{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verdachte heeft [slachtoffer] misleid omtrent de aard van hun relatie door haar voor te houden dat zij een liefdesrelatie hadden en dat zij zouden gaan samenwonen. In werkelijkheid woonde hij al samen met [betrokkene 8] en maakte hij plannen om het samenwonen met [betrokkene 8] te continueren in [plaats], te gaan samenwonen in een woning waar ook zijn zoons een gedeelte van de tijd zouden gaan verblijven. [slachtoffer] was niet op de hoogte van het samenwonen en deze plannen. In de maand voor haar dood houdt hij [slachtoffer] meermalen voor dat hij haar mist en dat zij gaan samenwonen en zij van hem is. Hij heeft die maand ook meermalen seksueel contact met [betrokkene 13] en hij probeert een relatie te beginnen met [betrokkene 9] . Op de avond voor haar dood nodigt verdachte haar familie uit om te laten zien dat hij [slachtoffer] vriend is. Daarna zet hij haar af en gaat hij met [betrokkene 9] naar de bioscoop.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Voordat [slachtoffer] een relatie krijgt met verdachte leidt zij geen opvallend financieel bestaan. Ze studeert, heeft een bijbaan bij de Action en heeft een bedrag van ruim € 15.000,- op haar spaarrekening staan. Na haar overlijden heeft ze een girale schuld van ruim € 6.000,-. Daarnaast heeft zij meerdere (andere) leningen op haar naam staan. Verdachte heeft ten aanzien van het verdwijnen van haar spaargeld en het opbouwen van haar girale schuld en overige leningen telkens financieel voordeel gehad. [slachtoffer] is tijdens haar leven in financieel opzicht verstrikt geraakt in haar relatie met verdachte en verdachte is degene die daar ten koste van [slachtoffer] van heeft geprofiteerd. Verdachte is hierbij op een loverboyachtige manier te werk gegaan: veinzen dat zij voor hem de enige was en vervolgens een ondoorzichtige financiële verstrengeling tussen hen bewerkstelligen, waarbij [slachtoffer] haar positieve banksaldi zag verdampen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat verdachte en hij in een gesprek dat plaatsvond rond mei 2015 bespraken dat zij beiden weer naar Suriname zouden gaan. In de context van die reis naar Suriname liet verdachte toen over ‘het meisje’ vallen ‘dat zij er straks niet meer is’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Ongeveer anderhalve maand voor [slachtoffer] overleed is een overlijdensrisicoverzekering op haar leven afgesloten. Kort voor haar overlijden is de begunstiging gewijzigd en werd verdachte de begunstigde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Een maand voor het overlijden van [slachtoffer] is een uitvaartverzekering op haar naam afgesloten, terwijl zij al een uitvaartverzekering had. Verdachte is van deze nieuwe uitvaartverzekering de begunstigde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verdachte heeft ongeloofwaardige verklaringen afgelegd ten aanzien van zijn redenen om de overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekering door [slachtoffer] te laten afsluiten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Bij het afsluiten van de verzekeringen had verdachte opvallende urgentie door aan [slachtoffer] te vragen of ze alles had geregeld, door nota bene vanuit Suriname onder een andere naam te bellen naar de verzekeraar of alles was geregeld voor ‘als het straks zover is’, en [slachtoffer] te vragen om de polis mee naar Suriname te nemen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>[slachtoffer] , die niet kon zwemmen, is - voor of na haar overlijden - in bijzijn van verdachte te water geraakt. Verdachte heeft hierover wisselend, deels innerlijk tegenstrijdig en aantoonbaar feitelijk onjuist verklaard. Het hof acht zijn verklaring dat sprake is geweest van een noodlottig ongeval niet geloofwaardig.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Verdachte heeft geprobeerd zijn alternatieve scenario digitaal vast te leggen door het maken van foto’s van [slachtoffer] met de flesjes rum in de supermarkt en door in de WhatsApp groep te zeggen dat zijn vriendin veel gedronken heeft en dat zij naar de brug wil en van dat gesprek vervolgens een screenshot te maken. Toen hij op de plek bij het water was heeft hij het kenteken genoteerd van een auto die daar stond. Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat, en waarom, hij deze notitie heeft gemaakt, concludeert het hof dat verdachte het noteren op dat moment van belang vond. In het licht van het overige bewijs waaronder ook verdachtes bericht naar [betrokkene 12] op 26 juni 2015 om 14:25 uur (“Heb ik zelfs een foto van”) en gelet op het uitblijven van een verklaring van verdachte waaruit anders zou blijken, beschouwt het hof deze notitie, de foto’s van [slachtoffer] met de flesjes rum en het screenshot van voornoemd gesprek, in samenhang beschouwd, als gemaakt om zijn alternatieve scenario op een later moment zo nodig te kunnen onderbouwen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Door de verdediging is naar voren gebracht dat als verdachte deze foto’s en notitie inderdaad om die reden had gemaakt hij het bestaan hiervan in zijn eerste verhoren wel kenbaar had gemaakt, maar dat hij dit niet heeft gedaan. Het hof duidt dit niet direct inbrengen, maar het achter de hand houden, echter als in lijn met de eerdere constatering dat verdachte vaker pas op een laat moment komt met stukken ter onderbouwing van delen van zijn verklaring. Dat verdachte geen beroep heeft gedaan op deze notitie of op de foto’s en het screenshot, maakt de conclusie dat hij bij het maken hiervan de bedoeling had om zijn alternatieve scenario vast te leggen daarom niet anders.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Het opmerkelijke gedrag van verdachte na het overlijden van [slachtoffer] . Verdachte vliegt op 29 juni 2015, als het lichaam van [slachtoffer] die dag is gevonden, maar hij dat nog niet heeft gezien of haar familie heeft gesproken, terug naar Nederland. Uit de verklaring van verdachte zelf en de waarnemingen van de politie blijkt dat verdachte erop gebrand was het geplande vliegtuig naar Nederland te halen. Hiernaar gevraagd heeft hij wisselende verklaringen gegeven over de reden om op dat moment al naar Nederland te vliegen. Verdachte maakt op het vliegveld een selfie waarop hij lachend is afgebeeld en stuurt die naar [betrokkene 8] . Het afscheid van [slachtoffer] heeft hij niet bijgewoond. Om de familie van [slachtoffer] heeft hij zich op geen enkel moment meer bekommerd. In juli 2015 leert hij [betrokkene 18] kennen op Tinder. Vanaf augustus 2015 woont hij samen met [betrokkene 8] in hun woning aan de [c-straat] en gaat hij met haar feesten en shoppen in Italië. In deze periode maakt hij zich ook schuldig aan - kort gezegd - hypotheekfraude (feit 3) zoals hierna uiteen zal worden gezet.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Op 14 juli 2015 heeft verdachte telefonisch contact met een medewerker van Dela om een rekeningnummer te wijzigen. Hij meldt dan het overlijden van [slachtoffer] niet. Op 20 juli 2015 vraagt verdachte een overlijdensuittreksel van [slachtoffer] op bij de gemeente. Een dag later belt hij naar Dela om het overlijden van [slachtoffer] te melden en vraagt hij of het uittreksel volstaat in plaats van een overlijdensakte om de overlijdensrisicoverzekering te laten uitkeren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>In juli/augustus 2015 vertelt verdachte familieleden en een kennis niet dat [slachtoffer] is overleden als zij naar haar vragen, maar suggereert hij juist dat zij nog in leven is. Daarnaar gevraagd heeft verdachte daar geen aannemelijke, verifieerbare verklaring voor.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">•</span>Uit afgeluisterde gesprekken tussen [betrokkene 8] en verdachte blijkt dat hij haar instrueert omtrent haar verhoor bij de politie. Zo spreken ze af dat zij zal verklaren dat ze een open relatie hebben. Ook blijkt dat hij haar heeft geprobeerd te beïnvloeden omtrent het al dan niet met verdachte bezoeken van de plek onder de brug aan het water in februari 2015.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof komt tot de slotsom dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, kan worden afgeleid dat verdachte voor het overlijden van [slachtoffer] al kennis droeg van haar naderende overlijden en dat alle handelingen van verdachte - en daarmee zijn opzet - zoals hiervoor beschreven gericht waren/was op haar dood alsook op het construeren van het alternatieve scenario van een noodlottig ongeval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof concludeert dat verdachte [slachtoffer] op 26 juni 2015 tussen 01:04 uur en 03:08 uur opzettelijk om het leven heeft gebracht door haar in het water te doen belanden of haar, voorafgaande aan het in het water doen belanden, al om het leven heeft gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vanwege het ontbreken van duidelijke sporen kan de doodsoorzaak niet met zekerheid worden vastgesteld. Het ombrengen van [slachtoffer] kan - hoe dan ook - niet anders hebben plaatsgevonden dan door een of meer vormen van geweld. Door de verdediging is aangevoerd dat uit de verrichte secties op het lichaam van [slachtoffer] geen sporen van geweld zijn aangetroffen. Op zichzelf is dat juist. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de mate van ontbinding van het lichaam en de eerste sectie het onderzoek substantieel hebben bemoeilijkt. Bovendien sluit afwezigheid van (bijvoorbeeld) beschadiging aan het strottenhoofd geweld op de hals beslist niet uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.4 Alcohol Naast de verklaring van verdachte bevat het dossier (mogelijke) aanwijzingen dat [slachtoffer] in de avond van 25 juni 2015 alcohol heeft genuttigd. Dit gaat om de aankoop van de flesjes Palm rum, het aangebroken flesje in het appartement van verdachte en het aangetroffen braaksel bij de pier. Ook is na haar dood in [slachtoffer] lever een concentratie van 1,85 g/kg ethanol aangetroffen. Ethanol is de chemische naam van de stof die in het normaal spraakgebruik alcohol wordt genoemd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van het aangetroffen braaksel kan echter niet worden vastgesteld dat dit van [slachtoffer] is en in het braaksel is geen alcohol (meer) aangetroffen. Voor wat betreft de in de lever aangetroffen ethanol heeft toxicoloog Pennings in zijn rapport d.d. 13 november 2017 uiteengezet dat dit kan wijzen op antemortale alcoholinname, postmortale vorming en op balseming met een ethanol houdende balsemvloeistof. De bijdrage van ieder van deze processen is in het geval van [slachtoffer] onbekend. Daarom is interpretatie van de waarde van 1,85 g/kg in de lever niet mogelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder zijn er getuigen die [slachtoffer] om 22:00 uur nog hebben gezien en niet hebben gemerkt dat zij alcohol gedronken had. Het hof kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat [slachtoffer] de alcoholhoudende drank ook daadwerkelijk tot zich genomen heeft en/of dat (en in welke mate) zij onder invloed was. Het hof zal verdachte dan ook voor die betreffende onderdelen van de tenlastelegging vrijspreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.5 Voorbedachte raad (…)”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>De tegen de bewezenverklaring gerichte deelklachten in het derde middel luiden als volgt:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De eerste deelklacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte wisselend heeft verklaard over zijn zwemvaardigheid, terwijl het niet aannemelijk is geworden dat dit berust op een misverstand en het gevolg is van de verschillen tussen het Surinaams-Nederlands en het Nederlands nu niet één, maar drie verschillende verbalisanten in verschillende bewoordingen hebben genoteerd dat de verdachte op verschillende momenten heeft verklaard dat hij niet kon zwemmen. Volgens de toelichting op de klacht is door en namens de verdachte echter uitgelegd dat hij wel kon zwemmen maar hij niet dáár op die plek kon zwemmen en ook sprake is geweest van een taalbarrière waardoor het verkeerd is opgeschreven door de verbalisanten. Dat drie Surinaamse verbalisanten de verklaring van de verdachte in verschillende bewoordingen hebben genoteerd, maakt nog niet dat de taalbarrière niet aannemelijk is geworden. Voor zover het hof de verklaringen van de verdachte heeft aangemerkt als kennelijk leugenachtig, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat niet zonder meer begrijpelijk, nu dat oordeel slechts is gestoeld op verklaringen van de verdachte zelf ten overstaan van Surinaamse verbalisanten en niet, zoals vereist, op andersoortige bewijsmiddelen. Daarenboven volgt uit het afleggen van genoemde tegenstrijdige verklaringen nog niet zonder meer dat deze zijn afgelegd om de waarheid te bemantelen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De tweede deelklacht bevat de klacht dat de volgende oordelen van het hof onbegrijpelijk zijn. Ten eerste dat de verdachte wisselend heeft verklaard over de staat waarin hij [slachtoffer] aantrof in het appartement. Ten tweede dat het ongeloofwaardig is dat de verdachte in 2015 het verschil tussen aangeschoten en dronken niet kende. Ten derde dat het hof het op voorhand niet erg geloofwaardig acht dat de verdachte [slachtoffer] in dronken, ziekelijke toestand op een muurtje direct grenzend aan de Surinamerivier, een brede getijdenrivier, achterliet om te gaan plassen. Tot slot dat het hof niet met zekerheid kan vaststellen dat [slachtoffer] de alcoholhoudende drank ook daadwerkelijk tot zich genomen heeft en/of dat (en in welke mate) zij onder invloed was.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De vierde deelklacht bevat de klacht dat het bewezen verklaarde onderdeel “een of meer vormen van geweld”, niet zonder meer uit de bewijsmiddelen volgt en dat het oordeel dat het ombrengen van [slachtoffer] niet anders kan hebben plaatsgevonden dan door een of meer vormen van geweld, niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op het voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant 4] waarin staat dat volgens de patholoog [betrokkene 15] “er geen mechanische letsels waren. In ieder geval werd stomp geweld, schot en of steekgeweld uitgesloten (…)”. Dit zou tegenstrijdig zijn met hiervoor bedoeld oordeel van het hof en de overweging dat de mate van ontbinding van het lichaam en de eerste sectie het onderzoek hebben bemoeilijkt en afwezigheid van beschadiging aan het strottenhoofd geweld op de hals niet uitsluit.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat geweld niet kan worden uitgesloten, betekent nog niet dat daarmee wettig en overtuigend is bewezen dat geweld heeft plaatsgevonden, aldus de toelichting op de klacht. Ook zou niet uit de bewijsmiddelen volgen dat de verdachte [slachtoffer] heeft ‘meegenomen’, ‘heeft gewacht tot ze alleen waren’ en dat verdachte [slachtoffer] ‘in het water heeft doen belanden’. Tot slot is de bewezenverklaring van ‘doen belanden’ niet te verenigen met de bewezenverklaring van de bestanddelen 'opzettelijk' en 'met voorbedachten rade' omdat het ‘doen belanden’ de strafrechtelijke deelnemingsvorm van doen plegen zou impliceren. In elk geval blijkt niet wie of wat door de verdachte zou zijn ingeschakeld of zou zijn toegepast om [slachtoffer] in het water te doen belanden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De vijfde deelklacht richt zich tegen het kennelijke oordeel van het hof dat de relaties van de verdachte redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Dat oordeel zou niet zonder meer begrijpelijk zijn. Dit wordt niet verder toegelicht. Daarnaast zou het oordeel van het hof dat de verdachte ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd ten aanzien van zijn redenen om de overlijdensrisicoverzekeringen en uitvaartverzekering door [slachtoffer] te laten afsluiten, niet begrijpelijk zijn omdat de verdachte meerdere redenen heeft opgegeven en het hof niet heeft vastgesteld waarom de verklaringen ongeloofwaardig zijn. Ook de overweging van het hof dat de verdachte voor zijn vertrek naar Suriname tegen getuige [betrokkene 1] heeft gezegd dat 'zij er straks niet meer is', is gelet op hetgeen door en namens de verdediging is aangevoerd over de betrouwbaarheid van die verklaringen, niet zonder meer begrijpelijk.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De achtste deelklacht keert zich tegen de verwerping van de stelling dat de verdachte wisselend heeft verklaard omdat hij leed en lijdt aan PTSS. Daarvoor wordt ten eerste aangevoerd dat het oordeel van het hof dat de diagnose PTSS in de aangeleverde stukken niet wordt gesteld, onbegrijpelijk is, aangezien in die stukken wordt gesteld dat sprake is van PTSS-symptomen. Ten tweede is het oordeel van het hof dat de revalidatiearts en de fysiotherapeut niet zonder meer deskundig zijn om de diagnose PTSS te stellen niet begrijpelijk, aangezien in de pleitnota is gewezen op de verklaringen/stukken van [betrokkene 19] (de fysiotherapeut), [betrokkene 20] (revalidatiearts) en instituut CIRAN, waarin melding wordt gemaakt dat de verdachte kampte met PTSS-symptomen en/of klachten passende bij PTSS.</div>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot zou ook het oordeel dat de door de verdediging overgelegde medische informatie geen onderbouwing bevat van het gestelde oorzakelijk verband tussen de PTSS-klachten en de wisselende verklaringen van de verdachte, niet begrijpelijk zijn in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Dit betreft kort gezegd dat de verdachte last had van PTSS en geheugenproblematiek tijdens de politieverhoren, dat door de raadsman is gewezen op de verklaring van [betrokkene 19] waarin zij stelt dat bij de verdachte klachten aangaande de concentratie en het geheugen aanwezig waren, dat dit ook heel gebruikelijk is bij personen met chronische pijn en dit ook geldt voor mensen die klachten hebben passend bij PTSS.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot slot is gewezen op de informatiefolder van het ETZ-ziekenhuis waarin staat dat mensen die een schokkende gebeurtenis hebben meegemaakt moeite kunnen hebben zich te concentreren.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De negende deelklacht keert zich tegen het oordeel van het hof dat de verklaringen van de verdachte ten overstaan van de undercover-agent niet als belastend noch als ontlastend worden aangemerkt. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, te weten kort gezegd dat sprake was van een langdurig en intensief werken-onder-dekmanteltraject waarbij de verdachte zich onbespied waande en ontlastend over zichzelf heeft verklaard.</div>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling van de bewijsklachten 43. De bewijsconstructie die het hof hanteert komt erop neer dat de verdachte de laatste is die het slachtoffer in leven heeft gezien en dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het slachtoffer met een vooropgezet plan om het leven heeft gebracht. Er zijn geen aanwijzingen voor zelfmoord en het alternatieve scenario, waarin haar dood een noodlottig ongeval betrof (het dronken slachtoffer werd onwel en is vanaf de pier in het water gevallen) schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. Hierbij heeft het hof financiële motieven van de verdachte en de aard van zijn relatie met het slachtoffer en met andere vrouwen betrokken. Daarnaast slaat het hof acht op het gedrag van de verdachte kort voor en na het overlijden van het slachtoffer, zoals zijn omgang met andere vrouwen, de wijze van het afsluiten en vervolgens trachten te innen van de levensverzekering, het verzwijgen van de dood van het slachtoffer aan bepaalde personen, en het beïnvloeden van de getuige [betrokkene 8] . Ook legt het hof aan zijn oordeel ten grondslag dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat de verdachte had gezegd “dat zij er straks niet meer is”.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>Een belangrijke vaststelling die het hof tot slot aan zijn oordeel ten grondslag legt, is dat de verdachte op verschillende onderdelen wisselend, tegenstrijdig en aantoonbaar onjuist heeft verklaard. Het hof acht daarom de verklaringen van de verdachte ongeloofwaardig, tenzij er op een bepaald punt in het dossier steun voor te vinden is. Gelet op de diverse en vele voorbeelden die het hof noemt ten aanzien van de verklaringen van de verdachte, acht ik dit oordeel niet onbegrijpelijk en ook toereikend, uitvoerig zelfs, gemotiveerd. In de diverse deelklachten wordt steeds op specifieke onderdelen van de verklaringen van de verdachte bestreden dat die wisselend, tegenstrijdig en/of onjuist zijn. Ook worden, zoals hierboven in de verscheidene deelklachten weergegeven, enkele andere overwegingen en vaststellingen van het hof, alsook de verwerping van bepaalde verweren aangevallen op hun (on)begrijpelijkheid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>Ik kan de stellers van het middel daarin niet volgen. Daarbij stel ik voorop dat de selectie en waardering van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. Die selectie en waardering van het bewijsmateriaal, en de eventuele motivering daarvan, kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst. Wegens het gebrek aan direct en aan technisch bewijsmateriaal heeft het hof zich aan de hand van ‘circumstantial’ bewijsmateriaal gebogen over de vraag welk scenario de ware toedracht weerspiegelt: ging het om een noodlottig ongeval zoals de verdachte aanvoert of heeft hij het slachtoffer om het leven gebracht? Bij de beantwoording van die vraag heeft het hof verschillende omstandigheden moeten wegen op de mate waarin die omstandigheden kunnen worden verklaard door de twee in aanmerking genomen scenario’s. Telkens is het hof voldoende ingegaan op hetgeen de verdediging te berde heeft gebracht en heeft het inzichtelijk gemaakt waarom het tot een bepaald oordeel is gekomen. De diverse vaststellingen van het hof vinden steun in bewijsmiddelen. Dat de verdediging erin slaagt aan bepaalde omstandigheden een andere uitleg te geven dan het hof voorstaat, betekent nog niet dat het oordeel van het hof daarmee onbegrijpelijk zou zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">46.</span>Niet alle gevolgtrekkingen van het hof behoeven trouwens te zijn gestoeld op een bewijsmiddel. Dit wordt bijvoorbeeld ten onrechte aangevoerd in de tweede deelklacht, over de overweging dat het hof het ongeloofwaardig acht dat de verdachte het verschil tussen ‘aangeschoten’ en ‘dronken’ niet kende. Dat verschil is namelijk een feit van algemene bekendheid. Aan het oordeel dat een gestelde onbekendheid met dat verschil niet geloofwaardig is, komt geen bewijsmiddel te pas.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">47.</span>Bovendien, zelfs al zou het oordeel van het hof over inconsistenties, contradicties en onjuistheden in de verklaringen van de verdachte in enkele gevallen op zichzelf beschouwd niet zonder meer begrijpelijk zijn, dan nog tast dit het eindoordeel van het hof niet wezenlijk aan. In dat geval wordt een dergelijk gebrek gesauveerd door de vele andere voorbeelden die het hof noemt. Daarbij neem ik tevens in aanmerking dat in cassatie het oordeel van het hof over de ongeloofwaardigheid van bepaalde onderdelen van de verklaringen van de verdachte, niet wordt bestreden. Zo wordt in cassatie bijvoorbeeld niet aangevochten dat de verdachte wisselend en ongeloofwaardig heeft verklaard over de vraag of hij de plek aan de rivieroever bij de voet van de Wijdenboschbrug aan de Meerzorgzijde kende en daar eerder was geweest. Evenmin wordt bestreden dat het ongeloofwaardig is dat de verdachte niet (meer) weet waarom hij een notitie heeft gemaakt van het kenteken van een auto bij die brug. Met een verwijzing naar dergelijke inconsistenties, contradicties en onjuistheden kon het hof ook duidelijk maken dat (en waarom) het hof voorbijgaat aan andere onderdelen van de verklaringen van de verdachte, tenzij daarvoor steun is te vinden in het dossier.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Op het voorgaande stuiten voor een groot deel de deelklachten af. Over enkele deelklachten specifiek nog het volgende.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">49.</span>De subsidiaire klacht in de eerste deelklacht, die inhoudt dat het hof ten onrechte de verklaringen van de verdachte over zijn zwemcapaciteiten als kennelijk leugenachtige verklaringen tot het bewijs heeft gebezigd, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Een dergelijke bewijsconstructie heeft het hof niet willen bezigen, gelet op de overwegingen in het arrest waarbij het hof het alternatieve scenario van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde schuift. Terecht signaleert de deelklacht evenwel een abuis van het hof dat erop neerkomt dat het hof de wisselende antwoorden van de verdachte op de vraag of hij kan zwemmen heeft opgenomen in de bewijsmiddelen. Zo zijn er drie processen-verbaal als bewijsmiddel opgenomen die inhouden dat verbalisanten van de verdachte hebben gehoord dat hij niet kon zwemmen terwijl ook een proces-verbaal van verhoor is opgenomen waarin de verdachte ten overstaan van een verbalisant op de vraag “Weet u wel te zwemmen?” het antwoord “ja” geeft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>Eenzelfde geval lijkt zich voor te doen met betrekking tot de in de vierde deelklacht genoemde vaststellingen over de doodsoorzaak van het slachtoffer. In de bewijsoverwegingen overweegt het hof dat het niet de conclusie van patholoog [betrokkene 15] volgt dat “sprake is van overlijden vermoedelijk ten gevolge van verstikking en gevolge van verdrinking”. Volgens het hof moeten de conclusies van deskundigen Van de Goot, Soerdjbalie-Maikoe en Lunetta worden gevolgd, die kort gezegd inhouden dat een doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld. Het hof heeft als bewijsmiddel echter opgenomen een proces-verbaal van de verbalisant [verbalisant 4] die (onder andere) relateert dat patholoog [betrokkene 15] een obductie heeft verricht waaruit is gebleken dat “mogelijk verstikking de doodsoorzaak [was], doch dat het niet met zekerheid kon worden vastgesteld.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>Vooropgesteld zij dat het hof in de opsomming van de gebezigde bewijsmiddelen alleen de inhoud van bewijsmiddelen dient weer te geven voor zover die reden geeft voor de bewezenverklaring. Voor de inhoud van verklaringen van verdachten of getuigen die het hof terzijde schuift en voor bewijsmateriaal waaraan het voorbijgaat is daarin geen plaats. Zulks zou tot tegenstrijdigheden in de bewijsconstructie aanleiding kunnen geven, juist omdat het hof reden zag om aan dat materiaal met het oog op de bewijsvraag geen geloof te hechten en geen waarde toe te kennen. Het staat het hof daarentegen vrij om in de bewijsoverwegingen aandacht te besteden aan materiaal dat het terzijde schuift, zulks om uit te leggen waarom het een andere opvatting of daarvan afwijkend oordeel is toegedaan. In dat geval is het vermelden van een vindplaats van de bron (in bijvoorbeeld een voetnoot) alleen maar behulpzaam. Zolang het hof in de bewijsoverwegingen voldoende inzichtelijk maakt welke bewijsmiddelen voor het bewijs redengevend worden geacht en welk materiaal niet, hoeft miskenning van het voorgaande niet tot cassatie te leiden. Dat laatste doet zich hier voor, zodat de klachten in zoverre falen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Een van de oordelen die in de tweede deelklacht wordt aangevallen, te weten dat het hof niet met zekerheid kan vaststellen dat [slachtoffer] de alcoholhoudende drank ook daadwerkelijk tot zich genomen heeft en/of dat (en in welke mate) zij onder invloed was, acht ik ook niet onbegrijpelijk. Het hof stelt immers vast dat er aanwijzingen zijn dat het slachtoffer wel (veel) alcohol heeft genuttigd maar er ook aanwijzingen zijn dat zij mogelijk niet of weinig heeft gedronken. Deze twijfel leidt ertoe dat het hof over de alcoholinname niets kan vaststellen en dat de verdachte wordt vrijgesproken van dát onderdeel van de tenlastelegging waarin hem wordt verweten het slachtoffer dronken te hebben gevoerd en/of misbruik te hebben gemaakt van haar dronken toestand. Mede om die reden ontgaat mij ook het belang bij deze klacht. Daaraan voeg ik toe dat een vaststelling aangaande de (positieve) inname van alcohol door het slachtoffer niet alleen het scenario van een noodlottig ongeval kan onderbouwen maar evengoed het scenario dat in de tenlastelegging tot uitdrukking is gebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>Ten aanzien van de vierde deelklacht heb ik zojuist al gerefereerd aan de vaststelling van het hof dat een doodsoorzaak niet kan worden vastgesteld. Tegelijkertijd overweegt het hof en acht het hof bewezen dat het ombrengen van het slachtoffer niet anders heeft kunnen plaatsvinden dan met een of meer vormen van geweld. Anders dan de (vierde) deelklacht veronderstelt, is dit niet in strijd met de bewijsvoering. Los van het feit dat ik meen, zoals hiervoor gezegd, dat het hof de conclusies van patholoog [betrokkene 15] die verbalisant [verbalisant 4] noemt in zijn proces-verbaal, niet volgt, sluiten de vaststellingen over het ontbreken van sporen van bepaalde typen van geweld, (andere) vormen van geweld niet uit.</div>\n<p class=\"lf-p\">Dat bespreekt het hof ook expliciet: “Door de verdediging is aangevoerd dat uit de verrichte secties op het lichaam van [slachtoffer] geen sporen van geweld zijn aangetroffen. Op zichzelf is dat juist. Hierbij moet echter worden opgemerkt dat de mate van ontbinding van het lichaam en de eerste sectie het onderzoek substantieel hebben bemoeilijkt. Bovendien sluit afwezigheid van (bijvoorbeeld) beschadiging aan het strottenhoofd geweld op de hals beslist niet uit.” Voor het overige is de deelklacht, gelet op hetgeen ik hierboven voorop heb gesteld, kansloos voorgesteld. De aangevallen overwegingen van het hof vinden voldoende steun in de hierboven geciteerde bewijsmotivering. Daarbij merk ik nog op dat een precieze en exacte geweldshandeling niet hoeft te worden vastgesteld om tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>De achtste deelklacht houdt verband met het verweer dat de verdachte wisselend heeft verklaard omdat hij last had van trauma dan wel leed of lijdt aan PTSS. Los van het feit dat ik de aangevallen overwegingen van het hof niet onbegrijpelijk vind, stuit deze klacht reeds af op de – onbestreden – vaststelling van het hof dat de verdachte tijdens de politieverhoren, de periode waarin hij (ook) zou lijden aan de gestelde klachten, consistent en gedetailleerd heeft verklaard over bijvoorbeeld zijn eerdere aanwezigheid bij de brug. Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte op dit punt hoe dan ook wisselend heeft verklaard, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Dat oordeel is geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>De negende deelklacht met betrekking tot de inzet van een undercoveragent is met weinig precisie geformuleerd. Het oordeel dat de verklaringen van de verdachte ten overstaan van de undercover-agent belastend noch ontlastend zijn, is niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Dat sprake was van een langdurig en intensief traject en de verdachte zich (mogelijk) onbespied waande, zoals de verdediging heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Een schuldige verdachte zal ook in dat geval immers een belang (kunnen) hebben om niet naar waarheid te verklaren.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">56.</span>Het derde middel is in zijn geheel vergeefs voorgesteld.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het vierde middel 57. Het vierde middel komt op tegen de bewezenverklaring van poging tot oplichting van verzekeringsmaatschappij Dela (artikel 326 Sr) en het opzettelijk niet naar waarheid verstrekken van gegevens aan Dela (artikel 227a Sr).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">58.</span>Ik zal hierna eerst de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen van het hof weergeven. Daarna vat ik het verweer van de verdediging samen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">59.</span>In de bewezenverklaring is ten laste van de verdachte opgenomen dat: “2. hij omstreeks de periode van 7 mei 2015 tot en met 21 juli 2015 te [plaats] en in Suriname ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om Coöperatie Dela te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van EUR 300.000, met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid (te weten de hoedanigheid van bonafide begunstigde) en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>op 7 mei 2015 [slachtoffer] een overlijdensrisicoverzekering heeft laten afsluiten ter hoogte van EUR 300.000,- en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>op 1 juni 2015 [slachtoffer] de begunstiging daarvan heeft laten wijzigen, waardoor hij de begunstigde werd, terwijl hij van plan was om die [slachtoffer] van het leven te beroven, en/of</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>op 16 juni 2015 vanuit Suriname telefonisch contact heeft opgenomen met Coöperatie Dela, zich heeft voorgesteld als [alias] en heeft gevraagd of de overlijdensrisicoverzekering van [slachtoffer] op de juiste manier in orde was gemaakt, daarbij de opmerking makende 'Stel dat het straks zover is' en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>op 26 juni 2015 een rol heeft gespeeld bij het te water raken en overlijden van die [slachtoffer] te Paramaribo en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>op 20 juli 2015 bij de gemeente een overlijdensuittreksel heeft opgevraagd en verkregen (terwijl hij officieel geen nabestaande is en een dergelijke akte niet aan hem verstrekt zou mogen worden) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>op 21 juli 2015 het overlijden van die [slachtoffer] telefonisch heeft gemeld bij Dela en tijdens dit telefoongesprek heeft gezegd dat zij op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip, en aldus niet de volledige waarheid heeft gesproken over het feit</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat zij al in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt (en vermoedelijk op diezelfde datum is overleden) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] aanwezig is geweest (en dus wel degelijk een tijdstip zou kunnen noemen) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] een rol van betekenis heeft gespeeld, waarnaar strafrechtelijk onderzoek is/werd gedaan en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>op 21 juli 2015 telefonisch informatie heeft ingewonnen bij Coöperatie Dela welke stukken zij van hem nodig hadden om tot uitkering over te gaan en/of (vervolgens) heeft gevraagd/heeft laten nagaan of een uittreksel van de gemeente in dit geval niet voldoende zou zijn om tot uitkering over te gaan, nu hij (nog) niet de beschikking had over de stukken die daartoe eigenlijk nodig waren, zijnde de uitvoering van het misdrijf niet voltooid en hij op 21 juli 2015 te [plaats], anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt aan Coöperatie Dela, door wie of door wiens tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend, welk feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl hij wist, dat de verstrekte gegevens van belang waren voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, terwijl hij de begunstigde was van een overlijdensrisicoverzekering op naam van [slachtoffer] , afgesloten bij Dela, op 21 juli 2015 het overlijden van die [slachtoffer] telefonisch gemeld bij Coöperatie Dela en tijdens dit telefoongesprek gezegd dat zij op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip, en/of aldus niet de (volledige) waarheid gesproken over het feit</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat zij al in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt (en vermoedelijk op diezelfde datum is overleden) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] aanwezig is geweest (en dus wel degelijk een tijdstip zou kunnen noemen) en</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat hij bij het te water raken en/of het overlijden van die [slachtoffer] een rol van betekenis heeft gespeeld;”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">60.</span>Het arrest van het hof houdt, naast de reeds onder het derde middel weergegeven bewijsoverwegingen, in het bijzonder dienaangaande in (met weglating van voetnoten): “8.5 Instrueren en beïnvloeden [betrokkene 8] Op 27 september 2015 omstreeks 22.21 uur zitten verdachte en [betrokkene 8] in de auto van verdachte. Voor deze auto is een machtiging verleend voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de periode 23 september 2015 tot en met 17 november 2015.</div>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte en [betrokkene 8] zeggen in dit gesprek op 27 september 2015 onder meer:</p>\n<p class=\"lf-p\">S: maar heb jij nu nog vragen?</p>\n<p class=\"lf-p\">M: Nee het is mij nu duidelijk...(..) S: En als je het even niet meer ziet zitten (NTV) dan zeg je ik ga er weer vandoor wil je me nog een keer spreken dan is hier mijn nummer.. en dan weetje ook een beetje hoe ze het gesprek zijn ingegaan en wat ze allemaal hebben gevraagd weetje.. (..) M: “maar.. wat ik wel wil eigenlijk dat we er het gewoon bijhouden van nou ok we hebben een open relatie (NTV).. we kennen elkaar sinds maart vorig jaar, en dat jij haar al had als vriendinnetje.. prima geen probleem dat wist ik niet daar wil ik ook niks van weten ik heb mijn dingen jij hebt jouw dingen, en we houden ook gewoon aan dat we elkaar af en toe zagen dat we dan bij elkaar bleven slapen enne.. wil jij dat ik (NVT) weet dat jullie samen een huis zouden kopen?</p>\n<p class=\"lf-p\">S: Je weet verder niks.. je weet ook niet van die polis”.</p>\n<p class=\"lf-p\">En omstreeks 22.30 uur wordt gezegd: “S: Echt hier ga je zo keihard doorheen... en dan ehh is t de bonus dat het wordt uitgekeerd (…) snap je wat ik bedoel? dan gaan we echt naar Bali... of wil je niet naar Bali?</p>\n<p class=\"lf-p\">M: Tuurlijk wel.. maar ik wil eigenlijk ook heel graag naar Singapore S: dan doen we het allebei.</p>\n<p class=\"lf-p\">S: eh levensverzekering kan je vragen Hoe bedoel je dat? dan gaan ze vragen heb jij een levensverzekering? Nou dat weet ik niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">S: dan zeg je nee die heb ik niet..(..) (…) S: ze weten dat jij en ik het hebben gehad over.. ehh t ongeluk.. ja... jij moet weten van mij dat t een ongeluk is ehhh gebeurd in Suriname dat ik daar heel veel moeite mee heb en daar door slecht slaap en ehm dat soort dingen Omstreeks 23.58 uur bespreken verdachte en [betrokkene 8] het volgende: “S: Ok.. ik heb eh als het inderdaad wel uitgekeerd wordt dan gaat er zo wie zo een beetje geld naar m’n ex... (…)” [betrokkene 8] heeft over dit gesprek bij de raadsheer-commissaris verklaard dat ze instructies kreeg van verdachte en dat hij probeerde haar gerust te stellen. Over die bonus in dat gesprek zegt [betrokkene 8] dat zij denkt dat het over die levensverzekering gaat. (…) 10Overwegingen met betrekking tot feit 2 De verdediging heeft ter zitting van het hof primair aangevoerd, dat de ten laste gelegde handelingen geen begin van uitvoering in de zin van artikel 45 Sr opleveren. Dat verdachte op 21 juli 2015 aan een medewerker van Dela telefonisch meldt dat [slachtoffer] is overleden en informatie inwint, brengt niet met zich dat daaruit blijkt dat verdachte opzet had om verzekeringsgelden te innen, laat staan dat daaruit zou blijken dat hij Dela zou willen oplichten. De telefoongesprekken van 21 juli 2021 kunnen niet worden gekwalificeerd als handelingen, gericht op het bewegen van Dela tot het uitkeren van € 300.000,- en € 10.000,-.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen rol heeft gespeeld bij het overlijden van [slachtoffer] . Verdachte heeft bij alle tenlastegelegde gedragingen geen oogmerk gehad om Dela onder valse voorwendselen geldbedragen aan hem uit te laten keren. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt hieromtrent, dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken blijkt. Verdachte heeft [slachtoffer] begin mei 2015 een overlijdensrisicoverzekering bij Dela laten afsluiten ter hoogte van € 300.000,- met een standaardbegunstiging. Hij heeft haar daartoe voorgespiegeld dat zij een wederkerige liefdesrelatie hadden en dat zij op korte termijn zouden gaan samenwonen. Op 1 juni 2015 verzoekt [slachtoffer] om verdachte als begunstigde op te nemen op de polis. Dezelfde dag herinnert verdachte [slachtoffer] eraan een uitvaartverzekering af te sluiten en checkt hij bij haar of dat ook bij Dela is. Op 15 juni 2015 wordt de uitvaartverzekering zodanig gewijzigd dat verdachte de begunstigde wordt. Op 16 juni 2015 belt verdachte vanuit Suriname naar Dela en stelt zich voor als [alias] en vraagt of de overlijdensrisicoverzekering op de juiste manier in orde was gemaakt met de opmerking ‘stel dat het straks zover is’. Op 26 juni 2015 is verdachte verantwoordelijk voor het overlijden van [slachtoffer] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 20 juli 2015 vraagt verdachte bij de gemeente een overlijdensuittreksel op en heeft deze gekregen, terwijl hij niet gerechtigd was om deze te krijgen. Dit uittreksel bespreekt verdachte vervolgens met Dela in het kader van uitkering van de afgesloten levensverzekering. Op 21 juli 2015 belt verdachte Dela met het bericht dat [slachtoffer] op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip. Verdachte wist op dat moment dat [slachtoffer] in de nacht van 26 juni 2015 te water is geraakt en vermoedelijk ook toen al was overleden. Nu hij aanwezig was bij - aldus het verdrinkingsscenario van verdachte - het te water raken van [slachtoffer] , kon verdachte ook een juist tijdstip noemen. Verder heeft verdachte ook niet verklaard dat hij bij haar overlijden een rol van betekenis heeft gespeeld. Het hof constateert dat verdachte in zijn contacten met Dela na de dood van [slachtoffer] - zelfs in het door verdachte gestelde ongevalsscenario - niet open en volledig is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte heeft in zijn contacten met Dela informatie ingewonnen welke stukken aanvullend nodig zijn om tot uitkering over te gaan en hij heeft bij Dela laten nagaan of het door hem geregelde uittreksel van de gemeente in dit geval voldoende zou zijn. Dela heeft daarop volgens de gebruikelijke procedure verdachte formulieren gezonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een poging tot misdrijf – in casu het oplichten van Dela – is strafbaar wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of uit voorgaande handelingen van verdachte, in samenhang met andere redengevende feiten en omstandigheden, blijkt van een begin van uitvoering waardoor het voornemen van verdachte op het gronddelict – het oplichten van Dela – zich heeft geopenbaard. Gedragingen zijn aan te merken als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf, als zij naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naast voorgaande handelingen acht het hof ook het telefoontje van verdachte naar Dela op 23 september 2015 van belang. Hierin vertelt verdachte dat hij belt naar aanleiding van een brief van Dela waarin het verzoek wordt gedaan om de toegezonden formulieren op te sturen. Verdachte brengt Dela op de hoogte en vertelt dat hij zit te wachten op stukken uit Suriname, maar dat dat niet zo snel geregeld is en dat hij het daarom ook nog niet kan sturen. Ook vertelt hij dat dit zes maanden kan duren, dat hij via een relatie heeft geprobeerd om de stukken eerder te krijgen, maar dat ze in Suriname niet heel snel werken. Verdachte zegt dat hij er helaas niks anders van kan maken en dat het al vervelend genoeg is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt, dat de hiervoor uiteengezette handelingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op het met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling laten uitkeren van de levensverzekering en derhalve op het oplichten van de Dela. Met name uit het melden van het overlijden op 21 juli 2015, het laten nagaan welke stukken hij nodig heeft om de verzekering te laten uitkeren en het navragen of de akte van overlijden kan worden vervangen door het overlijdensuittreksel nu hij (nog) niet de beschikking heeft over de akte, in samenhang bezien met de eerdere handelingen, blijkt van dit begin van uitvoering. Op 23 september 2015 benadrukt verdachte nog eens dat hij heeft geprobeerd de stukken sneller te krijgen maar (nog) niet de beschikking heeft over de akte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behalve uit voornoemde feitelijke handelingen blijkt ook uit het hiervoor weergegeven OVC gesprek met [betrokkene 8] op 27 september 2015 om 22:30 uur dat verdachtes opzet gericht was op het laten uitkeren van de levensverzekering en daarmee op het oplichten van Dela.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van het subsidiair gevoerde verweer overweegt het hof dat het hof, anders dan de raadsman, uitgaat van de feitelijke situatie waarin verdachte verantwoordelijk is voor het overlijden van [slachtoffer] . Gelet op de conclusies die het hof hiervóór ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft getrokken, wordt dit verweer eveneens verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concluderend is het hof van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot oplichting en het anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken aan degene door wie enige verstrekking wordt verleend, terwijl dat kan strekken tot bevoordeling van zichzelf, terwijl hij weet dat de verstrekte gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op die verstrekking.”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>Namens de verdediging is ter terechtzitting van 18 en 19 februari 2021 aangevoerd dat de ten laste gelegde gedragingen – anders dan het indienen van een aanvraag tot uitkering – nog geen begin van uitvoering betreffen, en hoogstens kunnen worden gekwalificeerd als voorbereidingshandelingen. Dat laatste is niet strafbaar. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat het niet zo gek is dat de verdachte 29 juni 2015 als datum van overlijden opgaf, omdat het slachtoffer die dag is gevonden en voor hem toen pas zeker was dat zij was overleden. Tot slot is aangevoerd dat de stelling dat de verdachte had moeten mededelen dat hij aanwezig was bij het te water raken van het slachtoffer en daarin een rol van betekenis had gespeeld, ‘absurd’ is. Gelet op de feitelijke gang van zaken in Suriname, waarbij het onderzoek op 29 juni 2015 door de Surinaamse politie was afgesloten, mocht de verdachte ervan uitgaan dat hij geen onderwerp (meer) was van een strafrechtelijk onderzoek.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">62.</span>Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Ten eerste wordt aangevoerd dat het oordeel dat sprake is van een begin van uitvoering van de voorgenomen oplichting van Dela getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, omdat de door het hof vastgestelde gedragingen in de kern erop neerkomen dat de verdachte zich liet informeren over de uitkering van de overlijdensverzekering. Dat alleen levert nog geen begin van uitvoering op, aldus de stellers van het middel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">63.</span>In tweede deelklacht wordt aangevoerd dat de bewezenverklaring tegenstrijdig is omdat bewezen is verklaard dat de verdachte opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt doordat hij niet de volledige waarheid heeft gesproken. Het niet volledig spreken van de waarheid, een passieve handeling, zou geen verstrekken behelzen, aldus de stellers van het middel. Daarnaast is de bewezenverklaring van het opzettelijk onjuist verstrekken van het gegeven dat het slachtoffer op 29 juni 2015 op een voor de verdachte onbekend tijdstip is overleden tegenstrijdig met de bewezenverklaring van feit 1, te weten dat de moord is gepleegd in de periode van 25 juni tot en met 29 juni 2015. Ook volgt uit de bewijsvoering niet dat de verdachte opzet heeft gehad op het niet naar waarheid verstrekken van het gegeven dat het slachtoffer vermoedelijk op 26 juni 2015 is overleden, aangezien het verliezen van een persoon in de rivier niet zonder meer meebrengt dat diegene dan ook vermoedelijk is overleden. Ook verdraagt het opzettelijk niet naar waarheid verstrekken zich niet met het uiten van een vermoeden. Tot slot wordt omstandig aangevoerd dat sprake is van schending van het nemo teneturbeginsel, aangezien het door het hof gemaakte verwijt erop neerkomt dat de verdachte strafbaar is omdat hij niet heeft gemeld dat hij aanwezig is geweest bij het overlijden van het slachtoffer en daarin een rol heeft gespeeld.</div>\n<p class=\"lf-p\">De beoordeling van het vierde middel 64. De eerste deelklacht faalt reeds omdat het hof niet alleen heeft vastgesteld dat de verdachte informatie heeft opgevraagd over de uitkering van de levensverzekering, maar onder andere ook heeft vastgesteld (en bewezen verklaard) dat</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de verdachte op 1 juni 2015 de begunstiging van de levensverzekering door [slachtoffer] heeft laten wijzigen, waardoor hij de begunstigde werd, terwijl hij van plan was om [slachtoffer] van het leven te beroven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de verdachte op 21 juli 2015 het overlijden van die [slachtoffer] telefonisch heeft gemeld bij Dela en tijdens dit telefoongesprek heeft gezegd dat zij op 29 juni 2015 is overleden, in de ochtend, op een voor hem onbekend tijdstip;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de verdachte een uittreksel van het overlijden bij de gemeente heeft opgevraagd en dat heeft voorgehouden bij de verzekeraar;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de verdachte op 23 september 2015 een telefoontje heeft gepleegd naar aanleiding van het verzoek van Dela om de toegezonden formulieren op te sturen waarbij de verdachte te kennen geeft dat hij dit niet kan doen omdat hij nog wacht op papieren uit Suriname maar heeft geprobeerd om via een relatie de stukken eerder te krijgen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Uit een en ander heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte jegens de verzekeraar verscheidene handelingen heeft verricht die – beoordeeld naar de uiterlijke verschijningsvorm ervan – voldoende concreet waren gericht op de voltooiing van het misdrijf, te weten: de uitkering van de verzekerde som. Dat het hof een en ander heeft aangemerkt als het begin van uitvoering van de (voorgenomen) oplichting, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">65.</span>De tweede deelklacht faalt ook. Het opzettelijk verzwijgen van informatie, als onderdeel van een samenweefsel van verdichtsels, waardoor een (rechts)persoon wordt bewogen tot afgifte van iets waartoe hij anders niet zou zijn overgegaan, valt – anders dan in de toelichting op de tweede deelklacht wordt aangevoerd – ook onder oplichting. Tegelijkertijd valt blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 227a Sr het verzwijgen van inlichtingen ook onder het niet naar waarheid verstrekken van gegevens als bedoeld in die bepaling. Het hof heeft overwogen dat het niet het scenario van de verdachte volgt en stelde vast dat de verdachte aanwezig was bij, en verantwoordelijk was voor het overlijden van het slachtoffer. Het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte dus meer en anders wist dan dat hij heeft gemeld, is niet onbegrijpelijk. In het verlengde daarvan is er dan ook geen strijd met de bewezenverklaring van feit 1, te weten dat de moord op enig moment in de periode van 25-29 juni 2015 heeft plaatsgevonden. De verdachte, als verantwoordelijke, zou dit moment moeten kennen. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof ervan uitgaat dat dit eerder 26 juni, het moment dat het slachtoffer te water is geraakt, dan op 29 juni, het moment waarop het lichaam is gevonden, zal zijn geweest.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">66.</span>Tot slot is geen sprake van enige strijd met het aan artikel 6 EVRM ontleende nemo teneturbeginsel, alleen al omdat het (bij het aan de verdachte gemaakt verwijt dat hij niet naar waarheid heeft verklaard omtrent de toedracht van het overlijden van het slachtoffer) niet gaat om de vervolging van een strafbaar feit maar om de uitkering van een verzekering.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">67.</span>Het vierde middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Het vijfde middel 68. Het vijfde middel bevat de klacht dat redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in cassatie is geschonden. Ook wordt betoogd dat, indien de Hoge Raad van oordeel is dat de hiervoor gaande middelen op grond van artikel 80a RO kunnen worden afgedaan, de Hoge Raad gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het EHRM omtrent de kwestie of (slagende) klachten aangaande de redelijke termijn wel met een ‘geen belang’-redenering kunnen worden afgedaan, hetgeen vaste rechtspraak is van de Hoge Raad.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">69.</span>Dit middel is terecht voorgesteld omdat zowel de inzendtermijn als de behandeltermijn in cassatie is overschreden. Namens de verdachte is op 14 april 2021 cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 2 april 2021. Ten tijde van het instellen daarvan bleef de verdachte in voorlopige hechtenis. Op 8 april 2022 zijn de processtukken ontvangen ter griffie van de Hoge Raad, zodat het hof de stukken niet tijdig, te weten binnen zes maanden na het instellen van het beroep naar de griffie van de Hoge Raad heeft gezonden (de overschrijding betreft afgerond zes maanden). Daarnaast zal de Hoge Raad niet meer binnen zestien maanden na het instellen van het beroep uitspraak kunnen doen. Die termijn liep reeds af op 14 augustus 2022. Dit moet leiden tot strafvermindering volgens de gebruikelijke maatstaf. Aan de kwestie omtrent het stellen van prejudiciële vragen kom ik niet toe, omdat ik meen dat de overige middelen, en dus het cassatieberoep, niet op de voet van artikel 80a RO kunnen worden afgedaan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 70. Het eerste, tweede, derde en vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering. Het vijfde middel slaagt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">71.</span>Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">72.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG De verdediging heeft nadien het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van getuige [betrokkene 1] herhaald, hetgeen het hof eveneens heeft afgewezen. Hierop zal in (de zesde deelklacht van) het derde middel worden ingegaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16 (Keskin tegen Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576; HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:693; HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, NJ 2021/368 m.nt. Jörg.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.6.1-2.6.2 en 2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot hof: Zaaksdossier 2, p. 1284 en 1285.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot hof: Zaaksdossier 2, p. 1222: verhoor [betrokkene 4] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot hof: Zaaksdossier 2, p. 1201 en 1202.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar de verklaring van de getuige [betrokkene 4] wordt dus uitsluitend verwezen op p. 27 van het verkorte arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.8. e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie EHRM (GK) 15 december 2011, nrs. 26766/05 &amp; 22228/06, NJ 2012/283 m.nt. Schalken en Alkema (Al-Khawaja &amp; Tahery/Verenigd Koninkrijk), o.a. § 152. Zie ook: EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10, NJ 2017/294 m.nt. Myjer (Schatschaschwili/Duitsland), § 107.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR2021:1930, NJ 2022/22; vgl. ook HR 17 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:692 (HR: 81 RO).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.9.3 en 2.12.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Blijkens de letterlijke bewoordingen van het middel komt het ook op tegen de bewezenverklaring van de poging tot oplichting van verzekeringsmaatschappij Dela. In de deelklachten en de toelichtingen daarop heb ik echter geen concrete klachten over kunnen ontdekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaststelling dat geen alcohol is genuttigd zou daarentegen eerder belastend dan ontlastend werken.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388, NJ 2021/227, en HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:389, NJ 2021/228 m.nt. Machielse. Zie voor een concreet geval van poging tot oplichting, waarin de bewezen verklaarde gedragingen m.i. vérder verwijderd waren van de voltooiing van de oplichting: HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:504 (HR: 81 RO), met daaraan voorafgaande conclusie van A-G Keulen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1994/95, 23993, nr. 3, p. 11: “Een onware voorstelling van zaken kan natuurlijk ook op wat subtielere wijze worden gegeven bij voorbeeld door opzettelijk bepaalde, voor de beoordeling van de situatie relevante, gegevens te verzwijgen: wie bij voorbeeld in een situatie waarin kennelijk wordt verondersteld dat geen inkomen is genoten, wel andere inlichtingen verstrekt, maar desbewust nalaat aan te geven dat wel loon is ontvangen, kan door deze opzettelijk bewerkstelligde onvolledigheid van de gegevens, ook geacht worden onware gegevens te hebben verstrekt. Het voorgestelde artikel 227a, tweede lid, Sr dekt daarmee ook het bestanddeel «opzettelijk verzwijgen van gegevens», dat thans is opgenomen in (onder meer) artikel 84m van de Algemene Bijstandswet.”</p></div>", "next": 0}