6 van het bestreden eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.10 van het vonnis van de rechtbank van 14 december 2016, met verwijzing naar HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837, NJ 2015/318 m.nt. H.J. Snijders, rov. 5.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie rov. 4.13 van het vonnis van de rechtbank van 14 december 2016.</p>\n<p class=\"lf-p\">Patrick J. O’Keefe, Commentary on the UNESCO 1970 Convention on the Means of Prohibiting and Preventing the Illicit Import, Export and Transfer of Ownership of Cultural Property, 2007.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van Unidroit inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen van 24 juni 1995, Trb. 1996, 227 en Trb. 1997, 46 (Nederlandse vertaling).</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 93/7/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een Lid-Staat zijn gebracht, PbEG 1993, L 74/74, inmiddels vervangen door Richtlijn 2014/60/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (herschikking), PbEU 2014, L 159/1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de MvT bij de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen, Kamerstukken II 2007-2008, 31 255, nr. 3, p. 9, waar wordt verwezen naar het eerder genoemde boek van O’Keefe. De Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 is in 2016 opgegaan in de Erfgoedwet.</p></div>", "next": 0}