{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">[A] : als hij de ontstekingsknop aan de linkerkant wil hebben, dan maken we dat. [medeverdachte 2] : Yeah. Allahu Akbar. Mijn vrouw, het is beter dan mijn vrouw, wholla. Whollah, het is beter dan mijn vrouw. Het brengt me naar Djenna (paradijs).</p>\n<p class=\"lf-p\">Wall: ik denk dat ik deze wil.</p>\n<p class=\"lf-p\">NN1: We proberen het in ieder geval. We zijn niet zeker dat we er vijf dezelfde kunnen leveren. [verdachte] : Okay okay. [A] : check de bus. [medeverdachte 1] : ik heb gehoord dat het op dinsdag, donderdag en zaterdag is. [A] : heb je tijd op de eerste week in oktober? [medeverdachte 1] : we maken tijd Aghi. [A] : Ik laat je wel weten over het appartement, willen jullie iets huren of een hotel of wat dan ook ... In verband met het vermaken van de vesten wil NN1 weten of het overdag of in het donker gaat gebeuren. Met een jas erover of niet. [medeverdachte 1] : of naar binnen glippen of we forceren ons de toegang. [medeverdachte 2] : ja dat is het beste, dat is het beste. [medeverdachte 1] : Het is meer als een type disco-ruimte, zoiets, er zijn wat feestjes in november, de meeste ervan zijn gayfeestjes. Dus jullie moeten er goed uitzien als je naar binnen wilt. Zo niet, dan gaan we met geweld naar binnen. We doden de beveiliging. (...) [medeverdachte 2] : Dus je gaat naar binnen, we gaan hard om eerst een doel uit te zoeken, dan schiet je op iedereen en dan komen de anderen. Brrrrr 'repeterend schietgeluid’. [medeverdachte 1] : misschien gaat een deel alvast naar binnen. [verdachte] : Ok vijf. Drie jongens gaan naar binnen, twee wachten buiten en als de mensen naar buiten rennen, kunnen jullie op hen schieten en jullie kunnen hen tegenhouden, zodat jullie wat werk van jezelf kunnen doen. [medeverdachte 2] : kan het ook door een auto te laten ontploffen. We hebben een auto om dichtbij te komen, waarom rijd je niet hun kant op. Ik weet het niet. Omdat je weet wel, als je op die plek staat te wachten en er gebeuren dingen, omdat als je volgens mij hebt, ik zeg het alleen maar. In dit geval zou ik mijn leven niet opofferen voor twee gekke politieagenten. Als ik het wil doen, dan kom je met de auto om de patrouille te doden. De anderen zullen zo komen en de helikopter zal komen en dan kom jij met de auto, een grote auto en ramt alles... tha tha tha da... BOEM. [A] : ik zal op de vierde kijken, de vierde oktober, dan aankomen op de vijfde. Ik wil kijken of ik een goeie plaats voor hen kan vinden om te verblijven. [medeverdachte 1] : Inshallah. [A] : dus twee nachten in Sarajewo. Dan pik ik hen de derde dag open dan blijven zij gedurende misschien twee of drie nachten op de terugweg en daarna gaan ze terug naar huis.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">36.</span>Het proces-verbaal van politie (…), inhoudend als aanvullende bevindingen van de verbalisant:</div>\n<p class=\"lf-p\">Camerabeelden - vakantiehuis [plaats] Op 27 september 2018 vond er een laatste ontmoeting plaats tussen de politie-infiltranten en de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] in een vakantiehuis te [plaats] . Tussen 15.21.32 uur en 15.23.00 uur werden de (hand)vuurwapens verstrekt aan de aanwezige verdachten ten behoeve van verdere instructie en/of uitleg. Door de politie-infiltrant werd uitgelegd dat de (hand-)vuurwapens werden verstrekt zonder patronen dan wel gevulde patroonhouder. Te zien is dat [verdachte] een (hand-)vuurwapen ter hand nam vanaf de salontafel, naar later bleek een Glock 19. Te zien is dat [verdachte] gelijk hierop kennelijk een vaardige wapenhandeling verrichtte, namelijk door de slede gecontroleerd naar achteren te trekken en los te laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat [verdachte] weer plaats nam op de zitbank, richtte [verdachte] de Glock naar de vloer en trok dan tot drie keer toe de slede naar achteren in een vloeiende beweging. Hierna bekeek [verdachte] de zijkant alsmede de onderkant van de Glock.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens liet [verdachte] wederom kennelijk een vaardige wapenhandeling zien door direct de slede naar achteren te trekken en een vaardige schiethouding aan te nemen. Te zien is dat [verdachte] , nadat de slede vloeiend naar achteren was getrokken, de Glock naar voren richtte met gestrekte armen in een onbeweeglijke houding. Deze handeling herhaalde [verdachte] nogmaals. Te zien is dat [verdachte] zijn rechterwijsvinger op de trekker hield, gevolgd door een klik-geluid. Hiermee werd duidelijk dat [verdachte] op dat moment de trekker overhaalde en er zodoende een schot werd gesimuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking verbalisant:</p>\n<p class=\"lf-p\">De vaardige wapenhandelingen alsmede de aangenomen schiethouding zijn gelijkend zoals dat wordt aangeleerd bij integrale beroepsvaardigheid trainingen bij de Nationale Politie. Derhalve is mij ambtshalve bekend dat dergelijke wapenhandelingen enkel uitgevoerd kunnen worden door iemand die geoefend, bekwaam en vaardig is met het gebruik van (hand)vuurwapens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na de instructie en uitleg verstrekten de politie-infiltranten een tas met munitie aan de verdachten. De tas bevatte munitie voor de houders van de aanwezige (hand-)vuurwapens. Te zien is dat [verdachte] de patroonhouder van de Glock moeiteloos vulde met patronen. Te zien is dat de gevulde patroonhouder in de Glock werd geplaatst waardoor de Glock op dat moment in een geladen positie verkeerde, niet te verwarren met een doorgeladen positie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Nadat [verdachte] zijn patroonhouder had gevuld, kreeg hij nog een patroonhouder aangereikt van [medeverdachte 1] met het verzoek om deze eveneens te vullen met patronen. Door [medeverdachte 1] werd te kennen gegeven dat het 'alvast vullen van de patroonhouder' bestemd was voor de afwezige verdachte, naar later bleek [medeverdachte 5] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens gaf [verdachte] uitleg aan de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] over het veilig ontladen van een vuurwapen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Om 17:17:13 uur, vlak voor het vertrek, werden twee verstrekte (hand-)vuurwapens geborgen in een tas, met uitzondering van de Glock die verstrekt was aan [verdachte] . Te zien is dat [verdachte] de Glock opborg in het voorvak van zijn heuptas en het voorvak dichtritste. Te zien is dat [verdachte] de heuptas aan de voorzijde van zijn lichaam droeg, vlak onder zijn buik. De Glock was vanaf dat moment onder handbereik van [verdachte] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Blz. 38, onderste screenshot (BFK: schermafbeelding) Blz. 39, onderste screenshot (BFK: schermafbeelding) Blz. 42, onderste screenshot (BFK: schermafbeelding) Blz. 43, screenshot (BFK: schermafbeelding) 37. Een proces-verbaal van politie (…), inhoudend als bevindingen van de verbalisant:</p>\n<p class=\"lf-p\">In de woning gelegen aan de [a-straat 1] , de woning van verdachte [medeverdachte 2] , werd tijdens de doorzoeking op 27 september 2018 ten behoeve van het onderzoek onder andere een bodycam in beslag genomen onder het SVO nummer: BUYS056.03.01.001 Technisch onderzoek:</p>\n<p class=\"lf-p\">De bodycam is door een medewerker van Team Digitale Opsporing onderzocht. De bodycam was voorzien van een MicroSD kaart met een opslag capaciteit van 1 GB. De gegevens van deze MicroSD kaart zijn veilig gesteld en met behulp van het programma UFED reader beschikbaar gesteld aan het tactische team van 26Orem. Het film bestand is door mij bekeken. Het betreft een video van 29 minuten en 8 seconde. De video bestaat uit drie delen. In het derde en laatste fragment komt [betrokkene 4] in beeld. In het fragment legt hij uit hoe je met behulp van acetonperoxide een bom maakt. Het fragment begint met een uitleg hoe je de acetonperoxide maakt. Hiervoor heb je volgens het fragment waterstofperoxide, zwavelzuur en aceton nodig waarna in beeld wordt gebracht hoe je hiermee uiteindelijke de acetonperoxide maakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna wordt uitgelegd door [betrokkene 4] uitgelegd hoe je een ontsteker voor deze bom maakt. Vervolgens is te zien hoe de ontsteker samen met de acetonperoxide tot een bom wordt gemaakt hierbij worden nog ronde kogels toegevoegd wat moet zorgen dat bij de explosie extra schade ontstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierna is een persoon te zien die in de woestijn rent. Op een gegeven moment gaat er een explosief af in de rugtas die deze persoon draagt. Te zien is dat ter hoogte van de onderrug het lichaam bijna in twee stukken scheurt door de explosie. Waarop vervolgens beelden te zien zijn waarin in de ondertiteling opgeroepen wordt om de broeders te ondersteunen en te verdedigen vanuit de landen waar de aanvallen op IS worden gefinancierd en gemanaged en te zorgen voor verwoesting als jij jezelf offert voor Allah.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als laatste verschijnen nog verschillende edities van het IS magazine Rumiyah in beeld.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">38.</span>Een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van twee deskundigen van het NFI d.d. 30 maart 2018 (…) houdt onder meer in:</div>\n<p class=\"lf-p\">TATP (voluit: triaceton triperoxide) is een zogenaamde primaire springstof (ook wel inleispringstof). Sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw is TAP in toenemende mate populair gebleken voor het plegen van aanslagen in binnen- en buitenland.</p>\n<p class=\"lf-p\">TATP dankt zijn populariteit voornamelijk aan twee feiten; ten eerste dat het een krachtige springstof is, die op een eenvoudige manier zelf kan worden vervaardigd uit grondstoffen, die makkelijk zijn te verkrijgen; ten tweede dat het zeer gevoelig kan zijn voor ontsteking door hitte, slag en vonken. Er hoeft dan namelijk geen speciale ontsteker te worden toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">TATP is een springstof die, ook door mensen zonder chemische achtergrond , relatief makkelijk te bereiden is. Recepten hiervoor zijn eenvoudig te vinden op internet.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze recepten komen er op neer dat aceton en waterstofperoxide (bij voorkeur in een concentratie van ongeveer 30%) samen met een zuur (bijvoorbeeld zoutzuur) dienen te worden gemengd.</p>\n<p class=\"lf-p\">De grondstoffen voor het vervaardigen van TATP kennen allen ook andere toepassingen:</p>\n<p class=\"lf-p\">Aceton (C3HsO) is bijvoorbeeld het hoofdbestanddeel van sommige nagellakverwijderaars en kan ook worden gebruikt om lijmrestanten te verwijderen;</p>\n<p class=\"lf-p\">Waterstofperoxide (H20*) zit bijvoorbeeld in concentraties van circa 5 - 30% in blondeermiddel/bleekmiddel en kan ook worden gebruikt voor desinfectie en plantenvoeding;</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zuur kan zwavelzuur (accuzuur), zoutzuur (bijvoorbeeld in schoonmaakmiddelen), citroenzuur (onder andere gebruikt bij de bereiding van voedsel), of een ander zuur zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn geen andere toepassingen van TATP bekend buiten het gebruik als springstof.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:</div>\n<p class=\"lf-p\">Door mij, verbalisant R488, werden de beeldopnamen bekeken welke werden gemaakt op 27 september 2018 tussen 15:00 uur en 17:30 uur aan de binnenzijde van een gecompartimenteerde huurbus. Deze bus, welke aan de binnenzijde was voorzien van een tweetal camera's, werd op 27 september 2018 te [plaats] gebruikt bij een actie binnen onderzoek 26Orem.</p>\n<p class=\"lf-p\">15:00:43: camerastand vanaf voorkant (scheidingswand chauffeurs/vrachtgedeelte) bus richting achterzijde bus. De achterzijde bevat twee deurdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zowel links als rechts zie ik twee verhogingen te gebruiken als zitgedeelten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beelden terugweg .</p>\n<p class=\"lf-p\">Cam 1 /bestandsnaam 2018-09-27 17-15-05 17-30-03 Informatiebank in beeldopname bij start: 2018/09/2717:15:05 Ik, verbalisant R488, nam het volgende waar:</p>\n<p class=\"lf-p\">17:21:52: ik zie dat [verdachte] door de schuifdeur de bus in stapt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zie vervolgens dat om 17:22:05 uur direct achter [verdachte] , ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] instappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:22: Ik zie dat [verdachte] zich omdraait met zijn gezicht richting camera 1. Ik zie dat hij een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn rechterhand houdt.</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:25: ik zie dat de schuifdeur open is. Ik zie dat aan de linkerkant, recht tegenover de schuifdeur, twee mannen in elkaar gedoken zitten. Ik zie dat dit [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] betreft. Ik zie dat [medeverdachte 2] nog steeds zijn jas op schoot heeft. Ik zie dat beide mannen hun armen voor het gezicht houden. Ik zie 1 persoon op zijn zij op de grond van de bus liggen, met zijn voeten richting de geopende schuifdeur.</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:29-17:26:30: Ik zie, in de vrachtruimte van de bus, boven het lichaam wat op de grond ligt, een hand met daarin een vuurwapen in beeld komen. Ik zie dat deze hand vanuit de camera gezien, van rechtsachter uit de bus komt. Direct daarna zie ik het gezicht van Wall [verdachte] . Ik zie vervolgens 1 man met een bivakmuts en een t-shirt met daarop 'politie' door de schuifdeur naar binnen komen en [verdachte] vastpakken bij zijn hoofd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Achter deze persoon zie ik nog een persoon met bivakmuts en lang vuurwapen in de handen. Ik zie dat hij dit vuurwapen in de bus richt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zie dat de 1e man met bivakmuts [verdachte] door de schuifdeur de bus uittrekt. Ik zie dat [verdachte] zich daarbij hevig verzet. Ik zie dat hij spartelt met zijn armen en benen en ik zie bewegingen van de man met de bivakmuts die kunnen duiden op het gebruik van geweld teneinde [verdachte] uit de bus te krijgen. Tijdens deze actie zie ik dat de persoon die op de grond ligt, [medeverdachte 1] is, Ik herken hem aan de band van de tas welke hij om zijn schouder/op zijn rug draagt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik zie dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] nog onveranderd weggedoken zitten tegen de linkerwand van de bus en dat zij de armen voor het hoofd houden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Beelden terugweg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Cam2/bestandsnaam 2018-09-2717-25-21 17-30-03 Informatiebalk in beeldopname bij start: 2018/09/2717:25:20 Ik, verbalisant R488 nam het volgende waar:</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:19: ik zie dat [medeverdachte 2] in elkaar duikt naar beneden. Ik zie links van hem [verdachte] in beeld komen. Ik zie dat hij een beweging maakt waarbij hij in elkaar lijkt te duiken en tevens naar achter beweegt. 17:26:20: Ik zie dat [verdachte] met zijn beide handen grijpt naar het buiktasje dat hij op de buik draagt. 17:26:22: ik zie dat [verdachte] zich, tegen de klok in, dus linksom, beweegt en daarbij zijn rechterarm uitstrekt. Ik zie dat hij in zijn rechterhand een op een vuurwapen gelijkend voorwerp vasthoudt (hierna verder te noemen: vuurwapen). Ik zie dat hij dit vuurwapen richt op de achterdeuren van het voertuig.</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:23-17:26:24: ik zie dat [verdachte] zijn handen laat zakken. Ik zie dat hij het vuurwapen in zijn rechterhand houdt. Ik zie dat hij met zijn linkerhand een beweging maakt aan het vuurwapen waarbij het lijkt dat hij het vuurwapen doorlaadt. Ik zie dat hij daarbij de slede van het vuurwapen aanraakt en naar achteren lijkt te trekken. Ik zie dat daarbij een voorwerp, wat lijkt op een patroon, uit het vuurwapen geworpen wordt en aan de rechterkant van de bus, gezien van uit de camerapositie, op de grond blijft liggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking verbalisant: het is mij ambtshalve, bekend, door jaren schietervaring op de schietbaan met een door de politie verstrekt vuurwapen, dat bij het doorladen van een reeds doorgeladen vuurwapen, door het vuurwapen een patroon, welke reeds in de kamer van het vuurwapen zit, via de slede van het vuurwapen wordt uitgeworpen. Het vuurwapen is vervolgens weer doorgeladen en voor direct gebruik geschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:25: ik zie dat [verdachte] zijn lichaam met de klok mee draait, rechtsom. Ik zie dat hij het vuurwapen in zijn rechterhand houdt en dat hij zijn rechterarm uitstrekt. Ik zie dat hij zijn hand met het vuurwapen, richt richting de schuifdeur aan de voor hem rechterkant van het voertuig (links vanuit de camera gezien).</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:25: ik zie dat [verdachte] vervolgens wederom met zijn linkerhand bovenop het vuurwapen reikt en daarbij het vuurwapen lijkt door te laden door de slede naar achteren te trekken. Door mij wordt dan geen uitvallend patroon waargenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Opmerking verbalisant: het is mij ambtshalve bekend, door jaren schietervaring op de schietbaan met een door de politie verstrekt vuurwapen, dat tijdens het schieten verschillende vormen van storingen kunnen ontstaan. Onder andere kan door een schutter, uitsluitend na overhalen van de trekker, worden ervaren dat een patroon de loop van het vuurwapen niet verlaat. Er is dan mogelijk sprake van een storing of niet goed doorgeladen vuurwapen. Een handeling om dit op te lossen is het opnieuw naar achteren trekken van de slede teneinde de storende patroon uit te werpen dan wel een nieuwe patroon vanuit de houder in de kamer te krijgen. Daarna is het vuurwapen weer doorgeladen en voor direct gebruik geschikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Te zien is op de beelden te 17:26:25 uur, dat [verdachte] kennelijk een storing of falen van het vuurwapen ervaart en dit tracht te verhelpen door de slede van het vuurwapen nogmaals naar achteren te trekken. Het ervaren van de storing dan wel het ervaren dat er geen projectiel (kogel) het vuurwapen verlaat, kan niet anders dan nadat hij daarvoor de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald. Ik zie aan de reactie van [verdachte] dat hij kennelijk de storing wil opheffen en daartoe de slede nogmaals naar achteren trekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:26: ik zie dat [verdachte] met beide handen het vuurwapen vasthoudt en zijn handen laat zakken. Ik zie dat hij op zijn knieën zit, op de grond van het voertuig, naast de verhoging waar hij eerder op zat. Ik zie dat [medeverdachte 1] op de grond ligt, half op zijn rug en half op zijn linkerzij en dat hij zijn handen ophoudt voor zijn gezicht. Ik zie dat hij richting de schuifdeur kijkt. Ik zie dat er veel licht op zijn gezicht schijnt. Het is voor mij, verbalisant, daarom aannemelijk dat op dat moment de schuifdeur geopend is, hetgeen niet zichtbaar is vanuit deze camerapositie.</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:29: ik zie dat de rechterachterdeur van het voertuig (gezien vanuit camerapositie) geopend wordt. Ik zie dat op hetzelfde moment [verdachte] zich met zijn linkerhand afzet op [medeverdachte 1] en zich daarbij tegen de klok in, dus linksom, omdraait en dat hij zijn rechterarm uitstrekt richting achterdeur. Ik zie dat hij in die rechterhand nog steeds een vuurwapen vasthoudt en dat hij zijn linkerhand plaatst onder zijn hand met het vuurwapen. Ik zie dat hij hierbij half liggend/half zittend bovenop [medeverdachte 1] ligt. Ik zie dat hij in de beweging naar achteren gaat en zijn handen laat zakken. Ik zie dat hij vervolgens zijn beide armen weer opricht en hierbij het vuurwapen, vastgehouden in zijn rechterhand en daarbij ondersteunt door zijn linkerhand, nogmaals richt op de deuropening van de achterkant van de bus.</p>\n<p class=\"lf-p\">17:26:31: ik zie dat [verdachte] achterover valt. Ik zie dat zijn benen erg spartelen. Ik zie daarbij, ergens tussen 17:26:31 en 17:26:32 nog 1 x in een fractie van een seconde vanuit de bus een hand met een vuurwapen kort gericht worden op de deuropening van het voertuig.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:</div>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde de verdachten aan te houden, die zich als inzittenden in de laadruimte van een bestelauto, merk Renault, type Trafic en voorzien van een Frans kenteken [kenteken 3] bevonden, werd op 27 september 2018 te 17.27 uur een autoprocedure uitgevoerd. Deze procedure vond plaats op de [j-straat] te [plaats] , ter hoogte van [j-straat 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Alle vier de inzittenden werden tijdens deze procedure uit de laadruimte van voornoemde bestelauto gehaald en vervolgens aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 27 september 2018 omstreeks 17.35 uur zag ik dat op de vloer van de laadruimte van bovengenoemde bestelauto een zwart handvuurwapen lag. Ik zag dat er in het vuurwapen een patroonhouder zat. Ik zag dat er verspreid over de vloer van de laadruimte een onbekend gebleven aantal messingkleurige patronen lagen. Tevens zag ik dat er op de vloer een zwarte tas stond. Ik zag dat de bovenzijde van deze tas geopend was. Ik zag door die opening dat er in de tas twee zwartkleurige handvuurwapens zaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het zwartkleurige handvuurwapen en de patronen werden door mij in een door de dienst ter beschikking gestelde papieren zak veiliggesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">De papieren zak inhoudende het zwartkleurige vuurwapen en de patronen zijn bij de fouillering gevoegd van de verdachte [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] .</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">41.</span>Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:</div>\n<p class=\"lf-p\">Op 27 september 2018 was ik als operator belast met de aanhouding van vier verdachten in het onderzoek 26Orem. Ik had als taak ten tijde van de aanhouding van de vier inzittende verdachten de deuren aan de achterzijde van de eerder benoemde bestelauto te openen en de verdachten aan te houden. (...) Vervolgens zag ik de vierde verdachte. Ik zag dat deze verdachte zich naar mij omdraaide en ik zag dat hij in zijn rechterhand een vuurwapen had dat hij op mij richtte. Hierbij keek ik in de loop van het vuurwapen. Op het moment dat ik het gerichte vuurwapen waarneem herken ik dit als een levensbedreigende situatie en voel ik mijn lichaam kortstondig verstijven. Vervolgens reageer ik door een beweging naar links te maken en uit de baan van een mogelijk schot te bewegen.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">42.</span>Het proces-verbaal van politie (…), inhoudende als relaas van de verbalisant:</div>\n<p class=\"lf-p\">Teneinde de verdachten aan te houden die als inzittenden in de laadruimte van een bestelauto, merk Renault, type Trafic en voorzien van een Frans kenteken [kenteken 3] zaten, werd op 27 september 2018 om 17.27 uur een autoprocedure uitgevoerd. Dit vond plaats op de [j-straat] te [plaats] , ter hoogte van [j-straat 1] . Alle vier de verdachten werden tijdens deze procedure uit de laadruimte van voornoemde bestelauto gehaald en vervolgens aangehouden. Ik zag dat mijn collega, vanaf de achterzijde gezien, de linker-achterdeur van de Renault Trafic opende. Vervolgens hoorde ik mijn collega met luide stem roepen: \"vuurwapen\". Op datzelfde moment stond ik half in de deuropening, linksachter, van de Renault Trafic en zag ik dat er een op een vuurwapen gelijkend voorwerp (vanaf hier; vuurwapen) op mij gericht werd door één van de inzittenden van het voertuig. Ik kon recht in de loop kijken en schrok hiervan (...) en hield ik er rekening mee dat dit wapen tegen mij gebruikt zou kunnen worden met alle gevolgen van dien.’ 7. Het hof heeft onder het kopje ‘Nadere bewijsoverwegingen’ onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten en verwijzingen): ‘Op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof de volgende feiten vast.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 26 april 2018 heeft de AIVD - als gezegd - een ambtsbericht uitgebracht, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat [medeverdachte 1] voorbereidingen treft om met een groep personen veel slachtoffers te maken door een terroristische aanslag te plegen op een groot evenement in Nederland.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 12 juli 2018 brengt de AIVD opnieuw een ambtsbericht uit, waarin onder andere wordt vermeld dat de verdachte waarschijnlijk kennis draagt van de aanslagplannen van [medeverdachte 1] . Op 19 juli 2018 wordt de verdachte aangemerkt als verdachte voor het voorbereiden van een terroristisch misdrijf en deelname aan een terroristische organisatie. In het kader van dit onderzoek zijn diverse opsporingsmiddelen ingezet, waaronder telefoontaps, het afluisteren van vertrouwelijke communicatie (OVC) en observaties. Zoals hierboven overwogen heeft de officier van justitie een infiltratietraject ingezet, waarbij [A] als politie-infiltrant is opgetreden, die zowel digitaal contact met [medeverdachte 1] heeft gehad, alsmede hem vijf keer fysiek ontmoet heeft, te weten op 5 juli 2018, op 12 en 30 augustus 2018 en op 17, 18 en 27 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 5 juli 2018 heeft [medeverdachte 1] de politie-infiltrant [A] ontmoet in [plaats] . In dit gesprek vertelt [medeverdachte 1] dat hij staat te popelen om iets te ondernemen, om een aanslag te plegen die grote schade zou veroorzaken. Aanvankelijk, ongeveer een jaar geleden, waren er negen broeders die iets wilden doen, iets groots voor de Islam. Nu willen hij en twee andere kerels een aanval uitvoeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 14 juli 2018 rijdt [medeverdachte 1] met de medeverdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) naar [plaats] , waar zij de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ontmoeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 16 juli 2018 verzendt [medeverdachte 1] een e-mail aan [A] , waarin hij vraagt om meer tijd om aan te kunnen geven hoeveel broeders mee zouden kunnen doen. Dezelfde dag bezoekt [medeverdachte 4] [medeverdachte 1] in zijn woning. Tussen 00.23 en 01.23 fietsen zij met een onbekende derde man in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 24 juli 2018 verzendt [medeverdachte 1] opnieuw een e-mail aan [A] . Deze e-mail houdt voor zover van belang in: \"we are now 5. Im bust with sixth, but for now we focus on the 5 guys.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 12 augustus 2018 ontmoeten [A] en [medeverdachte 1] elkaar in [plaats] . [medeverdachte 1] vertelt onder meer dat de groep die de aanslag wil plegen uit vijf personen bestaat, inclusief hijzelf. Hij wil Kalasjnikovs, bomvesten, granaten, kleine wapens en een autobom gebruiken op een festival. Tijdens deze ontmoeting volgen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op een afstand [medeverdachte 1] en [A] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 29 augustus 2018 leest [medeverdachte 1] een bericht van [A] , dat deze op 30 augustus in Nederland zal zijn. Daarop vinden er korte telefoongesprekken plaats tussen [medeverdachte 1] met respectievelijk [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en de verdachte. Enkele uren later bevinden de verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] zich met [medeverdachte 1] in de woning van [medeverdachte 1] . Tijdens dit bezoek loopt [medeverdachte 1] naar een andere kamer en belt met [A] . [medeverdachte 1] en [A] maken een afspraak voor de volgende dag. Hierna vertrekken de anderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 30 augustus 2018 reist [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) naar [plaats] . Op enig moment schudden [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] de hand van [A] tijdens de ontmoeting van [medeverdachte 1] met [A] . [medeverdachte 1] zegt, buiten de aanwezigheid van [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] , dat hij liever vijf man heeft die wilskrachtig zijn dan 500 die onzeker zijn. In dit gesprek komen verder de voorbereiding van een aanslag, het trainen met wapens en het maken van een bom aan de orde. Op de terugweg vanuit [plaats] met [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] zegt [medeverdachte 1] : “ik hoop dat mijn nieuwe simkaart binnen is. (...) ik sta voor een paar goeie uitdagingen binnenkort.” Ook zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 4] dat hij een nieuwe, schone telefoon nodig heeft die ook WhatsApp moet hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Na deze ontmoeting gaat [medeverdachte 1] actief op zoek naar middelen die nodig zijn voor het maken van een explosief.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de nacht van 31 augustus op 1 september 2018 vindt er een ontmoeting plaats russen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in [plaats] , eerst in de woning waar [medeverdachte 3] verbleef, waarna omstreeks 00.55 uur de vier mannen naar buiten lopen en met de auto naar de [k-straat] in [plaats] gaan. Rond 2.00 uur vertrekken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] vanaf de woning van [medeverdachte 3] in [plaats] naar [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 7 september 2018 rijdt [medeverdachte 1] samen met [medeverdachte 4] naar [plaats] waar hij, conform afspraak met [A] , vier zakken van 25 kilogram kunstmest haalt uit een bij de Mediamarkt geparkeerd voertuig. Op de terugweg naar [plaats] leest [medeverdachte 4] het volgende bericht van [A] aan [medeverdachte 1] via Telegram voor: \"Allahu akbar akhi! 1m happy to hear it went good and so quickly. Smart idea using the same locker and code. Ill message you again soon inshaAllah.\" [medeverdachte 1] reageert door te zeggen: \"Zeg maar, okay see you soon”. [medeverdachte 4] antwoordt (namens [medeverdachte 1] ) om 16.07 uur per Telegram aan [A] : “YazakAllahu ghiar. I see jou soon inshaAllah\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Om 16.09 uur schrijft [A] aan [medeverdachte 1] : \"Insha Allah\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 17 september 2018 heeft [medeverdachte 1] opnieuw een fysieke ontmoeting met [A] in [plaats] . Tijdens de ontmoeting zegt [medeverdachte 1] tegen [A] dat de groep met wie hij een aanslag wil plegen [A] wil ontmoeten. Hij zal die avond met de groep bespreken of ze [A] op 18 september 2018 willen ontmoeten. [medeverdachte 1] legt hierna contact met de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] , waarna hij [A] bericht dat de groep hem de volgende dag wil ontmoeten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 18 september 2018 stelt [medeverdachte 1] de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] voor aan [A] in [park] in [plaats] . De verdachte stelt de wijze waarop de grondstoffen voor de explosieven zijn aangeschaft, aan de orde. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij desgevraagd bevestigd dat hij tijdens de bijeenkomst in het park dus op de hoogte was van het feit dat deze grondstoffen reeds waren aangeschaft. Op de vraag waarom [medeverdachte 1] nagellakremover nodig zou hebben, stelt de verdachte dat 'er sowieso iets gaande was'. Hij sluit niet uit dat 'er een persoon rondloopt van IS die mensen aan het zoeken is en die eerst wil kijken naar de bereidheid of je wel serieus bent'. Tevens zegt hij tijdens dit verhoor dat [medeverdachte 1] hem meer heeft verteld over 'hoe en wat’ . Desgevraagd zegt hij dat hij hiermee bedoelt te zeggen dat [medeverdachte 1] hem heeft verteld wat hij heeft gedaan en hoever hij is in zijn besprekingen met [A] . De verdachte geeft dan aan met deze informatie in zijn achterhoofd naar de ontmoeting in het park is gegaan en opmerkingen heeft gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij geeft in het park eveneens aan dat hij en de broeders bang waren dat de infiltrant niet echt bereid was hen te helpen, maar van de politie zou zijn. Daarom vraagt hij [A] om handvuurwapens om te testen of [A] geen infiltrant is, maar hij voegt hier aan toe dat deze ook bestemd zijn om zich te kunnen verdedigen als de politie komt. Tevens vertelt hij dat hij en anderen al getraind hebben met airsoftwapens in een gesimuleerde oorlog.</p>\n<p class=\"lf-p\">Afgesproken wordt binnenkort samen te komen om te oefenen. [A] vraagt of de mannen hetzelfde willen als [medeverdachte 1] . De vier mannen antwoorden ja.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 21 september 2018 bericht [A] via Telegram aan [medeverdachte 1] dat de ontmoeting op 27 september zal plaatsvinden; [medeverdachte 1] antwoordt met de tekst: “Clear”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 22 september 2018 laat [medeverdachte 1] aan [A] weten dat hij \"hen\" vandaag of morgen zal spreken. Diezelfde dag, tussen 20.00 uur en 21.15 uur, zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met elkaar in de woning waar [medeverdachte 3] verbleef in [plaats] . Kort nadat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn vertrokken, komt de verdachte dan aan bij het portiek van de [f-straat] te [plaats] . Ter terechtzitting in hoger beroep geeft de verdachte aan dat hij [medeverdachte 1] toen nog heeft gesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op 27 september 2018 gaan [medeverdachte 1] , de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] naar het vakantiehuisje in [plaats] , waar ze [A] en een andere politie-infiltrant ontmoeten en oefenen ze met (onklaar gemaakte) Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens. Ook passen ze bomvesten. Op de beelden is onder andere te zien en/of te horen dat de verdachte een vuurwapen laadt, met een AK-47 door de woonkamer loopt op een sluipende manier en het vest met de draden draagt, waarbij hij tegelijkertijd een AK-47 in zijn handen houdt, waarmee hij meerdere keren richt, waarna hij aan een van de begeleiders advies vraagt om kennelijk de pasvorm van het vest nog comfortabeler te maken. [medeverdachte 1] en de verdachte spreken met de infiltranten over de afwezigheid van [medeverdachte 5] , waarbij ze benadrukken dat dit niet betekent dat hij niet meer mee doet. De verdachte zegt: \"He is with us and he also know the dry (fon) to .... nvt...training. Like how to put in and out, eeh the kalash… so he knows that. \" [medeverdachte 1] zegt [medeverdachte 5] te hebben verteld dat, wanneer hij van gedachten zou veranderen, hij een vervanger moet zoeken. \"Because for his job, for the plan I have, I need 5 man.” Ook aan het eind van de ontmoeting zegt [medeverdachte 1] : “For now, I focus on this five”.</p>\n<p class=\"lf-p\">De infiltranten spreken met de verdachten over een training in Bosnië in oktober, op welke dagen de bus vanuit Nederland vertrekt en hoelang de reis duurt en over het regelen van een verblijfplaats daar. Ook het onderwerp van een videoboodschap, “that they must know, it’s them that made possible, with the will of Allah” aldus [medeverdachte 1] , komt aan de orde. De verdachte gaat hiermee akkoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan het eind van de ontmoeting wordt nog gesproken over de plannen die zij hebben, opnieuw onder meer over het grote belang van vijf aanslagplegers en een mogelijke zesde aanslagpleger. De verdachte zegt dat \"ze zoiets willen doen als de broeders in Frankrijk hebben gedaan\". Als een van de politie-infiltranten in verband met het vermaken van de bomvesten vraagt of het overdag of in het donker gaat gebeuren (met een jas erover of niet), antwoordt [medeverdachte 1] dat het gaat om een type discoruimte. Er zijn wat feestjes in november, de meeste ervan zijn ‘gayfeestjes’, dus de anderen moeten er goed uitzien als zij naar binnen willen. Zo niet dan doden zij de beveiliging. Daarop zegt de medeverdachte [medeverdachte 2] : “Dus je gaat naar binnen, we gaan hard om eerst een doel uit te zoeken, dan schiet je op iedereen en dan komen de anderen.” Vervolgens suggereerde hij dat het ook kan door een auto te laten ontploffen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bij vertrek uit de woning staat de verdachte erop het verstrekte geladen handvuurwapen op zijn lichaam te dragen in een buideltas en vraagt hij hoe hij binnen enkele seconden klaar kan zijn om te schieten. Hierop vertellen de politie-infiltranten hem opnieuw hoe hij het vuurwapen kan doorladen, maar dat dit wel een risico met zich mee brengt omdat het wapen vanaf dat moment op scherp staat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dan eindigt de ontmoeting in het huisje. De handvuurwapens worden door de verdachten meegenomen en zij gaan naar buiten, waar het busje wacht dat hen zal terug brengen naar hun auto’s.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1 Ten aanzien van feit 1, 2 en 3: verweer betreffende het opzet van de verdachte De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten, omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat hij op de hoogte was van de aanslagplannen van [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij had het voornemen om uit te reizen en zocht iemand die hem behulpzaam kon zijn bij het in contact brengen met een derde, die hem vervolgens kon introduceren bij groeperingen in het Midden Oosten waarbij hij zich wilde aansluiten. De aanwezigheid van de verdachte bij de ontmoetingen met [A] op 18 september 2018 in het park en op 27 september 2018 in het huisje, was dan ook omdat hij wilde weten of [A] te vertrouwen was, zodat hij hem om hulp kon vragen bij het zoeken naar een contactpersoon in verband met het uitreizen naar het Midden Oosten. De verdachte heeft volgens de verdediging weliswaar vuurwapens en bomvesten voorhanden gehad, maar had hierbij dus niet het opzet op het plegen van voorbereidingshandelingen voor een terroristische aanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging voert onder meer aan dat dit standpunt steun vindt in de verklaringen van [medeverdachte 1] bij de politie op 8 januari 2020, als getuige bij de rechter-commissaris op 29 januari 2020 en als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van 5 april 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt allereerst over de door de verdediging bedoelde onderdelen van deze verklaringen van [medeverdachte 1] als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">In zijn verhoor op 8 januari 2020 bij de politie zegt [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en de verdachte alleen wisten dat hij met iemand praatte om wapens te regelen. Hij heeft hen niet verteld dat zijn doel het plegen van een aanslag was. De wapens die de jongens wilden hebben was puur voor vertrouwen. Hij heeft [A] gevraagd om wapens voor de jongens te regelen om vertrouwen te winnen, zodat de jongens hem zouden vertrouwen. De dag voor de ontmoeting in het park (het hof begrijpt: 17 september 2018) heeft hij voor het eerst met hen gesproken over de aanslag en wapens. Zij wisten niet dat het over een aanslag ging, ze dachten alleen dat het over een wapen ging. Ze kregen onenigheid. Een aanslag zou niet bij hun Aqida, visie op het geloof, passen. Hij heeft vervolgens tegen hen gezegd dat ze gewoon moesten doen wat hij zei, omdat ze dan een wapen hadden. [medeverdachte 1] zegt bij de rechter-commissaris op 29 januari 2020 dat hij een aanslag wilde plegen met [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en de verdachte. Hij sprak met hen in versleutelde taal; candy en koerierswerk waren woorden voor aanslag. Volgens hem was er sprake van miscommunicatie. De jongens dachten dat candy een wapen betekende. [medeverdachte 1] zegt dat hij in de veronderstelling was dat zij een wapen wilden hebben voor een aanslag. Pas op 17 september 2018 werd hem duidelijk dat dit niet klopte. De jongens zouden hebben geweigerd een aanslag te plegen. Hij zegt desgevraagd niet te weten waarom ze een wapen wilden. [medeverdachte 1] verklaart dan het volgende. \"Het was ook om [A] te overtuigen dat de jongens bij mij hoorden. U vraagt mij of ik dat met de jongens besproken heb. Ja, op de 17e toch en daarna niet meer. Die jongens wilden mij niet in de steek laten, in de zin van dat ik in een flow zat en dat zij mij uit die flow wilden halen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de opmerking van de rechter-commissaris dat hij onder ede staat en dat de rechter-commissaris twijfels heeft bij zijn geloofwaardigheid, zegt hij: \"dat kan, maar dat zijn ook vragen, die u aan hen kan stellen\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Op de terechtzitting van het hof op 5 april 2022 zegt [medeverdachte 1] als getuige onder meer het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met de vijf personen die hij in de e-mail aan [A] van 24 juli 2018 noemt, bedoelt hij geen van de vandaag ter terechtzitting aanwezigen. De e-mail van 31 juli 2018, waarin hij schrijft “I told to the brothers”, zag wel op zijn vrienden (het hof begrijpt uit de context van dit verhoor dat het over de medeverdachten gaat). Deze e-mail was volgens [medeverdachte 1] niet met de intentie dat deze broeders een aanslag wilden plegen. Hij stelt vanaf het begin af te hebben gelogen tegen de infiltrant. Over candy zegt hij dat het probleem is dat hij dacht dat zij hetzelfde dachten als hij, maar dat was niet zo. Hij zegt ook dat wanneer hem door hen vragen waren gesteld, hij hen niet de waarheid had verteld. Over de ontmoeting op 31 augustus 2018, een dag na zijn ontmoeting met [A] , zegt hij dat hij het woord 'candy' heeft gebruikt, maar dat hij niet meer weet wanneer of op welke wijze. Ook zegt hij nooit enige informatie over waarom hij [A] eigenlijk sprak, te hebben gedeeld. \"Ik heb eigenlijk tegen alle jongens gelogen.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de hierboven genoemde onderdelen uit deze verklaringen van [medeverdachte 1] niet betrouwbaar zijn en overweegt hiertoe het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de verklaringen zet [medeverdachte 1] zichzelf neer als iemand die er kennelijk niet voor terugdeinst om in bepaalde situaties leugens te vertellen. Ook de rechter-commissaris vraagt zich af of [medeverdachte 1] de waarheid spreekt, gelet op zijn opmerking dat [medeverdachte 1] onder ede staat en dat de rechter-commissaris twijfels heeft bij zijn geloofwaardigheid. De reactie van [medeverdachte 1] hierop, dat hij dit niet ontkent maar dat deze vragen ook aan de medeverdachten kunnen worden gesteld, bevestigt het hof in zijn overtuiging omtrent het zeer beperkte waarheidsgehalte van de onderdelen uit deze verklaringen. Het hof oordeelt de verklaringen in zoverre ook als innerlijk tegenstrijdig. Waar [medeverdachte 1] enerzijds stelt dat de medeverdachten, met uitzondering van de medeverdachte [medeverdachte 4] , na 17 september 2018 toch meegingen naar het park en later naar het huisje, omdat zij een wapen wilden, stelt hij anderzijds dat zij dit deden omdat zij hem niet in de steek wilden laten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof oordeelt vervolgens ten aanzien van het geschetste alternatieve scenario dat dit strijdig is met de bewijsmiddelen. De voor dit oordeel dragende overwegingen worden in de paragrafen hierna weergegeven. Ook overigens komt dit scenario, door de verdachte te berde gebracht na zich 21 maanden op zijn zwijgrecht te hebben beroepen, het hof als volstrekt onaannemelijk voor. Niet alleen betreft het alternatieve scenario een buitengewoon omslachtige wijze om in het kader van een mogelijke uitreis in contact te komen met een derde, die hem vervolgens kon introduceren bij groeperingen in het Midden Oosten waarbij hij zich wilde aansluiten. Dat gestelde doel strookt bovendien niet met zijn actieve bijdrage aan de wapentraining en aan een discussie over de wijze waarop een aanslag gepleegd kon worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1.1 feit 1 primair: voorbereiding van misdrijven begaan met een terroristisch oogmerk Bij de beantwoording van de vraag of de in artikel 46, eerste lid, Sr vermelde voorwerpen, afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ‘zijn bestemd tot het begaan van een misdrijf’ in de zin van deze bepaling, dient te worden beoordeeld of deze voorwerpen, afzonderlijk dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningvorm, ten tijde van het handelen dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van deze voorwerpen voor ogen had. Niet kan worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden leidt het hof af dat [medeverdachte 1] vanaf in ieder geval 5 juli 2018 voornemens is geweest een aanslag te plegen. Vanaf 24 juli 2018 geeft hij aan dit te willen doen met vijf personen, inclusief hemzelf. Dit aantal door hem genoemde (mede)daders blijft vanaf dat moment gelijk tot en met het moment van de aanhouding op 27 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is van oordeel dat de verdachte één van deze personen is geweest en overweegt hiertoe als volgt. Bij de beoordeling van het voorhanden bewijs valt op dat de verdachte, anders dan de meeste medeverdachten, niet aanwezig is geweest bij de ontmoetingen met de politie-infiltrant op 12 en 30 augustus 2018 en bij de ontmoetingen met de medeverdachten onderling op 14 juli 2018 en in de nacht van 31 augustus op 1 september 2018.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot de ontmoeting op 22 september 2018 komt de verdachte te laat, maar heeft hij nog wel de mogelijkheid om met [medeverdachte 1] te spreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit neemt niet weg dat de verdachte wel aanwezig is geweest bij de bijeenkomst in het huis van [medeverdachte 1] op 29 augustus 2018, op het moment dat [medeverdachte 1] telefonisch contact met [A] heeft. Hij was eveneens aanwezig bij de belangrijkste bijeenkomsten met de politie-infiltrant, te weten op 18 september 2018 in [park] te [plaats] en op 27 september 2018 in het vakantiehuisje in [plaats] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het feit dat [medeverdachte 1] voorafgaand aan de ontmoeting met [A] op 18 september 2018 in het park - nadat hij contact heeft gehad met de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] - deze bericht dat de groep met wie hij een aanslag wil plegen hem wil ontmoeten en dat als deze ontmoeting plaats vindt, de verdachte een van de vijf aanwezigen is, is redengevend voor het oordeel dat de verdachte één van de vijf door [medeverdachte 1] genoemde personen is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is tevens van oordeel dat de verdachte op de hoogte was van de aanslagplannen. Tijdens de ontmoetingen in het park en in het huisje in [plaats] heeft de verdachte zich niet bepaald onbetuigd gelaten. Uit zowel zijn gedragingen als zijn uitlatingen kan niet anders dan de conclusie worden getrokken dat hij wel degelijk op de hoogte was van de aanslagplannen van [medeverdachte 1] en daaraan deelnam. Ook blijkt uit de ontmoeting in het park dat hij op de hoogte was van de reeds aangeschafte grondstoffen, hetgeen hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft bevestigd. Tot slot heeft hij tezamen met zijn medeverdachten, met uitzondering van de medeverdachte [medeverdachte 4] , in het huisje in [plaats] Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens voorhanden gehad. Het is de verdachte die tijdens deze bijeenkomst zegt dat “ze zoiets willen doen als de broeders in Frankrijk hebben gedaan\".</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet op deze omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien met de hierboven genoemde feiten, is het hof van oordeel dat de verdachte met anderen Kalasjnikovs, (hand)vuurwapens en grondstoffen voor een of meer autobom(men) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, evenals grondstoffen voor explosieven in een of meer bomvest(en), zoals kunstmest, zoutzuur, waterstofperoxide en aceton. Dit zijn middelen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig konden zijn - mede gelet op het gemaakte gebruik van de Kalasjnikov en een (hand)vuurwapen door de verdachte in het huisje en in het busje - voor de in de tenlastelegging genoemde misdrijven terwijl hij ten tijde van dit verwerven en voorhanden hebben daarvan het misdadige doel - het plegen van een aanslag - voor ogen had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus is bewezen dat de middelen bestemd waren tot het begaan van deze aanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Met betrekking tot het vereiste 'terroristisch oogmerk' overweegt het hof het volgende. Gelet op het bespreken en feitelijk voorbereiden van een aanslag met een bomauto en explosieven, het voorhanden hebben van vuurwapens en het daadwerkelijk benoemen van een gayfeest of Ihbt-evenement als doelwit voor een aanslag, is het hof van oordeel dat dit alles in onderling verband en samenhang, voldoende grond oplevert om vast te stellen dat sprake is van een terroristisch oogmerk, bestaande uit het aanjagen van vrees bij (een deel van) de bevolking en/of het ontwrichten van fundamentele politieke structuren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof acht het onder 1 primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1.2 feit 2: deelname aan een terroristische criminele organisatie Het hof stelt voorop dat van deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven in de zin van artikel 140a Sr slechts dan sprake kan zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en op grond van de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich in de periode van 1 juni 2018 tot en met 27 september 2018 gezamenlijk voorbereid om een aanslag met een terroristisch oogmerk te plegen. [medeverdachte 1] nam hierin het voortouw en onderhield contact met de politie-infiltrant [A] . De medeverdachte [medeverdachte 4] was [medeverdachte 1] behulpzaam bij het verwerven van grondstoffen voor een autobom. Tevens waren er medeverdachten die zich soms in de omgeving van een samenkomst van [medeverdachte 1] en [A] ophielden, waarbij [medeverdachte 4] zelfs kennismaakte met [A] .</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte is bij een aantal belangrijke bijeenkomsten aanwezig geweest, welke bijeenkomsten dienden ter verwezenlijking van het doel van de criminele organisatie, te wezen het plegen van een aanslag. De verdachte heeft tijdens de bijeenkomst in het park een wezenlijke bijdrage geleverd. Hij heeft commentaar geleverd op de wijze waarop de benodigde grondstoffen voor een explosief waren aangeschaft. Hij spreekt over het doel van de aanschaf van vuurwapens en vertelt [A] dat hij al getraind heeft met airsoftwapens in een gesimuleerde oorlog. Op de vraag van [A] of hij hetzelfde wil als [medeverdachte 1] antwoordt hij bevestigend. Ook tijdens de bijeenkomst in het huisje heeft de verdachte zich, zoals eerder vermeld, niet onbetuigd gelaten. Zo heeft hij onder meer zijn, in het huisje in [plaats] aanwezige, medeverdachten uitgelegd hoe een wapen geladen en doorgeladen dient te worden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van een terroristische aanslag gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook gedragingen heeft ondersteund die verband hielden met de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaand oogmerk. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook het onder 2 tenlastegelegde is naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend bewezen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.1.3 feit 3: training voor terrorisme Artikel 134a Sr ziet op gedragingen die in enig verband staan met een terroristische training. Kwalificatie onder die bepaling is slechts mogelijk indien een voldoende verband tussen die gedragingen en enige vorm van training - waaronder te verstaan: \"het opdoen of overbrengen van kennis of zich een ander bekwamen in vaardigheden of technieken\" - voor terrorisme bestaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden en op grond van de bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde is het hof van oordeel dat hier sprake van is.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdachte heeft immers op 27 september 2018 in het huisje in [plaats] tezamen met de medeverdachten (met uitzondering van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) onder leiding van twee begeleiders geoefend met (onklaar gemaakte) Kalasjnikovs en (hand)vuurwapens en bomvesten gepast. De verdachte zegt tegen de begeleiders dat [medeverdachte 5] weliswaar niet aanwezig is, maar dat hij op de hoogte is van de training. Hieruit blijkt dat al voor 27 september 2018 duidelijk is dat er getraind gaat worden, hetgeen ook overigens is afgesproken in de bijeenkomst in het park. Er wordt gesproken over mogelijke doelen van de aanslag, zoals een festival of feest in de lhbt-sfeer. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte samen met de – in het huisje in [plaats] aanwezige – medeverdachten heeft deel genomen aan een training in de zin van artikel 134a Sr.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof oordeelt dat het onder 3 tenlastegelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2 Verweren ten aanzien van feit 4 De verdediging is van mening dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de poging tot moord dan wel doodslag op een of meer politieambtenaren en voert hiertoe een drietal verweren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de trekker van zijn vuurwapen overhaalde op het moment dat hij dit op een of meerdere politieambtenaren richtte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subsidiair is volgens de raadsvrouw sprake van een absoluut ondeugdelijke poging, nu het wapen onklaar gemaakt was, waardoor het onmogelijk was hiermee scherpe patronen af te schieten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat geen sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg, zodat geen sprake kan zijn van een poging tot moord.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.1 Het richten van het vuurwapen De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van dit feit, omdat “niet kan werden vastgesteld dat de verdachte, toen leden van de DSI de bestelbus waarin ook de verdachte zich bevond openden teneinde hem aan te houden, de trekker van zijn vuurwapen overhaalde op het moment dat hij dit op één of meerdere DSI-leden richtte”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Naar aanleiding hiervan heeft nader onderzoek plaatsgevonden, hetgeen heeft geresulteerd in een kolommenoverzicht van de processen-verbaal (…) - de uitwerking van de camerabeelden en de bevindingen van verbalisanten B-173 en B-195 - en een aanvullend proces-verbaal (…) d.d. 22 februari 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">In het kolommenoverzicht zijn de bevindingen van de drie genoemde processen-verbaal naast elkaar weergegeven waarbij de tijdsaanduiding leidend is, zodat in één overzicht zichtbaar wordt wat op welk moment zowel binnen als buiten het busje gebeurt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanvullend proces-verbaal heeft - evenals het proces-verbaal (…) - betrekking op de camerabeelden in de bestelbus kort voorafgaand en tijdens de aanhouding van de verdachte en de medeverdachten (met uitzondering van de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ). De beeldopnamen zijn per frame bekeken, waarbij opmerking verdient dat gebruikelijk 24, 25 of 30 frames per seconden worden bekeken en dat de beeldopnamen in het busje ongeveer 1/6 van het gebruikelijke aantal frames per seconde bevatten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele frames hebben geleid tot de volgende aanvullende bevindingen met betrekking tot het richten en schieten (trekhandeling) door de verdachte gericht tegen leden van de DSI:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>p. 15: \"Vlak voordat de schuifdeur van het vrachtcompartiment werd geopend door leden van de DSI, bemerkte [verdachte] kennelijk dat de Glock blokkeerde, aangezien hij moeiteloos een eerste storingsreactie uitvoerde. Dit was een bewuste handeling daar [verdachte] rekening hield met de doorgeladen positie van de Glock. Te zien is dat de rechter wijsvinger, ten tijde van de storingsreactie, gestrekt op de slede werd geplaatst. Hierna plaatste [verdachte] de rechter wijsvinger terug in een gebogen vorm, om de trekker.\"</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>p. 16: \"Aan de lichtinval was te zien dat de schuifdeur van het vrachtcompartiment vervolgens werd geopend door leden van de DSI. Hierop voerde [verdachte] wederom moeiteloos een tweede storingsreactie uit met de Glock en herhaalde feitelijk voorgaande handeling. Aan de hand van de beelden is te zien dat er ditmaal een patroon uit de ‘kamer’ van de slede werd geworpen en naast [verdachte] belandde op de bodem van het vrachtcompartiment.\"</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>p. 17: \"Na de tweede storingsreactie strekte [verdachte] zijn rechterarm en richtte kennelijk rechtstreeks met de Glock naar de geopende schuifdeur. Ik zag via de beeldopname van de buitenkant dat diverse leden van de DSI op dat moment voor de geopende schuifdeur stonden.\" Het hof neemt op de beelden op deze pagina waar dat de vinger op het onderste beeld meer gebogen is dan op het bovenste beeld.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>p. 18: \"Aan de hand van de beelden is te zien dat dit het eerste moment was dat [verdachte] de Glock gericht had op leden van de DSI. Te zien is dat [verdachte] de rechter wijsvinger in een gebogen vorm op de trekker hield. Naar alle waarschijnlijkheid haalde [verdachte] de trekker over om gericht een schot te plaatsen, echter bemerkte [verdachte] wederom dat de Glock blokkeerde en voerde vervolgens moeiteloos een derde storingsreactie uit.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>p. 20: \"Te zien is dat vervolgens de achterportieren werden geopend, waarop [verdachte] direct reageerde, en zijn focus verlegde van de zijkant naar de achterkant van het vrachtcompartiment. Vanaf dat moment hield [verdachte] de Glock onafgebroken gericht op leden van de DSI met de rechter wijsvinger op de trekker.\"</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>p. 21: “Nadat [verdachte] zich had omgedraaid nam hij een vaardige schiethouding aan met beide armen. [verdachte] leunde, in eerste aanleg, met zijn rug tegen de zijkant van het vrachtcompartiment en strekte zijn armen deels naar voren. Kort hierop was te zien dat [verdachte] naar voren bewoog en zich daardoor kennelijk stabieler positioneerde om af te vuren.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>p. 23: “Te zien is dat [verdachte] de Glock naar voren richtte met gestrekte armen in een onbeweeglijke houding zoals eerder waargenomen in het vakantiehuis nadat de Glock werd verstrekt.\"</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat bovengenoemde handelingen plaatsvonden in een tijdsbestek van 7 à 8 seconden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechercheur 563 die dit aanvullend proces-verbaal heeft opgemaakt, verbaliseert naar aanleiding van bovengenoemde bevindingen als volgt. \"Bij nadere analyse van verschillende frames is mij gebleken dat [verdachte] meerdere malen de trekker had overgehaald niet wetende dat de geleverde (hand)vuurwapens onklaar waren gemaakt. (...) Deze handelingen zijn pas zichtbaar door de betreffende frames achter elkaar te bekijken, waaruit blijkt dat de rechter wijsvinger van een licht gestrekte vinger naar een volledig gebogen vinger om de trekker beweegt. Deze trekker handeling komt exact overeen met de eerdere waarneming in het vakantiehuis op het moment dat [verdachte] vaardige handelingen uitvoerde met de Glock en aldaar een schot simuleerde door de trekker over te halen met de rechter wijsvinger.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan de hand van de frames blijkt dat [verdachte] op de volgende momenten de trekker één of meerdere malen heeft overgehaald:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Na de derde storingsreactie, gericht op één of meerdere lid/leden van de DSI staande in/bij de geopende schuifdeur van het vrachtcompartiment;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Na het openen van (achter-)portieren; gericht op één of meerdere lid/leden van de DSI.\"</div>\n<p class=\"lf-p\">Het hof overweegt dat het gegeven dat uit de bevindingen blijkt dat de verdachte drie keer een storingsreactie heeft uitgevoerd, overeenkomt met het feit dat in het busje in ieder geval drie patronen zijn gevonden. Immers, een handeling om een storing te verhelpen is het opnieuw naar achteren trekken van de slede teneinde het eventueel storende patroon uit te werpen, waardoor het wapen opnieuw doorgeladen is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op grond van de hierboven beschreven handelingen van de verdachte en het gegeven dat er op de bodem van het busje drie patronen zijn gevonden in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de verdachte op het moment dat hij richtte op meerdere leden van de DSI de trekker van het wapen daadwerkelijk heeft overgehaald.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweer wordt dan ook verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.2.2 Absoluut ondeugdelijke poging De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte een vuurwapen in handen had dat niet werkte - hetgeen hij wist - en ook nooit zou kunnen werken, zodat hij een absoluut ondeugdelijk middel gebruikte. Er is daarmee geen begin van uitvoering hetgeen voor een strafbare poging wel vereist is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verdachte veronderstelde dat het wapen werkte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt voorop dat de verdachte op 27 september 2018 van de politie-infiltranten in het vakantiehuisje in [plaats] een onklaar gemaakt handvuurwapen van het merk Glock in ontvangst heeft genomen dat hij in zijn buiktasje heeft gestoken. Hierna zat hij met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] achterin het bestelbusje. Hij zegt dan: \"Ik durf nu te garanderen, ze doen het. (...). Ik heb dat wapen, ik heb naar binnen gekeken, je zag ook dat het echt eentje die al wat vuur heeft gezien en niet wat de AIVD gedaan heeft., buiten (ntv) dat is Aghi, we zijn goed (…) jij hebt het niet verkeerd.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit deze opmerkingen van de verdachte wordt afgeleid dat hij kort daarvoor in het vakantiehuisje een ander vuurwapen heeft gecontroleerd - hetgeen steun vindt in de videobeelden uit dat huisje - en heeft vastgesteld dat dat wapen al was gebruikt. Hij concludeerde dat het niet door de AIVD was geprepareerd en dat “we goed zijn”. Daaruit leidde de verdachte af dat de wapens – waaronder ook de Glock die in zijn buiktasje zat - “het doen”. Ook het doorladen van de Glock voor de aanhouding duidt erop dat de verdachte veronderstelde dat het pistool werkte.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondeugdelijke poging De vraag is of het trachten te schieten met een onklaar gemaakt vuurwapen door de verdachte die veronderstelde dat het vuurwapen zou werken een strafbare poging oplevert.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof stelt vast dat vier verdachten - waaronder de verdachte - in het vakantiehuisje van de politie-infiltranten training hebben gekregen in het gebruik van de Glock. Zij vroegen vervolgens aan de politie-infiltranten of zij de wapens in hun onmiddellijke nabijheid mogen houden om zich te kunnen verdedigen als de politie komt. Ook de verdachte hield de Glock binnen handbereik.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder stelt het hof vast dat de Glock die de verdachte richtte op de DSI bestemd is \"om projectielen door een loop af te schieten\". Het pistool was door de politie technisch aangepast zodat het niet mogelijk was scherpe patronen af te schieten. Deze technische aanpassing was met het blote oog niet waarneembaar. Na inbeslagname onder de verdachte heeft de politie vastgesteld dat een gevuld patroonmagazijn in het wapen aanwezig was en een patroon in de kamer zat. Het vuurwapen was gespannen. De verdachte heeft verklaard dat hij het vuurwapen doorlaadde toen het busje stopte, maar het wapen het niet deed.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegen deze achtergrond en in het bijzonder gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de gedragingen van de verdachte tegenover de DSI - het doorladen van de Glock, het richten op de DSI en het overhalen van de trekker - oordeelt het hof dat de bewezenverklaarde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van moord althans doodslag (vgl. HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2761). Van een absoluut ondeugdelijke poging is geen sprake.’ Een deel van het proces-verbaal van de terechtzitting en delen van de pleitnota 8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, gehouden op 29 maart, 5, 6, 7, 12 en 19 april en 7 juni 2022 houdt onder meer het volgende in: ‘De voorzitter hervat op 12 april 2022 het op de terechtzitting van 7 april 2022 onderbroken onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">De voorzitter dankt de raadsvrouw voor het op voorhand doen toekomen van de pleitnota en geeft het woord aan de raadsvrouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen. Met dien verstande dat hetgeen onder punt 12 tot en met 202 niet is voorgedragen daar deze in de samenvatting is weergegeven. Met instemming van het hof en de advocaten-generaal wordt met het voordragen van de samenvatting de punten onder 12 tot en met 202 van de pleitaantekeningen als voorgedragen beschouwd. De raadsvrouw voert eveneens het woord overeenkomstig de overgelegde en in het procesdossier gevoegde samenvatting. De raadsvrouw bepleit vrijspraak voor de onder 1, 2, 3 en 4 primair tenlastegelegde feiten.’ 9. De overgelegde pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten): ‘NIET ONTVANKELIJKHEID OM VANWEGE (VERLENGDE) UITLOKKING (…) De stelling van de verdediging is dat cliënt via [medeverdachte 1] door medewerkers van de AIVD is uitgelokt. Om dat standpunt te onderbouwen, dient eerst duidelijk te worden dat [medeverdachte 1] door de AIVD is uitgelokt. Daarna dient de vervolgstap te worden gezet dat cliënt via [medeverdachte 1] indirect door de medewerkers van de AIVD is uitgelokt. (…) Ik zal in dit pleidooi dan ook eerst uiteenzetten dat [medeverdachte 1] volgens de verdediging door de AIVD is uitgelokt, om vervolgens te betogen dat [verdachte] via [medeverdachte 1] indirect door de AIVD tot een strafbaar feit is gebracht waarop zijn opzet eerder niet was gericht. (…) Naast dit uitlokkingsverweer zal de verdediging nog twee andere niet-ontvankelijkheidsverweren voeren die in eerste aanleg voornamelijk in de zaak [medeverdachte 1] naar voren zijn gebracht.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de eerste plaats is dat het verweer dat de AIVD misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden. (…) Verder stelt de verdediging zich ook op het standpunt dat het uitlokkingsverbod in deze zaak niet enkel door de AIVD is geschonden, maar dat de politie-infiltrant zich evenmin aan het instigatieverbod heeft gehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2Uitlokking Zoals gezegd zal de verdediging eerst ingaan op de vraag of cliënt is uitgelokt. Het gaat hier niet om uitlokking door de opsporingsautoriteiten, maar om uitlokking door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sanctionering van uitlokking door een inlichtingen- of veiligheidsdienst (…) [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat hij is uitgelokt door twee personen, genaamd [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . De verdediging stelt zich op het standpunt dat deze personen afkomstig moeten zijn van een veiligheids- of inlichtingendienst. Zij komen niet in het dossier voor, omdat zij geen deel uitmaakten van het voorbereidend onderzoek in de onderhavige zaak. Hun bijdrage is daaraan voorafgegaan. (…) Er dient dan nog kort stil te worden gestaan bij de vraag door welke inlichtingendienst de verdachten in deze zaak precies zijn uitgelokt. Er zijn voldoende aanwijzingen dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] door een overheidsinstantie als infiltranten zijn ingezet, maar de verdediging kan niet met zekerheid aangeven welke instantie dat is geweest.</p>\n<p class=\"lf-p\">De AIVD ligt dan het meest voor de hand. Daar kom ik op een later moment nog op terug. In dit pleidooi zal ik dan ook uitgaan van de aanname dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] onder de verantwoordelijkheid van de AIVD handelden. (…) 2.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sanctioneren van vormverzuimen buiten het kader van art. 359a Sv (…) De Hoge Raad heeft in een overzichtsarrest op het gebied van vormverzuimen uiteengezet dat onder omstandigheden in een strafzaak een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatigheid die buiten het voorbereidend onderzoek is begaan. Die mogelijkheid is er zelfs, als jegens de verdachte een onrechtmatige handeling is begaan door een andere functionaris of persoon dan een opsporingsambtenaar. Hierbij geldt de maatstaf dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit: (…) Als ervan uit wordt gegaan dat cliënt inderdaad is uitgelokt door de AIVD, zoals de verdediging stelt, dan is dat vormverzuim evident van bepalende invloed geweest op de opsporing en vervolging in de onderhavige zaak. Cliënt is dan door de agenten van de staat gebracht tot de tenlastegelegde strafbare feiten, zonder dat zijn opzet daar vooraf op was gericht. In dat scenario zouden de tenlastegelegde feiten zonder de inmenging van de AIVD niet hebben plaatsgevonden. Dat optreden was daarmee van bepalende invloed op de onderhavige strafzaak. Zonder dat vormverzuim was er immers ook geen opsporing en vervolging. (…) 2.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Jurisprudentie met betrekking tot het sanctioneren van het handelen van een inlichtingendienst (…) Als we specifiek kijken naar vormverzuimen die zijn begaan door een inlichtingendienst, dan heeft de Hoge Raad in het verleden expliciet geoordeeld dat deze onrechtmatigheden in bepaalde gevallen buiten art. 359a Sv om moeten worden gesanctioneerd in het daaropvolgende proces. In het Eik-arrest uit 2006 heeft de Hoge Raad overwogen dat materiaal dat afkomstig is van een binnenlandse inlichtingen- of veiligheidsdienst enkel in het strafproces mag worden gebruikt indien is voldaan aan de eisen van het recht op een eerlijk proces. Het feit dat het optreden van de AIVD niet onder het bereik van art. 359a Sv valt, doet daar niet aan af: (…) 2.1.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Sanctioneren van vormverzuimen die in het buitenland zijn begaan (…) 2.1.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Levert uitlokking door een inlichtingendienst een schending van art. 6 EVRM op? (…) Het is dus van belang om vast te stellen of de uitlokking van cliënt door een inlichtingendienst in deze zaak tot een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM zou leiden. Om daar uitsluitsel over te kunnen geven, moeten de twee volgende vragen worden beantwoord:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">1.</span>Levert uitlokking een overtreding van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM op?</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Dient een inlichtingen- of veiligheidsdienst zich net als het Openbaar Ministerie en de politie aan het instigatieverbod te houden?</div>\n<p class=\"lf-p\">2.1.4.1. Levert uitlokking een schending van art. 6 EVRM op?</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerste vraag is eenvoudig te beantwoorden. In Teixeira de Castro t. Portugal heeft het EHRM geoordeeld dat de verdachte bij uitlokking 'right from the outset definitively deprived is’ van een eerlijk proces. Indien in een strafzaak materiaal wordt gebruikt dat direct of indirect door uitlokking is verkregen, levert dat per definitie een schending van art. 6 EVRM op: (…) 2.1.4.2. Geldt het uitlokkingsverbod ook voor inlichtingen- en veiligheidsdiensten? (…) De wetgever heeft het uitlokkingsverbod in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdienst 2017 expliciet op de AIVD van toepassing verklaard. Art. 41 lid 5 van die wet luidt immers als volgt: \"De natuurlijke persoon, bedoeld in het eerste lid, mag bij de uitvoering van de instructie door zijn optreden een persoon niet brengen tot ander handelen betreffende het beramen of plegen van strafbare feiten, dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.\"</p>\n<p class=\"lf-p\">In Shannon t. het Verenigd Koninkrijk is ook het EHRM op deze kwestie ingegaan. Het Europese Hof overwoog dat de overwegingen uit Teixeira de Castro van toepassing zijn op een uitlokkingsoperatie uitgevoerd ‘by or on behalf of the State or its agents”: (…) In dat verband kan tevens worden gewezen op Ramanauskas t. Litouwen, waarin door het Europese Hof in het kader van uitlokking expliciet wordt gesproken over ‘security forces’: (…) Hiermee staat mijns inziens voldoende vast dat ook uitlokking door de AIVD of door een buitenlandse inlichtingendienst een schending van art. 6 EVRM oplevert. Dat betekent dat als cliënt door een inlichtingendienst is uitgelokt, dat vormverzuim in de onderhavige zaak moet worden gesanctioneerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.1.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tot welk rechtsgevolg dient de uitlokking door een inlichtingendienst te leiden? (…) 2.1.5.1. Niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (…) Het is dan de vraag of de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ook de aangewezen sanctie is als het gaat om een uitlokking die buiten het voorbereidend onderzoek heeft plaatsgevonden. De verdediging meent dat dit wel het geval is. (…) Eerder heeft de verdediging al aangegeven dat de eerlijkheid van het proces in zijn geheel hierdoor wordt aangetast. Dit is niet herstelbaar of te compenseren. Wanneer de uitlokking niet zou hebben plaatsgevonden, had er evenmin een strafvervolging kunnen worden gestart. Cliënt is dan immers gebracht tot strafbare feiten die hij anders nooit zou hebben gepleegd. Aangezien er in dat geval dus geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces, dient een schending van het uitlokkingsverbod in deze zaak te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 2.1.5.2. Bewijsuitsluiting Volgens de Hoge Raad dient overtreding van het uitlokkingsverbod dus te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Maar wat zegt het Europese Hof hier over? In principe geeft het Europese Hof de staten de ruimte om zelf te bepalen hoe vormverzuimen die een inbreuk maken op art. 6 EVRM worden gesanctioneerd. Maar als het gaat om uitlokking, hanteert het Hof wel een ondergrens. Materiaal dat is verkregen in strijd met het instigatieverbod kan niet voor het bewijs in de strafzaak worden gebruikt. Dergelijke bewijsmiddelen moeten dan dus worden uitgesloten van het bewijs, of er moeten maatregelen worden genomen die tot ‘similar consequences’ leiden. (…) 2.1.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie (…) 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De door de AIVD ingezette agenten (…) Dan komen we vanzelf uit bij de vraag of in deze zaak wel sprake was van een infiltratietraject dat onder de verantwoordelijkheid van een inlichtingendienst was ingezet. (…) We moeten dan allereerst constateren dat binnen het opsporingsonderzoek een infiltrant is ingezet onder de naam [A] . Deze [A] was door de politie ingeschakeld en stond dus niet onder de verantwoordelijkheid van de AIVD. Maar volgens [medeverdachte 1] ging aan de inzet van [A] nog een infiltratietraject vooraf. Dit viel buiten het voorbereidend onderzoek in deze zaak. Op het moment dat hij voor het eerst in contact kwam met [A] , was hij al uitgelokt. Sinds enkele jaren had [medeverdachte 1] immers al contact met een persoon die zichzelf [betrokkene 5] noemde. Deze [betrokkene 5] heeft [medeverdachte 1] vervolgens uitgelokt tot het voorbereiden van een terroristische aanslag in Nederland. Vervolgens heeft [betrokkene 5] [medeverdachte 1] in contact gebracht met een persoon die opereerde onder de naam [betrokkene 6] . Deze [betrokkene 6] had vervolgens samen met [betrokkene 5] via e-mail en social media contact met [medeverdachte 1] . Pas in een later stadium kwam [A] via [betrokkene 5] en [betrokkene 6] in beeld. Op dat moment was het uitlokkingsverbod volgens [medeverdachte 1] reeds geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het feit dat de uitlokking voorafging aan het voorbereidend onderzoek in deze zaak, betekent dat het dossier vrijwel geen informatie bevat over de vermeende uitlokkers [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . Uit het dossier blijkt duidelijk dat [A] een infiltrant was, maar een dergelijke bevestiging ontbreekt ten aanzien van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . Sterker nog, zij komen nagenoeg niet voor in het dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de verdediging staat vast dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] als infiltranten opereerden onder de verantwoordelijkheid van de AIVD of een andere veiligheidsdienst. Deze overtuiging wordt gesterkt door één cruciaal gegeven: [medeverdachte 1] is via [betrokkene 5] en [betrokkene 6] in contact gekomen met [A] . We weten dat [A] een infiltrant was. Dit betekent dat ook [betrokkene 5] en [betrokkene 6] infiltranten moeten zijn geweest. (…) Om ook u hiervan te overtuigen, zal ik in dit pleidooi uitwerken waarom dit volgens de verdediging de juiste conclusie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De connectie tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] enerzijds en [A] anderzijds Allereerst dient dan aandacht te worden besteed aan de vraag waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] via [betrokkene 5] en [betrokkene 6] met [A] in contact is gekomen. Op zich is er geen reden om daaraan te twijfelen. Er moet immers op een manier een connectie tot stand zijn gekomen. Uit het dossier blijkt op het eerste gezicht niet duidelijk hoe [medeverdachte 1] en [A] bij elkaar zijn uitgekomen. [medeverdachte 1] geeft daarvoor dan een logische verklaring. Hij is via [betrokkene 6] en [betrokkene 5] in contact gebracht met [A] . Dat blijkt niet alleen uit de verklaring van [medeverdachte 1] , maar ook uit de opgenomen gesprekken tussen hem en [A] . De door mijn kantoorgenoten in eerste aanleg overlegde e-mailwisseling tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] neemt alle eventuele twijfel weg. Ik zal de in dit kader relevante passages uit het dossier, maar ook uit de e-mails benoemen. (…) Wanneer dit alles in samenhang wordt bezien, blijkt dat [A] via [betrokkene 5] en [betrokkene 6] met [medeverdachte 1] in contact is gekomen. Of [betrokkene 5] of [betrokkene 6] één persoon is, of een hele afdeling van de AIVD, weet ik niet. Vast staat dat [A] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] van elkaars bestaan weten en zich veilig genoeg voelen om over elkaar te spreken zonder door de mand te vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe verhoudt dit zich tot de verklaringen van [A] en B2870?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ondanks het voorgaande zeggen [A] zelf en zijn Nederlandse begeleider B2870 dat het contact met [medeverdachte 1] is geïnitieerd zonder gebruik te maken van een reeds bestaand ‘lijntje’. Volgens de begeleider was de enige opening waarvan zij gebruik konden maken om in contact met [medeverdachte 1] te komen de zinssnede uit het ambtsbericht van 25 april 2018, dat [medeverdachte 1] op zoek was naar een persoon die de aanschaf van aanslagmiddelen voor hem kon faciliteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omdat uit het ambtsbericht niet bleek dat [medeverdachte 1] ook al daadwerkelijk contact had met ‘broeders’ en dat hij dus al een bericht verwachtte van iemand die hem kon helpen bij de aanschaf van de benodigde middelen, is het opmerkelijk dat [A] in zijn eerste e-mail aan [medeverdachte 1] aangaf dat hij was ‘appointed by the brothers’ en dat [medeverdachte 1] als het goed is al een bericht verwachtte. (…) Wanneer het contact vanuit [betrokkene 6] en [betrokkene 5] met [medeverdachte 1] wordt bezien, kan ook daaruit worden afgeleid dat [A] degene was die door hen was gestuurd. [betrokkene 6] spoort [medeverdachte 1] meerdere malen aan om een nieuw e-mailadres aan te maken, zodat de ‘broeder’ hem daarop kan bereiken. Als [medeverdachte 1] uiteindelijk aan [betrokkene 6] heeft doorgegeven dat hij een nieuw e-mailadres heeft aangemaakt, komt de e-mail van [A] kort daarna op dat mailadres binnen. (…) 2.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom leidt dit tot de conclusie dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] AIVD agenten waren?</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verdediging stond dus voldoende vast dat er een connectie bestond tussen [betrokkene 5] en [betrokkene 6] enerzijds en [A] anderzijds, maar waarom kan daar dan uit worden opgemaakt dat ook [betrokkene 5] en [betrokkene 6] infiltranten waren? Aan die gedachte ligt een zeer simpele redenering ten grondslag. Laten we even uitgaan van de veronderstelling dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] geen infiltranten waren maar ‘echte jihadisten’. In dat geval zouden [betrokkene 5] en [betrokkene 6] het doel hebben gehad om daadwerkelijk een aanslag te laten plaatsvinden. De ‘broeder’ die door hen in contact zou worden gebracht met [medeverdachte 1] zou dan iemand moeten zijn die hem ook echt zou helpen met de voorbereiding van de aanslag. Het zou iemand moeten zijn uit hun eigen organisatie die ze vertrouwden, want als de heimelijke plannen aan het licht zouden worden gebracht, zouden zij ook zelf het risico lopen te worden ontdekt. Als [betrokkene 5] en [betrokkene 6] ‘echte jihadisten’ waren, had dat dus ook voor [A] moeten gelden. We weten echter dat dit niet het geval was, [A] was een infiltrant. Dat betekent dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zich valselijk als ‘echte jihadisten’ hebben voorgedaan. De verdediging ziet dan geen andere mogelijkheid meer dan dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] in feite infiltranten waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overige aanwijzingen dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] AIVD-agenten waren (…) 2.2.4.1. De identiteit van [betrokkene 5] (…) 2.2.4.2. Nederlandse telefoonnummers (…) 2.2.4.3. Nederlands taalgebruik (…) 2.2.4.4. Een focus op personen met de Nederlandse nationaliteit (…) 2.2.4.5. Het abrupte einde van het contact (…) 2.2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie De conclusie naar aanleiding van het voorgaande is dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] agenten waren die opereerden onder de verantwoordelijkheid van de AIVD.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit de combinatie van het dossier en de in eerste aanleg door mijn kantoorgenoot overhandigde mailwisseling van [medeverdachte 1] met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] kan namelijk met zekerheid worden afgeleid dat [A] al dan niet indirect via [betrokkene 5] en [betrokkene 6] met [medeverdachte 1] in contact is gekomen. Het feit dat [A] een infiltrant was, dient dan tot de conclusie te leiden dat het niet anders kan dan dat dit ook voor [betrokkene 5] en [betrokkene 6] gold. Het is anders immers niet te verklaren waarom er een ‘lijntje’ bestond tussen [A] enerzijds en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] anderzijds.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien zijn er ook naast de connectie van [A] met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] aanwijzingen dat laatstgenoemden in feite onder de verantwoordelijkheid van de AIVD opereerden. Hoewel [betrokkene 5] zelf stelde dat hij een uit Frankrijk afkomstige jihadist was die zich in Hongarije had gevestigd, had hij zich op Facebook geregistreerd met Nederlandse telefoonnummers, benaderde hij voornamelijk personen met de Nederlandse nationaliteit en gebruikte hij Nederlandse woorden in zijn Engelse teksten. Bovendien kwam de berichtenstroom van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] aan [medeverdachte 1] die voorheen onafgebroken doorliep abrupt ten einde op het moment dat [medeverdachte 1] werd aangehouden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het juridisch kader bij uitlokking (…) 2.3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De definitie van uitlokking (…) 2.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bij uitlokking te hanteren toetsingskader (…) Het Europese hof hanteert bij de toets of sprake was van uitlokking dus twee criteria. (…) Het eerste criterium omvat dus de redenen die ten grondslag liggen aan het besluit om een infiltratieoperatie op te zetten. Het gaat dan om de omstandigheden op grond waarvan de autoriteiten hebben kunnen vermoeden dat de verdachte het opzet had om een bepaald strafbaar feit te plegen. (…) Aan de hand van objectieve omstandigheden moet worden vastgesteld of de verdachte voor de infiltratie al de opzet had om het strafbare feit te plegen: (…) Het tweede criterium heeft geen betrekking op het opzet van de verdachte, maar gaat om de wijze waarop de infiltrant heeft gehandeld. Er moet worden bekeken of de infiltrant zich enkel bij de strafbare feiten heeft aangesloten (joined) ofdat hij de criminele activiteiten geïnitieerd heeft (instigated). (…) 2.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subjectieve criterium De verdediging zal nu eerst wat uitvoeriger ingaan op het subjectieve element. Zoals gezegd gaat het daarbij om de redenen die ten grondslag liggen aan het besluit om de infiltratie in gang te zetten. De autoriteiten moeten voldoende verdenking hebben dat de verdachte zich bezighield met de strafbare activiteiten waarop de infiltratieactie zich richtte, of dat de verdachte ‘predisposed’ was om een strafbaar feit te plegen.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.3.1. Subjectieve predispositie moet worden vastgesteld aan de hand van objectieve omstandigheden (…) Het gaat hier weliswaar om de subjectieve opzet van de verdachte, maar overheidsfunctionarissen kunnen natuurlijk niet in het hoofd van de verdachte kijken. De opzet moet dan ook worden afgeleid uit objectieve observaties omtrent het gedrag van de verdachte. Op die manier krijgt het subjectieve criterium een erg objectieve invulling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Europese hof hecht onder dit criterium dan ook grote waarde aan hetgeen aan de inzet van de infiltrant vooraf is gegaan. Maar ook omstandigheden die pas achteraf bekend worden, kunnen volgens het Europese Hof aantonen dat het opzet van de verdachte al voor de start van het traject was gericht op het begaan van het strafbare feit. (…) 2.3.3.2. Het opzet van de verdachte moet gericht zijn op soortgelijke feiten (…) Waarom het gaat, is dat van uitlokking sprake is als de betrokkene zonder de interventie van de undercoveragenten niet een soortgelijk feit zou hebben gepleegd: (…) Als de verdachte in het algemeen opzet had om een strafbaar feit te plegen, kan hij nog altijd uitgelokt worden (…) 2.3.3.3. De rol van recidive Binnen het subjectieve criterium is een belangrijke rol weggelegd voor recidive. Strafbare feiten uit het verleden kunnen het opzet van de verdachte bij de start van het undercovertraject inkleuren. Een eerdere strafrechtelijke veroordeling is op zichzelf echter niet indicatief voor ‘ongoing criminal activity’. Volgens het Europese Hof moeten die eerdere criminele activiteiten worden bezien in combinatie met de andere factoren. (…) 2.3.3.4. Pre-existing criminal activity (…) 2.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het objectieve criterium (…) Op het moment dat er wel is voldaan aan het subjectieve criterium, heeft een infiltrant meer ruimte om zelf initiatief te nemen. Maar ook dan is de handelingsruimte voor de infiltrant niet onbeperkt. (…) De verdachte mag immers niet tot een strafbaar feit worden gebracht waar zijn opzet niet op was gericht. (…) Kortom, bij het objectieve criterium gaat het uiteindelijk om het gedrag van de infiltrant. Aan de hand van alle omstandigheden van het geval moet worden vastgesteld of die zich voldoende passief heeft opgesteld, of dat hij een instigerende of regisserende rol heeft gespeeld waardoor de verdachte een strafbaar feit heeft begaan dat anders nooit zou hebben plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Indirecte uitlokking (…) Wanneer het gaat om de vraag of een verdachte indirect is uitgelokt, moeten er volgens het Europese Hof dus drie vragen worden beantwoord. In de eerste plaats moet worden bekeken of het voor de autoriteiten voorzienbaar was dat de persoon die direct werd uitgelokt waarschijnlijk ook andere personen zou benaderen om deel te nemen aan de strafbare feiten. Vervolgens is het de vraag of de activiteiten van die anderen ook werden bepaald door het optreden van de infiltranten. In de laatste plaats moet er worden vastgesteld of de anderen kunnen worden gezien als medeplegers van het strafbare feit. Als alle drie de vragen positief kunnen worden beantwoord, is er sprake van indirecte uitlokking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie (…) 2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitlokking van [medeverdachte 1] (…) Als [medeverdachte 1] niet is uitgelokt door de AIVD, en hij cliënt er vervolgens van heeft overtuigd om een aanslag te plegen, zal het uitlokkingsverbod ook niet ten aanzien van cliënt zijn geschonden. (…) Maar het wordt anders als kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] wel door de AIVD is uitgelokt. Dan kan worden bekeken of de AIVD via [medeverdachte 1] ook cliënt heef geïnstigeerd. We zullen in dit pleidooi dus ook moeten ingaan op de vraag of [medeverdachte 1] door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] tot een feit is gebracht dat hij anders nooit zou hebben gepleegd. Aan de hand van het subjectieve en objectieve criterium zal moeten worden beoordeeld of dat in casu het geval was. (…) 2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing aan het subjectieve criterium Zoals eerder uiteen gezet, gaat het binnen het subjectieve criterium om de opzet van de verdachte bij de start van het infiltratietraject. Beoordeeld moet worden of de verdachte bij de start van de undercoveroperatie al de predispositie had om het strafbare feit te plegen. (…) De objectieve omstandigheden die informatie opleveren omtrent de opzet van de verdachte bij de start van het infiltratietraject zijn doorslaggevend.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.1.1. Wanneer ontstond bij [medeverdachte 1] het opzet om het tenlastegelegde feit te plegen? (…) [medeverdachte 1] wijst naar 2015 als de start van het infiltratietraject. Toen nam [betrokkene 5] , aanvankelijk onder de naam [betrokkene 5] , contact op met [medeverdachte 1] via Facebook. (…) [medeverdachte 1] stelt dat hij bij aanvang van het contact nog niet van plan om een strafbaar feit te plegen. Maar al gaande de gesprekken wist [betrokkene 5] een criminele intentie bij hem te creëren. Er ging lange tijd overheen voordat [medeverdachte 1] bereid was om een terroristisch misdrijf te plegen: (…) De predispositie om het betreffende strafbare feit te plegen, was dus niet reeds bij de start van de undercoveroperatie aanwezig bij [medeverdachte 1] . Dit voornemen is pas tijdens de loop van (het erg lang durende) infiltratietraject ontstaan. Dat betekent dat de infiltratieactie niet voldeed aan het subjectieve criterium bij uitlokking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.1.2. Wat kan objectief worden vastgesteld omtrent het moment waarop de delictsopzet bij [medeverdachte 1] is ontstaan? (…) Een ding blijkt duidelijk uit voorgaande passages: objectief kan slechts worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] pas een jaar na de start van het infiltratietraject het opzet had om een terroristisch misdrijf te plegen. In de gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [A] komt dit moment expliciet naar voren als het moment waarop het contact tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] zich richtte op de voorbereiding van een dergelijk feit. Objectieve aanwijzingen dat [medeverdachte 1] ook voorafgaand aan dit moment bereid was om het strafbare feit te plegen, ontbreken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat betekent dat aan de hand van het dossier niet objectief kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] bij de start van het undercovertraject al ‘predisposed’ was om een terroristisch misdrijf te plegen, zodat de infiltratieoperatie het subjectieve criterium bij uitlokking niet doorstaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.1.3. Was de opzet van [medeverdachte 1] gericht op een ‘soortgelijk feit’?</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik spreek steeds in het algemeen over een terroristisch misdrijf, maar uit het eerste gesprek van [medeverdachte 1] met [A] blijkt dat in de gesprekken met [betrokkene 5] twee concrete terroristische misdrijven aan de orde zijn geweest. (…) In deze vroege fase zijn zowel de voorbereiding van een aanslag in Nederland als het uitreizen naar Syrië om aldaar deel te nemen aan de gewapende strijd als mogelijkheden ter sprake gekomen. Volgens [medeverdachte 1] was bij hem eerst het opzet ontstaan om uit te reizen naar Syrië. De bereidheid om een aanslag in Nederland te plegen kwam pas later: (…) Maar voor beide concrete terroristische misdrijven geldt dat [medeverdachte 1] bij de start van de gesprekken met [betrokkene 5] nog niet ‘predisposed’ was om deze feiten te plegen.(…) Ten aanzien van beide feiten kan dan ook slechts objectief worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] geruime tijd na de start van het infiltratietraject bereid was om deze feiten te plegen. Objectieve aanwijzingen dat hij die opzet ook al op een eerder moment had, ontbreken. (…) Eerder heb ik aangegeven dat niet is voldaan aan het subjectieve criterium als de verdachte bij de start van het undercovertraject weliswaar ‘predisposed’ was om een strafbaar feit te plegen, maar dit een ander strafbaar feit betrof dan waarop de undercoveroperatie was gericht. Een algemene intentie om strafbare feiten te plegen, volstaat niet. Het subjectieve criterium vereist dat het feit waarop het opzet van de verdachte bij de start van de infiltratie was gericht en het feit waarop de infiltratie zich richtte ten minste soortgelijke feiten waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt zich op het standpunt dat het plegen van een terroristische aanslag in Nederland enerzijds en het uitreizen naar Syrië om daar deel te nemen aan de gewapende strijd anderzijds, geen soortgelijke feiten zijn. (…) 2.4.1.4 Welke rol speelt de eerdere veroordeling van [medeverdachte 1] voor een terroristisch misdrijf?</p>\n<p class=\"lf-p\">De eerdere veroordeling van [medeverdachte 1] voor een poging om naar Syrië uit te reizen, levert op zichzelf nog geen objectieve aanwijzing op dat hij ‘predisposed’ was om een terroristisch misdrijf te plegen. (…) 2.4.1.5. ‘Pre-existing criminal activity’ ontbreekt (…) Allereerst kan de ‘pre-existing criminal activity’ bestaan uit bij herhaling gepleegde soortgelijke feiten. Daarvan is bij [medeverdachte 1] geen sprake. De aard van onderhavige feiten leent zich daar ook niet voor. Dan blijft over de andere categorie: de voorbereiding van het betreffende strafbare feit was al voor de start van de undercoveroperatie in gang gezet. Ook daarvan was in dit geval geen sprake, omdat [medeverdachte 1] bij het eerste contact met [betrokkene 5] nog helemaal geen plannen had. Het ontbreken van enige ‘pre-existing criminal activity’(…) onderstreept de conclusie dat jegens [medeverdachte 1] niet is voldaan aan het subjectieve criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing aan het objectieve criterium (…) Zoals de verdediging eerder heeft aangegeven, gaat het bij het objectieve element niet meer om opzet van de verdachte, maar om het gedrag van de infiltrant. Er moet dan worden bekeken of de infiltrant zich passief heeft opgesteld of dat hij zich misschien toch actief heeft gedragen. (…) In dat kader roept de verdediging nog een keer in herinnering dat de invulling van het objectieve criterium deels afhankelijk is van de vraag of de undercoveroperatie de toets aan het subjectieve criterium doorstaat. Als dat niet het geval is, zal de infiltrant zelf geen enkel initiatief mogen ontplooien. (…) 2.4.2.1. De beïnvloeding van [medeverdachte 1] door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] [medeverdachte 1] stelt in zijn verklaring dat [betrokkene 5] hem wel degelijk heeft beïnvloed. Door de gesprekken met [betrokkene 5] bereikte hij het punt waarop bij bereid was om een aanslag in Nederland te plegen. Als [betrokkene 5] hem niet had benaderd, zou (...) het nooit in hem opgekomen zijn om hierover na te denken. (…) Voorheen was [medeverdachte 1] niet van plan om een terroristisch misdrijf te plegen, maar dankzij de religieuze ‘bijscholing’ door [betrokkene 5] begon hij valselijk te geloven dat het plegen van een dergelijk misdrijf in het belang van ‘the greater good’ was: (…) Zo ontstond beetje bij beetje de bereidheid bij hem. Zonder de ideologische beïnvloeding door [betrokkene 5] was [medeverdachte 1] nooit op het idee gekomen. (…) Op een gegeven moment was [medeverdachte 1] zodanig religieus beïnvloed dat hij zich bereidwillig toonde om geweld te plegen uit naam van de Islam. De uitlokking was op dat moment echter nog niet compleet. [medeverdachte 1] had weliswaar het punt bereikt dat hij bereid was om geweld te plegen in het kader van de gewapende strijd in Syrië, maar het plegen van een aanslag in Nederland behoorde nog niet tot zijn geloofsopvatting. De beïnvloeding door [betrokkene 5] ging daarom verder door, maar in tegenstelling tot de eerste fase sprak [betrokkene 5] nu expliciet over het toepassen van geweld. Ditmaal probeerde hij [medeverdachte 1] ervan te overtuigen dat het plegen van een aanslag beter was dan het deelnemen aan de gewapende strijd in Syrië. (…) Nadat [medeverdachte 1] eenmaal had aangegeven dat hij dan wel bereid was om een aanslag te plegen in Nederland, verplaatste het gesprek zich langzaamaan in de richting van de daadwerkelijke voorbereiding van het delict. Op dat moment werd [betrokkene 6] ook ingeschakeld, die [medeverdachte 1] samen met [betrokkene 5] steeds meer in die richting duwde. Toen [A] eenmaal in beeld kwam, was [medeverdachte 1] in eigen woorden helemaal gehersenspoeld. Door de eerdere beïnvloeding had hij toen het punt bereikt dat hij ‘predisposed’ het strafrechtelijk onderzoek in geduwd werd: (…)</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2.2. Zijn er objectieve aanwijzingen dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] de opzet van [medeverdachte 1] hebben gestuurd? (…) Tot nu toe heb heeft de verdediging slechts de verklaring aangehaald die [medeverdachte 1] bij de politie heeft afgelegd. Maar er zijn ook objectieve aanwijzingen dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] het opzet van [medeverdachte 1] hebben gestuurd. (…) Hieruit blijkt in ieder geval dat [betrokkene 5] [medeverdachte 1] ervan heeft overtuigd om in Nederland een aanslag te plegen in plaats van uit te reizen naar Syrië. (…) Er zijn tal van aanwijzingen dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben getracht om een religieuze invloed op [medeverdachte 1] uit te oefenen. (…) Naast deze aanwijzingen dat [medeverdachte 1] op ideologisch niveau werd beïnvloed door [betrokkene 5] en [A] , is er ook bewijs te vinden dat zij er niet voor terugschrokken om [medeverdachte 1] actief instructies te geven en hem zo te sturen. (…) Het feit dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] [medeverdachte 1] in deze fase daadwerkelijk instructies gaven en stuurden, geeft inzicht in hun werkwijze. Zij oefenden invloed uit op het ontstaan van de delictsopzet bij [medeverdachte 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de verdediging kan op grond van het voorgaande worden geconcludeerd dat het infiltratietraject jegens [medeverdachte 1] de toets aan het objectieve criterium niet doorstaat. [medeverdachte 1] stelt dat hij slechts onder invloed van [betrokkene 5] tot het besluit is gekomen om een aanslag in Nederland te gaan voorbereiden. Uit de eerste ontmoeting van [medeverdachte 1] met [A] blijkt dat [betrokkene 5] in ieder geval een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het besluit van [medeverdachte 1] om een aanslag te plegen in Nederland in plaats van uit te reizen naar Syrië. De verdediging had u graag inzicht gegeven in de gesprekken tussen [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] van voor december 2017, maar die gesprekken zijn nooit boven water gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging denkt dat u met mij eens bent dat in ieder geval vastgesteld kan worden dat in het algemeen kan worden gezegd dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] [medeverdachte 1] wel degelijk stuurden en instructies gaven. Maar uiteindelijk gaat het erom of [medeverdachte 1] ook zonder beide Abu’s het besluit zou hebben genomen om een aanslag in Nederland voor te bereiden. Die vraag kan op grond van het voorgaande ontkennend worden beantwoord. Alleen al om die reden voldeed het infiltratietraject jegens [medeverdachte 1] niet aan de eisen van het objectieve criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2.3. De vatbaarheid van [medeverdachte 1] voor beïnvloeding Het voorgaande is op zichzelf al voldoende is om te concluderen dat de infiltratie de objectieve toets niet doorstaat. Maar er zijn meer omstandigheden die een rol in het kader van het objectieve criterium. De verdediging acht het van belang om ook deze omstandigheden te benoemen. (…) In de zaak van [medeverdachte 1] zijn een aantal factoren die maakten dat hij extra vatbaar was voor de beïnvloeding door [betrokkene 5] . (…) Al de hiervoor genoemde factoren speelden een rol. De kwetsbaarheid van [medeverdachte 1] , het beeld dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] veel kennis hadden van de Islam en de angst die [medeverdachte 1] voelde om als afvallige te worden bestempeld. Hierdoor werd [medeverdachte 1] zodanig beïnvloed door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] dat hij op enig moment het punt bereikte dat hij daadwerkelijk bereid was om een aanslag voor te bereiden. Maar ook daarna bleven deze factoren een rol spelen. (…) 2.4.2.4. [medeverdachte 1] is onder druk gezet door [betrokkene 5] en [betrokkene 6] Daarmee komen we op het volgende punt. Het gedrag van [betrokkene 5] en later ook [betrokkene 6] ging verder dan enkel het beïnvloeden van [medeverdachte 1] . Zij hebben hem ook onder druk gezet. Deze druk ervoer [medeverdachte 1] vanaf het moment dat hij voor het eerst contact had met [betrokkene 5] tot aan zijn aanhouding. In eerste instantie voelde [medeverdachte 1] druk om zijn geloofsovertuiging aan te passen aan de religieuze opvattingen van [betrokkene 5] . Toen hij eenmaal bereid was om aan de gewelddadige jihad deel te nemen, voelde hij zich onder druk gezet om een aanslag in Nederland te plegen. Nadat [medeverdachte 1] zich ook hiertoe bereid had getoond, werd druk op hem uitgeoefend zodat hij niet meer terug zou krabbelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Door die druk kan gezegd worden dat de aard en de intensiteit van het optreden van de infiltranten zodanig waren dat niet kan worden gezegd dat ‘they merely joined the criminal acts’. Door die druk uit te oefenen was er op zijn minst een aanmerkelijke kans dat ze het strafbare feit zouden instigeren en dus [medeverdachte 1] tot een misdrijf zouden brengen dat hij anders niet zou hebben gepleegd. (…) In de mails die [medeverdachte 1] met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] wordt een beeld geschetst van de wijze waarop zij met hem communiceerden. Een beeld dat indicatief is voor alle contacten tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , dus ook van de periode vóór mei 2018. Wat opvalt is dat er geen sprake is van vrijblijvendheid en dat de werkwijze allesbehalve passief is. (…) En dan reageren [betrokkene 5] en [A] allebei weer op 2 juli, in de avond. Toevalligerwijs rond hetzelfde tijdstip: “We need to meet so I will come to Holland on. Please give me a number i can contact you on.’’ In plaats van een passieve houding aan te nemen zegt [A] dan: we moeten elkaar ontmoeten. Ik kom donderdag naar Nederland. Geef me dat telefoonnummer nu maar. Dus niet vragen of hij er wel mee door wil gaan, maar jezelf gewoon opdringen.</p>\n<p class=\"lf-p\">En [betrokkene 5] doet daar achter de schermen nog een schepje bovenop. Hij schrijft [medeverdachte 1] dat de ‘Majlis al-Shura’ zijn bericht het heeft besproken. Voor een goed begrip, dit is een hoge adviesraad in het kalifaat. En die heeft een brief geschreven: \"The content of the letter is this in short: ‘ our Ahibba discussed all sides of the issue and stress that it is important in this stage that you work to plan a meeting with the appointed brother to discuss all matters. The brothers have already done a lot of what is needed following the guidelines and their efforts should not go to waste’.</p>\n<p class=\"lf-p\">Akhi [medeverdachte 1] , We want to urge you to make an appointment with the brother.</p>\n<p class=\"lf-p\">Let me know if you need anything. My dear brother [betrokkene 6] , may Allah reward him for his great work, will also contact you about this bi idhni Allah. (…) However now we have to focus on what pleases Allah the most. \"</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2.5. De balans opmaken (…) Uit hetgeen de verdediging zojuist naar voren heeft gebracht, blijkt dat de infiltranten [medeverdachte 1] wel degelijk hebben beïnvloed. Sterker nog, ze hebben ingespeeld op religieuze factoren waar [medeverdachte 1] vatbaar voor was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bovendien hebben ze [medeverdachte 1] onder druk gezet waardoor hij hun aansporingen ook daadwerkelijk opvolgde. Door hun handelswijze hebben zij [medeverdachte 1] gebracht tot iets wat hij op voorhand niet had bedacht. Onder die omstandigheden kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de infiltranten het strafbare feit hebben geïnstigeerd en dat zij dus niet hebben voldaan aan de eisen van het objectieve criterium.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.2.6. Hoe zit het als [medeverdachte 1] wel al ‘predisposed’ was? (…) De verdediging denkt dat uit de voorbeelden die zij gaf blijkt dat [medeverdachte 1] wel klemgezet werd, zodanig dat hij voor zijn gevoel nog nauwelijks weerstand kon bieden. Om die redenen is de verdediging van mening dat ook als er wel aan het subjectieve criterium zou zijn voldaan, het undercovertraject op [medeverdachte 1] de objectieve toets niet kan doorstaan. (…) Als u ervan uit gaat dat [medeverdachte 1] een doel voor ogen had, dan had hij geen idee hoe hij dat doel zou moeten verwezenlijken. Uiteindelijk zijn alle stappen door de infiltranten gezet. [medeverdachte 1] heeft slechts de materialen gekocht die [A] hem opgedragen had te kopen. Verder heeft hij slechts kunstmest en wapens in ontvangst genomen. [medeverdachte 1] heeft geen enkele bijdrage van gewicht geleverd aan de voorbereiding van de aanslag. Zonder de infiltranten was het [medeverdachte 1] dan ook nooit gelukt om een aanslag voor te bereiden. Hoewel het grootste gedeelte van het werk door [A] werd verricht, hebben ook [betrokkene 5] en [betrokkene 6] in dit kader een belangrijke rol gespeeld. Zij hebben [medeverdachte 1] wegwijs gemaakt en ze hebben hem in contact gebracht met [A] , die hem de benodigde spullen aan kon leveren. Tezamen met [A] hebben zij dus een allesbeslissende en regisserende rol gespeeld bij de voorbereiding van een misdrijf dat [medeverdachte 1] zonder hen nooit gepleegd zou kunnen hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat dient op zichzelf al te leiden tot de conclusie dat het infiltratietraject niet voldeed aan het objectieve criterium bij uitlokking.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">De modus operandi van [betrokkene 5] (…) Tegelijkertijd kan de verdediging zich voorstellen dat het moeilijk is om te geloven dat een agent van de AIVD daadwerkelijk op die manier zou handelen. Indien we de concrete inhoud van de eerste gesprekken tussen [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] hadden kunnen raadplegen, zouden we elke zweem van twijfel weg hebben kunnen nemen. Maar helaas staan die gesprekken niet tot onze beschikking. Dat betekent echter niet dat niet aangetoond kan worden dat [betrokkene 5] er niet voor terugschrok om de criteria bij uitlokking te schenden. [medeverdachte 1] is namelijk niet de enige die via Facebook door [betrokkene 5] is benaderd. En waar de inhoud van het initiële contact tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] in dit dossier ontbreekt, is dat bij anderen niet het geval.</p>\n<p class=\"lf-p\">Bestudering van het dossier wijst uit dat [betrokkene 5] onder verschillende accountnamen gesprekken startte met personen die hem onbekend waren. Nooit was er een objectieve verdenking dat deze personen bereid waren om een terroristisch misdrijf te plegen. (…) 2.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie (…) 2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitlokking van [verdachte] (…) Als [medeverdachte 1] door de agenten van de AIVD overtuigd is van de noodzaak om een aanslag te plegen, en zij vervolgens via [medeverdachte 1] ook anderen hierbij hebben betrokken, zou jegens cliënt sprake kunnen zijn van een schending van het instigatieverbod. (…) 2.5.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Was het voor de AIVD agenten voorzienbaar dat [medeverdachte 1] andere personen bij de tenlastegelegde feiten zou betrekken?</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor [betrokkene 5] en [betrokkene 6] is het voorzienbaar geweest dat [medeverdachte 1] anderen bij de voorbereiding van de aanslag zou betrekken. Sterker nog, zij hebben dit aangemoedigd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Allereerst moet dan worden benadrukt dat [medeverdachte 1] bij de politie heeft verklaard dat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] druk op hem uit oefenden om ook andere jongens bij de voorbereiding van het terroristische misdrijf te betrekken: (…) Uit de e-mails die [medeverdachte 1] met [betrokkene 5] en [betrokkene 6] heeft uitgewisseld, blijkt ook duidelijk dat zij de uitlokking nooit tot [medeverdachte 1] hebben willen beperken. Zij hebben hem er continu van geprobeerd te overtuigen om ook anderen over te halen om deel te nemen aan de terroristische aanslag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wanneer hij hen niet zou kunnen overtuigen, moest hij die personen het mailadres geven van [betrokkene 5] of [betrokkene 6] , zodat ze diegenen persoonlijk konden overhalen. (…) 2.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zijn de activiteiten van de anderen bepaald door het optreden van de AIVD agenten? (…) Die vraag moet in de visie van de verdediging positief worden beantwoord. Het ligt namelijk voor de hand dat [medeverdachte 1] de anderen heeft gerekruteerd aan de hand van dezelfde argumenten die [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hadden ingezet om hem te overtuigen van het belang van een aanslag. (…) Als we ervan uitgaan dat [medeverdachte 1] hierdoor op religieus gebied voor [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zeer gemakkelijk te beïnvloeden was, en zij daarom aan de hand van geloofsredenen de overtuiging bij hem wisten te creëren dat het plegen van een aanslag een verplichting was voor iedere ‘ware’ Moslim, is het zeer aannemelijk dat [medeverdachte 1] dezelfde religieuze argumenten zou gebruiken om ook de anderen te overtuigen van de noodzaak van een aanslag. (…) 2.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing aan de vereisten van het subjectieve criterium bij uitlokking (…) In casu is er geen enkele objectieve aanwijzing te vinden in het dossier dat [verdachte] bij de start van het infiltratietraject al bereid was om een terroristische aanslag te plegen. Sterker nog, aan de hand van het dossier kan in het geheel niet worden vastgesteld wat zijn opzet was bij de start van de undercoveroperatie. Dat is ook niet vreemd. Voor zover het de intentie van de AIVD agenten was om naast [medeverdachte 1] nog anderen bij de door uitlokking ontstane delicten te betrekken, voldeed de infiltratie per definitie immers niet aan de eisen van het subjectieve criterium bij uitlokking. Op het moment dat zij [medeverdachte 1] aanspoorden om ook anderen te rekruteren, was het voor hen nog niet duidelijk wie die anderen personen zouden zijn. Zij hadden er geen controle over met wie [medeverdachte 1] contact op zou nemen. Het was dus mogelijk dat hun aansporing ertoe zou leiden dat [medeverdachte 1] personen die niet voornemens waren om een terroristisch misdrijf te plegen, daar toch toe zou gaan overhalen. Dat moeten [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben beseft. Blijkbaar hebben zij dit aanvaard.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er zijn dus geen objectieve aanwijzingen dat cliënt bij de start van het undercovertraject al ‘predisposed’ was om een aanslag te plegen. We kunnen niet objectief beoordelen of hij al van plan was om een aanslag te plegen voordat hij daartoe voor het eerst door [medeverdachte 1] onder aansporing van de AIVD werd benaderd. Dat leidt tot de conclusie dat het subjectieve criterium bij uitlokking in casu is geschonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Toetsing aan de vereisten van het objectieve criterium bij uitlokking (…) [medeverdachte 1] heeft zich dus niet passief jegens de anderen opgesteld. Dit kan [betrokkene 5] en [betrokkene 6] worden aangerekend. Zij wisten immers dat [medeverdachte 1] aan de slag zou gaan om anderen actief te overtuigen om deel te nemen aan het plan om een aanslag te plegen. Op zijn minst moeten zij hebben beseft dat er een aanzienlijk risico was dat [medeverdachte 1] op die manier te werk zou gaan. Toch hebben [betrokkene 5] en [betrokkene 6] [medeverdachte 1] aangespoord om anderen te vinden die aan de tenlastegelegde feiten zouden deelnemen. Het gedrag van de infiltranten doorstaat de toets aan het objectieve criterium dan ook niet. (…) 2.5.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie (…) 2.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procedurele toets bij uitlokking De verdediging is dus van mening dat voldoende kan worden vastgesteld dat cliënt op indirecte wijze is uitgelokt door de AIVD. Maar tegelijkertijd is het natuurlijk zo dat de inhoud van het contact dat [medeverdachte 1] met de anderen heeft gehad niet bekend is, zodat we niet precies weten wat er tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] is besproken. Bovendien, zijn de aanvankelijke gesprekken tussen [betrokkene 5] en [medeverdachte 1] niet in het dossier terug te vinden, zodat niet optimaal onderbouwd kan worden dat [medeverdachte 1] in die periode al is uitgelokt. Hoewel de verdediging zich hier niet in kan vinden, is het dan ook mogelijk dat uw hof zal oordelen dat niet voldoende vaststaat dat [verdachte] daadwerkelijk op indirecte wijze door de AIVD-infiltranten is uitgelokt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verdediging stelt mij op het standpunt dat de onduidelijkheid op deze punten niet in het nadeel van cliënt mag werken. De verdediging heeft door middel van onderzoekswensen geprobeerd om de onderste steen ten aanzien van de uitlokking boven te krijgen. Dat is niet gelukt. De uitlokkingsverweren kunnen dan niet zomaar ter zijde worden geschoven.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de jurisprudentie van het EHRM is steun te vinden voor dit standpunt. Het Europese Hof stelt namelijk dat het de taak is van de vervolgende autoriteiten om gedegen onderzoek te verrichten indien er een uitlokkingsverweer is gevoerd dat niet geheel onwaarschijnlijk is. (…) 2.6.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inspanningsverplichting uit EHRM Ramanauskas t. Litouwen In de zaak Ramanauskas t. Litouwen heeft het Europese Hof zich uitgelaten over de vraag hoe de bewijslast moet worden verdeeld op het moment dat de verdediging een uitlokkingsverweer voert. Indien de verdediging niet over voldoende informatie beschikt om dit verweer te onderhouwen, acht het EHRM het van groot belang dat er vanuit de staat inspanningen geleverd worden om de waarheid omtrent de gestelde uitlokking te onderzoeken. (…) Het Europese Hof oordeelde dus dat op het moment dat een uitlokkingsverweer niet ‘wholly improbable' is, het de taak is van de vervolgende autoriteiten - in dit geval dus het Openbaar Ministerie - om bewijs te overleggen waaruit blijkt dat de verdachte niet is uitgelokt. Indien het Openbaar Ministerie daar niet in slaagt, zal de strafrechter stappen moeten ondernemen om daadwerkelijk vast te kunnen stellen of van uitlokking sprake was.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er dient dan in ieder geval te worden geconstateerd dat het door de verdediging in deze zaak gevoerde uitlokkingsverweer niet ‘wholly improbable’ is. De verdediging heb hiervoor uitgebreid onderbouwd dat cliënt door de AIVD is uitgelokt. Als u daar niet in meegaat, dan kan in ieder geval op grond van het voorgaande worden vastgesteld dat de mogelijkheid dat cliënt is uitgelokt niet geheel onwaarschijnlijk is. Dat betekent dat de rechtsregel uit Ramanauskas t. Litouwen ook in dit geval aan de orde is. De bewijslast omtrent de uitlokking ligt bij het Openbaar Ministerie. Indien het Openbaar Ministerie niet aan deze bewijsplicht voldoet, ligt het op uw weg om de gestelde uitlokking te onderzoeken. (…) 2.6.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat als niet aan de inspanningsverplichting wordt voldaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">Helaas is in dit geval niet voldoende voldaan aan deze uit Ramanauskas t. Litouwen voortvloeiende inspanningsverplichting. Bij de AIVD is nagevraagd of de dienst beschikt over de inhoud van de communicatie tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] . De AIVD heeft aangegeven deze vraag niet te kunnen beantwoorden. Vervolgens zijn er in het geheel geen stappen meer ondernomen om vast te stellen of de verdachten zijn uitgelokt. Het Openbaar Ministerie heeft dus niet bewezen dat van uitlokking geen sprake was, hetgeen het EHRM wel vereist. De vraag is dan wat het rechtsgevolg dient te zijn als niet aan de uit Ramanauskas voortvloeiende inspanningsverplichting wordt voldaan. (…) Kort gezegd beoordeelt het EHRM eerst of op basis van het procesdossier kan worden vastgesteld dat van uitlokking geen sprake was. Als het dossier onvoldoende materiaal bevat om dat te beoordelen, gaat het Hof door naar de procedurele test. Het Straatsburgse Hof kijkt dan naar de wijze waarop de rechter het uitlokkingsverweer heeft behandeld. Als het OM er niet in is geslaagd om aan te tonen dat van uitlokking geen sprake was, dient dat gevolgen te hebben. (…) Het EHRM oordeelt dus dat de procedure ‘conclusive’ moet zijn als het gaat om ‘the issue of entrapment’, waarbij de ‘burden of proof to demonstrate that there was no incitement’ bij de vervolgende autoriteit ligt. Dat brengt met zich mee dat de strafrechter een uitlokkingsverweer niet ter zijde kan schuiven als het Openbaar Ministerie onvoldoende uitvoering geeft aan de verplichting om onderzoek te verrichten naar de vermeende uitlokking, en als vervolgens ook de rechter zelf hier niet meer duidelijkheid over zou verkrijgen. (…) Maar ook als zowel de strafrechter als de verdediging door de politie of de vervolgende autoriteiten in het ongewisse worden gelaten omtrent gegevens die van belang zijn voor de vermeende uitlokking, vormt dat een inbreuk op het recht op een eerlijk proces. Het feit dat het de verdediging onmogelijk werd gemaakt om het uitlokkingsverweer te onderhouwen is dan de doorslaggevende factor, zo blijkt uit V. t. Finland: (…) Samenvattend kan het volgende worden gesteld. Op het moment dat een verdachte een uitlokkingsverweer voert dat niet ‘wholly improbable’ is, dient hij de beschikking te krijgen over de informatie die voor dat verweer relevant is. Als hij wordt veroordeeld zonder dat hij die informatie heeft kunnen raadplegen, levert dat volgens het Europese Hof een schending op van het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Dat betekent dat het honoreren van het uitlokkingsverweer in een dergelijk geval praktisch gezien de enige optie is.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoe zit het als er niet aan de bewijsplicht kan worden voldaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">Wat als het Openbaar Ministerie wel aan haar bewijsplicht wil voldoen, maar dat niet mogelijk blijkt te zijn? In deze zaak is er bij de AIVD navraag gedaan naar [betrokkene 5] en [betrokkene 6] , maar de inlichtingendienst wil geen informatie verstrekken. Kan het uitblijven van bewijs dat de verdachte niet is uitgelokt het Openbaar Ministerie ook dan worden tegengeworpen?</p>\n<p class=\"lf-p\">Die vraag moet bevestigend beantwoord worden. Het feit dat het EHR.M in Ramanauskas t. Litouwen de bewijslast heeft omgekeerd als het gaat om uitlokking, impliceert dat het uitlokkingsverweer moet slagen op het moment dat het Openbaar Ministerie niet kan bewijzen dat van uitlokking geen sprake was. In Bannikova t. Rusland heeft het Europese Hof het dan ook over ‘the burden of proof falling on the prosecution to prove that there had been no incitement’ Aangezien de vervolgende instantie die last draagt, zal het uitblijven van bewijs voor rekening moeten komen van het Openbaar Ministerie. De verdachte mag niet alsnog de negatieve gevolgen hiervan ondervinden. (…) 2.6.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorbeelden uit de Nederlandse jurisprudentie (…) 2.6.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Eik-arrest (…) Als het Eik-arrest op de correcte wijze wordt gelezen, sluit Ramanauskas t. Litouwen hier perfect op aan. Beide zaken lijken uiteindelijk te berusten op dezelfde gedachte: als de verdachte toegang wordt ontzegd tot materiaal dat de oneerlijkheid van zijn proces kan aantonen, kan dat zijn proces op zichzelf al oneerlijk maken. In het Eik-arrest geeft de Hoge Raad aan dat het gebruik van bewijsmateriaal dat tot een vormverzuim van de AIVD te herleiden is, in bepaalde gevallen onverenigbaar is met het recht op een eerlijk proces. Uit Ramanauskas t. Litouwen vloeit voort dat daar in ieder geval sprake van is als de verdachte stelt te zijn uitgelokt door de AIVD, deze stelling niet geheel onwaarschijnlijk is en de waarheid omtrent de gestelde uitlokking niet boven water is gekomen. (…) Hierbij dient nog een kleine kanttekening te worden gemaakt. De in het Eik-arrest genoemde situatie doet zich in de zaak van cliënt niet één op één voor. In die zaak werd immers steeds gesproken over de betrouwbaarheid van door een inlichtingendienst verzamelde informatie. Het gaat in de zaak van cliënt niet om resultaten van een door een inlichtingendienst ingesteld onderzoek die in strijd met het recht op een eerlijk proces zijn verkregen. In de onderhavige zaak draait het om materiaal dat binnen het voorbereidend onderzoek is verzameld en dat is verkregen doordat de AIVD inbreuk heeft gemaakt op het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. (…) In essentie zijn de overwegingen van de Hoge Raad in het Eik-arrest toepasbaar op de zaak van cliënt. De rechtmatigheid van bewijsmateriaal wordt aangetast door een inbreuk op het recht op een eerlijk proces waarvoor een inlichtingendienst verantwoordelijk is. De overwegingen uit het Eik-arrest zijn volgens de verdediging in onderhavig geval dan ook onverkort van toepassing.</p>\n<p class=\"lf-p\">Concluderend dient het Eik-arrest in dit geval zo te worden gelezen dat het ontbreken van de mogelijkheid om een vormverzuim van de AIVD te onderzoeken, de eerlijkheid van het proces ‘an sich‘ al aantast. Omdat de verdediging niet de beschikking heeft gekregen over de gegevens die noodzakelijk zijn om de gestelde uitlokking verder te kunnen onderbouwen, is het gebruik voor het bewijs van het uit het potentiële vormverzuim voortvloeiende materiaal onverenigbaar met art. 6 EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">2.6.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie (…) 2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie (…) 3Détournement de pouvoir (…) Het opsporingsonderzoek en het AIVD-onderzoek waren in dit geval dus sterk verweven. De verdediging is van mening dat deze verwevenheid tussen beide onderzoeken er in dit geval toe heeft geleid dat misbruik is gemaakt van de bevoegdheden van de AIVD. Er was sprake van ongewenste interferentie. (…) 3.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De verhouding tussen het AIVD-onderzoek en het opsporingsonderzoek (…) Het is in strijd met de wet als de AIVD haar bevoegdheden aanwendt voor strafvorderlijke doeleinden. Evenmin mogen die bevoegdheden worden ingezet om strafvorderlijke waarborgen te omzeilen: (…) In deze zaak dient dus te worden beoordeeld of de inzet van [betrokkene 5] en [betrokkene 6] geschiedde ten behoeve van de eigen taakstelling van de AIVD, of dat deze inzet plaatsvond met de bedoeling om strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing te laten, dan wel om strafvorderlijke doeleinden na te streven.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De AIVD heeft strafvorderlijke waarborgen opzij gezet Allereerst dient dan te worden benadrukt dat de AIVD daadwerkelijk een opening heeft gecreëerd om binnen het opsporingsonderzoek een infiltratietraject op te starten. [betrokkene 5] en [betrokkene 6] hebben immers tegen [medeverdachte 1] gezegd dat een broeder contact met hem zou opnemen voor de voorbereiding van een aanslag. Hiervoor moest hij van de AIVD een apart e-mailadres aanmaken. Vervolgens werd dit e-mailadres (na het ambtsbericht AIVD) aan de politie verstrekt. Hiermee kreeg de politie de perfecte opening om ook zelf een infiltrant in te zetten. Dat de AIVD informatie doorgeeft aan de politie is niet bezwaarlijk. Maar dat de AIVD [medeverdachte 1] stuurt in zijn gedrag en hem in de handen drijft van de politie is van een geheel andere orde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het in contact brengen van [medeverdachte 1] met een andere ‘broeder‘ diende in dit geval een strafvorderlijk doel. Je kunt je afvragen of dat bij de taakstelling van de AIVD hoort, terwijl het opsporingsonderzoek hier wel degelijk bij gebaat was. De politie hoefde hierdoor immers niet meer zelf een opening te creëren om de infiltrant in contact met [medeverdachte 1] te brengen. (…) Anders gezegd, door het creëren van een opening voor de politie om in contact te komen met [medeverdachte 1] door de AIVD, werden beide infiltratietrajecten in feite aaneen geregen tot één lange undercoveroperatie. Doordat enkel de latere fase van die operatie zichtbaar is voor de verdachte, wordt het de verdediging uiterst lastig gemaakt om te beoordelen of de operatie voldeed aan de eisen van het subjectieve criterium en het objectieve criterium bij uitlokking. Daarvoor is de eerste fase immers van vitaal belang. Door die fase buiten beeld te laten, de fase waarin de infiltranten daadwerkelijk moesten achterhalen of [medeverdachte 1] de opzet had om een terroristisch misdrijf te plegen, bleef er binnen het opsporingsonderzoek slechts een ‘uitlokkings-proof’ infiltratietraject over. (…) Door de twee infiltratietrajecten aan elkaar te koppelen werd deze kwestie buiten het opsporingsonderzoek en dus buiten het zicht gehouden. Omdat het op die manier voor de verdediging erg lastig wordt om de waarheid omtrent de vraag of [medeverdachte 1] daadwerkelijk was uitgelokt boven water te krijgen, zijn belangrijke strafvorderlijke waarborgen buiten toepassing gelaten. (…) 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Heeft de AIVD bewust ‘buiten het zicht’ het onderzoek beïnvloed?</p></div>", "next": 239837}