{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Voor zover het hof in rov. 6.-7. heeft geoordeeld dat de vraag van NN niet voldoet aan de voorwaarde van art. 7:928 lid 5 BW faalt het subonderdeel omdat de interpretatie en toepassing van art. 7:928 lid 5 BW in deze lezing juist en begrijpelijk is. Of een vraag voldoet aan het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ moet immers op objectieve wijze worden beoordeeld: doorslaggevend is of de vraag van de verzekeraar specificeert naar welke strafbare feiten en welk type gegevens met betrekking tot deze strafbare feiten wordt gevraagd. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de strekking en achtergrond van art. 7:928 lid 5 BW, het maatschappelijk belang bij verzekerbaarheid, en het privacybelang van verzekeringnemers en van bij een verzekering betrokken derden. Het hof heeft op zich de vraag van NN in rov. 6.-7. terecht en begrijpelijk op objectieve wijze getoetst. Ik verwijs naar randnummers 3.17-3.34 en 4.5-4.11 hiervoor om herhaling te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.10 Subonderdeel 1.2 bevat de volgende klacht. Het hof heeft, voor zover het heeft geoordeeld dat de vraagstelling niet voor iedere burger duidelijk zal zijn, in elk geval miskend dat de vraagstelling ook bij een objectieve toets niet voor iedere burger duidelijk hoeft te zijn. Het gaat om de vraag wat een behoorlijke en zorgvuldige verzekeringnemer duidelijk behoorde te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.11 Dit subonderdeel kan niet tot cassatie leiden. Het subonderdeel mist feitelijke grondslag voor zover het veronderstelt dat het oordeel van het hof uitgaat van de rechtsopvatting dat de vraagstelling voor iedere burger duidelijk moet zijn. Het hof heeft namelijk de volgende vaststelling gedaan: er is sprake van een ruime en algemeen geformuleerde vraagstelling, die bij een verzekeringnemer onder omstandigheden kan leiden tot misverstanden, nu de vraagstelling niet is beperkt tot bepaalde soorten misdrijven en evenmin duidelijk wordt wat wordt bedoeld met de term aanraking met politie of justitie, terwijl het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen ook niet voor iedere burger duidelijk zal zijn. Voor zover het hof hiermee, met de eerste zin van rov. 6. en met rov. 7. (ook) heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan art. 7:928 lid 5 BW, is dat niet onjuist of onbegrijpelijk. Zie randnummers 4.5 en 5.9 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.12 Het subonderdeel gaat verder uit van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het veronderstelt dat de juiste invulling van het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ uit art. 7:928 lid 5 BW (enkel) is wat een behoorlijke en zorgvuldige verzekeringnemer duidelijk behoorde te zijn. De juiste invulling van dit criterium is immers of de vraag van de verzekeraar specificeert naar welke strafbare feiten en welk type gegevens met betrekking tot deze strafbare feiten wordt gevraagd. Ik verwijs naar randnummers 4.5 en 5.9 hiervoor om herhaling te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.13 Subonderdeel 1.3 houdt het volgende in. Onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een in niet voor misverstand vatbare gestelde vraag, relevant heeft geacht dat de gestelde vraag onder omstandigheden tot misverstanden kan leiden. Het enkele feit dat er voorbeelden te bedenken zijn waarbij twijfelachtig is of de reikwijdte van de vraag zich ook tot dat betreffende voorbeeld uitstrekt, brengt niet zonder meer met zich dat een vraag ruim en algemeen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.14 Het subonderdeel is tevergeefs ingesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.15 Het subonderdeel mist allereerst feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat het enkele feit dat er voorbeelden te bedenken zijn waarbij twijfelachtig is of de reikwijdte van de vraag zich ook tot dat betreffende voorbeeld uitstrekt, meebrengt dat een vraag ruim en algemeen is. Dit heeft het hof niet geoordeeld. Het oordeel dat de vraag van NN ruim en algemeen geformuleerd is, heeft het hof gemotiveerd aan de hand van de bewoordingen van de vraag (rov. 6.). Niet valt in te zien dat dit oordeel of deze motivering onbegrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.16 Voor zover het hof in rov. 6.-7. met feitelijke vaststellingen heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan art. 7:928 lid 5 BW, geldt dat het subonderdeel faalt. Dit oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk, omdat de vraag van NN niet is gericht op specifieke strafbare feiten en specifieke typen gegevens over deze strafbare feiten, zoals het hof met rov. 6.-7. heeft vastgesteld. De wetgever heeft met art. 7:928 lid 5 BW verondersteld dat een vraag van een verzekeraar zonder deze specificatie (onder omstandigheden) tot misverstanden kan leiden. Dat het hof zich de vraag heeft gesteld of de vraag van NN onder omstandigheden tot misverstanden kan leiden, is daarom op zich niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat is nog steeds voldoende objectief. Ik verwijs verder naar randnummers 4.5 en 5.9 hiervoor om herhaling te voorkomen. Op het voorgaande stuit het subonderdeel af, althans in deze lezing van rov. 6.-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.17 Voor zover het hof in rov. 6.-7. alleen feitelijke vaststellingen heeft gedaan en dus in het midden heeft gelaten of is voldaan aan het criterium van art. 7:928 lid 5 BW, geldt dat deze feitelijke vaststellingen in het licht van de bewoordingen van de vraag van NN, zoals het hof die heeft beschreven, niet onbegrijpelijk zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.18 Subonderdeel 2.1 luidt als volgt. Het oordeel van het hof in rov. 6. dat de vraagstelling naar het strafverleden van verzekeringnemer ruim en algemeen is en onvoldoende concreet en specifiek zoals in rov. 7. wordt geoordeeld, is rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar subonderdelen 2.2-2.3 en bevat zelf geen onderbouwing van deze klacht. Ik ga hier daarom niet nader in op de inhoud van subonderdeel 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.19 Subonderdeel 2.2 stelt het volgende aan de orde. In de eerste plaats heeft het hof miskend dat het ingevolge art. 7:928 lid 5 BW en de toelichting daarop, voldoende is dat de verzekeraar aangeeft in welke strafbare feiten hij is geïnteresseerd. NN heeft met haar vraagstelling aan deze eis voldaan door expliciet te vragen naar misdrijven, waaronder ook de verdenking daarvan, met welke vraag zij aangeeft niet geïnteresseerd te zijn in overtredingen. Met name heeft het hof miskend dat een verzekeraar de (soorten) misdrijven niet hoeft te omschrijven. In dat licht is evenmin relevant dat het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen niet voor iedere burger duidelijk zal zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.20 Het subonderdeel kan niet tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.21 Voor zover het hof in rov. 6.-7. met feitelijke vaststellingen heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ uit art. 7:928 lid 5 BW, geldt dat het subonderdeel faalt. Dit oordeel is als gezegd niet onjuist of onbegrijpelijk, omdat de vraag van NN niet is gericht op specifieke strafbare feiten en specifieke typen gegevens over deze strafbare feiten (slechts op een “misdrijf” in het algemeen), zoals het hof met rov. 6.-7. heeft vastgesteld. Ik verwijs naar randnummers 4.5 en 5.9 hiervoor om herhaling te voorkomen. Met een niet nader gespecificeerde verwijzing naar “(verdenking van) het plegen van een misdrijf” en “aanraking met politie/justitie” (en met “feiten” in de toelichting op de vraag) – dus ook: géén specificatie van het type gegevens over misdrijven – is niet voldaan aan het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ uit art. 7:928 lid 5 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat uit de bewoordingen van de vraag blijkt dat niet uitdrukkelijk wordt gevraagd naar overtredingen maakt dit niet anders. Voor zover het subonderdeel een met het voorgaande strijdige rechtsopvatting verdedigt, doet het dat ten onrechte. Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat een met het voorgaande strijdige rechtsopvatting ten grondslag ligt aan het (mogelijke) oordeel van het hof dat niet is voldaan aan het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ uit art. 7:928 lid 5 BW, mist het feitelijke grondslag. Dat het hof heeft overwogen dat de vraag onder omstandigheden tot misverstanden kan leiden en dat het onderscheid tussen misdrijven en overtredingen niet voor iedere burger duidelijk zal zijn, maakt het oordeel van het hof in rov. 6.-7. ten slotte niet onjuist of onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader randnummers 5.11 en 5.16 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.22 Subonderdeel 2.3 houdt het volgende in. Het hof heeft miskend dat het oordeel dat niet duidelijk zou zijn wat met de term aanraking met politie of justitie wordt bedoeld, onbegrijpelijk is in het licht van de essentiële stellingen van NN dat de tekst, ook voor een gewone niet-juridisch geschoolde burger, voldoende duidelijk is en detentie een evidente (zelfs dagelijkse) aanraking met de justitie betreft. In de feitenrechtspraak worden de termen aanraking met politie of justitie in de vraagstelling van een verzekeraar naar het strafrechtelijke verleden van een verzekeringnemer niet aangemerkt als voor misverstand vatbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.23 Het subonderdeel is tevergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.24 Het oordeel dat niet duidelijk wordt wat met de term aanraking met politie of justitie wordt bedoeld (rov. 6.), is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de door het subonderdeel genoemde stellingen. Anders dan het subonderdeel lijkt aan te voeren, gaat het er in dit oordeel van het hof om dat niet duidelijk wordt wat NN in het algemeen met de term aanraking met politie of justitie heeft bedoeld, wat slechts een onderdeel is van de motivering van het oordeel van het hof in rov. 6.-7. dat sprake is van een ruime en algemeen geformuleerde vraagstelling die bij een verzekeringnemer onder omstandigheden kan leiden tot misverstanden, en niet zozeer om de vraag wat voor een (gewone niet-juridisch geschoolde) burger voldoende duidelijk is (dit laatste komt in andere bewoordingen ook terug in de motivering van het hof in rov. 6.). Dat de (algemene) bedoeling van NN met de term aanraking met politie of justitie niet duidelijk wordt, heeft het hof (kennelijk) gebaseerd op de bewoordingen van de vraag van NN (rov. 6.-7.). Inderdaad specificeren deze bewoordingen niet wat onder de term aanraking met politie of justitie valt (bijvoorbeeld door aan te geven naar welke strafbare feiten en naar welk type gegevens over strafbare feiten wordt gevraagd). Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk. Dat NN gesteld zou hebben dat detentie een evidente (zelfs dagelijkse) aanraking met justitie betreft, maakt dit niet anders. Op het voorgaande stuit het subonderdeel af.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.25 Voor zover het subonderdeel nog een beroep doet op feitenrechtspraak waaruit zou volgen dat (in deze rechtspraak) de termen aanraking met politie of justitie in de vraagstelling van een verzekeraar naar het strafrechtelijke verleden niet wordt aangemerkt als voor misverstand vatbaar, geldt dat dit betoog van NN het oordeel van het hof in rov. 6.-7. niet onjuist of onbegrijpelijk maakt. Voor de juiste invulling van het criterium ‘in niet voor misverstand vatbare termen’ verwijs ik wederom naar randnummers 4.5 en 5.9 hiervoor. Terecht en niet onbegrijpelijk heeft het hof in rov. 6.-7. geoordeeld dat de tekst van de vraag van NN niet specificeert naar welke strafbare feiten en naar welke type gegevens over strafbare feiten wordt gevraagd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 5.26 Nu geen enkel subonderdeel tot cassatie kan leiden, is de slotsom dat het incidenteel cassatieberoep tevergeefs is voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Afronding en behandeling na vernietiging 6.1 Ik concludeer in het principaal cassatieberoep tot vernietiging van de bestreden arresten omdat (in ieder geval) klachten I.1 en I.7 van het principaal cassatieberoep slagen. Het incidenteel cassatieberoep gericht tegen het arrest van 25 september 2018 faalt, maar NN is daarin wel ontvankelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.2 Ik concludeer tot verwijzing of terugwijzing, omdat in ieder geval Astarte’s beroep op vergoeding van haar schade (onder het ZCB-pakket) nog moet worden beoordeeld (waarbij moet worden aangenomen dat geen verzwijging in de zin van art. 7:928 lid 1 BW van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden van [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden). Deze beoordeling is in hoge mate van feitelijke aard.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden arresten en tot verwijzing of terugwijzing.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Deze feiten zijn, met een aantal redactionele aanpassingen, ontleend aan hof Den Haag 25 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2615 (één van de bestreden arresten), rov. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 4 bij de conclusie van antwoord, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het origineel (de productie; niet de weergave door het hof) vermeldt: “aanvrager”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 8 bij de conclusie van antwoord, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor het arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage productie 5 bij de conclusie van antwoord. Zie voor het arrest van (de strafkamer van) Uw Raad, productie 9 bij de inleidende dagvaarding (Bijlage 2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rb. Rotterdam 15 oktober 2014, zaaknummer / rolnummer: C/10/447594 / HA ZA 14-336 (niet gepubliceerd), Rb. Rotterdam 22 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:3206 en Rb. Rotterdam 1 juli 2015, zaaknummer / rolnummer: C/10/447594 / HA ZA 14-336 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 20 april 2016, zaaknummer / rolnummer: C/10/447594 / HA ZA 14-336 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het tussenvonnis verwijst in rov. 4.13. abusievelijk naar lid 3, althans dat neem ik aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de kern komt de vordering van Astarte in hoger beroep op hetzelfde neer als haar vordering in eerste aanleg (na eisvermindering). Zie hof Den Haag 25 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2615, rov. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hof Den Haag 25 september 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2615, hof Den Haag 9 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1462, JA 2022/155 m.nt. J.D. Kraaikamp en hof Den Haag 15 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1554.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 15 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1554, rov. 16. en het dictum.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbestreden in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbestreden in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbestreden in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbestreden in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbestreden in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onbestreden in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hof Den Haag 9 augustus 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1462, JA 2022/155 m.nt. J.D. Kraaikamp.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie uitgebreid over dit belangenconflict de conclusie van A-G Biegman-Hartogh (ECLI:NL:PHR:1981:AG4298) voor HR 18 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4298, NJ 1982/570 m.nt. B. Wachter en Ars Aequi 1982, p. 526 e.v. m.nt. D.W.F. Verkade (Gielen q.q./Magna Insurance c.s.) en A. Rijlaarsdam, ‘Verzwijging IV. Verslag van de vergadering van de Vereniging voor Verzekeringswetenschap op 18 april 1980 te Utrecht’, VA 1980, p. 287-288 (opmerkingen R.A. Salomons).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 juni 1962, ECLI:NL:HR:1962:129, NJ 1962/366 m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh en Ars Aequi 1962/63, p. 81 e.v. m.nt. T.J. Dorhout Mees ([…]’s duim). Zie ook de annotatie van G. de Groot in 2000 weken rechtspraak. Arresten van de Hoge Raad der Nederland gewezen in zaken, bepleit door mr. C.R.C. Wijckerheld Bisdom, advocaat. Vanuit het perspectief van het jaar 1977 geannoteerd, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1978, p. 78 e.v. Zie over bescherming van de verzekeraar ook J.H. Wansink, ‘Verzekering en criminaliteit: enige juridische en verzekeringstechnische raakvlakken’, in C.J.C.F. Fijnaut &amp; J.H. Wansink (red.), Verzekering en criminaliteit. Inleidingen gehouden ter gelegenheid van de viering van het 100-jarig bestaan van de Vereniging voor Verzekeringswetenschap, Arnhem: Gouda Quint BV 1989, p. 35-36 (met enige relativering), de conclusie van A-G Van Oosten (ECLI:NL:PHR:1962:129) voor het zojuist genoemde arrest, de NJ-noot bij dat arrest van L.J. Hijmans van den Bergh (nrs. 2-3) en de Toelichting op titel 17 van het Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van E.M. Meijers (bewerker: T.J. Dorhout Mees), ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf 1972, p. 1161.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over het morele risico en het gerechtvaardigde belang van het controleren daarvan uitgebreid (en met nuances) M.G. Faure, ‘Verzekerbaarheid vanuit rechtseconomisch perspectief’, AV&amp;S 2023/30, p. 163 e.v. en verder onder meer M.L. Hendrikse &amp; J.G.J. Rinkes, ‘De mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 245 e.v., F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 7.7 en K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief, diss., Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, p. 142-145 en 176-177, M.G. Faure, ‘Solidariteit en individualisering in private verzekering en sociale zekerheid’, NJB 2005, p. 1786 e.v. en T. Hartlief, ‘Maatschappelijk verantwoord ondernemen en verzekerbaarheid van aansprakelijkheid’, in A.W.H. Docters van Leeuwen e.a. (red.), Maatschappelijk verantwoord verzekeren in de 21e eeuw, preadviezen voor de Vereniging voor Verzekeringswetenschap 2003, Deventer: Kluwer 2004, p. 13 e.v. Zie ook https://www.verzekeraars.nl/branche/zelfreguleringsoverzicht-digiwijzer/protocol-verzekeraars-en-criminaliteit en https://www.verzekeraars.nl/branche/zelfreguleringsoverzicht-digiwijzer/gedragscode-persoonlijk-onderzoek (de gedragscode is per 1 januari 2024 vervallen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vindplaatsen in voetnoot 21 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4298, NJ 1982/570 m.nt. B. Wachter en Ars Aequi 1982, p. 526 e.v. m.nt. D.W.F. Verkade (Gielen q.q./Magna Insurance c.s.). Vergelijk voor het privacybelang ook de conclusie van A-G Biegman-Hartogh (ECLI:NL:PHR:1981:AG4298) voor HR 18 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4298, NJ 1982/570 m.nt. B. Wachter en Ars Aequi 1982, p. 526 e.v. m.nt. D.W.F. Verkade (Gielen q.q./Magna Insurance c.s.) en de NJ-noot van B. Wachter bij dit arrest (nrs. 1-3), HR 3 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4761, NJ 1984/765 m.nt. F.H.J. Mijnssen en W.L. Haardt (NV Interpolis Schade/X), rov. 3.2 en de noot van F.H.J. Mijnssen bij dit arrest (nr. 2), HR 19 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0638, NJ 1993/487 m.nt. M.M. Mendel (X/Schermer Assuradeuren BV), rov. 3.2, Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, nr. 5, p. 20, Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, D, p. 3-4, P. Clausing, ‘Verzwijging van strafrechtelijk verleden bij verzekering’, WPNR 5678 (1983), p. 765 e.v. en J.H. Wansink, ‘Verzwijging van een strafrechtelijk verleden: who is to blame?’, in Y.L.L.A.M. Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve (Mendel-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 142-143.</p>\n<p class=\"lf-p\">De termijn van acht jaren is ontleend aan art. 7 van de Wet op de justitiële documentatie en op verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955/395). Zie onder meer F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 7.8 en randnummer 3.18 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik neem daarbij aan dat aan andere toepassingsvoorwaarden uit de Wbp (oud) en de AVG is voldaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name art. 6, 7, 8, 11, 16 en 22 Wbp (oud) en art. 5, 6, 7 en 10 AVG en art. 33 Uitvoeringswet AVG. Zie over de verhouding tussen art. 7:928 BW en de Wbp (oud) Kamerstukken I 2005-2006, 30 137, C, p. 4-5, Handelingen I 19 december 2005, nr. 12, p. 566-567 en Handelingen I 19 december 2005, nr. 12, p. 587-588. Zie over de AVG in verzekeringsrechtelijke context onder meer M. van Pelt, ‘Registratie van persoonsgegevens door verzekeraars in interne en externe waarschuwingssystemen’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 921 e.v., P. van Zwieten &amp; J.B. Wezeman, ‘Subrogatie’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 771-776, R. Tielenburg, ‘Verwerking van persoonsgegevens’, in W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner &amp; J.L. Zeeman (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu 2024, p. 301 e.v. en https://www.verzekeraars.nl/branche/zelfreguleringsoverzicht-digiwijzer/gedragscode-verwerking-persoonsgegevens-verzekeraars.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de sociale functie van verzekeringen onder meer N. Vloemans, ‘Inleiding. De overeenkomst van verzekering’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 2-3, P.L. Wery &amp; M.M. Mendel, Hoofdzaken verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 3-5, J.H. Wansink &amp; N. van Tiggele-van der Velde, ‘De rode draden in het verzekeringsrecht. Over het spanningsveld tussen zekerheid bieden en nee verkopen’, in N. van Tiggele-van der Velde, S.Y.Th. Meijer &amp; N. Vloemans (red.), De praktijk van 15 (+ 1) jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 1 e.v., Ph.H.J.G. van Huizen, J.B. Wezeman &amp; J.C. van Eijk-Graveland, Grondslagen van het verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2014, p. 3 en J.H. Wansink, ‘Verzekering en criminaliteit: enige juridische en verzekeringstechnische raakvlakken’, in C.J.C.F. Fijnaut &amp; J.H. Wansink (red.), Verzekering en criminaliteit. Inleidingen gehouden ter gelegenheid van de viering van het 100-jarig bestaan van de Vereniging voor Verzekeringswetenschap, Arnhem: Gouda Quint BV 1989, p. 42-44 (in relatie tot titel 7.17 Ontwerp NBW, waarin volgens Wansink de bescherming van de verzekerde meer op de voorgrond is komen te staan).</p>\n<p class=\"lf-p\">J.H. Wansink, ‘Verzwijging van een strafrechtelijk verleden: who is to blame?’, in Y.L.L.A.M. Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve (Mendel-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 142.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over deze sociale functie de vindplaatsen in voetnoot 27 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk nog S.Y.Th. Meijer, ‘De impact van big data op het verzekeringsrecht’, AV&amp;S 2020, p. 127-128 en H.H. de Vries, ‘AI – futureproof verzekeren?’, AV&amp;S 2024, p. 117 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Bijzondere overeenkomsten/N. van Tiggele-van der Velde, T. Hartlief &amp; F.R. Salomons m.m.v. W.C.T. Weterings &amp; K. Engel, Deel IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 139.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985-1986, 19 529, nr. 3, p. 8, Kamerstukken I 2004-2005, 19 529, B, p. 7 en 22-23 (over art. 7.17.2.18, thans art. 7:957 BW) en Kamerstukken I 2004-2005, 19 529, E, p. 5-6. Zie voor de mededelingsplicht onder het oude recht (art. 251 Wetboek van Koophandel (hierna: ‘K.’) (oud)) HR 3 november 1978, ECLI:NL:HR:1978:AB7467, NJ 1980/500 m.nt. B. Wachter (RVS Schadeverzekering NV/X), de NJ-noot van B. Wachter (nr. 7) bij HR 18 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4298, NJ 1982/570 en Ars Aequi 1982, p. 526 e.v. m.nt. D.W.F. Verkade (Gielen q.q./Magna Insurance c.s.), de noot van M.M. Mendel (nr. 2) bij HR 19 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0638, NJ 1993/487 (X/Schermer Assuradeuren BV) en HR 1 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1902, NJ 1996/707 m.nt. M.M. Mendel (NN/X), rov. 3.5 (bij een vraag van een verzekeraar).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief, diss., Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, hoofdstuk 4, Asser Bijzondere overeenkomsten/N. van Tiggele-van der Velde, T. Hartlief &amp; F.R. Salomons m.m.v. W.C.T. Weterings &amp; K. Engel, Deel IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nrs. 139 e.v., M.L. Hendrikse &amp; J.G.J. Rinkes, ‘De mededelingsplicht bij het aangaan van verzekeringen’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 245 e.v., N. van Tiggele-van der Velde &amp; L. Bartels, ‘Vijftien jaar verzwijging. Steeds bestendiger, maar in de praktijk blijft het een waarderingskwestie’, in N. van Tiggele-van der Velde, S.Y.Th.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meijer &amp; N. Vloemans (red.), De praktijk van 15 (+ 1) jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 41 e.v., F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 7.1 e.v., conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2018:689) voor HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1841, NJ 2020/69 m.nt. S.D. Lindenbergh en JA 2019/11 m.nt. J. van de Klashorst (X/Delta Lloyd Schadeverzekeringen NV), randnummers 2.3-2.6 en de conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2023:1113) voor HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:52, RvdW 2024/117 (Aegon Schadeverzekering NV/X) (art. 81 RO), randnummers 4.3 e.v. en, in het bijzonder in de context van het gebruik van een vragenformulier, HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2447, NJ 2018/288 m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">N. van Tiggele-van der Velde en JA 2017/158 m.nt. C.C. Janssen (X/SRLEV NV), rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de mededelingsplicht met betrekking tot feiten omtrent het strafrechtelijk verleden H.D.M. Mulder, ‘Zekerheid, loyaliteit en de redelijke uitleg van artikel 251 K in verband met verzwijging van een strafrechtelijk verleden’, VR 1982, p. 245-260, J.H. Wansink m.m.v. A.S.J. van Garderen-Groeneveld, Verzwijging bij verzekeringsovereenkomsten, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, p. 50-55, J.H. Wansink, ‘Verzwijging van een strafrechtelijk verleden: who is to blame?’, in Y.L.L.A.M. Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve (Mendel-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 137-153, M.L. Hendrikse, N.J. Margetson &amp; J.G.J. Rinkes, Overzicht Verzekeringsrecht 1998-2004 – Deel 1 NTHR-reeks, Zutphen: Uitgeverij Paris 2004, p. 49-52 en S.W. Margetson, ‘Verzwijging van het strafrechtelijk verleden bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst’, NTHR 2008, p. 252-261.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een andere correctie vormt art. 7:928 lid 6 BW (bij door de verzekeraar opgestelde vragenlijsten). Op grond daarvan kan een verzekeraar zich er bijvoorbeeld niet op beroepen dat een in algemene termen vervatte vraag onvolledig is beantwoord (tenzij is gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden). Zie over art. 7:928 lid 6 BW (inclusief het begrip ‘een in algemene termen vervatte vraag’) conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2023:1113) voor HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:52, RvdW 2024/117 (Aegon Schadeverzekering NV/X) (art. 81 RO), randnummers 4.5 e.v. Zie voorts F.R. Salomons, Verzekering ten behoeve van een derde, diss., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 234-235 en K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief, diss., Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, hoofdstuk 6. Vergelijk onder het oude recht nog HR 9 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1986, NJ 1996/745 m.nt. M.M. Mendel (X/NN c.s.), rov. 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1985-1986, 19 529, nr. 3, p. 11: “Dit artikel regelt de gevolgen van niet-nakoming van de mededelingsplicht voor het recht op uitkering.” Zie voorts Kamerstukken II 2004-2005, 30 137, nr. 3, p. 13 en 18, Kamerstukken I 2005-2006, 30 137, C, p. 5-6, HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1050, NJ 2023/301 m.nt. N. van Tiggele-van der Velde en JA 2023/112 m.nt. T. Riyazi (Sasagar BV/NN), rov. 3.2, HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:178, NJ 2021/287 m.nt. N. van Tiggele-van der Velde en JA 2021/74 m.nt. E.J. Wervelman (Aegon Levensverzekering NV/X c.s.), rov. 3.1.2, HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1841, NJ 2020/69 m.nt. S.D. Lindenbergh en JA 2019/11 m.nt. J. van de Klashorst (X/Delta Lloyd Schadeverzekeringen NV), rov. 3.4.2 en HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:507, NJ 2016/382 m.nt. M.M. Mendel, JA 2016/91 m.nt. C. de Rond, JIN 2016/86 m.nt. M.F. Lameris en J. Ramaker en NTHR 2016, p. 253 m.nt. K. Engel (X/ASR Schadeverzekering NV), rov. 3.3.2-3.3.3. Zie over de rechtsgevolgen van een schending van de mededelingsplicht verder de conclusie van A-G Wissink (ECLI:NL:PHR:2018:689) voor HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1841, NJ 2020/69 m.nt. S.D. Lindenbergh en JA 2019/11 m.nt. J. van de Klashorst (X/Delta Lloyd Schadeverzekeringen NV), randnummers 2.7-2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985-1986, 19 529, nrs. 1-2, p. 2. In art. 7.17.1.4 lid 1-4 staat (min of meer) wat nu in art. 7:928 lid 1-4 BW staat. Het wetsvoorstel is geïnspireerd op art. 7.17.1.4 van het ontwerp van E.M. Meijers uit 1972. Zie titel 17 van het Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van E.M. Meijers (bewerker: T.J. Dorhout Mees), ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf 1972 en Toelichting op titel 17 van het Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van E.M. Meijers (bewerker: T.J. Dorhout Mees), ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf 1972, p. 1161-1163.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1985-1986, 19 529, nr. 3, p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk wordt bedoeld: NJ 1962/366.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een zekere afwijzende houding tegenover het gebruik van (te) algemene vragen (na het gebruik van specifieke vragen) in een vragenlijst van een verzekeraar is al te lezen in Toelichting op titel 17 van het Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek van E.M. Meijers (bewerker: T.J. Dorhout Mees), ’s-Gravenhage: Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf 1972, p. 1163: “De laatste vraag van de lijst luidt vaak: welke andere omstandigheden hebt u mede te delen?, of iets dergelijks. Hierdoor wordt wel in beginsel de hoofdregel van lid 1 hersteld, maar de voorafgaande reeks van vragen heeft tot gevolg dat niet gemakkelijk zal worden aangenomen dat de verzekerde behoorde te weten dat de omstandigheid waarnaar niet was gevraagd, toch van belang was.” Zie in dit verband nog voetnoot 35 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4298, NJ 1982/570 m.nt. B. Wachter en Ars Aequi 1982, p. 526 e.v. m.nt. D.W.F. Verkade (Gielen q.q./Magna Insurance c.s.). Zie over deze uitspraak J.H. Wansink, ‘Zwijgen over verzwijging. Een leemte in de wet ten spijt’, in A.G. Castermans e.a. (red.), Het zwijgen van de Hoge Raad, Deventer: Kluwer 2009, par. 12.3.4, J.H. Wansink, ‘Verzekering en criminaliteit: enige juridische en verzekeringstechnische raakvlakken’, in C.J.C.F. Fijnaut &amp; J.H. Wansink (red.), Verzekering en criminaliteit. Inleidingen gehouden ter gelegenheid van de viering van het 100-jarig bestaan van de Vereniging voor Verzekeringswetenschap, Arnhem: Gouda Quint BV 1989, p. 39-40 en randnummer 3.6 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voorts de volgende voorbeelden van toepassing van de mededelingsplicht onder het oude recht (art. 251 K. (oud)) in een strafrechtelijke context: HR 9 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1986, NJ 1996/745 m.nt. M.M. Mendel (X/NN c.s.), rov. 3.3.3 (in het bijzonder in de context van een vragenformulier), HR 13 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2135, NJ 1997/637 (met noot van M.M. Mendel bij NJ 1997/639) (NN/X BV)), rov. 3.3.3 (informatie over een directeur van verzekerde), HR 20 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2235, NJ 1997/638 (met noot van M.M. Mendel bij NJ 1997/639) (Aegon/BV Beheer en Exploitatiemaatschappij BMA), rov. 3.7 (informatie over een directeur van verzekerde) en HR 21 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2311, NJ 1997/639 m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.M. Mendel (X c.s./Aegon), rov. 3.4 e.v. (informatie over derden). Zie in algemene zin over de mededelingsplicht in de context van informatie over derden F.R. Salomons, Verzekering ten behoeve van een derde, diss., Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 212-251.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, nr. 5, p. 2. Zie ook conclusie van A-G Huydecoper (ECLI:NL:PHR:2002:AD5814) voor HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5814, NJ 2002/529 m.nt. M.M. Mendel en AV&amp;S 2002, p. 124 m.nt. T.J. Dorhout Mees (X/London &amp; Lancashire Verzekering), randnummers 13-14 (A-G Huydecoper stelt dat art. 7:928 lid 5 BW “voor de verzekeringnemer (…) bepaald gunstiger” is). Zie voor kritiek op de invulling van de mededelingsplicht onder het oude recht (art. 251 K. (oud)) M.L. Hendrikse &amp; J.G.J. Rinkes, ‘De mededelingsplicht bij het aangaan van verzekeringen’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 6.6 (over HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5814, NJ 2002/529 m.nt. M.M. Mendel en AV&amp;S 2002, p. 124 m.nt. T.J. Dorhout Mees (X/London &amp; Lancashire Verzekering), rov. 3.4-3.5 en de conclusie van A-G Biegman-Hartogh (ECLI:NL:PHR:1981:AG4298) voor HR 18 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4298, NJ 1982/570 m.nt. B. Wachter en Ars Aequi 1982, p. 526 e.v. m.nt. D.W.F. Verkade (Gielen q.q./Magna Insurance c.s.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, nr. 5, p. 17 en 20-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kennelijk wordt bedoeld 3 februari 1984.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, D, p. 3-4. Zie voor de wijzigingen waartoe het advies wél heeft geleid Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, C, p. 1-2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerst luidde de voorlaatste zin van de toelichting op art. 7.17.1.4, nr. 7, nog: “Dit betekent dat de verzekeraar in zijn vraag zal moeten aangeven of hij alleen geïnteresseerd is in strafrechtelijke veroordelingen, of wellicht ook in een vrijspraak, een schikking, een maatregel etc..” Zie Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, C, p. 2. Deze zin is dus bewust verscherpt in de definitieve nota van wijziging.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2004-2005, 19 529, B, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2004-2005, 19 529, E, p. 4-5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2004-2005, 30 137, nr. 3, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, nr. 5, p. 21. Zie ook Kamerstukken II 1999-2000, 19 529, D, p. 3-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het begrip ‘feiten omtrent het strafrechtelijk verleden’ is volgens de wetsgeschiedenis in ieder geval niet beperkt tot strafrechtelijke veroordelingen. Zie hierover J.H. Wansink, ‘Verzwijging van een strafrechtelijk verleden: who is to blame?’, in Y.L.L.A.M. Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve (Mendel-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 147-149. Vergelijk voor het oude recht nog de noot van F.H.J. Mijnssen (nr. 1) bij HR 3 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4761, NJ 1984/765 (NV Interpolis Schade/X) en de conclusie van A-G Biegman-Hartogh (ECLI:NL:PHR:1984:AG4761) voor het arrest, nr. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over dit standpunt, dat hij met een nuance heeft omarmd, bijvoorbeeld K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief, diss., Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, p. 152-154 en voetnoot 45 (zijn opvatting is dat de mededelingsplicht beperkt is tot strafrechtelijke veroordelingen bij een (te) algemene vraag naar het strafrechtelijk verleden). Op p. 150 merkt Engel op dat de verzekeraar “de vraag naar het strafrechtelijk verleden zorgvuldig [moet] formuleren en daarbij [moet] vermelden in welke soort feiten omtrent het strafrechtelijk verleden hij geïnteresseerd is”, en voorts “De verzekeraar mag echter niet ‘duidelijk te ver gaan’ met zijn vraag”, steeds met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook M.L. Hendrikse &amp; J.G.J. Rinkes, ‘De mededelingsplicht bij het aangaan van verzekeringen’, in M.L. Hendrikse, Ph.H.J.G. van Huizen &amp; J.G.J. Rinkes (red.), Verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 269 (soortgelijk standpunt als dat van Engel), GS Bijzondere overeenkomsten, art. 7:928 BW (actueel tot en met 16 januari 2021), aant. 15 (P. van Zwieten &amp; K. Engel) en L. Dommering-van Rongen, ‘De mededelingsplicht van de verzekeringnemer bij het aangaan van de verzekering’, in P.J.M. Drion e.a. (red.), Het nieuwe verzekeringsrecht. Titel 7.17 BW belicht, Deventer: Kluwer 2005, p. 29 en 37-39 (voorzichtig over rechtsgevolgen van vragen over het strafrechtelijk verleden waarvan de termen voor misverstand vatbaar zijn).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk voor (de rechtsgevolgen van) onduidelijke c.q. algemene vragen naar het strafrechtelijk verleden onder het oude recht de AV&amp;S-noot van T.J. Dorhout Mees bij HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5814, NJ 2002/529 m.nt. M.M. Mendel en AV&amp;S 2002 m.nt. T.J. Dorhout Mees (X/London &amp; Lancashire Verzekering Maatschappij NV), p. 124. Dorhout Mees laat hierbij de precieze betekenis en rechtsgevolgen van art. 7:928 lid 5 BW in het midden (hij stelt over deze betekenis en rechtsgevolgen niet iets uitdrukkelijk).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk voor voorbeelden van toepassing van art. 7:928 lid 1 BW bij een specifieke vraag naar het strafrechtelijk verleden Rb. Limburg 10 maart 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:2402, rov. 5.7.-5.9. (geen verzwijging van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden bij specifieke vraag), Rb. Overijssel 28 januari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:520, rov. 4.1.-4.6. (schending van mededelingsplicht bij specifieke vraag naar strafrechtelijk verleden wordt aangenomen), Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 15 juli 2021, nr. 2021/0649, rov. 3.6 (verzwijging van feit omtrent strafrechtelijk verleden bij specifieke vraag wordt aangenomen), Rb. Rotterdam 18 maart 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:1897, rov. 4.2.-4.6. (schending van mededelingsplicht bij specifieke vraag naar strafrechtelijk verleden wordt aangenomen) en hof Den Haag 3 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:343, rov. 3.3-3.5 (schending van mededelingsplicht bij specifieke vraag naar strafrechtelijk verleden wordt aangenomen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in ieder geval wat gelet op de wetsgeschiedenis met art. 7:928 lid 5 BW is beoogd. Zie over het voorkomen van misverstanden M.É. Kibédi Varga, ‘Over vragen en mededelingen’, in T. Hartlief &amp; M.M. Mendel (red.), Verzekering en maatschappij, Deventer: Kluwer 2000, p. 80. Eén en ander laat natuurlijk onverlet dat de formulering van een vraag waarin van één of meer opsommingen (van concrete strafbare feiten, van in dat verband relevante gegevens) sprake is, om andere redenen (enigszins) onduidelijk kan zijn voor een verzekeringnemer, bijvoorbeeld als de formulering van de vraag niet duidelijk zou maken wat met de daarin opgenomen opsomming van concrete strafbare feiten wordt gevraagd aan de verzekeringnemer of deze door de bomen (de opsommingen) het bos (wat moet hij nu allemaal meedelen?) niet meer kan zien. Dat art. 7:928 lid 5 BW tot opsommingen kan leiden, is in de wetsgeschiedenis als gezegd voor lief genomen (zie randnummer 3.22 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Bijzondere overeenkomsten/N. van Tiggele-van der Velde, T. Hartlief &amp; F.R. Salomons m.m.v. W.C.T. Weterings &amp; K. Engel, Deel IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 173. Zie over de totstandkoming van deze modeltekst (en eerdere modelteksten), J.H. Wansink m.m.v. A.S.J. van Garderen-Groeneveld, Verzwijging bij verzekeringsovereenkomsten, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1993, p. 52-53, H.J. Scheltema, bewerkt door F.H.J. Mijnssen, Mr. M. Polak’s Handboek voor het Nederlandse Handels- en faillissementsrecht. Deel 4. Algemeen deel van het schadeverzekeringsrecht, Alphen aan den Rijn: Samsom 1998, p. 98-99, J.H. Wansink, ‘Verzwijging van een strafrechtelijk verleden: who is to blame?’, in Y.L.L.A.M.</p>\n<p class=\"lf-p\">Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve (Mendel-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 150-152 (hij betwijfelt sterk of eerdere standaardvragen voldoen aan art. 7:928 lid 5 BW), J.H. Tuit, Het nieuwe verzekeringsrecht. Een systematisch naslagwerk over de nieuwe wet, Deventer: Kluwer 2005, p. 27 en 126, M.É. Kibédi Varga, ‘Over vragen en mededelingen’, in T. Hartlief &amp; M.M. Mendel (red.), Verzekering en maatschappij, Deventer: Kluwer 2000, p. 80-81, K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief, diss., Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, p. 157-159 en J.M. Bruidegom &amp; L. Schuurs. ‘De mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering’, in W.M.A.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kalkman, W.G.A. van Gerner &amp; J.L. Zeeman (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu 2024, p. 88 (zij merken in voetnoot 25 op dat de website van het Verbond van Verzekeraars de modeltekst niet (langer) lijkt te vermelden).</p>\n<p class=\"lf-p\">In de praktijk komen algemene vragen echter nog steeds voor. Zie verschillende aangehaalde uitspraken in voetnoot 64 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover (specifiek voor NN) voetnoot 98 hierna. Ik merk op dat het ZCB-pakket vlak na de inwerkingtreding van art. 7:928 lid 5 BW tussen Astarte en NN is overeengekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.H. Wansink, ‘Verzwijging van een strafrechtelijk verleden: who is to blame?’, in Y.L.L.A.M. Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve (Mendel-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 150-151. Zie over de in het onderhavige geval gebruikte vraag: K. Engel, De precontractuele mededelingsplicht van de verzekeringnemer in rechtsvergelijkend perspectief, diss., Zutphen: Uitgeverij Paris 2016, p. 158-159 en voetnoot 62.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.H. Wansink, ‘Verzwijging van een strafrechtelijk verleden: who is to blame?’, in Y.L.L.A.M. Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve (Mendel-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p.151.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.H. Wansink, ‘Verzwijging van een strafrechtelijk verleden: who is to blame?’, in Y.L.L.A.M. Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve (Mendel-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 151.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nog Asser Bijzondere overeenkomsten/N. van Tiggele-van der Velde, T. Hartlief &amp; F.R. Salomons m.m.v. W.C.T. Weterings &amp; K. Engel, Deel IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nrs. 170 en 173 (met vermelding van een mogelijk voldoende specifieke vraag). Zie over art. 7:928 lid 5 BW voorts J.M. Bruidegom &amp; L. Schuurs. ‘De mededelingsplicht bij het aangaan van de verzekering’, in W.M.A. Kalkman, W.G.A. van Gerner &amp; J.L. Zeeman (red.), Compendium Verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu 2024, p. 87-88, J.H. Wansink, ‘Verzwijging van een strafrechtelijk verleden: who is to blame?’, in Y.L.L.A.M. Delfos-Roy e.a. (red.), Zekerheidshalve (Mendel-bundel), Deventer: Kluwer 2003, p. 150-152 (hij betwijfelt sterk of eerdere standaardvragen voldoen aan art. 7:928 lid 5 BW), M.M.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mendel in zijn noot (nrs. 2-3) bij HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5814, NJ 2002/529 m.nt. M.M. Mendel (X/London &amp; Lancashire Verzekering Maatschappij NV), N. van Tiggele-van der Velde, ‘Principles of European Insurance Contract Law (PEICL): Applicant’s Pre-contractual Information Duty (art. 2:101-105)’, AV&amp;S 2008/26 onder “De 'exceptions' kennen geen bijzondere regeling op het punt van het strafrechtelijk verleden”, S.W. Margetson, ‘Verzwijging van het strafrechtelijk verleden bij het aangaan van de verzekeringsovereenkomst’, NTHR 2008, p. 254, F.H.J. Mijnssen &amp; K. Engel, Verzekering (Mon. BW B88), Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. 7.9, S.Y.Th. Meijer, ‘Verzwijging: een regeling op maat’, VR 2006, p. 65 e.v., Ph.H.J.G. van Huizen, J.B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wezeman &amp; J.C. van Eijk-Graveland, Grondslagen van het verzekeringsrecht, Den Haag: Sdu Uitgevers 2014, p. 26-27 en 31, T&amp;C BW, commentaar op art. 7:928 BW (actueel tot en met 1 maart 2024), aant. 5.d. (N. van Tiggele-van der Velde), K.J.O. Jansen, Informatieplichten. Over kennis en verantwoordelijkheid in contractenrecht en buitencontractueel aansprakelijkheidsrecht, diss., Deventer: Kluwer 2012, par. 3.11.4, E.J. Wervelman, De particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2016, par. 2.1.3.7, M.É. Kibédi Varga, ‘Over vragen en mededelingen’, in T. Hartlief &amp; M.M. Mendel (red.), Verzekering en maatschappij, Deventer: Kluwer 2000, p. 80-82 en P.L. Wery &amp; M.M. Mendel, Hoofdzaken verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid bijvoorbeeld het tussenvonnis van 22 april 2015 van de rechtbank in eerste aanleg, rov. 4.8. Art. 7:931 BW sluit slechts art. 3:44 lid 3 en 6:228 BW van toepassing op de verzekeringsovereenkomst uit (de verzwijgingsregeling van art. 7:928 e.v. BW is in zoverre dus exclusief), maar niet art. 6:2 lid 2/6:248 lid 2 BW. Zie over art. 7:931 BW Kamerstukken II 1985-1986, 19 529, nr. 3, p. 12. Vergelijk in dit verband nog onder het oude recht HR 9 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1986, NJ 1996/745 m.nt. M.M. Mendel (X/NN c.s.), rov. 3.4.1-3.4.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover onder het oude recht HR 18 december 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4298, NJ 1982/570 m.nt. B. Wachter en Ars Aequi 1982, p. 526 e.v. m.nt. D.W.F. Verkade (Gielen q.q./Magna Insurance c.s.) en J.H. Wansink, ‘Verzekering en criminaliteit: enige juridische en verzekeringstechnische raakvlakken’, in C.J.C.F. Fijnaut &amp; J.H. Wansink (red.), Verzekering en criminaliteit. Inleidingen gehouden ter gelegenheid van de viering van het 100-jarig bestaan van de Vereniging voor Verzekeringswetenschap, Arnhem: Gouda Quint BV 1989, p. 39-40. Zie voor het huidige recht, met vermelding van verschillende opvattingen, Asser Bijzondere overeenkomsten/N. van Tiggele-van der Velde, T. Hartlief &amp; F.R. Salomons m.m.v. W.C.T. Weterings &amp; K. Engel, Deel IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2024, nr. 170.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor relevante feitenrechtspraak: hof Arnhem-Leeuwarden 29 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7295, rov. 3.7-3.10 (geen verzwijging van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden van anderen dan formeel bestuurders), Rb. Limburg 10 maart 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:2402, rov. 5.7.-5.9. (geen verzwijging van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden bij specifieke vraag), Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 4 november 2021, nr. 2021-0938, rov. 3.13 (verzwijging van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden van partner van consument wordt niet aangenomen), Geschillencommissie Kifid 5 februari 2024, nr. 2024-0106, rov. 3.2-3.9 (niet kan worden vastgesteld dat een vraag over strafrechtelijk verleden (bewust) onjuist is beantwoord; geen opzettelijke verzwijging), Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 2 oktober 2019, nr. 2019-764, rov. 3.2-3.4 (verzwijging van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden bij een algemene vraag over strafrechtelijk verleden wordt aangenomen), Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 22 februari 2011, nr. 42, rov. 5.1-5.2 (deels algemene en deels specifieke vraag naar het strafrechtelijk verleden wordt voldoende duidelijk geacht), Rb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Den Haag 31 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:14111, rov. 4.5. (aan een algemene vraag over strafrechtelijk verleden wordt betekenis toegekend), hof Arnhem-Leeuwarden 25 maart 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:2385, rov. 4.4 (algemene vraag naar het strafrechtelijk verleden wordt voldoende duidelijk geacht), Rb. Rotterdam 10 maart 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:2715, rov. 4.8.-4.10. (verzwijging van feiten omtrent het strafrechtelijk verleden bij algemene vraag over strafrechtelijk verleden wordt aangenomen), Rb. Amsterdam 5 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:7739, rov. 5.11.-5.14. (géén valsheid in geschrifte bij beantwoorden van vraag over strafrechtelijk verleden), Rb. ’s-Gravenhage 14 november 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB8730, rov. 4.5 (schending van mededelingsplicht wordt aangenomen bij algemene vraag omtrent strafrechtelijk verleden), Rb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overijssel 28 januari 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:520, rov. 4.1.-4.6. (schending van mededelingsplicht bij specifieke vraag naar strafrechtelijk verleden wordt aangenomen), Geschillencommissie Kifid 14 maart 2023, nr. 2023-0213, rov. 3.4-3.5 (algemene vraag naar strafrechtelijk verleden wordt in overeenstemming met de wet geacht), Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 15 juli 2021, nr. 2021/0649, rov. 3.4 en 3.6 (verzwijging van feit omtrent strafrechtelijk verleden bij specifieke vraag wordt aangenomen), Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 6 juni 2018, nr. 2018-353, rov. 4.4 (algemene vraag naar het strafrechtelijk verleden wordt voldoende duidelijk geacht), Rb. Rotterdam 18 maart 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:1897, rov. 4.2.-4.6. (schending van mededelingsplicht bij specifieke vraag naar strafrechtelijk verleden wordt aangenomen), Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 14 juli 2016, nr. 2016-326, rov. 4.1 (in ieder geval moet voldoende duidelijk worden geacht dat strafrechtelijke veroordelingen onder een algemene vraag naar het strafrechtelijk verleden vallen) en hof Den Haag 3 maart 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:343, rov. 3.3-3.5 (schending van mededelingsplicht bij specifieke vraag naar strafrechtelijk verleden wordt aangenomen). Zie verder over feitenrechtspraak Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen, nr. 405.12.5 (actueel tot en met 21 april 2022) (N. van Tiggele-van der Velde). Bij de aanduiding van uitspraken van (de Geschillencommissie van) het KiFiD heb ik de aanduiding van deze instantie aangehouden zoals die is gebruikt in de uitspraken zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Arnhem 11 mei 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BQ5824, rov. 4.13.-4.14. Zie verder Rb. Rotterdam 21 maart 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:2377, rov. 4.18.-4.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook uitgebreid de schriftelijke toelichting van Astarte, randnummers 16-27 en haar repliek, randnummers 12-18. Uitgebreid in andere zin de schriftelijke toelichting van NN, randnummers 2.8-2.20 (naar aanleiding van klacht I.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik merk op dat het hof de volgende toegevoegde waarde lijkt te hebben gezien: ingeval van een onvoldoende concrete en specifieke vraag naar het strafrechtelijk verleden is een terughoudende toetsing op haar plaats, in die zin dat beoordeeld moet worden of er bij de verzekeringnemer redelijkerwijs enig misverstand over kon bestaan of hij een bepaald strafbaar feit diende te melden (rov. 7.). Voor mij is evenwel niet duidelijk in hoeverre deze terughoudende toetsing werkelijk verschilt van de toets van art. 7:928 lid 1 BW. Zie randnummer 3.28 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft wel benadrukt dat art. 7:928 lid 5 BW in samenhang met art. 7:928 lid 1 BW moet worden gelezen. Voor mij blijft niettemin onduidelijk of, en zo ja, hoe art. 7:928 lid 1 BW bijdraagt aan de interpretatie van het hof van art. 7:928 lid 5 BW in rov. 7. Bij zijn verzwijgingsoordeel heeft het hof art. 6:2 lid 2/6:248 lid 2 BW niet betrokken. Zie daarover randnummer 3.32 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in die zin rov. 8.-9.: daarin wordt gesproken over “wenste” in plaats van “diende”. Zie echter ook een andere zinsnede uit rov. 9.: “onvoldoende om te concluderen dat er bij [betrokkene 1] bij het invullen van het vragenformulier voor de ZCB-pakketverzekering redelijkerwijs enig misverstand heeft kunnen bestaan over de vraag of hij deze verdenking moest vermelden.” (onderstreping door mij, A-G).</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de vraag of sprake is geweest van (opzettelijke) misleiding bestaat overigens geen discussie meer. Zie rov. 13. (onbestreden in cassatie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit heeft het hof volgens mij op zich niet miskend. Zie rov. 4.-7. en 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een ruime interpretatie van dit begrip lijkt aangewezen. Zie randnummers 3.21-3.22 en 3.26 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst naar Kamerstukken I 2004-2005, 19 529, B, p. 7. Daaruit volgt ook dat rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummer 44. onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens heeft het hof wel het woord “redelijkerwijs” gebruikt, wat op enige objectivering duidt. Zie rov. 7.-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop stuurt de schriftelijke toelichting van Astarte, randnummers 41-46, wel aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de procesinleiding genoemde stelling dat [betrokkene 1] een juridische leek zou zijn, maakt rov. 9. niet onjuist of onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummer 44. onder b. en inleidende dagvaarding, randnummer 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst naar inleidende dagvaarding, randnummer 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummer 44. onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst naar memorie van grieven, randnummer 44. onder b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijvoorbeeld de door de procesinleiding genoemde stelling dat [betrokkene 1] een juridische leek zou zijn, maakt rov. 9. niet onjuist of onbegrijpelijk. Ik laat in het midden of Astarte stellingen (i)-(iv) daadwerkelijk en in de relevante context in feitelijke instanties heeft aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting van NN, randnummers 2.25-2.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting van Astarte, randnummers 49-52. Zie tevens de reactie van NN, dupliek, randnummer 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor deze regel ook HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:97, RvdW 2024/144 en JBPr 2024/24 m.nt. P.A. Fruytier (Swarco Mobility Nederland BV/Slotboom q.q. c.s.), rov. 3.2, HR 19 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:57, NJ 2024/42, JIN 2024/31 m.nt. M.A.J.G. Janssen en JBPr 2024/23 m.nt. P.A. Fruytier (Sonos Europe BV c.s./Google LLC), rov. 3.1, HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1924, NJ 2023/63 m.nt. H.J. Snijders, JIN 2022/9 m.nt. M.A.J.G. Janssen en JBPr 2022/22 m.nt. P.A. Fruytier en Y. Pletting (X c.s./Gemeente Borger-Odoorn), rov. 3.2.2, HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3018, NJ 2018/212 m.nt. A.I.M. van Mierlo en JBPr 2018/16 m.nt. G.C.C. Lewin (Invinco GmbH/X), rov. 3.5.3, HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9442, NJ 2006/432 en JBPr 2006/84 m.nt. J.G.A. Linssen (Hampden Insurance NV/Mondial Freight (H.K.) Limited), rov. 3.3 en HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1415, NJ 2003/657 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.2. Over de kwestie die ik in randnummer 5.2 heb aangestipt, werd niet beslist in deze uitspraken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Parl Gesch. Burgerlijk Procesrecht 2002, p. 459-461 en 481. Zie ook HR 22 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1639, NJ 2011/269 m.nt. H.J. Snijders en JBPr 2010/26 m.nt. E. Groot, rov. 3.4.2 en Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein &amp; E.M. Wesseling-van Gent, Deel 4. Hoger beroep, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 28-32.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1415, NJ 2003/657 m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.2 (“(…) zij [art. 401a lid 2 Rv, A-G] niet het beroep in cassatie tegen tussenarresten uitsluit, maar slechts regelt wanneer dit beroep kan worden ingesteld”) en HR 28 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0598, NJ 2012/556 (TROS/Pretium Telecom BV), rov. 4.5 (“(…) in het geval van art. 337 lid 2 Rv. dat de bevoegdheid tot appel niet uitsluit, maar slechts het moment regelt waarop deze bevoegdheid kan worden uitgeoefend”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Asser Procesrecht/E. Korthals Altes &amp; H.A. Groen, Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 209 en B.T.M. van der Wiel, ‘Het cassatiemiddel’, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 104.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk voor hoger beroep F.J.H. Hovens, Civiel appèl, Den Haag: Sdu Uitgevers 2007, p. 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 343 Rv (actueel tot en met 11 juli 2012), aant. 5 (E. van Geuns &amp; M.V.E.E. Jansen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 343 Rv (actueel tot en met 11 juli 2012), aant. 5 (E. van Geuns &amp; M.V.E.E. Jansen), GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 337 Rv (actueel tot en met 10 juli 2024), aant. 8 (J.J. van der Helm), Asser Procesrecht/E. Korthals Altes &amp; H.A. Groen, Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 77 en Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein &amp; E.M. Wesseling-van Gent, Deel 4. Hoger beroep, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 61.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 19 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5351, NJ 1976/574 m.nt. W.H. Heemskerk (Stichting voor middelbaar technisch onderwijs Tilburg/X c.s.): incidenteel hoger beroep tegen een tussenvonnis is mogelijk, ook als het principaal beroep enkel een eindvonnis als object heeft. Zie voorts HR 14 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4657, NJ 1984/47 m.nt. W.H. Heemskerk (X/Nauta van Haersolte), rov. 3.5 (hoger beroep tegen een eindvonnis terwijl grieven zijn gericht tegen een tussenvonnis), HR 22 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1106, NJ 1994/509 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2 (idem), HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2772, NJ 2001/665, rov. 3.4 (idem) en HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0344, NJ 2004/23, rov. 3.2-3.3 (idem).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 19 december 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5351, NJ 1976/574 m.nt. W.H. Heemskerk (Stichting voor middelbaar technisch onderwijs Tilburg/X c.s.) en HR 7 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0344, NJ 2004/23, rov. 3.2-3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Procesrecht/E. Korthals Altes &amp; H.A. Groen, Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nrs. 297 en 331 en N.T. Dempsey &amp; A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De procedure na vernietiging en verwijzing’, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 391 e.v. Vergelijk voor grieven in hoger beroep nog GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 337 Rv (actueel tot en met 10 juli 2024), aant. 8 (J.J. van der Helm).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk voor de relevantie van het verdedigingsbelang HR 14 oktober 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4657, NJ 1984/47 m.nt. W.H. Heemskerk (X/Nauta van Haersolte), rov. 3.5 (hoger beroep tegen een eindvonnis terwijl grieven zijn gericht tegen een tussenvonnis).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook de schriftelijke toelichting van Astarte, randnummer 53.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders de dupliek van NN, randnummer 3. Ik lees HR 12 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:683, NJ 2022/183 en JBPr 2022/52 m.nt. L.V. van Gardingen (Voorzitter/Stichting Rederij De Drie Geuzen c.s.), rov. 3.1.3, niet zo dat voor een gedaagde partij altijd belang bestaat bij het bestrijden van een oordeel dat gezag van gewijsde heeft gekregen, terwijl in het dictum de vorderingen van eiser zijn afgewezen. Dat belang kan bestaan. Vergelijk hiervoor verder HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:286, NJ 2023/258 m.nt. F.M.J. Verstijlen en TvZ 2023, p. 13 e.v. m.nt. R. Peutz &amp; R.F. Simonse (X/VVE), rov. 3.2 en HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:784, RvdW 2023/561, TvPP 2023, p. 119 e.v. m.nt. M.E.A. Möhring, JIN 2023/121 m.nt. M.A.J.G. Janssen, JBPr 2023/58 m.nt. G.C.C. Lewin en TvPP 2023, p. 197 e.v. m.nt. D. Rijpma, rov. 3.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Pas bij dupliek heeft NN dit (beweerdelijke) zelfstandige belang nader toegelicht: NN wil duidelijkheid krijgen over de juistheid van het oordeel van het hof over de door NN gehanteerde vraagstelling (randnummer 3.). Hiermee heeft NN dit (beweerdelijke) zelfstandige belang mijns inziens echter onvoldoende toegelicht. Zie overigens nog de schriftelijke toelichting van Astarte, waarin Astarte met verwijzing naar haar pleitnota d.d. 7 mei 2018, randnummer 11., heeft aangevoerd dat NN de vraagstelling uit deze zaak niet meer gebruikt. Zie ook de reactie daarop in de dupliek van NN, randnummer 1., met verwijzing naar het proces-verbaal van 28 augustus 2018, p. 3. Eventueel kan Uw Raad ingeval van algehele verwerping van het principaal cassatieberoep naar aanleiding van het incidenteel cassatieberoep (ten overvloede) aangeven (explicieter dan het hof) of een vraag van een verzekeraar zoals die in het onderhavige geval voldoet (althans kan voldoen) aan art. 7:928 lid 5 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">In andere zin de schriftelijke toelichting van NN, randnummers 3.3-3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie nader de schriftelijke toelichting van NN, randnummers 3.8-3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het incidenteel cassatieberoep verwijst naar pleitnota van NN d.d. 7 mei 2018, randnummer 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de tekst van het subonderdeel lijkt het woord “is” weggevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het incidenteel cassatieberoep verwijst naar memorie van antwoord, randnummer 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het incidenteel cassatieberoep verwijst naar memorie van antwoord, randnummer 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het incidenteel cassatieberoep verwijst naar uitspraken die ik samen met andere uitspraken heb vermeld in voetnoot 64 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik laat hier in het midden wat uit deze rechtspraak precies voortvloeit. Zie daarvoor randnummer 3.33 en voetnoot 64 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat na vernietiging eigenlijk pas voor het eerst Astarte’s beroep op vergoeding van schade onder het ZCB-pakket moet worden beoordeeld (afgezien van discussies over art. 7:928 en 7:930 BW), kan in plaats van verwijzing ook terugwijzing worden overwogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in verband met het schadedebat: inleidende dagvaarding, randnummers 65.-71. en 75.-76., conclusie van antwoord, randnummers 38.-42. en 45., proces-verbaal d.d. 14 januari 2015, p. 2-5, akte vermindering eis van Astarte, randnummers 1.-6., antwoordakte eisvermindering van NN, randnummers 2. e.v., conclusie na enquête van Astarte, randnummers 22.-23, memorie van grieven, randnummers 122.-125., memorie van antwoord, randnummers 50.-51. en 53., akte na tussenarrest van NN, randnummers 20. e.v., antwoordakte na tussenarrest van Astarte, randnummers 19.-21., reactie op antwoordakte na tussenarrest van NN, randnummers 37. e.v. en antwoordakte van Astarte, randnummers 20. e.v.</p></div>", "next": 0}