{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Ongetwijfeld heeft de Hoge Raad kennisgenomen van de jurisprudentie van de Afdeling. Daarnaast heeft de Hoge Raad dit arrest – dat over een principiële vraag gaat – in een raadkamer van vijf raadsheren beslist. Maar afdoening van dit eerste middel op basis van art. 81 RO ging de Hoge Raad waarschijnlijk weer iets te ver.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>In zijn arrest van 7 mei 2021, BNB 2021/113, overwoog de Hoge Raad dat voor de geldigheid en het bestaan van een verdagingsbesluit als bedoeld in art. 7:10 lid 3 Awb niet van belang is of het besluit de belanghebbende tijdig per e-mail heeft bereikt. Voldoende is dat het bestuursorgaan dit besluit binnen de uit de leden 1 en 2 van art. 7:10 Awb volgende beslistermijn aan het juiste e-mailadres heeft verzonden (en aan de overige eisen van afdeling 2.3 Awb is voldaan). Het arrest van 4 februari 2022 is daarmee in lijn, omdat de Hoge Raad geen belang hecht aan externe factoren zoals het zoekraken van e-mails in een spamfilter of brieven die zoekraken.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">7.</span>Een bestuursorgaan dat een besluit per aangetekende post verzendt, handelt zorgvuldig. Zou de uitkomst van deze zaak anders zijn geweest wanneer de ontvanger (…) het aanslagbiljet slechts per gewone post had verstuurd? Ik betwijfel het, al zou de belanghebbende in dat geval ongetwijfeld hebben gesteld dat de ontvanger de aanslag (ook) per aangetekende post had moeten verzenden. Bij uitsluitend verzending per aangetekende post kan een belanghebbende overigens niet het argument voeren dat de aanslag tevens per gewone post had moeten worden verstuurd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">8.</span>Bij nadere nuancering van de balans tussen ‘verzenden’ en ‘ontvangen’ zou de Hoge Raad er niet aan hebben ontkomen verder te sleutelen aan een heffingssysteem dat nu juist als een van de weinige onderdelen van het belastingrecht voor de langere termijn is ontworpen. Vanwege de rechtszekerheid is dit systeem gebaat bij een vaste lijn van jurisprudentie. Wie de nadruk legt op het woord ‘verzending’ in art. 8 lid 1 Invorderingswet 1990 en vaststelt dat de Belastingdienst bij verzending geen fout heeft gemaakt, is dan ook snel klaar met een zaak als deze. In deze zaak heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag en zich dus inhoudelijk kunnen verweren tegen de aanslag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">9.</span>Het risico dat post in een grensoverschrijdend geval zoekraakt lijkt inherent groter dan in binnenlandse gevallen. Daarom kan worden verdedigd – mits ondersteund door voldoende feitelijke onderbouwing, zoals wellicht statistisch bewijs – dat aan verzending van een belastingaanslag naar een belastingschuldige die in een andere EU-lidstaat woont, hogere eisen moeten worden gesteld. Polen is sinds 1 mei 2004 lidstaat van de EU. De eventuele vraag of de benadering van de Hoge Raad in overeenstemming is met EU-recht kan daarmee voor het jaar 1997 (belastingjaar) of 2000 (vaststelling aanslag) niet rijzen.”</div>\n<p class=\"lf-p\">5Beschouwing 5.1 Zelfs als het aspiratieniveau van PostNL wordt gehaald, kent het systeem van aangetekende verzending van UPD-stukken structurele risico’s (‘aandachtspunten’, aldus Damen; zie 3.8 hierboven) waardoor er niet steeds op vertrouwd kan worden dat die stukken daadwerkelijk de geadresseerde bereiken. Identiteit noch vertegenwoordigingsbevoegdheid wordt gecontroleerd van degene die de deur open doet. Iedereen die naar de subjectieve indruk van de postbezorger geen (mede-)pension- of hotelgast, dienstpersoneel, hospita, gastheer of hotelhouder is, kan aangetekende post aannemen en voor ontvangst tekenen. Van de deur-open-doener die een aangetekend poststuk weigert, worden identiteit en vertegenwoordigingsbevoegdheid evenmin vastgesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Maar ook het aspiratieniveau wordt niet gehaald. PostNL constateert zelf dat de kwaliteit van de bezorging van aangetekende post in ‘afgelopen periode’ gebrekkig was. De – weliswaar zeer kleinschalige - steekproeven van Radar produceerden een bepaald zorgwekkend beeld van de betrouwbaarheid van de bezorging van aangetekende brieven. In meer dan de helft van de gevallen werd door de aangetekende-postbezorgers niet gehandeld volgens de eigen regels van PostNL. De Rechtbank Rotterdam overwoog dat de handelwijze van PostNL met betrekking tot aangetekende post in het algemeen maatschappelijk verkeer niet kan worden aangemerkt als een postdienst van goede kwaliteit en constateerde dat veelvuldig klagen door de van die post afhankelijke eiser niet tot verbetering bij PostNL leidde.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.3 Uit het bovenstaande volgen met name de volgende euvels met betrekking tot de bezorging van aangetekende post: (i) er wordt niet steeds een afhaalbericht achtergelaten als niet wordt opengedaan en het aangetekende stuk daarom naar een afhaalpunt gaat; (ii) bij niet-thuis zetten postbezorgers kennelijk zelf wel eens krabbels op ontvangstbewijzen om het aangetekende stuk niet mee terug te hoeven nemen naar een afhaalpunt, maar het onreglementair in de brievenbus of ergens in de buurt van de voordeur achter te kunnen laten; (iii) postbezorgers scheuren het etiket ‘aangetekend’ wel eens van de envelop af om het bij achterlating geldende vereiste van een ondertekend ontvangstbewijs geheel te omzeilen; (iv) postbezorgers geven het stuk wel eens af aan anderen dan de geadresseerde of diens volwassen huisgenoot; (v) de identiteit of vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene bij wie het aangetekende poststuk wordt achtergelaten of die het weigert aan te nemen, wordt nooit gecontroleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.4 Uit het nieuwsbericht van PostNL van 1 oktober 2023 (zie 3.6 hierboven) begrijp ik dat PostNL de oorzaak van de onreglementaire – bij valse handtekeningen: onrechtmatige en denkelijk strafbare - handelwijze van zijn bezorgers met betrekking tot aangetekende post zoekt in zijn bestaande beleid om aangetekende stukken mee te geven aan de duizenden gewone-postbezorgers die daardoor elk slechts zeer weinig aangetekende stukken bezorgen en daarvoor geen tijd, zin of equipage hebben. Een separaat netwerk van een klein aantal - kennelijk wel voldoende geëquipeerde - aangetekende-postbezorgers zou verbetering moeten brengen. PostNL acht het dus kennelijk niet mogelijk om gewone postbezorgers ervan te doordringen dat een opzettelijk valse handtekening op een geschrift dat tot bewijs van ontvangst van een gerechtelijk schrijven dient een strafbaar feit is dat de geadresseerde in ernstige bewijsproblemen en daarmee rechtsingangsproblemen kan brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.5 De resultaten van die beleidswijziging moeten worden afgewacht. In de tussentijd rijst de vraag of de hoogste bestuursrechters de bewijsvermoedens en bewijslastverdeling zoals ontwikkeld in de boven geciteerde rechtspraak kunnen volhouden, gegeven de kennelijk ondermaatse kwaliteit van de bezorging van aangetekende zendingen van bestuursorganen en gerechtelijke instanties. Die rechtspraak houdt in dat als een partij stelt een aangetekend stuk niet ontvangen te hebben, de rechter de vraag of PostNL dat stuk op regelmatige wijze op het adres van die partij heeft aangeboden, beantwoordt op basis van raadpleging van het geautomatiseerde systeem van PostNL en dat hij de gegevens daarin in beginsel beslissend acht behoudens tegenbewijs. Aangezien de bezorgers kennelijk wel eens anders handelen dan zij in dat systeem zetten, rijst de vraag hoeveel waarde nog aan de gegevens in dat systeem gehecht kan worden, met name of daarop nog het vermoeden gebaseerd kan worden dat het stuk op regelmatige wijze op het correcte adres is aangeboden c.q. dat een afhaalbericht op het juiste adres is achtergelaten. Het is in het algemeen al heel moeilijk om te bewijzen dat iets niet is gebeurd; het is nog moeilijker om te bewijzen dat iets niet is gebeurd als het geautomatiseerde systeem van de enige Nederlandse UPD-verlener ten onrechte vermeldt dat het wél gebeurd zou zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.6 Mede gezien de rechtsbeschermingondermijnende verdienmodellen van dwangsomjagers vrees ik evenwel dat moeilijk verder tegemoet gekomen kan worden dan u al gedaan heeft aan de bewijsproblemen die serieuze rechtszoekenden kunnen ervaren door de combinatie van het vermoeden van juistheid van PostNL’s track &amp; trace gegevens en de in werkelijkheid gebrekkige bezorging van aangetekende post. De tegenbewijsregel die u in HR BNB 2021/97 stelde (zie 4.3 hierboven) kan moeilijk nog soepeler. Voor ontzenuwing van het bewijsvermoeden is immers niet vereist dat de partij die de ontvangst van een aangetekend stuk ontkent aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. U acht voldoende “dat die partij feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan de ontvangst of de aanbieding van het stuk, in weerwil van de (…) gegevens van PostNL, redelijkerwijs kan worden betwijfeld”.</p>\n<p class=\"lf-p\">Er moet dus weliswaar meer zijn dan een blote ontkenning van de track &amp; trace gegevens, maar de feitenrechter heeft een grote vrijheid om een ook maar enigszins aannemelijke weerspreking van die gegevens als voldoende tegenbewijs aan te merken als hij de betrokken procespartij als geloofwaardig beschouwt c.q. hij reden heeft om aan die gegevens, met name aan de herkomst van de handtekening op het ontvangstbewijs te twijfelen. Ik meen dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van een ontvangst-ontkennende partij en van de mogelijke twijfel aan de handtekening in de track &amp; trace gegevens, geheel aan de feitenrechter te laten ware en dat aan diens oordeel op die punten weinig motiveringseisen te stellen waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.7 De noodzaak voor bewijsrechtelijke tegemoetkoming van geadresseerden van aangetekende bestuurlijke en gerechtelijke post neemt denkelijk ook af doordat (i) steeds meer en vaker digitaal bezwaar en (hoger) beroep ingediend kan of moet worden en procescorrespondentie steeds meer electronisch zal gaan verlopen (zelfs de nota griffierecht, naar aan te nemen valt), (ii) de ACM geacht wordt de wettelijk vereiste ‘goede kwaliteit’ van de aangetekende-postbezorging te controleren en zo nodig te handhaven, al dan niet door eigen ‘concretisering’ van de maatstaf ‘van goede kwaliteit’, en (iii) PostNL aangekondigd heeft aangetekende post binnenkort niet meer mee te geven aan de duizenden gewone-postbezorgers, maar aan een klein aantal (vooral) aangetekende-postbezorgers.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.8 Het probleem zit mijns inziens ook niet in de bewijsregel, die slechts een noodgreep is om uit de bewijsnood te komen die veroorzaakt wordt door de ondermaatse kwaliteit van de bezorging van aangetekende post, die gelegenheid biedt tot betwisting van ontvangst. Dat probleem van ondermaatse kwaliteit moet opgelost worden door de UPD-concessiehouder zelf of, als die het niet doet, door de ACM, die een beginselplicht tot handhaving heeft bij niet-naleving van de Postwet c.a.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook: Artikelsgewijs commentaar, Module Algemeen Bestuursrecht, art. 8:37 Awb, aant. 2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 15 april 2009, nr. WJZ/9067599, tot aanwijzing van Koninklijke TNT Post BV als verlener van de universele postdienst (Aanwijzing verlener universele postdienst 2009).</p>\n<p class=\"lf-p\">Besluit van 25 maart 2009, houdende regels betreffende de postale dienstverlening (Postbesluit 2009), zoals gewijzigd bij Besluit van 29 oktober 2015 tot wijziging van het Postbesluit 2009 in verband met de modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst, Pb. L 15 van 21 januari 1998, p. 14, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2002/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002, Pb. L 176, p. 21, Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003. Pb. L 284 p. 1 en Richtlijn 2008/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008, Pb. L 52 p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Programma vam eisen - Aanbestedingsprocedure voor sociale en andere specifieke diensten - Postdiensten Rijksoverheid; Europese aanbesteding Postdiensten Rijksoverheid, IUC 20-201, 1 juli 2020; Aanbestedende dienst: Inkoopuitvoeringscentrum Belastingdienst. In opdracht van: Categoriemanagement Logistiek.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Als huisgenoten worden niet beschouwd (mede-)pension- of hotelgasten, dienstpersoneel, hospita’s, gastheren of hotelhouders.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Algemene Voorwaarden voor de Universele Postdienst 2024, p. 13-14, geraadpleegd via: algemene-voorwaarden-universele-postdienst-2024.pdf (contentstack.com) Algemene Voorwaarden voor goederenvervoer 2022, p. 9-10, geraadpleegd via: av-goederenvervoer-postnl-2022_tcm10-219163.pdf.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: De Afzender kan verzoeken om een dergelijke Zending uitsluitend ten huize van de Geadresseerde uit te reiken. In dat geval blijft een bestelpoging bij buren achterwege. De Afzender dient dit verzoek op een duidelijke wijze op de adreszijde van de Zending te vermelden. PostNL stelt daartoe op postvestigingen een gratis sticker verkrijgbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Als huisgenoten worden niet beschouwd (mede-)pension- of hotelgasten, dienstpersoneel, hospita’s, gastheren of hotelhouders.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2022/23, 35261, nr. 24 (Brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie artikel 18.1, vierde lid, algemene voorwaarden universele postdienst 2019 (Externe link:https://www.postnl.nl/Images/algemene-voorwaarden-universele-postdienst_tcm10–9614.pdf) Voetnoot in origineel: Zie artikel 13.3, eerste lid, algemene voorwaarden goederenvervoer 2022 (Externe link:https://www.postnl.nl/Images/av-goederenvervoer-postnl-2022_tcm10–219163.pdf).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie artikel 13.4, eerste lid, algemene voorwaarden goederenvervoer 2022 (Externe link:https://www.postnl.nl/Images/av-goederenvervoer-postnl-2022_tcm10–219163.pdf).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie o.a. CRvB 19 september 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7658; hof Arnhem 8 mei 2012, ECLI:GHARN:2012:BW5311; hof Arnhem, 13 april 2010, ECLI:GHARN:2010:BM2180.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie ECLI:NL:GHARN:2010:BM2180 r.o. 9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Deze term wordt in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel gebruikt voor de berichten waarvoor een bestuursorgaan op grond van het voorgestelde artikel 2:13, eerste lid, Awb een elektronisch kanaal moet openstellen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie voorgestelde artikel 2:10, eerste lid, Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie voorgestelde artikel 2:11, eerste lid, Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie voorgestelde artikel 2:8 Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie voorgestelde artikel 2:17, eerste lid, Awb.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II, 2015/16, 34024, nr. 32 (brief van de minister van economische zaken aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake Wijziging van de Postwet 2009 tot modernisering en flexibilisering van de universele postdienstverlening (modernisering UPD)).</p>\n<p class=\"lf-p\">Inwerkingtredingsbesluit digitaal procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures van 6 maart 2019, Stb. 2020, 99.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie afd. 2.3 en art. 8.40a van de Awb. Er liepen eerder al pilots en projecten op basis waarvan het al langer mogelijk was om in (hoger) beroep in bepaalde soorten zaken digitaal te procederen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 17 augustus 2023, nr. 21/5350 en 23/5380, ECLI:NL:RBROT:2023:7257, r.o. 9.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kwaliteit postbezorging: cijfers over de kwaliteit van PostNL | PostNL, https://www.postnl.nl/klantenservice/bezorging-en-ontvangst/kwaliteit-postbezorging/; geraadpleegd op 30 januari 2024.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Post- en Pakketmonitor 2021 van de ACM omschrijft consumentenpost als: “De poststukken die zijn verstuurd door particuliere klanten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 17 augustus 2023, nr. 21/5350 en 23/5380, ECLI:NL:RBROT:2023:7257. https://www.postnl.nl/over-postnl/pers-nieuws/nieuws/nieuw-bezorgproces-voor-aangetekende-post/.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aangetekende brieven PostNL doodleuk door brievenbus gegooid | Radar Checkt! - Radar - het consumentenprogramma van AVROTROS (https://radar.avrotros.nl/artikel/aangetekende-brieven-postnl-doodleuk-door-brievenbus-gegooid-radar-checkt-54246). ‘Aangetekende brieven nog steeds fout geleverd, PostNL past beleid aan na onderzoek Radar - Radar - het consumentenprogramma van AVROTROS (https://radar.avrotros.nl/artikel/aangetekende-brieven-nog-steeds-fout-geleverd-postnl-past-beleid-aan-na-onderzoek-radar-54876).</p>\n<p class=\"lf-p\">L.J.A. Damen, De huisbaas heeft het gedaan!?, Ars Aequi april 2014, p. 286-290.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 31 oktober 2013, nr. 201306772/1/V1, ECLI:NL:RVS:2013:1861, AB 2014/156 met noot Damen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie art. 6:9, tweede lid, Awb: ‘per post’ is per (tegenwoordig) PostNL. Zie ABRvS 14 november 2007, AB 2008/315 m.nt. Sewandono, JB 2008/13 m.nt Bok (Falk Courier) en ABRvS 17 augustus 2011, AB 2011/259 m.nt. Ortlep, JB 2011/211 m.nt. Keinemans (verzending proces-verbaal mondelinge uitspraak). Dit, ook al zijn er regelmatig berichten over postbezorgers die vriendelijk gezegd niet adequaat bezorgen, bijv. NRC 15 augustus 2013: ‘Opnieuw postbode die post achterhoudt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie CRvB 6 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1299.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie ook ABRvS 25 september 2013, 201209779/3/ A2, geen ECLI, ABKort 2013/345 (melding klantenservice onvoldoende).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie bijv. CRvB 22 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA0910, RSV 2013/231 (wel gronden ingediend).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie mijn eerdere annotaties onder ABRvS 18 januari 2012, AA 2012/9, p. 641-644, AA20120641 (De mensbeelden van bestuursorganen en bestuursrechters), CRvB 27 juni 2012, AA 2013, p. 49-51, AA20130049 (Mensbeelden van burgers, bestuursbeelden van bestuursorganen) en Vzngr. Rotterdam 21 maart 2013, AA 2013, p. 681-685, AA20130681 (Mensbeelden, burgerbeelden III).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: R.J. Jue, ‘Weg uit de ivoren toren’, NJB 2013, 2303, p. 2742-2745.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: 1 Centrale Raad van Beroep 29 mei 2012, 11/3602 WWB-V, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7168, ABKort 2012/209 (termijnagenda). Vergelijkbaar is Centrale Raad van Beroep 7 juni 2012, 11/6380 WWBO-V, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7762, JB 2012/191 (faxnummer Raad).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtbank Rotterdam 17 augustus 2023, nr. 21/5350 en 23/5380, ECLI:NL:RBROT:2023:7257.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitspraak gepubliceerd op Rechtspraak.nl staat ‘[naam partij]’, maar de inhoudsindicatie vermeldt dat het gaat om PostNL.</p>\n<p class=\"lf-p\">Waarom de bezorger daarnaar zou vrage, ontgaat mij. Mogelijk zijn niet alle ‘gewone’ bezorgers goed geïnstrueerd wat aangetekend betekent en verwarren ze aangetekend met de variant waarbij de ontvanger zich moet identificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de uitspraak gepubliceerd op Rechtspraak.nl staat ‘[naam partij]’, maar de inhoudsindicatie vermeldt dat het gaat om PostNL. Er is ook maar één UPD-verlener: PostNL.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 21 februari 2018, nr. 201702163/1/A1, ECLI:NL:RVS:2018:585. Zie ook: ABRvS 3 april 2012, nr. 201106007/1/V1, ECLI:NL:RVS:2012:BW1458, JB 2012/126.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 24 september 2014, nr. 201402183/1/A2, ECLI:NL:RVS:2014:3524, ABKort 2014/340.</p>\n<p class=\"lf-p\">ABRvS 17 augustus 2011, nr. 201012848/1/H3, ECLI:NL:RVS:2011:BR5200, JOM 2011/723, JB 2011/213 met noot J.H. Keinemans. https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2011:BR5200&amp;showbutton=true&amp;keyword=201012848%252f1%252fH3&amp;idx=1 CRvB 19 september 2023, nr. 10-5669 ZW, ECLI:NL:CRVB:2012:BX7658, JB 2012/268 en USZ 2012/318.</p>\n<p class=\"lf-p\">CRvB 14 mei 2014, nr. 11-17 WW-V, ECLI:NL:CRVB:2014:1663, AB 2014/263 met noot Damen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 juli 2015, nr, 15/00290, ECLI:NL:HR:2015:1775, NJB 2015/1494, FutD 2015-1698.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 mei 2021, nr. 20/01495, ECLI:NL:HR:2021:705, BNB 2021/97, V-N 2021/21.20 met noot redactie, FutD 2021-1464 met noot redactie, Belastingblad 2021/231 met noot Scherff, NLF 2021/1021 met noot Van der Vegt, FED 2021/80 met noot Thomas en NTFR 2021/1556 met noot Lodder.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Vgl. HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1774, rechtsoverweging 2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102, rechtsoverweging 2.4.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 4 februari 2022, nr. 19/05156, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2022:129 en HR 4 februari 2022, nr. 19/05155, na conclusie IJzerman, ECLI:NL:HR:2022:45, BNB 2022/33, V-N 2022/8.14 met noot redactie, NLF 2022/0305 met noot Raaijmakers en NTFR 2022/622 met noot Meijer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Vgl. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, rechtsoverweging 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Vgl. HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, rechtsoverweging 3.3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Zie HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:930, rechtsoverweging 3.3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Roij, Cursus Belastingrecht, onderdeel formeel belastingrecht, FBR 6.1.2.D.c.</p></div>", "next": 0}