{"html": "<div class=\"lf-doc\"><div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Het maximum van deze straf is het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch - voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft - niet meer dan een derde boven het hoogste maximum.”</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Artikel 63 Sr: “Indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, zijn de bepalingen van deze titel voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing.”</div>\n<p class=\"lf-p\">2.4 In zijn arrest van 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8324 overwoog de Hoge Raad het volgende: “4.5.1. Bij de Wet van 7 september 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte (taakstraffen) (Stb. 2000, 365), welke in werking is getreden op 1 februari 2001, is onder meer art. 22c Sr gewijzigd. Met deze wet is de straf die bestond uit het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte vervangen door de taakstraf die kan bestaan uit een werkstraf en/of een leerstraf.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Nota naar aanleiding van het Verslag bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot deze wet houdt, voor zover hier van belang, in: “Bij het bepalen van het maximale aantal uren is aangeknoopt bij de ervaringen die in de afgelopen jaren hiermee zijn opgedaan. Uit onderzoek blijkt dat langere werkstraffen minder vaak tot een goed einde worden gebracht dan kortere. Verhoging van het totaal aantal uren zal derhalve leiden tot meer voortijdig beëindigde taakstraffen. Vandaar dat wordt vastgehouden aan een maximumduur van de werkstraf van 240 uur. Bovendien zal de veroordeelde, bij een taakstraf die 480 uur duurt, al gauw een jaar nodig hebben om deze te voltooien. Om enigszins tegemoet te komen aan de wens om ook langere taakstraffen mogelijk te maken, is voorzien in de mogelijkheid om een combinatie van werken en leren op te leggen voor maximaal 480 uur. De leden van de fractie van het CDA vragen waarom niet een werkstraf van bijvoorbeeld 300 of 360 uur mogelijk is. Ook hierop antwoord ik dat uit ervaring is gebleken dat het thans voorgestelde aantal uren het meest effectief is. Wanneer het aantal uren verder zou worden opgerekt, zou dit bovendien een extra druk leggen op het aantal beschikbare projectplaatsen.” (Kamerstukken II 1998-1999, 26 114, nr. 5, blz. 21) 4.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hoewel uit deze toelichting blijkt dat de wetgever in art. 22c, tweede lid, Sr de duur van de taak- en werkstraf heeft beperkt tot respectievelijk 480 en 240 uren, aangezien taak- en werkstraffen van langere duur minder effectief werden geacht, voorziet de wet in geval van samenloop niet in een nadere maximering. (...)”</p>\n<p class=\"lf-p\">2.5 Het cassatiemiddel berust op de opvatting dat wanneer op grond van de artikelen 57 en – in geval van ongelijktijdige berechting of gelijktijdige berechting van niet-gevoegde zaken – 63 Sr de regeling van de meerdaadse samenloop van toepassing is, “de cumulatie van taakstraffen begrensd dient te worden op 240 uur”. Die opvatting is, zoals blijkt uit het in 2.4 genoemde arrest van de Hoge Raad, onjuist. De samenloopregeling kent immers geen beperkingen over de cumulatie van taakstraffen, terwijl ook titel II (“Straffen”) van Boek 1 van het Wetboek van Strafrecht geen regels bevat over de maximaal op te leggen taakstraf in geval van meerdaadse samenloop. Als meerdere strafbare feiten gevoegd worden behandeld, wordt op grond van artikel 57 Sr voor deze feiten één taakstraf opgelegd, waarvan het maximum in dat geval dus de duur van 240 uren mag overschrijden.’ 24. Uit de aan het arrest voorafgaande conclusie van A-G Paridaens blijkt dat er belangrijke overeenkomsten waren tussen de zaken die ten grondslag lagen aan de arresten van 28 november 2006 en van 13 september 2022. In beide zaken speelde art. 63 Sr een rol en werd het maximum overschreden als de straffen die in verschillende uitspraken waren opgelegd werden opgeteld. A-G Paridaens gaf Uw Raad in overweging de maximale totale duur van de taakstraf niet per feit maar per uitspraak op 240 uren te bepalen (randnummer 31). Uw Raad koos, zo volgt uit de geciteerde overwegingen, voor een uitleg waarin per bewezenverklaard feit een maximum van 240 uren taakstraf geldt. Bij toepasselijkheid van art. 57 Sr wordt evenwel één taakstraf opgelegd.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">25.</span>Het hof heeft onder de toepasselijke wettelijke voorschriften art. 57 Sr aangehaald. Daaruit blijkt dat bij de bewezenverklaarde feiten naar ’s hofs oordeel van meerdaadse samenloop sprake is. Tegen dat oordeel wordt in cassatie geen klacht naar voren gebracht. In geval van meerdaadse samenloop wordt, zo volgt uit art. 57 Sr, één straf opgelegd. Het hof heeft voor drie van de vier bewezenverklaarde feiten afzonderlijk een taakstraf opgelegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">26.</span>Daaruit volgt dat het middel slaagt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">27.</span>De vraag is of dat tot cassatie dient te leiden of dat Uw Raad de zaak zelf kan afdoen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">28.</span>Uit de bewoordingen die Uw Raad in het arrest van 13 september 2022 heeft gekozen volgt naar het mij voorkomt dat het hof bij meerdaadse samenloop van drie of meer misdrijven een taakstraf van 720 uren kan opleggen. Uw Raad heeft in dat arrest evenwel niet beslist hoeveel dagen de vervangende hechtenis in dat geval kan bedragen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">29.</span>Dat valt op omdat, zo signaleert Ten Voorde, annotator Mevis in zijn noot onder het arrest van 28 november 2006 wel inging op de duur van de vervangende hechtenis. Uw Raad had in dat arrest overwogen dat hoewel uit de Nota naar aanleiding van het Verslag bij het wetsvoorstel dat tot de Wet taakstraffen heeft geleid, ‘blijkt dat de wetgever in art. 22c, tweede lid, Sr de duur van de taak- en werkstraf heeft beperkt tot respectievelijk 480 en 240 uren, aangezien taak- en werkstraffen van langere duur minder effectief werden geacht’, de wet ‘in geval van samenloop niet in een nadere maximering’ voorziet. Mevis meende dat uit de benadering van Uw Raad logischerwijs voortvloeide ‘dat het maximum van art. 22d lid 3 Sr’ (…) net als het maximum van art. 22c Sr, niet als maximum geldt in geval van meerdaadse samenloop’. Ten Voorde is op dat punt minder stellig. Zelf meen ik dat het gaat om een zelfstandige rechtsvraag.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">30.</span>Art. 22d Sr bepaalt dat de rechter in het vonnis waarbij taakstraf wordt opgelegd, ‘voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, (beveelt) dat vervangende hechtenis zal worden toegepast’ (eerste lid). De vervangende hechtenis ‘beloopt ten minste één dag en ten hoogste vier maanden’ (derde lid). Als de dagen vervangende hechtenis die het hof in het bestreden arrest bij elke taakstraf heeft bepaald worden opgeteld, gaat het om vervangende hechtenis voor de duur van 360 dagen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">31.</span>De verhouding tussen de taakstraf en de (subsidiaire) vrijheidsstraf is in de wetgeving in de loop der tijd verschillend vormgegeven. In de wet die het Wetboek van Strafrecht aanvulde ‘met de straf van onbetaalde arbeid’ was bepaald dat de rechter ingeval hij ‘een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van niet meer dan zes maanden overweegt op te leggen dan wel een vrijheidsstraf, waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte niet meer dan zes maanden bedraagt (…) het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte’ kon opleggen (art. 22b (oud) Sr). Het vonnis moest de vrijheidsstraf vermelden ‘die de rechter overwoog op te leggen’. Het aantal uren te verrichten arbeid bedroeg ‘ten hoogste tweehonderdenveertig’. De termijn binnen welke de arbeid moest worden verricht was ‘in geval de arbeid meer dan honderdentwintig uur bedraagt, ten hoogste een jaar, tenzij het openbaar ministerie (…) de opgelegde straf heeft gewijzigd’ (art. 22d (oud) Sr). Indien de taakstraf niet (naar behoren) werd verricht, kon de rechter alsnog de vrijheidsstraf opleggen ‘in de plaats waarvan de opgelegde straf blijkens het vonnis werd opgelegd’ (art. 22g (oud) Sr).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">32.</span>Het maximum van zes maanden gevangenisstraf hing samen met de doelstelling van het wetsvoorstel (het terugdringen van de korte vrijheidsstraf); bovendien ‘zou dan het aantal uren te verrichten dienstverlening zo hoog worden dat de kans op mislukking onaanvaardbaar groot wordt’. Bij het maximum aantal van 240 uren ‘is behalve met de hoogte van de te vervangen straf ook rekening gehouden met het tijdsbestek waarbinnen de dienstverlening moet worden verricht en het aantal uren dat per week aan dienstverlening kan worden besteed. Uitgangspunt is immers dat de dienstverlening in de vrije tijd, dus naast een volledige dagtaak, moet kunnen worden verricht’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">33.</span>In de samenloopregeling werd art. 63a (oud) Sr ingevoegd, dat bepaalde dat voor de toepassing van de bepalingen van deze titel ‘met de straf van het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte rekening (wordt) gehouden als ware die straf de vrijheidsstraf in de plaats waarvan zij is opgelegd’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">34.</span>De verhouding tussen taakstraf en subsidiaire vrijheidsstraf veranderde door de Wet taakstraffen. Voortaan stond voorop dat het vonnis vermeldde of de taakstraf bestond uit ‘een werkstraf, een leerstraf of een combinatie van beide, alsmede het aantal uren dat de straf zal duren’. Het aantal uren bedroeg ‘ten hoogste vierhonderdentachtig, waarvan niet meer dan tweehonderdveertig uren werkstraf’. De termijn binnen welke de taakstraf moest worden verricht bedroeg (nog steeds) ‘een jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis’. Maar het openbaar ministerie kon deze termijn ‘eenmaal met een jaar verlengen’. En de termijn werd verlengd ‘met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken’ (art. 22c (oud) Sr. De rechter beval ‘voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast’. Die vervangende hechtenis beliep ‘ten minste één dag en ten hoogste acht maanden’ (art. 22d (oud) Sr). In de memorie van toelichting geeft de minister aan dat hij zo kiest ‘voor het systeem zoals dat ook geldt bij de geldboete’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">35.</span>Art. 63a (oud) Sr verviel door de Wet taakstraffen. De memorie van toelichting gaf als reden: ‘Vanwege het zelfstandige karakter van de taakstraf kan artikel 63a Sr vervallen’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">36.</span>Een volgende stap werd gezet door een wet die de regelingen van de voorwaardelijke veroordeling en de voorwaardelijke invrijheidstelling wijzigde. De leerstraf werd geschrapt. Voortaan bestond de taakstraf ‘uit het verrichten van onbetaalde arbeid’ en duurde zij ‘ten hoogste tweehonderdenveertig uren’ (art. 22c (oud) Sr). De vervangende hechtenis beliep voortaan ten hoogste vier maanden (art. 22d (oud) Sr). Veel woorden werden daar in de parlementaire behandeling niet aan vuilgemaakt. De voorschriften dat de taakstraf moest worden verricht binnen ‘een jaar na het onherroepelijk worden van het vonnis’, dat deze termijn door het openbaar ministerie met een jaar kon worden verlengd, en dat de termijn werd verlengd ‘met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij zich aan zodanige vrijheidsontneming heeft onttrokken’ werden gehandhaafd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">37.</span>De termijn binnen welke de taakstraf moet worden voltooid werd aangepast door de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Sinds 1 januari 2020 bedraagt die termijn ‘achttien maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis dan wel negen maanden na het onherroepelijk worden van de strafbeschikking’. Daarbij geldt nog steeds dat de termijn wordt verlengd ‘met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen alsmede met de tijd dat hij ongeoorloofd afwezig is’ (art. 6:3:1 Sv). De mogelijkheid om deze termijn te verlengen is vervallen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">38.</span>Uit de memorie van toelichting bij de Wet taakstraffen volgt – zo bleek − dat de wetgever met de regeling van de vervangende hechtenis in de context van de taakstraf bij de regeling van de vervangende hechtenis in de context van de geldboete heeft willen aansluiten. Die regeling is te vinden in art. 24c Sr. De vervangende hechtenis beloopt ingevolge het derde lid ‘ten minste één dag en ten hoogste een jaar. Voor elke volle € 25 van de geldboete wordt niet meer dan één dag opgelegd’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">39.</span>Het artikel is ingevoerd door de Wet vermogensstraffen. In die wet was het maximum lager gesteld: ‘De vervangende hechtenis beloopt ten minste één dag en ten hoogste zes maanden’. In de memorie van toelichting wordt vermeld dat in het rapport van de commissie vermogensstraffen ‘een verlaging van het absolute maximum van de vervangende hechtenis (dus de tijdsduur die de vervangende hechtenis in geen geval mag overschrijden) van zes tot drie maanden (was) voorgesteld. Voor degenen die tot een hoge geldboete zijn veroordeeld, zal het dan echter onder omstandigheden aantrekkelijk kunnen zijn om de vervangende hechtenisstraf te ondergaan’. Daarom was dat voorstel niet overgenomen. Wel werd de mogelijkheid om het maximum in bepaalde gevallen te verhogen geschrapt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">40.</span>De verhoging van het maximum tot een jaar was het gevolg van de invoering van de ontnemingswetgeving. Volgens de memorie van toelichting kon niet worden gezegd ‘dat een maximale vervangende hechtenis van zes maanden (…) als reële vervanging van de hoge geldboete kan worden beschouwd’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">41.</span>De wetgever heeft voorts bepaald dat de rechter die een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid oplegt, beveelt ‘dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan’ (art. 38w Sr). De rechter bepaalt ‘de duur van de vervangende hechtenis die ten hoogste ten uitvoer wordt gelegd voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan’; die duur ‘bedraagt ten minste drie dagen’. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt in dit geval ‘ten hoogste zes maanden’. De memorie van toelichting houdt over deze vervangende hechtenis het volgende in: ‘De uiteindelijk in totaal ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis kan op grond van het voorgestelde artikel 38w, vierde lid, Sr, de duur van zes maanden niet overschrijden. Deze maximale duur is wetsystematisch niet afwijkend van de maximale duur van de vervangende hechtenis die ten uitvoer kan worden gelegd bij het niet naar behoren verrichten van een taakstraf (acht maanden, artikel 22d Sr) of het niet volledig voldoen aan een geldboete (één jaar, artikel 24c Sr).’ 42. In de regeling van de samenloop zijn enkele bepalingen opgenomen die de toepassing van art. 24c Sr betreffen. Art. 60, aanhef en ten 3o Sr bepaalt dat in de gevallen van de artikelen 57 en 58 Sr de straffen van verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen ‘voor elk misdrijf afzonderlijk en zonder vermindering (worden) opgelegd; de vervangende vrijheidsstraffen mogen gezamenlijk het maximum, bepaald in artikel 24c, derde lid, niet overschrijden’. Art. 62 Sr bepaalt dat bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 Sr bedoeld, ‘hetzij van overtredingen met misdrijven, hetzij van overtredingen onderling’ voor elke overtreding zonder vermindering straf wordt opgelegd’. De vervangende vrijheidsstraffen mogen voor de misdrijven en overtredingen of voor de overtredingen gezamenlijk ‘het maximum, bepaald in artikel 24c, derde lid, niet overschrijden’. Deze beide voorschriften zijn aldus geredigeerd door de Wet vermogensstraffen. Voordien bestond de mogelijkheid om het maximum van de vervangende hechtenis in geval van samenloop met een derde te overschrijden. Die mogelijkheid werd niet overgenomen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">43.</span>Verder is in art. 60a Sr expliciet geregeld dat bij samenloop op de wijze in de artikelen 57 en 58 Sr bedoeld, voor de schadevergoedingsmaatregel geldt dat de vervangende vrijheidsstraffen ‘gezamenlijk het maximum, bepaald in artikel 24c, derde lid, niet mogen overschrijden’. Uw Raad heeft regelmatig gecasseerd wegens schending van deze bepaling. Sinds 1 januari 2020 bepaalt de rechter bij de schadevergoedingsmaatregel de maximale duur van de gijzeling (vgl. art. 36f, vijfde lid, Sr). Redelijke uitleg van dit wetsartikel brengt mee, aldus Uw Raad, ‘dat in geval van samenloop zoals bedoeld in artikel 57 en 58 Sr, de totale duur van de gijzeling voor de schadevergoedingsmaatregelen het in artikel 24c bepaalde maximum van één jaar niet mag overschrijden’.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">44.</span>De wettelijke regeling bevat niet een expliciete bepaling voor het geval bij samenloop van misdrijven één geldboete wordt opgelegd. Kennelijk is de wetgever van oordeel dat de maximale lengte van de vervangende hechtenis in dat geval uit de wettelijke regeling voortvloeit. Die wettelijke regeling houdt in dat bij ‘samenloop van strafbare feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld’, één straf wordt opgelegd. Het maximum van deze straf is ‘het totaal van de hoogste straffen op de feiten gesteld, doch – voor zover het gevangenisstraf of hechtenis betreft – niet meer dan een derde boven het hoogste maximum’ (art. 57 Sr). Dat één straf wordt opgelegd brengt, zo begrijp ik, mee dat de vervangende hechtenis die bij de geldboete wordt opgelegd, thans ten hoogste een jaar bedraagt (art. 24c Sr). Dat resultaat is in lijn met de expliciete wetsbepalingen van de artikelen 60, 60a en 62 Sr, die zien op situaties waarin meer straffen en/of maatregelen worden opgelegd.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">45.</span>Het voorschrift van art. 22d, derde lid, Sr is niet expliciet in de bepalingen van de samenloopregeling verwerkt. Uit de memorie van toelichting bij de Wet taakstraffen kan evenwel worden afgeleid dat de wetgever met deze regeling heeft willen kiezen ‘voor het systeem zoals dat ook geldt bij de geldboete’. Dat pleit ervoor om in de context van de artikelen 57 en 58 Sr aan te nemen dat de vervangende hechtenis die bij de taakstraf kan worden bepaald, ten hoogste vier maanden bedraagt. Net als de geldboete kan de taakstraf, zo volgt uit het geciteerde arrest van Uw Raad, meer bedragen dan het wettelijk maximum dat uit art. 22c, tweede lid respectievelijk art. 23 Sr voortvloeit; net als bij de geldboete is er evenwel een wettelijk maximum aan de vervangende hechtenis die in één vonnis of arrest kan worden bepaald.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">46.</span>Die interpretatie sluit ook aan bij de achtergrond van het maximum dat de wet aan de vervangende hechtenis stelt. Dat maximum maakt deel uit van een wettelijke regeling waarin het aantal uren taakstraf is gemaximeerd en waarin eveneens een grens wordt gesteld aan de periode waarbinnen deze taakstraf moet worden verricht. Uit de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen blijkt dat de wetgever aan die begrenzing vasthoudt; de uiterste termijn waarbinnen de taakstraf moet zijn afgerond is zelfs verkort. Het uitgangspunt dat de taakstraf naast een volledige dagtaak moet kunnen worden verricht, is ook niet verlaten en komt uit oogpunt van behoorlijke straftoemeting ook nog steeds wenselijk voor. Een uitleg van de wettelijke regeling waarin de vervangende hechtenis bij de taakstraf op dezelfde wijze wordt benaderd als de vervangende hechtenis bij de geldboete kan eraan bijdragen dat de verhouding tot de te verrichten taakstraf passend blijft.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">47.</span>Ik attendeer in dit verband ook op de grenzen die aan strafoplegging door de politierechter zijn gesteld. De politierechter is niet bevoegd tot oplegging van een gevangenisstraf van meer dan een jaar (art. 369, eerste lid, Sv). De duur van de hechtenis is ten hoogste een jaar, die duur kan in nader omschreven gevallen worden overschreden maar in geen geval de tijd van een jaar en vier maanden te boven gaan (art. 18 Sr). Aan de maxima die de wet stelt aan de vervangende hechtenis bij de geldboete en de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid is de politierechter ook gebonden. En de politierechter dient de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen als hij van oordeel is dat toepassing van art. 37a, eerste lid, Sr of art. 38m Sr in overweging behoort te worden genomen (art. 369, tweede lid, Sv). Met deze begrenzingen laat zich lastig verenigen dat de politierechter niet gebonden zou zijn aan een maximum van vier maanden vervangende hechtenis bij het opleggen van een taakstraf ter zake meer dan één feit.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">48.</span>Bij deze interpretatie van de wettelijke regeling zou aansluiten dat bij de toepassing van art. 62 Sr, in het bijzondere geval waarin in één vonnis verschillende taakstraffen worden opgelegd voor overtredingen en/of misdrijven, het in art. 22d, derde lid, Sr bepaalde maximum op dezelfde voet als het maximum, bepaald in art. 24c, derde lid, Sr in acht wordt genomen. Het ligt, meen ik, niet in de rede om de omgekeerde redenering te volgen en uit de omstandigheid dat de wetgever heeft nagelaten in art. 62 Sr voor dit bijzondere geval een wettelijke regeling te treffen, af te leiden dat het maximum dat in art. 22d, derde lid, Sr aan de vervangende hechtenis wordt gesteld ook in het veel gewonere geval van meerdaadse samenloop van misdrijven buiten beschouwing dient te blijven.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">49.</span>Over de toepassing van art. 63 Sr in verband met vervangende hechtenis heeft Uw Raad zich als ik het goed zie nog niet uitgelaten. Dat de vervangende hechtenis bij geldboete en taakstraf een (subsidiaire) straf is, pleit ervoor een eerder opgelegde vervangende hechtenis in aanmerking te nemen indien wederom vervangende hechtenis wordt opgelegd bij een straf van dezelfde soort.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">50.</span>Een en ander is naar het mij voorkomt van belang in verband met de mogelijkheid dat Uw Raad de zaak zelf afdoet. Op zichzelf is het denkbaar dat Uw Raad de taakstraffen die het hof heeft opgelegd optelt en verstaat dat voor de feiten 1, 2 en 3 een taakstraf van 720 uren is opgelegd. Ingeval Uw Raad met mij van oordeel is dat art. 22d Sr meebrengt dat het hof maximaal vier maanden vervangende hechtenis kon opleggen, kunnen de dagen vervangende hechtenis die het hof nu bij elk van de taakstraffen heeft bepaald evenwel niet eenvoudig worden opgeteld. En het ligt naar het mij voorkomt ook niet in de rede dat Uw Raad de vervangende hechtenis zelf (binnen het maximum van art. 22d Sr) bepaalt, zoals voorheen bij de vervangende hechtenis in verband met de schadevergoedingsmaatregel wel gebeurde. De vervangende hechtenis is bij de taakstraf en de geldboete niet (alleen) een middel om te bevorderen dat de primair opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd, maar vervangt deze daadwerkelijk als de primaire straf niet ten uitvoer wordt gelegd. Mede in dat licht kan de hoogte van de opgelegde vervangende hechtenis voor het hof een argument zijn geweest om de opgelegde taakstraffen aanvaardbaar te achten (en niet een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen).</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">51.</span>Het middel slaagt.</div>\n<p class=\"lf-p\">Afronding 52. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Het tweede middel slaagt. Ambtshalve merk ik op dat Uw Raad mogelijk geen uitspraak zal doen binnen twee jaar nadat het cassatieberoep is ingesteld. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">53.</span>Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.</div>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Ik begrijp in het licht van de bewijsmotivering en de kwalificatie van feit 3 dat het woord ‘opzettelijk’ abusievelijk in de bewezenverklaring is weggevallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, NJ 2021/368 m.nt. Jörg.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1744, NJ 2014/313 m.nt. Schalken. A-G Knigge meende in de conclusie die aan dit arrest voorafging dat de verklaringen van de niet ondervraagde getuige ‘sole or decisive evidence’ waren (randnummer 5.12); Uw Raad dacht daar anders over. Zie ook HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447 m.nt. Kooijmans en HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:227, NJ 2020/186 m.nt. Vellinga, alsmede G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 833-834.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173 m.nt. Reijntjes, rov. 2.12.2 HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1191, NJ 2022/383 m.nt. Ten Voorde.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten Voorde in zijn NJ-noot, onder 7. Zie de noot van Mevis bij HR 28 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8324, NJ 2008/68, randnummers 5 en 11..</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 25 oktober 1989, houdende aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met de straf van onbetaalde arbeid, Stb. 1989, 482.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1986/87, 20 074, nr. 3, p. 4, 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1986/87, 20 074, nr. 3, p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 7 september 2000 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten omtrent de straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte (taakstraffen), Stb. 2000, 365.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997/98, 26 114, nr. 3, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1997/98, 26 114, nr. 3, p. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling van de voorwaardelijke invrijheidstelling, Stb. 2011, 545.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2009/10, 32 319, p. 13, 18, 23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017, 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 086, nr. 3, p. 84: ‘De uit het schrappen van de verlengingsmogelijkheid voortvloeiende noodzaak van een snellere start van de tenuitvoerlegging van taakstraffen sluit aan bij de doelstelling straffen voortvarend ten uitvoer te leggen. Een snellere start vergroot ons inziens verder de kans dat de taakstraffen daadwerkelijk worden uitgevoerd in plaats van omgezet.’ Wet van 8 september 1976, houdende herziening van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering betreffende de tenuitvoerlegging van vermogensstraffen, Stb. 1976, 484. Voordien was de vervangende hechtenis bij de geldboete geregeld in art. 23 Sr. Vgl. in dat verband H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, tweede druk, aangevuld door mr. J.W. Smidt, deel I, Haarlem: H.D. Tjeenk Willink 1891, p. 319 e.v..</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1975/76, 13 386, nrs. 1-3, p. 12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 10 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere vermogenssancties, Stb. 1993, 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1989/90, 21 504, nr. 3, p. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod), Stb. 2011, 546.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2010/11, 32 551, nr. 3, p. 14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1974/75, 13 386, nrs. 1-3, p. 18: ‘Indien blijkens de primair opgelegde straf een geldboete als de meest in aanmerking komende reactie wordt beschouwd, is een vrijheidsstraf van meer dan drie maanden, ook in de hier bedoelde uitzonderingsgevallen, excessief. In het wetsontwerp zijn de artikelen 60 en 62 dan ook zodanig gewijzigd, dat overschrijding van het maximum van de vervangende hechtenis in het geval van meerdaadse samenloop wordt uitgesloten.’ Zie onder meer HR 21 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR6362, NJ 2005/55; HR 26 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9182, NJ 2012/414.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017, 82.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714, NJ 2022/199.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. art. 58 Sr voor het geval op de misdrijven ongelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. F.W. Bleichrodt en P.C. Vegter, Sanctierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 380. Een vergelijkbare redenering wordt, zo begrijp ik, bij art. 38w Sr gevolgd. Ingevolge art. 38v, eerste lid, Sr, kan de ‘maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid’ worden opgelegd bij (onder meer) de rechterlijke uitspraak waarbij iemand wordt veroordeeld. Uw Raad leidt uit de wetsgeschiedenis af dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd ‘waaraan meerdere in artikel 38v lid 2 Sr genoemde verplichtingen worden verbonden’; op grond van art. 38w, derde lid, Sr geldt ‘van rechtswege dat de totale duur van de ten uitvoer gelegde vervangende hechtenis ten hoogste zes maanden bedraagt’ (HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:841).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dezelfde zin F.C.W. de Graaf, Meervoudige aansprakelijkstelling, Den Haag 2018, p. 95 en Machielse, Noyon-Langemeijer-Remmelink Strafrecht, aant. 4 bij art. 57 Sr (actueel t/m 4 februari 2022). Het maximum van de vervangende hechtenis in art. 22d, derde lid, Sr wordt in deze interpretatie anders uitgelegd dan het maximum van het aantal uren taakstraf in art. 22c, tweede lid, Sr. Dat verschil wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat art. 22d Sr de vervangende hechtenis koppelt aan het vonnis (eerste en derde lid, Sr) en de wetssystematische en wetshistorische link met de vervangende hechtenis bij de geldboete.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband Hof Amsterdam 28 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:477. Het hof legt 900 uren taakstraf op met de volgende overweging: ‘Nu de verdachte heeft verklaard geen werk en geen dagbesteding te hebben, is het ook mogelijk de taakstraf binnen deze termijn af te ronden’. Bij een verdachte die werk had gehad was – zo begrijp ik – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik wijs er nog op dat art. 22d, tweede lid, tweede volzin, Sr bepaalt dat voor elke volle twee uren van de taakstraf niet meer dan één dag wordt opgelegd. De rechter kan derhalve ook voor elke drie uren van de taakstraf één dag vervangende hechtenis opleggen. Vgl. in dit verband ook art. 6:3:3, tweede lid, Sv.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband Schoep, in: T &amp; C Strafvordering, art. 369, aant. 2 onder f (actueel t/m 1 januari 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. in dit verband Schuyt, in: T &amp; C Strafrecht, art. 22d, aant. 2 onder c (actueel t/m 1 juli 2022).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een wat andere benadering de noot van Silvis bij het arrest van 28 november 2006 in VA 2008/21.</p>\n<p class=\"lf-p\">In die zin begrijp ik, voor de vervangende hechtenis bij de geldboete, ook Pelser in T &amp; C Strafrecht, aant. 5 onder c bij art. 63 Sr (actueel t/m 1 augustus 2023), die nog wijst op een circulaire van de Minister van Justitie van 6 november 1929. Zie daarvoor Donner en Van Dijck, Het Wetboek van Strafrecht (met verwijzingen, invoeringswet, uitvoeringsvoorschriften en een alphabetisch register), Alphen aan den Rijn, N. Samsom N.V. 1933, p. 589-590.</p></div>", "next": 0}