{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In een civiele zaak is er een ‘procesdossier’. Dit is naar mijn begrip geen dossiermap of elektronische variant daarop, maar kort gezegd de resultante van wat er (vooralsnog) is gewisseld in een procedure. Dus een verzameling documenten of, beter, gegevensdragers, ongeacht of zij op één plaats deugdelijk fysiek of elektronisch zijn bijeengebracht. Die verzameling bestaat in een dagvaardingsprocedure uit (onder meer) de dagvaarding, de conclusies van partijen en eventuele derden, akten, spreekaantekeningen en overige stukken, maar bijvoorbeeld ook elektronische gegevensdragers die partijen hebben overgelegd, alsook de uitspraken, (rol)beslissingen en processen-verbaal in de zaak. De voor alle procesdeelnemers identieke inhoud van het procesdossier is zo bezien per definitie ‘volledig’. Een andere kwestie is of alle procesdeelnemers, onder wie dus de rechter(s), op enig moment volledig beschikken over (afschriften van) het procesdossier. Alle procesdeelnemers moeten dat te gepasten tijde kunnen, met schaarse uitzonderingen. Dit staat om te beginnen in het teken van hoor en wederhoor (art. 19 Rv, art. 6 lid 1 EVRM). De mogelijkheid om kennis te nemen van het procesdossier en op stukken te reageren dient het vertrouwen dat rechtzoekenden moeten kunnen stellen in het goed functioneren van de rechtspraak. Met de deugdelijkheid van de rechtspraak is m.i. ook gemoeid dat de rechter volledig beschikt over het procesdossier, zodat deze zich daartoe ook moeite moet getroosten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.2 Art. 34 Rv ziet onder andere op het zogenoemde ‘fourneren’ van het procesdossier uit de voorgaande instantie na verwijzing of na het instellen van een rechtsmiddel. Het artikel, dat naar mijn indruk relatief weinig bekendheid geniet, luidt voor zover hier van belang als volgt: “1. Wanneer een procedure na verwijzing of na toepassing van een rechtsmiddel voor een andere rechter wordt voortgezet, is de aanlegger verplicht aan de rechter over te leggen: a. een afschrift als bedoeld in artikel 231 onderscheidenlijk artikel 290 van het vonnis, het arrest of de beschikking waarbij de procedure is verwezen of waartegen het rechtsmiddel is aangewend; b. afschriften van de overige op de procedure betrekking hebbende stukken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>De rechter kan nadere aanwijzingen geven over het tijdstip van overlegging. (…)”</div>\n<p class=\"lf-p\">3.54.3 De in het tweede lid van dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen over het tijdstip van overlegging wordt onder andere uitgeoefend, althans collectief ingekaderd en uitgewerkt, door bepalingen in procesreglementen. In deze zaak gaat het om art. 4.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (dertiende versie van februari 2022). Die bepaling luidt als volgt: “De partij die een mondelinge behandeling vraagt, fourneert tegelijkertijd het in Bijlage VII vermelde aantal kopieën van het volledige procesdossier, inclusief de stukken van de eerste aanleg, met inachtneming van de vereisten van artikel 2.8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien het hof ambtshalve een mondelinge behandeling heeft bevolen, fourneert de appellant binnen de termijn die daarbij door het hof is bepaald het in Bijlage VII vermelde aantal kopieën van het volledige procesdossier, inclusief de stukken van de eerste aanleg, met inachtneming van de vereisten van artikel 2.8” [onderstreping toegevoegd, A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste alinea van deze bepaling ligt besloten dat voorafgaande aan de mondelinge behandeling het procesdossier, zoals dat op dat moment is, inclusief de stukken uit eerste aanleg, volledig moet worden overgelegd. In de tweede alinea wordt dat niet gestipuleerd, maar het lijdt m.i. geen twijfel dat het de bedoeling is dat in het geval van een ambtshalve gelaste mondelinge behandeling een zodanige termijn wordt bepaald dat het procesdossier eveneens voorafgaande aan de mondelinge behandeling volledig wordt overgelegd én tijd over blijft om het te bestuderen. Onder ‘mondelinge behandeling’ wordt hier overigens ook de ‘mondelinge behandeling na aanbrengen’ verstaan, zo volgt uit art. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.4 De gerechtshoven nemen dus tot uitgangspunt dat ten tijde van de mondelinge behandeling (afschriften van) het procesdossier zoals dat op dat moment is, inclusief de stukken uit eerste aanleg, beschikbaar moet zijn voor de behandelend raadsheren. Vanzelfsprekend is dat niet. Het was ooit anders: gefourneerd werd na het sluiten van het debat. Art. 34 Rv laat daarvoor ook ruimte, zo volgt uit de onder 3.54.2 hiervoor aangehaalde tekst en trouwens ook uit de parlementaire geschiedenis ter zake. Overigens heeft de Hoge Raad in 2005 wel overwogen dat art. 34 lid 1 Rv voor zover het verzoekschriftprocedures betreft ertoe strekt zeker te stellen dat de rechter zich adequaat op de mondelinge behandeling kan voorbereiden. Het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven ademt, zo bleek, dezelfde geest, ook al dwingt de wet daar dus niet toe waar het gaat om dagvaardingsprocedures. Het is nuttig als behandelend raadsheren partijen over alle relevante stukken kunnen bevragen, waaronder de stukken uit eerste aanleg. Het is ook nuttig als partijen in staat zijn om (mede naar aanleiding van vragen) hun standpunten aan de hand van die stukken naar voren te brengen, stellingen te concretiseren en te onderbouwen, enzovoort. De meerwaarde van een mondelinge interactie ten overstaan van de raadsheren die zullen beslissen, waarop [eiser] terecht wijst, behoeft hier geen toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.5 Daaruit volgt echter nog niet dat zonder méér een aanvullende mondelinge behandeling moet worden gelast als het procesdossier ten tijde van de mondelinge behandeling niet volledig beschikbaar is voor de behandelend raadsheren. Dat rechtsgevolg heeft art. 4.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (dertiende versie van februari 2022) niet. De rechter is bevoegd een passende sanctie te stellen op niet-naleving. Art. 1.7 van dit procesreglement bepaalt: “Het hof zal aan de niet-naleving van een in dit reglement gegeven voorschrift het gevolg verbinden dat het met het oog op de aard van het voorschrift en de ernst van het verzuim passend voorkomt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens heeft de Hoge Raad in 2005 overwogen dat er geen wettelijke sanctie staat op schending van art. 34 lid 1 Rv en dat art. 34 lid 2 Rv niet de bevoegdheid geeft bij (rol)reglement te bepalen dat het, ondanks herhaalde verzoeken, niet binnen de daartoe gestelde termijn overleggen van de in dat artikel bedoelde afschriften tot een niet-ontvankelijkverklaring leidt. Het arrest laat de ruimte voor een andere passende sanctie open, in het bijzonder, zo meen ik, het niet acht slaan op bepaalde stukken. Ook is m.i. denkbaar dat indien een partij heeft nagelaten bepaalde stukken tijdig te overleggen, eventuele daardoor ingegeven additionele proceshandelingen (zoals een aktewisseling) voor haar rekening komen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.6 Volgt dan uit art. 6 lid 1 EVRM dat procespartijen recht hebben op een desnoods aanvullende mondelinge behandeling ten overstaan van rechters die volledig beschikken over het procesdossier? In de EHRM-rechtspraak is dat niet geoordeeld. Er bestaat uit hoofde van art. 6 lid 1 EVRM in beginsel, maar niet categorisch, recht op een mondelinge behandeling (een oral hearing). Ik heb in de Straatsburgse rechtspraak niet kunnen ontdekken dat indien de rechter tijdens de mondelinge behandeling nog niet beschikt over alle stukken, dus het volledige procesdossier, (zonder méér) recht zou bestaan op een aanvullende mondelinge behandeling zodra de rechter wel beschikt over alle stukken. Wel wordt in de Nederlandse rechtspraak tegen de achtergrond van art. 6 lid 1 EVRM aangenomen dat indien na de mondelinge behandeling nog bewijsverrichtingen hebben plaatsgevonden, partijen recht hebben op het geven van een aanvullende mondelinge toelichting. Maar het alsnog volledig overleggen van het procesdossier is per definitie geen bewijsverrichting. Het procesdossier bestaat immers uit gegevens die al zijn overgelegd. Zie ook onder 3.54.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.7 Natuurlijk kán onder omstandigheden, mede gelet op de verlangde gelijkheid der wapenen (equality of arms), sprake zijn van schending van art. 6 lid 1 EVRM indien een procespartij haar standpunt op een bepaald punt niet (zinvol) ter mondelinge behandeling heeft kunnen toelichten aan de hand van stukken uit het procesdossier die pas later voor de rechter beschikbaar komen. Maar dat hangt toch af van, vooral, de aard van de stelling en van het stuk waarop zij zich beroept, alsmede de relevantie van dat punt en de beoordeling door de rechter van dat standpunt, naast de overige omstandigheden van het geval. Zo is evident ontoereikend voor het aannemen van zo’n schending dat die mondelinge behandeling mede is gelast met het oog op het inwinnen van inlichtingen. Wat niet anders wordt indien een bepaling als art. 4.2 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (dertiende versie van februari 2022) van toepassing is, waarover onder 3.54.2-3.54.5 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.8 Van belang is daarbij verder dat art. 6 lid 1 EVRM nog wel meer componenten behelst, met zo veel woorden ook een behandeling binnen redelijke termijn. In de geest daarvan draagt art. 20 lid 1 Rv de rechter dan ook op om - ambtshalve - te waken tegen een onredelijke vertraging van de procedure. Het sluiten van het processuele debat en het doen van uitspraak binnen een redelijke termijn gaan altijd ten koste van nóg meer informatiegaring, toelichting, concretisering, uitwerking, onderbouwing, tegenspraak, enzovoort. Er zal tegen deze achtergrond van schaarste van zowel informatie als tijd een optimaal moment voor afronding van de procedure moeten worden bepaald. Het EHRM laat volgens bestendige rechtspraak dan ook met zo veel woorden toe dat de staat (en de rechter) rekening houdt met “d’impératifs d’efficacité et d’économie”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.54.9 Tot slot: dat (de advocaat van) de ene partij een aanvullende mondelinge behandeling wenst vanwege het nog niet volledig overgelegd zijn van het procesdossier en (de advocaat van) de andere partij daarmee instemt althans daartegen geen bezwaar heeft, is van betekenis, maar geen doorslaggevende factor. Hieruit volgt nog niet dat een aanvullende mondelinge behandeling ‘dus’ moet worden gelast, ook niet in beginsel. Ik wijs daarbij nogmaals op art. 20 lid 1 Rv, dat de rechter opdraagt ambtshalve te waken tegen een onredelijke vertraging van de procedure. Ik wijs er ook op dat rechtspraak uit publieke middelen wordt gefinancierd en dat onder andere dit gegeven verklaart waarom de rechter de regie heeft over welke stappen (nog) worden gezet in de procedure, waarbij de wensen van partijen niet bepalend zijn. Zie verder onder 3.54.7 hiervoor. Iets anders is dat de rechter aan zo’n (naar mijn appreciatie tamelijk zeldzame) consensus tussen partijen over een aanvullende mondelinge behandeling niet al te gemakkelijk stilzwijgend voorbij zal kunnen gaan. b. Terug naar de subonderdelen 3.55 Ik keer terug naar de subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.56 Te beginnen met subonderdeel 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.56.1 Dit loopt vast op hetgeen ik uiteenzette onder 3.54.1-3.54.9 hiervoor. Art. 6 lid 1 EVRM noch een andere rechtsregel brengt mee dat “op straffe” van een “nieuwe mondelinge behandeling” partijen én rechters op een mondelinge behandeling over het gehele procesdossier moeten beschikken, ook niet met de daaraan in het subonderdeel nader gegeven conditioneringen. Kortom, de door het subonderdeel gehuldigde opvatting (is te categorisch en) vindt dus geen steun in het recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.57 Dan subonderdeel 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.57.1 Ook dit loopt vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.57.2 Het hof overweegt in rov. 3.1 van het arrest onder meer: “Partijen hebben het hof gevraagd een nadere mondelinge behandeling te gelasten. Daartoe ziet het hof echter geen reden. Partijen hebben in hun memories in het hoger beroep in kunnen gaan op de producties die in eerste aanleg bij conclusie van antwoord zijn overgelegd, en het hof kan op grond van die discussie en hetgeen op de mondelinge behandeling is gezegd over de vorderingen beslissen, zonder dat daarover nog een nadere discussie hoeft plaats te vinden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.57.3 Als gezegd hangt het af van de omstandigheden van het geval of art. 6 lid 1 EVRM meebrengt dat een aanvullende mondelinge behandeling moet worden gelast indien een procespartij haar standpunt op een bepaald punt niet (zinvol) ter mondelinge behandeling heeft kunnen toelichten aan de hand van stukken uit het procesdossier die pas later voor de rechter beschikbaar komen. Zie onder 3.54.7 hiervoor. Het lag in cassatie op de weg van [eiser] om voor dit laatste toereikende omstandigheden aan het licht te brengen. Naar reeds volgt uit 3.56.1 hiervoor is voor zo’n gehoudenheid van de rechter zonder méér onvoldoende wat het subonderdeel aanvoert aan omstandigheden sub (i)-(iv), hetgeen in wezen aansluit bij subonderdeel 3.3 sub (i)-(iv) en dan toegespitst op het onderhavige geval. Zie onder 3.52.1-3.52.2 hiervoor. Zo is niet aanstonds duidelijk, en maakt [eiser] daarbij evenmin duidelijk, in welk opzicht welke van diens producties bij de conclusie van antwoord nog relevant zou(den) zijn voor bepaalde beslispunten, specifiek die welke voorwerp zijn van dit cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.57.4 Het hof was dus niet gehouden vanwege die omstandigheden sub (i)-(iv) “een nieuwe zitting” te gelasten, anders dan het subonderdeel poneert. Hetgeen het subonderdeel aanvoert, wat neerkomt op die omstandigheden sub (i)-(iv), maakt evenmin dat ’s hofs onder 3.57.2 hiervoor geciteerde oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Het hof brengt daarmee tot uitdrukking te onderkennen dat partijen het hof hebben gevraagd een nadere mondelinge behandeling te gelasten, maar daartoe in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding te zien. Waarbij het hof dus nog met zoveel woorden betrekt (a) dat [verweerster] en [eiser] in hun respectieve memories in hoger beroep hebben kunnen ingaan op de producties die in eerste aanleg bij conclusie van antwoord zijn overgelegd. Én (b) dat het hof op grond van die discussie, en hetgeen op de mondelinge behandeling in hoger beroep is gezegd, over de vorderingen kan beslissen zonder dat daarover nog een nadere discussie hoeft plaats te vinden. Dit sub (a)-(b) wordt door het subonderdeel niet gericht bestreden, los dus van dat enkele aanvoeren van genoemde omstandigheden sub (i)-(iv) (op grond waarvan het hof dus niet gehouden was “een nieuwe zitting” te gelasten).</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58 Tot slot subonderdeel 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.58.1 Dit strandt in het voetspoor van de subonderdelen 3.3-3.4. Zie onder 3.56-3.57.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.59 Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4 (“Hof brengt lening van EUR 40.000,- tweemaal ten laste van [eiser] ”) 3.60 Dit onderdeel bevat twee subonderdelen (nrs. 4.1-4.2). Het eerste subonderdeel (nr. 4.1) bevat een samenvatting van het arrest, geen klachten. Voordat ik hierna subonderdeel 4.2 behandel, citeer ik eerst dit nr. 4.1 ter verduidelijking waartegen subonderdeel 4.2 zich richt: “In rov. 3.1 overweegt het hof dat zijn beslissing zal zijn dat de vordering van [verweerster] deels zal worden toegewezen en dat die van [eiser] wordt afgewezen. Die afwijzing van de vordering van [eiser] tot terugbetaling van de lening komt mede ‘omdat met de geldvordering van [eiser] in de vordering van [verweerster] al rekening is gehouden’. Na het oordeel in rov. 3.18-3.25 dat de betalingsafspraak tot stand is gekomen en het hoger beroep van [verweerster] deels slaagt in rov. 3.26, veroordeelt het hof in zijn dictum onder 4 [eiser] onder andere tot betaling aan [verweerster] van EUR 183.510,-. In dat bedrag is de lening van EUR 40.000,- van [eiser] aan [verweerster] volgens het hof dus al verrekend. Vervolgens veroordeelt het hof [eiser] evenwel ook nog tot terugbetaling aan [verweerster] van alles wat [verweerster] op grond van het vonnis van 23 juni 2021 aan [eiser] heeft betaald, hetgeen - zoals volgt uit rov. 3.1 van het arrest - tevens behelst het door [verweerster] betaalde bedrag van EUR 40.000,-” [zonder verwijzingen in het origineel, A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">3.61 Subonderdeel 4.2 klaagt dat het hof aldus op onbegrijpelijke wijze tweemaal het bedrag van € 40.000 ten laste van [eiser] heeft gebracht. Het hof heeft immers geoordeeld, zo wordt betoogd, dat de door [eiser] aan [verweerster] betaalde € 40.000 moet worden aangemerkt als een lening, die moet worden afgetrokken van het bedrag van € 223.510. Dit oordeel ziet op dezelfde € 40.000 die [eiser] in eerste aanleg met succes had teruggevorderd van [verweerster] . Het hof vernietigt dat vonnis en veroordeelt [eiser] tot terugbetaling van het op grond van het eindvonnis van [verweerster] ontvangen bedrag. Door [eiser] op die manier nogmaals te veroordelen tot betaling van € 40.000 heeft het hof een onbegrijpelijk oordeel gegeven, omdat het bedrag van € 40.000 zo dus tweemaal ten laste van [eiser] wordt gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Behandeling 3.62 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.1 Het hof oordeelt in het arrest dat [eiser] nog € 183.530 aan [verweerster] moeten betalen op grond van de betalingsafspraak, vermeerderd met wettelijke rente (zie rov. 3.25 in verbinding met het dictum (rov. 4)). Dit betreft de door [verweerster] meer subsidiair van [eiser] gevorderde betaling van een volgens haar door [eiser 4] schuldig erkend bedrag van € 223.510, verminderd met het reeds door [verweerster] ontvangen bedrag van € 40.000: per saldo dus € 183.530 aan hoofdsom, nog te betalen door [eiser] aan [verweerster] (zie rov. 2.11, 3.13 en 3.20). Komt de reconventionele geldvordering van [eiser] neer op terugbetaling door [verweerster] van die door haar ontvangen € 40.000, en daarvan gaat het hof klaarblijkelijk uit (zie mede rov. 2.12), dan is de logische consequentie van het voorgaande dat deze tegenvordering moet stranden.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.2 Met het volgens het hof vast komen te staan van die betalingsafspraak, waarbij als gezegd sprake is van een zijdens [eiser] “schuldig erkend bedrag” van in totaal die € 223.510 (wat naar ’s hofs oordeel dus insluit dat [verweerster] die reeds door haar ontvangen € 40.000 mocht houden en daarnaast aanspraak had jegens [eiser] op betaling aan haar van nog die € 183.510), is immers gegeven dat [eiser] geen aanspraak heeft op terugbetaling door [verweerster] van die € 40.000 (ook als die € 40.000 aanvankelijk ten titel van lening is verstrekt aan haar). Zie mede onder 3.5.1-3.5.3, 3.10.1-3.10.3, 3.11.1-3.11.3 en 3.42.2 hiervoor. Dát is ook wat het hof bedoelt, waar het overweegt in rov. 3.1: “De beslissing zal zijn dat de vordering van [verweerster] deels zal worden toegewezen [dus de onderhavige, meer subsidiaire vordering inzake de betalingsafspraak, A-G] en dat die van [eiser] wordt afgewezen Dit laatste mede omdat met de geldvordering van [eiser] in de vordering van [verweerster] al rekening is gehouden” [onderstreping toegevoegd, A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">3.62.3 Nu in het eindvonnis - waarin de rechtbank die betalingsafspraak niet heeft aangenomen - die reconventionele geldvordering van [eiser] is toegewezen, en het hof dus komt tot vernietiging van het tussenvonnis/eindvonnis en toewijzing van die meer subsidiaire vordering van [verweerster] inzake de betalingsafspraak, ligt het in de rede dat in hoger beroep die geldvordering van [eiser] alsnog wordt afgewezen én dat hij wordt veroordeeld tot terugbetaling aan [verweerster] van die € 40.000 voor zover zij dit bedrag op grond van het eindvonnis weer aan [eiser] heeft voldaan. Wat het hof dus ook oordeelt in het dictum (rov. 4). Het behoeft geen betoog dat het hof zonder die laatste veroordeling van [eiser] ‘onder de streep’ geen recht zou doen aan zijn toewijzing van die meer subsidiaire vordering van [verweerster] en afwijzing van die geldvordering van [eiser] 3.62.4 Het subonderdeel, dat uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest en daarmee feitelijke grondslag mist, loopt hierop vast. Kort en goed: de door het subonderdeel veronderstelde rekenfout van het hof, en daarmee de onbegrijpelijkheid van diens bestreden oordeel, doet zich in werkelijkheid niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.63 Daarmee is gegeven dat onderdeel 4 eveneens faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 3.64 Het cassatieberoep van [eiser] is derhalve vergeefs voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.65 Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO in overweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G Voor zover in cassatie relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 10 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:269.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover in cassatie relevant.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het B-dossier is een beslagrekest in plaats van de inleidende dagvaarding zijdens [verweerster] overgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waar het hof “€ 233.510” schrijft, bedoelt het “€ 223.510”. Zie o.a. rov. 3.13 van het arrest: “Die vordering strekte mede tot betaling van het door [eiser 4] schuldig erkende bedrag van € 223.510, verminderd met het al ontvangen bedrag van € 40.000 (de tegenvordering).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rb. Noord-Nederland 25 september 2019, zaaknr.: C/17/160482 / HA ZA 18-87.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Rb. Noord-Nederland 23 juni 2021, zaaknr.: C/17/160482 / HA ZA 18-87. Het eindvonnis is aangevuld en verbeterd bij Rb. Noord-Nederland 18 augustus 2021, zaaknr.: C/17/160482 / HA ZA 18-87.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van grieven (p. 1) zijn geïntimeerden, oftewel [eiser] , gezamenlijk aangeduid als “hierna: ‘ [eiseres 1] ’”.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 2.13 van het arrest overweegt het hof dat de bedoeling van het hoger beroep is “dat de afgewezen vorderingen van [verweerster] alsnog worden toegewezen, onder afwijzing van de vorderingen van [eiser] , en onder veroordeling hetgeen [verweerster] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [eiser] heeft voldaan aan [verweerster] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarin (p. 1) zijn geïntimeerden, oftewel [eiser] , gezamenlijk aangeduid als “Hierna: [eiseres 1] ”. Hetzelfde gebeurde bijv. in de akte indienen producties voor de mondelinge behandeling van 24 oktober 2022 zijdens [eiser] (p. 1: “Hierna: [eiseres 1] ”) en in de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens [eiser] (p. 1: “Hierna: [eiseres 1] ”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2022, zaaknr. 200.299.697/01.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit deel van het arrest bevat vier onderdelen met als opschrift: (i) “Inleiding” (rov. 2.1-2.2); (ii) “Project H&amp;M” (rov. 2.3-2.5); (iii) “ [het project] ” (rov. 2.6-2.10); en (iv) “De procedure” (rov. 2.11-2.13).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit deel van het arrest bevat vijf onderdelen met als opschrift: (i) “Inleiding” (rov. 3.1-3.2): (ii) “De primaire en subsidiaire vorderingen op grond van onrechtmatig handelen van [eiser] ” (rov. 3.3-3.8); (iii) “De meer subsidiaire vordering met betrekking tot de afspraak die volgens [verweerster] op 6 februari 2017 met [eiser 4] is gemaakt: de vraag of het hof daarover moet oordelen” (rov. 3.9-3.17); (iv) “De meer subsidiaire vordering: het oordeel van het hof over de gestelde afspraak” (rov. 3.18-3.25); en (v) “De conclusie” (rov. 3.26).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel bevat subopschriften: “Verslaglegging gesprekken biedt geen steun voor aannemen betalingsafspraak” (nrs. 1.5-1.6); “Opsturen berekeningen biedt geen steun voor aannemen betalingsafspraak” (nrs. 1.7-1.10); en “Getuigenverklaringen bieden geen steun voor aannemen betalingsafspraak” (nrs. 1.11-1.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de weergave van deze subonderdelen laat ik verwijzingen daarin achterwege. Op die verwijzingen sla ik wel acht bij de behandeling van deze subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Illustratief is Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 879 (T.M.). Zie o.a. HR 16 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2213, NJ 2011/572, rov. 3.4, herhaald in HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889, NJ 2022/254, rov. 3.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie verder o.a. HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5352, NJ 2002/60, rov. 3.7, alsmede Jac. Hijma e.a., Rechtshandeling en Overeenkomst, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 45, 56, 264 en Asser/C.H. Sieburgh, Algemeen overeenkomstenrecht (6-III), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 125-129.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit HR 17 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC5835, NJ 1977/241 volgt dat “het antwoord op de vraag of al of niet een overeenkomst tot stand is gekomen, in beginsel afhangt van wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen, hebben afgeleid”. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 is een logisch uitvloeisel daarvan. Zie ook de noten 16-17 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus € 223.510, het bedrag dat in totaal verschuldigd is (verklaard) zijdens [eiser] jegens [verweerster] , verminderd met € 40.000, het al door [verweerster] ontvangen bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. H.N. Schelhaas &amp; W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 8789 en F.W.J. Meijer &amp; H.M. Wattendorff, Stelplicht &amp; Bewijslast, Deventer: Wolters Kluwer 2017, art. 3:35 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die betalingsafspraak “vat het hof op als een overeenkomst die strekt tot betaling van een ‘lump sum’ ter verdeling van de opgelopen kosten bij de uitvoering van de werkzaamheden, onder de opschortende voorwaarde dat de verzekeraars niet zouden betalen.” Zie bijv. ook rov. 2.1 over [verweerster] ’ stelling “dat partijen”, dus [verweerster] en [eiser] , “hebben afgesproken de kosten te delen als deze niet door de verzekeraar zouden worden gedekt”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zij bedacht dat [eiser] in de memorie van antwoord met “ [eiseres 1] ”, waarop het hof doelt in rov. 3.14-3.15 (ook citerend uit die memorie), bedoelt: [eiser] Zie ook onder 2.9 hiervoor en onder 3.41.1-3.41.6 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 19 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door het hof dus geduid in rov. 3.17. Zie onder 3.7.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof doelt hier op de door [verweerster in persoon van betrokkene 1] (genoemd in rov. 3.21) gevoerde gesprekken met [eiser 4] . Het gaat dan - blijkens de in rov. 3.21 bedoelde getuigenverklaring - om [verweerster in persoon van betrokkene 1] , directeur/bestuurder van [verweerster] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs erop dat, zoals het hof memoreert in rov. 3.12, de rechtbank heeft “overwogen dat aan de getuigen geen vragen konden worden gesteld over de geluidsopnames en het daarvan opgemaakte verslag, en dat dit in het nadeel van [verweerster] zou worden meegewogen.” Zie het eindvonnis, rov. 2.4, waarin wordt geopend met de vaststelling dat het hier gaat om “na de getuigenverhoren door [verweerster] overgelegde bewijsstukken”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 19 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 26 november 2019, p. 1, waaruit blijkt dat [eiser 4] daarin wordt aangeduid als “hierna: [eiser 4] ”. En [eiser] als: “hierna samen: [eiseres 1] ”. Deze aanduidingen zijn alleen van betekenis voor de in het proces-verbaal opgenomen verklaringen, onder andere die van [verweerster in persoon van betrokkene 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 3 november 2020, p. 1, waaruit blijkt dat [eiser 4] daarin wordt aangeduid als “hierna: [eiser 4] ”. En [eiser] als: “hierna samen: [eiseres 1] ”. Deze aanduidingen zijn alleen van betekenis voor de in het proces-verbaal opgenomen verklaringen, onder andere die van [betrokkene 2] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 3.13, waar het hof mede erop wijst dat door [verweerster] in de memorie van grieven, nr. 58 “(opnieuw) bewijs [wordt] aangeboden van de stelling dat [de vennootschappen] de verwachting hebben gewekt dat de schade van [verweerster] volgens scenario A of B zou worden vergoed.” In dit nr. 58 staat dat door het horen van bepaalde personen als getuige (“ [betrokkene 2] , [eiser 4] en [verweerster] ”) “bewijs [kan] worden geleverd van de stelling dat [eiseres 1] jegens [verweerster] de verwachting heeft gewekt dat haar schade volgens de scenario’s A of B zou worden vergoed.” In de memorie van grieven zijdens [verweerster] wordt [eiser] dus aangeduid als “ [eiseres 1] ”. Zie onder 2.8 hiervoor. Ik lees (ook) in dit nr. 58 niet dat [verweerster] in die memorie, wat betreft haar meer subsidiaire vordering inzake de betalingsafspraak, met “ [eiseres 1] ” iets anders bedoelt dan [eiser] Zie verder o.a. rov. 3.17, laatste zin, waarin het hof nog eens kenbaar maakt dat genoemde vordering van [verweerster] gericht is tegen [eiser] : “Omtrent een voorbehoud ten aanzien van enig onderdeel van hetgeen [verweerster] daarnaast nog van [eiser] te vorderen meende te hebben [dus naast genoemde vordering, A-G], is niets gesteld of gebleken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook onder 3.10.2-3.10.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder 2.8 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 2, 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze productie 13 bij inleidende dagvaarding zijdens [verweerster] betreft de door het hof in rov. 3.20 bedoelde gespreksaantekeningen die [eiser 4] heeft gemaakt. Zijdens [verweerster] is daarop ook - met foto’s - gewezen in de spreekaantekeningen in hoger beroep, gehecht aan het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep (p. 4, “Scenario A en B (productie 13 bij dagvaarding)”). Het hof duidt deze productie 13 in rov. 3.9 als volgt: “De productie waar [verweerster] zich in dit kader op beroept is een door [eiser 4] gemaakte aantekening/berekening naar aanleiding van een gesprek dat hij op 6 februari 2017 met de directeur van [verweerster] voerde over diverse kostenposten, en waarin onderscheid wordt gemaakt tussen deze scenario’s.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus over hetgeen zou moeten gebeuren als de verzekeraars niet zouden betalen, oftewel als scenario A geen doorgang zou vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is door [verweerster] aangevoerd dat [eiser 4] ter gelegenheid van het afgenomen getuigenverhoor “de waarheid geweld heeft aangedaan”, dat sprake is van “leugenachtige uitlatingen van partijgetuige [eiser 4] ”. Zie de memorie van grieven zijdens [verweerster] , nrs. 57, 61 (wat kennelijk terugslaat op de akte na enquête zijdens [verweerster] , nrs. 6, 15-25). Dit is ontkend in de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van 3 november 2020, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het proces-verbaal van 3 november 2020, p. 7, eveneens inzake [betrokkene 2] getuigenverklaring: “U houdt mij productie 13 bij de dagvaarding voor. De A staat voor optie A, het verzekeringsverhaal. B is voor als de verzekering niet betaal[t], op dat moment was nog niet bekend wat de reactie van de verzekeraar zou zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over wat wel en niet een essentiële stelling is o.a. A.E.H. van der Voort Maarschalk, Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 71.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Bewijs (3), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 256a257.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus over hetgeen zou moeten gebeuren als de verzekeraars niet zouden betalen, oftewel als scenario A geen doorgang zou vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens is blijkens het procesverbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4 zijdens [verweerster] opgemerkt, door haar advocaat mr. Hogenkamp: “Met ‘het volk’ worden in de bandopname de opdrachtgevers bedoeld. Ze willen van de opdrachtgevers af om het onderling op te lossen. Een kantoorgenoot heeft de bandopname zo goed mogelijk vertaald. Ik durf met grote stelligheid te beweren dat wat zij heeft opgeschreven, overeenkomt met wat ze gehoord heeft. Ze heeft zich beperkt tot de belangrijkste punten uit het gesprek.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste zal een reactie zijn op de akte na enquête zijdens [verweerster] , nr. 5: “ [verweerster] beroept zich daarbij ook op de hierbij overgelegde USB-stick met daarop de gesprekken die [verweerster in persoon van betrokkene 1] , [eiser 4] en [betrokkene 2] bij twee gelegenheden met elkaar hebben gevoerd (productie 29). De eerste bespreking, op of omstreeks 2 januari 2017, heeft circa 1:38 uur geduurd. Het tweede gesprek vond plaats op 6 februari 2017. De opname is gestart na 1:39 uur en (wegens een lege batterij) geëindigd na 2:03 uur.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgelegd als productie 13 bij inleidende dagvaarding zijdens [verweerster] . Zie noot 34 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5 inzake “productie 13 bij dagvaarding”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof schrijft daar abusievelijk “€ 233.510”. Dit is een kennelijke verschrijving, bedoeld is € 223.510. Zie ook noot 5 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie mede onder 3.13.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover dit niet al deelt in het lot van sub a. Zie onder 3.19.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 172174 (T.M.), p. 172, 173: “De bewering, die het artikel niet toelaat, is zowel deze, dat bij de handelende persoon iedere wil ontbrak, als dat er een andere wil bestond dan de verklaring deed vermoeden, als ook, dat de wil slechts onvolledig tot uitdrukking gekomen is. (…) Alleen wanneer het voor de derde duidelijk kenbaar was, dat een overeenstemmende wil ontbrak, is een beroep daarop door of namens hem, die die verklaring heeft afgelegd, mogelijk.” En verder o.a. Asser/Sieburgh 2022, nrs. 125, 139.</p>\n<p class=\"lf-p\">De opsomming in het subonderdeel bevat twee keer een nummer (i). Ik heb de opsomming hernummerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat betreft [eiser 4] betrekt het hof - zie rov. 3.24 - [eiser 4] ’s verklaringen “ter zitting in eerste aanleg, als getuige en ter zitting bij het hof”. In rov. 3.25 constateert het hof “dat de getuigen voor het overige niets hebben verklaard dat aan de bewijswaardering kan bijdragen of afdoen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover [eiser] hier (een toepassing naar analogie van) art. 164 lid 2 Rv op het oog zou hebben, nu [verweerster in persoon van betrokkene 1] (vermoedelijk) kan worden aangemerkt als (quasi-)partijgetuige (zie o.a. HR 22 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1928, NJ 1997/22, rov. 3.4 en HR 22 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1932, NJ 1997/23, rov. 3.4), geldt dat hij daarop kenbaar een beroep had moeten doen en had moeten klagen over een miskenning van die bepaling. Overigens brengt (toepassing naar analogie van) die bepaling ook helemaal niet mee dat de verklaring van een (quasi)partijgetuige niet kan bijdragen aan het bewijs van de stelling van de desbetreffende partij. Uit die bepaling volgt juist het tegendeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop is door [verweerster] ook gewezen. Illustratief zijn de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens [verweerster] , p. 2-3, mede inzake de getuigenverhoren van [verweerster in persoon van betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Inzake [betrokkene 2] getuigenverhoor is daar onder meer aangevoerd (p. 3): “Anders dan zijn directeur [ [eiser 4] , A-G] bevestigt [betrokkene 2] volmondig dat er begin 2017 wel degelijk is gesproken over twee opties: (a) de verzekeraar van [eiseres 1] betaalt, (b) de verzekeraar van [eiseres 1] betaalt niet.” Overigens ontbreken genoemde p. 2-3 in het B-dossier. Genoemd citaat sluit aan op de akte na enquête zijdens [verweerster] , nr. 26, die mede terugslaat op nr. 22 aldaar: “Daar waar [eiser 4] verklaart: “We hebben niet gesproken over wat er zou gebeuren als de verzekering niet zou betalen.” betreft het wederom een onwaarheid. Uit productie 29 [de in rov. 3.18 door het hof bedoelde geluidsopnames en het woordelijk verslag daarvan, A-G] blijkt immers zonneklaar dat [eiser 4] zelf aandrong op het maken van scenario B (als de verzekering niet betaalt).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat nog een eigen opvatting ter zake suggereert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met daarmee verband houdende punten inzake “A” en “B”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie daarvoor al, in die in rov. 3.23 geciteerde verklaring: “ [verweerster in persoon van betrokkene 1] kwam bij ons op kantoor binnenlopen en meldde in emotie dat hij een probleem had. Ik heb tijdens dat gesprek aantekeningen gemaakt. In die aantekeningen staat genoteerd wat er aan bedragen werd genoemd, en wat er dan zou moeten worden afgerekend en al was afgerekend, ook in een ander project.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik lees daar niet dat volgens [eiser 4] over een scenario A en een scenario B is gesproken. Hij beperkt zich daar immers tot de verklaring dat hij destijds heeft “geschreven wat [verweerster] in emotie riep” (inzake “A”), dat hij herhaalt te hebben aangetekend “wat er werd gezegd, meer niet” (inzake “B”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder verwijzing naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de weergave van deze subonderdelen laat ik verwijzingen daarin achterwege. Op die verwijzingen sla ik wel acht bij de behandeling van deze subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Strokend met het petitum van de inleidende dagvaarding zijdens [verweerster] . De daarin vervatte vorderingen van [verweerster] zijn alle gericht tegen “gedaagden”, dus [eiser] Zie ook de noten 28-29 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. de memorie van grieven zijdens [verweerster] , nrs. 17-27 inzake “De vorderingen van [verweerster] ”. De onderhavige, meer subsidiaire vordering van [verweerster] inzake de betalingsafspraak wordt vermeld in nr. 27 aldaar, geciteerd onder 3.13.1 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook o.a. de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nrs. 1, 8, 22 e.v. Dit betreft de omvang van het hoger beroep, de reactie op de grieven van [verweerster] , het bewijsaanbod en de conclusie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik citeer hier uit de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens [eiser] , waarin [eiser] dus wordt aangeduid als “ [eiseres 1] ”. Zie onder 2.9 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze productie is een door [eiser 4] gemaakte aantekening/berekening naar aanleiding van een gesprek dat hij op 6 februari 2017 met de directeur van [verweerster] voerde over diverse kostenposten, en waarin onderscheid wordt gemaakt tussen deze scenario’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarvoor had de rechtbank al overwogen dat aan de getuigen geen vragen konden worden gesteld over de geluidsopnames en het daarvan opgemaakte verslag, wat in het nadeel van [verweerster] werd meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst hier naar “ [de vennootschappen] ” Daarmee doelt het op [eiser] , gezien ook de memorie van grieven zijdens [verweerster] , nr. 58: daar staat “ [eiseres 1] ”, waarmee in die memorie dus [eiser] wordt aangeduid. Zie onder 3.41.2 hiervoor. De door het hof bedoelde nrs. 55 en 58 van die memorie betreffen grief VI van [verweerster] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit nr. 59 van de memorie van grieven zijdens [verweerster] betreft haar grief VII.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit nr. 69 van de memorie van grieven zijdens [verweerster] betreft haar grief X.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ziet op de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met “ [eiseres 1] ” doelt het hof hier op het gebruik daarvan in de memorie van antwoord zijdens [eiser] , waarin daarmee dus [eiser] wordt bedoeld. Zie onder 3.41.3 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ziet op de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit ziet op de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 73.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de memorie van antwoord zijdens [eiser] , nr. 74 staat nog: “ [verweerster] heeft ook niet gemotiveerd dat en hoe uit de omstandigheid dat over een scenario A en B is gesproken, een toezegging van [eiseres 1] volgt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 19 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus [de vennootschappen] en [eiser 4] , middellijk directeur/aandeelhouder en feitelijk leidinggever van deze drie vennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is in essentie herhaald in de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens [verweerster] , p. 2 bovenaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wordt gedoeld op de voor-voorlaatste pagina, onderaan van het als die productie 29 overgelegde transcript, vanaf: “ [eiser 4] : (…) Het a-scenario vind ik prima zo naar die verzekering toe, maar nu het b-scenario. (…) Maar nu het b-scenario; als nu niemand betaal[t]. [verweerster] : Ja, wat dan? [eiser 4] : Wat ben ik dan aan je kwijt?”, etc. Op die laatste pagina staat onder meer: “ [verweerster] : maar stel dat die verzekering nou helemaal afhaakt, en die van mij ook, wat dan? [eiser 4] : dan moeten we toch een middenweg zien te vinden, dat we elkaar helpen. Maar ik heb het niet in een keer contant liggen. En dan vind ik niet dat ik 100% verantwoordelijk ben voor b en we hebben het nu over a. Je moet een b-scenario maken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit verwijst naar de memorie van grieven zijdens [verweerster] , nrs. 13-16, 27, 55, 58 en 69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers uit de conclusie van antwoord zijdens [eiser] (specifiek nrs. 101-103, waarbij “ter illustratie” nog wordt verwezen naar “randnr. 22-23, 25, 30, 38-41, 46-47, 49-50, 54-55, 71, 75, 77-81, 89, 92” van die conclusie) en het tussenvonnis, rov. 2.4-2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de vorige noot.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. de foto’s in de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens [verweerster] , p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te vermeerderen met wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 5 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel voert het tegendeel ook niet aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem. In cassatie trouwens evenmin, ook niet in onderdeel 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens [eiser] , nr. 30. Daar wordt verwezen naar productie 38 bij de conclusie van antwoord zijdens [eiser] (aangehaald in nr. 162 van die conclusie) voor “het bewijs van de eerste terugbetaling”. Dit gaat echter om een interne telefoonnotitie van “ [eiseres 1] B.V.” van 10 oktober 2016, dus hoe dan ook van ruim vóór (het tussenvonnis en) het eindvonnis. Ook hieruit wordt dus niet duidelijk aan wie zijdens [eiser] door [verweerster] is betaald op grond van het eindvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel voert het tegendeel ook niet aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgend op de vernietiging van het tussenvonnis en het eindvonnis. En de veroordeling van [eiser] tot betaling aan [verweerster] van € 183.510 (vermeerderd met wettelijke rente). De proceskostenveroordeling (inzake eerste aanleg en hoger beroep) komt daarna aan bod.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook reeds rov. 2.13, waaronder: “De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen van [verweerster] alsnog worden toegewezen, onder afwijzing van de vorderingen van [eiser] , en onder veroordeling hetgeen [verweerster] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [eiser] heeft voldaan aan [verweerster] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel voert het tegendeel ook niet aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat [eiser] erop heeft gewezen: dat “voor zover [verweerster] [eiser 4] persoonlijk aansprakelijk stelt in zijn hoedanigheid van architect, daartoe de grondslag en onderbouwing ontbreekt, omdat [verweerster] niet heeft onderbouwd waarom sprake zou zijn van een persoonlijk ernstig verwijt van [eiser 4] en op grond van welke bijzondere omstandigheden bestuurdersaansprakelijkheid zou moeten worden aangenomen” (dit is sub “(a)”). En dat “ [eiser 4] werkte als architect in dienst van [eiseres 1] , zodat niet valt in te zien waarom hij in privé aansprakelijk is voor de werkzaamheden die hij als architect in dienst van [eiseres 1] heeft verricht” (dit is sub “(ii)”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begrijp: in hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van een of meer van [de vennootschappen] . Het subonderdeel wijst in dit verband op HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo kan ik daarlaten dat het hier hoe dan ook niet zou zijn gegaan om bestuurdersaansprakelijkheid “op grond van art. 2:9 BW”, nu die bepaling betrekking heeft op aansprakelijkheid van de bestuurder van een rechtspersoon jegens die rechtspersoon, wat in de onderhavige zaak helemaal niet speelt. Het gaat dan om de bestuurder die, in de woorden van HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, NJ 1997/360, rov. 3.3.1, “zozeer in een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak is tekortgeschoten dat hij krachtens art. 2:9 BW tegenover de rechtspersoon aansprakelijk is voor de schade welke deze als gevolg van die tekortkoming lijdt.” Zie bijv. ook HR 21 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959, NJ 2009/21, rov. 5.3, mede over art. 2:9 BW en “interne aansprakelijkheid” (oftewel “de aansprakelijkheid van de bestuurder tegenover de rechtspersoon die hij bestuurt”).</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede verwijzend naar passages uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 1, 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de weergave van deze subonderdelen laat ik verwijzingen daarin achterwege. Op die verwijzingen sla ik wel acht bij de behandeling van deze subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan voegt het subonderdeel nog toe: partijen dienen immers (a) kennis te kunnen nemen van en zich te kunnen uitlaten over alle gegevens en bescheiden die in het geding worden gebracht en zijn bedoeld om het oordeel van de rechter te beïnvloeden; en (b) een redelijke mogelijkheid te hebben om hun zaak, inclusief bewijs, te presenteren, zodat niet één partij substantieel wordt benadeeld ten opzichte van haar wederpartij. Bovendien strekt de fourneerplicht zijdens de appellant ertoe - net als art. 34 lid 1 Rv - dat de rechter zich adequaat op de zitting kan voorbereiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit begrip komt in de wet weinig voor. Zie bijv. art. 29 lid 3, tweede zin Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn hier parallellen met het zogenoemde ‘medisch dossier’. Zie o.a. de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2022:762) voor HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1670, RvdW 2023/1149, onder 4.49-4.50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zogenoemde ‘griffiedossier’ kan bijv. op enig moment onvolledig zijn, zoals in deze zaak wordt geïllustreerd, en correspondeert dan ook niet zonder méér met het ideële concept van het procesdossier. Zie over het ‘griffiedossier’ en de mogelijke onvolledigheid daarvan o.a. H.J. Snijders (red.), C.J.M. Klaassen, H.B. Krans &amp; G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 189.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er kunnen in specifieke gevallen en op zwaarwegende gronden uitzonderingen zijn. Zie art. 22a Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882, NJ 2012/637, rov. 3.2.3: “Het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op hoor en wederhoor, zoals ook neergelegd in art. 19 Rv, omvat het recht van partijen om kennis te nemen van, en zich te kunnen uitlaten over, alle gegevens en bescheiden die in het geding zijn gebracht en zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken.” Dat in het geding gebrachte gegevens en bescheiden zijn bedoeld om in de oordeelsvorming van de rechter te worden betrokken, kan m.i. worden verondersteld, behoudens specifieke contra-indicaties.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. EHRM 26 juli 2011, 58222/09, ECLI:CE:ECHR:2011:0726JUD005822209, § 75 en HR 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5882, NJ 2012/637, rov. 3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0201, NJ 2004/48, rov. 3.5 Zie o.a. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2018 (actueel t/m 21 mei 2018), art. 34 Rv, aant. 2. Daarbij geldt natuurlijk dat procesreglementen niet worden vastgesteld door ‘de rechter’, die de zaak behandelt, maar door rechters als collectief, als vorm van zelfbinding. Ik verwijs hier kortheidshalve naar de prejudiciële beslissing over de beperking van de omvang van processtukken in hoger beroep: HR 3 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:824, RvdW 2022/559, rov. 3.1.23.1.3, 3.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De twaalfde versie van april 2021 kende in art. 4.2 een andere redactie, maar had voor zover hier van belang dezelfde strekking: “Binnen twee weken nadat de mondelinge behandeling is bepaald, legt de partij die om de mondelinge behandeling heeft gevraagd, althans, indien de mondelinge behandeling ambtshalve is bepaald, de appellant, een kopie van het volledige procesdossier, inclusief de stukken van de eerste aanleg, in viervoud over, met inachtneming van de vereisten van artikel 2.8.” In juli 2023 is een nieuwe, veertiende versie afgekondigd, maar die vond ten tijde van het arrest nog geen toepassing. Overigens is art. 4.2 daarin gelijkluidend aan de dienovereenkomstige bepaling in de dertiende versie. De vijftiende versie, die per 1 januari 2024 in werking is getreden, is nagenoeg gelijkluidend daaraan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het genoemde art. 2.8 bevat voorschriften met betrekking tot de aanduiding van stukken, de inventarislijst, en dergelijke.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor spoedappel ook art. 9.1.8 van het meergenoemde procesreglement.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook de nadere regels van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, ter zake van de ‘comparitie na aanbrengen’ (https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Gerechtshoven/Gerechtshof-Arnhem-Leeuwarden/Regels-procedures-en-klachten/Paginas/CNA-comparitie-na-aanbrengen-locatie-Leeuwarden.aspx). Onder 2, vierde alinea, is te vinden: “Indien een zaak voor een comparitie na aanbrengen wordt geselecteerd, zal op de dag van introductie via het roljournaal gevraagd worden om twee weken later opgave te doen van verhinderdata voor een comparitie na aanbrengen. De advocaat van appellant zal dan tevens het volledige procesdossier van de eerste aanleg - inclusief de producties - in kopie dienen over te leggen” [onderstreping toegevoegd, A-G].</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 45 lid 2 Rv (oud) bepaalde: “De regter zal, na het voldingen en bepleiten der zaak, zich de stukken doen overgeven en het zij dadelijk, het zij op eenen naderen door hem te bepalen regtdag, uitspraak doen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Parl. Gesch. Herz. Rv, p. 187 onder “Nota”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5752, NJ 2005/481, rov. 3.3 [eiser] betoogt ten onrechte anders in de laatste zin van subonderdeel 3.3 (zie ook de schriftelijke toelichting zijdens [eiser] , nrs. 22-23). Daarbij wijs ik erop dat art. 34 Rv algemeen is geformuleerd en bijv. ook van toepassing is op het cassatieberoep. Welnu, in de schaarse gevallen waarin in cassatie pleidooien plaatsvinden, wordt in (digitaal behandelde) vorderingszaken pas nadien gefourneerd. Zie art. 3.1.10 in verbinding met 3.1.13 en 3.1.18 van het Procesreglement van de Hoge Raad. Zie voor (inmiddels schaarse) dagvaardingszaken art. 3.4.12.1 van het Procesreglement van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de schriftelijke toelichting zijdens [eiser] , nrs. 1820.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een procespartij heeft dan ook, heel kort gezegd, in beginsel recht op een inhoudelijke mondelinge behandeling van de zaak ten overstaan van de rechters die de zaak zullen beslissen. Verandert de combinatie nadat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, dan kunnen partijen volgens vaste rechtspraak een aanvullende mondelinge behandeling verzoeken. Zie bijv. HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:826, RvdW 2023/623, rov. 3.1.2, met verwijzing naar eerdere rechtspraak. Dit speelt niet in de onderhavige zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 14 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5752, NJ 2005/481, rov. 3.3-3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. EHRM 18 mei 2010, 26839/05, ECLI:CE:ECHR:2010:0518JUD002683905, NJ 2011/333, § 188, waar wordt benadrukt dat “the obligation to hold a hearing is not absolute”, want “[t]here may be proceedings in which an oral hearing is not required and where the courts may fairly and reasonably decide the case on the basis of the parties’ submissions and other written materials.” Zie bijv. ook EHRM 19 april 2007, 63235/00, ECLI:CE:ECHR:2007:0419JUD006323500, § 74, en binnenlands: HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, NJ 2011/575, rov. 3.4.1-3.4.2; HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151, NJ 2018/16, rov. 3.3.2; HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1081, NJ 2022/273, rov. 4.2; en HR 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449, NJ 2023/125, rov. 3.33.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de EHRM-rechtspraak die [eiser] aanhaalt, is dat niet te vinden. [eiser] wijst in de procesinleiding en schriftelijke toelichting op vrij veel algemeenheden met betrekking tot het recht op een eerlijk proces van art. 6 lid 1 EVRM en aspecten daarvan, zoals de gelijkheid der wapenen, oraliteit, enzovoort, met verwijzing naar allerhande EHRM-rechtspraak. Ten aanzien van de specifieke vraag die hier voorligt - bestaat recht op een aanvullende mondelinge behandeling, omdat de rechter nog niet volledig over het procesdossier kon beschikken? - zijn de verwijzingen echter schaars. Zie in het bijzonder de noten 46, 48-49 en 51-52 van de procesinleiding, betreffende onderdeel 3. Daar wordt bijv. verwezen naar EHRM 12 mei 2005, 46221/99, ECLI:CE:ECHR:2005:0512JUD004622199, dat betrekking had op een strafzaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de noodzaak van een aanvullende mondelinge behandeling heeft het arrest geen betrekking. [eiser] haalt ook EHRM 18 februari 1997, 18990/91, ECLI:CE:ECHR:1997:0218JUD001899091, NJ 1997/590 aan. Daarin overweegt het EHRM onder meer dat “the concept of fair trial also implies in principle the right for the parties to a trial to have knowledge of and comment on all evidence adduced or observations filed” (§ 24). En ook: “What is particularly at stake here is litigants’ confidence in the workings of justice, which is based on, inter alia, the knowledge that they have had the opportunity to express their views on every document in the file.” (§ 29). Het arrest ziet niet op de vraag of een aanvullende mondelinge behandeling moet worden gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook EHRM 19 mei 2005, 63151/00, ECLI:CE:ECHR:2005:0519JUD006315100, NJ 2006/14 wordt aangehaald. Ook dat arrest gaat vooral over de mogelijkheid voor partijen om inzage te hebben in en commentaar te leveren op alle processtukken die ter kennis van de rechter worden gebracht. Over het recht op een aanvullende mondelinge behandeling gaat het arrest niet. Dit laatste geldt eveneens voor “EHRM 26 juli 2011, no. 58222/09” en “EHRM 7 juni 2007, RvdW 2007, 907”, die [eiser] ook noemt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorheen, tot 2019, ging het hierbij om ‘recht op pleidooi’ als bedoeld in art. 134 lid 1 Rv (oud). Zie Kamerstukken II 1999/2000, 26855, 5, p. 61, laatste alinea (onder verwijzing naar art. 6 EVRM), waarover HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, NJ 2011/575, rov. 3.4.1. Gelet op HR 23 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449, NJ 2023/125, rov. 3.33.4 is er geen reden om te menen dat afschaffing van art. 134 Rv (oud) iets heeft veranderd aan het recht op het geven van een aanvullende mondelinge toelichting indien na de mondelinge behandeling nog bewijsverrichtingen hebben plaatsgevonden. Ik teken hierbij nog aan dat op de hiervoor vermelde plaats in de parlementaire geschiedenis wordt vermeld: “Hebben er na de comparitie nog bewijsverrichtingen plaatsgehad of zijn er nog stukken in het geding gebracht, dan hebben partijen recht op pleidooi.” M.i. moet de passage “stukken in het geding gebracht” niet zo worden begrepen dat daaronder ook het fourneren van stukken wordt verstaan. Immers, gefourneerde stukken zijn per definitie al in het geding gebracht, maken immers al deel uit van het procesdossier. Logischerwijs ziet de passage “stukken in het geding gebracht” op toevoeging van nieuwe producties/bijlagen aan het procesdossier, wat ook een bewijsverrichting is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. EHRM 27 oktober 1993, 14448/88, ECLI:CE:ECHR:1993:1027JUD001444888, NJ 1994/534, § 33; EHRM 22 februari 1996, 17358/90, ECLI:CE:ECHR:1996:0222JUD001735890, § 47; EHRM 18 maart 1997, 22209/93, ECLI:CE:ECHR:1997:0318JUD002220993, § 34; EHRM 12 mei 2005, 46221/99, ECLI:CE:ECHR:2005:0512JUD004622199, § 140; EHRM 18 mei 2010, 26839/05, ECLI:CE:ECHR:2010:0518JUD002683905, NJ 2011/333, § 188; en EHRM 17 maart 2015, 47315/13, ECLI:CE:ECHR:2015:0317DEC004731513, NJ 2015/360, § 88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, Deventer: Wolters Kluwer 2022 (actueel t/m 1 maart 2022), art. 20 Rv, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zulks natuurlijk met inachtneming van hoor en wederhoor als (bijna altijd) absolute ondergrens (ex parte-procedures daargelaten).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. EHRM 24 juni 1993, 14518/89, ECLI:CE:ECHR:1993:0624JUD001451889, § 58; EHRM 23 november 2006, 73053/01, ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301, § 42; en EHRM 24 oktober 2017, 24016/05, ECLI:CE:ECHR:2017:1024JUD002401605, § 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij zij bedacht dat het hof in rov. 3.3-3.17 en het dictum (rov. 4) komt tot afwijzing van de daar bedoelde primaire en subsidiaire vorderingen van [verweerster] , wat in cassatie door [eiser] niet wordt bestreden. En dat weliswaar het hof blijkens rov. 3.18-3.25 en het dictum komt tot toewijzing van de daar bedoelde meer subsidiaire vordering van [verweerster] , wat in cassatie door [eiser] wordt bestreden, maar het subonderdeel ook ten aanzien daarvan niet duidelijk maakt in welk opzicht welke van die producties bij de conclusie van antwoord nog relevant zou(den) zijn voor bepaalde beslispunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door [eiser] in diens schriftelijke toelichting, nr. 3 aangeduid als “een door het hof gemaakte rekenfout”.</p></div>", "next": 0}