{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Een voorbeeld hiervan is te zien in de onderstaand screenshot waarbij [betrokkene 5] laat zien waar je het beste in de keel van persoon kan steken en hoe erin moet snijden. Verder laat hij zien welke zwakke plekken er zijn in het menselijk torso en hoe deze het beste met een mes aangevallen kan worden. Verder bespreekt hij welke slagaders in de benen van een persoon kwetsbaar zijn voor een aanval met een mes. Als laatste laat hij zien welke plekken op een arm kwetsbaar zijn voor een aanval met mes.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens komt er een persoon in beeld. Deze persoon heeft een zwart trui aan met een capuchon en krijgt van [betrokkene 5] een mes overhandig. Deze persoon met de zwarte trui met capuchon snijdt en steekt daadwerkelijk in de geboeide persoon uit de foto hierboven met de witte trui. In chronologische volgorde, is te zien dat:  In de arm wordt gesneden;  Tweemaal in de hals wordt gestoken;  Hoe de buik wordt opengesneden en een gedeelte van de ingewanden naar buiten komt;  Als laatste wordt er gesneden in de hals. Hierbij blijft het hoofd nog gedeeltelijk aan de romp zitten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De beelden en screenshots van bovenstaande blijven in het bezit van het onderzoeksteam en kunnen zo nodig toegevoegd worden aan het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na deze demonstratie legt [betrokkene 5] drie methode uit hoe een target het beste te benaderen is om met een mes aan te vallen. Hij demonstreert deze methode ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het tweede fragment komt [betrokkene 6] in beeld. Deze [betrokkene 6] geeft aan dat het nu tijd is voor de gewapende strijd. Tijdens dit fragment onderbouwd hij waarom nu de tijd is aangebroken voor deze strijd.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het derde en laatste fragment komt [betrokkene 7] in beeld. In het fragment legt hij uit hoe je met behulp van acetonperoxide een bom maakt. Het fragment begint met een uitleg hoe je de acetonperoxide maakt. Hiervoor heb je volgens het fragment waterstofperoxide, zwavelzuur en aceton nodig waarna in beeld wordt gebracht hoe je hiermee uiteindelijk de acetonperoxide maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna wordt uitgelegd door [betrokkene 7] uitgelegd hoe je een ontsteker voor deze bom maakt. Vervolgens is te zien hoe de ontsteker samen met de acetonperoxide tot een bom wordt gemaakt hierbij worden nog ronde kogels toegevoegd wat moet zorgen dat bij de explosie extra schade ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna is een persoon te zien die in de woestijn rent. Op een gegeven moment gaat er een explosief af in de rugtas die deze persoon draagt. Te zien is dat ter hoogte van de onderrug het lichaam bijna in twee stukken scheurt door de explosie. Waarop vervolgens beelden te zien zijn waarin in de ondertiteling opgeroepen wordt om de broeders te ondersteunen en te verdedigen vanuit de landen waar de aanvallen op IS worden gefinancierd en gemanaged en te zorgen voor verwoesting als jij jezelf offert voor Allah.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als laatste verschijnen nog verschillende edities van het IS magazine Rumiyah in beeld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van twee deskundigen van het NFI d.d. [geboortedatum] 2018, (…) houdt onder meer in:</div>\n<p class=\"lf-p\">TATP (voluit: triaceton triperoxide) is een zogenaamde primaire springstof (ook wel inleispringstof). Sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw is TAP in toenemende mate populair gebleken voor het plegen van aanslagen in binnen- en buitenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">TATP dankt zijn populariteit voornamelijk aan twee feiten; ten eerste dat het een krachtige springstof is, die op een eenvoudige manier zelf kan worden vervaardigd uit grondstoffen, die makkelijk zijn te verkrijgen; ten tweede dat het zeer gevoelig kan zijn voor ontsteking door hitte, slag en vonken. Er hoeft dan namelijk geen speciale ontsteker te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">TATP is een springstof die, ook door mensen zonder chemische achtergrond , relatief makkelijk te bereiden is. Recepten hiervoor zijn eenvoudig te vinden op internet. Deze recepten komen er op neer dat aceton en waterstofperoxide (bij voorkeur in een concentratie van ongeveer 30%) samen met een zuur (bijvoorbeeld zoutzuur) dienen te worden gemengd. De grondstoffen voor het vervaardigen van TATP kennen allen ook andere toepassingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aceton (C3HsO) is bijvoorbeeld het hoofdbastanddeel van sommige nagellakverwijderaars en kan ook worden gebruikt om lijmrestanten te verwijderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterstofperoxide (H2O*) zit bijvoorbeeld in concentraties van circa 5 - 30% in blondeermiddel/bleekmiddel en kan ook worden gebruikt voor desinfectie en plantenvoeding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zuur kan zwavelzuur (accuzuur), zoutzuur (bijvoorbeeld in schoonmaakmiddelen), citroenzuur (onder andere gebruikt bij de bereiding van voedsel), of een ander zuur zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen andere toepassingen van TATP bekend buiten het gebruik als springstof.’ 7. Het hof heeft onder het kopje ‘Nadere bewijsoverwegingen’ het volgende overwogen: ‘Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 26 april 2018 heeft, de AIVD - als gezegd - een ambtsbericht uitgebracht, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat [medeverdachte 1] voorbereidingen treft om met een groep personen veel slachtoffers te maken door een terroristische aanslag te plegen op een groot evenement in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kader van dit onderzoek zijn diverse opsporingsmiddelen ingezet, waaronder telefoontaps, het afluisteren van vertrouwelijke communicatie (OVC) en observaties. Zoals hierboven overwogen heeft het Openbaar Ministerie een infiltratietraject ingezet, waarbij [A] als politie-infiltrant is opgetreden, die zowel digitaal contact met [medeverdachte 1] heeft gehad, alsmede hem vijf keer fysiek ontmoet heeft, te weten op 5 juli 2018, op 12 en 30 augustus 2018 en op 17, 18 en 27 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 5 juli 2018 heeft [medeverdachte 1] de politie-infiltrant [A] ontmoet in [geboorteplaats] . In dit gesprek vertelt [medeverdachte 1] dat hij staat te popelen om iets te ondernemen, om een aanslag te plegen die grote schade zou veroorzaken. Aanvankelijk, ongeveer een jaar geleden, waren er negen broeders die iets wilden doen, iets groots voor de Islam. Nu willen hij en twee andere kerels een aanval uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 14 juli 2018 rijdt [medeverdachte 1] met de medeverdachte [medeverdachte 4] naar [plaats] , waar zij de verdachte en [medeverdachte 3] ontmoeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 16 juli 2018 verzendt [medeverdachte 1] een e-mail aan [A] , waarin hij vraagt om meer tijd om aan te kunnen geven hoeveel broeders mee zouden kunnen doen. Dezelfde dag bezoekt [medeverdachte 4] [medeverdachte 1] in zijn woning. Tussen 00.23 en 01.23 fietsen zij met een onbekende derde man in [geboorteplaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 24 juli 2018 verzendt [medeverdachte 1] opnieuw een e-mail aan [A] . Deze e-mail houdt voor zover van belang in: “we are now 5. Im bust with sixth, but for now we focus on the 5 guys.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 12 augustus 2018 ontmoeten [A] en [medeverdachte 1] elkaar in [plaats] . [medeverdachte 1] vertelt onder meer dat de groep die de aanslag wil plegen uit vijf personen bestaat, inclusief hijzelf. Hij wil Kalasjnikovs, bomvesten, granaten, kleine wapens en een autobom gebruiken op een festival. Tijdens deze ontmoeting volgen de verdachte en [medeverdachte 3] op een afstand [medeverdachte 1] en [A] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 29 augustus 2018 leest [medeverdachte 1] een bericht van [A] , dat deze op 30 augustus in Nederland zal zijn. Daarop vinden er korte telefoongesprekken plaats tussen [medeverdachte 1] met respectievelijk [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] . Enkele uren later bevinden de verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] zich met [medeverdachte 1] in de woning van [medeverdachte 1] . Tijdens dit bezoek loopt [medeverdachte 1] naar een andere kamer en belt met [A] . [medeverdachte 1] en [A] maken een afspraak voor de volgende dag. Hierna vertrekken de anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 30 augustus 2018 reist [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) naar [plaats] . Op enig moment schudden [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] de hand van [A] tijdens de ontmoeting van [medeverdachte 1] met [A] . [medeverdachte 1] zegt, buiten de aanwezigheid van [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] , dat hij liever 5 man heeft die wilskrachtig zijn dan 500 die onzeker zijn. In dit gesprek komen verder de voorbereiding van een aanslag, het trainen met wapens en het maken van een bom aan de orde. Op de terugweg vanuit [plaats] met [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] zegt [medeverdachte 1] : “ik hoop dat mijn nieuwe simkaart binnen is. (...) ik sta voor een paar goeie uitdagingen binnenkort.” Ook zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 4] dat hij een nieuwe, schone telefoon nodig heeft die ook WhatsApp moet hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na deze ontmoeting gaat [medeverdachte 1] actief op zoek naar middelen die nodig zijn voor het maken van een explosief.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de nacht van 31 augustus op 1 september 2018 vindt er een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , de verdachte en [medeverdachte 3] in [plaats] , eerst in de woning waar [medeverdachte 3] verbleef, waarna omstreeks 00.55 uur de vier mannen naar buiten lopen en met de auto naar [… ] in [plaats] gaan. Rond 2.00 uur vertrekken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] vanaf de woning van [medeverdachte 3] in [plaats] naar [geboorteplaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 7 september 2018 rijdt [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 4] naar [plaats] waar hij, conform afspraak met [A] , vier zakken van 25 kilogram kunstmest haalt uit een bij de Mediamarkt geparkeerd voertuig. Op de terugweg naar [geboorteplaats] leest [medeverdachte 4] het volgende bericht van [A] aan [medeverdachte 1] via Telegram voor: \"Allahu akbar akhi! lm happy to hear it went good and so quickly. Smart idea using the same locker and code. Ill message you again soon inshaAllah.\" [medeverdachte 1] reageert door te zeggen: “Zeg maar, okay see you soon”. [medeverdachte 4] antwoordt (namens [medeverdachte 1] ) om 16.07 uur per Telegram aan [A] : “YazakAllahu ghiar. I see jou soon inshaAllah\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Om 16.09 uur schrijft [A] aan [medeverdachte 1] : \"Insha Allah”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 september 2018 heeft [medeverdachte 1] opnieuw een fysieke ontmoeting met [A] in [geboorteplaats] . Tijdens de ontmoeting zegt [medeverdachte 1] tegen [A] dat de groep met wie hij een aanslag wil plegen [A] wil ontmoeten. Hij zal die avond met de groep bespreken of ze [A] op 18 september 2018 willen ontmoeten. [medeverdachte 1] legt hierna contact met de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] , waarna hij [A] bericht dat de groep hem de volgende dag wil ontmoeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 18 september 2018 stelt [medeverdachte 1] , de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] voor aan [A] in Park [… ] in [geboorteplaats] . [medeverdachte 5] stelt de wijze waarop de grondstoffen voor de explosieven zijn aangeschaft, aan de orde. [medeverdachte 5] geeft in het park eveneens aan dat hij en de broeders bang waren dat de infiltrant niet echt bereid was hen te helpen, maar van de politie zou zijn. Daarom vraagt hij [A] om handvuurwapens om te testen of [A] geen infiltrant is, maar hij voegt hier aan toe dat deze ook bestemd zijn om zich te kunnen verdedigen als de politie komt. Tevens vertelt hij dat hij en anderen al getraind hebben met airsoftwapens in een gesimuleerde oorlog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgesproken wordt binnenkort samen te komen om te oefenen. [A] vraagt of de mannen hetzelfde willen als [medeverdachte 1] . De vier mannen antwoorden ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 21 september 2018 bericht [A] via Telegram aan [medeverdachte 1] dat de ontmoeting op 27 september zal plaatsvinden. [medeverdachte 1] antwoordt met de tekst: \"Clear\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 22 september 2018 laat [medeverdachte 1] aan [A] weten dat hij “hen” vandaag of morgen zal spreken. Diezelfde dag, tussen 20.00 uur en 21.15 uur, zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en de verdachte met elkaar in de woning van [medeverdachte 3] in [plaats] . Kort nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn vertrokken, komt [medeverdachte 5] dan aan bij het portiek van de [f-straat] te [plaats] . Ter terechtzitting in hoger beroep geeft [medeverdachte 5] aan dat hij [medeverdachte 1] toen nog heeft gesproken. Op 27 september 2018 gaan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en de verdachte naar het vakantiehuisje in [plaats] , waar ze [A] en een andere politie-infiltrant ontmoeten en oefenen ze met (onklaar gemaakte) Kalasjnikovs en (hand) vuurwapens. Ook passen ze bomvesten. Op de beelden is onder andere te zien en/of te horen dat [medeverdachte 5] een vuurwapen laadt, met een AK-47 door de woonkamer loopt op een sluipende manier en het vest met de draden draagt, waarbij hij tegelijkertijd een AK-47 in zijn handen houdt, waarmee hij meerdere keren richt, waarna hij aan een van de begeleiders advies vraagt om kennelijk de pasvorm van het vest nog comfortabeler te maken. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] spreken met de infiltranten over de afwezigheid van [medeverdachte 2] , waarbij ze benadrukken dat dit niet betekent dat hij niet meer mee doet. [medeverdachte 5] zegt.: “He is with us and he also know the dry (fon) to ….nvt … training. Like how to put in and out, eeh the kalash.. so he knows that.” [medeverdachte 1] zegt [medeverdachte 2] te hebben verteld dat, wanneer hij van gedachten zou veranderen, hij een vervanger moet zoeken. “Because for his job, for the plan I have, I need 5 man.” Ook aan het eind van de ontmoeting zegt [medeverdachte 1] : “For now, I focus on this five”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De infiltranten spreken met de verdachten over een training in Bosnië in oktober, op welke dagen de bus vanuit Nederland vertrekt en hoelang de reis duurt en over het regelen van een verblijfplaats daar. Ook het onderwerp van een videoboodschap, “that they must know, it’s them that made possible, with the will of Allah” aldus [medeverdachte 1] , komt aan de orde. De verdachte gaat hiermee akkoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het eind van de ontmoeting wordt nog gesproken over de plannen die zij hebben, opnieuw onder meer over het grote belang van vijf aanslagplegers en een mogelijke zesde aanslagpleger. [medeverdachte 5] zegt dat “ze zoiets willen doen als de broeders in Frankrijk hebben gedaan”. Als een van de politie-infiltranten in verband met het vermaken van de bomvesten vraagt of het overdag of in het donker gaat gebeuren (met een jas erover of niet), antwoordt [medeverdachte 1] dat het gaat om een type discoruimte. Er zijn wat feestjes in november, de meeste ervan zijn ‘gayfeestjes’, dus de anderen moeten er goed uitzien als zij naar binnen willen. Zo niet dan doden zij de beveiliging. Daarop zegt de verdachte: \"Dus je gaat naar binnen, we gaan hard om eerst een doel uit te zoeken, dan schiet je op iedereen en dan komen de anderen.” Vervolgens suggereerde de verdachte dat het ook kan door een auto te laten ontploffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vertrek uit de woning staat [medeverdachte 5] erop het verstrekte geladen handvuurwapen op zijn lichaam te dragen in een buiktasje en vraagt hij hoe hij binnen enkele seconden klaar kan zijn om te schieten. Hierop vertellen de politie-infiltranten hem opnieuw hoe hij het vuurwapen kan doorladen, maar dat dit wel een risico met zich mee brengt omdat het wapen vanaf dat moment op scherp staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan eindigt de ontmoeting in het huisje. De handvuurwapens worden door de verdachten meegenomen en zij gaan naar buiten, waar het busje wacht dat hen zal terug brengen naar hun auto's.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1 Alternatief scenario De verdachte heeft verklaard dat hij een wapen wilde bemachtigen omdat hij van wapens houdt. Om die reden heeft hij zich tegenover de politie-infiltrant [A] voorgedaan als aanslagpleger. De verdediging heeft betwist dat de verdachte met anderen een aanslag voorbereidde en aangevoerd dat de verklaring van de verdachte een alternatief scenario behelst dat niet strijdig is met de feiten dan wel de bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging voert onder meer aan dat dit standpunt steun vindt in de verklaringen van [medeverdachte 1] bij de politie op 8 januari 2020, als getuige bij de rechter-commissaris op 29 januari 2020 en als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt allereerst over de door de verdediging bedoelde onderdelen van deze verklaringen van [medeverdachte 1] als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn verhoor op 8 januari 2020 bij de politie zegt [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en de verdachte alleen wisten dat hij met iemand praatte om wapens te regelen. Hij heeft hen niet verteld dat zijn doel het plegen van een aanslag was. De wapens die de jongens wilden hebben was puur voor vertrouwen. Hij heeft [A] gevraagd om wapens voor de jongens te regelen om vertrouwen te winnen, zodat de jongens hem zouden vertrouwen. De dag voor de ontmoeting in het park (het hof begrijpt: 17 september 2018) heeft hij voor het eerst met hen gesproken over de aanslag en wapens. Zij wisten niet dat het over een aanslag ging, ze dachten alleen dat het over een wapen ging. Ze kregen onenigheid. Een aanslag zou niet bij hun Aqida, visie op het geloof, passen. Hij heeft vervolgens tegen hen gezegd dat ze gewoon moesten doen wat hij zei, omdat ze dan een wapen hadden. [medeverdachte 1] zegt bij de rechter-commissaris op 29 januari 2020 dat hij een aanslag wilde plegen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en de verdachte. Hij sprak met hen in versleutelde taal; candy en koerierswerk waren woorden voor aanslag. Volgens hem was er sprake van miscommunicatie. De jongens dachten dat candy een wapen betekende. [medeverdachte 1] zegt dat hij in de veronderstelling was dat zij een wapen wilden hebben voor een aanslag. Pas op 17 september 2018 werd hem duidelijk dat dit niet klopte. De jongens zouden hebben geweigerd een aanslag te plegen. Hij zegt desgevraagd niet te weten waarom ze een wapen wilden. [medeverdachte 1] verklaart dan het volgende. \"Het was ook om [A] te overtuigen dat de jongens bij mij hoorden. U vraagt mij of ik dat met de jongens besproken heb. Ja, op de 17e toch en daarna niet meer. Die jongens wilden mij niet in de steek laten, in de zin van dat ik in een flow zat en dat zij mij uit die flow wilden halen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de opmerking van de rechter-commissaris dat hij onder ede staat en dat de rechter-commissaris twijfels heeft bij zijn geloofwaardigheid, zegt hij: \"dat kan, maar dat zijn ook vragen die u aan hen kan stellen”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de terechtzitting van het hof op 5 april 2022 zegt [medeverdachte 1] als getuige onder meer het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de vijf personen die hij in de e-mail aan [A] van 24 juli 2018 noemt, bedoelt hij geen van de vandaag ter terechtzitting aanwezigen. De e-mail van 31 juli 2018, waarin hij schrijft “I told to the brothers\", zag wel op zijn vrienden (het hof begrijpt uit de context van dit verhoor dat het over de medeverdachten gaat). Deze e-mail was volgens [medeverdachte 1] niet met de intentie dat deze broeders een aanslag wilden plegen. Hij stelt vanaf het begin af te hebben gelogen tegen de infiltrant. Over candy zegt hij dat het probleem is dat hij dacht dat zij hetzelfde dachten als hij, maar dat was niet zo. Hij zegt ook dat wanneer hem door hen vragen waren gesteld, hij hen niet de waarheid had verteld. Over de ontmoeting op 31 augustus 2018, een dag na zijn ontmoeting met [A] , zegt hij dat hij het woord ‘candy’ heeft gebruikt, maar dat hij niet meer weet wanneer of op welke wijze. Ook zegt hij nooit enige informatie over waarom hij [A] eigenlijk sprak, te hebben gedeeld. \"Ik heb eigenlijk tegen alle jongens gelogen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de hierboven genoemde onderdelen uit deze verklaringen van [medeverdachte 1] niet betrouwbaar zijn en overweegt hiertoe het volgende. In de verklaringen zet [medeverdachte 1] zichzelf neer als iemand die er kennelijk niet voor terugdeinst om in bepaalde situaties leugens te vertellen. Ook de rechter-commissaris vraagt zich af of [medeverdachte 1] de waarheid spreekt, gelet op zijn opmerking dat [medeverdachte 1] onder ede staat en dat de rechter-commissaris twijfels heeft bij zijn geloofwaardigheid. De reactie van [medeverdachte 1] hierop, dat hij dit niet ontkent maar dat deze vragen ook aan de medeverdachten kunnen worden gesteld, bevestigt het hof in zijn overtuiging omtrent het zeer beperkte waarheidsgehalte van de onderdelen uit deze verklaringen. Het hof oordeelt de verklaringen in zoverre ook als innerlijk tegenstrijdig. Waar [medeverdachte 1] enerzijds stelt dat de medeverdachten, met uitzondering van de medeverdachte [medeverdachte 4] , na 17 september 2018 toch meegingen naar het park en later naar het huisje, omdat zij een wapen wilden, stelt hij anderzijds dat zij dit deden omdat zij hem niet in de steek wilden laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt voorts het volgende. [medeverdachte 1] bereidde een aanslag voor en was op zoek naar wapens, explosieven en bomvesten. Daartoe had hij contact met de politie-infiltrant [A] . [medeverdachte 1] heeft op 12 augustus 2018 tegenover de politie-infiltrant verklaard dat de groep waarmee hij de aanslag wilde plegen uit (inclusief hemzelf) vijf personen bestond. Hij bestelde bij de politie-infiltrant toen vijf Kalasjnikovs, vijf handpistolen en 20 handgranaten (voor ieder vier). Op 17 september 2018 zei [medeverdachte 1] tegen de politie-infiltrant dat de groep met wie hij de aanslag wil gaan plegen hem ( [A] ) wil ontmoeten. [medeverdachte 1] zegde toe dat hij met de groep zou bespreken of ze [A] op 18 september 2018 willen ontmoeten. Op 17 september 2018 vond een ontmoeting plaats bij de woning van de verdachte in [plaats] . Daarbij waren de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aanwezig. [medeverdachte 1] heeft toen tegen de verdachte gezegd dat de wapens voor een aanslag waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 18 september 2018 om 12:42 uur gingen de verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] de woning van [medeverdachte 1] te [geboorteplaats] binnen. Om 14:09 stuurde [medeverdachte 1] een bericht aan de infiltrant met de vraag hoe laat hij ( [A] ) in [geboorteplaats] zou zijn, die antwoordde er om 15:30 uur te zijn. Zij vertrokken om 14:15 uur uit de woning van [medeverdachte 1] . Om 16:36 uur liepen de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] [… ] in en ontmoetten daar de politie-infiltrant. Tijdens het gesprek zei de politie-infiltrant dat hij wist wat [medeverdachte 1] van plan was en vroeg hij of zij hetzelfde wilden. De mannen zeiden: “ja”. Ook heeft de politie-infiltrant aan de groep medegedeeld dat hij twee AK’s 47 en een leeg vest naar Nederland zou brengen en dat zij een plek zouden vinden zodat zij konden trainen en de maat van het vest konden opnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof leidt uit het bovenstaande af dat de verdachte behoorde tot de groep van vijf met wie [medeverdachte 1] een aanslag wilde plegen en dat [medeverdachte 1] een ontmoeting tussen de groep en de politie-infiltrant - bij wie [medeverdachte 1] wapens had besteld - in [geboorteplaats] heeft georganiseerd. De verdachte wist toen dat de wapens bestemd waren voor het plegen van een aanslag. De vier hebben tegenover de politie-infiltrant bevestigd dat zij hetzelfde wilden als [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 27 september 2018 heeft in een vakantiehuisje in [plaats] een ontmoeting van de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] met twee politie-infiltranten plaatsgevonden om met de bestelde wapens te oefenen en de bomvesten te passen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte oefende eerst met het vullen van de patroonhouder van een handvuurwapen. Vervolgens heeft een politie-infiltrant een Kalasjnikov overhandigd aan de verdachte. De verdachte gaf het wapen een kus en hield het liefkozend tegen zijn wang. De verdachte zei toen (vertaald): \"dit zal mijn sleutel tot de Djenna (paradijs) zijn. Allahu Akbar.” Hij zei verder dat hij er meer van houdt dan van zijn vrouw en dat hij er de niet-gelovigen mee gaat doden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Even later paste de verdachte een bomvest. Hij zei toen (vertaald): \"vrouwen vriend” (paradijselijke vrouwen die verheerlijkt worden voor hun schoonheid). Hij maakte zich vervolgens groot, spreidde zijn armen uit en zei: “whole live dreamed about this, Allahu Akbar”. De verdachte heeft vervolgens de politie-infiltrant gevraagd om het bomvest te laten vermaken. Hij had de knop om de bom te laten ontploffen liever niet aan de rechter- maar aan de linkerkant. Dan kon hij er beter bij. De verdachte zei toen: “mijn vrouw, my wife. It’s better than my wife, whollah. Whollah it’s better than my wife. It’s bring me to Djenna (Paradijs) ”. De verdachte tekende toen nog aan dat het volgens de jurisprudentie van het martelaarschap niet de bedoeling is het bomvest te gebruiken om zelfmoord te plegen. Volgens de verdachte moest je het gebruiken om mensen schade toe te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens heeft de verdachte deelgenomen aan een discussie met (onder anderen) [medeverdachte 1] over de wijze waarop een aanslag kon worden uitgevoerd in een discotheek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof wijst verder op de volgende uitlatingen die de verdachte deed toen hij zich onbespied waande. Op 11 mei 2018 zei hij tegen zijn moeder: “Allah is mijn getuige als ik me in naam van god tot ontploffing zou brengen zou ik ze willen vermoorden omdat zij niet moslims zijn.” Op 28 mei 2018 vroeg de verdachte hardop Allah hem het martelaarschap te geven en de dag erna bad hij dat de ongelovigen moeten worden vernietigd. Op 26 juni 2018 hield de verdachte een smeekbede waarin hij vroeg om vernietiging van de ongelovigen en om het martelaarschap te verkrijgen. Kort daarop - op 4 augustus 2018 - zei de verdachte in een telefoongesprek met [medeverdachte 3] dat hij zo'n zin heeft om naar [plaats] te gaan en die hoge status te pakken. En op 13 september 2018 zei de verdachte tegen zijn moeder dat Allah \"ons moge laten sterven als martelaars\". Op 24 september 2018 liet hij haar in een telefoongesprek weten dat hij het paradijs wenst. De dag voor de geplande wapentraining in het vakantiehuisje in [plaats] op 27 september 2018 heeft de verdachte een telefoongesprek met een kennis beëindigd met: Vrees God he! Een advies, misschien zie ik jou niet meer, (...) , laat niet jezelf kapotmaken door de ongelovigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat de verdachte in deze uitlatingen is vooruitgelopen op wat in zijn ogen zou komen: zowel de dood van de slachtoffers van een aanslag als zijn eigen dood en de toelating tot het paradijs als martelaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat gelet op het bovenstaande - in onderling verband en samenhang gelezen - het alternatief scenario, overigens door de verdachte te berde gebracht na zich 21 maanden op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, niet aannemelijk is geworden. Niet alleen betreft het alternatieve scenario een buitengewoon omslachtige wijze om alleen een vuurwapen te bemachtigen. Dat gestelde doel strookt bovendien niet met het meermalen uitgesproken verlangen tegenover zichzelf en derden - zoals zijn moeder - ongelovigen te willen vernietigen en als martelaar te sterven, zijn actieve bijdrage aan de wapentraining, de daarbij uitgesproken visie dat de Kalasjnikov de sleutel tot het paradijs zou zijn en zijn bijdrage aan een discussie over de wijze waarop een aanslag gepleegd kon worden.’ Processen-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en pleitnota 8. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg, gehouden op 10, 12, 17, 19, 23, 24 en 25 juni, 3 en 7 juli, 24 en 26 augustus en 8 oktober 2020, houdt onder meer het volgende in: ‘TERECHTZITTING VAN 12 JUNI 2020 Ter terechtzitting van 12 juni 2020 zijn alle verdachten en de raadslieden verschenen. (…) De voorzitter vraagt wat [verdachte] in het vakantiehuisje deed.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte [verdachte] verklaart:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik ben blij met deze vraag, zodat ik duidelijkheid kan geven. Ik ben nooit in aanraking gekomen met de politie, dus ik wist niet dat ik in de rechtbank vragen zou krijgen. Op 27 september 2018 ben ik met [medeverdachte 1] meegegaan naar [plaats] , omdat ik een wapen wilde bemachtigen die de infiltrant kon leveren. Ik wilde graag die wapens krijgen. Hoe ik mij in [plaats] heb gedragen en wat ik heb gezegd, was allemaal nep om de infiltrant zo ver te krijgen dat hij mij zou gaan geloven dat ik ook een aanslag wilde plegen. Ik heb nooit gedacht of gesproken over het plegen van een aanslag. Ik wilde alleen een wapen bemachtigen die de infiltrant kon leveren. Ik weet dat het er kapot radicaal uitziet, maar ik dacht dat ik tegenover iemand zat die ook radicaal was en dat hij die wapens leverde om een aanslag te plegen. De infiltrant mocht niet aan mij twijfelen, want dan zou ik die wapens niet krijgen. Ik hou gewoon van wapens. Rechtsextremisten doen erge dingen tegen de moslims; moskeeën en moslim vrouwen worden aangevallen. De veiligheid van praktiserende (radicale) moslims is niet goed in Nederland. Mijn vrouw, die een gezichtssluier draagt, wordt buiten bedreigd en is bijna aangevallen. Zelf ben ik ook beledigd en bedreigd en ik wilde mij en mijn gezin kunnen beschermen. Ik geil bijna op het hebben van een wapen. Achteraf bezien was het dom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter houdt voor dat hij bij een aantal besprekingen is geweest waarbij ook de andere verdachten aanwezig waren, ook in het park met de infiltrant. In de groep is gesproken over het zetten van een bom en er is kunstmest, aceton en waterstofperoxide gekocht. Is dat niet een heel erg lange aanloop om een wapen te bemachtigen?</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte [verdachte] verklaart:</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begrijp dat u dat vraagt, maar u moet de stukken niet bekijken vanuit de visie van de officier van justitie die alles kopieert en plakt. De officier van justitie zet de stukken zo in elkaar dat het lijkt alsof alles klopt wat is tenlastegelegd, maar ik wist helemaal niet waar [medeverdachte 1] mee bezig was. Ik wist na 17 september 2018 pas van [medeverdachte 1] dat de wapens voor een aanslag waren, maar [medeverdachte 1] was daarvoor achter mijn rug om allemaal dingen aan het doen. Ik heb inderdaad radicale uitlatingen gedaan over mensen die moslims onderdrukken, maar dat heeft niets te maken met het willen plegen van een aanslag. Ik word verdacht van deelname aan een terroristische organisatie, maar ik wist helemaal niet wat er zou gaan gebeuren. [medeverdachte 1] zei dat de infiltrant wilde dat wij een aanslag zouden gaan plegen en ik heb mij voorgedaan als een jongen die een aanslag wilde gaan plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wist pas toen ik vast zat en het dossier las, hoe die afspraken tussen [medeverdachte 1] en de infiltrant zijn gegaan. Ik heb ook niet getraind om een aanslag te plegen. Het enige dat ik fout heb gedaan, is dat ik een vuurwapen wilde bemachtigen. Ik deed alsof ik een aanslag wilde plegen omdat ik dacht dat die infiltrant een radicale moslim was, maar ik wilde dat niet. Ik ben wel voorstander van de jihad, maar niet van bombarderen etc. Ik heb niets te maken met het plegen van een aanslag, want ik heb een gezin. Ik heb in [plaats] ook emotionele uitlatingen gedaan en een Kalasjnikov gekust, want ik bewonder die dingen. Ik ken die infiltrant niet eens. Ik heb nooit contact met hem gehad. Alles wat na 17 september 2018 is gekomen, is gedaan ‘alsof’ om wapens te bemachtigen.’ 9. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 29 maart, 5, 6, 7, 12 en 19 april en 7 juni 2022 houdt onder meer het volgende in: ‘De voorzitter hervat op 5 april 2022 het op de terechtzitting van 29 maart 2022 onderbroken onderzoek. (…) De verdachte legt op vragen van de jongste raadsheer een verklaring af, inhoudende: (…) U vraagt mij waarom ik 10 dagen later met iemand meega naar het huisje in [plaats] die denkt dat ik met hem een aanslag wil plegen. Ik wist dat u deze vraag ging stellen. Ik zat toen al helemaal in de flow. Ik wilde ervoor gaan. Ik heb nooit met hen gesproken over een aanslag door te spreken over candy en koerierswerk. De medeverdachten wisten ook niet dat het over een aanslag ging. Een dag voor de ontmoeting is er echt gezegd over de aanslag, dat wilden ze niet. Toen is er gezegd toch doen want dan hebben ze een wapen. Ik wist niet dat [medeverdachte 1] een aanslag zou plegen. Het enige dat ik wist dat met candy een wapen werd bedoeld. Altijd gezegd als je ooit aan wapens kan komen laat het mij dan weten.</p>\n<p class=\"lf-p\">U houdt mij voor dat [medeverdachte 1] de avond van 17 september in [plaats] het woord aanslag heeft gebruikt en vraagt mij waarom ik dan mee naar het vakantiehuisje in [plaats] ga. De reden voor mij om mee te gaan was om wapens te verkrijgen. Uiteindelijk heeft [medeverdachte 1] mij gezegd wat ik moest doen om een wapen te krijgen. Hij zei dat het goed zou komen. Ik ben dom, naïef geweest, maar ik wist niet welke gesprekken [medeverdachte 1] voerde. Als ik datgene wat ik in het dossier heb gelezen van tevoren wist was ik nooit meegegaan. Ik vertrouwde [medeverdachte 1] . Ik verdien straf voor deze domme fout, maar ik wilde geen aanslag plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">U houdt mij voor dat ik heb gezegd dat ik wapengeil ben en vraagt mij waaruit die interesse blijkt. Tot de ochtend voordat wij naar het vakantiehuisje gingen heb ik hier nooit over gesproken. Mijn vrouw loopt buiten met een islam gewaad, ik ook. Wij worden vaak uitgescholden en bedreigd. Het is de bubbel waar ik sinds mijn 16e in zit. Dat maakt dat ik dit wil hebben. Het spelen van games als Call of Duty, alleen maar wapens. Ik begrijp dat het in Nederland raar is, maar in veel landen mag je gewoon een wapen hebben. Zien als bescherming van mijn gezin. Mijn interesse is niet vreemd als u kijkt naar mijn verleden. Het is niet goed, maar wel de reden. Ik ben niet naar het vakantiehuisje gegaan voor de AK 47.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat daar is gebeurd is de beeldvorming omdat de infiltrant dat wilde. Die dag in [plaats] is toneelspel. Ik moest laten zien dat ik zekerheid heb. Hij is daar gekomen met wapens en bomvesten. Ik kijk elke dag video's met dergelijke wapens en vesten. Het was dom van mij, niet goed om daar heen te gaan, maar ik ben gegaan en heb daar toneel gespeeld om een wapen te krijgen. Toen ik daar andere dingen zag schrok ik daarvan. Ik had nog nooit in mijn leven dit in het echt gezien. Ik vond het mooie dingen die ik zag, maar mijn intentie was niet wat het lijkt. Deze dag was nep. Het was verstandig van [medeverdachte 2] dat hij niet mee is gegaan. Bij de ontmoeting in het park op 18 september 2018 heb ik het gesprek niet gevoerd; ik ben niet de leider. [medeverdachte 1] heeft allemaal dingen gedaan en gekocht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft allerlei handelingen verricht. (…) De voorzitter hervat op 6 april 2022 het op de terechtzitting van 5 april 2022 onderbroken onderzoek. (…) De raadsman vraagt of hij, als hij wil verwijzen naar de pleidooien van de andere raadslieden, deze moet hechten aan zijn pleitnota.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter deelt mede dat als de verdediging wil dat de Hoge Raad hier kennis van neemt deze aan de pleitnota gehecht dienen te worden. (…) De voorzitter hervat op 19 april 2022 het op de terechtzitting van 12 april 2022 onderbroken onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts merkt hij op: Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is er nog niet, maar indien de verklaring van de verdachte weerslag heeft op hetgeen wordt aangevoerd, dan geef ik u mee de geluidsopname na te luisteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In mijn pleitnotities heb ik delen uit het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg overgenomen. Ik zal deze passages - met instemming van het hof - niet voordragen, maar vraag het hof deze wel aandachtig te lezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter merkt op de pleitaantekeningen als volledig voorgedragen te beschouwen.’ 10. De pleitnota, overgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 april 2022, houdt onder meer het volgende in (met weglating van een voetnoot): ‘U weet, [verdachte] ontkent en betwist terroristische misdrijven als tenlastegelegd te hebben gepleegd of te hebben willen plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij betwist opzet en oogmerk daartoe. Zijn verklaring als afgelegd ter terechtzitting ten overstaan van uw Hof zal u nog vers in het geheugen liggen. In die verklaring en de door hem in eerste aanleg afgelegde verklaring ligt zijn verdediging besloten. (…) De verklaring(en) van [verdachte] behelzen een “alternatief scenario” dat niet strijdig is met de feiten dan wel bewijsmiddelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gaat er in een strafzaak niet om of het scenario van het Openbaar Ministerie waarschijnlijker is dan het scenario van de verdediging of enig ander scenario. Het gaat er om of uw Hof buiten iedere redelijke twijfel zal kunnen vaststellen dat het ten laste gelegde scenario het enige mogelijke scenario is. Alleen in dat geval kan een veroordeling aan de orde zijn. (…) Sedert de behandeling in eerste aanleg is er ten aanzien van de \"feiten\" niets wezenlijks veranderd, noch de feitenbehandeling door uw Hof noch het requisitoir van het Openbaar Ministerie brachten wezenlijk andere inzichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wel vinden de verklaringen van [verdachte] nader steun in de verklaringen die in hoger beroep zijn afgelegd door de (voormalig) medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Steun die al eerder gevonden kon worden in de verklaring van [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris: (…) Naast de ter terechtzitting van uw Hof met [verdachte] besproken bewijsmiddelen en de grenzen van het bewijsrecht is cruciaal de reikwijdte van de delictsomschrijvingen van het tenlastegelegde en hetgeen het Openbaar Ministerie dient te bewijzen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten aanzien van alle feiten: Terroristisch misdrijf, oogmerk en opzet Ten aanzien van alle feiten is van belang dat het gaat om terroristische misdrijven, het opzet moet daarop gericht zijn en/of het oogmerk daartoe dient te bestaan. (…) Uit het dossier volgt niet dat door [verdachte] enige handeling is verricht met oogmerk of opzet tot, kort gezegd, het begaan van enig terroristisch misdrijf zoals tenlastegelegd. Het wordt, u heeft hem gehoord, ook met klem en expliciet ontkent en betwist. (…) Feit 1 : voorbereidingshandelingen terroristische misdrijven [verdachte] ontkent en betwist niet alleen het terroristisch oogmerk maar ook het opzet op de tenlastegelegde misdrijven moord en brandstichting. Bewijs voor het tegendeel is niet voorgehouden of aangevoerd en niet in het dossier te ontwaren. (…) Ten aanzien van feit 2, deelneming aan een terroristische organisatie (…) Ook hier moet ik mij richten op het opzet en oogmerk alsook de vraag of de bewijsmiddelen de conclusie van een stelselmatig en structureel samenwerkingsverband rechtvaardigen. (…) Daarmee moet ook het oogmerk van de individuele leden van de organisatie gericht zijn op het plegen van terroristische misdrijven! (…) Naast wettig en overtuigend bewijs van een terroristisch oogmerk, waarvoor in het licht van het voorgaande het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, moet sprake zijn van \"een gestructureerd samenwerkingsverband” waarbij \"de deelnemers niet ieder voor zich, maar in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren in de organisatie\".</p>\n<p class=\"lf-p\">De zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen zijn voor de conclusie dat daarvan sprake zou zijn niet aanwezig althans ontoereikend. (…) Feit 3: training als bedoeld in artikel 134a (…) Voor wat betreft het besproken filmpje dat is aangetroffen op een sd kaart van een bodycam zij opgemerkt dat dat filmpje daarop is gekomen ver voor de tenlastegelegde periode. [verdachte] merkte daarover tijdens de behandeling ter terechtzitting over op: \"ik heb niet gekeken met het motief om te trainen\" (…) Enkele algemene opmerkingen over het bewijs (…)</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">d)</span>De creatie van een strafzaak, het dossier [… ] , en de inzet van infiltranten (…) Als gezegd, wordt aangesloten bij de verweren en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen terzake uitlokking en de ontoelaatbare interferentie door de AIVD als gevoerd in de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en zijn daartoe de pleitnotities van Mr Landerloo overgelegd.</div>\n<p class=\"lf-p\">Ook (zelfs) indien uw Hof tot de conclusie zou komen dat [medeverdachte 1] niet is uitgelokt, is in de zaak tegen [verdachte] sprake van uitlokking, immers is [medeverdachte 1] aangezet tot uitlokking van anderen, waaronder [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband verwijs ik in het bijzonder naar de in de pleitnota van Mr Landerloo opgenomen (recente) jurisprudentie van de Hoge Raad en het EHRM (pagina’s 72 e.v.). (…) Dit verweer strekt in de eerste plaats tot niet-ontvankelijkheid wegens uitlokking en mitsdien / of schending van artikel 6 EVRM, subsidiair tot bewijsuitsluiting van al hetgeen door de inzet van de infiltranten aan bewijs is verkregen (the fruits of the forbidden tree) en mitsdien vrijspraak, meer subsidiair tot het voorwaardelijke verzoek tot het horen van de [B] en [C] en het hoofd AIVD en meest subsidiair tot verdiscontering ten faveure van cliënt in de strafmaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voorwaardelijk verzoek strekt ertoe de genoemde getuigen te doen horen teneinde het onderhavige verweer nader aannemelijk te doen worden indien uw Hof overweegt dit te verwerpen wegens onvoldoende feitelijke grondslag.’ De verwerping van de gevoerde verweren 11. Het bestreden arrest houdt inzake de gevoerde verweren het volgende in (met weglating van voetnoten): ‘4. Gevoerde verweren Inleiding Op 27 september 2018 heeft de DSI in deze zaak vier verdachten aangehouden. Deze aanhouding vond plaats nadat zij in een vakantiehuisje in [plaats] handvuurwapens hadden ontvangen van twee undercover politieagenten. Daarvoor hadden zij bomvesten gepast en geoefend met het hanteren van Kalasjnikovs. Deze wapens waren vooraf door de politie onklaar gemaakt. Elders in Nederland zijn nog twee verdachten aangehouden. Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat hiermee een grote terroristische aanslag in Nederland is voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De zes verdachten zijn vervolgd voor het voorbereiden van moord, brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen met terroristisch oogmerk en deelneming aan een terroristische organisatie. De vier in [plaats] aangehouden verdachten zijn bovendien vervolgd voor het deelnemen aan training voor terrorisme.</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg zijn de verdachten voor de tenlastegelegde feiten veroordeeld tot gevangenisstraffen. De veroordelende vonnissen in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1] , (hierna: [medeverdachte 1] ), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ) zijn inmiddels onherroepelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsman van [medeverdachte 1] heeft in zijn strafzaak in eerste aanleg aangevoerd dat hij “in 2017 van. overheidswege is uitgelokt.” Hij heeft daartoe gesteld dat [medeverdachte 1] eerst door twee AIVD-agenten - [C] en [B] - is uitgelokt. Vanaf 11 juni 2018 - toen het politieonderzoek liep - is hij gelijktijdig door deze AIVD-infiltranten en door de politie-infiltrant [A] uitgelokt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Zij heeft daartoe eerst vastgesteld dat er sterke aanwijzingen zijn dat er verband is tussen [C] en [B] enerzijds en de AIVD anderzijds en geconcludeerd dat zij aan die dienst zijn gerelateerd. De rechtbank heeft vervolgens - samengevat weergegeven - overwogen dat niet kan worden vastgesteld of [C] en [B] uitlokking kan worden verweten voorafgaande aan de opsporingsfase. Tijdens de opsporingsfase hebben [C] en [B] - parallel aan de inzet van de politie-infiltrant [A] - [medeverdachte 1] weliswaar beïnvloed maar niet aangezet tot het begaan van strafbare feiten waarop zijn opzet niet reeds was gericht. Niettemin oordeelde de rechtbank dat de AIVD-infiltranten [C] en [B] er actief aan hebben bijgedragen dat [medeverdachte 1] met [A] in contact is gekomen en dat zij [medeverdachte 1] hebben beïnvloed bij het vasthouden aan een bepaald doelwit. Deze niet-toegestane beïnvloeding door de AIVD heeft (alleen) in de zaak tegen [medeverdachte 1] geleid tot het toepassen van strafvermindering. Het vonnis in die zaak is – als gezegd – onherroepelijk. Ten slotte heeft de rechtbank in dit verband overwogen dat [medeverdachte 1] door de politie-infiltrant [A] niet tot handelingen is gebracht waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderhavige zaak heeft de raadsman zich aangesloten bij de verweren zoals gevoerd in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ). Primair is aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op het plegen van een aanslag. De verdachte wist niet eerder dan op 17 september 2018 van het plan van [medeverdachte 1] om een aanslag te plegen. Daaraan heeft hij zijn medewerking geweigerd. Hij wilde wel een wapen bemachtigen. Daartoe is hij met [medeverdachte 1] en anderen naar het vakantiehuisje in [plaats] gegaan, waar hij in het bezit van een vuurwapen is aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat [medeverdachte 1] is uitgelokt door de AIVD-infiltranten en de politie-infiltrant. In het verlengde daarvan hebben deze AIVD-infiltranten [medeverdachte 1] ingezet om ook de verdachte uit te lokken. Ter inleiding op het bespreken van dit verweer gaat het hof eerst in op de gestelde infiltratie door de AIVD en de politie.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.1 De infiltratie Inleiding Vanaf 2002 geeft de Wiv 2002 een regeling voor de werkzaamheden van de AIVD en MIVD. Deze diensten houden zich bezig met de verzameling, analyse en verstrekking van gegevens. Met de invoering van de Wiv 2017 (op 1 september 2017 is de Wiv 2017 deels in werking getreden en per 1 mei 2017 volledig), is beoogd de bevoegdheden van de inlichtingen en veiligheidsdiensten te moderniseren en de wettelijke waarborgen voor de inzet van die bevoegdheden nauwkeurig vast te leggen. Volgens de wetgever is de modernisering van bevoegdheden vereist onder meer vanwege de toenemende terroristische dreiging. Onderkend is daarbij dat effectief functionerende inlichtingen- en veiligheidsdiensten door gebruik te maken van hun ingrijpende bevoegdheden per definitie inbreuk maken op grondrechten, waaronder privacy. Uitgangspunt is dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hun taak in het kader van de nationale veiligheid uitsluitend effectief kunnen uitvoeren, indien dat heimelijk plaatsvindt. De bevoegdheden van de diensten - waaronder de inzet van agenten - zijn onder de oude en huidige wet nagenoeg hetzelfde gebleven. De waarborgen die bij de uitoefening van de bevoegdheden in achtgenomen moeten worden zijn in de Wiv 2017 geregeld. Het toezicht op de rechtmatige uitoefening van bevoegdheden is ondergebracht bij de CTIVD.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van artikel 66 lid 1 Wiv 2017 (voorheen artikel 38 Wiv 2002) kan de AIVD - indien bij de verwerking van gegevens blijkt van gegevens die tevens van belang zijn voor de opsporing van strafbare feiten - daarvan schriftelijk mededeling doen aan de Landelijk Officier Terrorismebestrijding. Op grond van deze bepaling heeft de AIVD in de onderhavige zaak meerdere ambtsberichten uitgebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het ambtsbericht van de AIVD Op 26 april 2018 heeft de AIVD het eerste ambtsbericht uitgegeven aan de Landelijk Officier Terrorismebestrijding. Dit luidt als volgt: “ [medeverdachte 1] (geboren [geboortedatum] 1984 te [plaats] en ingeschreven op [c-straat 2] te [geboorteplaats] ) heeft de intentie om met een groep personen een jihadistisch gemotiveerde aanslag te plegen en treft hiervoor voorbereidingen. De beoogde aanslag is gericht op een groot evenement in Nederland en heeft als doel het maken van veel slachtoffers. [medeverdachte 1] is op zoek naar aanslagmiddelen voor meerdere personen en iemand die hierin kan faciliteren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding van het AIVD ambtsbericht is de officier van justitie onder de naam 26Orem een strafrechtelijk opsporingsonderzoek gestart. Op 18 mei 2018 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126h Sv een bevel tot infiltratie tegen [medeverdachte 1] afgegeven. Op grond van dat bevel heeft het team WOD van de politie een politie-infiltrant ingezet. Deze infiltrant heeft onder de naam [A] per e-mail van 11 juni 2018 contact opgenomen met [medeverdachte 1] op het e-mailadres [e-mailadres] . Daarin schrijft [A] : “I have been appointed by the brothers to help you I believe that you are expecting my mail, so can you confirm that this Is correct? Your brother [A] \".</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot 27 september 2018 hebben [medeverdachte 1] en de politie-infiltrant [A] e-mails en Telegramberichten aan elkaar verstuurd en hebben diverse ontmoetingen plaatsgevonden tussen [A] en (onder anderen) [medeverdachte 1] . Daarop zal het hof hieronder nader ingaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voortraject Eerst gaat het hof in op de stelling van de verdediging dat [C] en [B] aan de AIVD zijn gelieerd. Daartoe beziet het hof onder meer of [C] . en [B] de “brothers” zijn waarop [A] in bovenstaande e-mail van 11 juni 2018 doelt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat [B] op 9 mei 2018 per e-mail aan [medeverdachte 1] schrijft: \"A trustworthy brother was appointed (...) to guide you (...) in the next steps to the party. The brother can reach out very soon (...) .”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 29 mei 2018 bericht [C] per e-mail aan [medeverdachte 1] : \"(...) A brother has been - according to customs - already appointed to serve you and help you further with (candy) (...). He will insha Allah get in touch with you (...). I ask you to fix an Email address as soon as possible for the communication with the brother and send it very soon to Akhi [B] . (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 6 juni 2018 laat [B] per e-mail aan [medeverdachte 1] weten: ” (...) please make a completely new mail address on which the brother can contact you and send it to me soon (…). It will only used by the trusted brother (…) .</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens geeft [medeverdachte 1] op 7 juni 2018 zijn nieuw aangemaakte e-mailadres [e-mailadres] door aan [C] . Op 8 juni 2018 bevestigt [B] aan [medeverdachte 1] zijn nieuwe hotmailadres te hebben ontvangen. Op 8 juni 2018 geeft de AIVD een ambtsbericht uit aan de Landelijk Officier Terrorismebestrijding waarin [e-mailadres] als het e-mailadres waarop [medeverdachte 1] kan worden bereikt wordt verstrekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat de politie-infiltrant [A] zijn eerste e-mail van 11 juni 2018 aan [medeverdachte 1] verstuurt aan het hotmailadres dat [medeverdachte 1] kort daarvoor heeft doorgegeven aan [B] en [C] en dat vervolgens op 8 juni 2018 via een AIVD-ambtsbericht aan het Openbaar Ministerie werd verstrekt. Daaruit leidt het hof af dat [B] en [C] de \"brothers\" zijn waarvan politie-infiltrant [A] spreekt in zijn e-mail van 11 juni 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Illustratief is in dit verband de e-mail van 16 juli 2018 van [B] aan [medeverdachte 1] : \" (...). For now (...) I urge you (...) to keep in contact with our brother [A] , who was specially appointed t o guide you in this task, to carry on.” Verder wijst het hof op de e-mail van 27 juli 2018 van [medeverdachte 1] aan [B] en [C] : “(...) one more brother join too (...). I will mail brother [A] , I inform you and update about any news.” [medeverdachte 1] heeft als getuige in de zaak van de verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat hij door [C] en [B] is voorgesteld aan [A] . Zij hebben tegen [medeverdachte 1] gezegd dat een broeder contact zou opnemen. Nadat [A] per e-mail contact had opgenomen met hem hebben [C] en [B] bevestigd dat de door hun bedoelde broeder [A] heette. Nadien moest [medeverdachte 1] aan [B] terugkoppelen wat hij met [A] had besproken over hoeveel tijd hij nodig had en of hij vorderingen had gemaakt. Hij wist niet wie zij waren en heeft “ze nooit gezien\". Verder heeft [medeverdachte 1] als getuige verklaard dat hij een aanslag wilde plegen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en de verdachte. Hij heeft het plan om een aanslag te plegen op de Gay Pride besproken met [B] en [C] . Dit onderdeel van de RC-verklaring van [medeverdachte 1] vindt steun in overige stukken uit het dossier, waaronder de door zijn raadsman ter terechtzitting in eerste aanleg overgelegde e-mailwisseling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Over de gestelde AIVD-infiltratie heeft de Landelijk Officier van Justitie terrorismebestrijding, inlichtingen en veiligheidsdiensten en WOD (hierna: LOVJ) een proces-verbaal van bevindingen opgesteld. Deze LOVJ functioneert ten tijde van het ambtsbericht van 26 april 2018 (en nadien verstrekte ambtsberichten) als de officier van justitie als bedoeld in artikel 66 van de Wiv 2017. In het proces-verbaal heeft hij onder meer verklaard dat hij de mededelingen in de ambtsberichten van de AIVD op grond van artikel 66 lid 4 Wiv 2017 heeft getoetst aan de hand van alle aan die mededeling ten grondslag liggende gegevens. Voorafgaand en tijdens het strafrechtelijk onderzoek is hij meermalen bijgepraat over de voortgang van het inlichtingenonderzoek en heeft hij inzage gehad in de onderzoeksresultaten. Tijdens een bijeenkomst in mei 2018 is de nog in te zetten politie-infiltrant door medewerkers van de AIVD geïnformeerd over - onder meer - welke soort explosieven doorgaans worden gebruikt door jihadisten en welke grondstoffen hiervoor nodig zijn. Er is gesproken over TATP en een ANFO-bom, waarbij kunstmest wordt gebruikt. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] tezamen met de medeverdachte [medeverdachte 4] op 7 september 2018 een aantal zakken kunstmest heeft opgehaald die door het team WOD waren klaargelegd. De illusie was gewekt dat deze zakken kunstmest geschikt waren voor het maken van bommen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is de LOVJ als getuige ten overstaan van de raadsheer-commissaris gehoord. Als getuige heeft de LOVJ verklaard dat informatie die naar de opsporing gaat, alleen door de LOVJ wordt getoetst. Als de AIVD een ambtsbericht opstelt dan krijgt hij de onderliggende informatie op schrift en kan hij beoordelen of de inhoud van het ambtsbericht juist is. Hij is over het AIVD onderzoek naar [medeverdachte 1] en anderen geïnformeerd voorafgaande aan het politieonderzoek 26Orem. Zijn beeld is dat de AIVD concrete inlichtingen heeft verzameld tegen deze verdachten en dat die hebben geleid tot het onderzoek 26Orem.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie Op grond van het bovenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - gaat het hof er veronderstellenderwijs verder van uit dat [B] en [C] gelieerd zijn aan de AIVD en door deze dienst zijn ingezet om voorafgaand aan het AIVD-ambtsbericht van 26 april 2018 contact met [medeverdachte 1] te onderhouden en nadien te blijven onderhouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Parallel onderzoek door AIVD en Openbaar Ministerie De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de AIVD zijn activiteiten afstemde op het politieonderzoek. Tevens heeft de politie bepaalde opsporingshandelingen achterwege gelaten om informatie van de AIVD te kunnen gebruiken. Bovendien is de politie-infiltrant [A] ongeoorloofd beïnvloed door de AIVD. Het afgestemde onderzoek heeft een bepalende invloed gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek tegen de verdachte. De communicatie van [medeverdachte 1] met deze politie-infiltrant moet worden uitgesloten van het bewijs.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gezegd voorziet artikel 66 lid 1 Wiv 2017 in een bevoegdheid op grond waarvan de AIVD gedurende een door de dienst uitgevoerd onderzoek een mededeling aan het Openbaar Ministerie kan doen van door een dienst verwerkte gegevens die mogelijk van belang kunnen zijn voor de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Daarmee heeft de wetgever de mogelijkheid onderkend dat - enige tijd na het uitbrengen van een ambtsbericht - gelijktijdig een strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt en het onderzoek van de dienst doorloopt. De Hoge Raad overwoog in HR 13 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2553 dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat zowel een inlichtingen- en veiligheidsdienst als het Openbaar Ministerie of een opsporingsdienst elk voor zich - en daardoor mogelijk parallel - onderzoek doet naar bepaalde personen of groeperingen, indien daartoe vanuit de vervulling van hun taak aanleiding bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de onderhavige zaak heeft de AIVD vanaf 26 april 2018 ambtsberichten uitgegeven en - zo heeft het hof hiervoor veronderstellenderwijs aangenomen - de reeds lopende infiltratie door [B] en [C] na die datum voortgezet. Zo overweegt het hof dat [B] en [C] tot 24 september 2018 per e-mail contact hebben onderhouden met [medeverdachte 1] , ook nadat [medeverdachte 1] ontmoetingen met politie-infiltrant [A] heeft gehad en per e-mail met hem heeft gecorrespondeerd. Er is aldus gedurende ruim drie maanden parallel contact geweest tussen [medeverdachte 1] en [A] en tussen [medeverdachte 1] en [C] en/of [B] . Voor die voortzetting biedt de Wiv 2017 naar het oordeel van het hof voldoende wettelijke grondslag. Het Openbaar Ministerie is naar aanleiding van het ambtsbericht van 26 april 2018 een opsporingsonderzoek gestart. Er heeft aldus - gelet op de door het hof gedane aanname - gelijktijdig onderzoek door de AIVD en het Openbaar Ministerie plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beïnvloeding van het politieonderzoek De AIVD heeft de LOVJ zowel voorafgaand aan als tijdens het onderzoek 26Orem op de hoogte gehouden van de inlichtingenonderzoeken naar [medeverdachte 1] . Dit geschiedde meestal mondeling. De LOVJ is aanwezig geweest bij briefings van het onderzoeksteam van de AIVD.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie en het Openbaar Ministerie hebben de AIVD via het zogenaamde AOT op de hoogte gehouden van opvolging die aan ambtsberichten werd gegeven. Het AOT dat plaatsvindt op grond van artikel 93 lid 2 Wiv 2017 is een periodiek overleg tussen de AIVD, het Openbaar Ministerie en de politie waarin op operationeel niveau gesproken wordt over contraterrorisme-onderzoeken van de AIVD en opsporingsonderzoeken die over en weer raakvlakken (kunnen) hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het dossier blijkt dat na het uitbrengen van het ambtsbericht van 26 april 2018 regelmatig overleggen hebben plaatsgevonden tussen de zaaksofficier van justitie in het onderzoek 26Orem en de LOVJ. De LOVJ heeft verklaard dat de zaaksofficier van justitie hem informeerde over het politieonderzoek, maar hij geen AIVD informatie met de zaaksofficier van justitie deelde. Niet op schrift gestelde informatie die vanuit de AIVD wordt gedeeld in een AOT wordt nimmer gedeeld met de zaaksofficier van justitie, het opsporingsteam of de bij de opsporing betrokken leden van het team WOD. Dit is in de onderhavige zaak ook niet gebeurd. Hij heeft alleen in het AOT besproken dat er een parallel onderzoek loopt. Wel geldt - aldus de LOVJ - in het algemeen dat indien de AIVD informatie heeft die de politie niet heeft maar wel relevant is, de AIVD kan besluiten die te delen. Op grond van de Wiv 2017 mag de AIVD informatie delen met de opsporing. Dan wordt een ambtsbericht uitgebracht. Hij heeft verder verklaard dat de AIVD een inlichtingendienst is die altijd onderzoek doet om anderen in staat te stellen handelend op te treden. Inlichtingenonderzoek dient echter niet de opsporing. Beide organisaties beogen terroristische aanslagen te voorkomen. Waar de grens ligt met het verbod om ten dienste van de opsporing onderzoek te doen is - aldus nog steeds de LOVJ - in algemene zin niet zo makkelijk te beantwoorden. Wat niet mag is het inzetten van middelen met een ander doel.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is geweest van ontoelaatbare interferentie door de AIVD. Naar de kern komt deze stelling erop neer dat de politie bewust heeft nagelaten om bepaalde opsporingshandelingen in te zetten om gebruik te kunnen maken van het mede door de AIVD ingezette en beïnvloede infiltratietraject en daaruit voortvloeiende informatie, zonder dat de verdediging daarop controle kan uitoefenen. Daarbij wijst de verdediging erop dat het opsporingsteam van de politie bij de inzet van de politie-infiltrant [A] al het sterke vermoeden moet hebben gehad dat [C] een AIVD-infiltrant was, maar geen onderzoek naar [C] heeft ingezet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in HR 13 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2553: \"De wetgever heeft een duidelijk juridisch en feitelijk onderscheid voor ogen gestaan tussen enerzijds het optreden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en anderzijds het optreden van de opsporingsdiensten, waarbij de onderscheiden bevoegdheidstoedeling niet in de weg staat aan informatieverstrekking door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten aan de opsporingsdiensten en andersom. Op grond van de WIV 2002 zijn wederkerige contacten tussen de verschillende diensten mogelijk, maar daarbij geldt dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten bevoegdheden uitsluitend voor de eigen taakstelling mogen aanwenden. De WIV 2002 verleent evenwel aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de discretionaire bevoegdheid tot het verstrekken van informatie aan hef openbaar ministerie.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inlichtingen- en veiligheidsdiensten zijn daarin autonoom en dienen binnen het wettelijk kader een eigen afweging te maken. De WIV 2002, noch het doel of de strekking van deze wet, verzet zich tegen informatieverstrekking op verzoek van het openbaar ministerie, of de opsporingsdiensten. Voorts belet geen rechtsregel het openbaar ministerie of de opsporingsdiensten nadere informatie aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten te vragen. Daarbij verdient echter opmerking dat het met het oog op het buiten toepassing laten van strafvorderlijke waarborgen doelbewust niet aanwenden van opsporingsbevoegdheden teneinde gebruik te kunnen maken van door een inlichtingen- en veiligheidsdienst vergaarde informatie, evenals het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst aanwenden van zijn bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden,, in strijd is met de. wet (vgl.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 5 september 2006, LJN AV4122, NJ 2007, 336, rov. 4.7.2 en 6.4.2.).”</p>\n<p class=\"lf-p\">De vraag is of het Openbaar Ministerie doelbewust opsporingsbevoegdheden heeft nagelaten aan te wenden - het ongemoeid laten van [C] - teneinde gebruik te maken van door de AIVD vergaarde informatie tegen [medeverdachte 1] en in het verlengde daarvan tegen de verdachte, terwijl de verslaglegging niet kan worden gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat het opsporingsonderzoek is gestart op basis van een AIVD-ambtsbericht van 26 april 2018 waarin wordt gesproken over een geplande aanslag. Vervolgens is naar aanleiding van ontwikkelingen in het strafrechtelijke onderzoek - waarin de AIVD inzage had - het hiervoor al aangehaalde AIVD-ambtsbericht van 8 juni 2018 aan het Openbaar Ministerie uitgegeven waarin het nieuwe e-mailadres van [medeverdachte 1] is gedeeld. Aansluitend nam de politie-infiltrant [A] contact op met [medeverdachte 1] , die enige tijd later gelijktijdig een e-mail heeft gestuurd aan de politie-infiltrant [A] en aan [C] en [B] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt dat deze drie infiltranten als een eenheid aan [medeverdachte 1] zijn gepresenteerd. [B] en [C] versterkten de positie van de politie-infiltrant [A] . Zo heeft - aldus de verdediging - het Openbaar Ministerie gebruik gemaakt van informatie die voortkwam uit het mede door de AIVD ingezette infiltratietraject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] per e-mail contact heeft onderhouden met [B] en [C] . Hij heeft hen nooit ontmoet. [B] en [C] hebben de politie-infiltrant [A] nooit ontmoet en ook overigens geen rechtstreeks contact met hem onderhouden. Van rechtstreeks contact of informatie-uitwisseling tussen enerzijds de politie-infiltrant [A] en anderzijds [B] en [C] is niet gebleken. De e-mails van [B] en [C] aan [medeverdachte 1] zijn in eerste aanleg ter terechtzitting door de raadsman van [medeverdachte 1] overgelegd en waren voordien niet bekend bij de zaaksofficier van justitie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indien bij de zaaksofficier van justitie tegen deze achtergrond het vermoeden heeft bestaan - het hof kan dat op grond van het dossier niet vaststellen - dat de AIVD een inlichtingenonderzoek tegen [medeverdachte 1] liet doorlopen, dan is dit enkele vermoeden en het nalaten op grond daarvan strafvorderlijk op te treden tegen de veronderstelde AIVD-infiltrant [C] gedurende het parallelle onderzoek onvoldoende om te kunnen spreken van het doelbewust niet aanwenden van opsporingsbevoegdheden teneinde gebruik te maken van door de AIVD vergaarde informatie als bedoeld in het aangehaalde arrest. De veronderstelling dat een parallel AIVD-onderzoek liep - tegen welk onderzoek zich op grond van het aangehaalde arrest geen rechtsregel verzet - zou de zaaksofficier van justitie eerder nopen tot enige terughoudendheid om tegen [C] op te treden.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grens is in het aangehaalde arrest bepaald: de zaaksofficier van justitie mocht [C] niet doelbewust met rust laten om - zonder kenbare en controleerbare verslaglegging - van zijn informatie gebruik te kunnen maken. Van overschrijding van die grens is niet gebleken. Door de inzet van de politie-infiltrant [A] is de zaaksofficier van justitie voldoende zelfstandig, dat wil zeggen met hoogstens marginale invloed van [B] en [C] , van informatie voorzien. Vanaf de e-mail van 18 juni 2018 en de ontmoeting op 5 juli 2018 heeft de politie-infiltrant veelvuldig contact gehad met [medeverdachte 1] . De politie-infiltrant is onder verantwoordelijkheid van de zaaksofficier van justitie geïnstrueerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop heeft de LOVJ geen invloed gehad. Nadat [medeverdachte 1] bij die ontmoeting tegen de politie-infiltrant heeft gezegd dat hij een aanslag wilde plegen die veel slachtoffers zou maken, heeft de politie-infiltrant zijn contact met [medeverdachte 1] ook zelfstandig behouden. Voor strafrechtelijk relevante informatieverstrekking door [C] aan de zaaksofficier van justitie zijn onvoldoende aanwijzingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Illustratief over de wijze waarop [C] [medeverdachte 1] benaderde is hetgeen [medeverdachte 1] zegt tegen de politie-infiltrant [A] over [C] op 17 september 2018: \" [C] . Hij wist dat ik ergens mee bezig was maar hij was ook heel voorzichtig omdat hij wist dat ik ook heel voorzichtig was. Als hij niet voorzichtig zou zijn dan zou ik afstand van hem nemen. Dus zei hij altijd, broeder, als je wat nodig hebt, ik ben je broeder en als je wat nodig hebt, dan kun je er altijd om vragen. Alleen dat, elke keer weer. Broeder als je wat nodig hebt, dan kun je er om vragen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Strafrechtelijk relevante informatie verkreeg de zaaksofficier van justitie via de politie-infiltrant [A] . De bijdrage aan de informatiepositie van de zaaksofficier van justitie over de voorgenomen aanslag door de aan het dossier toegevoegde e-mails van [C] en [B] aan [medeverdachte 1] (die weer in contact stond met de politie-infiltrant) waren daaraan zeer ondergeschikt. De op verzoek van de verdediging ter terechtzitting van het hof gehoorde getuige [medeverdachte 1] heeft op de e-mailwisseling noch op gestelde overige communicatie met [B] en [C] ander licht geworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie Gelet op het feit dat: i) de zaaksofficier van justitie met de politie-infiltrant [A] een goede informatievoorziening had; ii) [C] ten opzichte van [medeverdachte 1] heel voorzichtig was en het initiatief aan hem liet; en iii) de indirecte bijdrage van [C] aan de informatiepositie van de zaaksofficier van justitie (e-mails aan [medeverdachte 1] die in contact stond met de politie-infiltrant) zeer gering was, is het niet aannemelijk geworden dat de zaaksofficier van justitie [C] doelbewust strafvorderlijk met rust liet om - voor de verdediging oncontroleerbaar - van door hem verkregen informatie gebruik te kunnen maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beïnvloeding opsporingsonderzoek Het hof overweegt naar aanleiding van de stelling van de verdediging - en de overwegingen van de rechtbank - dat het handelen van de AIVD een vorm van niet-toegestane beïnvloeding van het opsporingsonderzoek betreft het volgende. Op de vraag of [medeverdachte 1] en daarmee ook de verdachte door het optreden van de AIVD is gebracht tot andere handelingen dan waarop zijn opzet gericht was, wordt hierna ingegaan. In deze overweging gaat het om het gestelde détournement de pouvoir in een aan het opsporingsonderzoek parallel verlopend onderzoek. In het hiervoor geciteerde arrest HR 13 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2553 wordt daaromtrent overwogen dat: \"het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst aanwenden van zijn bevoegdheden voor strafvorderlijke doeleinden, in strijd is met de wet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat [medeverdachte 1] in de periode van 24 april 2018 tot en met 24 september 2018 door middel van e-mail contact heeft gehad met [B] en [C] . Het opsporingsonderzoek is aangevangen op 26 april 2018. De politie-infiltrant [A] heeft voor het eerst op 11 juni 2018 per e-mail contact gezocht met [medeverdachte 1] , waarna zij elkaar op 5 juli 2018 voor de eerste maal hebben ontmoet. Bij die ontmoeting refereert [medeverdachte 1] aan [B] en [C] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De hieronder weergegeven e-mailwisseling vindt dan ook plaats voordat [medeverdachte 1] en de politie-infiltrant [A] elkaar ontmoetten en [medeverdachte 1] voor het eerst aan hem vertelt over zijn voornemen een aanslag te plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 9 mei 2018 laat [B] aan [medeverdachte 1] weten dat: \"A trustworthy brother was appointed by our Ahibba to guide you (....) in the next. steps to the party.” [medeverdachte 1] heeft per e-mail van 28 mei 2018 aan [B] het volgende bericht: “(...) for us doest matter anymore where we party,, here in hollanf or somewhere ealse.. you decide whats easy for you guys for bringing real candy (hof: met de term candy bedoelde [medeverdachte 1] wapen en aanslag) ,, if you guys are able to bring candy here, that not a problem for us,, first we were planing to join militaire parade,, later we want join gay parade in aug, but also thinking sometime to visit the french, help us akhi,, lets make a goodplan and stay stick to it. (...)\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof begrijpt deze e-mail aldus dat [medeverdachte 1] uiteenzet welke opties voor het plegen van een aanslag de revue zijn gepasseerd en nu [B] om hulp vraagt bij het maken van een goed plan om daarbij te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop stuurt [C] op 29 mei 2018 een e-mail aan [medeverdachte 1] : \"(...) As my dear brother [B] (...) informed you. everything is going good and we have insha Allah to start the next important work.</p>\n<p class=\"lf-p\">A brother has been -according to customs- already appointed to serve you and help you further with (candy) bi Idhni Allah.</p>\n<p class=\"lf-p\">He will insha Allah get in touch with you. that's why we have to stick to the plan (gp) in august which is actually a good cause, according to our Shari brothers (...) \"</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierin neemt [C] een van de suggesties van [medeverdachte 1] over, namelijk de Gay Pride in augustus als doel van een aanslag. Hij bevestigt het voorstel van [medeverdachte 1] daaraan (“gp\") vast te houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na verdere e-mailwisseling tussen [C] en/of [B] en [medeverdachte 1] , schrijft [medeverdachte 1] per e-mail van 29 juni 2018 aan [B] en [C] het volgende: “akhi i wont give up, but i need now a little bit more time,, (...), but first i have to something, dont worry akhi, it wont take years,, my plan militair,, i know where they train.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze e-mail mochten [B] en [C] - als gezegd: veronderstellenderwijs verbonden aan de AIVD - aldus begrijpen dat [medeverdachte 1] wat meer tijd nodig heeft, maar nu eerst iets anders heeft namelijk een plan dat betrekking heeft op militairen die trainen op een voor hem bekende locatie. Daaruit kon worden afgeleid dat [medeverdachte 1] op korte termijn een aanval zou kunnen uitvoeren op militairen of op langere termijn een aanslag zou kunnen plegen op bijvoorbeeld de Gay Pride (in augustus). Naar het oordeel van het hof kan uit de ter terechtzitting in eerste aanleg door de verdediging van [medeverdachte 1] overgelegde e-mails - welke in het onderhavige dossier zijn gevoegd - worden afgeleid dat [B] en [C] het contact met [medeverdachte 1] na de e-mail van 29 juni 2018 enige tijd intensiveerden totdat hij op 5 juli 2018 de politie-infiltrant [A] had ontmoet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof herhaalt dat de AIVD op grond van artikel 8 lid 2 sub a Wiv 2017 tot taak heeft onderzoek te verrichten met betrekking tot personen die de staatsveiligheid in gevaar brengen. Indien voor deze taak van belang, kan de AIVD op grond van artikel 41 lid 1 Wiv 2017 agenten inzetten die werken onder dekmantel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mede tegen de achtergrond van eerdere aanslagen op militairen in Europa, zoals bijvoorbeeld de alom bekende terroristische aanslag van 22 mei 2013 op een Britse militair net buiten de kazerne in Londen, is de AIVD zijn in de artikel 41 lid 1 Wiv 2017 beschreven bevoegdheid niet te buiten gegaan door naar aanleiding van zijn e-mail van 29 juni 2018 in het parallelle onderzoek gericht gegevens omtrent [medeverdachte 1] te verzamelen ter voorkoming van een aanslag op korte termijn en daarmee - onvermijdelijk - enige invloed op de per 11 juni 2018 daadwerkelijk aangevangen strafrechtelijke infiltratie jegens [medeverdachte 1] uit te oefenen. Het intensiveren van het e-mail contact om [medeverdachte 1] van zijn aanslag op militairen af te houden en de aanmoediging om bij het plan te blijven om contact op te nemen met “een trustworthy brother” die hem bij de volgende stappen zou begeleiden (in plaats van nu een aanslag te plegen), had mede tot gevolg dat het op 5 juli 2018 tot een ontmoeting met de politie-infiltrant [A] kwam. Hiermee heeft de AIVD zijn bevoegdheden niet aangewend voor strafvorderlijke doeleinden, maar om een aanslag op korte termijn te voorkomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat het contact tussen [medeverdachte 1] en de politie-infiltrant [A] na hun ontmoeting op 5 juli 2018 een steviger basis krijgt, houden [C] en [B] regelmatig contact met [medeverdachte 1] per e-mail. [C] en [B] sturen toen religieuze teksten, berichten van de Ahibba en dromen. Niet is gebleken dat in die fase beïnvloeding van de strafvorderlijke infiltratie heeft plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie De conclusie is dat niet aannemelijk is geworden dat het Openbaar Ministerie doelbewust opsporingsbevoegdheden heeft nagelaten aan te wenden teneinde gebruik te maken van door de AIVD vergaarde informatie tegen [medeverdachte 1] en in het verlengde daarvan tegen de verdachte. Wel is aannemelijk geworden dat de veronderstelde AIVD-infiltranten - bij hun inzet om een aanslag op korte termijn te voorkomen - tevens korte tijd enige invloed hebben uitgeoefend op het politieonderzoek. Hierbij is niet gebleken dat de AIVD zijn bevoegdheden heeft aangewend voor strafvorderlijke doeleinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er is dan ook geen sprake van enig vormverzuim. Het hof overweegt tevens dat deze kortdurende invloed van de AIVD-infiltranten bovendien op het politieonderzoek geen bepalende invloed heeft gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek tegen de verdachte en van de tenlastegelegde feiten. Het verweer tot bewijsuitsluiting wordt verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Uitlokking Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen over de interferentie tussen het veronderstelde AIVD-onderzoek door [B] en [C] en het politieonderzoek bespreekt het hof het uitlokkingsverweer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Inleiding De verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 1] is uitgelokt door [B] en [C] en - later - ook door de politie-infiltrant [A] . Dit heeft ook tot de uitlokking van de verdachte geleid, hoewel hij geen contact heeft gehad met de infiltranten. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheidverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging dan wel tot bewijsuitsluiting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 41 lid 5 Wiv 2017 bepaalt dat een agent bij de uitvoering van de instructie door zijn optreden een persoon niet mag brengen tot ander handelen betreffende het beramen of plegen van strafbare feiten, dan waarop diens opzet tevoren reeds was gericht. Artikel 126h lid 2 Sv bepaalt dat een infiltrant bij de uitvoering van het bevel tot infiltratie een persoon niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder refereert het hof aan de overwegingen van de Hoge Raad in HR 6 februari 2018 ECLI:NL:HR:2018:155: \"De Hoge Raad stelt voorop dat de inzet van infiltranten niet toelaatbaar is, indien hierdoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak wordt tekortgedaan. Daarvan is sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441, inzake het zogenoemde Tallon-criterium).</p>\n<p class=\"lf-p\">De middelen doen een beroep op de rechtspraak van het EHRM betreffende het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht van de verdachte op een eerlijk proces, in overeenstemming waarmee het Tallon-criterium dient te worden toegepast. Zij berusten onder meer op de opvatting dat de inzet van infiltranten uitsluitend toelaatbaar is als de verdachte reeds een begin heeft gemaakt met de gedragingen die hem (uiteindelijk) worden verweten. Die opvatting is echter in haar algemeenheid onjuist. Ook uit de rechtspraak van het EHRM - waarvan de inhoud is weergegeven en besproken in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.3 tot en met 5.18 - volgt dit niet, nu deze rechtspraak immers inhoudt dat de inzet van infiltranten toelaatbaar is, indien de betrokkene zich inlaat met criminele activiteiten of indien zijn opzet reeds tevoren op het plegen van een misdrijf was gericht (\"had been involved in criminal activity or was predisposed to commit an offence\"). De. middelen falen in zoverre.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Recent heeft de Hoge Raad in HR 8 december 2020 ECLI:NL:HR:2020:1964 overwogen: \"Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat door met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces die niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat in de bewoordingen van het Europees Hof voor de rechten van de mens - “the proceedings. as a whole were not fair”. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht. (Vgl. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889). De omstandigheid dat niet de verdachte, maar zijn medeverdachte contact had met een opsporingsambtenaar dan wel een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, sluit niet uit de mogelijkheid dat (ook) de verdachte door die opsporingsambtenaar of deze andere persoon is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Verslaglegging De verdediging heeft aangevoerd dat verslaglegging van de “AIVD-kant” van het afgestemde traject niet voor de verdediging is te controleren. Daardoor kan de verdediging de uitlatingen van [medeverdachte 1] tegenover de politie-infiltrant [A] niet op betrouwbaarheid toetsen, terwijl die een belangrijk bewijsmiddel zijn in de strafzaak tegen de verdachte. Zijn uitlatingen zijn verregaand beïnvloed door het AIVD-traject.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat hiervoor is vastgesteld dat niet is gebleken dat de grenzen van het optreden van de AIVD of het Openbaar Ministerie ten aanzien van de parallelle onderzoeken als bedoeld in HR 13 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2553 zijn overschreden. De stelling van de verdediging dat [medeverdachte 1] zijn uitlatingen tegen de politie-infiltrant [A] deed als gevolg van de duur en intensiteit van zijn contacten met de AIVD-agenten en de wijze waarop hij door hen is misleid vindt onvoldoende steun in het dossier en is ook overigens niet aannemelijk geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt verder dat de rechtmatigheid van het optreden van de AIVD door de CTIVD wordt getoetst. Het is niet aan de LOVJ om de rechtmatigheid van de gegevensverzameling die ten grondslag ligt aan het ambtsbericht, alsmede het waarheidsgehalte van de informatie in het ambtsbericht te controleren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Niettemin heeft de LOVJ drie processen-verbaal van bevindingen opgesteld waarin hij - voor zover mogelijk gelet op de geheimhoudingsplicht van artikel 135 Wiv 2017 - heeft uiteengezet in hoeverre de AIVD betrokken is geweest in de aanloop naar en gedurende de loop van het politieonderzoek 26Orem. Verder is de LOVJ ten overstaan van de raadsheer-commissaris als getuige gehoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder meer is daarin bevestigd dat de LOVJ de door de AIVD aan hem verstrekte informatie voor het uitgeven van een ambtsbericht heeft getoetst en daarnaar tevens met \"strafvorderlijke blik\" heeft gekeken. Daarnaast heeft de LOVJ met dezelfde blik naar de onderliggende stukken van de ambtsberichten gedurende het parallelle onderzoek gekeken. Bij het toetsen van de verstrekte gegevens heeft de LOVJ niet alleen de belangen van de persoon waarop het ambtsbericht ziet in aanmerking genomen, maar ook die van derden. Ten slotte heeft de LOVJ ook overige informatie van de AIVD, die niet aan een ambtsbericht ten grondslag lag, met \"strafvorderlijke blik\" bekeken. Daartoe behoorde ook informatie waarvan de rechtbank heeft aangenomen dat die voortkwam uit contact tussen [medeverdachte 1] en de AIVD. Zijn conclusie was dat er niets is gebeurd wat niet zou mogen. Hij heeft op geen enkel moment gezien dat de verdachten zijn uitgelokt tot het verrichten van handelingen die ze niet zouden hebben gepleegd als de AIVD niets zou hebben gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat, hoewel de verslaglegging van het optreden van de AIVD niet volledig is te controleren, de verdediging in de gelegenheid is geweest de basis van het onderzoek - het ambtsbericht van 26 april 2018 - en de veronderstelde inzet van de AIVD gedurende het parallelle onderzoek in zekere mate te toetsen. Daaruit is gebleken dat de LOVJ ook gedurende het parallelle onderzoek informatie van de AIVD over het onderzoek naar [medeverdachte 1] , maar ook over derden, heeft getoetst tegen de achtergrond van hetgeen in het Wetboek van Strafvordering is bepaald. Daarbij zijn geen onregelmatigheden gebleken. Het hof stelt verder vast dat uit de aan het dossier toegevoegde e-mails van [B] en [C] niet blijkt dat het bepaalde in artikel 41 lid 5 Wiv 2017 is geschonden. Uit de tekst van deze e-mails, waarbij het hof opmerkt dat alleen schriftelijk is gecommuniceerd, blijkt niet dat [medeverdachte 1] door [B] en [C] tot het voornemen tot het plegen van een aanslag is gebracht. Het hof tekent hierbij ten overvloede nog aan dat [medeverdachte 1] ter terechtzitting in eerste aanleg (in zijn eigen zaak) is gevraagd om zijn stelling dat hij onder druk is gezet en is gehersenspoeld toe te lichten, onder meer aan de hand van de door zijn raadsman overgelegde e-mails. [medeverdachte 1] heeft zich toen op zijn zwijgrecht beroepen. Ook de verklaring van [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep over deze e-mails is niet concreet geworden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Het gebruik van de communicatie tussen [medeverdachte 1] en de politie-infiltrant en de directe resultaten daarvan voor het bewijs is - anders dan de verdediging heeft aangevoerd - niet in strijd met het beginsel van een fair trial.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uitlokking politie-infiltrant Zoals hiervoor al is vermeld, heeft de politie-infiltrant [A] op 11 juni 2018 per e-mail contact opgenomen met [medeverdachte 1] . De infiltrant schreef: “I have been appointed by the brothers to help you I believe that you are expecting my mail, so can you confirm that this Is correct? Your brother [A] ”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zij ontmoeten elkaar op 5 juli 2018 in [geboorteplaats] . Het gesprek tussen hen is door de politie-infiltrant opgenomen. [A] zegt tegen [medeverdachte 1] (vertaald): \"Goed, want wat ik kan doen... het is voor mij moeilijk om jou een plan te geven als ik het plaatje niet weet, ik weet niet wat goed is. Dat moet van jou komen. Maar als je er eentje hebt, Inshallah (zo God het wil) zal ik je helpen en het beter maken zoals ik dat kan. Dus als je een plan hebt en je zegt, bijvoorbeeld, ik wil dit en ik wil dat, dan ben ik in staat om te zeggen: ok dat is goed. Maar dan is dit nodig, haal dat weg, we doen het hier en op deze manier om te zorgen dat de aanval beter wordt.” [medeverdachte 1] zegt dan: \"Ik doe het alleen. Ik heb alleen mijn auto nodig, begrijp je, voor een grote bom, ja mijn auto. (...) Ik weet een paar plekken, ik weet hoe, hoe ..ntv.. misschien leren om met Kalasjnikov.. (...) En ondertussen vriend, werk ik nog steeds aan een plan over hoe en waar (...) En tot nu toe zijn mijn plannen twee keer door broeders kapotgemaakt (...) Als ze meedoen, okay, goed en als je niet mee doet, ook okay. Het is namelijk mijn plan. Dan gaat het gebeuren zoals ik wil. (...) het maakt me niet uit wanneer en wat. Ik zou echt heel graag willen dat het dit jaar gebeurt (...) Ja. Ennuh als jij, als jij hier, daar banden hebt, van broeders, die het misschien beter weten. Voor mij, wollah (bij Allah,) maakt de plek niet uit. Ik heb het ook aan [C] gevraagd, zelfs in Frankrijk, mij maakt het niet uit. (...) Maar als je, als je om je heen vraagt, denk met me mee, vriend. Als je broeders hebt, die als je dat weet ok, die een betere locatie weten en ondertussen, deze week probeer ik het nog een laatste keer met een paar broeders. Voor de laatste keer. Ik heb het tegen ze gezegd. Als je meedoet, best. Zo niet, dan verbreek ik het contact met ze. Omdat, niet omdat ze het niet doen maar puur voor mijn eigen veiligheid (...)\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de volgende ontmoeting op 12 augustus 2018 heeft de politie-infiltrant tegen [medeverdachte 1] gezegd: “'Dus wat is er gebeurd, de laatste keer dat we elkaar ontmoetten, zei je, misschien 2 jongens, ik weet het niet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarop antwoordt [medeverdachte 1] :</p>\n<p class=\"lf-p\">We zijn nu met z’n vijven. (...) Want, broeder, deze broeders, zoals ik al zei, ik ken ze al lang. (...) ze wonen in [geboorteplaats] , buiten [geboorteplaats] .. (...). Maar ik heb ze alles over jou verteld. (...). Ze kwamen met een idee, er is ...festival. Te veel festivals. Te veel popfestivals. Ik zei ok. Ik zei, jongens, weten jullie zeker wat jullie willen doen? Hebben jullie, de zeker, de yagien (zekerheid) in jullie hart. (...). Een van hun vragen was, hoe snel kun je die dingen leveren die wij nodig hebben?”</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarop de politie-infiltrant antwoordt: “Het hangt ervan af wat je nodig hebt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">En [medeverdachte 1] zegt: “Wat wij nodig hebben, broeder, wat zij willen omdat het een festival is, willen wij een AK, Kalasjnikov .. Ja, want zij willen als een gek gaan schieten (...) Dus vijf (5), voor iedereen. (...) Als, als ze, ze ze, toch, wat als onze Kalashnikov stopt. We hebben een kleine nodig. (...) Een kleine voor het geval dat, want wat er ook gebeurt, wij willen ons niet overgeven. (...) En heb je een vest? (...). En indien mogelijk... over een auto. Ze vroegen zich af hoe reëel het is met een auto. (...) .Wat zij willen, is een auto. Broeder, wij willen gewoon ..ntv... schade veroorzaken. Ok. Omdat we ons op een festival richten, weet je, na het festival en je hebt duizend mensen, wanneer we ons op het festival richten, zetten we ook een heel grote auto in een andere stad neer. En voordat we naar het festival gaan, blazen we die gewoon op en dan doen we in het festival. Ik zei je, en we verspreiden ons, weetje, we maken een soort van cirkel om het festival heen. Het is een open festival.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij de ontmoeting op 30 augustus 2018 heeft [medeverdachte 1] op de vraag van de politie-infiltrant: \"heb je nog iets bekeken sinds de vorige keer, inzake evenementen?\" geantwoord: \"Dat is geen probleem. Broeder, er zijn er zo veel...” Waarop de politie-infiltrant zegt: \"Dus als jij het zegt, we hebben een evenement gevonden in september, we hebben er eentje in oktober gevonden. Dus we weten, ok, het zal ergens in oktober zijn. En dan kun je iets vinden wat dichterbij is. Dan begin ik met voorbereiden van uhh...”</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en de politie-infiltrant - die, met uitzondering van het gesprek op 18 september 2018, auditief zijn opgenomen - dat het initiatief om een aanslag te plegen van [medeverdachte 1] komt. De politie-infiltrant maakt vanaf het eerste contact duidelijk dat het initiatief bij [medeverdachte 1] ligt en hij slechts kan faciliteren als [medeverdachte 1] aangeeft wat zijn concrete plannen zijn. [medeverdachte 1] ontvouwt die plannen vervolgens en de politie-infiltrant deelt mede wat hij kan regelen op het gebied van wapens en grondstoffen voor het maken van een bom.</p>\n<p class=\"lf-p\">De politie-infiltrant is als beperkt anonieme getuige als bedoeld in artikel 190 lid 3 Sv bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard dat hij is gebriefd door de Nederlandse begeleiders. Er is hem gezegd dat hij niet mag provoceren of uitlokken. Hij heeft verder verklaard dat hij - voorzover hem bekend - [medeverdachte 1] nooit iets heeft aangeboden waar hij niet zelf om had gevraagd. [medeverdachte 1] vroeg om vuurwapens, om bomvesten en spullen om een autobom te maken. [medeverdachte 1] is op grond van het hiervoor overwogene naar het oordeel van het hof niet gebracht tot handelingen waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht. De verdachte kan niet via [medeverdachte 1] zijn uitgelokt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt nog het volgende. De politie-infiltrant heeft in zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris verklaard dat hij van zijn begeleiders geen informatie heeft ontvangen over andere verdachten dan [medeverdachte 1] . Wel heeft hij tijdens de ontmoeting met [medeverdachte 1] gevraagd of hij alleen was of dat er meer waren. Uit de opgenomen gesprekken van de politie-infiltrant met [medeverdachte 1] blijkt dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat de groep uit vijf personen bestond. [medeverdachte 1] had gezegd dat er anderen waren die hetzelfde wilden doen als hij. Daarom wilde de politie-infiltrant hen ontmoeten. Op 18 september 2018 heeft in [geboorteplaats] een ontmoeting plaatsgevonden tussen de politie-infiltrant en een groep van vijf personen waaronder [medeverdachte 1] . Toen pas wist de politie-infiltrant wie de vier anderen waren. Uit het verhoor van de politie-infiltrant als getuige en het door de politie-infiltrant opgestelde proces-verbaal van die bijeenkomst blijkt niet dat de politie-infiltrant de overige vier aanwezigen - waaronder de verdachte - bij de uitvoering van het plan van [medeverdachte 1] heeft betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie Het hof verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, alsmede het verweer tot bewijsuitsluiting.’ Het instigatieverbod; rechtspraak van het EHRM 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 41, eerste lid, Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (verder: WIV 2017) bepaalt dat de diensten (dat wil zeggen de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst - verder AIVD - en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) bevoegd zijn ‘tot de inzet van natuurlijke personen, al dan niet onder dekmantel van een aangenomen identiteit of hoedanigheid, die onder verantwoordelijkheid en onder instructie van een dienst zijn belast met het gericht gegevens verzamelen omtrent personen en organisaties die voor de taakuitvoering van de dienst van belang kunnen zijn’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 41, vijfde lid, WIV 2017 bepaalt dat de voornoemde natuurlijke persoon bij de uitvoering van de instructie door zijn optreden een persoon niet mag brengen ‘tot ander handelen betreffende het beramen of plegen van strafbare feiten, dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 126h, eerste lid, Sv bepaalt dat de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in art. 67, eerste lid, Sv dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert, indien het onderzoek dit dringend vordert, kan bevelen dat een opsporingsambtenaar als bedoeld in de artikelen 141, onderdelen, b, c en d, en 142, Sv deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 126h, tweede lid, Sv bepaalt dat de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet mag brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">13.</span>Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat het instigatieverbod dient te worden uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het EHRM betreffende het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht van de verdachte op een eerlijk proces.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">14.</span>Het EHRM heeft zich in het kader van het recht op een eerlijk proces voor het eerst uitgelaten over ‘police incitement’ in de zaak Teixeira De Castro t. Portugal. In Ramanauskas t. Litouwen, een zaak uit 2008 waar veelvuldig naar wordt verwezen in de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnota, heeft het EHRM onder het kopje ‘General principles’ onder meer de volgende overwegingen inzake het instigatieverbod geformuleerd (met weglating van verwijzingen en citaten): ‘1. The Court observes at the outset that it is aware of the difficulties inherent in the police’s task of searching for and gathering evidence for the purpose of detecting and investigating offences. To perform this task, they are increasingly required to make use of undercover agents, informers and covert practices, particularly in tackling organised crime and corruption. (…) 2. That being so, the use of special investigative methods – in particular, undercover techniques – cannot in itself infringe the right to a fair trial. However, on account of the risk of police incitement entailed by such techniques, their use must be kept within clear limits (…) (…) 55. Police incitement occurs where the officers involved – whether members of the security forces or persons acting on their instructions – do not confine themselves to investigating criminal activity in an essentially passive manner, but exert such an influence on the subject as to incite the commission of an offence that would otherwise not have been committed, in order to make it possible to establish the offence, that is, to provide evidence and institute a prosecution (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">56.</span>In Teixeira de Castro (…) the Court found that the two police officers concerned had not confined themselves “to investigating Mr Teixeira de Castro’s criminal activity in an essentially passive manner, but [had] exercised an influence such as to incite the commission of the offence”. It held that their actions had gone beyond those of undercover agents because they had instigated the offence and there was nothing to suggest that without their intervention it would have been committed (…).</div>\n<p class=\"lf-p\">In reaching that conclusion the Court laid stress on a number of factors, in particular the fact that the intervention of the two officers had not taken place as part of an anti-drug trafficking operation ordered and supervised by a judge and that the national authorities did not appear to have had any good reason to suspect the applicant of being a drug dealer: he had no criminal record and there was nothing to suggest that he had a predisposition to become involved in drug trafficking until he was approached by the police (…).</p>\n<p class=\"lf-p\">More specifically, the Court found that there were no objective suspicions that the applicant had been involved in any criminal activity. Nor was there any evidence to support the Government’s argument that the applicant was predisposed to commit offences. On the contrary, he was unknown to the police and had not been in possession of any drugs when the police officers had sought them from him; accordingly, he had only been able to supply them through an acquaintance who had obtained them from a dealer whose identity remained unknown. Although Mr Teixeira de Castro had potentially been predisposed to commit an offence, there was no objective evidence to suggest that he had initiated a criminal act before the police officers’ intervention. The Court therefore rejected the distinction made by the Portuguese Government between the creation of a criminal intent that had previously been absent and the exposure of a latent pre-existing criminal intent. (…) 60. The Court has also held that where an accused asserts that he was incited to commit an offence, the criminal courts must carry out a careful examination of the material in the file, since for the trial to be fair within the meaning of Article 6 § 1 of the Convention, all evidence obtained as a result of police incitement must be excluded. This is especially true where the police operation took place without a sufficient legal framework or adequate safeguards (…).</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">61.</span>Lastly, where the information disclosed by the prosecution authorities does not enable the Court to conclude whether the applicant was subjected to police incitement, it is essential that the Court examine the procedure whereby the plea of incitement was determined in each case in order to ensure that the rights of the defence were adequately protected, in particular the right to adversarial proceedings and to equality of arms (..).’ 15. Om ‘permissible conduct’ te onderscheiden van ‘entrapment’ heeft het EHRM in 2010 in Bannikova t. Rusland een aantal rechtsregels geformuleerd. Nadien zijn deze rechtsregels in 2017 samengevat in Matanović t. Kroatië. Die samenvatting is ook te vinden in de in 2021 gewezen uitspraak Yakhymovych t. Oekraïne: De overwegingen in Yakhymovych t. Oekraïne luiden als volgt (met weglating van verwijzingen): ‘(a) Relevant general principles (i) Definition of entrapment and prohibition on the use of evidence obtained as a result of entrapment 27. The Court is aware of the difficulties inherent in the police’s task of searching for and gathering evidence for the purpose of detecting and investigating offences. To perform this task, they are increasingly required to make use of undercover agents, informers and covert practices, particularly in tackling organised crime and corruption. Accordingly, the use of special investigative methods – in particular, undercover techniques – cannot in itself infringe the right to a fair trial. However, on account of the risk of police incitement entailed by such techniques, their use must be kept within clear limits (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">28.</span>In this connection, it should be reiterated that it is the Court’s task, in accordance with Article 19, to ensure the observance of the engagements undertaken by the States Parties to the Convention. The admissibility of evidence is primarily a matter for regulation by national law and, as a rule, it is for the national courts to assess the evidence before them. The Court, for its part, must ascertain whether the proceedings as a whole, including the way in which evidence was taken, were fair. In this context, the Court’s task is not to determine whether certain items of evidence were obtained unlawfully, but rather to examine whether such “unlawfulness” resulted in the infringement of another right protected by the Convention (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">29.</span>More particularly, the Convention does not preclude reliance, at the preliminary investigation stage and where the nature of the offence may warrant it, on sources such as anonymous informants. However, the subsequent use of such sources by the trial court to found a conviction is a different matter and is acceptable only if adequate and sufficient safeguards against abuse are in place, in particular a clear and foreseeable procedure for authorising, implementing and supervising the investigative measures in question (…). While the rise in organised crime requires that appropriate measures be taken, the right to a fair trial, from which the requirement of the proper administration of justice is to be inferred, nevertheless applies to all types of criminal offence, from the most straightforward to the most complex. The right to the fair administration of justice holds so prominent a place in a democratic society that it cannot be sacrificed for the sake of expedience (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">30.</span>Furthermore, while the use of undercover agents may be tolerated provided that it is subject to clear restrictions and safeguards, the public interest cannot justify the use of evidence obtained as a result of police incitement, as to do so would expose the accused to the risk of being definitively deprived of a fair trial from the outset (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">31.</span>Police incitement occurs where the officers involved – whether members of the security forces or persons acting on their instructions – do not confine themselves to investigating criminal activity in an essentially passive manner, but exert such an influence on the subject as to incite the commission of an offence that would otherwise not have been committed, in order to make it possible to establish the offence, that is, to provide evidence and institute a prosecution (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">32.</span>In its extensive case-law on the subject the Court has developed criteria to distinguish entrapment breaching Article 6 § 1 of the Convention from permissible conduct in the use of legitimate undercover techniques in criminal investigations. The Court’s examination of complaints of entrapment has developed on the basis of two tests: the substantive and the procedural test of incitement. The relevant criteria determining the Court’s examination in this context are set out in the case of Bannikova v. Russia (…). These criteria are summarised below (…). (ii) Substantive test of entrapment 33. When examining the applicant’s arguable plea of entrapment, the Court will attempt, as a first step, to establish on the basis of the available material whether the offence would have been committed without the authorities’ intervention, that is to say whether the investigation was “essentially passive”. In deciding whether the investigation was “essentially passive” the Court will examine the reasons underlying the covert operation, in particular, whether there were objective suspicions that the applicant had been involved in criminal activity or had been predisposed to commit a criminal offence (…) and the conduct of the authorities carrying it out (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">34.</span>In this connection, the Court has also emphasised the need for a clear and foreseeable procedure for authorising investigative measures, as well as for their proper supervision. It has considered judicial supervision to be the most appropriate means in cases involving covert operations, although with adequate procedures and safeguards, other means may be used, such as supervision by a prosecutor (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">35.</span>Indeed, a lack of procedural safeguards in the ordering of an undercover operation generates a risk of arbitrariness and police entrapment (…). (iii) Procedural test of entrapment 36. As a second step, the Court will examine the way the domestic courts dealt with the applicant’s plea of incitement, which is the procedural part of its examination of the agent provocateur complaint (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">37.</span>As the starting point, the Court must be satisfied with the domestic courts’ capacity to deal with such a complaint in a manner compatible with the right to a fair hearing. It should therefore verify whether an arguable complaint of incitement constitutes a substantive defence under domestic law, or gives grounds for the exclusion of evidence, or leads to similar consequences. Although the Court will generally leave it to the domestic authorities to decide what procedure must be followed by the judiciary when faced with a plea of incitement, it requires such a procedure to be adversarial, thorough, comprehensive and conclusive on the issue of entrapment.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">38.</span>In particular, the questions to be addressed by the judicial authority when deciding on an entrapment plea were set out in Ramanauskas (…): “The Court observes that throughout the proceedings the applicant maintained that he had been incited to commit the offence. Accordingly, the domestic authorities and courts should at the very least have undertaken a thorough examination ... of whether or not [the prosecuting authorities] had incited the commission of a criminal act. To that end, they should have established in particular the reasons why the operation had been mounted, the extent of the police’s involvement in the offence and the nature of any incitement or pressure to which the applicant had been subjected. ... The applicant should have had the opportunity to state his case on each of these points.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>In this connection, the Court has also found that a guilty plea as regards criminal charges does not dispense the trial court from the duty to examine allegations of incitement (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>Moreover, the principles of adversarial proceedings and equality of arms are indispensable in the determination of an agent provocateur claim, as well as the procedural guarantees relating to the disclosure of evidence and questioning of the undercover agents and other witnesses who could testify on the issue of incitement (…). (iv) Methodology of the Court’s assessment 41. It follows from the Court’s case-law that a preliminary consideration in its assessment of a complaint of incitement relates to the existence of an arguable complaint that an applicant was subjected to incitement by the State authorities. In this connection, in order to proceed with further assessment, the Court must satisfy itself that the situation under examination falls prima facie within the category of “entrapment cases” (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>If the Court is satisfied that the applicant’s complaint falls to be examined within the category of “entrapment cases”, it will proceed, as a first step, with the assessment under the substantive test of incitement (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>Where, under the substantive test of incitement, on the basis of the available information the Court could find with a sufficient degree of certainty that the domestic authorities investigated the applicant’s activities in an essentially passive manner and did not incite him or her to commit an offence, that will normally be sufficient for the Court to conclude that the subsequent use in the criminal proceedings against the applicant of the evidence obtained by the undercover measure does not raise an issue under Article 6 § 1 of the Convention (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>However, if the Court’s findings under the substantive test are inconclusive owing to a lack of information in the file, the lack of disclosure or contradictions in the parties’ interpretations of events (…) or if the Court finds, on the basis of the substantive test, that an applicant was subjected to incitement contrary to Article 6 § 1, it will be necessary for the Court to proceed, as a second step, with the procedural test of incitement (…).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>The Court applies this test in order to determine whether the necessary steps to uncover the circumstances of an arguable plea of incitement were taken by the domestic courts and whether in the case of a finding that there has been incitement or in a case in which the prosecution failed to prove that there was no incitement, the relevant inferences were drawn in accordance with the Convention (…). The proceedings against an applicant would be deprived of the fairness required by Article 6 of the Convention if the actions of the State authorities had the effect of inciting the applicant to commit the offence of which he or she was convicted and the domestic courts did not address appropriately the allegations of incitement (…).’ 16. Uit Akbay e.a. t. Duitsland kan worden afgeleid dat ook sprake kan zijn van ‘entrapment if he or she was not directly in contact with the police officers working undercover, but had been involved in the offence by an accomplice who had been directly incited to commit an offence by the police’. Vereist is dat ‘the acts of the police represented an inducement to commit the offence for this further person as well’. Het EHRM neemt daarbij in aanmerking ‘whether it was foreseeable for the police that the person directly incited to commit the offence was likely to contact other persons to participate in the offence, whether that person’s activities were also determined by the conduct of the police officers and whether the persons involved were considered accomplices in the offence by the domestic courts’.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bespreking van het eerste middel 17. Het eerste middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring onder 1, 2 en 3 niet uit de bewijsmiddelen kan volgen en dat het hof niet in voldoende mate heeft gerespondeerd op door de verdediging aangevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. In het bijzonder zou het hof de verklaringen van de verdachte inhoudend (het alternatief scenario) dat hij geen opzet had op, kort gezegd, de bewezenverklaarde terroristische misdrijven, ontoereikend of onjuist gemotiveerd hebben verworpen. Het hof zou daarbij ten onrechte hebben overwogen dat het aangedragen alternatief scenario ‘niet aannemelijk is geworden’ terwijl de maatstaf zou zijn of dat scenario ‘hoogst onwaarschijnlijk’ is. Het hof zou voorts ten onrechte althans onbegrijpelijk gemotiveerd het verweer van de verdachte, inhoudend een alternatief scenario, mede hebben verworpen door de verklaringen van de als getuige gehoorde [medeverdachte 1] als ‘niet betrouwbaar’ te kwalificeren. Verder zouden de bewijsmiddelen die zien op de geloofsovertuiging van de verdachte ‘niet (voldoende) redengevend’ zijn voor de verwerping van het alternatieve scenario en het bewijs van het opzet.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">18.</span>Het hof heeft onder 1 bewezenverklaard, kort gezegd, dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen ter voorbereiding van misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord begaan met een terroristisch oogmerk en het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten was, begaan met een terroristisch oogmerk, opzettelijk Kalasjnikovs, handvuurwapens en grondstoffen voor autobommen en voor explosieven in bomvesten, bestemd tot het begaan van die misdrijven, heeft verworven en voorhanden gehad.</div>\n<p class=\"lf-p\">De bewezenverklaring onder 2 houdt in dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van terroristische misdrijven. De bewezenverklaring noemt het opzettelijk brand stichten en/of een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor een ander te duchten was, begaan met een terroristisch oogmerk, doodslag en moord begaan met een terroristisch oogmerk, samenspanning tot alsmede voorbereiding en bevordering van die misdrijven, en het voorhanden hebben van wapens en munitie begaan met een terroristisch oogmerk of het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onder 3 is bewezenverklaard het tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk zich middelen of inlichtingen verschaffen en kennis en vaardigheden verwerven tot het plegen van een terroristisch misdrijf of een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf, door (A) zich te laten trainen in en te oefenen met het gebruik van Kalasjnikovs, handvuurwapens en bomvesten en (B) zich te laten informeren door instructies hoe een ‘ongelovige’ met steekwapens aangevallen en gedood kan worden, hoe van acetonperoxide een bom gemaakt kan worden en hoe een ontsteker voor een bom gemaakt kan worden.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">19.</span>De bewijsoverwegingen van het hof zijn onder twee kopjes verdeeld. Onder het kopje ‘9. Nadere bewijsoverwegingen’ stelt het hof een aantal feiten vast. Onder het subkopje ‘9.1 Alternatief scenario’ gaat het hof in op de verklaring van de verdachte inhoudend dat hij ‘een wapen wilde bemachtigen omdat hij van wapens houdt’ en zich om die reden tegenover de politie-infiltrant heeft ‘voorgedaan als aanslagpleger’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">20.</span>Uit de door het hof onder het kopje ‘9. Nadere bewijsoverwegingen’ vastgestelde feiten, volgt inzake de betrokkenheid van de verdachte dat [medeverdachte 1] op 14 juli 2018 met medeverdachte [medeverdachte 4] naar [plaats] rijdt, waar zij de verdachte en [medeverdachte 3] ontmoeten. Op 12 augustus 2018 ontmoeten [A] en [medeverdachte 1] elkaar in [plaats] ; de verdachte en [medeverdachte 3] volgen hen daar op een afstand. Op 29 augustus 2018 bevinden de verdachte, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] zich met [medeverdachte 1] in de woning van [medeverdachte 1] . Deze maakt een afspraak met [A] voor de volgende dag; daarop vertrekken de anderen. In de nacht van 31 augustus op 1 september 2018 vindt een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , de verdachte en [medeverdachte 3] in [plaats] .</div>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 september 2018 legt [medeverdachte 1] , nadat hij [A] heeft ontmoet, contact met de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] . Daarna bericht hij [A] dat de groep hem de volgende dag wil ontmoeten. Op 18 september 2018 stelt [medeverdachte 1] de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] voor aan [A] in Park [… ] in [geboorteplaats] . Afgesproken wordt om binnenkort samen te komen om te oefenen. Als [A] vraagt of de anderen hetzelfde willen als [medeverdachte 1] antwoordden zij met ja. Op 22 september 2018 zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en de verdachte met elkaar in de woning van [medeverdachte 3] in [plaats] , nadat [medeverdachte 1] die dag aan [A] heeft laten weten dat hij ‘hen’ vandaag of morgen zal spreken.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">21.</span>Op 27 september 2018 gaan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en de verdachte naar het vakantiehuisje in [plaats] , waar zij [A] en een andere politie-infiltrant ontmoeten en oefenen met (onklaar gemaakte) Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens. Ook passen ze bomvesten. De infiltranten spreken voorts met de verdachten over een training in Bosnië in oktober. Ook het onderwerp van een videoboodschap komt aan de orde. De verdachte gaat daarmee, zo stelt het hof vast, ‘akkoord’. Aan het eind van de bijeenkomst wordt gesproken over de plannen die zij hebben. Het hof citeert daarbij de verdachte, die zegt: ‘Dus je gaat naar binnen, we gaan hard om eerst een doel uit te zoeken, dan schiet je op iedereen en dan komen de anderen’. En het hof vermeldt dat de verdachte vervolgens suggereerde ‘dat het ook kan door een auto te laten ontploffen’. Bij het einde van de ontmoeting nemen de verdachten de handvuurwapens mee.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">22.</span>De verklaring van de verdachte die het hof onder het subkopje ‘9.1. Alternatief scenario’ bespreekt is, zo begrijp ik, de lezing van de feiten die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft gegeven en waar hij ter terechtzitting in hoger beroep bij is gebleven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">23.</span>Het hof gaat in de bewijsoverwegingen onder het subkopje ‘9.1 Alternatief scenario’ eerst in op de verklaringen die [medeverdachte 1] bij de politie, bij de rechter-commissaris en als getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, en waarvan de verdediging stelt dat het standpunt van de verdachte er steun in vindt. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] in zijn verhoor bij de politie op 8 januari 2020 heeft gezegd dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en de verdachte alleen wisten dat hij met iemand praatte om wapens te regelen. En dat hij de dag voor de ontmoeting in het park (17 september 2018) voor het eerst met hen had gesproken over de aanslag en de wapens en dat zij toen onenigheid kregen omdat een aanslag niet bij hun geloof zou passen.</div>\n<p class=\"lf-p\">Bij de rechter-commissaris heeft [medeverdachte 1] op 29 januari 2020 gezegd ‘dat hij een aanslag wilde plegen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en de verdachte’. Er zou sprake zijn geweest van miscommunicatie; [medeverdachte 1] zou in de veronderstelling zijn geweest dat zij een wapen wilden hebben voor een aanslag, pas op 17 september zou hem duidelijk zijn geworden ‘dat dit niet klopte. De jongens zouden hebben geweigerd een aanslag te plegen’. Maar zij zouden hem ‘niet in de steek (hebben willen) laten, in de zin dat ik in een flow zat en dat zij mij uit die flow wilden halen’. Als de rechter-commissaris opmerkt dat hij twijfels heeft bij zijn geloofwaardigheid, zegt [medeverdachte 1] : ‘dat kan, maar dat zijn ook vragen die u aan hen kan stellen’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de terechtzitting in hoger beroep op 5 april 2022 zegt [medeverdachte 1] onder meer dat hij met de vijf personen die hij in de e-mail van 24 juli 2018 aan [A] noemt, geen van ‘de vandaag ter terechtzitting aanwezigen’ bedoelde. De e-mail van 31 juli 2018 zag wel op de medeverdachten maar was volgens [medeverdachte 1] ‘niet met de intentie dat deze broeders een aanslag wilden plegen’. Ook stelt hij tegen de infiltrant en tegen ‘alle jongens’ te hebben gelogen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">24.</span>Het hof overweegt vervolgens dat het van oordeel is dat de in het arrest weergegeven onderdelen uit de verklaringen van [medeverdachte 1] niet betrouwbaar zijn. Het hof stelt vast dat [medeverdachte 1] zichzelf in zijn verklaringen neerzet als iemand ‘die er kennelijk niet voor terugdeinst om in bepaalde situaties leugens te vertellen’. De reactie van [medeverdachte 1] op de opmerking van de rechter-commissaris, dat [medeverdachte 1] onder ede staat en dat de rechter-commissaris twijfels heeft bij [medeverdachte 1] ’s geloofwaardigheid, ‘bevestigt het hof in zijn overtuiging omtrent het zeer beperkte waarheidsgehalte van de onderdelen uit deze verklaringen’. Het hof wijst er daarbij specifiek op dat [medeverdachte 1] enerzijds stelt dat de medeverdachten meegingen naar het park en later het huisje omdat zij een wapen wilden en anderzijds dat zij dit deden omdat zij hem niet in de steek wilden laten.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">25.</span>Aldus heeft het hof toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd waarom het de verklaringen van [medeverdachte 1] als niet betrouwbaar heeft aangemerkt. Voor zover de stellers van het middel aanvoert dat de verschillende motieven van de medeverdachten ‘elkaar niet zonder meer uitsluiten’ merk ik op dat het hof niet heeft geoordeeld dat die motieven elkaar uitsluiten, maar het oordeel over de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] mede op diens wisselende verklaringen over de motieven van de medeverdachten heeft gebaseerd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>Het hof overweegt vervolgens dat [medeverdachte 1] op 12 augustus 2018 tegenover [A] heeft verklaard dat de groep waarmee hij de aanslag wilde plegen uit vijf personen bestond, en vijf Kalasjnikovs, vijf handpistolen en voor ieder vier handgranaten bestelde. Op 17 september 2018 zei [medeverdachte 1] tegen de politie-infiltrant dat de groep met wie hij de aanslag wilde gaan plegen hem wilde ontmoeten en dat hij met hen zou bespreken of ze hem de volgende dag wilden ontmoeten. Op 17 september 2018 vond een ontmoeting plaats bij de woning van de verdachte; daarbij waren de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aanwezig. [medeverdachte 1] heeft toen tegen de verdachte gezegd dat de wapens voor een aanslag waren.</div></div>", "next": 238914}