{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie voor het voorgaande Max-Planck, rov. 12, 14, 18, 27-29. In Kreuziger lag een vergelijkbare kwestie voor. Die zaak betrof een verzoek van een juridisch stagiair tot uitbetaling van de minimumvakantiedagen die hij in de periode tussen 1 januari 2010 en het einde van zijn opleiding op 28 mei 2010 niet had opgenomen. Door de Duitse rechter werd onder meer de prejudiciële vraag gesteld of – in de herformulering van het HvJEU (rov. 27) – art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn ‘aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als § 9 EUrlVO voor zover deze regeling impliceert dat de werknemer die vóór de beëindiging van het dienstverband niet heeft verzocht om zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon te mogen uitoefenen, automatisch de dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon waarop hij krachtens het Unierecht bij die beëindiging recht had, alsmede zijn daarmee verbonden recht op een financiële vergoeding voor de niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon, verliest’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Max-Planck, rov. 30 (‘dat de werknemer, welke ook de omstandigheden zijn die ertoe hebben geleid dat hij zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet heeft opgenomen, [het in art. 7 lid 1 bedoelde recht op vakantie] (…), altijd moet blijven behouden.’). Zie ook Kreuziger, rov. 37 (‘dat een werknemer, ongeacht de omstandigheden waardoor hij de jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet heeft opgenomen, nog steeds moet kunnen gebruikmaken van [het in art. 7 lid 1 bedoelde recht op vakantie] (…)’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het HvJEU wijst erop – samengevat – dat het toepasselijke Duitse recht door de nationale rechter aldus wordt uitgelegd dat de werknemer die er in de betrokken referentieperiode niet om heeft verzocht om zijn minimumvakantiedagen te mogen opnemen, zijn rechten op vakantie aan het einde van die periode in beginsel verliest, net als het daarmee verbonden recht op een financiële vergoeding (rov. 39), om vervolgens te overwegen dat met ‘een dergelijk automatisch verlies’ van het recht op vakantie, zonder dat eerst moet worden nagegaan of de werknemer daadwerkelijk in staat is gesteld om dat recht uit te oefenen, wordt voorbijgegaan aan de grenzen die de lidstaten verplicht in acht moeten nemen wanneer zij de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op vakantie vaststellen (rov. 40).</p>\n<p class=\"lf-p\">Max-Planck, rov. 44. Zie ook Kreuziger, rov. 51, waar het HvJEU spreekt van ‘in de gelegenheid stellen’. Bij zijn overweging dat de werkgever niet gehouden is zijn werknemers te verplichten hun minimumvakantiedagen daadwerkelijk op te nemen, verwijst het HvJEU naar zijn arrest van 7 september 2006 C484/04, EU:C:2006:526 (Commissie/Verenigd Koninkrijk), rov. 43. De overweging dat de werkgever zijn werknemers wel in staat moet stellen het recht op vakantie uit te oefenen wordt gegeven onder verwijzing naar HvJEU 29 november 2017, C214/16, EU:C:2017:914 (King), rov. 63.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Duitse, Engelse en Franse taalversies zijn op dit punt voor beide arresten (nagenoeg) gelijkluidend. De Nederlandse taalversie van Kreuziger sluit aan bij deze taalversies.</p>\n<p class=\"lf-p\">De volledige overweging luidt als volgt: ‘Met het oog daarop (…) is de werkgever met name gehouden om, gelet op het dwingende karakter van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon en teneinde het nuttige effect van artikel 7 van richtlijn 2003/88 te waarborgen, concreet en in alle transparantie ervoor te zorgen dat de werknemer daadwerkelijk in staat is zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon op te nemen, en wel door hem – indien nodig formeel – ertoe aan te zetten vakantie te nemen en hem daarbij kennis te geven van het feit dat de vakantie verloren zal gaan aan het einde van de referentieperiode of toegestane overdrachtsperiode dan wel bij de beëindiging van het dienstverband wanneer deze gebeurtenis zich in de loop van een dergelijke periode voordoet. Deze kennisgeving moet op nauwkeurige wijze en tijdig geschieden, opdat die vakantie de betrokkene nog de rust en ontspanning kan waarborgen waartoe zij geacht wordt bij te dragen.’ Vgl. ook de Duitse (‘indem er ihn – erforderlichenfalls förmlich – auffordert, dies zu tun’), Engelse (‘by encouraging him, formally if need be, to do so’) en Franse (‘en l’incitant, au besoin formellement, à le faire’) taalversies van zowel Kreuziger als Max-Planck.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 22 september 2022, C-518/20 en C-727/20, ECLI:EU:C:2022:707, JIN 2022/174 m.nt. M. Koster (Fraport), rov. 42 (‘verplichtingen om de werknemer te informeren over zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon en om hem aan te moedigen deze op te nemen’) en HvJEU 22 september 2022, C-120/21, ECLI:EU:C:2022:718, JAR 2022/271 (LB), rov. 49 en 55 (‘verplichtingen tot aanmoediging en voorlichting’ en ‘informatie- en aanmoedigingsverplichtingen’).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kreuziger, rov. 53-55, met opnieuw de kanttekening dat de geciteerde overwegingen uit het Max-Planck-arrest en de parallelle overwegingen in het Kreuziger-arrest niet woordelijk overeenkomen. Dit lijkt hier echter niet te leiden tot inhoudelijke verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het arrest Kreuziger luidt het antwoord als volgt: ‘[Art. 7 Arbeidstijdenrichtlijn] moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze regeling impliceert dat de werknemer die vóór het tijdstip van de beëindiging van het dienstverband niet heeft verzocht om zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon te mogen uitoefenen, automatisch de dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon waarop hij krachtens het Unierecht bij deze beëindiging recht had, alsmede zijn daarmee verbonden recht op een financiële vergoeding voor de niet-opgenomen jaarlijkse vakantie met behoud van loon, verliest en wel zonder dat voorafgaandelijk wordt nagegaan of de werkgever die werknemer – met name door het verstrekken van adequate informatie – daadwerkelijk in de gelegenheid heeft gesteld om zijn recht op vakantie vóór die beëindiging uit te oefenen.’ Het is aan de nationale rechter om na te gaan ‘of de werkgever tijdig heeft voldaan aan zijn verplichtingen om de werknemer te informeren over zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon en om hem aan te moedigen deze op te nemen’. Zie HvJEU 22 september 2022, C-518/20 en C-727/20, ECLI:EU:C:2022:707, JIN 2022/174 m.nt. M. Koster (Fraport), rov. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit maak ik op uit Max-Planck, rov. 41-43 en Kreuziger, rov. 49-51. In HvJEU 22 september 2022, C-120/21, ECLI:EU:C:2022:718, JAR 2022/271 (LB), rov. 44 wordt in dit verband alleen nog de positie van de werknemer als zwakkere partij genoemd. Vgl. ook de conclusies van A-G Bot voor Kreuziger (onder 39) en Max-Planck (onder 37) (‘Gelet op dit aan de arbeidsverhouding inherente gebrek aan evenwicht dient de werkgever passende maatregelen te treffen om de werknemers in staat te stellen hun recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon uit te oefenen.’) alsmede de conclusie van A-G De La Tour voor het voornoemde LB-arrest, onder 54: ‘Ik herinner er in dit verband aan dat de op de werkgever rustende aansporings- en kennisgevingsverplichtingen worden gerechtvaardigd door het feit dat de werknemer moet worden beschouwd als de zwakkere partij in de arbeidsverhouding, waardoor hij ervan kan worden weerhouden om uitdrukkelijk zijn rechten te doen gelden tegenover zijn werkgever. Volgens het Hof dient derhalve “een situatie te worden vermeden waarin (…)”. Volgens A-G De La Tour is de logica van deze redenering van het HvJEU erin gelegen dat het verlies van het recht op vakantie ‘niet kan voortvloeien uit de vaststelling dat deze werknemer niet actief heeft gehandeld met betrekking tot het opnemen van zijn vakantie, zonder dat vooraf is nagegaan of hij door zijn werkgever daadwerkelijk in staat is gesteld om dit recht uit te oefenen’ (onder 55).</p>\n<p class=\"lf-p\">I. Arts, noot bij hof Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2386 (de bestreden tussenbeschikking), JAR 2022/47, p. 460; M. Koster, ‘Opname en vervallen vakantiedagen; pro activiteit werkgever vereist’, ArbeidsRecht 2019/9, onder 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.S.M. Peters, in: Arbeidsovereenkomst, art. 7:638 BW, aant. 1.1.2 (actueel t/m 26-07-2021). Vgl. ook J.R. Vos, ‘Op reis met de vakantiewetgeving: het Handvest biedt nieuw uitzicht’, ArA 2019/2.3, p. 66.</p>\n<p class=\"lf-p\">In deze zin: I. Arts, noot bij hof Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2386 (de bestreden tussenbeschikking), JAR 2022/47, p. 460 en 461; H.J. Funke, noot bij HvJEU 6 november 2018, C-684/16, ECLI:EU:C:2018:874 (Max-Planck), JAR 2018/318.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Koster &amp; K. Kriek, noot bij hof Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2386 (bestreden tussenbeschikking), JIN 2022/40, p. 394; S.S.M. Peters, Arbeidsovereenkomst, art. 7:638 BW, aant. 1.1.2 (actueel t/m 26-07-2021); M. Koster, ‘Opname en vervallen vakantiedagen; pro activiteit werkgever vereist’, ArbeidsRecht 2019/9, onder 3; S. Hogendoorn &amp; A. Sleurink, ‘De inspanningsplicht en bewijslast van de werkgever bij het opnemen van vakantiedagen’, JUTD 2019/89. Zie ook J.R. Vos, ‘Op reis met de vakantiewetgeving: het Handvest biedt nieuw uitzicht’, ArA 2019/2.3, p. 66: ‘Wat ‘precies’ informeren betekent, wordt niet geheel duidelijk. Dit lijkt te zien op zowel de omvang van het vakantiesaldo als de datum waarop deze aanspraken vervallen. Met ‘concreet en in alle transparantie’ lijkt te worden bedoeld dat de werkgever de werknemer persoonlijk moet aanspreken’.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.S.M. Peters, Arbeidsovereenkomst, art. 7:638 BW, aant. 1.1.2 (actueel t/m 26-07-2021). Vgl. ook. Hogendoorn &amp; A. Sleurink, ‘De inspanningsplicht en bewijslast van de werkgever bij het opnemen van vakantiedagen’, JUTD 2019/89.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van A-G De La Tour voor het hierna te bespreken arrest LB, onder 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 22 september 2022, C-120/21, ECLI:EU:C:2022:718, JAR 2022/271, TRA 2022/93 m.nt. E.F. Grosheide. Kritisch over de uitspraak van het HvJEU is A. Sagan, ‘Arbeitsrecht: Verjährung von Urlaubsansprüchen – Nichtantritt wegen hohen Arbeitsaufwands und Mitwirkungsobliegenheit des Arbeitsgebers’, EuZW 2022/1013.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze verjaringstermijn gaat in beginsel lopen aan het einde van het jaar waarin (1) het recht is ontstaan, en (2) de schuldeiser kennis verkrijgt van de omstandigheden waarop het recht is gebaseerd en van de persoon van de schuldenaar, of kennis dienaangaande had moeten verkrijgen maar niet heeft verkregen door grove nalatigheid van zijn kant. Zie § 199 lid 1 BGB, zoals weergegeven in het arrest van het HvJEU (rov. 8).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de conclusie van A-G De La Tour voor het arrest (onder 18) wordt vermeld dat het Bundesarbeitsgericht, onder verwijzing naar de arresten Max-Planck en Kreuziger, heeft vastgesteld dat de werkgever de werkneemster ‘niet heeft aangespoord haar vakantie op te nemen en haar niet duidelijk en tijdig heeft meegedeeld dat deze vakantiedagen, indien ze niet werden opgenomen, zouden vervallen aan het einde van het kalenderjaar of van de overdrachtsperiode’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het voorgaande rov. 12-21 en 22 (citaat) van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 49. Grosheide toont zich in een noot bij het arrest in TRA 2022/93 kritisch over de benadering van het HvJEU; volgens Grosheide had de verjaringstermijn niet aan de voorwaarden van art. 52 lid 1 Handvest mogen worden getoetst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens voldoet de betreffende Duitse verjaringsregeling volgens het HvJEU wel aan de andere voorwaarden die art. 52 lid 1 Handvest stelt (dat de beperking bij wet is voorzien en de wezenlijke inhoud van het bewuste recht eerbiedigt); zie rov. 37-40 van het arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regeling dateert uit 1966 (Wet van 14 juli 1966, Stb. 1966, 290, iwtr. Stb. 1966, 384) en is nadien verschillende malen gewijzigd. Het recht op minimaal vier weken vakantie per jaar, zoals thans opgenomen in art. 7:634 BW, bestaat sinds 1988 (Wet van 9 juni 1988, Stb. 1988, 281). Voordien was de minimumperiode korter. Zie nader S.S.M. Peters, in: Arbeidsovereenkomst, art. 7:634 BW, aant. 1 (online, actueel t/m 26-07-2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Een belangrijk doel van deze ‘minimumvakantie’ is ‘de werknemer in de gelegenheid te stellen te recupereren, dat wil zeggen te herstellen en uit te rusten van de verplichtingen die uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeien’, aldus Kamerstukken I 2010/11, 32 465, nr. C (MvA), p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitgangspunt bij het vaststellen van de vakantie is dat de werkgever dat doet overeenkomstig de wensen van de werknemer, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. Dit uitgangspunt is neergelegd in art. 7:638 lid 2 BW (‘voorzover in de vaststelling van de vakantie niet is voorzien bij schriftelijke overeenkomst dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan of de wet, stelt de werkgever de tijdstippen van aanvang en einde van de vakantie vast overeenkomstig de wensen van de werknemer tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten. (…).’). Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 465, nr. 3 (MvT), p. 4, 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997/98, 26 079, nr. 3 (MvT), p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2009/10, 32 465, nr. 3 (MvT), p. 4, 6. Vgl. ook Kamerstukken II 1999/00, 26 079, nr. 176 (MvA), p. 11. Zie over de kwestie of deze eigen verantwoordelijkheid van de werknemer ook bestaat als op andere wijze is voorzien in de vakantievaststelling als bedoeld in art. 7:638 lid 2 BW, of dat de werknemer in dat geval kan worden verplicht vakantie op te nemen bijv. S.S.M. Peters, in: Arbeidsovereenkomst, art. 7:638 BW, aant. 2 (online, actueel t/m 26-07-2021) en J.R. Vos, ‘Vakantie in tijden van corona’, TAP 2020/131, p. 6-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">De bepaling is ingevoerd bij Wet van 26 mei 2011, Stb. 2011, 318 (iwtr. Stb. 2011, 319). Art. 7:640a BW is op grond van art. 225 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek alleen van toepassing op wettelijke vakantiedagen die zijn opgebouwd ná 1 januari 2012. Voor wettelijke vakantiedagen die voor die datum zijn verworven, blijft de verjaringstermijn van art. 7:642 BW gelden. Zie Kamerstukken II 2009/10, 32 465, nr. 3 (MvT), p. 8, 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2009/10, 32 465, nr. 3 (MvT), p. 1; zie ook p. 6, 11. Zie voorts Kamerstukken II 2010/11, 32 465, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 1-2; en Kamerstukken I 2010/11, 32 465, nr. C (MvA), p. 1-2, 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2009/10, 32 465, nr. 3 (MvT), p. 7; Kamerstukken II 2010/11, 32 465, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 6, 10; Kamerstukken I 2010/11, 32 465, nr. C (MvA), p. 2, 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2009/10, 32 465, nr. 3 (MvT), p. 7, verwijzend naar het arrest Schultz-Hoff van het HvJEU (zie noot 30; dat arrest betrof werknemers die wegens ziekte hun recht op vakantie niet hadden kunnen uitoefenen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2009/10, 32 465, nr. 3 (MvT), p. 7-8; Kamerstukken II 2010/11, 32 465, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 3, 8-10; Kamerstukken I 2010/11, 32 465, nr. C (MvA), p. 7-8. Daarbij wordt vermeld dat langdurig zieke werknemers aan wie re-integratieverplichtingen zijn opgelegd, redelijkerwijs in staat zijn om hun wettelijke vakantiedagen op te nemen. Zie nader over de uitzondering van art. 7:640a BW, mede in het licht van de rechtspraak van het HvJEU, bijv. S.S.M. Peters, in: Arbeidsovereenkomst, art. 7:640a BW, aant. 2 (online, actueel t/m 26-07-2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 465, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 9-10 alsmede Kamerstukken I 2010/11, 32 465, nr. C (MvA), p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het voorgaande Kamerstukken II 2009/10, 32 465, nr. 3 (MvT), p. 8, 11; Kamerstukken II 2010/11, 32 465, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 3 en o.m. H.J. Funke, Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, art. 7:642 BW, aant. 1 (publicatiedatum: 27-09-2022); E. Verhulp, in: T&amp;C BW, art. 7:642 BW, aant. 1 (online, actueel t/m 15-08-2022); S.S.M. Peters, in: Arbeidsovereenkomst, art. 7:642 BW, aant. 1.1 (online, actueel t/m 26-07-2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader bijv. H.J. Funke, Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, art. 7:642 BW, aant. 1 (publicatiedatum: 27-09-2022); S.S.M. Peters, in: Arbeidsovereenkomst, art. 7:642 BW, aant. 4 (online, actueel t/m 26-07-2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie (veelal sprekend van ‘richtlijnconforme’ uitleg) bijv. H.J. Funke, in: Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, art. 7:640a BW, aant. 1 (publicatiedatum: 29-10-2022); M. Koster, ‘Opname en vervallen vakantiedagen; pro activiteit werkgever vereist’, ArbeidsRecht 2019/9, onder 3; M. Koster &amp; K. Kriek, noot bij hof Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2386 (bestreden tussenbeschikking), JIN 2022/40, p. 393; D.F.H. Stein, V. Tweehuysen &amp; S.E. Bartels (red.), Verjaring (O&amp;R nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2020/16.4.1; S.S.M. Peters, Arbeidsovereenkomst, art. 7:640a BW, aant. 2.1 (actueel t/m 26-07-2021); J.R. Vos, in: Sdu Commentaar Arbeidsrecht Artikelsgewijs, art. 7:640a BW, aant. 3 (publicatiedatum: 02-12-2021).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. ook Kamerstukken II 2010/11, 32 465, nr. 6 (Nota n.a.v. het verslag), p. 8: ‘De leden van de PvdA vragen zich ook af of er een sanctie staat op de werkgever wanneer deze de werknemer niet in de gelegenheid heeft gesteld om de minimum vakantie op te nemen. Dat is in zoverre het geval dat als de werkgever de werknemer niet in staat stelt om gebruik te maken van zijn aanspraak op de minimum vakantie, deze vakantiedagen op grond van artikel 7:640a niet komen te vervallen. De werknemer is dan immers redelijkerwijs niet in staat om deze vakantie op te nemen. Dan geldt de verjaringstermijn van artikel 7:642 BW.’ Zie bijv. M. Koster &amp; K. Kriek, noot bij hof Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2386 (bestreden tussenbeschikking), JIN 2022/40, p. 393; D.F.H. Stein, V. Tweehuysen &amp; S.E. Bartels (red.), Verjaring (O&amp;R nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2020/16.4.1; J.R. Vos, ‘Op reis met de vakantiewetgeving: het Handvest biedt nieuw uitzicht’, ArA 2019/2.3, p. 78; M. Koster, ‘Opname en vervallen vakantiedagen; pro activiteit werkgever vereist’, ArbeidsRecht 2019/9, onder 3. Vgl. n.a.v het King-arrest ook W.L. Roozendaal, ‘Verjaring van vakantieaanspraken in geval van schijnzelfstandigheid’, AR-Updates 2018/0055, onder 8 en de noten van B. Barentsen (NJ 2018/329, onder 11) en H.J. Funke (JAR 2018/17) bij HvJEU 29 november 2017, C-214/16, ECLI:EU:C:2017:914 (King).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. H.J. Funke in zijn noot bij HvJEU 6 november 2018, C-684/16, ECLI:EU:C:2018:874 (Max-Planck), JAR 2018/318 (‘Alhoewel op de nationale rechter een zware inspanningsplicht rust om nationale regelgeving zoveel mogelijk richtlijnconform te interpreteren (…), is een richtlijnconforme interpretatie van artikel 7:642 BW mijns inziens niet mogelijk, omdat dit zou resulteren in een uitleg contra legem’). Zie over de niet-toegestane contra legem uitleg bijv. HvJEU 7 augustus 2018, C-122/17, ECLI:EU:C:2018:631, AB 2018/400 m.nt. M.J.M. Verhoeven (Smith), rov. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie (m.b.t. art. 31 lid 2 Handvest) bijv.: M. Koster, ‘Opname en vervallen vakantiedagen; pro activiteit werkgever vereist’, ArbeidsRecht 2019/9, onder 3; D.F.H. Stein, V. Tweehuysen &amp; S.E. Bartels (red.), Verjaring (O&amp;R nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2020/16.4.1; J.R. Vos, in: Sdu Commentaar Arbeidsrecht Artikelsgewijs, art. 7:642 BW, aant. 1 (publicatiedatum: 02-12-2021); H.J. Funke, in: Sdu Commentaar Arbeidsrecht Thematisch, art. 7:642 BW, aant. 1 (publicatiedatum: 27-09-2022); de noten van I. Arts (JAR 2022/47, p. 460) en M. Koster &amp; K. Kriek (JIN 2022/40, p. 393) bij hof Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:2386 (bestreden tussenbeschikking).</p>\n<p class=\"lf-p\">In cassatie worden geen klachten gericht tegen het in rov. 5.21-5.24 van de tussenbeschikking vervatte oordeel van het hof over de opgebouwde maar niet-genoten bovenwettelijke vakantiedagen. Tegen de vaststelling door het hof van het aantal niet-genoten vakantiedagen (tussenbeschikking, rov. 5.8-5.11; zie hiervoor onder 3.15) en tegen ’s hofs oordeel over ernstig verwijtbaar handelen (tussenbeschikking, rov. 5.2-5.6; zie hiervoor onder 3.14) wordt in cassatie evenmin opgekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De stellingen worden weergegeven op p. 1 van de procesinleiding (onder ‘Inleiding’), waarbij wordt vermeld dat het hof in rov. 5.16 van de bestreden tussenbeschikking te kennen heeft gegeven dat [verzoeker] deze stellingen – ‘kort weergegeven’ – heeft aangevoerd (overigens noemt de procesinleiding niet de – wel in rov. 5.16 genoemde – stelling dat [verzoeker] en [verweerder] de (verjarings- en) vervalregeling meerdere malen hebben besproken). In de procesinleiding wordt niet verwezen naar de vindplaatsen van deze stellingen in de processtukken in feitelijke instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals al in de vorige noot is opgemerkt, wordt niet genoemd de – wel in rov. 5.16 weergegeven – stelling dat [verzoeker] en [verweerder] de (verjarings- en) vervalregeling meerdere malen hebben besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel vermeldt hier ‘daadwerkelijk’, terwijl hier in rov. 5.15 ‘tijdig’ staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voetnoot luidt: ‘HvJEU 29 november 2017. zaak C-214/16, ECLI:EU:C:2017:914, punt 56 (King). Vgl. HvJEU 6 november 2018, zaak C-684/16, ECLI:EU:C:2018:874 (Max-Planck-Gesellschaft), punt 54.’ De voetnoot luidt: ‘HvJEU 6 november 2018, zaak C-684/1G, ECLI:EU:C:2018:874 (Max-PIanck-Gesellschaft), punt 81’.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJEU 29 november 2017, C-214/16, ECLI:EU:C:2017:914, NJ 2018/329 m.nt. B. Barentsen (King), rov. 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze voetnoot luidt: ‘HvJEU 29 november 2017. zaak C-214/16, ECLI:EU:C:2017:914, punt 56 (King). Vgl. HvJEU 6 november 2018, zaak C-684/16, ECLI:EU:C:2018:874 (Max-Planck-Gesellschaft), punt 54.’ Met de invoering van de vervalregeling van art. 7:640a BW op 1 januari 2012 geldt de verjaringstermijn van art. 7:642 BW alleen nog voor bovenwettelijke vakantiedagen en voor wettelijke vakantiedagen die de werknemer redelijkerwijs niet heeft kunnen opnemen voor het verstrijken van de vervaltermijn van art. 7:640a BW (zie onder 4.31-4.33).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 14 juli 1966, Stb. 1966, 290.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1962/63, 7186, nr. 3 (MvT), p. 9 (rechterkolom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 25 september 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4236, NJ 1982/133 m.nt. P.A. Stein en de conclusie van A-G Ten Kate voor HR 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1504, NJ 1988/954 m.nt. P.A. Stein, onder 36.</p>\n<p class=\"lf-p\">P.A. Stein, noot bij HR 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1504, NJ 1988/954.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1962/63, 7186, nr. 5 (MvA), p. 6 (rechterkolom).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie P.A. Stein, noot bij HR 10 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC1504, NJ 1988/954; P.S. van Minnen, ‘Stuiting van verjaring van opgebouwde vakantierechten’, ArbeidsRecht 1997/30, onder ‘Stuiten is mogelijk’. Vgl. ook de conclusie van A-G Ten Kate voor voornoemde uitspraak, onder 31.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1997/98, 26 079, nr. 3 (MvT), p. 8. De verlenging is ingevoerd bij Wet van 30 november 2000, Stb. 2000, 545. Daarnaast is in 1997 het aanvangsmoment van de verjaringstermijn veranderd (bij Wet 6 juni 1996, Stb. 1996, 406 (iwtr. Stb. 1997, 37). Zie daarover Kamerstukken II 1993/94, 23 438, nr. 3 (MvT), p. 33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het HvJEU betrekt bij zijn oordeel in LB (rov. 46 e.v.; zie onder 4.27) dat ‘de exceptie van verjaring niet ambtshalve wordt opgeworpen’. Eenzelfde regel geldt in Nederland ingevolge art. 3:322 BW. Bij gebreke aan aanwijzingen voor het tegendeel, neem ik aan dat dit ook geldt voor art. 7:642 BW. Vgl. de conclusie van A-G Franx voor HR 4 mei 1979, ECLI:NL:HR:1979:AE1068, NJ 1979/503 m.nt. P.A. Stein, 13e alinea.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de lengte van de verjaringstermijn (vooral) lijkt te zijn ingegeven door het belang van de werknemer (zie het slot van 5.34 alsmede de daarin aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij art. 7A:1638 BW), maakt dat m.i. niet anders.</p></div>", "next": 0}