{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Wet van 16 december 1993, Stb. 1993, 650. Zie Stb. 1993, 693, voor de inwerkingtreding daarvan. Tot 1 januari 2013 waren de algemene bepalingen over bezwaar en beroep die van overeenkomstige toepassing zijn, vermeld in hetzelfde artikellid dat verzet openstelde, het toenmalige art. 8:55(1) Awb. Op die datum zijn zij overgebracht naar het huidige art. 8:55(2) Awb. Dit is gebeurd bij de Wet aanpassing bestuursprocesrecht. Zie art. I(GGG) van Deel A van de Wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682. Zie Stb. 2012, 684 voor de inwerkingtreding van dezelfde wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Stb. 1993, 650. Strikt genomen is art. 8:81(4) ingevoerd als art. 8:81(2) Awb op 1 januari 1994 en gewijzigd tot het huidige art. 8:81(4) op dezelfde datum. Deze wijziging is gebeurd bij de Aanpassingswet Awb III. Zie art. 1(B) van de Wet van 23 december 1993, Stb. 1993, 690. Zie Stb. 1993, 693, voor de inwerkintreding van dezelfde wet. Even strikt genomen is art. 8:119(2) Awb ingevoerd als art. 8:88(2) Awb op 1 januari 1994 en vernummerd op 1 januari 2013. Die vernummering is gebeurd bij de al aangehaalde Wet aanpassing bestuursprocesrecht. Zie art. I(TTTT) van de Wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682. Zie Stb. 2012, 684 voor de inwerkingtreding van dezelfde wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 4 juni 1992, Stb. 1992, 315. Zie Stb. 1993, 693, voor de inwerkingtreding daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Eerst is op 1 januari 2005 het toenmalige art. 6:24(2) Awb vervallen, dat bepaalde dat het instellen van beroep in cassatie plaatsvindt door het indienen van een beroepschrift bij de rechter wiens uitspraak wordt bestreden in cassatie. Dit is gebeurd bij de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties. Zie art. II(0A) van de Wet van 23 december 2004, Stb. 2004, 672. Zie Stb. 2004, 692, voor de inwerkingtreding van dezelfde wet. Daarna is op 1 januari 2013 het toenmalige art. 6:24 Awb uitgebreid tot incidenteel hoger beroep en incidenteel beroep in cassatie. Dit is het gevolg van de reeds aangehaalde Wet aanpassing bestuursprocesrecht. Zie art. I(R) van de Wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682. Zie Stb. 2012, 684 voor de inwerkingtreding van dezelfde wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om art. I(H) van Deel 2 van het ontwerp, dat een daartoe strekkende wijziging aanbrengt in art. 6.2.16 van het nog tot wet te verheffen ontwerp van de Awb. Dit destijds voorgestelde art. 6.2.16 komt overeen met (thans) art. 6:24 Awb. Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 2, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 10, p. 43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 12, p. 3 respectievelijk p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 12, p. 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 82 en p. 157.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Borman, in: T&amp;C Algemene wet bestuursrecht, commentaar op art. 8:81 Awb (digitaal; “actueel t/m 01-07-2024), aant. 2a; Schlössels, Schutgens &amp; Zijlstra, Bestuursrecht in de sociale rechtsstaat band 2 (HSB), Deventer: Wolters Kluwer 2019 (zevende druk), p. 360-361; Van Wijk/Konijnenbelt &amp; Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2014 (zestiende druk), p. 680.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 16 december 1993, Stb. 1993, 650. Zie Stb. 1993, 693, voor de inwerkingtreding daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 1 januari 2002 sprak art. 8:81(1) Awb over de president van de rechtbank. Vanaf 1 januari 2002 spreekt het artikellid over de voorzieningenrechter daarvan. Dit is gewijzigd bij de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie. Zie art. 2 van Hoofdstuk 7 van de Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 584. Zie Stb. 2001, 621, voor de inwerkingtreding van dezelfde wet. Vanaf 1 januari 2013 spreekt het niet langer over de rechtbank, maar over de bestuursrechter. Dit is gewijzigd bij de al aangehaalde Wet aanpassing bestuursprocesrecht. Zie art. I(MMMM) van de Wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682. Zie Stb. 2012, 684 voor de inwerkingtreding van dezelfde wet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Th.G.M. Simons, ‘De voorlopige voorziening in het Nederlandse bestuursrecht’, p. 15, in: Th.G.M. Simons, A.T. Marseille en B.W.N. de Waard, De voorlopige voorziening in het bestuursrecht (VAR-reeks nr. 136), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (Recht en Praktijk nr. SB3), Deventer: Wolters Kluwer 2017 (zesde druk), p. 1100.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze uitspraak blijkt te zijn gepubliceerd op rechtspraak.nl: rechtbank ’s-Gravenhage 26 augustus 1994, nr. 94/06562, ECLI:NL:RBSGR:1994:ZF1558. Daartoe heb ik gezocht op dat zaaknummer, dat blijkt uit een afschrift van de uitgave van Awb-katern 1995/31, waarover ik beschik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Breda 10 mei 1995, nr. 95/1373, JB 1995/153.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 15 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7599.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder anderen Borman, in: T&amp;C Algemene wet bestuursrecht, commentaar op art. 8:81 Awb (digitaal; “actueel t/m 01-07-2024), aant. 2a, en T.N. Sanders e.a. (red.), Module Algemeen Bestuursrecht, art. 8:55, aant. 2.2.12.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 26 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:791.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 40. Zie ook Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 6, p. 38-39, en Kamerstukken II 1992/93, 22 495, nr. 10, p. 41.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 78 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 111(2)(f), (g), (h) en (k) Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het is anders in gevallen waarin meer dan één gedaagde is en niet alle gedaagden verschijnen in het geding. Zie art. 140(1)-(3) Rv. Ik laat zulke gevallen verder rusten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De gedaagde tegen wie verstek is verleend, kan voorkomen dat de rechter de vordering van de eiser toewijst doordat de gedaagde de desbetreffende aanzegging in de dagvaarding in acht neemt, dus door te verschijnen in het geding, of een advocaat te stellen, of het griffierecht te voldoen. Daardoor vervalt het verstek en wordt de zaak voortgezet op tegenspraak. Zie art. 142 Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 143(1) Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 335(1) Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 143(2) Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 146(1) in verbinding met art. 111(2)(f), (g) en (h) Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 147(1) in verbinding met art. 128(3) en (5) Rv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder anderen Gras, Hendrikse &amp; Jongbloed, Compendium burgerlijk procesrecht 2024/10.2.3; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/89; en Snijders, Klaassen, Krans &amp; Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/252.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder anderen Gras, Hendrikse &amp; Jongbloed, Compendium burgerlijk procesrecht 2024/10.2.4; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/88; en Snijders, Klaassen, Krans &amp; Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht 2022/253.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 april 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1710 (Campina Melkunie / Royal Nederland).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 6 december 2001, Stb. 2001, 580. Zie Stb. 2001, 621, voor de inwerkingtreding daarvan. Het huidige art. 148 Rv komt overeen met art. 2.7.6 van het ontwerp van deze wet. Zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 2. Dit art. 2.7.6 is vernummerd tot art. 148 Rv bij inwerkingtreding van die wet. Zie Stb. 2001, 623. De wetgever heeft met deze bepaling nadrukkelijk beoogd afstand te nemen van HR NJ 1995/682. Zie Kamerstukken II 1999/2000, 26 855, nr. 3, p. 119.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 8 september 2005, Stb. 2005, 455. Zie Stb. 2005, 484, voor de inwerkingtreding daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 28 863, nr. 3, p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3741, rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 2 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1546, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder anderen T.C. Borman, in: T&amp;C Algemene wet bestuursrecht, commentaar op art. 8:55 Awb (digitaal; “actueel t/m 01-07-2024”), aant. 11, en M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (Recht en Praktijk nr. SB3), Deventer: Wolters Kluwer 2017 (zesde druk), p. 1350.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:363, rov. 2.3.2; HR 12 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:225, rov. 1.2; en HR 18 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4781, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 23 december 1993, Stb. 1993, 775. Zie art. 66(1) Wrb voor de inwerkingtreding daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 1 mei 2004 sprak art. 32 Wrb over het rechtsbelang ter zake waarvan de toevoeging is afgegeven. Vanaf die datum spreekt de bepaling over het rechtsbelang ter zake waarvan zij is verleend. Dit is gewijzigd bij de wet van 4 december 2003, Stb. 2003, 502. Zie art. I(Z) van die wet. Zie Stb. 2004, 165, voor de inwerkingtreding van diezelfde wet. Deze wijziging brengt de tekst van art. 32 Wrb in terminologisch opzicht overeen met de Awb. Zie Kamerstukken II 2000/01, 27 553, nr. 3, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ABRvS 30 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8908, rov. 2.3.1-2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie HR 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1427, rov. 2.6.2; HR 11 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1425, rov. 2.6.2; HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1338, rov. 2.3.2; HR 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:291, rov. 2.4.1; HR 4 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:352, rov. 2.3.2; en HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:966, BNB 2021/135.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 9 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1500, rov. 4.4 en ABRvS 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1730, rov. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de omstandigheid dat in HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153, BNB 2021/140, rov. 4.4 de Hoge Raad bij zijn beoordeling in aanmerking neemt dat de inspecteur in hoger beroep niet tijdig heeft geklaagd over het oordeel van de rechtbank over de ontvankelijkheid van het bezwaar, kan niet naar mijn mening niet – a contrario – worden afgeleid dat de Hoge Raad een andere koers vaart.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat om het cassatieberoep tegen de uitspraak van gerechtshof Amsterdam 14 mei 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:1501; de zaak heeft in cassatie het nummer 24/02420.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.C. Borman, in: T&amp;C Algemene wet bestuursrecht, commentaar op art. 8:42 Awb (digitaal; “actueel t/m 01-07-2024”), aant. 4a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie productie 2 bij het principale beroepschrift in cassatie. Overigens behoort de brief van de Rechtbank van 9 februari 2022 (al) tot de gedingstukken die de griffier van de Hoge Raad heeft ontvangen van de griffier van de Rechtbank. In beide zaakdossiers van de Rechtbank is de brief gekenmerkt met A8.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:874, BNB 2015/129, rov. 2.3.2, onder verwijzing naar HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:740, BNB 2015/119, rov. 2.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit vindt steun in het verweer van belanghebbende dat onder de bijzondere omstandigheden er geen aanleiding hoefde te bestaan de Heffingsambtenaar op de mogelijke consequenties van zijn handelen/nalaten te wijzen (verweerschrift in cassatie, p. 3).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor een positief antwoord valt wel wat te zeggen bij een versnelde behandeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 2 augustus 2024, ECLI:NL:HR:2024:1086, rov. 5.1.</p></div>", "next": 0}