{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ik lees daarin namelijk niet dat het hof deze omstandigheden heeft betrokken in het bewijs van opzet van de verdachte. Naar ik meen heeft het hof met deze overwegingen louter de bedoeling van de medeverdachten met de constructie waar de verdachte aan heeft meegewerkt tot uitdrukking willen brengen. Los daarvan is voor het bewijs van het opzet-bestanddeel ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers’ als zodanig niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte (geheel) op de hoogte was van de plannen of het “draaiboek” van de medeverdachten. Daarvoor is namelijk voldoende dat de handeling van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>Het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak sprake is van een dergelijke aanmerkelijke kans die de verdachte bewust heeft aanvaard is volgens de stellers van het middel evenmin toereikend gemotiveerd. De toelichting bij het middel zegt daarover dat “het enkele gegeven dat [B1] BV kwetsbaar was in verband met een mogelijke (conservatoire) beslaglegging” daarvoor niet voldoende is, en dat het hof daarmee voorbijgaat aan het verweer van de verdediging dat de verdachte niet op de hoogte was van zodanige financiële problemen dat een faillissement aanstaande zou kunnen zijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>Ik volg een dergelijke lezing van het bestreden arrest niet. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat schuldeisers zouden worden benadeeld bewust heeft aanvaard en heeft in dat kader het verweer van de verdediging dat de verdachte niet bekend was met een dergelijk aanmerkelijk risico op faillissement als volgt verworpen. De verdachte wist, zo heeft het hof feitelijk vastgesteld, dat de [B] groep in een reorganisatie verwikkeld was en dat [B1] BV na die reorganisatie de achterblijvende vennootschap was, van waaruit diverse projecten waren overgeheveld naar de nieuwe vennootschappen in de [B] groep. Voorts heeft het hof overwogen dat de verdachte heeft verklaard dat de appartementsrechten in eerste instantie werden overgedragen uit angst voor beslaglegging.</div>\n<p class=\"lf-p\">Hierom had de verdachte volgens het hof zich moeten realiseren dat [B1] BV kwetsbaar was. Tevens heeft het hof meegewogen dat er geen enkele logische en aantoonbare relatie bestond tussen de [B] groep en [D1] BV, in die zin dat daaruit schulden of andere verplichtingen in die orde van grootte zouden voortvloeien. De door het hof aan deze omstandigheden verbonden gevolgtrekking dat er een aanmerkelijke kans, dat wil zeggen een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid, bestond dat het opzetten en uitvoeren van vorengenoemde U-constructie een verkorting van de rechten van de schuldeisers van [B1] BV zou doen ontstaan – hetgeen zich uiteindelijk ook heeft voltrokken – acht ik, mede bezien in het licht van de overige vaststellingen van het hof (zie hiervoor onder randnummers 19-21) en de gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit dit een en ander volgt immers onder meer dat: (i) er plannen waren voor een herstructurering van de [B] -groep, waarbij het [project] in [plaats] – dat toekwam aan [B1] BV – achter zou blijven, nu daar geen waarde in zat; (ii) de appartementsrechten in het [project] in een tijdspanne van een paar dagen meermaals zijn doorverkocht beneden de prijs, voordat ze weer werden terug verkocht aan [B1] BV; (iii) er in die periode een zesde hypotheek op die appartementsrechten is gevestigd door [D1] BV als hypotheekgever ten gunste van [B2] BV, zonder dat daar reële geldleningen en financieringen tegenover stonden; (iv) de appartementsrechten vijftien minuten daarna weer zijn geleverd aan [B1] BV; (v) de appartementsrechten een dag daarna weer tweemaal zijn doorverkocht; (vi) in verband met het gevestigde hypotheekrecht een bedrag van € 427.932,65 aan [B2] BV is overgemaakt; (vii) uiteindelijk slechts schulden van een bedrag van € 240.000 zijn overgenomen van [B1] BV; (viii) [B1] BV later dat jaar in staat van faillissement is verklaard.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>Het oordeel van het hof dat de verdachte deze aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van schuldeisers bewust heeft aanvaard, kan ik al met al volgen. De verdachte heeft als notaris de constructie begeleid en was in die hoedanigheid van bovengenoemde omstandigheden op de hoogte. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de verdachte wist dat de appartementsrechten in eerste instantie waren overgedragen uit angst voor beslaglegging. Het in de bewijsvoering besloten liggend oordeel dat de verdachte door mee te werken aan deze, ook voor hem als notaris, ongebruikelijke constructie, kennelijk zonder nader onderzoek te doen, die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard, komt mij dan ook niet onbegrijpelijk voor.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>Anders dan de stellers van het middel menen heeft het hof dit oordeel tevens (mede gelet op hetgeen de verdediging ter terechtzitting heeft aangevoerd) genoegzaam gemotiveerd, ook in de zin van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>De eerste deelklacht faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">De tweede deelklacht: medeplegen 29. De tweede deelklacht van het tweede middel keert zich tegen de bewezenverklaring van medeplegen. Gesteld wordt dat noch uit de bewijsoverweging, noch uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen dat het opzet van de verdachte gericht was op de nauwe samenwerking om toekomstige schuldeisers in hun rechten te verkorten.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">29.</span>Uit vaste rechtspraak volgt dat voor de kwalificatie medeplegen als bedoeld in art. 47 Sr een nauwe en bewuste samenwerking wordt vereist. Uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat de verdachte zo nauw en bewust met zijn mededaders heeft samengewerkt dat sprake is van het medeplegen van die gedraging. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Naast opzet op de strafbare gedraging zelf, moet voorts vast komen te staan dat het opzet van de verdachte gericht is op het medeplegen zelf. Ook hier volstaat voorwaardelijk opzet. Doorgaans kan uit het feit dat nauw en bewust is samengewerkt reeds een dergelijk opzet worden afgeleid.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">31.</span>Het hof heeft ten aanzien van het medeplegen vooropgesteld dat de verdachte als notaris dient toe te zien op een juiste financiële afwikkeling bij de levering van registergoederen en bij de vestiging en levering van beperkte rechten op registergoederen en hem in dat kader een onderzoeksplicht toekomt, die inhoudt dat hij niet louter af mag gaan op hetgeen de betrokken partijen verklaren, maar zelf onderzoek moet doen. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de verdachte zijn medewerking heeft verleend aan de vermeende constructie, onder meer door het vestigen van een hypotheekrecht op appartementsrechten waar geen schuld of andere verplichting tegenover stond, op grond waarvan hij een deel van de opbrengst van de appartementsrechten aan een andere vennootschap dan de verkopende partij heeft doen toekomen. De verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof de aanmerkelijke kans dat schuldeisers zouden worden benadeeld bewust aanvaard, om de redenen als hierboven vermeld onder randnummers 25-26.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">31.</span>Het in deze overwegingen besloten liggend oordeel dat de verdachte nauw betrokken is geweest bij de uitvoering van het strafbare feit en daar opzettelijk aan heeft bijgedragen acht ik, bezien tegen de achtergrond van het hiervoor uiteengezette juridisch kader en mede gelet ook op de overige vaststellingen van het hof (zie hiervoor onder randnummers 19-24) niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. De verdachte heeft met zijn gedragingen – het opstellen en passeren van alle leverings- en hypotheekakten – immers een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het opzetten en uitvoeren van de U-constructie. Dat niet is gebleken dat de verzoeker de gewraakte constructie of het “draaiboek” heeft bedacht of daarover heeft geadviseerd, zoals in de toelichting bij het middel wordt gesteld, maakt dat niet anders.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">31.</span>Voor zover het middel ook hier klaagt dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is, nu het hof enerzijds heeft overwogen dat tegenover het hypotheekrecht geen schuld of andere verplichting bestond, maar anderzijds heeft vastgesteld dat [B2] BV schulden heeft overgenomen van [B1] BV, mist het wederom doel.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">34.</span>Het middel faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">VI. Het derde middel en de bespreking daarvan Het middel 35. Het derde middel richt zich tegen de bewezenverklaringen onder 3 en 4 van (telkens) valsheid in geschrift. Volgens de stellers van het middel getuigt de bewezenverklaring van beide feiten van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel van een ontoereikende motivering. Ik zal deze feiten en de bijbehorende klachten hieronder afzonderlijk bespreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Feit 3 36. Het hof heeft kort gezegd bewezenverklaard dat de verdachte een authentieke akte, te weten een akte van levering van de appartementsrechten in het [project] , valselijk heeft opgemaakt in de zin van art. 226, eerste lid, Sr j° art. 225, eerste lid Sr. Deze bepalingen luiden:</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 225 Sr: “1. Hij die een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk opmaakt of vervalst, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, wordt als schuldig aan valsheid in geschrift gestraft, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. […]”</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 226 Sr: “1. De schuldige aan valsheid in geschrift wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren of geldboete van de vijfde categorie, indien zij gepleegd is:</p>\n<p class=\"lf-p\">1°. in authentieke akten; […]”</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">37.</span>Wat betreft de authentieke akte gaat het om de akte van levering van de appartementsrechten in het [project] d.d. 1 februari 2011 tussen [B1] BV (verkoper) en [E] BV (koper), en dan in het bijzonder om de volgende zinsnede: “Verdachte [betrokkene 2] als schriftelijk gevolmachtigde van [B3] BV, te deze handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [B1] BV […]”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">38.</span>Het hof heeft vastgesteld dat [B3] BV, in de persoon van de medeverdachte [betrokkene 2] , tot 24 januari 2011 bestuurder was van [B1] BV. Op 24 januari 2011 nam [betrokkene 3] , naar eigen zeggen als stroman van [betrokkene 1] , dat stokje – via de Stichting Administratiekantoor [F] – over. Ten tijde van de levering van de appartementsrechten op 1 februari 2011 was [B3] BV niet langer de bestuurder van [B1] BV. De bedoelde leveringsakte is naar het oordeel van het hof hierom vals. Dat oordeel getuigt volgens de stellers van het middel van een onjuiste rechtsopvatting en/of is niet zonder meer begrijpelijk nu: (i) uit de akte de juistheid van de vennootschapsstructuur en/of de bevoegdheid ten tijde van het passeren van de akte niet hoeft te blijken; (ii) [B3] BV als bestuurder handelde en in de akte niet staat dat zij (nog) bestuurder was; (iii) de medeverdachte [betrokkene 2] als verschenen vertegenwoordiger ook volgens het hof voor het moment van levering al gemachtigd was; (iv) het hof met de overname van een overweging van de rechtbank zelf heeft vastgesteld dat “de koopovereenkomst die aan deze levering ten grondslag lag tot stand was gekomen toen [betrokkene 2] nog middellijk bestuurder was van [B1] BV”.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>De onder (i) vermelde klacht wordt in de toelichting bij het middel niet nader onderbouwd. Mogelijk zijn de de stellers van het middel hier in de war met het vereiste van art. 227 Sr dat de valsheid moet zien op “een feit van welks waarheid de akte moet doen blijken”. Een dergelijke eis kent het gekwalificeerde delict valsheid in geschrift in de zin van art. 226 j° art. 225 Sr namelijk niet. Van een (intellectuele) valsheid als bedoeld in deze bepalingen is sprake wanneer de inhoud niet overeenstemt met de werkelijkheid. Dat is hier onmiskenbaar het geval en dat wordt door de stellers van het middel ook niet betwist. Bovendien bestrijd ik het standpunt dat de juistheid van dergelijke informatie niet uit de akte hoeft te blijken.</div>\n<p class=\"lf-p\">Mede bezien in het licht van de functie die de notariële akte in het maatschappelijk verkeer toekomt en de vergaande verantwoordelijkheid die daaruit voortvloeit ten aanzien van de waarachtigheid en rechtmatigheid van de feiten die daarin worden opgegeven, vormen de gegevens van de verkopende partij (en de juistheid daarvan) in mijn optiek essentiële informatie in een leveringsakte. In dit geval zijn namens [B1] BV via deze leveringsakte appartementsrechten verkocht door een partij die helemaal geen titel had om namens deze BV op te treden. Die onjuistheid raakt wel degelijk de essentie van de leveringsakte. Dat, zoals de stellers van het middel onder deelklacht (ii) betogen, de zinsnede luidt dat [B3] BV als bestuurder handelde en niet dat zij bestuurder was, maakt dat niet anders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lijkt mij duidelijk dat een dergelijke formulering in een notariële akte impliceert dat de betreffende BV ook in feite de bestuurder is.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>Deelklacht (iii) kan ik evenmin volgen. Anders dan de toelichting op het middel stelt, heeft het hof niet met zoveel woorden vastgesteld dat de medeverdachte [betrokkene 2] op het moment van levering al gemachtigd was. Het hof heeft, naar aanleiding van het verweer van de verdediging dat [betrokkene 2] op grond van een volmacht handelde voor [B3] BV toen deze BV nog bestuurder was van [B1] BV en dat die volmacht ook na de bestuurswissel van kracht bleef, overwogen dat het best wil “aannemen dat [betrokkene 2] gevolmachtigd was door [B3] BV”, maar dat het erom gaat “dat op het moment van leveren [B3] BV geen bestuurder meer was van [B1] ”. Daarin ligt het geenszins onbegrijpelijke oordeel besloten dat een volmacht tussen [betrokkene 2] en [B3] BV na de bestuurswissel bij [B1] BV niet meer ter zake doet voor wat betreft de vertegenwoordigingsbevoegdheid van [B1] BV, nu vanaf dat moment [B3] BV niet langer bestuurder was van [B1] BV.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>Tot slot gaat deelklacht (iv) mijns inziens uit van een onjuiste lezing van de door het hof overgenomen overwegingen van de rechtbank. Daarin valt namelijk te lezen dat de verdachte “ter terechtzitting [heeft] verklaard […] dat de koopovereenkomst die aan deze levering ten grondslag lag tot stand was gekomen toen [betrokkene 2] nog middellijk bestuurder was van [B1] BV”. Het betreft aldus een weergave van de verklaring van de verdachte zelf. Niet is gebleken dat de rechtbank of het hof zo een vaststelling heeft gedaan.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>Alles overziend meen ik dat het oordeel van het hof dat vorengenoemd onderdeel van de notariële akte d.d. 1 februari 2011 vals is niet op een onjuiste rechtsopvatting is gestoeld. Dat oordeel komt mij evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd voor. Het middel kan derhalve, voor zover het de onder 3 bewezenverklaarde valsheid in geschrift betreft, niet slagen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Feit 4 43. Voorts klaagt het derde middel over de bewezenverklaring van de onder 4 tenlastegelegde valsheid in geschrift. Blijkens de toelichting is het de stellers van het middel te doen om zowel het oordeel dat i) de akte vals is, als om ii) het oordeel dat de verdachte de akte opzettelijk valselijk heeft opgemaakt.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de hypotheekakte d.d. 31 januari 2011 waarin [D1] BV (de schuldenaar) een hypotheekrecht vestigt op de appartementsrechten in het [project] ten gunste van [B2] BV (de schuldeiser) valselijk heeft opgemaakt. In die akte is de volgende passage opgenomen: “De schuldenaar verklaarde, ter uitvoering van voormelde overeenkomst, aan de schuldeiser te verlenen tot het hierna te noemen bedrag op het hierna te noemen onderpand, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de schuldeiser blijkens haar administratie van schuldenaar te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welken anderen hoofde ook”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>Naar het oordeel van het hof is deze passage vals. Het hof heeft daartoe, deels door overneming van de overwegingen van de rechtbank in eerste aanleg, onder meer overwogen dat er op het moment van vestigen van de hypotheek geen leningen of andere verplichtingen tegenover stonden en dat zo een tegenprestatie ook niet in de lijn der verwachting kon liggen gezien de korte tijdspanne van vijftien minuten waarbinnen de appartementsrechten weer aan een derde zouden worden geleverd. Het hof acht het voorts in dat verband volstrekt onaannemelijk dat er vrees bestond dat [D1] BV in die vijftien minuten tussen het passeren van de hypotheekakte en de leveringsakte aan [B1] BV een waardevermeerdering te gelde zou maken en dat een hypotheek was gevestigd om dat te voorkomen, zoals door de verdediging naar voren is gebracht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>De stellers van het middel menen dat het oordeel van het hof dat deze passage in de hypotheekakte vals is om verschillende redenen van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, dan wel onbegrijpelijk is. Zo wordt in de toelichting gesteld dat de akte niet vals is omdat de verdachte daarin heeft opgenomen wat de schuldenaar heeft verklaard en het er verder niet toe doet of die verklaring juist is. Daarmee wordt miskend dat een in een akte opgenomen onjuiste verklaring er wel degelijk toe kan leiden dat de akte vals is in de zin van art. 225-226 Sr. Voorts wordt door de stellers van het middel aangevoerd dat bovengenoemde passage niet vals is, omdat er wél schulden tegenover de hypotheek zouden (kunnen) komen te staan.</div>\n<p class=\"lf-p\">Zij wijzen in dat verband op de overwegingen van het hof dat [B2] BV enkele schulden van [B1] BV heeft overgenomen. Dat is echter niet relevant, nu dit niets zegt over de vraag of tussen [D1] BV en [B2] BV schulden werden overgenomen. Daarvan was volgens het hof geen sprake. Tot slot betogen de stellers van het middel dat de passage niet vals is, omdat het bestaan/de juistheid van de tegenprestatie niet uit de hypotheekakte hoeft te blijken, de akte deze tegenprestatie niet creëert en zij als zodanig dus ook geen (executoriale) titel tussen partijen oplevert. Daarmee worden eisen aan het begrip ‘vals’ gesteld die geen steun vinden in het recht. Zoals ik onder randnummer 39 al opmerkte is daarvoor voldoende dat de inhoud niet overeenstemt met de werkelijkheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is bij zijn oordeel dat de betreffende hypotheekakte vals is dan ook uitgegaan van het juiste rechtskader en heeft dat oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">47.</span>Datzelfde geldt mijns inziens voor het oordeel van het hof dat de verdachte dit opzettelijk gedaan. De deelklacht die daartegen opkomt, is niet nader onderbouwd en daarom meen ik dat ik de bespreking ervan kort kan houden. Het hof heeft zich in dat kader aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank in eerste aanleg dat het, gezien de wetenschap en de positie waarin de verdachte verkeerde toen hij deze akte passeerde en zijn handelwijze daarna (de uitbetaling aan een ander dan de verkopende partij), niet anders kan zijn dan dat hij bovengenoemde passage opzettelijk op deze wijze, in strijd met de waarheid, in de akte heeft opgenomen. Dat oordeel acht ik, mede gelet op het geheel aan vaststellingen die het hof heeft gedaan wat betreft het samenstel van gedragingen van de verdachte als notaris ten aanzien van deze ongebruikelijke constructie en de daaruit voortvloeiende wetenschap van de verdachte, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Het middel faalt in alle onderdelen.</div>\n<p class=\"lf-p\">VII. Het vierde middel en de bespreking daarvan 49. Het vierde en laatste middel omvat een aantal nogal uiteenlopende klachten die kennelijk, al dan niet in samenhang bezien, volgens de stellers van het middel een zodanige schending van de verdedigingsrechten van de verdachte als bedoeld in art. 6 EVRM inhouden dat “het arrest niet in stand kan blijven en niet volstaan kan worden met de gebruikelijke strafvermindering”. Daartoe wordt aangevoerd dat: (i) de inzendtermijn in cassatie is overschreden; (ii) het verkorte arrest niet binnen vier maanden na het instellen van het cassatieberoep is aangevuld met de wettige bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a jº art. 415 Sv; (iii) het hof diverse feiten en omstandigheden redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring zonder het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend; (iv) stukken in het ongerede zijn geraakt (zie het eerste middel).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>De stellers van het middel merken onder (i) terecht op dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Namens de verdachte is op 4 november 2020 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 mei 2022 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden ruimschoots overschreden. Een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren, is niet meer mogelijk. Ik meen dat deze termijnoverschrijding dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>Dat geldt niet voor deelklacht (ii). Het niet tijdig aanvullen van het verkorte vonnis binnen de in art. 365a jº art. 415 Sv voorgeschreven termijn leidt immers niet tot nietigheid en ook anderszins is niet voorzien in een wettelijke sanctie op het niet nakomen van deze termijn.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">52.</span>Wat betreft de onder (iii) vermelde klacht bevreemdt het mij enigszins dat deze niet bij de eerdere middelen die zien op de bewezenverklaring van de verschillende feiten is betrokken, maar in plaats daarvan in het kader van de beginselen van een behoorlijke procesorde als bedoeld in art. 6 EVRM is geplaatst. Hoe dan ook zie ik geen beletsel deze klacht hier alsnog te bespreken. Blijkens de toelichting gaat het om de volgende feiten en omstandigheden:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de overdracht van diverse projecten via een overeenkomst tussen [B1] BV en de overnemende vennootschappen in januari 2011 voor een bedrag van € 2.505.500 (verhoogd tot 3.606.500);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de opbrengst van het project is door [B2] BV en [B3] BV niet als zodanig verantwoord maar versluierd en onder een andere noemer (vooral als opbrengst aandelen) in de geconsolideerde cijfers van [B3] BV opgenomen;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de wetenschap van de verdachte en de positie waarin hij verkeerde toen hij ‘de akte van feit 4’ passeerde.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>Vooropgesteld moet worden dat op grond van art. 359, derde lid, Sv de beslissing van de rechter dat het feit door de verdachte is begaan moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Dat houdt in dat de rechter in beginsel in de bewijsoverweging geen gebruik mag maken van feiten of omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring maar niet in de bewijsmiddelen voorkomen. Het dient dan wel te gaan om “redengevende feiten of omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt (mijn cursivering, A-G), dus om bezwarend materiaal waarop de beslissing dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan, rechtstreeks steunt”.</div>\n<p class=\"lf-p\">Reeds hierom is wat betreft de onder de eerste twee hierboven weergegeven gedachtestreepjes genoemde feiten en omstandigheden een vernietiging van het bestreden arrest niet aan de orde. De overdracht van andere projecten dan het [project] in de [B] -groep (het eerste gedachtestreepje) heeft immers weinig van doen met de bewezenverklaarde feiten. Ten aanzien van de versluiering van de opbrengst van het [project] (het tweede gedachtestreepje) heb ik reeds onder randnummer 23 er op gewezen dat het hof deze omstandigheden niet heeft betrokken in het bewijs van opzet van de verdachte. Dat laatste geldt dan weer wel voor de onder het derde gedachtestreepje genoemde wetenschap van de verdachte bij het passeren van de akte (feit 4), maar ik deel niet het standpunt van de stellers van het middel dat die wetenschap zijn weerslag niet vindt in de gebezigde bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft die wetenschap in mijn lezing van de bewijsoverwegingen afgeleid uit de betrokkenheid van de verdachte bij de frauduleuze constructie. Deze betrokkenheid blijkt genoegzaam uit de in de bewijsmiddelen opgenomen leverings- en hypotheekaktes en de verklaring van de verdachte.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">54.</span>Tot slot de onder (iv) geformuleerde deelklacht. Een bespreking daarvan laat ik hier buiten beschouwing, nu dit in wezen een herhaling van zetten is en ik al in mijn bespreking van het eerste middel heb uiteengezet waarom het ontbreken van enkele onderliggende stukken niet tot nietigheid van het bestreden arrest leidt.</div>\n<p class=\"lf-p\">VIII. Slotsom 55. Het eerste, het tweede en het derde middel falen in alle onderdelen. Het vierde middel slaagt gedeeltelijk.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep, waarmee de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt overschreden, hetgeen eveneens tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf zal moeten leiden.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">55.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Het betreft vier door de verdachte zelf opgemaakte aktes, die als bewijsmiddelen 9, 10, 11 en 13 zijn opgenomen in de aanvulling met de wettige bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. paragraaf 4.3.6.3 van het Procesreglement van de Hoge Raad der Nederlanden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.</p>\n<p class=\"lf-p\">En ook anders dan in bijvoorbeeld HR 28 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1336 en HR 6 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:981, waarin het verkorte arrest van het hof niet was aangevuld met (een opgave van) de bewijsmiddelen en de uitspraak van het hof (in zoverre) in cassatie tot een vernietiging leidde. Voorts moet het voorliggende geval worden onderscheiden van gevallen waarin gedingstukken ontbreken, zoals het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting (o.a. HR 24 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:73 en HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1248) of de pleitnota die ter zitting is voorgedragen (o.a. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1650 en HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:999). In al deze gevallen kon het in cassatie voorgestelde middel wegens het ontbreken van de betreffende gedingstukken niet naar behoren worden onderzocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zij benadrukt dat de aanvulling in het onderhavige geval reeds door het hof was opgemaakt, maar per abuis niet eerder met de gedingstukken naar de Hoge Raad was toegezonden. Het is beslist niet de bedoeling dat het hof stukken, die eerder niet waren opgemaakt, naderhand alsnog opmaakt en instuurt (zie HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:235, NJ 2021/83 en HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:915, NJ 2022/241).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook HR 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2917, NJ 2015/243, m.nt. Reijntjes. In deze ontnemingszaak was de aanvulling met de bewijsmiddelen in het ongerede geraakt en niet meer beschikbaar gekomen. Dit behoefde volgens de Hoge Raad niet tot vernietiging te leiden, nu in de uitspraak van het hof in voldoende mate de wettige bewijsmiddelen waren vermeld waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel was ontleend en genoegzaam de inhoud daarvan was weergegeven, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden. Voorts zij opgemerkt dat de Hoge Raad in zijn arrest van 13 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1852 – waarbij het niet om in het ongerede geraakte stukken gaat, maar om een geval waarin het hof had volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen – tot het oordeel kwam dat de klacht vanwege het ontbreken van een redelijk belang bij de klacht niet tot cassatie kon leiden, omdat het hof naast die opgave van bewijsmiddelen in zijn arrest ook de redengevende inhoud van die bewijsmiddelen had opgenomen, waardoor de bewijsvoering aan de eis van art. 359, derde lid, eerste volzin, Sv voldeed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de papieren muur en de vensters die de Hoge Raad daarin heeft aangebracht: A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 256 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de aanvulling wordt de verdachte met de initialen J.W. aangeduid, terwijl zijn initialen J.G. zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BI4691, NJ 2010/104; HR 11 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7662; HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:166, NJ 2017/376, m.nt. Keulen; HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:430, NJ 2017/150.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inmiddels genaamd [A] BV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij merk ik volledigheidshalve op dat voor zover de stellers van het middel doelen op ’s hofs overwegingen elders in het bestreden arrest, inhoudende dat er geen schulden of ander verplichtingen tegenover het hypotheekrecht stonden, het hof kennelijk heeft bedoeld te zeggen dat op het moment van het vestigen van het hypotheekrecht tussen de partijen [D1] BV en [B2] BV geen sprake was van een kenbare tegenprestatie (in plaats van de partijen [B1] BV en [B2] BV). Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Dat [B2] BV vervolgens, nadat de appartementsrechten inclusief hypotheekrechten waren overgedragen aan [B1] BV, naar het oordeel van het hof wel een aantal schulden heeft overgenomen is in dat kader niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bewijsmiddel 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verklaring is niet als bewijsmiddel opgenomen. Daarover wordt echter in cassatie niet geklaagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718, NJ 2019/103, m.nt. Wolswijk, waarna volgt: “Met de thans gebruikelijke formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans is geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering \"de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans\".”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, m.nt. Mevis; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395, m.nt. Mevis; en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411, m.nt. Rozemond.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 18 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:735.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verwezen zij naar mijn overwegingen in randnummer 22 en voetnoot 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft onder het hoofd ‘Toepasselijke wettelijke voorschriften’ art. 326 Sr aangehaald naast de artikelen 57 en 341 Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bewijsmiddel 13 in de aanvulling met bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarover Noyon/Langemijer/Remmelink (NLR), Het Wetboek van Strafrecht, art. 227, aant. 3 (bewerkt door E.J. Hofstee; actueel t/m 1 januari 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.P. Cnossen, in: T&amp;C Strafrecht, art. 225 Sr, aant. 18a (bijgewerkt t/m 1 juli 2022).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit geval moet overigens worden onderscheiden van gevallen waarin de vraag speelt of het weglaten van bepaalde informatie in een geschrift tot valsheid in geschrift leidt. In die gevallen kan het van belang zijn in hoeverre een rechtsplicht bestaat die informatie in dat geschrift te vermelden, of in hoeverre die informatie anderszins essentieel is (vgl. o.a. HR 16 december 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9608, NJ 1987/322, m.nt. ’t Hart; de conclusie van mijn vroegere ambtgenoot Knigge vóór HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6354, NJ 2008/74). In de onderhavige zaak zijn gegevens over de vennootschapsstructuur en/of bevoegdheid opgenomen in de akte en is dus enkel nog de vraag relevant of die informatie juist is, en niet ook of zulke gegevens überhaupt uit een akte moeten blijken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Noyon/Langemeijer/Remmeling, Het Wetboek van Strafrecht, art. 225 Sr, aant. 4.3 (bewerkt door E.J. Hofstee; bijgewerkt t/m 14 januari 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bewijsmiddel 11 in de aanvulling met bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 26 juni 1984, ECLI:NL:HR:1984:AC8469, NJ 1985/75, m.nt. van Veen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwijs nogmaals naar randnummer 22 en voetnoot 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook NLR, a.w., art. 225 Sr, aant. 4.3., waarin ik o.m. schrijf dat met betrekking tot de notaris algemeen wordt aanvaard dat deze een zekere verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de waarachtigheid en rechtmatigheid van de feiten waarvan door partijen opgave wordt gedaan en dat zulks impliceert dat wanneer een notaris die weet dat de gegevens die hij in zijn akte opneemt, niet waar zijn, art. 226 Sr in beeld komt.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD0988, NJ 1998/557; HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2961, NJ 2002/233.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook G.K. Schoep, in: T&amp;C Strafvordering, art. 365a Sv, aant. 4b (bijgewerkt t/m 1 juli 2022).</p>\n<p class=\"lf-p\">Immers, indien het hof heeft verzuimd met voldoende mate van nauwkeurigheid het bewijsmiddel aan te geven waaraan het feiten of omstandigheden heeft ontleend die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, dan brengt dat mee dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed en het arrest via die weg dient te wordt vernietigd. Zie bijv. HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4752.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus A.J.A. van Dorst &amp; M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 330. Zie voorts o.m. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5851, NJ 2008/69, m.nt. Borgers en HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70, m.nt. Borgers.</p></div>", "next": 0}