{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Art 3 lid 2 WPPT verwijst voor de criteria om in aanmerking te komen voor de in het WPPT voorziene bescherming naar de Conventie van Rome: “The nationals of other Contracting Parties shall be understood to be those performers or producers of phonograms who would meet the criteria for eligibility for protection provided under the Rome Convention, were all the Contracting Parties to this Treaty Contracting States of that Convention. In respect of these criteria of eligibility. Contracting Parties shall apply the relevant definitions in Article 2 of this Treaty.” De Nederlandse vertaling van deze bepaling vind ik minder duidelijk, reden waarom ik de (authentieke) Engelstalige versie weergeef.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 4 lid 1 (slot) WPPT. Bij ‘gebruik’ gaat het om commercieel gebruik voor een ‘uitzending’ (gedefinieerd in art. 2 onder g) en voor een mededeling aan het ‘publiek’ (gedefinieerd in art. 2 onder h).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 4 lid 2 WPPT: “De in het eerste lid bedoelde verplichting [van nationale behandeling; A-G] is niet van toepassing voor zover een andere Verdragsluitende Partij gebruik maakt van de voorbehouden die ingevolge artikel 15, derde lid, van dit Verdrag, zijn toegestaan.” O.g.v. art. 16 lid 1, onder a, Conventie van Rome kon een verdragsstaat een voorbehoud maken t.a.v. het recht op een billijke vergoeding in art. 12 van dat verdrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het auteursrecht kan ook sprake zijn van discriminatie op grond van de nationaliteit van het werk. Zie S J. Schaafsma, Intellectual Property in the Conflict of Laws. The Hidden Conflict-of-law Rule in the Principle of National Treatment, Cheltenham/Northampton: Edward Elgar, 2022, par. 833-834. Deze uitgave is een vertaling en een actualisering van het proefschrift van de auteur uit 2009.</p>\n<p class=\"lf-p\">Australië, Canada, Chili, China, India, Japan, Nieuw-Zeeland, Russische Federatie, Singapore en Vietnam.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het editorial van C.B. van der Net, ‘Recht voor zijn raap!’, Auteursrecht 2021/2, p. 45: “De Juridische Dienst van de Raad die de lidstaten van de EU heeft geadviseerd over de ratificatie van en toetreding tot het [WPPT] verdrag, had zich op het standpunt gesteld dat het inroepen van reciprociteit juist aan de lidstaten was voorbehouden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Ole-Andreas Rognstad, professor aan de universiteit van Oslo, in zijn noot bij het RAAP-arrest in CMLRev. 2021, p. 1523-1546/1536: “… ‘US performers’ can be excluded from protection (…), without any notification from the EU or its Member States being necessary.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus de zesde overweging van Protocol nr. 30 bij het VEU en VWEU.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof is doorgaans genereuzer in het erkennen van persoonlijke rechten van natuurlijke personen (in de zaak RAAP: de uitvoerende kunstenaars) dan voor zuiver zakelijke belangen van ondernemingen. Vgl. HvJEU 9 februari 2012, C-277/10, ECLI:EU:C:2012:65, NJ 2013/16, m.nt. P.B. Hugenholtz (Luksan).Daar ging het ook om een geschil over de verdeling van een billijke vergoeding tussen rechthebbenden van wie één niets kreeg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter onderscheiding van het zogeheten primaire recht dat het volgende omvat: de verdragen (VEU, VWEU en Euratom), het Handvest en de algemene rechtsbeginselen als bedoeld in art. 6 lid 3 VEU.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de toelichting op het Handvest, PbEU 2007, C 303/17-35, p. 23. Zie ook Gerards, J. (red.), Grondrechten: de nationale, Europese en internationale dimensie, Nijmegen: Ars Aequi Libri - 2020, p. 365-366.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het arrest Luksan (noot 24), punt 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. J.F. Delile, ‘La Cour de Justice, promotrice de la Völkerrechtsfreundlichkeit’- Réflexions à l’occasion de l’arrêt Recorded Artists Actors Performers Ltd (8 septembre 2020, C-265/19), Cahiers du droit européen 2021, p. 529-581/567 : « La Cour a en revanche mobilisé l’article 17, paragraphe 2, de la Charte des droits fondamentaux en soulignant que le droit à la rémunération équitable issu de l’article 8, paragraphe 2, de la directive 2006/115 est un droit voisin du droit d’auteur qui fait « partie intégrante » de la protection de propriété intellectuelle consacrée à l’article 17, paragraphe 2 (…). ».</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest Luksan (noot 24), punt 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">In Nederland is er traditioneel een stroming die terughoudend staan tegen verdere uitbreiding van IE-bescherming. Lange tijd was het ‘treintje van Koopmans’ in dat verband een begrip: het verschijnsel dat steeds nieuwe onderwerpen worden beschermd door exclusieve rechten en als wagons worden gekoppeld aan de voortdenderende IE-trein (die werd getrokken door de Commissie). Zie T. Koopmans, ‘Minimonopolies’, RM Themis 1983, p. 342. Daarover o.a. P.B. Hugenholtz, ‘Auteursrecht op alles’, opinie in NJB 2008/333.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Teunissen Auteursrecht 2022/1, p. 73-74. De auteur is promovendus aan de Radboud Universiteit. Vgl. voor afwegingen tussen grondrechten o.a. de arresten van 29 juli 2019, C-469/17, ECLI:EU:C:2019:623 (Funke Medien / Bundesrepublik Deutschland) en C-516/17, ECLI:EU:C:2019:625 (Spiegel Online / Volker Beck). Zie voor een instructief rechtspraakoverzicht S. Kulk &amp; P. Teunissen, ‘Naar een nieuw fundament – hoe het Handvest het auteursrecht hervormt’, AMI 2019-4, p. 121-132 en AMI 2019-5, p. 149-161.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Torremans (hoogleraar aan de Universiteit van Nottingham) in: The EU Charter of Fundamental Rights (Steve Peers a.o. eds.), 2nd edition 2021. In par. 17(2).50 vermeldt Torremans bijvoorbeeld dat het BVerfG delen van IE-rechten onder de eigendomsbescherming van het Duitse Grundgesetz heeft gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het slot van het commentaar van Torremans, par. 17(2).97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. reeds HvJEG 6 februari 2003, C245/00, ECLI:EU:C:2003:68, punt 24 (SENA/NOS). Die zaak betrof een prejudicieel verzoek van de Hoge Raad over de vraag, kort gezegd, hoe moest worden bepaald of een billijke vergoeding als bedoeld in art. 8 lid 2 Richtlijn 92/100/EEG werkelijk billijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HvJEG 31 maart 1971, 22/70, ECLI:EU:C:1971:32 (AETR), in het Engels ERTA. Zie P.J. Kuijper in: The Law of the European Union, Kluwer Law International – 2018, p. 1238 e.v. en, recent, G. Butler en R.A. Wessel, https://europeanlawblog.eu/2021/03/31/happy-birthday-erta-50-years-of-the-implied-external-powers-doctrine-in-eu-law/.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.B. van der Net, ‘Recht voor zijn raap!’, Auteursrecht 2021/2, p. 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.B. Hugenholtz, NJ 2022/127, onder 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. Dusollier in haar noot bij het RAAP-arrest in: Jurisprudence de la CJUE 2020: décisions et commentaires, Éditions Bruylant, p. 867-888.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 11 van Richtlijn 96/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken, PbEG 1997, L 77/20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7 van Richtlĳn 2001/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende het volgrecht ten behoeve van de auteur van een oorspronkelĳk kunstwerk, PbEG 2001, L 272/32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 7 van Richtlijn 2006/116/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de beschermingstermijn van het auteursrecht en van bepaalde naburige rechten (gecodificeerde versie), PbEU 2006, L 177/12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld ook de regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens over de voorwaarden waaronder persoonsgegevens naar derde landen mogen worden doorgegeven. Een van die voorwaarden is dat een derde land een passend beschermingsniveau waarborgt. In HvJEU 6 oktober 2015, C-362/14, ECLI:EU:C:2015:650 (Schrems/Facebook) over de Safe harbor agreement EU-VS werd geoordeeld dat aan die voorwaarden niet was voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. art. 15 lid 1 van Richtlijn (EU) 2019/790 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2018 inzake auteursrechten en naburige rechten in de digitale eengemaakte markt en tot wijziging van Richtlijnen 96/9/EG en 2001/29/EG, PbEU 2019, L 130/92, de ‘DSM-richtlijn’. In die bepaling wordt voor online gebruik van perspublicaties alleen aan de in de EU gevestigde uitgevers een recht verleend (onderstreping toegevoegd): “De lidstaten verlenen in een lidstaat gevestigde uitgevers van perspublicaties de in artikel 2 en artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2001/29/EG bedoelde rechten voor het onlinegebruik van hun perspublicaties door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij.” In haar noot bij het RAAP-arrest in Auteursrecht 2021/2, p. 79 wijst Eechoud erop dat dit nieuwe recht voor uitgevers van perspublicaties onder vuur kan komen te liggen van Amerikaanse en Australische nieuwsconglomeraten, als die art. 17(2) Handvest als geschut kunnen inzetten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. IA van de Wet van 16 december 2020 tot wijziging van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten Stb. 2020/560 en Stb. 2020/561 (inwerkingtreding).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. S. Dusollier in: Jurisprudence de la CJUE 2020: décisions et commentaires, Éditions Bruylant, pp. 867-888/886.</p>\n<p class=\"lf-p\">Trb. 2019, 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 4 lid 3 van het Verdrag van Beijing: “The obligation provided for in paragraph (1) does not apply to a Contracting Party to the extent that another Contracting Party makes use of the reservations permitted by Article 11(3) of this Treaty, nor does it apply to a Contracting Party, to the extent that it has made such reservation.” Vgl. Kamerstukken II 2020/21, 22112, nr. 3017, p. 9 (eerste volledige alinea).</p>\n<p class=\"lf-p\">Sena heeft daartoe een convenant gesloten met de commissie auteursrechten van VNO-NCW en MKB Nederland, het ‘RAAP Convenant CAR-Sena’ https://sena.nl/nl/event/commissie-auteursrechten-vno-ncw-en-mkb-nederland-en-sena-sluiten-convenant-over-raap-toeslag.https://sena.nl/nl/event/commissie-auteursrechten-vno-ncw-en-mkb-nederland-en-sena-sluiten-convenant-over-raap-toeslag In september 2022 is overeenstemming bereikt over een ongewijzigde verlenging van de RAAP-toeslag voor het jaar 2023. Zie Update convenant RAAP-toeslag op Sena-tarieven 2023 | Sena (https://sena.nl/nl/event/update-convenant-raap-toeslag-op-sena-tarieven-2023).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij een vergoedingsrecht zijn de financiële gevolgen relatief gemakkelijk in kaart te brengen en treden er bovendien collectieve beheersorganisaties van rechthebbenden op. Dat vergroot de kans op een sterke lobby. Bij exclusieve rechten die individueel worden uitgeoefend, heeft het wegvallen van reciprociteit ook financiële consequenties, maar die zijn minder zichtbaar en minder goed meetbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">C.B. van der Net, Recht voor zijn raap!’, Auteursrecht 2021/2, p. 45-46. Het woord ‘maar‘ in het citaat lees ik als ‘slechts’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie https://www.grur.org/uploads/tx_gstatement/2021-10-26-GRUR-StN-Auswirkungen-EuGH-C%E2%80%91265_19-final.pdf Hetzelfde punt wordt gemaakt in de (korte) noot bij het RAAP-arrest van Th. Ewert in EuZW 2021/29. Zie ook Rognstad, in zijn noot bij het RAAP-arrest in CMLRev. 2021, p. 1523-1546/1544: “The way things are now, after the RAAP decision, the international (US) music industry is pressing for remuneration to the detriment of solutions that are meant to preserve cultural concerns at a national level.” https://ec.europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/13530-Vergoeding-van-muziekuitvoerende-kunstenaars-en-platenproducenten-uit-niet-EU-landen-voor-muziekopnames-in-de-EU_nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ares (2022)5440095 van 28/07/2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. het blog van D.J.G. Visser, genoemd in voetnoot 4 van deze conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 12 november 2015, C-572/13, ECLI:EU:C:2015:750, NJ 2016/370 m.nt. P.B. Hugenholtz.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook S. Dusollier in haar noot bij het RAAP-arrest in: Jurisprudence de la CJUE 2020: décisions et commentaires, Éditions Bruylant, pp. 867-888/887: “La seule solution serait donc de modifier la directive 2006/115 pour instaurer des conditions d’éligibilité au droit de rémunération équitable qui exclurait les artistes-interprètes et producteurs des Etats n’accordant pas cette rémunération aux ayants-droits européens. L’arrêt admet cette possibilité de dérogation au traitement national (...), et parait même l’encourager en insistant sur l’asymétrie que la formulation de réserves par certains Etat, tels que les Etats Unis, entraine pour les artistes-interprètes et de producteurs de phonogrammes européens.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 3.35 S.J. Schaafsma, a.w., par. 845.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ole-Andreas Rognstad, CMLRev. 2021, p. 1523-1546/1538.</p>\n<p class=\"lf-p\">J. Blomqvist &amp; M. Rosenmeier, ‘International protection of performers in the EU – points of attachment and national treatment vs. material reciprocity after RAAP decision by the CJEU’, Revue internationale du droit d’auteur, 2021, 169(7), p. 33-71/61. De auteurs zijn verbonden aan de Universiteit van Kopenhagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitlating Vitra, onder 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tussenarrest (rov. 3.14) wordt ook verwezen naar de arresten Cofemel en Brompton Bicycles, waarin is bevestigd dat een model dat voldoet aan het autonome ‘werkbegrip’ van art. 2 Auteursrechtrichtlijn (ook) voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt. Ik kom daar op terug in hoofdstuk 4, onder C.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.F. Delile, ‘La Cour de Justice, promotrice de la Völkerrechtsfreundlichkeit’ - Réflexions à l’occasion de l’arrêt Recorded Artists Actors Performers LTD (8 septembre 2020, C-265/19), Cahiers du droit européen 2021, p. 529-581. De auteur is verbonden aan de Université de Lorraine.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin ook de conclusie van A-G Tanchev vóór het RAAP-arrest, ECLI:EU:C:2020:512, punt 83 (onderstreping toegevoegd): “… richtlijn 2006/115 [strookt] wat betreft haar materiële werkingssfeer en toepassing op alle handelingen binnen de Unie, (…) met de verplichting van de Unie die voortvloeit uit internationale instrumenten om te voorzien in een nationale behandeling.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Delile, a.w., p. 569/570. ‘Comment of the European Copyright Society on the impact and consequences of the CJEU decision in C-265/19 (RAAP)’ https://www.ivir.nl/publicaties/download/ECS_RAAP.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. hierover o.m. de inleiding van de conclusie van A-G Szpunar in de zaak Cofemel, ECLI:EU:C:2019:363 en de inleiding van de noot van Hugenholtz bij het arrest Brompton, NJ 2021/175.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cumulerende toepassing was overigens al vóór Cofemel in veel landen de standaard geworden. Zie: Legal review on industrial design protection in Europe, p. 92 onder b), te raadplegen op: https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/43fd4a5c-6c26-4639-ac9a-281ab57687de.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Trb. 1972, 157, p. 4-5: “Pour les œuvres protégées uniquement comme dessins et modèles dans le pays d'origine, il ne peut être réclamé dans un autre pays de l'Union que la protection spéciale accordée dans ce pays aux dessins et modèles;” en “Works protected in the country of origin solely as designs and models shall be entitled in another country of the Union only to such special protection as is granted in that country to designs and models;”</p>\n<p class=\"lf-p\">Tenzij het aangezochte land geen modellenrechtelijke bescherming kent, want dan moet een ander beschermingsregime van toepassing zijn (zie de slotzinsnede van art. 2 lid 7). In navolging van Schaafsma duidt het hof deze laatste zin aan als de ‘vangnetbepaling’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 19 BC luidt: “De bepalingen van deze Conventie beletten niet dat een beroep wordt gedaan op een grotere mate van bescherming, die door de wetgeving van een der landen van de Unie mocht zijn voorgeschreven”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Schaafsma, a.w., par. 827: de uitzonderingen “apply automatically under the Convention unless the national legislator has provided otherwise.” Waaraan wordt toegevoegd: “The Netherlands has not renounced the application of the Berne material-reciprocity exceptions, except under the European principle of non-discrimination …”, waarmee wordt gedoeld op art. 18 VWEU (zie ook het tussenarrest, rov 3.9 en 3.10). In HvJEG 30 juni 2005, C-28/04, ECLI:EU:C:2005:418 (Tod’s) is uitgemaakt dat binnen de EU daarom geen beroep kon worden gedaan op de reciprociteitregeling van art. 2 lid 7 BC. De EU-lidstaten moeten daarom geacht worden tegenover elkaar afstand te hebben gedaan van art. 2 lid 7 BC, hetgeen mogelijk is o.g.v. art. 19 BC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een voorbeeld van een facultatieve of optionele regeling in het auteursrecht is te vinden in art. 5 lid 3 Auteursrechtrichtlijn – de optionele beperkingen en restricties op exclusieve rechten. Daarbij kon een lidstaat ervoor kiezen om ze toe te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag van de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom inzake auteursrecht (WCT) (1996), Genève, 20 december 1996, Trb. 1997/318 en Trb. 1998/247 voor de Nederlandse vertaling. Zie mijn eerdere conclusie, onder 3.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 12 september 2019, C-683/17, ECLI:EU:C:2019:721, NJ 2020/90, m.nt. J.H. Spoor (Cofemel/G-Star Raw), punt 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">En verder op het Verdrag van Parijs, de TRIPs-Overeenkomst, Vriendschapsverdragen en de Europese Duurrichtlijn, welke grondslagen door het hof m.i. op juiste gronden zijn afgewezen (rov. 35-60). Het hof plaatst deze grondslagen voor auteursrechtelijke bescherming in de context van de vraag of zij aan de toepasselijkheid van de materiële reciprociteitstoets van art. 2 lid 7 BC in de weg staan (rov. 33-34).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie S.J. Schaafsma, diss., p. 184 e.v. en Spoor/Verkade/Visser, Auteursrecht, Deventer: Kluwer 2019, par. 18.16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mijn eerdere conclusie, onder 2.1 (ii).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Ierse High Court vroeg ook om uitleg van zowel Richtlijn 2006/115/EG als van WPPT.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is slechts anders als de ‘vangnetbepaling’ van de laatste zinsnede van art. 2 lid 7 BC van toepassing is of als het aangezochte land afziet van toepassing van art. 2 lid 7 BC.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een overzicht van de relevante arresten tot maart 2021 het ‘Themafiche’ over het ‘Toepassingsgebied van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie’, te vinden op htpps://curia.europa.eu. Zie ook T. Lock in: Kellerbauer/Klamert, The EU Treaties and the Charter of Fundamental Rights, Oxford University Press 2019, p. 2241 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie T. von Danwitz, ‘Values and the Rule of Law: Foundations of the European Union – An Inside Perspective from the ECJ’, te vinden op https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=3203278.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het Hof in zaken over rechtsstatelijke kwesties art. 19 lid 1 VEU (zeer) ruim heeft uitgelegd, geldt voor het Handvest volgens Von Danwitz dat het Hof “remains faithful to the orientation adopted earlier to resist the temptation to go beyond the limits of the scope of the Charter as set out in the first paragraph of its Article 51.” Von Danwitz is de Duitse rechter in het Hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 28 oktober 2021, C-319/19, ECLI:EU:C:2021:883 (Komisia za protivodeystvie na koruptsiyata i za otnemane na nezakonno pridobitoto imushtestvo/ZV e.a), punt 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 8 november 2012, C-40/11, ECLI:EU:C:2012:691 (Iida/Ulm). Zie K. Lenaerts &amp; P. van Nuffel, Europees Recht, Antwerpen: Intersentia 2017, p. 543-544.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HvJEU 9 maart 2014, C-206/13, ECLI:EU:C:2014:126 (Siragusa).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 10 juli 2014, C-198/13, ECLI:EU:C:2014:2055 (Julián Hernández).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HvJEU 30 april 2014, C-390/12, ECLI:EU:C:2014:281 (Pfleger), punt 30 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 7 juli 2022, C257/21 en C258/21, ECLI:EU:C:2022:529 (Coca-Cola European Partners Deutschland GmbH), punt 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 12 september 2019, C-683/17, ECLI:EU:C:2019:721, NJ 2020/90, m.nt. J.H. Spoor AMI 2020/1, m.nt. M.R. de Zwaan, BIE 2019/27, m.nt. A. Ringnalda (Cofemel / G-Star Raw).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 11 juni 2020, C-833/18, ECLI:EU:C:2020:451, NJ 2021/175, m.nt. P.B. Hugenholtz (Brompton Bicycles/Get2Get).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HvJEU 1 maart 2012, C-604/10, ECLI:EU:C:2012:115 (Football Dataco), punten 40-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van A-G Szpunar in Cofemel, ECLI:EU:C:2019:363, punten 23-26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals werd geëist in het Italiaanse auteursrecht (art. 2 onder 10 Italiaanse auteurswet) respectievelijk in het in Cofemel aan de orde zijnde Portugese recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. rov. 63 (slot) van het bestreden arrest, waar het hof naar aanleiding van Vitra’s beroep op de Duurrichtlijn ten overvloede maar met juistheid overweegt dat de door Vitra voorgestane interpretatie van de Duurrichtlijn haar ook daarom niet kan baten omdat “de Duurrichtlijn de toepassing van art. 2 lid 7 Berner Conventie, ook van de materiële-reciprociteitstoets in die bepaling, onverlet laat.” Voor de Auteursrechtrichtlijn geldt hetzelfde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik heb voor de zekerheid geverifieerd of Vitra zich in cassatie niet op het Cofemel-arrest heeft beroepen. Dat blijkt het geval. De zoekterm ‘Cofemel’ leverde 0 hits op in het incidentele middel, 0 hits in de schriftelijke toelichting, en 1 hit in de schriftelijke dupliek (voetnoot 36), waar in de context van de discussie over de Duurrichtlijn wordt vermeld dat het Berner Conventie Unielanden vrijstaat art. 2 lid 7 BC niet toe te passen. Cofemel wordt dus niet genoemd in het kader van een betoog dat dient als opstapje naar art. 17 lid 2 Handvest. Het Handvest wordt in de cassatiestukken niet één keer genoemd (en was bij het hof ook niet aan de orde).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. T. Lock, in: Kellenbauer/Klamert, The EU Treaties and the Charter of Fundamental Rights (OUP 2019, p. 2151-2152.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijv. de al genoemde noot van Rognstadt bij RAAP-arrest in CMLRev. 2021, p. 1523-1546 en het artikel uit 2019 van M. Husovec, (‘The essence of Intellectual Property Rights Under Article 17(2)of the EU Charter, German Law Journal 20(6), p. 840-863, en tevens te vinden op https://research.tilburguniversity.edu/en/publications/essence-of-intellectual-property-rights-under-art-172-of-the-eu-c. Deze auteur vat samen (onder III. Interim Conclusions): “(…) there is nothing in the case-law that would suggest that some elements of these rights constitute a hard core (…).” Die zelfde vraag is relevant voor de ruimte die er is onder art. 52 Handvest om beperkingen aan te brengen. Daarover merkt T. Lock, a.w, p. 2251 op dat “the determination of the essence of a right poses immense practical difficulties.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is voor ‘gewone’ eigendom niet anders. Een verworven eigendomsrecht wordt tevens beschermd door het grondrecht van eigendom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Arrest Luksan (noot 24), punten 69-71. Dit arrest is ook om een andere reden interessant. Oostenrijk had gebruik gemaakt van de door art. 14bis BC voorziene mogelijkheid om de hoofdregisseur bepaalde exploitatierechten van een film te onthouden die wel in Unierichtlijnen waren voorzien (punt 54-56). Volgens het Hof moest de toepassing van deze bepaling uit de Berner Conventie wijken voor het materieel andersluidende Unierecht, omdat Oostenrijk gebruik had gemaakt van een in de Berner Conventie voorziene specifieke afwijkingsmogelijkheid. Een dergelijke specifieke afwijkingsmogelijkheid is er niet voor art. 2 lid 7, tweede zin, BC (zie 4.4). Wel is er de algemene mogelijkheid van art. 19 BC om gunstiger regels toe te passen, omdat het ius conventionis van de Berner Conventie minimumstandaarden bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HvJEU 21 december 2016, C-272/15, ECLI:EU:2016:993 (Swiss), punt 26 en de daar aangehaalde rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat in de zaak RAAP in verband met de eisen van art. 52 lid 1 Handvest een Uniemaatregel noodzakelijk werd geacht, hing er uitsluitend mee samen dat een einde moest worden gemaakt aan de uiteenlopende regelingen van afzonderlijke lidstaten met betrekking tot voorbehouden van derde-staten. Door de spreekwoordelijke lappendeken van nationale regelingen konden onderdanen van die derde staten niet weten waar zij in de EU aan toe waren, aldus het Hof. Alleen met een Uniemaatregel kon dit worden opgelost.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de WIPO-website is gemakkelijk na te gaan of er landen zijn die art. 2 lid 7 BC niet toepassen. Het in RAAP-arrest genoemde risico op onduidelijkheid voor onderdanen van een derde staat doet zich daarom niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Brazilië is een voorbeeld van een derde land dat niet vermeld staat op de WIPO-lijst van Contracting States bij het WPPT. Het valt echter niet uit te sluiten dat Brazilië wel fonogrammen (met bijv. dansmuziek) naar de EU exporteert. Daar hoeft dan kennelijk geen vergoeding voor te worden betaald, zonder dat dit in strijd wordt geacht met de door art. 17 lid 2 Handvest geboden (universele) bescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Geerts/Verschuur, Kort Begrip 2020, p. 630.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schaafsma, a.w., par. 1238, met op die plaats in de ‘Update’ een verwijzing naar het RAAP-arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een algemene toelichting op art. 351 VWEU verwijs ik naar M. Klamert in: Kellerbauer/Klamert, The EU Treaties and the Charter of Fundamental Rights Oxford University Press 2019, p. 2065-2071.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in lijn met de in art. 30 lid 2 van het Weens Verdragenverdrag verdragenrecht gecodificeerde mogelijkheid om de verhouding tussen achtereenvolgende verdragen uitdrukkelijk te regelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 351 VWEU bevat ook een derde alinea, waarin het lidstaten wordt verboden om met een derde land een meestbegunstigingsovereenkomst af te sluiten. Voor deze zaak is de derde alinea zonder belang.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 4 juli 2000, C-62/98, ECLI:EU:C:2000:358 (Commissie/Portugal), punten 49-50.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 18 november 2003, C-216/01, ECLI:EU:C:2003:618 (Budvar), punt 172.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 14 oktober 1980, 812/79, ECLI:EU:C:1980:231 (Burgoa), punt 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 22 oktober 2020, C-728/18, ECLI:EU:C:2020:854 (Ferrari/DU).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie punt 72: “(…) dat artikel 351, eerste alinea, VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het een rechterlijke instantie van een lidstaat toestaat een verdrag toe te passen dat is gesloten tussen een lidstaat van de Unie en een derde land vóór 1 januari 1958 (…), zoals het Verdrag van 1892, (…) totdat met een van de in artikel 351, tweede alinea, VWEU bedoelde middelen eventuele onverenigbaarheden tussen het VWEU en dat verdrag kunnen worden opgeheven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ander voorbeeld van een multilateraal verdrag is de voorloper van het WTO-Verdrag, het GATT van 1947. Zie HvJEG 10 maart 1998, C-364/95 en C-365/95, ECLI:EU:C:1998:95 (T. Port).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HvJEG 14 januari 1997, C-124/95, ECLI:EU:C:1997:8 (Centro-Com), punten 54-61, waar een afwijking van art. 113 EG-Verdrag (gemeenschappelijke handelspolitiek) aan de orde was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit werd recent bevestigd in HvJEU 28 oktober 2022, C-435/22 PPU, ECLI:EU:C:2022:852 (HF), punt 119.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 3 september 2008, C-402/05 P en C-415/05 P, ECLI:EU:C:2008:461 (Kadi I), punten 301-304.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 28 maart 1995, C-324/93, ECLI:EU:C:1995:84 (Evans Medical), punt 32.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 28 oktober 2022, C-435/22 PPU, ECLI:EU:C:2022:852 (HF).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de totstandkomingsgeschiedenis ook mijn eerdere conclusie, onder 3.22-3.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. Ricketson &amp; J.C. Ginsburg, International copyright and neighbouring rights, The Berne Convention and beyond (Vol. 1), 2006, par. 3.66.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEG 14 oktober 1980, 812/79, ECLI:EU:C:1980:231 (Burgoa), punt 7. Bij lezing van dit arrest moet voor ogen worden gehouden dat Spanje pas op 1 januari 1986 is toegetreden tot (destijds) de EEG (Trb. 1986, 33) en daarom voor Ierland destijds een derde staat was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rijkswet van 27 oktober 1972, houdende goedkeuring van de op 26 juni 1948 te Brussel gesloten herziene Berner Conventie (Stb. 1972, 569). Deze goedkeuring voor toetreding was nodig op grond van (destijds) art. 60 lid 2 Gw en art. 64 lid 1 Gw (Stb. 1953, 295), zoals ook staat opgetekend in de gepubliceerde vertaling van de Brusselse herziening in Trb. 1955, 45 (onder D). Kwantum verwijst in voetnoot 12 van haar akte van 4 november 2022 naar deze editie van het Tractatenblad, maar daar staat dus slechts de Nederlands vertaling in van de Brusselse versie van de Berner Conventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: https://wipolex.wipo.int/en/treaties/parties/remarks/NL/15 Trb. 1973, 9 (onder G).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie: https://wipolex.wipo.int/en/treaties/showResults?search_what=A&amp;act_id=24 (de volledige lijst van de tot de Brusselse versie toegetreden landen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een blik op de lijst met toetredingsdata leert dat de meeste (latere) EU-lidstaten tot de Brusselse herziening zijn toegetreden vóór 1 januari 1958 c.q. hun respectieve toetredingsdatum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze data: https://wipolex.wipo.int/en/treaties/parties/remarks/US/15. Zie n.a.v. deze toetreding: J.A. Baumgarten &amp; C.A. Meyer, Effects of U.S. adherence to the Berne Convention, BIE 1989/5, p. 115-119.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door een (zeer) welwillende lezing van het middel kan soms een zelfde resultaat worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 14 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD6012, NJ 1976/550, m.nt. W.F. Prins. De HR overwoog: “dat de cassatierechter niet behoort te vernietigen op gronden waarvan de verweerder door de lezing van het middel in redelijkheid niet behoefde te verwachten dat zij in het debat zouden worden betrokken”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 29 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1829, NJ 1997/340, m.nt. H.J. Snijders onder NJ 1997/341 (Boumans/’t Plenkske), rov. 3.3.4. Zie voor het eindarrest in die zaak HR 15 maart 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2013, NJ 1997/341, m.nt. H.J. Snijders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1906, NJ 1997/28, rov. 3.3 en zie voor de eindbeschikking in die zaak HR 31 mei 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2092, NJ 1997/29.</p>\n<p class=\"lf-p\">In in oudere literatuur is reeds steun te vinden voor een ruime opvatting. Zie o.m. G.J. Wiarda, in: Handelingen 1978 der Nederlandse Juristen-Vereniging deel 1, tweede stuk, p. 91, in het kader van een bespreking van HR 14 mei 1976, NJ 1976/550 (hiervoor genoemd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/276.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.D.H. Asser, ‘Ambtshalve toepassing van rechtsgronden door de Nederlandse rechter’, in: Preadviezen 2015 van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, 2015, p. 307-358 (p. 346-347). Voetnoten in citaat weggelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">W.D.H. Asser, Civiele cassatie, p. 83-84 en 90.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.T.M. van der Wiel, Cassatie, (BBP nr. 20) 2019/101 (voetnoten in citaat weggelaten). Vgl. ook in dezelfde titel A.E.H. van der Voort Maarschalk, 2019/63.</p>\n<p class=\"lf-p\">Al dat specialistische werk is, onvermijdelijk, terug te zien in de hoogte van de proceskosten, die volgens Vitra’s opgaven ex art. 1019h Rv vanaf het begin van de procedure t/m de dupliek in cassatie hard op weg zijn richting de 1 miljoen euro.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie 2.5-2.9 van de uitlating.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie memorie van grieven, onder 823-824.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestreden arrest, rov. 67.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 juni 1993, NJ 1993/629, rov. 2.3 [voetnoot 9 in het origineel].</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in het tussenarrest geformuleerde vraag 2 staat: “(en niet aan de nationale wetgevers)”. In deze zaak is echter geen nationale wettelijke maatregel aan de orde. De rechter past ook niet de goedkeuringswet van de Brusselse herziening van de Berner Conventie toe, maar rechtstreeks art. 2 lid 7 BC).</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 6 oktober 2021, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799 (Consorzio Italiana Management c.c ./ Rete Ferroviaria Italiana).</p></div>", "next": 0}