{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Zie nader o.a. A-G Keus (ECLI:NL:PHR:2015:6) voor HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588, NJ 2015/241, onder 2.5-2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerder opgediept en aangehaald door A-G Keus (ECLI:NL:PHR:2015:6) voor HR 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:588, NJ 2015/241, onder 2.7, hier dus herhaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 2, waar o.a. is vermeld dat de voorzitter opmerkt: “De grondslagen moeten al wel in de processtukken aanwezig zijn. Dit is een nieuwe grondslag die in de spreekaantekeningen wordt aangevoerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In het onderdeel wordt niet betoogd dat de tweeconclusieregel hier uitzondering lijdt. Ik zie daarvoor overigens evenmin aanknopingspunten en laat (’s hofs toepassing van) die regel hier verder rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit wordt niet anders door de uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg, p. 2 blijkende opmerking van de curator dat “[d]e vof (…) intern hoofdelijk aansprakelijk [wordt] gesteld.” In de spreekaantekeningen zijdens de curator voor die mondelinge behandeling is ook niets te vinden dat wijst op zo’n te onderscheiden beroep op het rechtsgevolg van art. 18 WvK in verbinding met verbintenissen van de vennootschap jegens haar schuldeisers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verwijst naar de MvA, nr. 63, waarin de curator, zo wordt betoogd, erop heeft gewezen dat de schuldenlast van de vennootschap inmiddels vaststaat. Dit laatste zou ook blijken uit producties 30, 49 en 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toevoeging A-G: dit ziet op nr. 5 van de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens de curator. Daarin staat: “Hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 18 WvKDe vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de VOF. Die aansprakelijkheid blijkt uit artikel 18 WvK. De aansprakelijkheid strekt zich uit tot alle schulden van de vennootschap, ongeacht de oorsprong.* De mogelijkheid van een zakelijke schuldeiser, om zich te verhalen op het privévermogen van de vennoten komt ook aan de curator toe. Dit vloeit voort uit artikel 68 Fw.: de curator treedt immers op voor de gezamenlijke schuldeisers.” [Bij de asterisk in het citaat staat noot 2 met als inhoud: “Hof Leeuwarden 15 maart 2011, ECLI:GHARN:2011 BP9082, r.o. 8”, A-G] In nr. 6 e.v. aldaar, onder het kopje “De onrechtmatige daad”, vervolgt de curator met de stelling dat hij “zijn vorderingen ten tweede [heeft] gegrond op de onrechtmatige daad”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor Menzis ook rov. 3.4, waaronder: “Zij heeft in een brief van 27 mei 2019 op grond daarvan [dit slaat terug op haar conclusie “dat sprake is van meerdere onregelmatigheden, waaronder dat meer zorg is gedeclareerd dan geleverd en dat kwalitatief onvoldoende zorg is geleverd over 2017 en 2018”, A-G] 90% van de betaalde bedragen teruggevorderd, te weten € 608.605,95.” En zie voor de gemeente Enschede/Samen14 ook rov. 3.7: “De gemeente Enschede heeft haar (terug)vordering op basis van de buitengerechtelijke ontbinding [per 21 oktober 2019 van de raamovereenkomst tussen de vennootschap en Samen14, A-G] berekend op € 146.443,84.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Met als vertrekpunt dus het hypothetische geval waarin die (terug)vorderingen “wel zouden hebben vastgestaan” in de onderhavige procedure, dus in de verhouding curator-vennoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 5.12, tweede zin komt de term “alle schuldeisers” niet voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cursiveringen toegevoegd, A-G.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook W.J.M. van Veen in JOR 2022/30, nrs. 4-6 inzake het vonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de curator omvat die ‘zorgadministratie’ “het controleren, vastleggen en beschikbaar hebben van de diplomering, verklaringen omtrent gedrag, BIG-registratie en arbeidsovereenkomsten van de zorgmedewerkers, de diagnoses, indicatiebesluiten en begeleidings- en zorgplannen voor het verlenen van zorg aan cliënten, de verantwoording en berekening van de verleende zorg en de daarvoor ingediende zorgdeclaraties, de verantwoording voor de aan (zorg)medewerkers uit te betalen vergoedingen en een systeem om de kwaliteit van de verleende zorg te monitoren.” Zie p. 8-9 van de procesinleiding, in het kader van het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het artikel, in 1994 in werking getreden als art. 3:15a BW (Stb. 1993/598), is in 2003 vernummerd (Stb. 2003/199).</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus C.M. Harmsen, GS Vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023 (actueel t/m 31 oktober 2023), art. 3:15i BW, aant. A.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede lid wordt art. 2:10 lid 2-4 BW van overeenkomstige toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Denk in dit verband ook aan de gezondheidsrechtelijke dossierplichten (ongeacht of deze in het voorliggende geval van toepassing zijn), die onmiskenbaar ruimer zijn dan gegevens die strekken tot zulk kennen van de rechten en verplichtingen. Zie bijv. art. 7:454 BW en art. 7 lid 2, aanhef en onder a in verbinding met art. 10 lid 3 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Kamerstukken II 1992/93, 23024, 3, p. 3, waarin wordt verwezen naar Kamerstukken II 1988/89, 21287, 3, p. 4-5, 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. C.M. Harmsen, ‘De administratieplicht’, in: Handboek Jaarrekeningenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 78, 82-83, 84-86 en Harmsen 2023, art. 3:15i BW, aant. 4. Zie eerder C.M. Harmsen, Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2019, i.h.b. hoofdstuk 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">In welk geval de soortgelijke bepaling in art. 2:10 lid 1 BW toepassing vindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2932, NJ 2014/456 en HR 11 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0994, NJ 1993/713 (met betrekking tot de soortgelijke bepaling in art. 2:10 lid 1 BW), door het hof aangehaald in rov. 5.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2023:574) voor HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1682, NJ 2024/38, onder 4.5-4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Harmsen 2020, p. 78.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht doet beroep op: “Dagvaarding, nr. 27-28 op p. 8-9, het daaropvolgende (abusievelijk onjuist genummerde) nr. 26 op p. 9-10, nr. 31 en nr. 34. In hoger beroep nogmaals in Memorie van Antwoord, tevens Incidenteel Appel, nr. 17 en 19.” Zie ook de MvA, nr. 18, onder “a. Schending administratieplicht” in het kader van het principale hoger beroep van de vennoten: “Voor de schending van de administratieplicht geldt dat de rechtbank deze niet heeft aangenomen, zodat deze hier (vooralsnog) buiten beschouwing blijft. Op dit aspect zal de curator in het kader van het incidenteel appel nog ingaan, omdat hij van mening is dat er wel degelijk sprake is van een schending van de administratieplicht, die tevens (mede) grond vormt voor het onbehoorlijk bestuur.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieraan doet niet af de verwijzing in de klacht naar een stellingname van de vennoten in eerste aanleg, te weten de conclusie van antwoord, nrs. 2.2.8-2.2.10. Ook dit is in hoger beroep geen onderdeel meer geweest van het partijdebat op het punt van de administratieplicht van art. 3:15i BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij vermeld: “Het hof maakt hier in zoverre een klassieke redeneerfout. De achterliggende redenering kan worden geparafraseerd als “Als er een vordering van Menzis en Samen14 jegens de vennoten had vastgestaan, dan had dat aangetoond dat er onrechtmatig was gehandeld jegens Menzis en Samen14. Nu staat er geen vordering vast dus er is niet onrechtmatig gehandeld.” Deze redenering is echter onjuist, want dat er onrechtmatig jegens Menzis en Samen14 is gehandeld, kan ook op een andere manier worden vastgesteld dan doordat hun vorderingen reeds kracht van gewijsde hebben jegens de vennoten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvA, nrs. 19-35, 55, 57 en productie 25 bij de inleidende dagvaarding. Genoemd in nr. 27 aldaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot staat daarbij: “Zie in verhouding tot Menzis de Dagvaarding, nr. 20, 21, 22, 26, en in het bijzonder no. 27. Zie wat betreft Samen14 de verwijten opgesomd in de Dagvaarding, het abusievelijk dubbel genummerde nr. 26 (pagina 9) t/m 31. In nr. 31 wordt het verwijt expliciet gemaakt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dit laatste iets anders is dan kracht van gewijsde, mag bekend worden verondersteld. Zie bijv. E. Gras, Kracht en gezag van gewijsde. De rechtskracht van einduitspraken van de burgerlijke rechter (diss. Amsterdam), Arnhem: Gouda Quint 1994.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof noemt in dit verband HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:649, NJ 2019/438, waarbij het hof klaarblijkelijk het oog heeft op rov. 3.4.4 van dit Hoge Raad-arrest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dus: diens beslissing de (terug)vorderingen van Menzis en de gemeente Enschede/Samen14 op de vennootschap te erkennen en daarmee te verifiëren in het faillissement van de vennootschap, dit ondanks de bij hem bekende uitvoerige en gemotiveerde betwisting van die vorderingen door de vennoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die erom draait dat voornoemde (terug)vorderingen niet vaststaan in de onderhavige procedure, en dat de curator, die de stelplicht en bewijslast had, niet voldoende concreet en specifiek bewijs van die vorderingen heeft aangeboden. Het hof oordeelt in rov. 5.11 óók: “De vordering is door de vennoten namelijk uitvoerig en gemotiveerd betwist. Wat betreft Menzis is zelfs betoogd dat de vof een (hogere) vordering heeft op Menzis.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In rov. 5.12, laatste zin rept het hof, in het verlengde hiervan, van “[d]e gestelde ernstig tekortschietende wijze waarop de vennoten de vof hebben “bestuurd” (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens het hof is dit laatste dus niet zo. Zie rov. 5.11 en 5.12, eerste en tweede zin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een bewijsaanbod moet voldoende specifiek zijn en betrekking hebben op feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. In dat verband mag van een partij die in hoger beroep bewijs aanbiedt, worden verwacht dat zij voldoende concreet duidelijk maakt op welk van haar stellingen dit bewijs betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou(den) kunnen afleggen (maar in het algemeen niet dat zij daarbij vermeldt wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard). Zie bijv. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1313, NJ 2020/310, rov. 3.2.1 onder verwijzing naar eerdere rechtspraak. En het overzicht van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:784) voor HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:274, RvdW 2022/239, onder 3.6-3.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik weersta de verleiding de inleidende dagvaarding, nr. 53 en de MvA, nrs. 129-130 integraal te citeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvG. nr. 5.3.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvG. nr. 5.3.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvA, nr. 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot staat daarbij: “Vergelijk Memorie van Antwoord, tevens Incidenteel Appel, nr. 39, waar de Curator uiteenzet dat de Vennoten er niet van uit mochten gaan dat de betalingen zouden worden hervat.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvA, nr. 38 en wordt toegevoegd “met verwijzing naar rov. 5.3.25 van het rechtbankvonnis.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij vermeld: “In Memorie van Grieven, nr. 5.3.6 betogen de Vennoten dat onjuist is dat de Vennootschap de gevraagde informatie niet heeft verschaft. Vervolgens betogen zij aan het begin van nr. 5.3.7 dat ze de informatie niet mochten overleggen, terwijl zij aan het eind van nr. 5.3.7 juist weer betogen dat zij de informatie hebben verschaft. Die laatste stelling wordt op geen enkele wijze onderbouwd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvA, nr. 37.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gezien ook noot 80 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit een en ander wordt niet anders door de MvA, nr. 39. Daarin staat: “De stelling van de vennoten dat Menzis zou hebben gesuggereerd dat de declaratiestop tijdelijk zou zijn, betwist de curator. Het moet de vennoten duidelijk zijn geweest dat wanneer de bedrijfsvoering en de zorgverlening niet op orde is en een zorgverzekeraar daar onderzoek naar doet, dit er niet toe leidt dat declaraties vervolgens weer \"als vanouds\" worden uitbetaald.” Met het hof lees ik hierin geen bewijsaanbod door de curator. Dit nr. 39 legt ook geen kenbaar verband met de MvA, nr. 37, net zo min als dit nr. 37 een kenbaar verband legt met dit nr. 39. In de MvA, nrs. 129-130 wordt ook niet kenbaar teruggevallen op dit nr. 39, waarin evenmin wordt verwezen naar die nrs. 129-130.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit werkt door in klacht b, waarin aan het slot wordt gesteld - onder verwijzing naar de MvA, nr. 37 - dat de curator heeft voorgesteld [betrokkene 1] te doen horen als getuige. M.i. gaat die vlieger dus niet op, zie hiervoor. Bij de bespreking van klacht b kan ik dit slot derhalve laten rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook rov. 4.2 van het arrest: “De rechtbank heeft de vordering onder c) toegewezen, in die zin dat zij voor recht heeft verklaard dat de wijze waarop de vennoten de vennootschap hebben bestuurd kwalificeert als onrechtmatig handelen jegens de vof en dat de vennoten uit dien hoofde gehouden zijn het gehele faillissementstekort, (…), te vergoeden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan gaat de klacht voorbij. Daarin wordt slechts verwezen naar de MvG, nrs. 5.3.6-5.3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvA, nr. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de inleidende dagvaarding, nrs. 37-39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarbij wat betreft Menzis zelfs is betoogd dat de vennootschap een (hogere) vordering heeft op Menzis. In rov. 5.18 verduidelijkt het hof, ook voor de vorderingen van de andere schuldeisers in het faillissement: de vennoten hebben die vorderingen betwist “in de onderhavige procedure en op de gehouden verificatievergaderingen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de inleidende dagvaarding, nr. 39 met betrekking tot Menzis: “Reeds in het najaar van 2018 had het voor de vennoten duidelijk moeten zijn dat de onderneming, vanwege het dichtdraaien van de geldkraan door Menzis en het vooruitzicht van een nadere claim van Menzis, in het jaar 2019 nooit winst zou gaan maken en dat er om die reden geen enkele reden was om enige onttrekking te doen.” Dit is de crux van voornoemde beroep op onrechtmatige selectieve betaling als vervat in nrs. 37-41, 46-48 van de inleidende dagvaarding. Zie verder bijv. de spreekaantekeningen in eerste aanleg zijdens de curator, nr. 15 en de MvA, nrs. 6-9, waarin de curator vooropstelt: “Toegewezen is hier (slechts) de subsidiaire vordering uit hoofde van selectieve betaling, zoals toegelicht in de randnummers 37 t/m 41 en 46 t/m 48 van de dagvaarding in eerste aanleg en zoals subsidiair gevorderd in het petitum sub X en XI van de dagvaarding in eerste aanleg.” Het verbaast dan ook niet dat de curator die toewijzing in rov. 5.2.8 van het vonnis onderschrijft in de MvA, nr. 7, en in nrs. 8-9 zo samenvat: “door voorschotten op winst uit te keren aan zichzelf, terwijl duidelijk was dat deze winst nooit zou worden gerealiseerd, hebben de vennoten onrechtmatig gehandeld jegens de schuldeisers van de VOF.” Zie verder bijv. ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 11, waar de voorzitter aan de curator vraagt: “Dan over de selectieve betaling.</p>\n<p class=\"lf-p\">In december 2018 was sprake van opschorting van de betalingen door Menzis, alleen op dat moment liep er nog een onderzoek en lag er nog geen vordering van Menzis. Waarom is in uw ogen in de periode januari tot en met april dan toch ten onrechte die onttrekking gedaan?” De curator antwoordt: “Menzis heeft aangekondigd dat onderzoek verricht wordt en dat er twijfels zijn. De vennoten weten als geen ander hoe hun eigen werkwijze is, dus ik vind dat ze de uitkomst van het onderzoek hadden kunnen zien aankomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de conclusie van antwoord, nrs. 2.2.12-2.2.49, 2.2.54, 2.4.3-2.4.4, 2.4.9; de MvG, nrs. 5.3.1-5.3.33; de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens de vennoten, nrs. 6-7; en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 12 waar de advocaat van de vennoten o.a. opmerkt: “De verzekeraar kan verkeerde beslissingen nemen en dat is hier gebeurd. De vennoten hebben gedaan wat ze konden. Ze hebben advies ingewonnen en daarnaar gehandeld. Menzis heeft niet van de beslissing af willen wijken en op grond daarvan is een onjuiste keuze gemaakt, namelijk de declaratiestop in stand te laten. De vennoten hebben extra personeel in dienst genomen en ingezet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat uiteraard insluit dat die betalingsstop van Menzis dan niet zou worden opgeheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de in noot 97 hiervoor genoemde vindplaatsen lees ik nergens een reactie van de curator op die gemotiveerde betwisting van de vennoten (zie noot 98 hiervoor). In rov. 5.11 komt het hof al tot verwerping van het betoog van de curator dat de door Menzis en de gemeente Enschede/Samen14 gepretendeerde (terug)vorderingen op de vennootschap na de gehouden verificatievergaderingen inmiddels wel vaststaan. Daarin stelt het hof ook al vast dat de curator niet voldoende concreet en specifiek bewijs van de gegrondheid van die vorderingen heeft aangeboden, wat wel van hem had mogen worden verwacht gelet op die onderbouwde betwistingen door de vennoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.i. laat de rechtspraak inzake onrechtmatige selectieve betaling daartoe (dan) ook de ruimte. Daarin draait het immers steeds mede om de feiten en omstandigheden van het geval (waartoe voornoemd gezichtspunt ook kan behoren). Zie, bij rechtspersonen, bijv. HR 23 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1204, NJ 2014/325, rov. 3.3.3-3.3.6 en HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73, NJ 2020/51, rov. 3.2, beide verwijzend naar HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank rept in die rov. 5.2.8 van de (opgeschorte) betalingen door Menzis “(als voornaamste inkomstenbron)”. Iets anders staat evenmin in de inleidende dagvaarding, nrs. 37-39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie noot 97 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te weten: de inleidende dagvaarding, nrs. 37-39 en de MvA, nr. 7. Zie weer noot 97 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de conclusie van antwoord, nrs. 2.1.2-2.1.5, met als laatste zin: “In het navolgende - onder paragraaf 2.2. - zal de Inhoudelijke betwisting van de claim van Menzis worden besproken”. Zie verder bijv. de MvG, nrs. 5.2.2-5.2.3, mede over een overgelegde verklaring van de accountant “waaruit blijkt dat de opgenomen voorziening ziet op de vermeende claim van Menzis en dat deze vanuit het voorzichtigheidsprincipe is opgenomen en mocht worden opgenomen.” En de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens de vennoten, nr. 4. Ik wijs ook op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 9-10, waar o.a. is vermeld dat de voorzitter ingaat op “de negatieve kapitaalstand, en daarmee komen we weer uit bij waar we het net over hadden, de vordering van Menzis. De negatieve kapitaalstand is veroorzaakt doordat een voorziening is getroffen in de balans door de boekhouder. Dat is op zich correct, denk ik. Er is een dreiging van een vordering en de vordering wordt betwist, dus wordt er vast een voorziening opgenomen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit lees ik bijv. niet in de spreekaantekeningen in eerste aanleg zijdens de curator, nr. 15 en de MvA, nrs. 70-71.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de inleidende dagvaarding, p. 16 onder VII (“onrechtmatig (...) jegens de vennootschap”). Bedoeld zal zijn: p. 17 onder VII.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de inleidende dagvaarding, nrs. 47, 50.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij vermeld: “Zie ook de Conclusie van Antwoord, nr. 2.2.50-2.2.56.”</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij verwezen naar de MvA, nr. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een noot wordt daarbij opgemerkt: “Rov. 5.3: “De curator heeft de vorderingen onder (1) van meet af aan ingestoken als zogenoemde 'Peeters/Gatzen-vorderingen'” en rov. 5.5: “Zoals hiervoor opgemerkt, heeft de curator de vorderingen op grond van onrechtmatige daad gebaseerd op de zogenoemde 'Peeters/Gatzen' rechtspraak.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de spreekaantekeningen in hoger beroep zijdens de curator, in het bijzonder nr. 6 (in verbinding met nrs. 7-14). Die vorderingen wijst het hof dus af, zie onder 3.41.1 hiervoor. (Het in nr. 5 aldaar bedoelde beroep van de curator op art. 18 WvK verwerpt het hof in rov. 5.4. Het in nr. 13 op p. 4 (bedoeld zal zijn: nr. 15) aldaar aangehaalde beroep van de curator op art. 33 WvK verwerpt het hof in rov. 5.15-5.18.) Zie ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5-7, 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de MvA, nrs. 6-9, 11-15, 58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de inleidende dagvaarding, nrs. 32-36, 37-41, 46-48, 49-51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. de spreekaantekeningen in eerste aanleg zijdens de curator, nrs. 2-3, 7-12, 13-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in het bijzonder de conclusie van antwoord, nrs. 2.2.1-2.2.56, 2.3.1-2.3.5 en de spreekaantekeningen in eerste aanleg zijdens de vennoten, nrs. 1, 3-5, 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de inleidende dagvaarding, p. 17 onder VII.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. ook HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:967, RvdW 2023/733, rov. 3.2-3.3 en HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:968, RvdW 2023/732, rov. 3.2-3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie W.J.M. van Veen in JOR 2022/30, nr. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in het bijzonder de MvA, nrs. 11-15 (in lijn overigens met nrs. 6-8).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de MvG, p. 9: “5.3 Grief II: Geen onrechtmatig handelen tegenover de VOF”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de MvA, p. 3: “Grief II: Geen onrechtmatig handelen tegenover de VOF”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De vennoten vallen in die grief ook terug op de conclusie van antwoord. Illustratief is de MvA, nr. 5.3.3, onder verwijzing naar de conclusie van antwoord, nrs. 2.2.50-2.2.58.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoiets staat evenmin in de MvA, nr. 10, direct onder het kopje dat ik citeerde in noot 122 hiervoor. In dit nr. 10 staat slechts: “De vennoten zijn van mening dat de rechtbank middels de punten 6.3, 6.4 en 6.5 van het dictum van het vonnis waarvan beroep ten onrechte (1) voor recht heeft verklaard dat de wijze waarop de vennoten de VOF bestuurd hebben, kwalificeert als onrechtmatig handelen jegens de VOF, (2) de hoofdelijke veroordeling van de vennoten tot betaling van het gehele faillissementstekort en (3) betaling van een voorschot op dit faillissementstekort ad € 150.000,--.”</p></div>", "next": 0}