{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">In belastingzaken heeft de Hoge Raad de vruchtenleer als zodanig (nog) niet aanvaard in het kader van bewijsuitsluiting. De Hoge Raad heeft een dergelijke redenering in het kader van het sanctioneren van de controlebevoegdheid wel ten grondslag gelegd aan de beslissing in het FSV-arrest, maar daarbij moet worden opgemerkt dat in dat arrest de lat heel hoog is gelegd om tot een uitsluiting te komen van de vruchten van een controle-onderzoek. Het moet dan denkelijk gaan om gevallen waar het handelen van de Belastingdienst jegens de belanghebbende alle perken te buiten is gegaan. In zoverre lijkt de Hoge Raad in het FSV-arrest de vruchtenleer als instrument te gebruiken om uitwassen begaan door een bestuursorgaan te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.26 In het strafrecht lijkt de toepassing van de vruchtenleer voort te vloeien uit, en beperkt te worden door, de causaliteitseis die besloten ligt in art. 359a(1)(b) Sv. Als de vruchtenleer wordt toegepast door de feitenrechter, moet in ieder geval voldoende nauwkeurig worden gemotiveerd dat het bewijsmateriaal een ‘uitsluitend en rechtstreeks’ gevolg is van de vergiftigde bron. Die wat terughoudende benadering van de Hoge Raad past breder bezien binnen het instrumentele karakter dat de bewijsuitsluiting in het strafrecht heeft. Gelet op het gegeven dat zowel binnen het strafrecht als belastingrecht bewijsuitsluiting een instrumenteel karakter lijkt te hebben, kan het strafrecht mijns inziens als inspiratie dienen om de toepassing van de vruchtenleer door de feitenrechter in cassatie te beoordelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.27 Het ‘zozeer indruist’-criterium heeft de Hoge Raad geïntroduceerd in belastingzaken waarin bewijs onrechtmatig is verzameld in een andere keten dan de fiscale (5.21 en 5.22). Toch werd dit criterium ook toegepast in een tweetal arresten over onrechtmatigheden die waren opgetreden bij een door de inspecteur uitgevoerd derdenonderzoek (5.23 en 5.24). Dat derdenonderzoek was niet onrechtmatig jegens de belanghebbende. Gelet op de duidelijke taal gehanteerd in het arrest van 6 september 2024 (5.21), verder in beginsel niet toepassen in gevallen waarin het gaat om de eigen keten. Daardoor lijkt dit criterium niet geschikt voor toepassing in een geval als dit. Mocht dat anders zijn, dan lijkt het mij opportuun dat de Hoge Raad meer duidelijkheid schept over de reikwijdte van het ‘zozeer indruist’-criterium en de verhouding tussen deze verschillende arresten.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Beoordeling van het principaal cassatieberoep 6.1 Met het eerste middel betoogt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat niet in geschil is dat alle bewijsmiddelen met betrekking tot de woonplaats van belanghebbende die de Inspecteur heeft ingebracht tot bewijs dienen te worden uitgesloten. Ik behandel het middel aan de hand van de klachten die de Staatssecretaris heeft geuit in de toelichting op dit middel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht a: onrechtmatige aanleiding woonplaatsonderzoek 6.2 De Staatssecretaris stelt dat het Hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de Inspecteur ter zitting zou hebben verklaard dat er een onrechtmatige aanleiding is tot het instellen van een woonplaatsonderzoek, waardoor alle daaruit voortvloeiende bewijsmiddelen uitgesloten dienen te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.3 In het proces-verbaal (van de zitting op 1 februari 2024, gevoegd bij de einduitspraak) staat op bladzijde 9 het volgende vermeld (vetgedrukt RJK): “Het Hof houdt aan partijen voor dat het Hof de vraag of het onderzoek al dan niet rechtmatig is verlopen nauwelijks kan beantwoorden omdat het Hof ook niet over alle informatie beschikt. Aan belanghebbende wordt de mogelijkheid onthouden nader onderzoek te doen. Is dit nu een houding die je van een professionele organisatie als de Belastingdienst mag verwachten?</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter merkt in aanvulling daarop op, dat de trigger in de 'tip' duidelijk wordt om schreven. Er is een aanwijsbare reden waarom deze belastingdienstmedewerker ermee aan de haal is gegaan. Het wordt door hemzelf in zijn ambtsedige verklaring ook 'trigger' genoemd. Deze trigger roept ernstige twijfel op over de rechtmatigheid van het onderzoek. Dit is uitgewerkt in de 8:29-uitspraak. [C] verklaart dat het Hof er veronderstellenderwijs vanuit kan gaan dat het onderzoek onrechtmatig is gestart en dat al het erna verkregen bewijs 'fruit of the poisonous tree' is, als het Hof het aannemelijk acht dat de tip van de tipgever de aanleiding is geweest voor het woonplaatsonderzoek. Het Hof moet oordelen over de bruikbaarheid van dat bewijs. Er waren namelijk ook al andere aanwijzingen voor een onderzoek. Wattel heeft in zijn conclusie van november 2023 geschreven dat terughoudend moet worden omgegaan met bewijsuitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter merkt op dat Wattel niet heeft geconcludeerd in een 8:29-procedure en dat de belanghebbende in die procedure alles heeft kunnen aanvoeren over de eventuele onrechtmatigheid van het bewijs. In dit geval tast belanghebbende goeddeels in het duister. De voorzitter vraagt waaruit kan blijken dat het woonplaatsonderzoek een andere aanleiding had dan de tip.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.4 Op bladzijde 14 staat nog het volgende vermeld: “Berns verklaart in tweede termijn: (…)</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat hij iedere zitting weer hoort dat het voor de Inspecteur nieuw is en dat er een leercurve is. Dit is echter wel een hele pijnlijke en dure leercurve; (…) [C] verklaart:</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat de leercurve vooral te maken heeft met het verloop rondom een 8:29-beslissing en de gevolgen daarvan voor de 8:31-beslissing. Er is intern over gedebatteerd of het standpunt van de 'fruits of the poisonous tree' moest worden ingenomen. Daarvoor is nu ter zitting gekozen. Dit weerspiegelt ook de leercurve. Dat betekent niet dat er tegen beter weten in is geprocedeerd, er wordt voortdurend gewogen wat de juiste stap is om te zetten. De jurisprudentie hieromtrent is niet eenduidig, het is een grijs gebied. Bovendien is er heel veel bewijs geleverd voor de materiële aanslag van ongeveer € 6 miljoen. Als belanghebbende door een soort ‘vormfout' vrijuit gaat is dat enorm spijtig, maar dat is dan helaas zo. Het gaat hen erom dat ze de uitvoering van de belastingwet zo goed mogelijk doen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">6.5 Uit het bovenstaande maak ik op dat de Inspecteur zich nog altijd verzette tegen bewijsuitsluiting en dat dit verzet steunde op twee stellingen, een feitelijke stelling en een juridische. De feitelijke stelling ligt besloten in de woorden “als het Hof het aannemelijk acht dat de tip van de tipgever de aanleiding is geweest voor het woonplaatsonderzoek” en “Er waren namelijk ook al andere aanwijzingen voor een onderzoek”. Uit die woorden blijkt dat de Inspecteur vasthield aan zijn stelling dat de tip niet de (enige) aanleiding voor het woonplaatsonderzoek was. De juridische stelling ligt besloten in de woorden “Wattel heeft in zijn conclusie van november 2023 geschreven dat terughoudend moet worden omgegaan met bewijsuitsluiting van onrechtmatig verkregen bewijs.” en “De jurisprudentie hieromtrent is niet eenduidig, het is een grijs gebied”. De conclusie van A-G Wattel van 24 november 2023 gaat over strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs en in het bijzonder het ‘zozeer indruist’-criterium. Kennelijk wilde de Inspecteur zich op het standpunt stellen dat ook als zijn feitelijke stelling zou worden verworpen, bewijsuitsluiting achterwege moest blijven op juridische gronden, en met name op grond van het ‘zozeer indruist’-criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.6 De zojuist bedoelde feitelijke stelling van de Inspecteur is door het Hof behandeld en verworpen. Daarover klaagt de Staatssecretaris niet. Maar de juridische stelling van de Inspecteur is door het Hof onbehandeld gelaten. Daarover klaagt de Staatssecretaris terecht. Het Hof gaat er namelijk voetstoots vanuit dat als de aanleiding tot het instellen van het woonplaatsonderzoek onrechtmatig is, het bewijsmateriaal dat vervolgens is verkregen, niet door de Inspecteur mag worden gebruikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.7 Dit klemt des te meer, nu het uitgangspunt dat het Hof heeft gehanteerd mijns inziens te kort door de bocht is en in zoverre daarmee onjuist. De Hoge Raad heeft voor strafzaken overwogen dat aan een vruchtenleer-oordeel zulke motiveringseisen moeten worden gesteld, dat ook in cassatie met voldoende precisie kan worden getoetst in hoeverre dat andere bewijsmateriaal telkens daadwerkelijk kan worden aangemerkt als een uitsluitend en rechtstreeks gevolg van eerder verkregen, nadien uitgesloten bewijsmateriaal (5.16). Ik meen dat dit beoordelingskader ook in belastingzaken moet worden gehanteerd. Er kan dus niet worden volstaan met de enkele constatering dat de boom giftig is. Steeds moet worden beoordeeld of het oorzakelijk verband tussen de onrechtmatige handeling en de verkrijging van een bepaald bewijsmiddel nauw genoeg is om uitsluiting (in dit geval op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en art. 8:31 Awb) te rechtvaardigen. In die beoordeling kan de aard van de geschonden rechtsregel, en wat mij betreft ook de ernst van de overtreding, worden meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.8 Ik meen daarom dat klacht a bij middel 1 slaagt. Het Hof heeft ten onrechte niet onderzocht of, en zo ja, in hoeverre het door de Inspecteur in de loop van het woonplaatsonderzoek verkregen bewijsmateriaal het uitsluitend en rechtstreeks gevolg is van de onrechtmatige (verwerking van de) tip. Mocht het Hof dit wel hebben onderzocht, dan lijdt zijn uitspraak aan een motiveringsgebrek omdat daarin van dit onderzoek niet blijkt (5.16).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.9 Gelet op het voorgaande, meen ik dat de klacht terecht is voorgesteld en het middel slaagt. Bij gegrondbevinding van klacht a hoeven de overige bij het middel aangevoerde klachten geen behandeling meer. Voor de volledigheid ga ik hierna toch op die klachten in.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht b: toetsing aan ‘zozeer indruist’-criterium?</p>\n<p class=\"lf-p\">6.10 Klacht b houdt in dat het Hof ten onrechte niet heeft onderzocht of met betrekking tot het onrechtmatig verkregen bewijs is voldaan aan het ‘zozeer indruist’-criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.11 Het Hof heeft in feite enkel onderzocht of het onderzoek uitgevoerd door medewerker 1 de enige dan wel doorslaggevende aanleiding is geweest voor het woonplaatsonderzoek en vastgesteld dat dit het geval is – althans, dat is wat uit de uitspraak kan worden opgemaakt. Zoals ik bij klacht a uiteengezet heb, heeft het Hof ten onrechte de opvatting van de Inspecteur gevolgd dat het niet in geschil was dat het onderzoek door medewerker 1 kennelijk onrechtmatig is en dat als dat onderzoek de enige aanleiding is voor het woonplaatsonderzoek, al het bewijs dat daar uit voortvloeit ook moet worden uitgesloten (6.3-6.9). Ook in zoverre slaagt het middel dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.12 Ten overvloede wil ik hier nog opmerken dat toetsing aan het ‘zozeer indruist’-criterium mij in beginsel hier niet aan de orde lijkt. Als het gaat om onrechtmatigheid in strikt fiscale zin, speelt het ‘zozeer indruist’-criterium in beginsel geen rol. Toegegeven moet worden dat de precieze reikwijdte van het ‘zozeer indruist’-criterium wat onduidelijk is (5.22). Ik ga er maar van uit dat moet worden afgegaan op wat de Hoge Raad in het arrest van 6 september 2024 heeft beslist (5.27). De overweging dat het ‘zozeer indruist’-criterium niet geschikt is voor beoordeling van een aan de inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid, laat immers weinig ruimte voor breder gebruik van het ‘zozeer indruist’-criterium. Denkelijk wil de Hoge Raad gebruik van ‘zozeer indruist’-toetsing slechts per uitzondering uitbreiden tot specifieke gevallen waarin mogelijk alle grenzen overschreden zijn door de inspecteur en de rechter daar (zeer) verstrekkende gevolgen aan wil verbinden, zoals in het FSV-arrest aan de orde was.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.13 Toepassing van het ’zozeer indruist’-criterium lijkt mij daarom in deze zaak niet aan de orde. Het gaat in deze procedure immers om de beoordeling van een aan de Inspecteur toe te rekenen veronderstelde onrechtmatigheid. Mocht de Hoge Raad van oordeel zijn dat de zaak moet worden verwezen en zich hier mogelijk wel een geval voordoet waar ‘zozeer indruist’-toetsing wel ‘geschikt’ is om de bruikbaarheid van het bewijs verzameld door de inspecteur te beoordelen, dan verdient het mijn aanbeveling om dat expliciet mee te geven aan het verwijzingshof.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht c: mogelijkheid andere aanleiding onderzoek 6.14 Met klacht c betoogt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte niet heeft meegewogen dat de Inspecteur ook op basis van een andere aanleiding op rechtmatige wijze dezelfde informatie had kunnen verkrijgen, althans dat het Hof zijn oordeel hieromtrent onvoldoende gemotiveerd. Ook zonder de verondersteld onrechtmatige aanleiding tot een onderzoek had de Inspecteur tot een onderzoek kunnen komen; het volledig uitsluiten van het bewijsmateriaal is daarmee volgens de Staatssecretaris onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.15 Het Hof heeft in overweging 4.26-4.33 uiteengezet dat het in ieder geval aannemelijk is dat het woonplaatsonderzoek zonder tussenkomst van medewerker 1 niet zou zijn gestart. Dat oordeel is uitgebreid en op zichzelf bezien begrijpelijk gemotiveerd. In tegenstelling tot wat de Staatssecretaris kennelijk bedoelt te stellen, lees ik het oordeel van het Hof niet zo dat het de schriftelijk vastgelegde activiteiten op principiële gronden doorslaggevend heeft geacht. Het lijkt mij eerder een bewijskwestie: als een en ander niet op papier is vastgelegd, valt voor het Hof lastig vast te stellen dat er (in een eerder stadium) al voldoende aanleiding bestond om een woonplaatsonderzoek te starten (zie overweging 4.27). Bovendien heeft de Inspecteur zelf in zijn verweerschriften voor Rechtbank en Hof geschreven dat de Inspecteur “op 31 augustus 2015 vragen heeft gesteld naar aanleiding van de aangifte IB/PVV 2011 (…) In deze periode ontstond twijfel omtrent de daadwerkelijke woonplaats van belanghebbende” (vgl. overweging 4.32).</p>\n<p class=\"lf-p\">6.16 Toch slaagt ook deze klacht. Uit hetgeen ik over klacht a heb opgemerkt volgt dat ik het met de Staatssecretaris eens ben dat de vruchtenleer niet inhoudt dat al het materiaal dat is verkregen na de onrechtmatige (verwerking van de) tip, automatisch als bewijs moet worden uitgesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht d: vereiste aangifte en omkering bewijslast 6.17 Met klacht d brengt de Staatssecretaris naar voren dat het Hof heeft miskend dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, waardoor de bewijslast is omgekeerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.18 Het Hof heeft in overweging 4.34 geoordeeld dat (vetgedrukt RJK): “Gelet hierop [het is aannemelijk dat het woonplaatsonderzoek zonder de tussenkomst van medewerker 1 niet zou zijn gestart, toevoeging RJK], is niet in geschil dat alle bewijsmiddelen die de Inspecteur met betrekking tot de woonplaats van belanghebbende heeft ingebracht tot bewijs dienen te worden uitgesloten. Dit brengt mee dat de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in Nederland woont (binnenlands belastingplichtig is) als bedoeld in artikel 2.1., eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001 juncto artikel 4 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het brengt verder mee dat de Inspecteur niet aannemelijk maakt dat hij beschikt over een nieuw feit, dat belanghebbende te kwader trouw was, of dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.19 Het oordeel van het Hof dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard is kennelijk een antwoord op de stelling van de Inspecteur dat belanghebbende niet de vereiste aangifte zou hebben gedaan. Dit oordeel is gebaseerd op de (totale) bewijsuitsluiting die volgens het Hof naar de mening van partijen moet worden toegepast in het geval dat het onderzoek door medewerker 1 de doorslaggevende reden voor het entameren van het woonplaatsonderzoek zou zijn geweest. Zoals ik hiervoor al uiteen heb gezet, slagen de klachten over die (totale) bewijsuitsluiting (6.8). Daarmee slaagt mijns inziens ook de klacht tegen het oordeel dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klacht e en f: onzorgvuldig handelen Inspecteur en integrale proceskostenvergoeding 6.20 De klachten e en f houden in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de Inspecteur in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Door dat oordeel heeft het Hof ten onrechte tot een hogere dan forfaitaire proceskostenvergoeding geoordeeld. De Staatssecretaris betoogt verder dat het oordeel van het Hof dat in vergaande mate onzorgvuldig is gehandeld niet gedragen wordt door feitelijke overwegingen waarin veelvuldig woorden worden gebruikt en conclusies worden getrokken met een onbepaalde mate van onzekerheid, zoals onder meer '(on)mogelijk' (overweging 4.41, 4.48, 4.52), 'bepaalde' (overweging 4.40), 'minstens' (overweging 4.44), lijkt (overweging 4.47).</p>\n<p class=\"lf-p\">Achtergrond art. 2(3) Bpb 6.21 Over de mogelijkheid van de rechter om een hogere dan forfaitaire proceskostenvergoeding toe te kennen schreef A-G Pauwels: “Art. 8:75 Awb is voortgekomen uit de wens om tot een op de eigen aard van het bestuursrecht en het bestuursprocesrecht toegesneden regeling voor de proceskostenveroordeling te komen. Aanleiding daarvoor was (onder meer) jurisprudentie van de burgerlijke rechter, die – volgens de regering – in de kern inhield dat als een besluit van een bestuursorgaan op verzoek van een belanghebbende door de administratieve rechter wordt vernietigd wegens strijd met het recht, dat bestuursorgaan in beginsel jegens die belanghebbende aansprakelijk is uit onrechtmatige daad en het door de burgerlijke rechter tot vergoeding van de schade kan worden veroordeeld, waarvan deel kunnen uitmaken de kosten van door de benadeelde ingeroepen rechtsbijstand in een bestuursrechtelijke procedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">De regering achtte het, onder meer vanuit budgettair oogpunt, niet verantwoord als in bestuursrechtelijke zaken sprake zou blijven van een integrale kostenveroordeling en koos daarom voor (onder meer) een begrenzing van de hoogte van de kosten. Die begrenzing is uiteindelijk geschied in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De toelichting bij het Bpb vermeldt expliciet dat de kostenveroordeling niet is bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten. De begrenzing heeft vorm gekregen door enerzijds een limitatieve opsomming van voor vergoeding in aanmerking komende kostenposten in art. 1 Bpb en anderzijds maatstaven voor de hoogte van de vergoeding voor de kostenposten in art. 2(1) Bpb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2(3) Bpb voorziet erin dat in bijzondere omstandigheden van die maatstaven kan worden afgeweken. Uit de toelichting is niet af te leiden dat indien er bijzondere omstandigheden zijn, de werkelijke kosten integraal vergoed moeten worden. Eerder integendeel, de toelichting vermeldt dat “de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het besluit berekende vergoeding - overigens zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verlagen of verhogen” (curs. MP).”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.22 De Hoge Raad overwoog in het arrest van 8 april 2011 dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend moet worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.23 In het eerste Tipgeversarrest overwoog de Hoge Raad: “2.3.4. Het Hof is er bij deze oordelen kennelijk van uitgegaan dat een inspecteur die na afwijzing van zijn beroep op artikel 8:29 Awb volhardt in zijn weigering een bepaald op de zaak betrekking hebbend stuk (ongeschoond) over te leggen, steeds de rechtsorde in ernstige mate schendt, en dat deze handelwijze op zichzelf reeds voldoende aanleiding kan zijn de in geschil zijnde belastingaanslag(en) te vernietigen. Daarmee heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft aldus miskend dat bij toepassing van artikel 8:31 Awb alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen, waaronder het belang van de niet overgelegde stukken voor de waarheidsvinding. In zoverre treft het middel doel. (…) 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zesde middel komt op tegen ’s Hofs beslissing tot het verlenen van een proceskostenvergoeding van € 75.000. Het Hof heeft daarbij voortgebouwd op het hiervoor in onderdeel 2.3.4 weergegeven oordeel. Aangezien dat oordeel, zoals aldaar is overwogen, geen stand houdt, ontvalt ook de grond aan ’s Hofs beslissing inzake de proceskosten. Het middel slaagt derhalve reeds op die grond. Het kan voor het overige buiten behandeling blijven.”</p>\n<p class=\"lf-p\">6.24 En ook in het tweede Tipgeversarrest bleef de proceskostenvergoeding van € 50.000 niet in stand, omdat de Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte had beslist dat het van de tipgever verkregen bewijsmateriaal van gebruik moest worden uitgesloten. Daarmee was de “grond aan de door het Hof uitgesproken proceskostenvergoeding ontvallen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Terug naar de zaak 6.25 De overwegingen die het Hof ertoe hebben gebracht om met toepassing van art. 2(3) Besluit proceskosten bestuursrecht de Inspecteur te veroordelen tot vergoeding van de integrale proceskosten van belanghebbende (voor zover aannemelijk gemaakt) bouwen in belangrijke mate voort op de overwegingen van het Hof over de onrechtmatige aanleiding van de controle, over het beroep van de Inspecteur op geheimhouding, over de bewijsuitsluiting en uiteindelijk over de navorderingsaanslag. Bij gegrondverklaring van de klachten daarover, ontvalt in zoverre ook de grond onder het oordeel van het Hof over de vergoeding van de integrale proceskosten. Bij ongegrondverklaring van die klachten blijft de onderbouwing die het Hof heeft gegeven aan zijn oordeel over de integrale proceskostenvergoeding in zoverre overeind.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.26 Ik meen daarom dat bij gegrondverklaring van de overige klachten het verwijzingshof zich opnieuw zal moeten buigen over de aanspraak die belanghebbende maakt op vergoeding van zijn proceskosten. Voor het geval die overige klachten ongegrond worden verklaard ga ik hierna inhoudelijk in op de vraag of het oordeel van het Hof over de integrale proceskostenvergoeding naar behoren is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.27 De Staatssecretaris klaagt over de vage bewoordingen die het Hof heeft gebruikt. Het gaat volgens hem om woorden met een onbepaalde mate van onzekerheid. Dat mag zo zijn, maar dat neemt niet weg dat het Hof met de in overweging 4.36 tot en met 4.51 van de bestreden uitspraak uitvoerig inzicht heeft gegeven in de gedachtegang die het Hof heeft gebracht tot zijn oordeel over de proceskostenvergoeding. Die overwegingen zijn naar mijn mening op zichzelf bezien niet onbegrijpelijk. Als de overige klachten ongegrond zijn, meen ik daarom dat ook de klachten over de proceskostenvergoeding niet tot cassatie kunnen leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.28 Ik meen aldus dat het eerste middel slaagt. Mijns inziens moet de uitspraak van het Hof worden vernietigd en moet het geding worden verwezen naar een verwijzingshof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.29 Met het tweede middel betoogt de Staatssecretaris dat het Hof ten onrechte een tweede geheimhoudingskamer heeft ingesteld, terwijl niet is gebleken dat de eerste geheimhoudingskamer van het Hof niet beschikte over een compleet procesdossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.30 Zoals uiteengezet in 4.34 en 4.35 staat het volgens mij de rechter in beginsel vrij om terug te komen van een eerder genomen tussenbeslissing en zal het van de daarover door partijen ingenomen standpunten afhangen of, en zo ja, in welke mate, die ‘terugkomingsbeslissing’ moet worden gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.31 Het Hof heeft besloten de geheimhoudingsprocedure over te doen omdat het niet met voldoende zekerheid kon vaststellen dat de eerste geheimhoudingskamer beschikte over het gehele procesdossier. Gelet op de hiervoor bedoelde vrijheid om terug te komen van eerder genomen tussenbeslissingen meen ik dat het Hof zich niet van dit oordeel behoefde te weerhouden door de – door de Staatssecretaris gestelde – omstandigheid dat niet was gebleken dat die eerste geheimhoudingskamer de beschikking had over het gehele procesdossier. Evenmin hoefde de omstandigheid dat de eerste geheimhoudingskamer heeft overwogen dat het heeft kennisgenomen van het gehele procesdossier het Hof van dit oordeel te weerhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.32 Voor zover het middel bedoelt te klagen over de motivering van de beslissing om de geheimhoudingsprocedure opnieuw te doen, faalt het mijns inziens ook. In de tussenbeslissing van 11 juli 2023 heeft het Hof uiteengezet dat het onderzoek heeft gedaan naar de vraag hoe bepaalde onderdelen uit het procesdossier in het ongerede zijn geraakt en op welk moment dat is gebeurd, en waartoe dit onderzoek heeft geleid. Het Hof heeft daaraan de slotsom verbonden (overweging 2.6 van de tussenbeslissing van 11 juli 2023) dat het zeer onwaarschijnlijk is dat nader onderzoek aan het licht zal (kunnen) brengen of het gehele procesdossier in de van belang zijnde periode compleet was. Aldus heeft het Hof naar mijn mening voldoende en begrijpelijk gerespondeerd op de bezwaren die de Inspecteur had aangevoerd tegen het opnieuw doen van de geheimhoudingsprocedure.</p>\n<p class=\"lf-p\">6.33 Ik meen daarom dat het tweede middel faalt. Als de Hoge Raad met mij van oordeel is dat het eerste middel slaagt en dat de zaak verwezen moet worden naar een ander gerechtshof, heeft dit tot gevolg dat het verwijzingshof de geheimhoudingsprocedure opnieuw zal moeten doen. De eerste en de tweede geheimhoudingsbeslissing zijn dan van tafel.</p>\n<p class=\"lf-p\">7Beoordeling van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep 7.1 Aangezien het principaal cassatieberoep mijns inziens slaagt, kom ik aan behandeling van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.2 De eerste vier middelen van belanghebbende zijn gelijk aan de middelen die belanghebbende aanvoerde in het cassatieberoep tegen de tussenbeslissing van 28 april 2021. Dat cassatieberoep is door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard. Als het tweede middel in het principale cassatieberoep faalt, en de tussenbeslissing van 28 april 2021 ‘van tafel is’ behoeven deze vier middelen van belanghebbende geen bespreking meer. Voor het geval de Hoge Raad oordeelt dat het tweede middel in het principale cassatieberoep gegrond is, behandel ik de eerste vier middelen hier.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.3 Het eerste en tweede middel lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Het eerste middel houdt kort gezegd in dat de eerste geheimhoudingskamer van het Hof buiten het toepassingsgebied van art. 8:29 Awb is getreden en de inhoudelijke stellingen van belanghebbende heeft gewogen en beoordeeld op basis van informatie die de Inspecteur geheim wil en mocht houden. Met het tweede middel stelt belanghebbende dat de eerste geheimhoudingskamer van het Hof ten onrechte de stukken waarvoor een beroep op geheimhouding is gedaan feitelijk heeft getoetst aan art. 8:42 Awb, terwijl de Inspecteur het standpunt zou hebben ingenomen dat een en ander kwalificeert als op de zaak betrekking hebbende stukken.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.4 Ik vat deze twee middelen zo op dat belanghebbende meent dat de eerste geheimhoudingskamer van het Hof buiten de reikwijdte van art. 8:29 Awb is getreden. Daarbij heeft belanghebbende volgens mij met name het oog op overweging 2.7: “2.7. Het Hof is van oordeel dat de inbreuk op de privacy - persoonlijke levenssfeer - van de tipgever en de derde, aanzienlijk zwaarder weegt dan het verdedigingsbelang van belanghebbende bij kennisneming van de identiteit van deze personen en de door de derde overgelegde stukken. Het Hof betrekt in zijn oordeel dat (i) de ongeschoonde versie van de stukken geen - voor belanghebbende - ontlastend materiaal bevat, (ii) de tipgever naast de tip, bestaande uit de ‘blote’ mededeling dat belanghebbende in Nederland zou wonen, geen stukken heeft overgelegd, (iii) de Inspecteur bij het benaderen van de derde de nodige zorgvuldigheid heeft betracht, behoorlijk heeft behandeld en daarbij niet in strijd heeft gehandeld met de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de AWR, (iv) de aannemelijkheid en het gewicht van de door de derde aangevoerde mogelijke gevolgen waaraan deze bij bekendmaking van de identiteit zou kunnen worden blootgesteld en (v) de stukken die zijn overgelegd door de derde niet zijn gebruikt, zodat de bewijsvoering van de Inspecteur in deze zaak niet gebaseerd is op, of gedragen wordt door, stukken waarvan de kennisneming voor belanghebbende is beperkt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.5 Vooropgesteld zij dat de wijze waarop een art. 8:29-beslissing wordt genomen niet in de wet is geregeld. Wat de reikwijdte van een 8:29-beslissing mag zijn, volgt dus als zodanig ook niet direct uit de wet. Wel moet de wederpartij de ruimte gelaten worden de rechter geen toestemming te verlenen om uitspraak te doen op basis van de geheime stukken (art. 8:29(5) Awb). Als de rechter al in de 8:29-beslissing , op basis van die geheime stukken, een (definitief) oordeel geeft omtrent punten die in het hoofdgeding spelen, wordt in zoverre aan de wederpartij de mogelijkheid ontzegd om deze toestemming te weigeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.6 Mijns inziens is zo’n situatie hier niet aan de orde. De vijf overwegingen die de eerste geheimhoudingskamer van het Hof noemt moeten mijns inziens worden gelezen in de context van het oordeel omtrent de belangenafweging. In die overwegingen ligt onder meer besloten dat de stukken voor het oordeel van de rechter in de hoofdzaak en de procespositie van partijen geen belangrijke rol spelen en dat belanghebbende door beperkte kennisneming niet wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd (vgl. overweging 8 van de uitspraak van de ABRvS van 10 juni 2020, 4.2). Ik volg voorts niet dat de eerste geheimhoudingskamer van het Hof met overweging (v) een oordeel zou hebben gegeven over de vraag of die stukken op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in art. 8:42 Awb. Voor art. 8:42 Awb is relevant of de stukken ter raadpleging van het bestuursorgaan hebben gestaan en van belang kunnen zijn voor de beslechting van bestaande geschilpunten. ‘Ter beschikking staan’ is niet hetzelfde als ‘gebruikt voor de bewijsvoering’. Ik meen dat het eerste en tweede middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.7 Belanghebbende stelt in het derde middel dat de eerste geheimhoudingskamer van het Hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan met betrekking tot de geheimhouding van stukken van tipgevers, dan wel van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan maar dit oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.8 Belanghebbende stelt in de toelichting op het derde middel dat het arrest van 24 februari 2017 van toepassing is op dit geding. De relevantie van dit arrest voor deze zaak ontgaat mij. Dit arrest ziet immers op de mogelijkheid tot het horen van anonieme getuigen, en heeft niets van doen met art. 8:29 Awb. Denkelijk bedoelt belanghebbende dat hij de namen van eventueel op te roepen getuigen behoort te kennen. De eerste geheimhoudingskamer van het Hof heeft evenwel beslist dat het belang van de persoonlijke levenssfeer van die eventuele getuigen zwaarder weegt dan het belang van belanghebbende bij kennisneming van hun identiteit. Daarbij is in aanmerking genomen – kort gezegd – dat belanghebbende door beperkte kennisneming niet wezenlijk in zijn procesvoering wordt belemmerd.Voorts stelt belanghebbende dat de eerste geheimhoudingskamer van het Hof de tipgeversarresten heeft miskend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende trekt hierbij mijns inziens (de overwegingen uit) die arresten te breed. Die arresten, althans de overwegingen waar belanghebbende op doelt, lenen zich niet voor dergelijke veralgemenisering (4.14-4.17). De 8:29-beslissing (en in het verlengde daarvan de 8:31-beslissing) vergt telkens een belangenafweging in het concrete geval en is sterk verweven met de feiten en omstandigheden in die zaak (vgl. 4.9).Verder stelt belanghebbende dat de beslissing van de eerste geheimhoudingskamer in overweging 2.7 onbegrijpelijk is, waarbij hij met name wijst op overwegingen (ii), (iv) en (v). Nog los van het gegeven dat deze overwegingen op zichzelf bezien geen dragende argumenten zijn, maar één van de vijf ‘schakels’ om tot dit oordeel te komen, meen ik dat die overwegingen niet onbegrijpelijk en afdoende gemotiveerd zijn (vgl. 7.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het derde middel faalt en leent zich mijns inziens voor afdoening met art. 81 RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.9 Het vierde middel houdt in dat de eerste geheimhoudingskamer van het Hof, door de overwegingen van de Rechtbank hieromtrent tot de zijne te maken, ten onrechte heeft beslist dat informatie over belanghebbende bij de bank voor het grootste deel geheim mag blijven (2.12).</p>\n<p class=\"lf-p\">7.10 Dat de Rechtbank bij de weergave van het standpunt van de Inspecteur verwijst naar de WOB en het Voorschrift informatieverstrekking fiscus banken, staat los van het gegeven dat de Rechtbank als beoordelingskader de belangenafweging ingevolge art. 8:29 Awb heeft gehanteerd. Zo refereert de Rechtbank in overwegingen 16-20 van de 8:29-beslissing veelvuldig aan (de afweging tussen) het belang van de Inspecteur en het belang van belanghebbende. Het vierde middel faalt en leent zich mijns inziens voor afdoening met art. 81 RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.11 Het vijfde middel betoogt dat de beslissing van de eerste geheimhoudingskamer bij het Hof niet in stand kan blijven of opnieuw van kracht kan worden als de tweede beslissing geheel of gedeeltelijk zou komen te vervallen. De reden daarvoor is dat de eerste geheimhoudingskamer over een onvolledig dossier heeft beschikt en zich al dan niet vanwege het onvolledige dossier inhoudelijk onjuist en onterecht heeft uitgelaten over de inhoud van de zaak, aldus belanghebbende.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.12 Mijns inziens staat het de rechter vrij om terug te komen van een tussenbeslissing (zoals een 8:29-beslissing) zolang de einduitspraak niet is gedaan (zie 4.21-4.36). Als de einduitspraak en de beslissing van de tweede geheimhoudingskamer worden gecasseerd, maar de beslissing van de eerste geheimhoudingskamer wel blijft staan, dan staat het in zoverre het verwijzingshof vrij om een (gedeeltelijk) nieuwe 8:29-beslissing te nemen. Het is dan dus aan het verwijzingshof om te beslissen of, en zo ja, in hoeverre er een nieuwe 8:29-beslissing moet plaatsvinden. Het vijfde middel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.13 Het zesde middel betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat twee medewerkers van de Belastingdienst niet als getuige kunnen worden gehoord, nu de wet naar het oordeel van het Hof geen voorziening beidt die het horen van een der partijen als getuige mogelijk maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.14 Belanghebbende komt met het zesde middel op tegen de volgende overwegingen van het Hof: “4.17. Belanghebbende heeft verzocht [D] en [E], alsmede de betrokken medewerkers van de Belastingdienst bij het dossier van belanghebbende als getuige onder ede te horen op de zitting van 1 februari 2024. De Inspecteur heeft niet de namen van “de betrokken medewerkers” bekend gemaakt aan belanghebbende en heeft verder gesteld dat [D] en [E] als procespartij aanwezig zijn en als zodanig niet als getuige kunnen worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Hof heeft ter zitting beslist dat [D] en [E], gelet op hun rol als procespartij, niet kunnen worden gehoord, nu de wet geen voorziening biedt die het horen van een van de partijen als getuige mogelijk maakt (Hoge Raad 9 augustus 2013, nummer 13/00078. ECLI:NL:HR:2013:196). Het Hof acht het niet aannemelijk dat de Inspecteur [D] en [E] in de hoedanigheid van procespartij naar de zitting van 1 februari 2024 heeft gestuurd om te voorkomen dat zij als getuige kunnen worden gehoord door belanghebbende. De enkele omstandigheid dat [E] op eerdere zittingen bij Rechtbank of Hof niet is als procespartij is opgetreden, is onvoldoende om dat oordeel te kunnen dragen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.15 Het is vaste jurisprudentie dat partijen niet als getuige kunnen worden gehoord. Voor zover het middel van een andere opvatting uitgaat, is het ten onrechte voorgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.16 Belanghebbende stelt dat “de consequentie van dit oordeel van het Hof is dat waarheidsvinding via het horen [van] belastingambtenaren als getuige, feitelijk onmogelijk is geworden. Iedereen binnen de Belastingdienst is immers Inspecteur. En als getuige zullen slechts die ambtenaren worden gehoord die ook feitelijk betrokken zijn bij het dossier. Die vervolgens als procespartij mee worden genomen naar de zitting en dan niet meer gehoord mogen worden”. Volgens mij zal het zo’n vaart niet lopen.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.17 In de zaak die aan de orde was in het arrest van 23 juni 1999 had het hof twee inspecteurs onder ede gehoord. Die twee verklaringen waren, onder andere, gebruikt in de overwegingen van het hof, waarbij het hof tot het oordeel kwam dat het niet aannemelijk was geworden dat de inspecteur zich jegens belanghebbende had uitgelaten zoals door belanghebbende was gesteld (de zaak betrof een beroep op het vertrouwens- c.q. gelijkheidsbeginsel). Belanghebbende bestreed het horen van die twee inspecteurs als getuigen. De Hoge Raad besliste: “5.2. De tweede klacht berust op de opvatting dat het Hof de ambtenaren van de Belastingdienst L en N, beiden werkzaam op de eenheid Grote ondernemingen te S, niet als getuige had mogen doen horen, maar hen had moeten vereenzelvigen met de Inspecteur als procespartij, zodat het Hof zijn beslissing ten onrechte mede heeft gebaseerd op de door hen als getuige afgelegde verklaringen. Die opvatting is onjuist op de gronden, vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.2.3, zodat ook deze klacht faalt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.18 In de conclusie van A-G Van den Berge van 30 juni 1998 – waar de Hoge Raad naar verwijst – gaat hij in op de vraag wie als ‘partij’ kwalificeert, in die zin dat die persoon niet als getuige kan worden gehoord. Hij betoogde dat, net als in het civiele recht, de bekwaamheid tot het afleggen van een getuigenis kan worden getoetst op het moment waarop de getuigenis wordt of moet worden afgelegd. Beslissend is dus in welke hoedanigheid die persoon op dat moment optreedt: “4.11. De bekwaamheid tot het afleggen van een getuigenis kan, evenals in een civiele procedure, worden getoetst op het moment waarop de getuigenis wordt of moet worden afgelegd. Daarbij zal ook hier dienen te gelden dat een ontslag van een bestuurder dat slechts schijn is, geen bekwaamheid kan scheppen (zie par. 3.4.). Een zelfde benadering zou zo nodig kunnen worden gevolgd ten aanzien van het zonder aanwijsbare reden vervangen van de procesvertegenwoordiger. (…) 5.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals ik hiervoor (par. 4.11.) heb betoogd, kan ook in belastingzaken de bevoegdheid van een persoon om te getuigen worden beoordeeld op basis van de hoedanigheid van die persoon op het moment dat de verklaring is afgelegd c.q. wordt of moet worden afgelegd. Op het moment dat de heren N en L hun verklaringen aflegden, traden zij niet (meer) voor de inspecteur op. Misschien waren zij op dat moment op grond van een mandaat van het hoofd van de eenheid Grote ondernemingen S wel bevoegd om namens hem op te treden - dat wordt overigens niet aangevoerd en het blijkt ook niet uit de stukken -, maar een bevoegdheid tot vertegenwoordiging op grond van mandaat vormt op zichzelf geen reden om hen met de inspecteur (het hoofd van de eenheid Grote ondernemingen S) te vereenzelvigen (zie par. 3.2. en 4.10).”</p>\n<p class=\"lf-p\">7.19 Mijns inziens kunnen dus niet alle belastingambtenaren worden vereenzelvigd met ‘de inspecteur’ als procespartij, ook niet als zij werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de algemeen directeur die in de desbetreffende zaak inspecteur is. Het gaat erom of de ambtenaar wanneer hij moet getuigen in die zaak optreedt namens de inspecteur. Treedt die ambtenaar niet op als gemandateerde, dan kan hij niet vereenzelvigd worden met de inspecteur, en kan hij dus wel als getuige worden gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">7.20 Ik begrijp het door het middel bestreden oordeel van het Hof aldus dat [D] en [E] volgens het Hof namens de Inspecteur – dus: krachtens mandaat – ter zitting optraden. Mijns inziens terecht heeft het Hof hieraan de gevolgtrekking verbonden dat zij niet als getuige konden worden gehoord. Het zesde middel faalt ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 7.21 Ik meen dat het eerste middel in het principale cassatieberoep slaagt, dat het tweede middel in het principale beroep en het incidentele cassatieberoep falen, en dat het geding moet worden verwezen voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.</p>\n<p class=\"lf-p\">8Conclusie Ik geef de Hoge Raad in overweging het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond te verklaren en het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond te verklaren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Advocaat-Generaal Rechtbank Gelderland 11 december 2018 (geheimhoudingskamer), niet gepubliceerd op rechtspraak.nl. Voor een uitgebreide weergave van de uitspraak zie de conclusie van A-G IJzerman van 16 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:245, punt 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Gelderland 10 maart 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:1636.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4161.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:639.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6004.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9389.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 april 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:2464.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:196.</p>\n<p class=\"lf-p\">Citaten zijn, tenzij anders vermeld, aangehaald zonder voetnoten.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vakstudie Algemeen Deel, art. 8:29 Awb, aant. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1996/97, 25 175, nr. 5, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 119.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 30 juni 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA6730, CBb 21 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:260 en CRvB 6 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2209.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 12 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998, par 29 (Ferrazzini) en EHRM 3 november 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:1103JUD004981209, par. 66 (Vegotex Int.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 1997/98, 25 175, nr. 323b, p. 6. Zie ook Kamerstukken II 1996/97, 25175, nr. 3, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, par. 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, par. 2.4.2.3, onderdeel d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wattel van 14 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BA0582, punt 6.23.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0582.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 3 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9184.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:645.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel het in die zaak strikt genomen om een 8:31-beslissing ging, zie ik geen relevant verschil tussen de motiveringstoetsing van een 8:29- of 8:31-beslissing. De artikelen zijn sterk verwant aan elkaar (een 8:31-beslissing komt pas aan de orde na o.a. een afwijzende 8:29-beslissing van de rechter) en beide beoordelingen vereisen een belangenafweging in het concrete geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bijlage bij conclusie A-G Wattel van 14 februari 2007, ECLI:NL:PHR:2007:BB3489.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met enige goede wil zou de uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening (art. 8:84 Awb) ook gezien kunnen worden als een tussenbeslissing. Deze uitspraak heeft echter een meer zelfstandig karakter omdat al een verzoek om een voorlopige voorziening kan worden gedaan in de bezwaarfase (zie art. 8:81(1) Awb).</p>\n<p class=\"lf-p\">In art. 8:80a(3) Awb is art. 8:119 Awb, dat gaat over herziening, van overeenkomstige toepassing verklaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 8, p. 19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2007/08, 31 352, nr. 6, p. 8-9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 8:104(3)(a) Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 2.23 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2021, Stcrt. 2023,32442, zie voor rechtspraak over hersteluitspraken Vakstudie Algemeen Deel art. 8:70 Awb, aantekening 2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 33 en Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. A, p. 33 en p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. M. Schreuder-Vlasblom in AB 1998, 421 annotatie bij ABRvS 4 augustus 1998, ECLI:NL:RVS:1998:ZF3498.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3489.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8:10 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8:14 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8:43 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Artt. 8:46 en 8:47 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 8:64 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 27c(2e volzin) AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 27ga AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 28b(1) AWR.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 augustus 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0582.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij zijn van overeenkomstige toepassing verklaard in art. 8:80a(3) Awb en art. 8:80a(3) Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. A, p. 33 en p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Annotatie van L.M. Koenraad en J.L. Verbeek in AB 2020/306 bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 mei 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:2206.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Heidekamp, Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (Fiscale Monografieën nr. 180), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 7.3.6.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Wattel van 28 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:521.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. Heidekamp, Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (Fiscale Monografieën nr. 180), Deventer: Wolters Kluwer 2024, par. 7.3.6.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wattel van 28 mei 2014, ECLI:NL:PHR:2014:521.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:643.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 14 september 1995, Stb. 1995,441.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3, p. 26.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889.</p>\n<p class=\"lf-p\">R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (Staat en Recht nr. 19), Deventer: Kluwer 2014, par. 8.4.4.2, inleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Wortel van 6 februari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:ZD2324, NJ 2001, 267.</p>\n<p class=\"lf-p\">R. Kuiper, Vormfouten. Juridische consequenties van vormverzuimen in strafzaken (Staat en Recht nr. 19), Deventer: Kluwer 2014, par. 8.4.4.2.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2749.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.M. Schalken, annotatie bij HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2749, NJ 2014/462.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Redactie Vakstudie Nieuws, annotatie bij HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, V-N 2021/54.19.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1132.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 februari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5251.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1595.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van 24 november 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1076.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de een-na-laatste volzin van onderdeel 4.25 van de bestreden uitspraak, en de slotsom in onderdeel 4.34 van de bestreden uitspraak die louter is gebaseerd op overwegingen over de onrechtmatigheid van de aanleiding tot het onderzoek en over de aanwezigheid van andere aanwijzingen dan de tip.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verweerschrift in hoger beroep, punt 3.31-3.32, p. 12 en verweerschrift in beroep, punt 3.31-3.32, p. 15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Pauwels van 7 juli 2023, ECLI:NL:PHR:2023:665.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1715.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4161.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 26 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1107.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2986.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de toelichting (BIC, p. 9) op het middel staat: “In de onderhavige zaak gaat het in de fase waarin deze procedure zich bevindt, (nog) niet om het horen van getuigen maar wel om de namen van deze getuige - teneinde deze zo nodig als getuige op te roepen - en de verklaringen van de getuigen. Anders verwoord, het gaat nu reeds om getuigenissen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Belanghebbende specificeert niet naar welke overwegingen uit die arresten hij verwijst. Op p. 9 van het BIC schrijft hij dat “het uitgangspunt is geweest en gebleven dat de naam van de tipgever niet geheim mocht blijven” en dat “de Hoge Raad [heeft] overwogen dat zonder nader onderzoek naar de betrouwbaarheid van de informatie van de tipgever waarop de aanslagen zijn gebaseerd, onzekerheid omtrent de betrouwbaarheid van de tipgever, onvoldoende is voor vernietiging van de bestreden aanslagen. Mede in relatie tot overwegingen van de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2019:1715 is de conclusie dat de rechter gehouden is (desgevraagd) de betrouwbaarheid of authenticiteit van dat illegale bewijsmateriaal te onderzoeken.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:BH8123, HR 21 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0632, HR 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:196 en HR 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:29.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2796.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie A-G Van den Berge van 30 juni 1998, ECLI:NL:PHR:1999:AA2796.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie art. 5(1) Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.</p></div>", "next": 0}