{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 komt op tegen het oordeel van het hof in rov. 5.3-5.5 van het eerste tussenarrest dat de gemeente in de voorfase onrechtmatig jegens [verweerder] heeft gehandeld. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen. Ik bespreek eerst subonderdeel 2.1. Dit subonderdeel betoogt dat het oordeel van het hof in rov. 5.5 dat de gemeente [verweerder] door de onjuiste en onvolledige informatie op het verkeerde been heeft gezet en hem op het spoor van een vrijstellingsprocedure voor een woning met oriëntatie op de [a-straat] heeft gezet, onbegrijpelijk is, omdat de gemeente heeft aangevoerd dat [verweerder] niet daadwerkelijk door de informatie van de gemeente op het verkeerde been is gezet, omdat hij ervan overtuigd was dat zijn uitleg van het bestemmingsplan de juiste was. Tussen de gemeente en hem was sprake van een ‘agree to disagree’ met betrekking tot die uitleg. Het subonderdeel voert onder 2.1.1 aan dat de gegrondbevinding ervan ook de beslissing van het hof in rov. 5.18 van het eerste tussenarrest aantast, waar het hof oordeelt dat als gevolg van het eerste onrechtmatige principebesluit van de gemeente [verweerder] te maken kreeg met vertraging in het kunnen uitvoeren van zijn bouwplannen. Het subonderdeel stelt dat als [verweerder] zich door hetgeen in het principebesluit is vermeld, niet ervan heeft laten weerhouden om een aanvraag om een bouwvergunning in te dienen, het principebesluit ook niet tot vertraging heeft geleid.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.15 Het subonderdeel miskent de inhoud van het oordeel van het hof. Dat oordeel komt, net als dat van de rechtbank in rov. 4.6-4.10 van haar eindvonnis, erop neer dat het onjuiste van de opstelling van de gemeente in de voorfase mede dáárin ligt dat de gemeente [verweerder] heeft gedrongen in het spoor van een aanvraag van een bouwvergunning voor een woning met oriëntatie naar de [a-straat] , met een vrijstellingsprocedure, met door de gemeente te stellen voorwaarden, in plaats hem mede te delen, zoals zij had behoren te doen, dat hij zonder een dergelijke procedure aanstonds een vergunning voor een woning met oriëntatie naar de [c-straat] kon en behoorde te krijgen (eerste en derde zin van p. 20 van eerste tussenarrest; zie ook hiervoor in 3.3). Dit oordeel staat tegen de achtergrond van het in dit geding vaststaande feit dat [verweerder] de vergunning wenste om het perceel als bouwperceel te kunnen verkopen. Dat [verweerder] wist dat het standpunt van de gemeente onjuist was, en hij dus niet op verkeerde been werd gezet door de informatie van de gemeente, doet daarom niet af aan het oordeel van het hof. [verweerder] was in de gegeven omstandigheden, naar uit het oordeel van het hof volgt, min of meer genoodzaakt om mee te gaan in het door de gemeente gewenste spoor om, zo mogelijk, binnen afzienbare tijd een vergunning te krijgen, met welke oriëntatie ook. Dit is waarop het hof het oog heeft in de hiervoor genoemde twee zinnen op p. 20 van het eerste tussenarrest, die luiden: “Onder deze omstandigheden mocht [verweerder] redelijkerwijs uit de standpunten van de Gemeente afleiden dat zij hem geen bouwvergunning zou verlenen voor een woning met oriëntatie op de [c-straat] en restte hem slechts nog de optie een vrijstellingsprocedure te doorlopen ten behoeve van een woning met oriëntatie op de [a-straat] , met de daarmee gepaard gaande kosten.” en “Door deze onjuiste en onvolledige informatie heeft de Gemeente [verweerder] op het verkeerde been gezet en hem op het spoor van een vrijstellingsprocedure voor een woning met oriëntatie op de [a-straat] gezet, terwijl hem een bouwvergunning met oriëntatie op de [c-straat] verleend had moeten worden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk heeft het middel zich met het beroep op het criterium van ‘het verkeerde been’, net als het hof en de rechtbank, laten leiden door het arrest ’s-Hertogenbosch/ […] , dat het hof in rov. 5.3 aanhaalt en in rov. 5.4 en 5.5 toepast en dat naar de stellingen van de gemeente in feitelijke instanties maatgevend is in dit verband. Bedacht moet echter worden dat dit arrest ziet op inlichtingen door de overheid in het algemeen en niet specifiek betrekking heeft op inlichtingen die met het oog op een eventueel te verlenen vergunning worden gegeven. Dat arrest is dus voor deze zaak niet alles bepalend, met name niet wat betreft de daarin voorkomende passage dat de belanghebbende door de verkeerde inlichtingen op het verkeerde been moet zijn gezet. Dat het hof, zoals hiervoor weergegeven, het onrechtmatig heeft geoordeeld dat de gemeente [verweerder] in het verkeerde spoor heeft gezet met haar opstelling, ook als [verweerder] wist dat die opstelling onjuist was, geeft naar ik meen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De overweging van het hof in de hiervoor geciteerde derde zin van p. 20 van het eerste tussenarrest dat “de Gemeente [verweerder] op het verkeerde been [heeft] gezet” moet m.i. worden begrepen in de zin van ‘in het verkeerde spoor gezet’. Althans is die overweging, zo deze letterlijk wordt gelezen, niet dragend voor het oordeel van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het voorgaande lopen de klachten van het subonderdeel stuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.16 Subonderdeel 2.2 keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 5.5 van het eerste tussenarrest dat de informatieverstrekking aan [verweerder] in de voorfase onrechtmatig was. Onder 2.2.1-2.2.5 voert het subonderdeel redenen aan waarom dat oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Onder 2.2.1 betoogt het subonderdeel dat het oordeel van het hof dat achteraf is gebleken dat de informatie in beide principebesluiten onjuist was omdat een oriëntatie richting de [c-straat] volgens de Afdeling mogelijk was en langs die weg zelfs een bouwvergunning moest worden verleend zonder dat een vrijstellingsprocedure nodig was, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Bij deze klacht wordt aangevoerd dat de gemeente erop heeft gewezen dat: (i) B&amp;W in het primaire besluit een bouwvergunning heeft geweigerd omdat (a) het bouwplan gedeeltelijk is geprojecteerd op de bestemming ‘voorerf klasse A’ c.q. de voorgevelrooilijn langs de [a-straat] overschrijdt en (b) het bouwperceel niet (tenminste) 40 meter breed is; (ii) B&amp;W de eerste onder (a) genoemde grond in de beslissing op bezwaar niet langer aan het weigeringsbesluit ten grondslag heeft gelegd; (iii) of de bouwvergunning op deze grond geweigerd had kunnen worden dan ook niet is getoetst in de beroepsprocedure bij de rechtbank en de hoger beroepsprocedure bij de Afdeling; (iv) B&amp;W in de nieuwe beslissing op bezwaar (het besluit van 17 december 2009) ervoor had kunnen kiezen deze grond alsnog aan de weigering van bouwvergunning ten grondslag te leggen en (v) B&amp;W door aan deze weigeringsgrond voorbij te gaan contra legem bouwvergunning heeft verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de uitspraak van de Afdeling kan dus niet worden afgeleid dat de gemeente zich in de principebesluiten ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor een woning met een oriëntatie op de [c-straat] niet ‘bij recht’ een bouwvergunning kon worden verleend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.2.2 klaagt het subonderdeel dat, voor zover het hof zijn oordeel mede stoelt op de overweging dat de in beide principebesluiten gegeven informatie niet alleen onjuist, maar ook onvolledig is, omdat de Gemeente toetsing van zienswijze I in de principeverzoeken van [verweerder] (een woning met de oriëntatie op de [c-straat] ) volledig achterwege heeft gelaten, dit ook onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is. Ofschoon terugkijkend kan worden gesteld dat in beide principebesluiten niet (expliciet) wordt toegelicht waarom volgens B&amp;W ook voor een woning met een oriëntatie op de [c-straat] niet ‘bij recht’ een bouwvergunning kan worden verleend, betekent dit volgens de klacht niet dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld. De gemeente heeft aangevoerd dat zij in de brief van 9 augustus 2005 en in diverse gesprekken met [verweerder] in de voorfase heeft uitgelegd waarom volgens haar een woning met een oriëntatie op de [c-straat] ook in strijd met het geldende bestemmingsplan was. [verweerder] was met de visie van de gemeente op dit punt bekend en hij is niet op het verkeerde been gezet, aldus de gemeente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.2.3 voert het subonderdeel aan dat het oordeel van het hof dat [verweerder] op juiste gronden heeft verzocht het eerste principebesluit te herzien onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft toegelicht wat het met ‘juiste gronden’ bedoelt. Voor zover het hof heeft bedoeld dat [verweerder] , anders dan de gemeente, is uitgegaan van een juiste uitleg van – kort gezegd – het geldende bestemmingsplan, is dit onbegrijpelijk, gelet op hetgeen de gemeente terzake heeft gesteld: (i) de precieze (bouw)plannen van [verweerder] waren niet steeds duidelijk en (ii) uit het besluit van 1 juli 2010, waarbij op grond van artikel 19 lid 3 van de WRO oud vrijstelling is verleend van het bestemmingsplan ‘Wilhelminapark 1974’, volgt dat de visie van [verweerder] voor wat betreft de ligging van de voorgevelrooilijn langs de [a-straat] onjuist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.2.4 klaagt het subonderdeel dat, voor zover het hof bij zijn oordeel dat de informatieverstrekking aan [verweerder] onrechtmatig is, heeft laten meewegen dat de gemeente in de vooroverlegfase ‘tegengestelde standpunten’ heeft ingenomen, ook dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de gemeente ter zake naar voren heeft gebracht. De klacht voert in dit verband het volgende aan. De gemeente heeft erop gewezen dat zij in de voorfase slechts op één punt haar uitleg van het geldende bestemmingsplan heeft gewijzigd. Zij is alleen teruggekomen van haar stelling in de twee principebesluiten dat (ook) het oppervlak met de bestemming ‘bermen, openbaar groen of plantsoen’ meetelt bij de berekening van het oppervlak van een bouwperceel in hun brief van 12 juni 2007. De gemeente heeft erop gewezen dat [verweerder] niet heeft toegelicht op welke wijze hij hierdoor is benadeeld c.q. schade heeft geleden. De gemeente heeft er voorts op gewezen dat de precieze ligging van met name de voorgevelrooilijn langs de [a-straat] niet met zekerheid was vast te stellen, maar dat bij de toetsing van de bouwplannen van [verweerder] is gekozen voor een meting of interpretatie in het voordeel van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.2.5 betoogt het subonderdeel dat het oordeel van het hof in de laatste volzin van rov. 5.5 dat het door [verweerder] ter beoordeling voorgelegde bouwplan met oriëntatie op de [c-straat] , zoals gepresenteerd in de brieven van 16 februari 2006 en 30 april 2006, niet in strijd met het bestemmingsplan was, onbegrijpelijk is, omdat het door [verweerder] in die brieven gepresenteerde bouwplan de voorgevelrooilijn langs de [a-straat] overschreed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 2.2.6 bouwt het subonderdeel voort op de voorgaande klachten. Het bevat daar geen zelfstandige klacht en het daar gestelde behoeft derhalve geen bespreking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.17 Alle klachten van het subonderdeel draaien om de stelling (en nemen tot uitgangspunt) dat de gemeente zich op het standpunt kan stellen dat zij een vergunning voor een woning met oriëntatie [c-straat] had kunnen weigeren wegens de ligging van de voorgevelrooilijn ten opzichte van de [a-straat] (in feite zijn alle klachten een variant van dit argument). Zoals uit het hiervoor in 3.3 en 3.4 opgemerkte volgt, is die stelling echter onmiskenbaar door het hof verworpen, om de daar genoemde redenen, met name in rov. 5.6, dat het subonderdeel niet bestrijdt. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd, om de hiervoor in 3.4 genoemde redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onder 2.2.3 in het subonderdeel genoemde besluit van 1 juli 2010 is in dit verband niet relevant. De gemeente heeft immers in de gedachtegang van het hof de onjuistheid van het primaire besluit tot uitdrukking gebracht bij het besluit van 17 december 2009 (de tweede beslissing op bezwaar), waarbij zij de vergunning alsnog heeft verleend. Een later besluit kan daar geen verandering in brengen. Overigens betreft het besluit van 1 juli 2010 slechts een vrijstelling ex art. 19 lid 3 WRO (oud) wegens de wijziging van het al vergunde bouwplan van [verweerder] . Anders dan de klacht onder 2.2.3 van het subonderdeel wil, staat in dat besluit bovendien niet (iets) te lezen (waaruit volgt) dat de visie van [verweerder] voor wat betreft de ligging van de voorgevelrooilijn langs de [a-straat] onjuist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle klachten van het subonderdeel stuiten op het voorgaande af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3; vaststelling van schade door vertraging erkenning als bouwperceel 3.18 Onderdeel 3 bestrijdt in de eerste plaats het oordeel van het hof in rov. 5.19 van het eerste tussenarrest over de schade die [verweerder] heeft geleden door de vertraging van de erkenning van het perceel als bouwperceel. Dat oordeel houdt in dat deze schade als volgt moet worden berekend. Eerst dient te worden nagegaan met welk bedrag de waarde van het perceel daalde door het onrechtmatige eerste principebesluit van 25 april 2006. Het bedrag van deze waardedaling dient per die datum met wettelijke rente te worden vermeerderd. Vervolgens dient te worden bezien met welk bedrag de waarde van het perceel steeg door het alsnog verlenen van de bouwvergunning op 17 december 2009. Dat bedrag moet worden afgetrokken van het bedrag van de waardedaling per 25 april 2006 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf die datum tot 17 december 2009. Over het saldo loopt vervolgens vanaf 17 december 2009 wettelijke rente.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts bestrijdt het onderdeel rov. 2.5 van het eindarrest, waarin het hof heeft geweigerd van zijn oordeel over de schadebegroting terug te komen, zoals de gemeente heeft verzocht om de hiervoor in 2.22 genoemde redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel bevat acht subonderdelen, waarvan de eerste twee betrekking hebben op rov. 5.19 van het eerste tussenarrest, de derde een voortbouwklacht bevat die geen bespreking behoeft en de laatste vijf betrekking hebben op rov. 2.5 van het eindarrest. Ik ga hierna eerst in op de eerste twee subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.19 Subonderdeel 3.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat in het schadevergoedingsrecht als uitgangspunt geldt dat als er een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat, de benadeelde zoveel mogelijk moet worden gebracht in de toestand als ware de onrechtmatige daad niet gepleegd (restitutio in integrum). De schade die een benadeelde lijdt als gevolg van een fout van een ander dient in beginsel volledig te worden vergoed. Maar ook niet meer dan dat. Voor ‘overcompensatie’ is geen plaats. Bij dit uitgangspunt past dat schade concreet wordt berekend c.q. begroot, dat wil zeggen zonder te abstraheren van bepaalde feiten of omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de schadebegroting. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat pas ná verkoop en levering van het bouwperceel door [verweerder] kan worden vastgesteld of en, zo ja, hoeveel schade [verweerder] als gevolg van onrechtmatig handelen van de gemeente heeft geleden en of deze schade aan de gemeente kan worden toegerekend dan wel geheel of gedeeltelijk voor rekening van [verweerder] zelf moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 3.2 klaagt dat niet valt in te zien dat in dit geval sprake is van een situatie die, in afwijking van het in subonderdeel 3.1 bedoelde uitgangspunt, voor abstracte schadebegroting in aanmerking komt. Waardevermindering van vastgoed waarbij wordt geabstraheerd van het gegeven dat het vastgoed niet verkocht is, leent zich alleen voor een veroordeling tot schadevergoeding wanneer sprake is van een voldoende stabiele c.q. voortdurende toestand (het subonderdeel verwijst hierbij onder meer naar rov. 2.11.1 e.v. van de prejudiciële uitspraak over de Groninger aardbevingsschade). De gemeente heeft gesteld dat een voortdurende toestand in deze zaak niet aan de orde is. Het hof heeft aan deze essentiële stelling geen kenbare aandacht besteed en hierover niets vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.20 Bij de bespreking van de subonderdelen stel ik voorop dat de wijze van schade begroten die het hof in rov. 5.19 van het eerste tussenarrest toepast, niet erg voor de hand ligt. Dat is in de eerste plaats al zo omdat [verweerder] die wijze van begroten niet aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd, zoals al blijkt uit de vaststellingen van het hof in rov. 5.17 van het eerste tussenarrest met betrekking die grondslag. [verweerder] heeft gesteld dat hij door de vertraging van de erkenning van het perceel als bouwperceel schade heeft geleden doordat hij de mogelijkheid is misgelopen om het perceel voor een goede prijs te verkopen, door de verandering van marktomstandigheden in de periode 2006-2009 (krediet- en vastgoedcrisis). Deze stelling heeft het hof in zijn arresten niet onderzocht. In plaats daarvan heeft het de schade begroot die [verweerder] door de waardevermindering van zijn onroerend goed heeft geleden als gevolg van de onjuiste opstelling van de gemeente. Van die schade heeft [verweerder] echter geen vergoeding gevorderd, als ik goed zie. Op dit punt bevat het middel echter geen klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tweede plaats valt niet goed in te zien dat het perceel door de enkele onjuiste opstelling van de gemeente in waarde is verminderd. Toegegeven, die opstelling maakte het moeilijk, zo niet onmogelijk, om het perceel als bouwperceel te verkopen. Maar dat was slechts van tijdelijke aard. [verweerder] had het onjuiste van die opstelling, waarvan hij (ook) naar zijn eigen stellingen overtuigd was, onmiddellijk aan de orde kunnen stellen in een kort geding of door de vergunning aan te vragen die volgens hem verleend moest worden, en na de weigering daarvan bezwaar te maken en een voorlopige voorziening aan de bestuursrechter te vragen. Bij een behoorlijke taxatie van de waarde valt met een dergelijke, slechts tijdelijke – want te ‘repareren’ – omstandigheid niet zonder meer rekening te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft de deskundige echter uitdrukkelijk slechts gevraagd om per peildatum april 2006 te taxeren alsof in het geheel geen bouw van een woning op het perceel mogelijk was. Dat laatste – dat in het geheel geen bouw van een woning op het perceel mogelijk was – is bovendien nooit het standpunt van de gemeente geweest, blijkens de vaststaande feiten. De gemeente was immers steeds bereid om mee te werken aan een vrijstelling van het bestemmingsplan ten behoeve van een woning met een oriëntatie richting [a-straat] , waarmee [verweerder] naar de vaststelling van het hof in rov. 5.5, tweede zin, van het eerste tussenarrest ook tevreden was, zij het niet onder alle voorwaarden die de gemeente daarbij stelde.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de derde plaats valt niet in zien dat, als met een waardeherstel van het perceel rekening viel te houden, doordat de gemeente alsnog de vergunning verleende – wat het hof uitdrukkelijk doet in rov. 5.19 van het eerste tussenarrest –, over de initiële waardedaling vanaf het intreden daarvan per april 2006 wettelijke rente valt berekenen, zoals het hof doet. De schade bedraagt immers in deze benadering (waardedaling door opstelling van de gemeente, later gevolgd door waardestijging door een andere opstelling van de gemeente) het waardeverlies per saldo. [verweerder] kon op geen moment aanspraak maken op het bedrag van de initiële waardedaling – dat valt althans niet in zien en het hof zegt dat ook niet – en van een vertraging in de betaling van een geldsom als bedoeld in art. 6:119 BW is dus geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook met betrekking tot al deze punten bevat het middel echter geen klacht. Het voorgaande is echter wel van belang voor de beoordeling en de gevolgen van de wel aangevoerde klachten, wat de reden vormt waarom ik een en ander hier opmerk (zie ook hierna aan het slot van 3.28).</p>\n<p class=\"lf-p\">Abstracte schadeberekening?</p>\n<p class=\"lf-p\">3.21 De subonderdelen keren zich wel tegen de door het hof toegepaste abstracte schadebegroting, waarbij wordt geabstraheerd van het feit dat [verweerder] het perceel niet heeft verkocht. Daarbij verwijst het middel naar de prejudiciële uitspraak over de Groninger aardbevingsschade. Ik ga echter eerst in op het in die uitspraak aangehaalde arrest Dordrecht/Stokvast.In dat arrest is overwogen: “3.4.2 Ingevolge het bepaalde in art. 6:97 BW – dat ook het voor 1 januari 1992 geldende recht weergeeft – dient de rechter de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Het gaat in het onderhavige geval om schade welke bestaat in waardevermindering van door de eigenaar van bouwgrond daarop gebouwde woningen, ontstaan als gevolg van het later aan de dag treden van verontreiniging van die grond. Mede met het oog op hanteerbaarheid van de methode van schadebegroting, rechtvaardigt de aard van zodanige schade dat het de rechter vrijstaat bij het begroten daarvan te abstraheren van bepaalde, de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffende, omstandigheden. In het bijzonder kan buiten beschouwing worden gelaten dat de eigenaar de woningen niet heeft verkocht (vgl. het onder 5.1 overwogene in HR 9 oktober 1992, nr. 14.671, NJ 1994, 286).”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.22 Voor schade door bodemverontreiniging die bestaat in de waardevermindering van onroerend goed, is het dus gerechtvaardigd om te abstraheren van de omstandigheid dat de eigenaar het onroerend goed niet heeft verkocht. Het arrest vervolgt: “Indien en voor zover echter ten tijde van de vaststelling van de schade door de rechter, de aanvankelijk opgetreden waardevermindering van de woningen ongedaan blijkt te zijn gemaakt door een van overheidswege uitgevoerde bodemsanering in het gebied waar de woningen zich bevinden, is dit waardeherstel een niet met de individuele situatie van de eigenaar samenhangende omstandigheid die redelijkerwijs in aanmerking behoort te worden genomen om te voorkomen dat meer dan de werkelijk geleden schade wordt vergoed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onderdelen treffen derhalve doel voor zover zij erover klagen dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat geen rekening behoeft te worden gehouden met de in het gebied van de zeven woningen van Stokvast uitgevoerde, in 1989 voltooide bodemsanering.”</p>\n<p class=\"lf-p\">En het arrest sluit verderop af met: “Nu de onderdelen 1 en 2 doel treffen, kan 's Hofs arrest niet in stand blijven. De Hoge Raad kan zelf op het hoger beroep beslissen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grieven III en IV, die betrekking hebben op de waardevermindering van de zeven woningen en op het aan deskundigen op te dragen onderzoek dienaangaande, komen op tegen de oordelen van de Rechtbank (rov. 3.2): dat voor de vraag of van waardevermindering sprake is, als peildatum een tijdstip dient te worden gekozen waarop alle saneringsmaatregelen zijn uitgevoerd en de markt ter plaatse is gestabiliseerd; dat door een of meer deskundigen de huidige waarde van de woningen dient te worden vastgesteld en aan de hand van de prijsontwikkeling sinds 1981 – het jaar dat de verontreiniging bekend werd – van vergelijkbare woningen ter plaatse dient te worden bezien of van waardedaling sprake is; en dat, zo dat nog steeds het geval is, moet worden aangenomen dat die waardedaling permanent is en dient te worden vergoed. Die oordelen van de Rechtbank zijn juist, zodat de grieven falen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.23 Deze overwegingen vallen niet anders te begrijpen dan dat bij de schadebegroting rekening moet worden gehouden met het feit dat de onrechtmatig in het leven geroepen omstandigheid die de waardedaling heeft veroorzaakt (de bodemverontreiniging dus in de zaak van het arrest), inmiddels is weggenomen, en dat de schade door de waardevermindering moet worden vastgesteld tegen het tijdstip dat dit het geval is (de bodemsanering heeft plaatsgevonden). In de zaak van arrest speelde dat na dat wegnemen vermoedelijk nog een blijvend effect bestond van de eerder aanwezige omstandigheid. Vandaar dat in het arrest wordt overwogen dat het peilmoment moet worden gelegd op het tijdstip dat de markt zich nadien heeft gestabiliseerd. Er bestaat dus slechts recht op de daadwerkelijke blijvende waardedaling die de onrechtmatig in het leven geroepen omstandigheid heeft veroorzaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.24 In de prejudiciële uitspraak over de Groninger aardbevingsschade is overwogen: “2.11.2 [De] vraag heeft (…) betrekking op de schade die bestaat in waardevermindering van een woning (waaronder moet worden begrepen het uitblijven van een waardestijging) die het gevolg is van het risico van toekomstige bodembeweging boven het Groningenveld zoals potentiële kopers dat zien, zonder dat sprake is van daadwerkelijke verkoop of serieuze poging daartoe.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.11.3 Op grond van art. 6:97 BW moet de rechter de schade begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Uitgangspunt voor de vaststelling van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hieruit volgt dat de schade in beginsel moet worden vastgesteld met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Op praktische gronden en om redenen van billijkheid kan in bijzondere gevallen op dit uitgangspunt een uitzondering worden aanvaard door van bepaalde omstandigheden te abstraheren. Het is bijvoorbeeld mogelijk geacht om bij de vaststelling van schade die bestaat in waardevermindering van een woning, buiten beschouwing te laten dat de eigenaar de woning niet heeft verkocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.11.4 Voor het begroten van de hiervoor in 2.11.2 bedoelde schade is vereist dat sprake is van een – min of meer – stabiele situatie. Met betrekking tot de woningen die zich boven het Groningenveld bevinden, betekent dit dat een geofysisch voldoende stabiele toestand moet zijn bereikt. Alleen dan is immers voldoende zeker dat significante schommelingen in de waarde van de woning die samenhangen met het risico op bodembeweging, zullen uitblijven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.25 Deze overwegingen vormen goeddeels een herhaling van die van het arrest Dordrecht/Stokvast, waarnaar aan het slot van rov. 2.11.3 en na de eerste zin van rov. 2.11.4 dan ook wordt verwezen (in het citaat hier weggelaten). Ze voegen aan die overwegingen toe: dat concrete schadeberekening uitgangspunt vormt en abstracte schadeberekening uitzondering, welke uitzondering wordt gemaakt op de gronden vermeld in de op een na laatste zin van rov. 2.11.3. Dat is een benadering die ook breed steun vindt in de literatuur. De gestabiliseerde markt van het arrest Dordrecht/Stokvast komt in deze uitspraak meer abstract terug als ‘een – min of meer – stabiele situatie’, waarmee in de zaak van de uitspraak meer specifiek wordt bedoeld: nadat een geofysisch voldoende stabiele toestand is bereikt in en rond het Groningenveld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.26 Abstraheren van de omstandigheid dat de eigenaar het onroerend goed niet heeft verkocht is dus uitzondering, welke uitzondering op praktische gronden en om redenen van billijkheid in bijzondere gevallen kan worden gemaakt. Bij een onrechtmatige daad die tot een blijvende waardevermindering van het onroerend goed leidt – wat eventueel pas na de nodige jaren kan worden beoordeeld, ook wat betreft de omvang ervan, namelijk als ‘een – min of meer – stabiele situatie’ is ontstaan –, is die abstractie op haar plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toepassing van voorgaande op deze zaak 3.27 Bij de onrechtmatige opstelling van de gemeente waarop het oordeel van het hof ziet, is geen sprake van een blijvende waardevermindering, als al überhaupt sprake was van enige waardevermindering (zie hiervoor in 3.20 tweede alinea). Ik zie voor onjuiste inlichtingen in een geval als dit geen praktische gronden of redenen van billijkheid om te abstraheren van de omstandigheid dat de eigenaar het onroerend goed niet heeft verkocht (zie opnieuw hiervoor in 3.20 tweede alinea en hierna in 3.28). Ik kom daarom tot de slotsom dat de subonderdelen slagen. Kennelijk is daarin met de (daarin aangehaalde) stelling (van de gemeente) dat in dit geval geen sprake is van een “voldoende stabiele c.q. voortdurende toestand” bedoeld te zeggen dat geen sprake van een blijvende waardevermindering door de opstelling van de gemeente. Het voorgaande neemt overigens uiteraard niet weg dat [verweerder] wel schade kan hebben geleden doordat hij het perceel tussentijds niet heeft kunnen verkopen, zoals ook de (wel aangevoerde) grondslag van zijn vordering vormt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nog een andere onjuistheid in het oordeel van het hof 3.28 Overigens wijs ik nog op een ander nogal opvallend aspect van de benadering van het hof, namelijk dat daarin – of als gevolg daarvan – de waardevermindering die het perceel als bouwperceel heeft ondergaan door de ontwikkeling van de prijs van onroerend goed in de markt in de periode van 2006-2009 zonder meer wordt aangemerkt als een gevolg van de onrechtmatige opstelling van de gemeente. In de benadering van het hof moet de schade van [verweerder] immers worden bepaald door een vergelijking met de getaxeerde waarde van het perceel als bouwperceel in 2009 (zie hiervoor in 3.18). Niet valt echter in te zien dat de waardedaling die zich in de periode van 2006-2009 heeft voorgedaan – dat van die daling sprake was, als een gevolg van de krediet- en vastgoedcrisis, is in dit geding niet in geschil (vgl. o.m. rov. 5.20 van het eerste tussenarrest van het hof en de taxaties hiervoor in 2.1 onder (xxxiv) genoemd) –, een gevolg is geweest van de opstelling van de gemeente. Niet valt dan ook in te zien dat die waardedaling – los van de materialisatie daarvan als schade bij een verkoop door [verweerder] voor een lager bedrag of bij het ontnemen aan [verweerder] van een reële mogelijkheid tot verkoop voordat van die waardedaling sprake was – voor rekening van de gemeente zou zijn te brengen, zoals het oordeel van het hof inhoudt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders gezegd, in de benadering die het hof volgt, zou bij een zuivere beoordeling moeten worden gekeken of na de verlening van de bouwvergunning in december 2009 nog sprake is van een waardevermindering als gevolg van de onrechtmatige opstelling van de gemeente. Niet valt in te zien dat en waarom daarvan sprake is geweest. Met de verlening van de bouwvergunning stond immers weer met zekerheid vast dat sprake is van bouwperceel en had het perceel dus zonder meer de waarde daarvan. Dat de prijzen inmiddels door de crisis waren gedaald en de waarde was gedaald, had zich ook zonder de onrechtmatige opstelling van de gemeente voorgedaan. Iets anders is, als al gezegd, dat [verweerder] door die onrechtmatige daad de mogelijkheid is ontnomen het perceel nog te verkopen op een gunstig moment, dus vóór de crisis. Daarop is zijn vordering ook gebaseerd, blijkens de vaststelling van het hof in rov. 5.17 van het eerste tussenarrest, maar dat geldt dus niet voor de beslissing van het hof, zoals hiervoor in 3.20 al opgemerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook deze ‘denkfout’ in het oordeel van het hof wordt door het middel niet aan de orde gesteld. Door de gegrondheid van de subonderdelen bestaat na verwijzing echter geen gebondenheid meer aan de benadering van het hof en aan de hiervoor in 3.20 en in dit nummer bedoelde overwegingen van het hof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom voorgaande 3.29 Wegens de gegrondheid van de subonderdelen kunnen de arresten van het hof niet in stand blijven. Na verwijzing zal de vordering van [verweerder] alsnog moeten worden beoordeeld op de wel door hem daarvoor aangevoerde grondslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De subonderdelen 3.4-3.8 3.30 De subonderdelen 3.4-3.8 keren zich tegen rov. 2.5 van het eindarrest, waarin het hof heeft geweigerd van zijn oordeel over de schadebegroting terug te komen, zoals de gemeente heeft verzocht op de grond dat aan [verweerder] in verband met een 2017 geïnitieerde bestemmingsplanwijziging ‘ [plaats] ’ een onherroepelijke planschadevergoeding van € 350.000,- is toegekend in verband met het verlies van de mogelijkheid om op het bouwperceel te bouwen, dat die mogelijkheid daarna tóch is gehandhaafd en dat [verweerder] vervolgens het perceel heeft overgedragen in juli 2021 voor € 330.000,-. Volgens de gemeente zal [verweerder] worden ‘overgecompenseerd’ als hij ook een vergoeding zou krijgen voor de waardedaling van het perceel in de periode 2006-2009. Het hof heeft dit betoog verworpen, omdat [verweerder] in 2006-2009 door het onrechtmatig handelen van de gemeente schade heeft geleden en daarin geen verandering is gekomen door de omstandigheden die de gemeente heeft ingeroepen. De subonderdelen keren zich tegen dit oordeel, waarbij ook nog – en passant – de vaststelling van de waarde van het perceel in 2009 wordt bestreden (in subonderdeel 3.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.31 In verband met de gegrondheid van de subonderdelen 3.1 en 3.2 behoeven de subonderdelen 3.4-3.8 geen behandeling. Het oordeel van het hof in rov. 2.5 bouwt immers geheel voort op het met succes door de subonderdelen 3.1 en 3.2 bestreden oordeel van het hof. Zouden de subonderdelen 3.1 en 3.2 ongegrond zijn, dan geldt m.i. hetzelfde voor de subonderdelen 3.4-3.8. In dat geval staat (de vergoeding van) de schade van [verweerder] in 2006-2009 inderdaad geheel los van de overcompensatie waarover de gemeente klaagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in subonderdeel 3.6 genoemde verkoopprijs van het perceel in 2021 dwong het hof niet tot de conclusie dat de taxatie van de deskundige van de waarde van het perceel als bouwperceel in april 2006 onjuist is. Het oordeel op dit punt van het hof is geheel van feitelijke aard en kan in cassatie dus niet op juistheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet, nu een verkoopprijs in 2021, anders dan het subonderdeel wil, niet vanzelf tot de slotsom leidt dat de taxatie die betrekking heeft op april 2006, onjuist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.32 Overigens kan de door de gemeente gestelde overcompensatie m.i. wel aan de orde komen bij de beoordeling van de hiervoor in 3.29 genoemde, wel door [verweerder] aangevoerde grondslag van de vordering. Zou [verweerder] tussentijds hebben verkocht, zoals van die grondslag deel uitmaakt, dan was die overcompensatie hem immers niet ten deel gevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4; notariskosten 3.33 Onderdeel 4 bestrijdt rov. 5.10 van het eerste tussenarrest, waarin het hof de grief van de gemeente verwerpt tegen de door de rechtbank toegewezen vergoeding van notariskosten (rov. 4.26 eindvonnis rechtbank; hiervoor weergegeven in 2.5). Het hof oordeelt dat [verweerder] uit de mededeling in de brief van de gemeente van 14 juli 2008 dat de verdere behandeling van de planologische procedure wordt aangehouden tot het moment dat definitief uitsluitsel kan worden gegeven over de privaatrechtelijke situatie ten aanzien van de strook bosgrond, redelijkerwijs mocht afleiden dat de gemeente de overdracht van dat stuk grond als voorwaarde had gesteld aan haar planologische medewerking aan een vergunning voor de bouw van een woning op het perceel met oriëntatie op de [a-straat] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het onderdeel is dit oordeel onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stellingen van de gemeente dat: (a) [verweerder] door uitlatingen van de gemeente niet op het verkeerde been is gezet over de mogelijkheden ‘bij recht’ een bouwvergunning te verkrijgen voor een woning met een oriëntatie op de [c-straat] ; (b) [verweerder] en de gemeente het er over eens waren dat voor een woning met een oriëntatie op de [a-straat] niet ‘bij recht’ bouwvergunning kon worden verleend; (c) om planologische medewerking te kunnen verlenen aan de bouw van een woning met een oriëntatie op de [a-straat] op grond van provinciale regelgeving of beleid compensatiemaatregelen moesten worden getroffen, waaronder het geschikt maken van de bewuste strook bosgrond voor migrerende dassen; (d) tussen de gemeente en [verweerder] een verschil van mening bestond over de eigendom van de strook bosgrond en partijen ter beslechting van dit geschil zijn overeengekomen dat [verweerder] deze grond ‘teruglevert’ aan de Gemeente en tegelijkertijd een erfdienstbaarheid op deze grond wordt gevestigd; (e) de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verweerder] de notariskosten met betrekking tot de ‘teruglevering’ van de strook bosgrond en de vestiging van een erfdienstbaarheid op deze grond ‘heeft (...) betaald om te voldoen aan voorwaarden waaraan hij meende te moeten voldoen op grond van sturende en misleidende informatie van de gemeente’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts voert het subonderdeel aan dat de gemeente zich aldus op het standpunt heeft gesteld dat het vereiste causaal verband ontbreekt tussen enig onrechtmatig handelen van de gemeente en de door [verweerder] gemaakte notariskosten. Tevens betoogt het subonderdeel dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen het hof in rov. 5.24 van het eerste tussenarrest heeft overwogen over de verjaring van de vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst die tussen [verweerder] en de gemeente is gesloten met betrekking tot de strook bosgrond en de daarmee samenhangende vordering tot teruglevering. Gelet op de verjaring van deze vorderingen valt volgens het onderdeel niet in te zien dat de notariskosten die verband houden met het leveren van de strook bosgrond en de vestiging van erfdienstbaarheden wel voor vergoeding in aanmerking komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.34 Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het oordeel van het hof (en dat van de rechtbank). De overdracht van de strook bosgrond vond plaats in verband met de voorwaarden die de gemeente stelde voor een vergunning voor de bouw van een woning met een oriëntatie op de [a-straat] (zie hiervoor in 2.1 onder (xxi)-(xxiv), rov. 4.26 eindvonnis rechtbank en rov. 5.10 eerste tussenarrest hof). Evenals de rechtbank, heeft het hof, als al gezegd, geoordeeld dat het onrechtmatig is geweest van de gemeente dat zij [verweerder] op het spoor van een vrijstellingsprocedure voor een woning met oriëntatie op de [a-straat] heeft gezet, in plaats van hem mede te delen dat hij zonder meer een vergunning voor een woning met oriëntatie op de [c-straat] kon krijgen. In dat licht is het oordeel van het hof dat de gemeente [verweerder] , in het kader van een vrijstelling met het oog op een vergunning voor een woning met oriëntatie op de [a-straat] , tot een onnodige overdracht heeft genoopt, alleszins begrijpelijk. Dat het hof in rov. 5.24 heeft geoordeeld dat de vordering tot vernietiging van de overdracht waarmee de notariskosten verband houden, is verjaard, maakt dat niet anders. Dat oordeel betekent immers niet dat [verweerder] door die overdracht geen schade heeft geleden in de vorm van de onnodig gemaakte notariskosten. Op een en ander stuiten de klachten van het middel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5; wettelijke rente over de waardevermindering van het perceel 3.35 Onderdeel 5 klaagt dat het hof in rov. 5.19 van het eerste tussenarrest heeft miskend dat [verweerder] over de waardevermindering van het perceel vergoeding van wettelijke rente heeft gevorderd vanaf 17 december 2009 en niet vanaf 25 april 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.36 Deze klacht behoeft geen behandeling nu het daardoor bestreden oordeel van het hof onderdeel vormt van de benadering van het hof in rov. 5.19 van het eerste tussenarrest waartegen de subonderdelen 3.1 en 3.2 terecht opkomen. Overigens is het onderdeel m.i. als zodanig ongegrond omdat [verweerder] in het petitum van zijn memorie van grieven in V sub K (op p. 44) te kennen heeft gegeven over alle door hem gevorderde schadeposten wettelijke rente te vorderen vanaf de datum dat zij zijn ontstaan (zie ook zijn hierop gerichte grief VI). Dat wordt niet anders door het feit dat hij de schade door de onverkoopbaarheid van het perceel – door hem als gezegd ook aangeduid als waardevermindering van het perceel (zie hiervoor in voetnoot 40) – heeft gedateerd op 17 december 2009 en elders in het petitum van de memorie over de vergoeding van die schade pas wettelijke rente heeft gevorderd vanaf die datum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 6 3.37 Onderdeel 6 klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof rov. 2.7 van het vierde tussenarrest (van 13 april 2021) overweegt dat in de rov. 5.4 en 5.5 van het eerste tussenarrest is overwogen dat [verweerder] ten onrechte een vergunning is geweigerd voor een woning met een oriëntatie naar de [a-straat] , omdat deze vaststelling daarin niet valt te lezen en deze ook feitelijk onjuist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.38 Deze klacht is gegrond – want die vaststelling staat inderdaad niet in rov. 5.4 en 5.5 van het eerste tussenarrest te lezen en deze zou inderdaad niet juist zijn –, maar kan niet tot cassatie leiden, omdat rov. 2.7 van het vierde tussenarrest de beslissing van het hof niet draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom m.b.t. het principaal beroep 3.39 Alleen de subonderdelen 3.1 en 3.2 slagen. De andere klachten kunnen niet tot cassatie leiden of behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele beroep 4.1 Het middel in het incidentele beroep bevat vijf onderdelen. Het vijfde onderdeel is ingesteld onder de voorwaarde dat één van de in onderdeel 3 van het principaal cassatieberoep opgenomen klachten (t.a.v. de schadebegroting) slaagt. Uit het voorgaande volgt dat deze voorwaarde is vervuld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1 is gericht tegen rov. 5.9 van het eerste tussenarrest, waarin het hof de door [verweerder] gevorderde kosten voor een ruimtelijke onderbouwing alsnog heeft afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2 keert zich tegen het oordeel in rov. 5.13 van het eerste tussenarrest, dat de advocaatkosten die [verweerder] stelt te hebben gemaakt als gevolg van het besluit op bezwaar en eerder in de bezwaarprocedure, niet toewijsbaar zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 5.21 van het eerste tussenarrest, waarin de door [verweerder] gevorderde hypotheeklasten zijn afgewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4 komt op tegen de door het hof in rov. 2.3 van het eindarrest toegepaste correctie van 20% op de door de deskundige aan het perceel toegekende waarde in 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5 bestrijdt rov. 5.20 van het eerste tussenarrest. Het klaagt dat het oordeel van het hof dat de in die rechtsoverweging vermelde bestemmingswijziging niet meer kan worden gezien als een gevolg als bedoeld in art. 6:98 BW van de onrechtmatige daden van de gemeente in de periode 2006 tot en met 2009, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1; kosten voor een ruimtelijke onderbouwing 4.2 Het hof heeft in rov. 5.9 geoordeeld dat het betoog van de gemeente gegrond is dat de kosten voor een ruimtelijke onderbouwing van € 15.794,77, die [verweerder] heeft gemaakt in het kader van de vrijstellingsprocedure, niet onnodig zijn gemaakt omdat hij die ruimtelijke onderbouwing hoe dan ook nodig had voor een andere vrijstelling. Het hof overweegt dat op 1 juli 2010 aan [verweerder] een andere vrijstelling is verleend – ex art. 19 lid 3 WRO (oud) – waarvoor eveneens een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk was. Het door [verweerder] gestelde feit dat voor die vrijstelling andere en lichtere eisen gelden dan voor de planologische procedure waarop de gemeente in haar principebesluiten van april en juli 2006 aanstuurde, doet daaraan naar het oordeel van het hof onvoldoende af, ook omdat [verweerder] niet uitwerkt in hoeverre de eisen voor zijn bouwplan anders en lichter zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Tegen dit oordeel komt onderdeel 1 op.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 1.1 klaagt dat het hof met dit oordeel heeft miskend dat in verband met een beroep op art. 19 lid 3 WRO (oud) geen ruimtelijke onderbouwing is vereist. Uit de tekst van art. 19 leden 1 en 3 WRO (oud) in samenhang gelezen met art. 19a en 20 Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (oud) volgt reeds dat een goede ruimtelijke onderbouwing slechts is vereist bij toepassing van lid 1 van art. 19 WRO (oud).</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 1.2 klaagt dat het hof zijn beslissing althans onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd in het licht van de essentiële stelling van [verweerder] dat voor het verkrijgen van een vrijstelling op grond van art. 19 lid 3 WRO (oud) andere en lichtere eisen gelden dan de planologische procedure op grond van art. 19 lid 1 WRO (oud) waar de gemeente in haar eerste en tweede principebesluit op aanstuurde. Gegrondbevinding van die stelling zou ertoe leiden dat de overweging van het hof dat [verweerder] de onderbouwing hoe dan ook nodig zou hebben gehad, niet juist kan zijn. De overweging van het hof dat [verweerder] niet zou hebben uitgewerkt in hoeverre de eisen voor zijn bouwplan anders en lichter zijn, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Niet alleen heeft het hof met die overweging miskend dat de stelling van [verweerder] mede is gebaseerd op een uitleg van art. 19 leden 1 en 3 WRO (oud) en aldus ten minste mede juridisch van aard is (zie ook subonderdeel 1.1), maar de overweging van het hof is ook onbegrijpelijk, omdat [verweerder] heeft gewezen op de in hoger beroep overgelegde ruimtelijke onderbouwing die was opgesteld voor de vrijstelling op grond van art. 19 lid 1 WRO (oud), waarop de gemeente had aangestuurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 1.3 klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheid dat [verweerder] in het geheel geen ruimtelijke onderbouwing nodig had. Dat blijkt volgens het subonderdeel uit de essentiële stellingen van [verweerder] (1) dat hij het perceel medio 2006 had kunnen verkopen aan [betrokkene 1] of een ander zonder dat een vrijstelling zou zijn verleend en dus zonder dat een ruimtelijke onderbouwing zou zijn afgegeven en (2) dat hij onnodig kosten heeft gemaakt voor een vrijstellingsprocedure omdat zijn doel was om de bevestiging te krijgen dat er sprake was van een bouwperceel. Dat het hof bij de schadeberekening van het uitgangspunt is uitgegaan dat er geen noodzaak bestond tot het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing volgt uit de omstandigheid dat het hof blijkens rov. 1.1 van het derde tussenarrest is uitgegaan van de maximale invulling van de bouwmogelijkheden op het perceel zonder vrijstelling. Uit het vierde tussenarrest en het eindarrest blijkt dat het hof die wijze van schadeberekening heeft gehandhaafd. Mede in het licht daarvan is het dan onbegrijpelijk om bij de beantwoording van de vraag of de voor het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen, aan te nemen dat die onderbouwing hoe dan ook nodig zou zijn, aldus het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdelen 1.4 tot en met 1.6 bouwen voort op de voorgaande subonderdelen en bevatten geen klachten, zodat zij geen bespreking behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Art. 19 lid 1 WRO (oud) bepaalde dat de gemeenteraad ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling kan verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van een vrijstelling geen bezwaar hebben. Art. 19 lid 2 WRO (oud) bepaalde dat burgemeester en wethouders vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten aangegeven categorieën van gevallen. Hetgeen met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing was bepaald in art. 19 lid 1 WRO (oud), was van overeenkomstige toepassing bij art. 19 lid 2 WRO (oud). Het derde lid bepaalde dat burgemeester en wethouders eveneens vrijstelling kunnen verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Dit artikellid stelde niet de eis van een goede ruimtelijke onderbouwing. In de toelichting op art. 19 WRO (oud) is over de daarin opgenomen categorieën van vrijstellingen opgemerkt: “De vrijstellingen die in de huidige WRO zijn verdeeld over de artikelen 18, 18a en 19, worden in één artikel samengevoegd, te weten in artikel 19. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen vrijstellingen die volgens een zware procedure tot stand komen (artikel 19, eerste lid) en vrijstellingen die volgens een lichte procedure tot stand komen (artikel 19, tweede en derde lid) (…) De lichte procedure (artikel 19, tweede en derde lid) betreft de verlening van vrijstellingen van het bestemmingsplan waarbij burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn en waarvoor in beginsel geen toezicht van gedeputeerde staten en geen advisering door de inspecteur van de ruimtelijke ordening noodzakelijk zijn. (…) Wel is in het tweede lid geregeld dat de gevallen waarop de vrijstelling van het bestemmingsplan betrekking heeft, voorzien moeten zijn van een goede ruimtelijke onderbouwing. Dit is nodig gevonden, omdat het in het tweede lid ook kan gaan om gevallen die niet als «kruimels» zijn te beschouwen, maar die een grotere uitstraling hebben op de kwaliteit van de leefomgeving. Het betekent dat een gemeente zal moeten aangeven dat de voorgenomen activiteit past in de door de gemeente gewenste ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. (…) Artikel 19, derde lid, betreft de tweede categorie van vrijstellingen die volgens de lichte procedure tot stand kunnen komen. Deze gevallen zullen in het Bro in een lijst worden opgesomd en zijn daarmee in het hele land onverkort van toepassing. De daarvoor noodzakelijke wijziging van het Bro wordt binnenkort in procedure gebracht en zal gelijktijdig met het onderhavige wetsvoorstel in werking treden. Deze lijst is door deskundigen van provincie, VNG en rijk gezamenlijk opgesteld. Het gaat daarbij – kort gezegd – om vrijstellingen ten behoeve van uitbreidingen van of aan of bijgebouwen bij hoofdgebouwen en bedrijfsgebouwen, ten behoeve van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen, ten behoeve van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede om vrijstellingen ten behoeve van de bouw van (kleine) kassen. Deze vrijstellingen zullen in het te wijzigen Bro nadrukkelijk worden gebonden aan maximale (oppervlakte)maten; waar nodig is daarbij onderscheid gemaakt tussen vrijstellingen binnen en buiten de bebouwde kom.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Zoals ook volgt uit deze toelichting, heeft het derde lid betrekking op de vrijstelling voor wat wel genoemd wordt de ‘kruimelgevallen’. Uit het voorgaande volgt dat voor het verlenen van een vrijstelling op grond van art. 19 lid 3 WRO (oud) een ruimtelijke onderbouwing niet noodzakelijk was, zoals de gemeente ook erkent in de namens haar gegeven schriftelijke toelichting. Het oordeel van het hof in rov. 5.9 dat die onderbouwing noodzakelijk was, is dus onjuist. Dat wordt niet anders door het feit dat de gemeente ook bij art. 19 lid 3 WRO (oud) kon vragen om zo’n onderbouwing, zoals de gemeente in cassatie aanvoert. Het oordeel van het hof berust immers niet op het bestaan van die mogelijkheid, laat staan op het feit dat de gemeente in dit geval van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt en heeft kúnnen maken. Niet blijkt ook dat de gemeente dit feit heeft aangevoerd. De klacht in subonderdeel 1.1 slaagt dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Subonderdeel 1.2 is subsidiair aangevoerd en behoeft gelet op het slagen van subonderdeel 1.1 geen behandeling. Het bevat in wezen overigens niet meer dan een herhaling van de klacht van subonderdeel 1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Gelet op het slagen van subonderdeel 1.1 heeft [verweerder] geen belang bij subonderdeel 1.3. Dat subonderdeel behoeft daarom geen behandeling. Overigens is dat subonderdeel gegrond. Zoals het hof in rov. 5.17 vaststelt, heeft [verweerder] aangevoerd dat hij het perceel zonder het onrechtmatig handelen van de gemeente omstreeks 1 juli 2006 zou hebben verkocht. In dat geval zou hij niet om de vrijstelling ex art. 19 lid 3 WRO (oud) hebben behoeven te vragen. Zonder op deze grondslag van de vordering van [verweerder] in te gaan – wat het, zoals hiervoor in 3.20 al gezegd, niet heeft gedaan –, kon het hof derhalve niet oordelen dat [verweerder] de kosten van een ruimtelijke onderbouwing toch had moeten maken met het oog op die vrijstelling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2: advocaatkosten in de bezwaarfase en als gevolg van de beslissing op bezwaar 4.8 Onderdeel 2 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 5.13 van het eerste tussenarrest dat de door de gemeente gerichte grieven tegen de toewijzing van de door [verweerder] gevorderde advocaatkosten in verband met de onrechtmatigheid van de beslissing op bezwaar en de onrechtmatigheid van het primaire besluit slagen, nu het hier kosten betreft waarvoor art. 8:75 Awb een exclusieve, andere rechters dan de bestuursrechter uitsluitende, en uitputtende regeling is getroffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 2.1 voert aan dat als het hof heeft bedoeld te beslissen dat alle advocaatkosten die zijn gemaakt gedurende of na afloop van de bezwaarfase niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen in de onderhavige procedure, die beslissing onjuist is, omdat slechts die kosten die samenhangen met een bestuursrechtelijke procedure kunnen worden begrepen onder de kosten waarvoor art. 8:75 Awb een exclusieve en uitputtende regeling heeft getroffen. Het hof heeft volgens het subonderdeel ten onrechte niet onderzocht of de kosten waarvan [verweerder] vergoeding heeft gevorderd in de onderhavige procedure samenhangen met de bezwaarfase.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 2.2 betoogt dat als het hof wel is uitgegaan van een juiste rechtsopvatting, zijn beslissing zonder nadere motivering onbegrijpelijk is voor zover het de vergoeding van de door [verweerder] gemaakte advocaatkosten als gevolg van de beslissing op bezwaar betreft, omdat het hof niet is ingegaan op de essentiële stelling van [verweerder] dat het bij de kosten waarvan vergoeding is gevorderd niet gaat om kosten die betrekking hadden op de bestuursrechtelijke procedures. [verweerder] heeft er in dat verband expliciet op gewezen dat de kosten die betrekking hebben op de bestuursrechtelijke procedures uit de overgelegde declaraties zijn weggestreept, zodat de beslissing van het hof volgens het subonderdeel onbegrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 2.3 bouwt voort op de voorgaande subonderdelen en bevat geen klacht, zodat het geen bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 Op grond van art. 8:75 lid 1 Awb is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar tegen een besluit en het beroep bij de bestuursrechter. Over deze bepaling heeft de Hoge Raad in zijn arrest waarnaar het hof in rov. 5.13 verwijst overwogen: “5.3 (…) Met deze bepaling is beoogd het oordeel omtrent de vergoeding van deze kosten bij uitsluiting op te dragen aan de bestuursrechter (vgl. Kamerstukken II 1991-1992, 22 495, nr. 3, p. 154 en Kamerstukken II 1999/2000, 27 024, nr. 3, p. 1-2 en 7-8). De burgerlijke rechter dient daarom de eiser die vergoeding van de kosten van een bestuursrechtelijke bezwaar- of beroepsprocedure vordert, in beginsel niet-ontvankelijk te verklaren, ook als die vordering gegrond is op onrechtmatige daad. Daarbij verdient opmerking dat de bestuursrechter op grond van art. 2 lid 3 Besluit proceskosten bestuursrecht “in bijzondere gevallen” een hogere dan een forfaitaire vergoeding van die kosten kan toekennen, en dat daarvoor onder meer aanleiding kan bestaan indien het bestuursorgaan tegen beter weten in een onjuist standpunt heeft gehandhaafd (vgl. ABRvS 27 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BQ3715; CRvB 3 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6358; en HR 14 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8952, BNB 2012/301). Voor aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter ter zake van een vergoeding voor kosten van bezwaar of beroep is dan ook geen plaats, tenzij het een aanspraak betreft die de belanghebbende redelijkerwijs niet op de voet van art. 8:75 Awb aan de bestuursrechter (dan wel op de voet van art. 7:15 Awb aan het bestuursorgaan) heeft kunnen voorleggen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10 Subonderdeel 2.1 mist feitelijke grondslag in het arrest van het hof. In rov. 5.13 staat niet te lezen dat het hof uitgaat van de opvatting die het subonderdeel noemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11 Ook subonderdeel 2.2 kan niet tot cassatie leiden. De door het hof in rov. 5.13 genoemde grieven IX en X van de gemeente keerden zich tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.42 en 4.48 van haar eindvonnis dat de door [verweerder] gevorderde advocaatkosten in de bezwaar- en beroepsfase toewijsbaar zijn (zie hiervoor in 2.9 en 2.10). De gemeente heeft aangevoerd dat de rechtbank deze kosten, gelet op art. 8:75 Awb, ten onrechte toewijsbaar heeft geoordeeld. Die grieven waren voor beide fases als zodanig zonder meer gegrond, omdat de rechtbank in het geheel niet op die bepaling is ingegaan bij haar oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het subonderdeel had het hof echter bij zijn oordeel moeten ingaan op de stelling van [verweerder] bij memorie van antwoord in het incidenteel appel dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op de bestuursrechtelijke procedures en dat de uren die met betrekking tot de bestuursrechtelijke procedures gemaakt zijn, uit de als productie 133 bij memorie van grieven (en productie 27 bij de dagvaarding) overgelegde declaraties zijn weggestreept en derhalve niet worden gevorderd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat valt echter niet in te zien. Zoals de rechtbank al in genoemde rechtsoverwegingen heeft overwogen, heeft [verweerder] de door hem op dit punt gevorderde kosten in het geheel niet toegelicht (maar heeft de rechtbank ze toch toegewezen). [verweerder] heeft volstaan met overlegging van alle facturen van zijn advocaat over de gehele periode oktober 2006-januari 2010 (productie 27 bij de inleidende dagvaarding), zonder duidelijk te maken welke kosten of uren die daarop staan vermeld, door hem op welke grond werden gevorderd bij de door hem genoemde bedragen, die de rechtbank in rov. 4.42 en 4.48 van haar eindvonnis toewijsbaar heeft geoordeeld en heeft toegewezen. Ook in hoger beroep heeft [verweerder] die duidelijkheid niet gegeven, althans niet op de in het subonderdeel genoemde plaats.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waaruit blijkt dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op de bestuursrechtelijke procedures, waarop die kosten zien en waaruit die kosten zijn samengesteld, is daardoor geheel onduidelijk gebleven. Wat betreft ‘productie 133 bij memorie van grieven’ waarnaar wordt verwezen, geldt dat deze niet bestaat. Vermoedelijk is bedoeld productie 136 bij memorie van antwoord in het incidenteel appel, waarbij productie 27 bij de inleidende dagvaarding opnieuw is overgelegd. Als al gezegd wordt uit die productie in het geheel niet duidelijk welke kosten of uren op welke grond worden gevorderd en welke daarvan zijn begrepen in de gevorderde bedragen. Het enige dat daaruit blijkt, is dat sommige uren daarvan zijn doorgehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een toelichting of verduidelijking ontbreekt, althans wordt in het middel niet genoemd. Het gaat dus om het spreekwoordelijke ‘zoekplaatje’. Aan de in het subonderdeel genoemde stelling kon het hof daarom zonder motivering voorbijgaan, als zijnde niet naar behoren toegelicht en onderbouwd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3; hypotheeklasten 4.12 Zoals het hof aan het slot van rov. 5.17 van zijn eerste tussenarrest vaststelt, heeft [verweerder] in hoger beroep een nieuwe schadepost gesteld. Hij heeft aangevoerd dat in de hypothetische situatie waarin hij het perceel medio 2006 had kunnen verkopen als bouwperceel, hij met de verkoopopbrengst, die volgens hem € 450.000 zou zijn geweest, voor een deel zijn hypothecaire leningen had afgelost, tot zekerheid waarvan het perceel hypothecair was verbonden. Door een deskundige is berekend dat [verweerder] in de periode van 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2016 een bedrag van € 155.719,- exclusief btw is kwijt geweest aan onnodig betaalde hypotheeklasten. Deze vordering heeft het hof in rov. 5.21 van het eerste tussenarrest afgewezen op twee gronden. Het hof oordeelt ten eerste dat het vanwege ‘de fixering van de vertragingsschade bij betaling van een geldsom’ niet mogelijk is apart begrote hypotheeklasten toe te wijzen. Ten tweede oordeelt het hof dat de door [verweerder] gemaakte begroting van de hypotheeklasten onaannemelijk is, nu hij het perceel heeft aangekocht als bosperceel en zonder toelichting niet verklaarbaar is dat daarop een hypotheek rust van € 1.031.513,-, dan wel dat de volledige rentelasten van dat geleende bedrag aan het bouwperceel moeten worden toegerekend, zoals volgt uit het door [verweerder] overgelegde advies van de deskundige.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13 Onderdeel 3 komt op tegen deze oordelen. Subonderdeel 3.1 klaagt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, mede in het licht van het uitgangspunt bij de bepaling van de schadevergoeding dat de gelaedeerde zoveel mogelijk in de positie moet worden gebracht waarin het schadeveroorzakende feit zich niet heeft voorgedaan. Het hof heeft volgens het subonderdeel miskend dat de schade als gevolg van de betaalde hypotheeklasten niet is geleden als gevolg van het gemis van een geldbedrag gedurende een bepaalde periode, maar ten gevolge van een betalingsverplichting die rechtstreeks was verbonden met de eigendom van het bouwperceel en die is doorgelopen als gevolg van de onrechtmatige daad van de gemeente die erin resulteerde dat de verkoop van het bouwperceel geen doorgang vond. Door geheel te abstraheren van de daadwerkelijk betaalde hypotheekrente en aansluiting te zoeken bij een gefixeerde wijze van schadeberekening vanwege de te late betaling van een schadevergoeding, heeft het hof volgens het subonderdeel ten onrechte geen acht geslagen op de daadwerkelijk betaalde hypotheekbedragen bij de vaststelling van de schade van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 3.2 klaagt dat de beslissing van het hof over de onaannemelijkheid van de door [verweerder] gemaakte begroting van de hypotheeklasten onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel heeft het hof niet toegelicht waarom niet een deel van de door [verweerder] op basis van het door hem overgelegde deskundigenadvies aangevoerde hypotheeklasten wel aan het bouwperceel moet worden toegerekend, terwijl de redenering van het hof dat niet uitsluit. Bovendien is het hof ten onrechte – zonder motivering – voorbijgegaan aan het door [verweerder] gedane en gespecificeerde aanbod de schade bestaande uit de netto hypotheeklasten nader aannemelijk te maken of te bewijzen door deskundigenrapporten over te leggen en/of door middel van met naam vermelde getuigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 3.3 bouwt voort op de voorgaande subonderdelen en bevat geen zelfstandige klacht, zodat het geen bespreking behoeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14 Art. 6:119 BW strekt ertoe de schadevergoeding wegens vertraging in de voldoening van een geldsom te fixeren op de wettelijke rente, zulks ter wille van de rechtszekerheid en van de hanteerbaarheid van het recht op dit punt. Aldus behoeft de schuldeiser enerzijds niet te bewijzen enige schade te hebben geleden ten gevolge van de vertraging in de voldoening van de hem toekomende geldsom, maar kan hij anderzijds ook geen hogere vergoeding vorderen indien zijn schade meer dan het fixum zou belopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regeling is, zoals uit de wettekst al volgt en voor de hand ligt gelet op het uitzonderingskarakter van deze regeling, beperkt tot het geval dat sprake is vertraging in de voldoening van een geldsom. Gaat het om een andere tekortkoming dan geldt de regeling van art. 6:119 BW dus niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.15 In het licht van het voorgaande is subonderdeel 3.1 – dat m.i. een hierop gerichte klacht bevat – terecht voorgesteld. Naar de eigen vaststelling van het hof in rov. 5.17 van het eerste tussenarrest vordert [verweerder] de vergoeding van de hypotheeklasten niet als schade door de vertraging in de voldoening van een geldsom door de gemeente als bedoeld in art. 6:119 BW, maar omdat het onrechtmatig handelen van de gemeente de verkoop van het perceel tegen een goede prijs heeft verhinderd. Zonder dat handelen was het perceel verkocht en met de opbrengst daarvan de hypothecaire lening voor een deel afgelost, zo luidt de grondslag van de vordering van [verweerder] op dit punt. Art. 6:119 BW en de fixatie van de vertragingsschade die deze bepaling inhoudt, is dus niet van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16 Daarmee is nog niet gezegd dat de door [verweerder] gevorderde hypotheeklasten ook zijn toe te rekenen aan het onrechtmatige handelen van de gemeente. Het hof heeft bij de tweede grond voor zijn afwijzing van de vergoeding van die lasten geoordeeld dat de door [verweerder] gestelde hoogte daarvan onaannemelijk is, gelet op de gestelde hoogte van de hypotheekschuld van meer dan € 1 miljoen en het feit dat [verweerder] het perceel heeft gekocht als bosperceel (dus tegen een veel lagere prijs dan die van een bouwperceel). Het hof heeft vervolgens overwogen dat in verband hiermee althans onaannemelijk is dat de volledige rentelasten van die schuld aan het perceel moeten worden toegerekend. Het middel bevat tegen deze oordelen in subonderdeel 3.2 slechts deze klacht, kort gezegd, dat het hof heeft opengelaten dat mogelijk wel een deel van de gestelde hypotheeklasten aan het bouwperceel zijn toe te rekenen. Voorts klaagt het subonderdeel dat [verweerder] bewijs heeft aangeboden van de hypotheeklasten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.17 Deze klachten falen m.i. als zodanig. Het is duidelijk dat het hof met genoemde oordelen tot uitdrukking brengt dat het mede is gevallen over het gebrek een uitwerking, onderbouwing en toelichting van de gevorderde hypotheeklasten, wat betreft het deel daarvan dat als toerekenbaar aan het perceel voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen als een gevolg van het onrechtmatige handelen van de gemeente. In het licht van het feit dat die uitwerking, onderbouwing en toelichting inderdaad in het geheel niet door [verweerder] is gegeven – op de in subonderdeel genoemde plaatsen wordt ervan uitgegaan dat genoemde lasten in beginsel in hun geheel voor vergoeding in aanmerking komen, hetgeen een standpunt is dat niet alleen naar het oordeel van het hof, maar óók naar het subonderdeel zelf tot uitgangspunt neemt, niet juist is –, is dat oordeel niet onbegrijpelijk. Nu de oordelen van het hof erop neerkomen dat [verweerder] om deze reden niet aan zijn stelplicht heeft voldaan (in de zin van processuele motiveringsplicht) – omdat dus geheel onduidelijk is over welk deel van de gestelde kosten het gaat en waarom dat deel zou zijn toe te rekenen aan het perceel –, mocht het hof aan het in het subonderdeel genoemde bewijsaanbod voorbijgaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.18 Omdat de tweede zelfstandig dragende grond die het hof in rov. 5.21 noemt voor de afwijzing van de vergoeding van de hypotheeklasten, tevergeefs wordt bestreden door subonderdeel 3.2, kan ook subonderdeel 3.1 niet tot cassatie leiden. Onderdeel 3 faalt dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4; schadebegroting bij eindarrest 4.19 Onderdeel 4 komt op tegen de door het hof in rov. 2.3 van het eindarrest toegepaste correctie van 20% op de door de deskundige aan het perceel toegekende waarde in 2006. Dit oordeel van het hof bouwt voort op het oordeel van het hof in rov. 5.19 van het eerste tussenarrest over de schade die [verweerder] heeft geleden door de vertraging van de erkenning van het perceel als bouwperceel. Gelet op het slagen van de subonderdelen 3.1 en 3.2 van het middel in het principale cassatieberoep, heeft [verweerder] geen belang bij zijn bestrijding van rov. 2.3 van het eindarrest. Een bespreking van het onderdeel laat ik daarom achterwege.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5; ontwikkelingen na 2009 4.20 Onderdeel 5 is voorgesteld onder de voorwaarde dat een van de klachten van onderdeel 3 in het principaal cassatieberoep tot cassatie leidt. Het onderdeel bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 5.20 van het eerste tussenarrest dat de bestemmingswijzigingen van het perceel na 2009 niet meer als bedoeld in art. 6:98 BW in causaal verband staan met de onrechtmatige gedragingen van de gemeente in de periode van 2006-2009. Volgens het onderdeel strekt het ertoe dat, als het in de subonderdelen 3.4-3.8 van het principaal cassatieberoep verwoorde standpunt van de gemeente wordt gehonoreerd, niet alleen met de door de gemeente, maar ook met de door [verweerder] naar voren gebrachte ontwikkelingen van na 17 december 2009 rekening moet worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21 Als al gezegd is aan de voorwaarde waaronder het onderdeel is ingesteld, voldaan, nu de subonderdelen 3.1 en 3.2 van het middel in het principale cassatieberoep slagen. Dat brengt echter ook mee dat [verweerder] geen belang meer heeft bij het onderdeel. Het daardoor bestreden oordeel van het hof in rov. 5.20 van het eerste tussenarrest bouwt voort op het oordeel van het hof in rov. 5.19 van het eerste tussenarrest over de schade die [verweerder] heeft geleden door de vertraging van de erkenning van het perceel als bouwperceel. Zoals hiervoor in 3.29 en 3.32 al opgemerkt, zal na verwijzing opnieuw moeten worden nagegaan welke schade [verweerder] heeft geleden door de vertraging van de erkenning van het perceel als bouwperceel en kan daarbij ook worden gekeken naar de positie waarin hij uiteindelijk is komen te verkeren. In zover het onderdeel dát punt aan de orde wil stellen, is het echter denk ik gegrond. Bij die gegrondheid kan [verweerder] wel belang hebben, als ervan wordt uitgegaan dat het verbod op reformatio in peius ook geldt voor het cassatieberoep. Als dat verbod ook voor het cassatieberoep geldt, dan zouden de vorderingen van [verweerder] immers na verwijzing niet meer kunnen worden toegewezen tot een hoger bedrag dan het hof in zijn eindarrest heeft gedaan, behoudens voor zover de uitkomst van het door [verweerder] ingestelde cassatieberoep een verdergaande uitkomst in zijn voordeel kan rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 4.22 Onderdeel 1 in het incidenteel beroep is gegrond. Dat geldt mogelijk ook voor onderdeel 5. De andere onderdelen zijn ongegrond.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest van het hof in zowel het principale als het incidentele beroep en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Vgl. rov. 3.2-3.39 van het eerste tussenarrest van het hof, van 5 februari 2019. Zie ook rov. 2.1-2.33 van het eindvonnis van de rechtbank, waarnaar het hof in rov. 3.1 verwijst. De feiten vermeldt in rov. 3.37-3.39 van het eerste tussenarrest van het hof zijn hier weggelaten omdat ze in cassatie niet meer in volle omvang van belang zijn. Hier en daar is de feitenvaststelling van het hof in deze conclusie om dezelfde reden ook anderszins ingekort.</p>\n<p class=\"lf-p\">De afbeelding is overgenomen van rov. 2.7 van het vonnis van de rechtbank. Het hof heeft met zoveel woorden overwogen dat het van dezelfde feiten als de rechtbank is uitgegaan (rov. 3.1 van het eerste tussenarrest).</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat dit – zoals hierna zal blijken – in cassatie een rol speelt, is de weergave van het primaire besluit hier wat uitvoeriger dan in rov. 2.19 van het eindvonnis van de rechtbank en rov. 3.20 van het eerste tussenarrest van het hof. Vgl. voor deze meer uitvoerige weergave de tekst van het primaire besluit, dat in eerste aanleg door [verweerder] is overgelegd als productie 7 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om dezelfde reden als vermeld in de vorige voetnoot is ook de weergave van de beslissing op bezwaar hier wat uitvoeriger dan in het eindvonnis van de rechtbank (rov. 2.21) en het eerste tussenarrest van het hof (rov. 3.22). De beslissing op bezwaar is in eerste aanleg door [verweerder] overgelegd als productie 8 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitspraak is door [verweerder] overgelegd als productie 9 bij de inleidende dagvaarding. Zij is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer ECLI:NL:RVS:2009:BK2908. Rechtbank (rov. 2.28 eindvonnis) en hof (rov. 3.29 eerste tussenarrest) hebben bij de weergave van de feiten weggelaten dat de Afdeling heeft vastgesteld dat de aanvraag van [verweerder] (dus) niet in strijd was met het bestemmingsplan wat betreft de breedte van het perceel en dat de Afdeling B&amp;W heeft opgedragen om opnieuw op de aanvraag van [verweerder] te beslissen. Omdat dit in cassatie van belang is, zijn deze onderdelen van de uitspraak hier toegevoegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit besluit – dat kwalificeert als een nieuwe beslissing op bezwaar, maar hierna veelal zal worden aangeduid als het besluit van 17 december 2009 (om verwarring met de eerdere, door de Afdeling vernietigde beslissing op bezwaar te voorkomen) – is door [verweerder] overgelegd als productie 10 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de vaststelling van de rechtbank in rov. 3.1 van haar eindvonnis en de vaststelling door het hof in rov. 4.1 van zijn eerste tussenarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met zoveel woorden de inleidende dagvaarding onder 24 en 25.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de vaststelling van de grondslag van de vorderingen rov. 3.2 en 4.1, alsmede rov. 4.58 van het eindvonnis van de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb Gelderland 10 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:716.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met ‘BOGP’ bedoelt de rechtbank in deze overwegingen de bestemming ‘bermen, openbaar groen of plantsoen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het arrest is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:1058. De andere tussenarresten zijn niet op rechtspraak.nl gepubliceerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie onder 21-26. De uitspraak van de Afdeling waarbij onherroepelijk de planschadevergoeding van € 350.000 is toegekend, is ABRvS 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1171 (overgelegd als productie 24 bij de antwoordmemorie). De samenloop van de schadevergoeding en het behoud van de bouwmogelijkheid op het perceel is een gevolg van het feit dat de gemeente naar het oordeel van de Afdeling te lang onzekerheid heeft laten bestaan over dat behoud (die zij bedoeld had als compensatie in natura van de planschade). Daardoor heeft [verweerder] uiteindelijk beide gekregen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding is op maandag 2 mei 2022 ingediend bij de Hoge Raad. Dat is tijdig op grond van art. 1 lid 1 van de Algemene termijnenwet, die op de cassatietermijn van toepassing is (vgl. HR 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225).</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze conclusie wordt kortheidshalve steeds van ‘voorfase’ gesproken waar wordt gedoeld op hetgeen tussen [verweerder] en de gemeente is voorgevallen voorafgaand aan het primaire besluit. Rechtbank en hof gebruiken voor deze fase de ‘vooroverlegfase’ en de ‘voorbereidingsfase’, welke aanduidingen geen vaste terminologie betreffen en in dit geval ook niet helemaal de lading dekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ging om een reguliere vergunning eerste fase als bedoeld in art. 56a Woningwet oud (zie hiervoor onder 2.1 onder (xxviii)). Die vergunning mag volgens die bepaling slechts geweigerd worden als zich een wettelijke weigeringsgrond voordoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2310, NJ 2011/139, rov. 3.3, en wat betreft de uitspraak over een besluit HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361, m.nt. J.W. Winter en P. van Schilfgaarde, (onteigening SNS), rov. 4.5.2, HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128, NJ 2015/266, m.nt. J.W. Zwemmer, rov. 3.3.4, HR 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:1, NJ 2018/420, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.2, HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738, NJ 2019/213 en HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:833, NJ 2021/233, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 2.5.4. Zie voor de rechtspraak van de bestuursrechter, die eveneens in deze zin luidt, Schlössels, Schutgens en Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat band II, nr. 777.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588, NJ 1998/526, m.nt. A.R. Bloembergen, en HR 21 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1705, NJ 2013/422, m.nt. J.W. Zwemmer. Vgl. voorts Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel, Deventer: Wolters Kluwer 2011/9f, met vermelding van meer rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor al opgemerkt, is het besluit van 17 december 2009 een nieuwe beslissing op bezwaar, namelijk op het bezwaar van [verweerder] tegen het primaire besluit heeft gemaakt (de vorige beslissing op bezwaar is door de Afdeling vernietigd en daarom moest B&amp;W opnieuw beslissen op grond van de uitspraak van de Afdeling). Dit karakter van het besluit van 17 december 2009 blijkt ook uit de inhoud daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het imperatieve karakter van art. 56a Woningwet oud bijvoorbeeld T&amp;C Ruimtelijk Bestuursrecht 2008 5e druk, aantek. 2 op art. 56a Woningwet (Moesker), met verwijzing naar de wetsgeschiedenis. Art. 56a bouwt voort op art. 44 Woningwet oud. Zie over die bepaling bijv. A.G.A. Nijmeijer, T&amp;C Ruimtelijk bestuursrecht 2006, art. 44 Ww, aant. 1a, en P.J.J. van Buuren e.a., Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht, 2006, par. 6.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Hoge Raad-rechtspraak genoemd bij Snijders, Overheidsprivaatrecht, bijzonder deel, Deventer: Wolters Kluwer 2016/28c en 28d, waaraan nog toe te voegen HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1334, NJ 2002/335, m.nt. M. Scheltema (Staat/Leers), rov. 3.4 onder (c).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. haar conclusie van antwoord onder 37-39.</p>\n<p class=\"lf-p\">De belangrijkste uitspraken in dit verband zijn HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7774, NJ 2006/93, m.nt. M.R. Mok ( […] /Valkenswaard), rov. 3.4, en HR 30 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5523, NJ 1988/89, m.nt. M. Scheltema, (Blaricum/ […] ), rov. 4.2. Zie nader Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel, Deventer: Wolters Kluwer 2011/9c (p. 48-49) en Snijders, Overheidsprivaatrecht, bijzonder deel, Deventer: Wolters Kluwer 2016/28e, beide met vermelding van meer rechtspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2010/11, 32621, nr. 3, p. 44/45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zelfstandig karakter dragen voorbereidingshandelingen als zij los van het besluit kunnen worden beoordeeld, zoals in het geval dat de gegeven inlichtingen niet in het besluit zijn toegepast of het gaat om een wettelijke voorbereidingsprocedure (zie thans afdeling 3.4 Awb), waarvan de strekking is dat hetgeen daarin wordt gezegd, niet juist behoeft te zijn. Zie de in voetnoot 24 genoemde vindplaatsen in de literatuur, andermaal met vermelding van rechtspraak, waaronder HR 26 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3382, NJ 2000/561 m.nt. M. Scheltema (Noord-Brabant/ […] ), dat over een een wettelijke voorbereidingsprocedure ging.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1506, NJ 1995/139, m.nt. M. Scheltema (Talma/Friesland).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9600, NJ 2003/268 ( […] /Staat), rov. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof gaat in die rechtsoverweging aan de haal met de woorden van de omschrijving van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad van hetgeen waar het bij het aanvangstijdstip van art. 3:310 BW om gaat, namelijk dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Volgens die rechtspraak ziet dat echter slechts op gevallen waarin de benadeelde onbekend is met of redelijkerwijs in onzekerheid verkeert over het bestaan van schade, de oorzaak van de schade of de voor het ontstaan van de schade verantwoordelijke persoon, en dus niet op het geval dat eerst een andere rechter een oordeel moet geven of op het geval dat de benadeelde onbekend is met dan wel in onzekerheid verkeert over de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Zie m.n. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677, NJ 2018/239 (TMG/Staat), rov. 3.3.2 en 3.3.3, en de daarin aangehaalde rechtspraak. Zie nader over het als laatste genoemde geval (onzekerheid over juridische beoordeling) HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, NJ 2021/187, m.nt. J.L. Smeehuijzen, rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Snijders, Overheidsprivaatrecht, bijzonder deel, Deventer: Wolters Kluwer 2016/6d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. CRvB 1 augustus 2000, JB 2001/260, CBb 25 juli 2001, AB 2001, 288, m.nt. JHvdV, ABRS 3 juli 2002, AB 2002, 242, en ABRvS 5 maart 2008, JB 2008, 96, welke uitspraken zijn aangehaald in de in de volgende voetnoot te noemen toelichting op art. 8:93 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2010/11, 32621, nr. 3, p. 51-52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij teken ik nog aan dat het niet zo is dat geen schadevergoeding kan worden toegewezen zolang de bestuursrechter nog niet heeft gesproken. Als een spoedeisend belang bij de schadevergoeding bestaat, kan al eerder in kort geding een voorschot op de schadevergoeding worden toegewezen, op basis van een prognose van het oordeel van de bestuursrechter. Zie Snijders, Overheidsprivaatrecht, algemeen deel, Deventer: Wolters Kluwer 2011/9b onder (iii), met vermelding van rechtspraak. Zie daarvan m.n. HR 27 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1334, NJ 2002/335, m.nt. M. Scheltema (Staat/Leers). Dat arrest is niet achterhaald door de regeling van titel 8.4 Awb. Voordat bij de bestuursrechter een verzoek om schadevergoeding is gedaan – wat pas kan na een vernietiging van het besluit –, bestaat volgens de regeling van die titel geen rechtsingang bij de bestuursrechter voor het doen van een verzoek om een voorlopige voorziening in de vorm van een voorschot daarop. Zie aldus ook de toelichting op de regeling, Kamerstukken II 2010/11, 32621, nr. 3, p. 54. De belanghebbende blijft in die situatie dus in alle gevallen voor rechtsbescherming aangewezen op de burgerlijke rechter.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie naast Scheltema en Scheltema, Gemeenschappelijk recht, nr. 4.6.4.1, waarnaar het hof aan het slot van rov. 5.8 verwijst, A-G Hartlief, conclusie voor HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2368 (art. 81 RO), ECLI:NL:PHR:2018:1406, onder 3.21, en J.A.M.A. Sluysmans &amp; N. van Triet, ‘Verjaring bij overheidsaansprakelijkheid’, in: S.E. Bartels e.a. (red.), Verjaring (OOR-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 435-436, met verdere verwijzingen (waaronder het eerste tussenarrest van het hof in deze zaak).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat is dus een anticiperende wetsuitleg (anticipatie op art. 8:93 BW), maar met (pseudo) terugwerkende kracht, namelijk alsnog voor de periode vóór de inwerkingtreding van de bepaling waarop geanticipeerd wordt. Na 1992 is dat vaker gebeurd, bij de anticipatie op het nieuw BW in gevallen waarop het oude BW nog van toepassing was.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, NJ 2012/340.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het besluit van 5 juli 2010 is door de gemeente overgelegd als productie 5 bij memorie van antwoord tevens incidenteel appel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is de methode die het hof beschrijft in rov. 5.19 en het herhaalt en toepast aan het slot van rov. 2.3 van zijn eindarrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven van [verweerder] onder 15 e.v. en de toelichting op grief I, onder 45 e.v. Met deze stelling wijzigde [verweerder] zijn eis en de grondslag daarvan. In eerste aanleg had hij alleen de schade gevorderd door het niet doorgaan van de overdracht aan [betrokkene 1] , welke vordering de rechtbank niet toewijsbaar heeft geoordeeld in rov. 4.39 van haar eindvonnis (zie hiervoor in 2.8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Namens [verweerder] wordt in de memorie van grieven wel mede over ‘waardevermindering’ gesproken, maar uitsluitend in verband met de stelling dat het perceel na december 2009 ‘onverkoopbaar’ was geworden (waarop het hof in rov. 5.20 van het tussenarrest reageert). Bij die stelling heeft [verweerder] het echter nog steeds over de schade die hij heeft geleden doordat hij het perceel niet tegen een goede prijs heeft kunnen verkopen in 2006 of 2007, en in latere jaren, zoals o.m. volgt uit het feit dat hij geen andere toelichting op de onderhavige vordering heeft gegeven dan de hiervoor genoemde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld zijn memorie van grieven onder 16 over de positie waarin hij verkeerde in april 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 8:81 Awb, dat vanaf dat moment een voorlopige voorziening door bestuursrechter mogelijk maakt. In plaats van een van de genoemde wegen te volgen, heeft [verweerder] geprobeerd er in overleg met de gemeente uit te komen en met het vragen van de vergunning die volgens hem verleend moest worden (voor een woning met oriëntatie naar de [c-straat] ) gewacht tot oktober 2007 en vervolgens geen voorlopige voorzieningen gevraagd (zie hiervoor in 2.1 onder (xvi) e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat laatste is voor de taxatie van de waarde in april 2006 echter niet relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5651, NJ 2000/690 (Dordrecht/Stokvast).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de zaak was uitgangspunt dat een bodemsanering de slechte naam die een wijk op de onroerend goed markt heeft gekregen door de aanwezigheid van de bodemverontreiniging, niet altijd geheel wegneemt en dat het bovendien na de voltooiing van de bodemsanering enige tijd duurt voordat duidelijk is op welk niveau de prijzen zich stabiliseren. Hierbij valt te bedenken dat bij een bodemsanering – uit kostenoverwegingen – de bodem veelal niet voor honderd procent wordt schoongemaakt, maar alleen zodanig dat het verantwoord is om er op te wonen. Een zekere ‘kwade reuk’ kan dus letterlijk en figuurlijk blijven hangen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391 m.nt. J. Spier (Groninger aardbevingsschade).</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar wordt verwezen naar HR 5 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9998, NJ 2009/387 m.nt. J.B.M. Vranken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen 2 (Mon. BW nr. B35) 2017/10.1, Lindenbergh, Schadevergoeding: algemeen, deel 1 (Mon. BW nr. B34) 2020/36, Van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom Juridisch 2020, nr. 929-2, p. 518, Hartlief, Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 207-208, p. 278, en (impliciet) Asser/Sieburgh 6-II 2021/31-39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 2 februari 1979, ECLI:NL:HR:1979:AB7302, NJ 1979, 384, m.nt. F.H.J. Mijnssen (aanwezigheid hoogspanningsleidingen boven perceel), waarnaar in rov. 2.11.4 van de uitspraak over de Groninger aardbevingsschade mede wordt verwezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">En die, naar ik begrijp, als zodanig een gevolg is geweest van haar eigen onhandigheden bij de besluiten m.b.t. de bestemmingsplanwijziging ‘ [plaats] ’, door haar aangeduid als een (voor haar) ‘uiterst ongelukkig verloop van de verschillende bestuursrechtelijke procedures’ (rov. 2.5 eindarrest). Zie hiervoor in voetnoot 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het middel is niet consequent in de aanduiding van de nummering ervan. In de kopjes worden romeinse cijfers gebruikt, in de kantlijnen arabische. Ik gebruik alleen de laatste aanduiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997-1998, 25 311, nr. 7, p. 12-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze term en voor een nadere uiteenzetting over art. 19 WRO (oud) J.W. van Zundert, Ruimtelijk Bestuursrecht, artikel 19 WRO, aant. 2.2. Zie ook J.W. van Zundert, Module Ruimtelijke ordening, artikel 19 WRO, aant. 1.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 4.4 daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie t.a.p.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst ook naar de destijds geldende art. 19a en 20 Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (oud), maar die bepalingen ondersteunen de klacht m.i. niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1456, NJ 2014/8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in het incidenteel appel onder 101 en 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat blijkt ook uit de memorie van antwoord in het incidenteel appel onder 91.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij productie 136 is wel nog een overzicht gevoegd, maar de bedragen daarvan stemmen in het geheel niet overeen met de gevorderde en door de rechtbank toegewezen bedragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4777, NJ 2000,/275, HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR0220, NJ 2007/481, m.nt. Jac. Hijma, rov. 3.5.4, HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR2760, NJ 2007/482 m.nt. Jac. Hijma, rov. 3.7, en HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1823, NJ 2011/309. Zie voorts bijv. Asser/Sieburgh 6-II 2017/212-214.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1823, NJ 2011/309, rov. 3.3. Zie voorts voor het oude BW, maar met een motivering die ook geldt voor het huidige BW HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0658, NJ 2008/415, rov. 3.4.2. Ook de literatuur luidt in de hier genoemde zin. Zie bijv. GS Verbintenissenrecht, art. 6:119 BW, aant. 2 (P.M. Vos, actueel t/m 11-06-2021), Asser/Sieburgh 6-II 2017/213, slot, en T&amp;C BW, commentaar op art. 6:119 BW, aantek. 1 (Rank, actueel t/m 15-02-2023).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie wat betreft het aanbod tot getuigenbewijs bijv. GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 166 Rv, aant. 1.2 (G. de Groot, actueel t/m 04-01-2023), met vermelding van rechtspraak. Op een aanbod tot deskundigenbewijs behoeft de rechter nimmer in te gaan. Zie de conclusie in zaak 20/01927, ECLI:NL:PHR:2021:640, onder 3.2, met vermelding van nadere gegevens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze kwestie Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/332, met verdere verwijzingen.</p></div>", "next": 0}