{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Weltak, ‘Vergoedingsproblematiek bij informeel samenlevenden’, REP 2020/311, afl. 4, p. 40 (zonder voetnoten uit het origineel): “De jurisprudentie omtrent verjaring is niet eenduidig. Zo is recentelijk in een aantal uitspraken geoordeeld dat de verjaringstermijn pas aanvangt op het moment dat de relatie wordt verbroken of de woning wordt verkocht. In andere gevallen wordt zelfs geoordeeld dat de verlengde verjaringstermijn van gehuwden overeenkomstig kan worden toegepast. Dit laatste is enigszins opmerkelijk nu deze uitspraak is gedaan nadat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 10 mei 2019 oordeelt dat bepalingen voor gehuwden niet overeenkomstig mogen worden toegepast.” En C.M. Mellema, ‘Vorderingsrechten bij samenlevers; een kritische analyse’, REP 2021/522, afl. 6, p. 41-42 (zonder voetnoten uit het origineel): “Zoals bekend is de rechtsvordering ter zake van een vergoedingsrecht gedurende het huwelijk niet aan verjaring onderhevig, omdat krachtens art. 3:320 juncto 3:321 lid 1 onder a BW tussen echtgenoten een verlenging van de verjaringstermijn geldt tot zes maanden na ontbinding van het huwelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze regelingen gelden echter niet voor samenlevers. In de rechtspraak wordt verschillend geoordeeld over de vraag of deze verlengde verjaringstermijn naar analogie van toepassing is op ongehuwde samenlevers, zelfs binnen de hoven (…). De uitspraak van het Gerechtshof Den Haag [waarin is aangenomen dat de verlengingsregeling van zes maanden zich leent voor overeenkomstige toepassing op de situatie van partijen die ongehuwd hebben samengewoond, zie voetnoot 75 hierna, A-G] is evenwel gewezen nadat de Hoge Raad deze uitspraak [het arrest van 10 mei 2019, A-G] heeft gedaan. Het Gerechtshof Den Haag heeft ongetwijfeld deze uitspraak van de Hoge Raad in ogenschouw genomen bij zijn oordeel van 4 februari 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat ik daar uit afleid, is dat het Gerechtshof Den Haag van oordeel is dat bovenstaande overweging van de Hoge Raad niet met zich brengt dat ook art. 3:321 lid 1 sub a BW uitsluitend bestemd is voor gehuwden en geregistreerde partners. Ik snap de relevantie van het onderscheid tussen regelingen opgenomen in de titels 6-8 van Boek 1 BW en een regeling in Boek 3 BW. Maar aangezien je kunt discussiëren over de vraag of de Hoge Raad met zijn uitspraak slechts heeft beoogd te oordelen dat enkel de titels 6-8 van Boek 1 BW (…) denk ik niet dat deze bepaling zich voor overeenkomstige toepassing leent op de situatie van partijen die ongehuwd hebben samengewoond.” Op de feitenrechtspraak ga ik in randnummers 3.27 e.v. hierna nader in.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:1936, NJ 2023/145 m.nt. L.C.A. Verstappen, Ars Aequi 2023, p. 134 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2023/17 m.nt. D.A.C. Smulders en Vp-bulletin 2023/22 m.nt. S.G.M.J. Rebbens &amp; J.M.P. Tobben, rov. 3.1.3-3.1.5. Zie over dit verschil A.J.M. Nuytinck in zijn annotatie bij het arrest in Ars Aequi 2023, p. 137: “Wat maakt het nu uit of een bepaling rechtstreeks van toepassing dan wel van overeenkomstige toepassing is? Dit maakt heel wat uit, want als een bepaling rechtstreeks van toepassing is, ontkomt men in de praktijk alleen aan toepassing van de betrokken bepaling als deze toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn in de zin van artikel 6:2 lid 2 BW. Is een bepaling daarentegen slechts van overeenkomstige toepassing, dan ontkomt men in de praktijk veel gemakkelijker aan toepassing van de betrokken bepaling, namelijk reeds als de aard van de betrokken rechtsverhouding zich tegen toepassing verzet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:1936, NJ 2023/145 m.nt. L.C.A. Verstappen, Ars Aequi 2023, p. 134 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2023/17 m.nt. D.A.C. Smulders en Vp-bulletin 2023/22 m.nt. S.G.M.J. Rebbens &amp; J.M.P. Tobben. Uw Raad verwijst in de weggelaten voetnoot naar Kamerstukken II 2000-2001, 27554, nr. 3, p. 16. De opmerking in rov. 3.3 strookt met randnummers 3.33-3.34 van de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2022:328) voor het arrest van 23 februari 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover bijvoorbeeld de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2022:1034, randnummers 3.29-3.31) voor HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:773, NJ 2023/179.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2022:328, randnummer 3.31, met verdere verwijzing) voor HR 23 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:1936, NJ 2023/145 m.nt. L.C.A. Verstappen, Ars Aequi 2023, p. 134 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2023/17 m.nt. D.A.C. Smulders en Vp-bulletin 2023/22 m.nt. S.G.M.J. Rebbens &amp; J.M.P. Tobben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 3 (Inv.), p. 1410-1411. Zie hierover ook Asser Personen- en familierecht/W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Deel 1-II. Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 572: “In dit verband wijzen wij verder op de mogelijkheid dat een vergoedingsrecht tussen ongehuwde samenlevers een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd is in de zin van art. 3:307 lid 2 BW, waardoor de korte verjaringstermijn van vijf jaar niet eerst aanvangt als tot opeising is overgegaan. Bij art. 3:307 lid 2 BW heeft de wetgever(…) immers onder meer gedacht aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich verplichten bij te dragen in de kosten van aankoop van een gemeenschappelijke woning, terwijl gedurende de samenleving geen reden wordt gezien de bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen (Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1411). Wij zouden de grondslag voor een vergoedingsrecht in verband met de aankoop van een woning dan ook in het algemeen eerder willen zoeken in een (eventueel stilzwijgende) overeenkomst tussen de samenlevers, dan (…) in art. 6:10 BW (waarbij op de verjaring art. 3:310 BW van toepassing is).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 431.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:1936, NJ 2023/145 m.nt. L.C.A. Verstappen, Ars Aequi 2023, p. 134 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2023/17 m.nt. D.A.C. Smulders en Vp-bulletin 2023/22 m.nt. S.G.M.J. Rebbens &amp; J.M.P. Tobben, rov. 3.1.3, met verwijzingen. Uw Raad geeft onder meer het volgende citaat uit de parlementaire geschiedenis: “De bewindsman stelde (…) dat verval- en verjaringstermijnen er van uitgaan dat men tijdig rechtsmaatregelen kan en zo nodig behoort te nemen. Dat is tussen echtgenoten niet vol te houden; rechtsmaatregelen maken een, overigens, goed huwelijk kapot.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook C.M. Mellema, ‘Vorderingsrechten bij samenlevers; een kritische analyse’, REP 2021/522, afl. 6, p. 41-42, met verwijzingen naar feitenrechtspraak en literatuur.</p>\n<p class=\"lf-p\">A.J.M. Nuytinck, ‘Verjaring, verval en rechtsverwerking in het personen- en familierecht, het relatievermogensrecht en het erfrecht’, in D.F.H. Stein, V. Tweehuysen &amp; S.E. Bartels (red.), Verjaring, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 316. Zie ook GS Vermogensrecht, art. 3:321 BW (bijgewerkt tot en met 12 september 2022), aant. 4.1 en 4.7 (M.W.E. Koopmann).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 428, met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 429.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-II. De verbintenis in het algemeen, tweede gedeelte, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 430.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie aldus bijvoorbeeld ook W.M. Schrama, ‘De Hoge Raad en informeel samenlevenden na scheiding: stilzwijgen, feitelijk gedrag en meer’, in W. Burgerhart e.a. (red.), Met grootse passen door het recht (Verstappen-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 157 (zonder voetnoot uit het origineel): “Dat [de wetgever aan zet is, A-G] geldt ook voor het verjaringsvraagstuk. De regeling voor gehuwden zou evenzeer van toepassing moeten zijn op informeel samenlevenden. Terwijl de ontwikkelingen in Europa voort gaan [zie voetnoot 37 hiervoor, A-G] blijft de Nederlandse wetgever zich consequent verschuilen achter het achterhaalde keuzeargument. Dat is werkelijk een gemiste kans. (…) [D]e mogelijkheden van rechtsvorming via de rechtspraak [zijn] beperkt: de rechter kan niet op de stoel van de wetgever gaan zitten waar het om (…) verjaring gaat.” Voor de opvattingen van de Nederlandse wetgever op dit punt verwijst Schrama naar een Kamerbrief van de minister voor Rechtsbescherming Weerwind in Kamerstukken II 2022-2023, 33836, nr. 83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op p. 3-4 is aldaar door de minister opgemerkt (zonder voetnoten uit het origineel): “Ik hecht grote waarde aan autonomie van partners en ik vind het belangrijk dat (aanstaande) partners hier zelf een (bewuste) keuze in kunnen maken. De wet biedt met het huwelijk en het geregistreerd partnerschap twee laagdrempelige mogelijkheden om de onderlinge verhoudingen te regelen. Partners die niet kiezen voor een huwelijk of geregistreerd partnerschap hebben in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid om met betrekking tot hun relatie afspraken te maken en financiële zaken te regelen, al dan niet in de vorm van een samenlevingsovereenkomst. (…). Maar er zijn ook ongehuwd samenwonenden die bewust geen afspraken maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik sluit niet uit dat ongehuwd samenwonenden bij de beëindiging van hun relatie onbedoeld in financiële problemen kunnen komen. Ik vind het daarom belangrijk dat partners zich bewust zijn van de gevolgen die bij hun keuze van een bepaalde relatievorm horen en welke afspraken tussen partners mogelijk zijn (…). Daarbij hoort goede voorlichting. Daarom ga ik mij inzetten voor meer voorlichting over de verschillende juridische relatievormen en de financiële gevolgen daarvan bij beëindiging. (…) Ongehuwd samenwonenden vallen niet onder een wettelijk huwelijk-stelstel met de daarbij behorende rechten en plichten. Zoals hiervoor is opgemerkt is het belangrijk dat (aanstaande) partners hierover onderling afspraken maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het treffen van een wettelijke voorziening in de vorm van een billijkheidscorrectie voor ongehuwd samenwonenden zou een inbreuk inhouden op de autonomie van deze partners. Daarnaast zijn er reeds wettelijke voorzieningen die ingezet kunnen worden door ongehuwd samenwonenden, zoals een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid en op de regeling over onvoorziene omstandigheden. Deze wettelijke voorzieningen kunnen mogelijk efficiënter worden toegepast. Ik zal hieraan daarom ook aandacht schenken in de hiervoor genoemde extra voorlichting die ik zal geven. Ik zie geen noodzaak om op dit terrein aanvullende regelingen te treffen.” Zie in lijn hiermee ook Aanhangsel Handelingen II 2021-2022, nr. 3318.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6077, NJ 2010/665 m.nt. P. van Schilfgaarde en m.nt. S. Perrick en JOR 2010/337 m.nt. M. Brink (Butôt), rov. 3.6.3. Zie recent over deze beschikking B.F. Assink &amp; L. Timmerman, ‘Is de economische werkelijkheid een uitgangspunt voor het gehele ondernemingsrecht?’, Ondernemingsrecht 2023/101, p. 716: “Een voorbeeld van een Nederlandse pragmatische beslissing is de Butôt-beschikking van de Hoge Raad. In die beschikking stelt hij economisch gerechtigden tot certificaten gelijk met formele certificaathouders, omdat die economisch gerechtigden als kapitaalverschaffer een eigen economisch belang hebben bij de certificaten. In deze beschikking vijlt de Hoge Raad de scherpe kantjes van het formalisme weg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De toegang tot het enquêterecht wordt niet alleen aan de hand van formeel-juridische maatstaven bepaald, maar ook op basis van criteria die aan de economische werkelijkheid zijn ontleend. De woorden economische werkelijkheid vallen in de Butôt-beschikking niet, maar dat had gekund.” In het onderhavige geval draait het uiteraard niet om het recht doen aan een ‘economische werkelijkheid’ maar om het recht doen aan “een modern relatievermogensrecht”. Zie over die laatste term de conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2018:1444, randnummer 2.24) voor HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248 m.nt. L.C.A. Verstappen, Ars Aequi 2019, p. 477 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2019/122 m.nt.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.E. Reinhartz, PFR-Updates.nl 2019-0157 m.nt. W.M. Schrama en JIN 2019/102 m.nt. A.M.E. Derks.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:905, NJ 2014/296 m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2014/259 m.nt. P.D. Olden, Ars Aequi 2014, p. 732 e.v. m.nt. B.F. Assink, Ondernemingsrecht 2014/124 m.nt. C.D.J. Bulten, OR-Updates.nl 2014/0166 m.nt. H. Koster en JIN 2014/109 m.nt. P. Haas (Slotervaartziekenhuis), rov. 5.2.2 Zie over dit onderscheid bijvoorbeeld A-G Assink in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:360, randnummer 3.12.5 en voetnoot 80 aldaar en randnummer 3.15.1 en voetnoot 87 aldaar, met verwijzingen) voor HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283, NJ 2024/22 m.nt. H.J. de Kluiver, ARO 2023/110 m.nt. M. Holtzer, JOR 2024/1 m.nt. E.C.H.J. Lokin, Ondernemingsrecht 2023/100 m.nt. A. Hammerstein, OR-Updates.nl 2023-0189 m.nt. S.L. Haanschoten en JIN 2023/163 m.nt. S.W. Claassen (Funda).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor enkele omstandigheden die in dit verband een rol zouden kunnen spelen bijvoorbeeld plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2018:1444, randnummer 2.22) voor HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248 m.nt. L.C.A. Verstappen, Ars Aequi 2019, p. 477 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2019/122 m.nt. B.E. Reinhartz, PFR-Updates.nl 2019-0157 m.nt. W.M. Schrama en JIN 2019/102 m.nt. A.M.E. Derks (zonder voetnoot uit het origineel): “Bij de beoordeling of sprake is van een ‘levensgezel’ zijn de volgende aspecten van belang: - of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, - de duur van de gemeenschappelijke huishouding, - of er een relatie van affectieve aard is, en met name - of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid. Doorslaggevend voor het begrip ‘levensgezel’ is evenwel de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen. Aan die eisen lijkt in dit geval te zijn voldaan: partijen hebben gedurende enkele jaren samengeleefd in een relatie van affectieve aard en bovendien zijn zij samen de ouders van een kind.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover voetnoot 20 van procesinleiding en p. 5 van de schriftelijke toelichting van [eiser] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Personen- en familierecht/W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Deel 1-II. Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven), Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 572 en C.M. Mellema, ‘Vorderingsrechten bij samenlevers; een kritische analyse’, REP 2021/522, afl. 6, p. 34 e.v., beiden met rechtspraakverwijzingen, onder meer naar hof Arnhem-Leeuwarden 11 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4553.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 21 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8198. Dit vonnis wordt ook aangehaald in Asser Personen- en familierecht/W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Deel 1-II. Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven), Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 572. Vergelijk over een verderstrekkende verlenging dan zes maanden bij ex-echtgenoten randnummer 3.19 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 21 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8198, rov. 3.2. sub B.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 21 oktober 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:8198, rov. 2.1., 2.2., 2.3. en 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk A.J.M. Nuytinck, ‘Verjaring, verval en rechtsverwerking in het personen- en familierecht, het relatievermogensrecht en het erfrecht’, in D.F.H. Stein, V. Tweehuysen &amp; S.E. Bartels (red.), Verjaring, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 316-317 (recent herhaald in zijn annotatie in Ars Aequi 2023, p. 137, voetnoot 15 aldaar): “De beslissing van de Gelderse rechtbank dat art. 3:321 BW van overeenkomstige toepassing behoort te zijn op ongehuwde en ongeregistreerde samenwoners, acht ik dan ook onjuist, omdat de opsomming van art. 3:321 lid 1 aanhef en onder a-g BW naar mijn mening limitatief is. Een limitatieve opsomming is in dit verband logisch, nu de verjaringsregeling van titel 3.11 BW primair de rechtszekerheid dient.” Nuytinck lijkt hier uit te gaan van een categorische benadering van de rechtbank. Dat dat niet kan, ben ik met hem eens (zie ook randnummer 3.24 hiervoor), maar voor een op de omstandigheden van het geval toegespitst oordeel zie ik wel enige ruimte (zie ook randnummers 3.25-3.26 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 30 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4954, rov. 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 30 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4954, rov. 2.1., 2.2., 2.6. en 2.7. Zie ook rov. 4.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 30 augustus 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4954, rov. 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 24 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6407.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 24 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6407, rov. 4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 24 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6407, rov. 4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 24 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6407, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 24 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6407, rov. 2.1.-2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 24 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6407, rov. 3.2. en 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Rotterdam 24 juli 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6407, rov. 4.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 4 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:409. Dit arrest wordt ook aangehaald in Asser Personen- en familierecht/W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Deel 1-II. Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 572.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Den Haag 4 februari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:409, rov. 1.-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daaraan vooraf gaat nog een voorbehoud om het middel te mogen aanvullen indien het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep (dat ten tijde van het opstellen van de procesinleiding nog niet beschikbaar was) daartoe aanleiding mocht geven. Zie randnummer 1. van de procesinleiding. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Den Haag 23 december 2020, zaak-/rolnummer: C/09/572441 / HA ZA 19-416 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik betrek daarbij ook mijn inleidende opmerkingen, in het bijzonder in de randnummers 3.13 en 3.17 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft op dit punt kennelijk en niet onbegrijpelijk aangesloten bij de memorie van antwoord in principaal appel, randnummer 3.1.10 sub 13): “Voor zover erflaatster in een gesprek met [betrokkene 1] gezegd zou hebben dat zij vond dat [eiser] recht zou hebben op de helft van het huis, hetgeen [verweerster 1] betwist, sluit die uitspraak uiteraard aan bij de briefjes die zij in januari 2019 heeft geschreven en welke als productie 6 en 13 door [eiser] zijn overgelegd en welke briefjes overduidelijk in een emotionele opwelling en/ of onder druk zijn geschreven. Bovendien volgt uit de verklaring van [betrokkene 1] niet dat erflaatster heeft gezegd dat de helft van de waarde reeds aan [eiser] toekomt omdat dit zou berusten op een afspraak die [eiser] en erflaatster hebben gemaakt over de verrekening van de waarde van de woning. Erflaatster ging er dus altijd van uit dat de woning aan haar toebehoorde en dat er geen bepaalde aanspraak van [eiser] was op de woning.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover overigens ook de verklaringen die door [eiser] zijn overgelegd als productie 40 bij zijn akte overlegging producties van 12 april 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook de memorie van grieven, randnummers 3.1.13-3.1.14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ter illustratie wijs ik op de discussie hierover kenbaar uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 4, waar de advocaat van [eiser] op vragen van het hof antwoordt: “- U vraagt mij hoe de betalingen door [eiser] aan erflaatster aan de betalingen voor de hypotheek kunnen worden gekoppeld. Bijvoorbeeld in de brief van de Rabobank waarin wordt bevestigd dat [eiser] het bedrag betaalde voor de rente en de premie gekoppeld aan de hypotheek. Daar was de Rabobank van op de hoogte, dat dat de bedoeling was van de betaling (productie 39). In een andere brief van de Rabobank wordt bevestigd dat [eiser] een deel van de hypotheek voor zijn rekening zou nemen en dat is de totale hypothecaire schuld plus 10%.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als deze bedragen worden teruggerekend dan komt u precies uit op het bedrag van € 315,- per maand. Het wordt teruggevoerd op een brief van de Rabobank waarin een bedrag wordt genoemd en wij hebben uitgelegd hoe partijen aan dat bedrag kwamen. Als dan wordt teruggerekend komt u precies op het bedrag van € 315,- per maand (dagvaarding onder 13, productie 37 hoger beroep p. 5, productie 15 eerste aanleg en productie 37 laatste akte van april p. 5). De 10% uit de hypotheekakte gehaald en erbij opgeteld. Dat bedrag komt neer op afgerond € 74.000,- en het was de bedoeling dat [eiser] dat voor de helft voor zijn rekening zou nemen. Pas tijdens deze procedure is [eiser] erachter gekomen dat het meer is dan de helft, dat blijkt uit productie 37 maar client is uitgegaan van de oorspronkelijke bedoeling van partijen en dat hij de helft bijdraagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat hij daar feitelijk meer aan heeft bijgedragen betekent niet dat hij daaraan de conclusie verbindt dat hij recht heeft op meer dan de helft van de waarde van de woning. - U vraagt mij naar de bedragen in guldens die vanaf 1995 betaald zouden zijn. De meer concrete afspraken hebben partijen gemaakt in 2002 en toen is dit in het gesprek met de Rabobank afgestemd en afgesproken. Die bedragen in 1995 zijn betaald met hetzelfde doel. Het doel was om niet alleen bij te dragen in de kosten van de hypotheek maar ook in de kosten die hoorden bij de woning. [eiser] heeft het niet vastgelegd omdat het volgens hem niet nodig was.” En de reactie daarop van een van de advocaten van [verweersters] in dupliek, kenbaar uit p. 5 van het proces-verbaal: “- Ten grondslag aan productie 39 ligt de email van de Rabobank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van de rekening werd het geld geïncasseerd. Er wordt geen verband gelegd tussen de betaling van € 315,- en de betaling van de hypotheek. Het is aan [eiser] om te bewijzen dat die stilzwijgende afspraak er is. Het verhaal van 10% opslag vind ik een merkwaardig verhaal en ik kan mij niet voorstellen dat zij dit hebben afgesproken. Ik betwist dat deze afspraak is gemaakt en dat dit door de bank is geadviseerd. Dat blijkt ook niet uit de brief van de Rabobank. - Wij blijven bij het standpunt dat er geen omschrijving is vermeld.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8168, NJ 2006/112 m.nt. C.E. du Perron en Ars Aequi 2004, p. 266 e.v. m.nt. T. Hartlief, rov. 3.4: “Art. 3:310 lid 1 BW bevat twee verjaringstermijnen: een korte van vijf jaren die begint te lopen op de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden, en een lange van twintig jaren, die begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Aan deze lange termijn ligt blijkens de wetsgeschiedenis en de daarmee strokende, vaste rechtspraak van de Hoge Raad (vgl. HR 3 november 1995, nr. 15.801, NJ 1998, 380) de rechtszekerheid ten grondslag. Deze termijn begint te lopen door het intreden van de schadeveroorzakende gebeurtenis, zelfs als de benadeelde met het bestaan van zijn vordering niet op de hoogte is (met dien verstande dat een grond voor verlenging van de verjaring bestaat in het geval van art. 321 lid 1, aanhef en onder f, BW). (…)” Zie ook de spreekaantekeningen in hoger beroep van [verweersters] , randnummers 5.4-5.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 23 van de procesinleiding. Overigens is in feitelijke instanties geen beroep gedaan op art. 8 EVRM. Het onderdeel verwijst althans niet naar vindplaatsen in de gedingstukken van [eiser] waaruit een dergelijk beroep blijkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk bijvoorbeeld HR 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1834, NJ 2022/257 m.nt. B. Barentsen, TRA 2020/25 m.nt. M.D. Ruizeveld en JAR 2019/314 m.nt. P.A. Hogewind-Wolters (Hyatt II), rov. 3.3: “Opmerking verdient dat (constitutionele) grondrechten wel kunnen doorwerken in een rechtsverhouding tussen burgers. Het hof heeft dit onderkend. (…)”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2018:1444, randnummer 2.24) voor HR 10 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:707, NJ 2019/248 m.nt. L.C.A. Verstappen, Ars Aequi 2019, p. 477 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, JPF 2019/122 m.nt. B.E. Reinhartz, PFR-Updates.nl 2019-0157 m.nt. W.M. Schrama en JIN 2019/102 m.nt. A.M.E. Derks. Vergelijk het citaat in randnummer 15. van de procesinleiding dat het: “veelal juist de lotsverbondenheid is die bewerkstelligt dat een levensgezel gelden aan zijn partner ter beschikking stelt zonder zich te bekommeren om de juridische gang van zaken”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de memorie van grieven, randnummer 3.7, sub 3): “[de woning] is destijds op naam van de vrouw verworven, enkel zodat partijen het vermogen veiligstelden voor het geval de man een eigen zaak zou starten. De man was toen bijna veertig jaar oud en was ontevreden over zijn toenmalige baan.” Vergelijk ook de memorie van antwoord in principaal appel, randnummer 3.1.10, sub 3): “[verweerster 1] betwist dat de woning door erflaatster is verworven om de redenen die [eiser] noemt, namelijk voor het geval hij een eigen zaak zou starten. [eiser] is ook nimmer een bedrijf begonnen, noch heeft hij de intentie daartoe gehad. Bovendien zou het in de rede liggen dat van een dergelijke afspraak, waarbij het de bedoeling is om de woning als gemeenschappelijk te beschouwen, in elk geval iets op papier zou zijn gezet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kenbaar uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 3, onderaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Memorie van antwoord in principaal appel, randnummer 3.1.20, onder verwijzing naar de memorie van grieven, randnummer 3.7, sub 7). Zie ook de dupliek van een van de advocaten van [verweersters] , kenbaar uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 6, onderaan: “Betreft de verjaring. In veel samenlevingscontracten wordt opgenomen dat die vorderingen pas opeisbaar worden bij beëindiging van het samenlevingscontract, maar ik ben van mening dat die rechtszekerheid moet prevaleren. Dat het hier niet heeft plaatsgevonden is voor [eiser] helaas in zijn nadeel.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk bijvoorbeeld HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. C.J.H. Brunner en Ars Aequi 1981, p. 355 e.v. m.nt. P. van Schilfgaarde (Haviltex): “Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot 29 van de procesinleiding en randnummer 11. van de repliek van [eiser] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De zaak vertoont in zoverre gelijkenis met hof Arnhem-Leeuwarden 11 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4553 (waarover ook voetnoot 60 hiervoor). Zie met name rov. 5.25-5.26 van dat arrest: “Het hof gaat (…) voorbij aan de stelling van [geïntimeerde] dat de redelijkheid en billijkheid zich er tegen verzetten dat hij de vordering direct na de betaling van de koopsom zou opeisen. De daartoe door [geïntimeerde] gestelde omstandigheden, waaronder dat partijen zonder de inbreng de woning niet zouden hebben kunnen kopen en dat het dan onlogisch is om het bedrag van de inbreng al voor het beëindigen van de relatie op te eisen, zijn daarvoor niet voldoende. [geïntimeerde] had immers met [appellante] afspraken kunnen maken over het moment en de wijze waarop hij jegens [appellante] aanspraak zou kunnen maken op de helft van het door hem ingebrachte bedrag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het proces-verbaal van 23 november 2017 blijkt evenwel dat beide partijen hebben verklaard dat zij niets hebben afgesproken betreffende de woning voor het geval zij uit elkaar zouden gaan. Dat [geïntimeerde] er niet voor heeft gezorgd dat afspraken over de terugbetaling van zijn inbreng zijn gemaakt komt dan ook voor zijn risico. 5.26 [geïntimeerde] heeft pas nadat partijen in oktober 2014 de samenleving hadden verbroken jegens [appellante] aanspraak gemaakt op vergoeding, en dus ruim nadat het vorderingsrecht daartoe was verjaard. Het beroep van [appellante] op verjaring slaagt derhalve. Het hof acht, anders dan [geïntimeerde], in de gegeven omstandigheden, met name omdat hij de mogelijkheid om afspraken met [appellante] te maken onbenut heeft gelaten, het beroep van [appellante] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op de belangen die de verjaringstermijnen beogen te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal van onaanvaardbaarheid als bedoeld in artikel 6:2 lid 2 BW slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn.” Ik breng in dit verband verder de in voetnoot 54 hiervoor aangehaalde opmerkingen van minister Weerwind in herinnering.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld M.C. Schuijt, ‘Verjaring van vergoedingsrechten staande de samenleving: een onaangename verrassing’, REP 2023/160, afl. 2, p. 37, met verwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.V. Antokolskaia e.a., Koude uitsluiting. Materiële problemen en onbillijkheden na scheiding van in koude uitsluiting gehuwde echtgenoten en na scheiding van ongehuwd samenlevende partners, alsmede instrumenten voor de overheid om deze tegen te gaan, Onderzoeksrapport in opdracht van het WODC, Amsterdam/Groningen 2010, p. 89, met verwijzing naar CBS-onderzoek. Zie ook p. 247 waar wordt opgemerkt dat daarnaast een klein percentage (minder dan 5%) een niet-notariële samenlevingsovereenkomst heeft gesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook randnummer 14. van de schriftelijke toelichting van [eiser] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 75 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 14. van de schriftelijke toelichting van [eiser] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 28. van het arrest van 4 februari 2020 waar het onderdeel naar verwijst, heeft geen betrekking op het verjaringsoordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk ook voetnoot 11 hiervoor over de in dit verband veelzeggende term formele samenlevers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 16., eerste zin, van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 18., eerste zin, van de procesinleiding.</p></div>", "next": 0}