{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Productie H.16 is een nadere uitwerking van het overzicht dat de man eerder in eerste aanleg heeft aangevoerd om de geldstromen van de saldi die in de HV waren uitgesloten inzichtelijk te maken. Over dit schema heeft de rechtbank geoordeeld dat de overschrijvingen van uitgesloten rekeningen naar andere rekeningen telkens uit verschillende tussenstappen via verschillende rekeningen, verspreid over de tijd, bestaan. Op basis daarvan kon de rechtbank niet vaststellen dat de uiteindelijke bijschrijvingen op de betreffende Traders Only-rekening het saldo betreft van de uitgesloten rekening. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het saldo op de Traders Only-rekening moest worden betrokken in de verrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als gezegd, heeft de man in hoger beroep met productie H.16 dus zijn eerdere overzicht uitgebreid en daarbij heeft hij de geldstromen naar de Traders Only-rekening toegelicht en verwezen naar eerder in eerste aanleg overgelegde bankafschriften. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat het schema zou verduidelijken dat er geen sprake is van verrekenbaar vermogen. Het schema was volgens haar nog steeds onnavolgbaar. Ik meen dat de overweging van het hof in rov. 2.15, dat de man met productie H.16 wel een stroomschema heeft overgelegd van de overboekingen maar dat verder niet heeft onderbouwd met bankafschriften, in het licht van het voorgaande moet worden gelezen. Het stroomschema maakt immers nog steeds niet op een heldere wijze inzichtelijk dat het saldo dat ten tijde van het peilmoment op de Traders Only-rekening stond, zou bestaan uit aangebracht vermogen en daarmee is uitgesloten van de verrekening.</p>\n<p class=\"lf-p\">De klacht faalt dan ook.</p>\n<p class=\"lf-p\">Post J en rov. 2.17 3.73 Volgens sub-subonderdeel D.IV.6 is het oordeel van het hof in rov. 2.17 van de bestreden eindbeschikking contrair met hetgeen in post J van rov. 2.21 is opgenomen. In rov. 2.17 heeft het hof overwogen dat de zilveren munten, die de man uit huurinkomsten heeft aangeschaft, buiten de verrekening vallen. Die overwegingen volgend, dienen het zilver en het goud dat fysiek aangehouden wordt bij Gold Republic (post J) ook buiten de verrekening te blijven. Kennelijk heeft het hof dat miskend, omdat het in verrekening brengen van Gold Republic voor € 10.598 in post J contrair gaat aan de eerdere overweging in rov 2.17.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.74 Het sub-subonderdeel stelt terecht dat het oordeel van het hof in rov. 2.17 tegenstrijdig is met het te verrekenen bedrag dat het hof heeft vastgesteld met post J in rov. 2.21. Het sub-subonderdeel lijkt echter geen oog te hebben voor het feit dat rov. 2.17 eveneens tegenstrijdig is met het eerdere oordeel van het hof dat de huuropbrengsten van het aangebrachte vastgoed in de verrekening moeten worden betrokken (rov. 2.4 tot en met 2.11). Zoals blijkt uit de bespreking van onderdeel B, blijft dit oordeel in cassatie wat mij betreft in stand. Indien het sub-subonderdeel dus zou worden gevolgd dan blijft de tegenstrijdigheid bestaan tussen rov. 2.17 en het oordeel van het hof dat de huuropbrengsten in de verrekening betrokken moeten worden. Anders dan het sub-subonderdeel betoogt, moet post J van rov. 2.21 niet in overeenstemming worden gebracht met rov. 2.17, maar dient rov. 2.17 zelf te worden aangepast om de geconstateerde tegenstrijdigheid op te heffen. Ik kom hier op terug bij mijn bespreking van onderdeel 1 van het incidenteel cassatieberoep. Het sub-subonderdeel faalt dus.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.75 Subonderdeel D.V bevat een veegklacht. Het slagen van een of meer klachten vitieert rov. 2.21 tot en met 4.7 van de bestreden eindbeschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.76 Nu sub-subonderdeel D.IV.1 doel treft, slaagt ook de veegklacht van subonderdeel D.V, zij het slechts voor zover zij betrekking heeft op rov. 2.21 tot en met 2.23 en op rov. 4.2 (de rechtsoverwegingen die betrekking hebben op het te verrekenen bedrag en op hetgeen de man nog aan de vrouw moet betalen).</p>\n<p class=\"lf-p\">4Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep 4.1 Het incidenteel cassatieberoep van de vrouw bevat een onvoorwaardelijk en een voorwaardelijk onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Onderdeel 1 is onvoorwaardelijk geformuleerd en is gericht tegen rov. 2.17 van de bestreden eindbeschikking waarin het hof heeft geoordeeld dat, gelet op hetgeen het over de huurinkomsten heeft overwogen, de waarde van de zilveren Maple Leaf munten (€ 9.435 op de peildatum) buiten de verrekening valt omdat de munten zijn aangeschaft met huuropbrengsten. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist in het licht van, althans onbegrijpelijk want innerlijk tegenstrijdig met, rov. 2.11 en 2.14 van de bestreden beschikking. In rov. 2.11 heeft het hof geoordeeld dat de man er niet in is geslaagd om te bewijzen dat de huurinkomsten van de buiten de verrekening blijvende onroerende zaken ook buiten de verrekening dienen te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Die huurinkomsten vallen dus wel onder het te verrekenen vermogen van de man. Daaraan verbindt het hof in rov. 2.14 de conclusie dat de aldaar genoemde rekeningen A, B, F en J, die gevormd zijn uit die huurinkomsten, in het te verrekenen vermogen vallen. In rov. 2.17 stelt het hof vast dat de munten zijn aangeschaft met huuropbrengsten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en staat vast in cassatie. De conclusie die het hof daaraan vervolgens heeft verbonden, namelijk dat de waarde van die munten buiten de verrekening valt, is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk in het licht van rov. 2.11 en 2.14. De enige mogelijke conclusie is immers dat de waarde van de munten wel onder het te verrekenen vermogen valt nu de huurinkomsten waarmee die munten zijn aangeschaft onder dat te verrekenen vermogen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als Uw Raad het onderdeel volgt, dan kan Uw Raad, zo meent de vrouw, de zaak op dit punt zelf afdoen. Gegrondverklaring van dit onderdeel resulteert in de conclusie dat grief 7 van de man alsnog faalt en de beschikking van de rechtbank op dit punt kan worden bekrachtigd. Het vitieert ook rov. 2.21 waar het hof een overzicht van het te verrekenen vermogen heeft gegeven. Aan de zijde van de man dient daarbij de post munten van € 9.435 te worden toegevoegd, zodat het te verrekenen vermogen aan zijn zijde met dit bedrag wordt verhoogd. Het vitieert ook rov. 2.23 waar het hof de onderlinge verrekenvordering heeft vastgesteld, alsmede rov. 4.2 van het dictum waarin ditzelfde bedrag is opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Zoals ik reeds heb toegelicht bij de bespreking van sub-subonderdeel D.IV.6 in het principaal cassatieberoep, is rov. 2.17 van de eindbeschikking inderdaad tegenstrijdig met het eerdere oordeel van het hof dat de huurinkomsten tot het te verrekenen vermogen behoren. Het onderdeel is dan ook terecht voorgesteld. Omdat het hof reeds had geoordeeld dat de huurinkomsten tot het te verrekenen vermogen behoren en in cassatie vaststaat dat de zilveren Maple Leaf munten zijn aangeschaft met huurinkomsten, had het hof vervolgens ook de waarde van de zilveren Maple Leaf munten (€ 9.435 op de peildatum) tot het te verrekenen vermogen van de man moeten rekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 Onderdeel 2 is voorgesteld onder de voorwaarde dat één of meerdere klachten in het principaal cassatieberoep slagen. Nu wat mij betreft sub-subonderdelen D.IV.1 en D.V van het principaal cassatieberoep doel treffen, is de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld vervuld, zodat aan een beoordeling daarvan wordt toegekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Volgens het onderdeel heeft het hof in rov. 2.18 van de bestreden eindbeschikking het toetsingskader van Uw Raad uit de uitspraak van 7 oktober 2022, dat het zo nodig ambtshalve op grond van art. 25 Rv had moeten toepassen, miskend en de stelling van de vrouw langs een te beperkte grondslag beoordeeld, namelijk alleen de letterlijke tekst van artikel 6 HV. Althans, dit oordeel is onbegrijpelijk in het licht van (a) artikel 14 HV waarin is opgenomen dat in het geval van echtscheiding wordt verrekend “alsof de echtgenoten gehuwd waren in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen” en (b) de stelling van de vrouw waar zij heeft aangegeven wat de bedoeling van partijen is geweest in de HV met betrekking tot het doen ontstaan van vergoedingsrechten. Volgens het onderdeel had het hof – indachtig het door Uw Raad geformuleerde toetsingskader – moeten responderen op de stellingen van de vrouw ten aanzien van de bedoeling van partijen als het gaat om de vraag of zij beoogd hebben om vergoedingsrechten te doen ontstaan. In het licht van dat toetsingskader dienen die stellingen immers als essentieel gekwalificeerd te worden. Gegrondverklaring van dit onderdeel vitieert ook rov. 2.21, rov. 2.23 en rov. 4.2. van het dictum.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 De vrouw stelt met onderdeel 2 in de kern dat het hof in rov. 2.18 het “toetsingskader” van Uw Raad uit het arrest van 7 oktober 2022 heeft miskend. In dit arrest heeft Uw Raad het volgende geoordeeld over de verhouding tussen een finaal verrekenbeding en het ontstaan van vergoedingsrechten tussen echtgenoten bij een echtscheiding: “3.2.2 Finale verrekenbedingen bevatten veelal de bepaling dat aan het einde van het huwelijk wordt afgerekend alsof gemeenschap van goederen heeft bestaan. Door een zodanig finaal verrekenbeding (hierna ook: ‘alsof’-beding) overeen te komen, zoeken de echtgenoten kennelijk aansluiting bij regels voor de wettelijke gemeenschap van goederen in titel 7 van Boek 1 BW. De vraag kan rijzen of de echtgenoten daarbij slechts het oog hebben op de regels over de omvang van de wettelijke gemeenschap (in het bijzonder art. 1:94 BW), dan wel of zij mede beogen de mogelijkheid van het ontstaan van vergoedingsrechten als bedoeld in (thans) art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 BW in het leven te roepen. Wat art. 1:96 lid 4 BW betreft, zou het dan gaan om een vergoedingsrecht in verband met het voldoen van een schuld van de ‘pseudo-gemeenschap’ ten laste van niet tot die pseudo-gemeenschap behorende eigen goederen van een echtgenoot.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.2.3 De hiervoor in 3.2.2 genoemde vraag kan niet in algemene zin worden beantwoord. Of partijen met een ‘alsof’-beding niet slechts een methode van verrekening naar analogie van de gemeenschap van goederen zijn overeengekomen maar ook de mogelijkheid van vergoedingsrechten alsof tijdens het huwelijk gemeenschap van goederen heeft bestaan, is een kwestie van uitleg van de huwelijkse voorwaarden. Bij die aan de feitenrechter voorbehouden uitleg kan, tegen de achtergrond van hetgeen voortvloeit uit de hiervoor in 3.2.1 genoemde wettelijke regels, bijvoorbeeld van belang zijn wat partijen eventueel nader met betrekking tot de berekening van de verrekenvordering zijn overeengekomen en of zij naast het ‘alsof’-beding reeds regelingen hebben getroffen voor het ontstaan van vergoedingsrechten, zoals ter zake van de kosten van de huishouding.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Het hof heeft in rov. 2.18, samengevat, geoordeeld dat de hypotheekaflossingen die de man heeft gedaan gedurende het huwelijk met betrekking tot panden die (deels) van hem zijn niet in aanmerking komen voor verrekening (grief 9 van de man). Volgens het hof betroffen de hypotheekaflossingen geen onttrekking aan het vermogen van de vrouw, waardoor artikel 6 HV hierop niet van toepassing is, en mocht de man gedurende het huwelijk vrijelijk over zijn eigen vermogen beschikking. Voor een correctie omdat deze uitkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, heeft de vrouw, aldus het hof, onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 Ik meen dat het onderdeel moet falen omdat het miskent dat de vrouw slechts in beperkte mate een beroep heeft gedaan op de grondslag voor het ontstaan van een vergoedingsplicht voor de hypotheekaflossingen en voor zover de vrouw hier iets over heeft gesteld, het hof hier voldoende kenbaar op is ingegaan. Ik licht dit als volgt toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 Om vast te stellen of partijen met een finaal verrekenbeding dat is gevormd als een alsof-beding hebben bedoeld om ook de wettelijke regeling van het ontstaan van vergoedingsrechten overeen te komen, moet de rechter de huwelijkse voorwaarden uitleggen. Zoals is uiteengezet in randnummer 3.6 geschiedt de uitleg van huwelijkse voorwaarden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Op grond van art. 150 Rv draagt de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van een bepaalde uitleg van (een bepaling van) een overeenkomst, bij voldoende betwisting, de bewijslast (en het bewijsrisico) van de feiten en omstandigheden die deze uitleg ondersteunen. Daarbij moet zij ook aangeven in welke zin deze feiten en/of omstandigheden van belang zijn voor de bepleite uitleg van (een bepaling van) de overeenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10 Welke grondslag heeft de vrouw aangevoerd voor haar vergoedingsrecht op de man? Primair heeft zij gesteld een vergoedingsrecht te hebben op grond van artikel 6 HV omdat de man gelden die hij met de vrouw had moeten verrekenen (waardoor min of meer sprake is van voorwaardelijk vermogen van de vrouw) heeft aangewend ten behoeve van zijn eigen, privévermogen. Subsidiair heeft de vrouw gesteld dat onverkorte toepassing van de peildatum voor de finale verrekening in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en deze (onverkorte) toepassing van de peildatum moet worden gecorrigeerd omdat de man zichzelf, ten koste van de vrouw, heeft verrijkt. Hij heeft immers privéschulden met overgespaard inkomen van partijen afgelost. Zowel de primaire als de subsidiaire grondslag zijn door het hof in rov. 2.18 besproken en verworpen. Andere omstandigheden waar de door de vrouw gestelde bedoeling, dat partijen zijn overeengekomen om vergoedingsrechten te doen ontstaan naast het finale verrekenbeding, uit blijkt, heeft zij niet gesteld (stelling (b) in randnummer 4.5 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11 Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof de tekst van artikel 14 HV (stelling (a) in randnummer 4.5 hiervoor) in zijn beoordeling had moeten betrekken, mist het feitelijke grondslag omdat het onderdeel er ten onrechte van uitgaat dat de vrouw daar in feitelijke instanties een beroep op heeft gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.12 Uit het voorgaande volgt dat het onderdeel niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat het hof het toetsingskader van Uw Raad uit de uitspraak van 7 oktober 2022 heeft miskend of de stelling van de vrouw langs een te beperkte grondslag heeft beoordeeld, noch dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het onderdeel moet dus falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Slotsom en afdoeningswijze 5.1 De slotsom is dat het principale cassatieberoep voor zover dat betrekking heeft op de bestreden eindbeschikking op twee (sub-)subonderdelen slaagt (sub-subonderdeel D.IV.1 en subonderdeel D.V), dat het incidentele cassatieberoep met één onderdeel (onderdeel 1) doel treft en dat het principale en het incidentele cassatieberoep voor het overige falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5.2 Ik meen dat verwijzing niet nodig is en dat Uw Raad op de voet van art. 429 lid 2 Rv in verbinding met art. 420 Rv de zaak als volgt zelf kan afdoen:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>rov. 2.14 van de bestreden eindbeschikking moet worden aangepast in die zin dat het saldo van bankrekening A voor 30% moet worden meegenomen in de finale verrekening (€ 128,94 op de peildatum);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>rov. 2.17 van de bestreden eindbeschikking moet worden aangepast in die zin dat de waarde van de munten (€ 9.435 op de peildatum) wel in de verrekening moet worden betrokken en behoort tot het te verrekenen vermogen van de man, waardoor grief 7 van de man alsnog faalt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het totaal te verrekenen vermogen van de man moet worden vastgesteld op € 175.042,33 (€ 165.693,29 -/- € 85,96 + € 9.435) (rov. 2.21 van de bestreden eindbeschikking);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>het totale vermogen van partijen moet vervolgens worden vastgesteld op € 323.339,26 (€ 175.042,33 + € 148.296,93), zodat beide partijen recht hebben op € 161.669,63 (€ 323.339,26 / 2) (rov. 2.23 van de bestreden eindbeschikking);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de man is dan een bedrag van € 13.372,70 (€ 175.042,33 -/- € 161.669,63) aan de vrouw verschuldigd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2018 tot aan de dag der algehele voldoening (rov. 2.23 en 4.2 van het dictum van de bestreden eindbeschikking).</div>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep voor zover het is gericht tegen de bestreden tussenbeschikking, tot vernietiging van de bestreden eindbeschikking in het principale en in het incidentele cassatieberoep en, in verband met dit laatste, tot een afdoening overeenkomstig randnummer 5.2 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn, met redactionele aanpassingen, ontleend aan hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1866, rov. 3.1-3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 2 bij het inleidende verzoekschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 15 mei 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft, samengevat, de volgende onderwerpen: de hoofdverblijfplaats van de kinderen (rov. 3.3.), de zorg- en informatieregeling ten aanzien van de kinderen (rov. 3.4.-3.10.), het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie (rov. 3.11.-3.29.), wie recht heeft op het gebruik van de echtelijke woning (rov. 3.30.-3.32.), verzoeken ten aanzien van overlegging van stukken (rov. 3.33.-3.34.) en de verdeling van de tussen partijen bestaande eenvoudige gemeenschappen, bestaande uit de echtelijke woning en de daaraan verbonden bankspaarrekening (rov. 3.37.-3.40.), gemeenschappelijke banksaldi (rov. 3.41.), zilveren Maple Leaf munten (rov. 3.42.) en een goudstaaf (rov. 3.45.). De rechtbank heeft haar beslissing over de verdeling van de inboedel en te ontvangen of te dragen inkomstenbelasting aangehouden (rov. 3.43.-3.44. en rov. 3.46.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Enkele panden heeft de man samen met zijn vader in eigendom.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betreft de volgende onderwerpen: de verdeling van de echtelijke woning (rov. 3.1.), de gemeenschappelijke banksaldi (rov. 3.2.), de goudstaaf (rov. 3.3.), de inboedel etc. (rov. 3.4.), afgifte van documenten (rov. 3.5.), vordering van de vrouw voor betaling van gebruikers- en eigenaarslasten en een vordering op grond van ongerechtvaardigde verrijking (rov. 3.6.), te ontvangen of af te dragen inkomstenbelasting (rov. 3.7.) en de verdeling van (de opbrengst van) verschillende (zilveren) munten (rov. 3.8.-3.10.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit het procesdossier blijkt niet dat de rechtbank een tussenbeschikking heeft gewezen op 15 november 2020. De rechtbank zal hier dan ook bedoelen: de tussenbeschikking van 15 mei 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de opsomming van de bankrekeningen en saldi zoals opgenomen in Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.16. Het bedrag dat nog moet worden opgeteld, is door de rechtbank aangeduid met “P.M.”.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 18-19 van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 32-33 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:1866.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het lijkt er op dat het hof zich hier op dezelfde manier als de rechtbank heeft verschreven. In rov. 3.45. van de echtscheidingsbeschikking had de rechtbank overwogen dat de door de man gestelde overboekingen in januari en december 2019 hadden plaatsgevonden. In haar eindbeschikking van 18 december 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat hier sprake was van een kennelijke verschrijving. Waar in rov. 3.45. stond ‘december 2019’ diende, gelet op productie 10 van de man, te staan ‘december 2009’. Zie ook randnummers 2.3 en 2.8 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het betrof, samengevat, de volgende onderwerpen: de waarde van de eenmanszaak van de man in de verrekening (rov. 5.18-5.23), het te verrekenen vermogen van de vrouw (rov. 5.24-5.29) en de aanslagen en restituties van de inkomstenbelasting (rov. 5.30-5.32).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 2.19 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook hof Arnhem-Leeuwarden 22 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6040, rov. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 22 juni 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6040.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft met zijn nummering van de posten in zijn eindbeschikking gebruik gemaakt van dezelfde nummering die de rechtbank heeft gebruikt in haar eindbeschikking van 18 december 2020. Het enige verschil is dat het hof hoofdletters heeft gebruikt en de rechtbank kleine letters. Zie voor de opsomming van de rechtbank Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.15. Zie voor de definitieve opsomming van het hof randnummer 2.37 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dezelfde klachten heeft de man in het principaal cassatieberoep aangevoerd in subonderdeel D.IV. Zie hierover randnummers 3.58-3.74 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 14 september 2023, zaaknr. 200.291.902 (niet gepubliceerd).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel A is getiteld “Kern van de zaak” en bevat geen zelfstandige klachten tegen de bestreden beschikkingen. Zie p. 1-2 van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 3-4) verwijst hierbij naar randnummers 47., 56.-57. en 69. (waarin de vrouw een zelfstandig verzoek baseert op de letterlijke lezing van artikel 14 HV en daarom aanspraak maakt op vermogensbestanddelen van de man) en het petitum van het verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw. Zie verder ook randnummers 46. tot en met 49. en randnummers 50. tot en met 60. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019 (met een verwijzing naar de legal opinion van mr. B. Breederveld die is overgelegd als productie 13 bij dit verweerschrift). Zie verder ook de echtscheidingsbeschikking, rov. 3.48. en 3.50. tot en met 3.57., waarbij de man specifiek verwijst naar rov. 3.51.: “De vrouw stelt dat deze huurinkomsten te verrekenen vermogen zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 4) verwijst hierbij naar de echtscheidingsbeschikking, rov. 3.54. tot en met 3.56. Ook wordt verwezen naar randnummer 6. van de pleitnota van de man in hoger beroep waarin de man heeft gesteld dat op de vrouw de bewijslast rust van het door haar ingeroepen rechtsgevolg.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 4) verwijst hierbij naar randnummer 25. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635 m.nt. C.J.H. Brunner.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.N. Schelhaas &amp; W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen – In nationaal en internationaal perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 88 en R.P.J.L. Tjittes, Commercieel Contractenrecht. Deel I: Totstandkoming en inhoud, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 410. Zie bijvoorbeeld ook HR 19 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7886, NJ 2010/623 (Skare Meat Packers/Flexmen Projecten), rov. 3.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.P.J.L. Tjittes, Commercieel Contractenrecht. Deel I: Totstandkoming en inhoud, Den Haag: Boom juridisch 2022, p. 410 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:966) voor HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:957, RvdW 2021/659, JOR 2021/260 m.nt. A.E. van den Heuvel, JIN 2021/123 m.nt. S.H.A.M. Hendrix en JIN 2021/142 m.nt. R.J.G. van Mengelberg (Vereniging van Albert Heijn Franchisenemers c.s./AH c.s.), randnummers 3.1.7-3.1.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">H.N. Schelhaas &amp; W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen – In nationaal en internationaal perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 88. De wederpartij draagt wel de bewijslast van haar stellingen als zij zich bedient van een zogenoemd ‘bevrijdend verweer’ door bijvoorbeeld een beroep te doen op een overeenkomst die de eerdere afspraken heeft vervangen. Zie hierover HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5915, RvdW 2009/1006 (ACS/HTC), rov. 3.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">T.F.E. Tjong Tjin Tai, ‘Bewijs van de (inhoud van de) overeenkomst’, NJB 2008/699, onder 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">L.H.M. Zonnenberg, Het verrekenbeding, Deventer: Wolters Kluwer 2019, p. 16-22. Zie ook HR 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8847, NJ 2008/565 m.nt. L.C.A. Verstappen en FJR 2007/23 m.nt. I.J. Pieters, rov. 3.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 22.-27. van het verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 31. van het verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw.</p>\n<p class=\"lf-p\">De man heeft in zijn reactie op het verweerschrift van de vrouw de door hem bepleite uitleg van artikel 14 HV nader onderbouwd met een advies van mr. Breederveld (randnummers 45.-46. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019. Het advies is als productie 13 overgelegd bij deze reactie). De vrouw heeft dit standpunt van de man (wederom) gemotiveerd betwist en brieven van prof.mr. Reinhartz en mr.dr. Zonnenberg overgelegd (productie 33 bij de brief van de vrouw aan de rechtbank van 11 februari 2020 en productie 41 bij de brief van de vrouw aan de rechtbank van 19 februari 2020).</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 15 mei 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.50.-3.56. Zie ook randnummer 2.5 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.11.-3.12. Zie ook randnummer 2.10 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 25.-36. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 25.-35. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoeken voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook randnummer 2.21 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 164 Rv (actueel tot en met 4 januari 2023), aant. 2.1 (G. de Groot).</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 4) verwijst hierbij naar de bestreden eindbeschikking, rov. 2.4-2.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 6) verwijst hierbij naar subonderdeel B.I waarin de man heeft gesteld dat de bewijslast bij de vrouw ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 6) verwijst hierbij naar randnummer 32. van het hoger beroepschrift van de man. De procesinleiding voegt hier later (p. 9) aan toe dat wat in de brief van 4 juni 2007 als opdrachtbevestiging is opgenomen, in de akte daags daarna zo is uitgevoerd. Hetgeen de man uit die brief heeft mogen begrijpen, wordt volgens het sub-subonderdeel ook door de notaris als getuige gedurende het getuigenverhoor onderschreven. De procesinleiding verwijst hierbij (p. 9) naar p. 6 (laatste woordblok) van het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 30 augustus 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 6) verwijst hierbij naar randnummer 27. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie H.4 bij het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 7) verwijst hierbij naar randnummer 28. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 7) verwijst hierbij naar randnummer 29. van het hoger beroepschrift van de man. Eveneens wordt verwezen naar een verklaring van de man tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg, zie p.8 (laatste woordblok) van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 maart 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 8) verwijst hierbij naar randnummer 30. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 8) verwijst hierbij naar randnummer 31. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:287) voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:711 (Vereniging Westermeerwindgroep c.s./Westermeerwind BV), randnummer 3.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 125-125, W.L. Valk, in Jac. Hijma, C.C. van Dam, W.A.M. van Schendel en W.L. Valk, Rechtshandeling en Overeenkomst (SBR), Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 31 en Jac. Hijma &amp; M.M. Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 32-39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer H.N. Schelhaas &amp; W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen – In nationaal en internationaal perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 1.2.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9243, NJ 2012/686 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai en JOR 2013/10 m.nt. A. Knigge (Varde Investments (Ireland) Limited/Harbers), rov. 4.2, HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:315, RvdW 2017/309 (Parkking c.s./mr. Alberts q.q.), rov. 3.3.2 en HR 17 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1889, NJ 2022/254 m.nt. M.B.M. Loos (Waternet II), rov. 3.2.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Parl. Gesch. Boek 6, p. 877 (MvA II), H.N. Schelhaas &amp; W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen – In nationaal en internationaal perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 1.2.1 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2017:993) voor HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3140, NJ 2018/15 (FDS Support/Wincor Nixdorf), randnummer 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel 6-III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 368, H.N. Schelhaas &amp; W.L. Valk, Uitleg van rechtshandelingen – In nationaal en internationaal perspectief, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 93-94, W.D.H. Asser, Civiele cassatie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2018, p. 51 en Asser Procesrecht/E. Korthals Altes &amp; H.A. Groen, Deel 7. Cassatie in burgerlijke zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 173. Zie ook HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6085, NJ 2011/5 m.nt. L.C.A. Verstappen en FJR 2011/34 m.nt. I.J. Pieters, rov. 3.5 en HR 17 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO8198, NJ 2005/169 m.nt. J.H. Spoor, Ondernemingsrecht 2004/262 m.nt. W.W. de Nijs Bik &amp; W. Leppink en BIE 2005/7 m.nt. A.A. Quaedvlieg (Wessanen Nederland c.s./Nutricia Nederland), rov. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook randnummers 3.25-3.26 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 3.2-3.17 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 5 van productie H.5 bij het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">In hoger beroep heeft de man gesteld dat partijen, een paar dagen voor het sluiten van het huwelijk, slechts één bijeenkomst met de notaris hebben gehad. Hierbij heeft de man verwezen naar de opdrachtbrief van de notaris van 4 juni 2007. Daaruit blijkt dat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Zie randnummer 31. van het hoger beroepschrift van de man en productie H.5 bij dat hoger beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 11) verwijst hierbij naar sub-subonderdeel B.II.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier merk ik op, net als bij de eerste klacht van sub-subonderdeel B.II.1, dat de man in hoger beroep heeft gesteld dat partijen, een paar dagen voor het sluiten van het huwelijk, slechts één bijeenkomst met de notaris hebben gehad. Hierbij heeft de man verwezen naar de opdrachtbrief van de notaris van 4 juni 2007. Daaruit blijkt dat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Zie randnummer 31. van het hoger beroepschrift van de man en productie H.5 bij dat hoger beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 3.23 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2015, nr. 240.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over rov. 2.6 ook randnummer 3.25 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens de procesinleiding (p. 11) is bij deze rekening temeer evident dat dit saldo buiten de verrekening blijft. Net als terzake van de huurpenningen betreft het in hoofdzaak geld van derden dat daarop wordt beheerd (de leden van de jaarclub) waarmee de vrouw immers niets van doen heeft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 32. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021. Zie ook randnummers 25.-29. van de antwoordakte na enquête van de vrouw van 31 oktober 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier voegt de procesinleiding (p. 12) aan toe dat de notaris destijds een collega was van de vrouw die toen bij datzelfde kantoor CMS advocaat was, zie ook sub-subonderdeel B.II.1 onder d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook hier merk ik op dat de man in hoger beroep heeft gesteld dat partijen, een paar dagen voor het sluiten van het huwelijk, slechts één bijeenkomst met de notaris hebben gehad. Hierbij heeft de man verwezen naar de opdrachtbrief van de notaris van 4 juni 2007. Daaruit blijkt dat deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Zie randnummer 31. van het hoger beroepschrift van de man en productie H.5 bij dat hoger beroepschrift.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik neem aan dat de man hier doelt op de brieven van prof.mr. Reinhartz van 7 februari 2020 en van mr.dr. Zonnenberg van 12 februari 2020. Zie ook rov. 5.13 van de bestreden tussenbeschikking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 25.-35. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 31.-32. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 34. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 12) naar randnummer 38. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019, waarin wordt verwezen naar de bankafschriften die zijn overgelegd als productie 10 bij die reactie. Ook daaruit zou blijken dat het om 2009 en niet 2019 gaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld randnummer 65. van de brief van de vrouw aan de rechtbank van 11 februari 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 8. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 9. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 9. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgelegd als productie 69 bij de brief van de man van 27 oktober 2020 aan de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 10. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 38. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 13) naar randnummer 11. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 14) naar randnummer 12. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld randnummer 65. van de brief van de vrouw aan de rechtbank van 11 februari 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld randnummer 10. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld randnummer 12. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 2 van productie 69 bij de brief van de man van 27 oktober 2020 aan de rechtbank.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 14) naar randnummer 75. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO781, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser, Ars Aequi 2005, p. 270 e.v. m.nt. G.R. Rutgers en JBPr 2004/65 m.nt. M.A.J.G. Janssen (OZ Export Planten BV/ […]), rov. 3.6. Dit standaardarrest is nog altijd actueel. Zie onder meer HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, RvdW 2016/147, JIN 2016/38 m.nt. M.A.J.G. Janssen en JBPr 2016/32 m.nt. C.S.G. Janssens, rov. 3.4.1-3.4.2, Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 221 en Asser Procesrecht/F.B. Bakels, A. Hammerstein en E.M. Wesseling-van Gent, Deel 4. Hoger Beroep, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 209. Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:981) voor HR 8 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1717, RvdW 2024/6 (art. 81 RO), randnummer 3.20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het aanbod tot het horen van de notaris is specifiek gedaan in het kader van de uitleg van de HV, zie randnummers 33. en 75. van het hoger beroepschrift van de man. Het aanbod tot het horen van de vader van de man is specifiek gedaan in het kader van de afgifte van erfstukken, zie randnummers 24. en 75. van het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 2.37 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het sub-subonderdeel merkt hierbij op dat de man de klachten die in subonderdeel D.IV zijn aangedragen eerder in de vorm van een verzoek op grond van art. 31 Rv had ingediend bij het hof. Het hof heeft dit verzoek van de man afgewezen. Omdat op grond van art. 399 Rv geen cassatie open staat tegen deze beschikking, heeft de man zich genoodzaakt gevoeld om deze klachten (ook) in cassatie voor te leggen. Zie ook randnummers 2.39-2.40 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 15) naar productie 14 bij de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019, waarbij zij verwijst naar de aanhef van de rekening en de tegenrekening van de overboeking.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld voor de eerste aanleg randnummer 35. van het verweerschrift echtscheiding tevens zelfstandige verzoeken van de vrouw en randnummer 61. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019. Zie voor het hoger beroep de toelichting bij productie H.12 in de brief van de man aan het hof van 2 september 2021, randnummer 61. van het verweerschrift van tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021 en randnummer 7. van de brief van de vrouw aan het hof van 8 september 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 15) naar randnummer 13., onder c, van de pleitnota van de advocaat van de man (mr. Crans) voor de mondelinge behandeling in hoger beroep van 16 september 2021, productie 17 bij de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019 en productie H.14 bij de brief van de man aan het hof van 2 september 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik vermoed dat hier een bedrag van € 439 wordt bedoeld aangezien dit bedrag wordt genoemd in de stukken waar het sub-subonderdeel verder naar verwijst.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 15) naar onderdeel c van productie H.10 bij de brief van de man aan het hof van 2 september 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een voetnoot voegt de man hier nog aan toe (p. 16 van de procesinleiding) dat hij niet in staat was een bankafschrift met het saldo van de internetspaarrekening op de peildatum te overleggen omdat de ING Bank die niet afgeeft en ook geen mogelijkheid daartoe biedt. Vandaar dat namens de man als productie 17 bij de reactie op verweerschrift echtscheiding van 9 april 2019 een kopie van de betaalrekening op 2 november 2018 is overgelegd met daarachter een print screen van het saldo eind 2018 van de daaraan gekoppelde spaarrekening. Gezien de stelling van de vrouw, heeft de man in hoger beroep het jaaroverzicht 2018 betreffende die rekening met de daaraan gekoppelde internetspaarrekening als productie H.14 overgelegd. Dus op 31 december 2018, krap twee maanden na de peildatum van 2 november 2018, bedroeg het saldo op die betaalrekening met de daaraan gekoppelde internetspaarrekening € 439,69, in plaats van € 22.885 het saldo van bijna een jaar daarvoor (31 december 2017).</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 16) naar ad. 3 van randnummer 54. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019 en productie H.4 (de lijst privégoederen bij de huwelijksvoorwaarden) bij het hoger beroepschrift van de man. Zie in hoger beroep onder meer randnummer 18. van de akte houdende uitlating na enquête van 4 oktober van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 16) naar productie H.4 (de lijst privégoederen bij de huwelijksvoorwaarden) bij het hoger beroepschrift van de man.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook randnummers 3.64-3.65 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 40. van de brief van de vrouw aan de rechtbank van 11 februari 2020.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst hierbij (p. 16) naar ad 3 van randnummer 54. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019 en productie H.4 (de lijst privégoederen bij de huwelijksvoorwaarden) bij het hoger beroepschrift van de man. Zie in hoger beroep onder meer randnummer 18. van de akte houdende uitlating na enquête van de man van 4 oktober 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">De man heeft in randnummer 42. van zijn hoger beroepschrift gesteld dat het saldo op de betaalrekening op de peildatum € 4.897 bedroeg. Hij heeft daarbij echter verwezen naar producties 19 en 56 uit de eerste aanleg. Uit deze stukken blijkt dat het saldo op de peildatum € 4897,96 bedroeg. Afgerond betreft het dus een saldo van € 4.898 en niet € 4.897. In eerste aanleg heeft de man wel het correcte bedrag van € 4898 genoemd als het saldo op de peildatum (zie randnummer 56. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de zelfstandige verzoeken van de vrouw tevens houdende aanvullende verzoeken ex art. 843a Rv van de man van 9 april 2019). Ik ga er dan ook vanuit dat waar de man heeft gesteld dat het saldo op de peildatum van de betaalrekening met nummer [rekeningnummer 7] € 4.897 bedroeg, hij hier kennelijk € 4.898 heeft bedoeld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 39.D. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.16. onder d.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 39.D. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding stelt hierbij in een voetnoot (p. 16) dat in de toelichting onder 1a tot en met 4a telkens staat waar het bankafschrift te vinden is, welke overboeking het betreft en welk bedrag daarmee gemoeid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie de lijst van privégoederen, overgelegd als productie H.4, waarnaar wordt verwezen in randnummers 3. en 28. van het hoger beroepschrift van de man. Zie ook randnummers 18.-19. van de akte houdende uitlating na enquête van de man van 4 oktober 2022.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 58. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de aanvullende verzoeken van de vrouw en tevens houdende aanvullende verzoeken ex artikel 843a Rv van de man van 9 april 2019. In dat overzicht was de “toelichting” en het stuk daaronder niet opgenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Midden-Nederland 18 december 2020, zaaknummers C/16/469751 / FA RK 18-6215 en C/16/475453 /FA RK 19-868 (niet gepubliceerd), rov. 3.16. onder e.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uit productie 32 van de stukken in eerste aanleg aan de zijde van de man blijkt uit het afschrift van Gold Republic hoeveel gram zilver en goud de man met zijn huurinkomsten heeft gekocht en welke waarde die op 2 november 2018 vertegenwoordigden. Verder wordt in dit verband verwezen naar randnummer 59. van de reactie op verweerschrift echtscheiding tevens houdende verweer op de aanvullende verzoeken van de vrouw en tevens houdende aanvullende verzoeken ex artikel 843a Rv van de man van 9 april 2019.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 3.2-3.40 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 4.2-4.3 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweerschrift verwijst hierbij (p. 11) naar grief 7 van de man, waar de man heeft erkend dat de 750 munten die door de rechtbank in de verrekening zijn betrokken, zijn gekocht met huurinkomsten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 3.73-3.74 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389, NJ 2023/15 m.nt. L.C.A. Verstappen en Ars Aequi 2022, p. 903 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, rov. 3.2.2-3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel geeft niet aan welke stelling van de vrouw hier wordt bedoeld. Aangezien het onderdeel gericht is tegen rov. 2.18 van de bestreden eindbeschikking, neem ik aan dat het de stelling betreft dat enig bedrag voor de hypotheekaflossingen moet worden betrokken bij het te verrekenen vermogen van de man (op grond van artikel 8 lid 1 in verband met artikel 10 HV).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweerschrift verwijst hierbij (p. 12) naar randnummers 54., 55. en 57. tot en met 59. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389, NJ 2023/15 m.nt. L.C.A. Verstappen en Ars Aequi 2022, p. 903 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, rov. 3.2.2-3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">In een voetnoot heeft Uw Raad hier verwezen naar Kamerstukken II 2000/01, 27554, nr. 3, p. 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 2.35 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 4.6 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 26 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voetnoot 27 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 54.-59. van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel tevens houdende gewijzigd verzoek en voorwaardelijk gewijzigd verzoek van de vrouw van 3 mei 2021. De vrouw heeft daarbij verwezen naar hof ‘s-Hertogenbosch 13 november 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BY3854 en Rb. Amsterdam 14 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:754.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 4.9-4.10 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1389, NJ 2023/15 m.nt. L.C.A. Verstappen en Ars Aequi 2022, p. 903 e.v. m.nt. A.J.M. Nuytinck, rov. 3.2.2-3.2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft € 214,90 in aanmerking genomen als te verrekenen vermogen van bankrekening A, terwijl dit, zie randnummers 3.60-3.62 hiervoor, € 128,94 had moeten zijn. Daarom moet op het totale bedrag van het te verrekenen vermogen van de man € 214,90 -/- € 128,94 = € 85,96 in mindering worden gebracht.</p></div>", "next": 0}