{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Uit de eerste vetgedrukte zin kan worden opgemaakt dat het Hof van oordeel was dat de Belgische gemachtigde zich mocht richten op de Belgische aangifte; diegene behoefde niet zich als zodanig te bekommeren om de Nederlandse aangifte. In de overweging uit de tweede vetgedrukte zin ligt besloten dat de Nederlandse gemachtigde voor het opstellen van de aangifte mocht vertrouwen op de vrijstellingsverklaringen. Ik lees hierin dat het Hof van oordeel is dat de gemachtigden niet alleen feitelijk de kennis over de behandeling van het pensioen in het andere land niet hadden, maar dat ze dit ook niet hoefden te hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.19 Wanneer ik de door mij voorgestane civielrechtelijke maatstaven voor toerekening toepas, dan meen ik dat uit deze feiten geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de feitelijke kennis van de Belgische adviseur niet aan erflater kan worden toegerekend. Van belang daarbij acht ik dat (a) niet is komen vast te staan dat de Belgische adviseur optrad jegens de Nederlandse fiscus als gevolmachtigde van erflater, (b) dat erflater een met een consument gelijk te stellen particulier is, (c) dat de Belgische adviseur een beperkte taak had, die niet de Nederlandse heffing omvatte, en (d) dat die adviseur niet wist of behoorde te weten dat de belangen van de Nederlandse fiscus in het geding waren. Daar tegenover staat dat door het niet toerekenen het algemeen belang (de juiste heffing) in het gedrang komt. Maar die omstandigheid alleen weegt niet op tegen de vier andere.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.20 Voor toerekening van juridische kennis van de Belgische adviseur lijkt mij ook geen plaats. Om te beginnen ligt in de hiervoor geciteerde overwegingen van het Hof mijns inziens besloten dat de Belgische gemachtigde niet wist en ook niet behoefde te weten dat de heffing die feitelijk in België plaatsvond juridisch relevant was voor de Nederlandse heffing. Kennis die er niet is, kan ook niet toegerekend worden. Er is daarom volgens mij geen ruimte om kennis van de Belgische adviseur recht aan erflater toe te rekenen. Ook het – eventuele – beroep van de Staatssecretaris op toerekening aan erflater van de kennis van die adviseur over het Belgische recht, kan volgens mij niet slagen. Om te beginnen heeft het Hof niet vastgesteld dat de Belgische adviseur wist of behoorde te weten dat de door hem verzorgde Belgische aangiften op dit punt juist waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staatssecretaris heeft ook niet gesteld dat het Hof dit had moeten vaststellen. Voorts lijkt het mij niet vanzelfsprekend dat de Belgische adviseur zeker wist, of had moeten weten, hoe de pensioenen in de Belgische aangiften moesten worden verwerkt. Hij handelende immers in strijd met de door de door de Staatssecretaris genoemde ministeriële circulaire en met de aangifte-instructies van de Belgische belastingdienst. Een prudent fiscaal adviseur zal toch ook in België ten minste rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de minister en de belastingdienst gelijk zouden kunnen hebben. Het ligt daarom voor de hand dat de Belgische adviseur niet zeker wist dat de aangifte goed was, maar wel meende (en ook mocht menen) dat het daarin ingenomen standpunt pleitbaar was.</p>\n<p class=\"lf-p\">En ten slotte meen ik dat naar de eerderbedoelde civielrechtelijke maatstaven beoordeeld voor toerekening geen ruimte is omdat (a) niet is komen vast te staan dat de Belgische adviseur optrad jegens de Nederlandse fiscus als gevolmachtigde van erflater (b) dat erflater een met een consument gelijk te stellen particulier is (c) dat de Belgische adviseur een beperkte taak had, die niet de Nederlandse heffing omvatte en (d) dat die adviseur niet wist behoorde te weten dat de belangen van de Nederlandse fiscus in het geding waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zesde klacht: het tekortschieten in de samenwerking 9.21 Volgens de Staatssecretaris is het oordeel van het Hof (overweging 4.5) dat erflater als fiscale leek niet tekort is geschoten in de samenwerking met zijn Nederlandse gemachtigde doordat hij niet de Belgische aangiften en aanslagen heeft aangeleverd, onjuist althans onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.22 Het Hof heeft dit oordeel in het slot van overweging 4.5 van de bestreden uitspraak gemotiveerd door te verwijzen naar de onduidelijkheid in de desbetreffende periode over de juiste heffing in België, en heeft verder vastgesteld dat het voor een fiscale leek als erflater niet kenbaar was dat (a) de Belgische heffing over zijn pensioen niet de reguliere heffing betrof, (b) dat het pensioen ondanks deze heffing en het feit dat hij in België woonde toch in Nederland belast was en (c) dat hij zijn Nederlandse gemachtigde daarvan op de hoogte moest stellen. Deze vaststellingen zijn niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.23 Aldus geeft het door de Staatssecretaris bestreden oordeel naar mijn mening niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat naar mijn mening de wijze waarop de pensioenen feitelijk in België werden belast, niet relevant is voor de heffing in Nederland (4.2-4.4). Inzage in de Belgische aangiften en aanslagen zou de Nederlandse adviseur dus in zoverre geen relevante kennis hebben opgeleverd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.24 Ook deze klacht moet daarom naar mijn mening worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vierde en vijfde klacht: de wetenschap van de Belgische adviseur en Nederlandse gemachtigde 9.25 Onbegrijpelijk is volgens de Staatssecretaris de vaststelling door het Hof (overweging 4.5) dat niet is komen vast te staan dat de Belgische adviseur wist van de fiscale behandeling van het pensioen in Nederland en evenmin dat de Nederlandse adviseur wist hoe het pensioen in België werd belast.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.26 Voorts betoogt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte alleen heeft beoordeeld (overweging 4.5) of de Nederlandse gemachtigde feitelijk op de hoogte was, terwijl de Inspecteur had aangevoerd dat die gemachtigde zich op de hoogte behoorde te stellen van de heffing in België.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.27 Dat deze klachten mijns inziens moeten worden verworpen volgt al uit 9.16 tot en met 9.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zevende klacht: de goede trouw 9.28 De Staatssecretaris bestrijdt voorts de verwerping door het Hof van het standpunt van de Inspecteur dat erflater niet te goeder trouw heeft gehandeld doordat hij niet heeft gemeld dat het pensioen in België niet regulier werd belast. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof daarbij miskend dat het erom gaat dat de belastingplichtige redelijkerwijs had moeten weten dat de inspecteur zonder de desbetreffende informatie niet in staat was de kwestie goed en volledig op haar fiscale merites te beoordelen. Dit is volgens de Staatssecretaris een in bepaalde zin geobjectiveerde toets.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.29 Het betoog van de Staatssecretaris komt erop neer dat de erflater/belanghebbende in wezen wegkomt met dubbele niet-heffing, en dat dit te mooi is om waar te kunnen zijn. Hierdoor kan erflater zelf opzet of grove schuld worden verweten, aangezien hij geen melding heeft gemaakt van de ‘niet-heffing’ in België, althans aangezien erflater zelf had moeten begrijpen dat de toezegging zozeer in strijd was met een juiste wetstoepassing dat hij op nakoming niet kon rekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.30 De onvrede van de Staatssecretaris die uit deze klacht spreekt, kan ik tot op zekere hoogte wel begrijpen. Erflater heeft in Nederland belastingvrij een aanzienlijk pensioen opgebouwd, is vervolgens naar België verhuisd waar over zijn pensioenuitkeringen niet ‘gewoon’ belasting geheven, en toch vroeg hij in Nederland om een vrijstelling van inhouding van loonbelasting en nam hij de uitkeringen niet op in zijn Nederlandse aangifte. Het probleem bij die onvrede is echter dat er in België wel ‘ongewoon’ werd geheven over het pensioen. Zoals in de conclusie van A-G Ettema van 22 december 2023 (4.7) is uiteengezet werd in België jaarlijks over 3% van het pensioenkapitaal 30% personenbelasting geheven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat vertroebelt het beeld. Verder moet het ‘hardnekkige verzet’ van de Belgische fiscus tegen de rechtspraak van het Hof van Cassatie voor onzekerheid en onduidelijkheid hebben gezorgd. De Belgische belastingplichtige die conform de rechtspraak van het Hof van Cassatie aangifte deed, liep het risico dat de Belgische fiscus die aangifte zou corrigeren of later tot navordering over zou gaan en daarover tot in hoogste instantie zou doorprocederen. Die dreiging moet voor onzekerheid hebben gezorgd omdat een belastingplichtige in redelijkheid ervan mag uitgaan, dat de fiscus zoiets niet zonder goede grond doet. Het oordeel van het Hof dat niet kan worden gezegd dat erflater zelf opzettelijk of grofschuldig informatie heeft achtergehouden acht ik daarom – anders dan de Staatssecretaris – niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij herhaal ik nog maar een keer dat naar mijn mening de wijze waarop de pensioenen feitelijk in België werden belast, niet relevant is voor de heffing in Nederland (4.2-4.4).</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtste klacht: het zozeer strijdig zijn met een juiste wetstoepassing 9.31 Tot slot keert de Staatssecretaris zich tegen het oordeel van het Hof (overweging 4.7) dat de toezegging niet zozeer in strijd is met een juiste wetstoepassing dat de belastingplichtige redelijkerwijs niet op nakoming kon rekenen. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof hierbij miskend dat er geen sprake was van onduidelijkheid over de concrete heffing over het pensioen in België bij erflater en diens gemachtigden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.32 Naar mijn mening stuit deze klacht af op de in 9.30 opgenomen beschouwing. Daarbij komt dat de Staatssecretaris kennelijk over het hoofd ziet dat de feitelijke heffing in België niet relevant is voor de toepassing van art. 18(2)(b) Verdrag (4.2-4.4). Beslissend is of de pensioenuitkeringen rechtens onderworpen waren aan belastingheffing naar het normale tarief. Als erflater wist hoe zijn pensioen in België feitelijk werd belast, betekent dit niet dat hij wist hoe het pensioen in België moest worden belast. Dat laatste wisten de Belgische en Nederlandse fiscus kennelijk niet eens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 9.33 Uit het voorgaande volgt dat naar mijn mening alle klachten die in het middel besloten liggen ongegrond zijn. Daarom concludeer ik tot verwerping van het beroep in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">10Conclusie Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van België en Nederland met betrekking tot de toepassing van artikel 18 van het Verdrag van 5 maart 2018, Stcrt. 2018, 17744.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 juni 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3167.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen van 5 juni 2001 (Trb. 2001, 136).</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 31 januari 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:269.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermeld onder de kopjes “Standpunt staatssecretaris (r.o. 4.3 en 4.4 Hof, risico achterwege laten vraag in aanvraagformulier over heffing in woonland)” en “Standpunt staatssecretaris (r.o. 4.4 Hof, verandering van een feit)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermeld onder het kopje “Standpunt staatssecretaris (r.o. 4.4 Hof, verklaring inspecteur ter zitting bij het Hof)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermeld onder het kopje “Standpunt staatssecretaris (r.o. 4.5 Hof, toerekenen kennis gemachtigden)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermeld onder het kopje “Standpunt staatssecretaris (r.o. 4.6 Hof, goede dan wel kwade trouw)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vermeld onder het kopje “Standpunt staatssecretaris (r.o. 4.7 Hof, vrijstellingsverklaring niet zozeer in strijd met juiste wetstoepassing dat op nakoming niet mag worden gerekend)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Citaten zijn, tenzij anders vermeld, aangehaald zonder voetnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Ettema 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1210.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de duidelijkheid: in deze zaak speelt de kwestie hoe het drempelbedrag moet worden uitgelegd niet. De pensioenuitkeringen die erfgelater genoot overstegen ruimschoots het drempelbedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op enkele andere punten zijn er wel verschillen tussen de pensioenartikelen in de verdragen met Portugal en België. Zie hierover 5.11 van de conclusie van A-G Ettema 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1210.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wattel van 15 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:695, onderdeel 7.32.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1733, ovw. 5.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wattel van 15 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:695.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2001/02, 28 259, nr. 3, bijlage, blz. 47/48.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overeenkomst tussen de bevoegde autoriteiten van België en Nederland met betrekking tot de toepassing van artikel 18 van het Verdrag van 5 maart 2018, Stcrt. 2018, 17744, punt 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:6, ovw. 2.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover punt 4.11 t/m 4.17 van de conclusie van A-G Ettema van 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1210.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Hof van Cassatie 27 januari 2023, F.21.0075.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230127.1N.9. Zie ook Grondwettelijk Hof 14 december 2023, nr. 170/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.170, B.1.1.-B.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 2018Z02190.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grondwettelijk Hof 14 december 2023, nr. 170/2023, ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.170.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. Kavelaars, ‘De arbeidsinkomsten onder het conceptverdrag met België’, WFR 2001/1464, par. 7.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat maakt ook dat (de afwijzing van het verstrekken van) een verklaring geen voor bezwaar vatbare beschikking is: zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 december 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:5585.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het huidige aanvraagformulier kan via de volgende link worden benaderd: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/programmas_en_formulieren/ Om precies te zijn: bijlagen 5 tot en met 7 bij de motivering van het hoger beroep d.d. 19 oktober 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlage 7 bij de motivering van het hoger beroepschrift voor zowel het ingevulde aanvraagformulier als de vrijstellingsverklaring.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2002/03, 28 608, nr. 3, blz. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1987/88, 20 595, nr. 3, blz. 86.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1988/89, 20 595, nr. 13, blz. 86.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.A. Cramwinckel, Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context. Een juridisch en communicatiewetenschappelijk onderzoek naar gewekt vertrouwen (Fiscale Monografieën nr. 177), Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 4.2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie, onder meer, de conclusie van staatsraad A-G Wattel van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:896, de conclusie van A-G IJzerman van 2 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:316, de conclusie van staatsraad A-G Snijders van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3420, T.A. Cramwinckel, Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context. Een juridisch en communicatiewetenschappelijk onderzoek naar gewekt vertrouwen (Fiscale Monografieën nr. 177), Deventer: Wolters Kluwer 2022 en S.C.W. Douma, R.J. Koopman &amp; E.A.G. van der Ouderaa (red.), Algemene wet inzake rijksbelastingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:269.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:292.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor uitzonderingssituaties, HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505 en ABRvS 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2592.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2222 HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1849, ovw. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 december 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2235.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ovw. 4.5.2 van het arrest van 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675, geciteerd in 7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ovw 4.5.4 van het arrest van 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675, geciteerd in 7.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ovw. 4.6.2 van het arrest van 18 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:269 en ovw. 4.5.2 van het arrest van 1 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1675.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.A. Cramwinckel, Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context. Een juridisch en communicatiewetenschappelijk onderzoek naar gewekt vertrouwen (Fiscale Monografieën nr. 177), Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 4.2.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566.</p>\n<p class=\"lf-p\">Genoemd naar het IJzerdraad-arrest: HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover onderdeel 5 van de conclusie (ECLI:NL:PHR:2006:AU7741) van A-G Niessen voor HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7741.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7741.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie met name HR 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2586, HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:254 en HR 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Heidekamp, Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (Fiscale Monografieën nr. 180), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 9.3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR2310 en HR 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0819.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. van der Wal, Vertegenwoordiging en bijstand in belastingzaken, Fiscale rechtsbijstandverlening naar Nederlands recht, Fiscale Monografieën 116, Deventer: Kluwer 2006, blz. 66-69.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Kortmann 3-III 2017/80.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.P.J.L. Tjittes, Toerekening van kennis, Deventer: Kluwer 2001, blz. 16-17.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.P.J.L. Tjittes, Toerekening van kennis, Deventer: Kluwer 2001, blz. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1749, HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2164, en R.P.J.L. Tjittes, Toerekening van kennis, Deventer: Kluwer 2001, blz. 21-22.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.P.J.L. Tjittes, Toerekening van kennis, Deventer: Kluwer 2001, blz. 22-23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA1913.</p>\n<p class=\"lf-p\">Idem R.P.J.L. Tjittes, Toerekening van kennis, Deventer: Kluwer 2001, blz. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van 12 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:40.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.M. Katan, Toerekening van kennis aan rechtspersonen, Deventer: Wolters Kluwer 2017, hoofdstuk 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5.20 van de conclusie van 12 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595 (kleuterschool Babbel).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7741.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6018.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD3566.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1749, NJ 1995, 639, HR 4 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2164, NJ 1997, 63, en R.P.J.L. Tjittes, Toerekening van kennis, Deventer: Kluwer 2001, blz. 21/22.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Staatssecretaris betoogt hierover dat hiermee “niet is gezegd dat de Belgische rechtspraak in diverse vergelijkbare zaken verschillend heeft beslist en dat deze zaken de Inspecteur in 2014-2017 bekend was of kon zijn”. De Belgische rechtspraak heeft inderdaad niet verschillend beslist, maar eenduidig geoordeeld dat onder andere het uit Nederland afkomstige pensioen niet ‘regulier’ in de heffing kan worden betrokken (4.9). Over de validiteit van de stelling dat deze zaken de Inspecteur niet bekend was of kon zijn, verwijs ik naar hetgeen ik daarover opmerk in punt 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijlagen 5-7 bij de motivering van het hoger beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij het verweerschrift in beroep heeft de Inspecteur als bijlagen 11, 14 en 15 uitdraaien in het geding gebracht van de door hem geregistreerde aangiftegegevens over achtereenvolgens 2014, 2015 en 2016. Daarin zijn voor 2014 en 2016 de velden voor ‘gegevens contactpersoon consulent/adviseur’ leeggelaten. Voor 2015 is wel een naam en telefoonnummer van een consulent/adviseur ingevuld. Uit geen van de uitdraaien is op te maken wie de aangiften (digitaal) heeft ondertekend en wie die aangiften heeft ingezonden (c.q. geüpload).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 4 van de motivering van het beroepschrift in cassatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 6 van de motivering van het beroepschrift in cassatie.</p></div>", "next": 0}