{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Het subonderdeel faalt. Noch het subonderdeel, noch de vindplaatsen in de gedingstukken waarnaar het verwijst, tonen aan dat (i) daadwerkelijk sprake is van meerdere (maandelijkse) facturen die (ii) [verweerder 1] ook onder ogen heeft gezien. Dit valt niet zonder meer af te leiden uit het overzicht van het saldo per 15 juli 2010. Ook heb ik uit de vindplaatsen waarnaar [eisers] in cassatie verwijzen niet kunnen afleiden dat [verweerders] wisten dat in het boekjaar 2007/2008 een korting was verleend van € 369.000,-- in plaats van de € 92.969,-- waarvan het hof uitgaat. Bovendien zie ik niet in hoe het eventuele bestaan van meerdere facturen (in plaats van slechts de ene factuur van 23 oktober 2008 waarnaar het hof verwijst) en een korting over 2007/2008 van € 369.000,-- (in plaats van de € 92.969 waarvan het hof uitgaat) afbreuk doet aan het oordeel in r.o. 3.35 dat [verweerder 1] niet zonder meer hoefde te vermoeden dat achter de kortingsafspraak nog een niet bekende overeenkomst schuil ging, gelet op de vragen die [verweerder 1] stelde en de antwoorden van [betrokkene 4] daarop. Het subonderdeel verzuimt aan te tonen waarom dit anders zou zijn indien [verweerder 1] kennis had genomen van (maandelijkse) facturen en het hogere kortingsbedrag van € 369.000,--.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.63 Slotsom is dat onderdeel 5 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten over het oordeel met betrekking tot het causaal verband tussen de normschending en de door [eisers] geleden schade (r.o. 3.37 t/m 3.39) 4.64 Het oordeel van het hof over het (niet vaststaan van) causaal verband tussen de normschending van [verweerders] en de door [eiseres 1] geleden schade wordt bestreden door de onderdelen 1a, 6 en 7. Ik geef hierna eerst de klachten in de (sub)onderdelen bondig weer. Daarna bespreek ik de klachten in de volgorde van de rechtsoverwegingen waartegen zij zijn gericht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.65 Onderdeel 1a komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het hof in r.o. 3.38 dat uit de stellingen van [eisers] niet blijkt dat de besproken leningen en de waardes daarvan van doorslaggevende betekenis waren voor haar aankoopbeslissing. Volgens het onderdeel kan uit de stellingen van [eisers] in hun memorie van grieven niet anders volgen dan dat die doorslaggevende betekenis daaruit wél blijkt. Het subonderdeel somt vervolgens ter onderbouwing elf passages uit de memorie van grieven op. Gelet op die stellingen zou ook het oordeel in r.o. 3.39 dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat zij van de koop van de aandelen in Eko Blok zouden hebben afgezien als [verweerders] een juiste waardering van de buitenlandse leningen in de door hen gecontroleerde jaarrekeningen zouden hebben opgenomen. Tot slot zou het hof met zijn oordeel in r.o. 3.38 (voorlaatste volzin), dat niet blijkt dat de buitenlandse activiteiten een (grote) rol speelden, niet hebben onderkend dat het niet ging om de activiteiten, maar om de (foute) waarderingen op de balans waardoor een te rooskleurig beeld van het vermogen ontstond, aldus nog steeds het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.66 Onderdeel 6 is gericht tegen r.o. 3.37 en 3.38, en valt uiteen in vier subonderdelen. Subonderdeel 6.1 stelt dat het oordeel van het hof in r.o. 3.37 (laatste volzin) dat het antwoord op de vraag wat er zou zijn gebeurd als [verweerders] wel een gedegen controle van de leningen zouden hebben uitgevoerd (mede) afhankelijk zou zijn van het antwoord op de vraag wat de waarde van de leningen zou zijn geweest, onjuist en/of onbegrijpelijk is. Ter onderbouwing stelt het subonderdeel, met verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken, dat vaststaat dat er een zeer aanzienlijk materieel verschil was tussen de in de jaarrekeningen opgenomen waarde van de leningen en de werkelijke waarde. Daarom stelt het subonderdeel, met verwijzing naar de stellingen in onderdeel 1a, is het aannemelijk dat [eisers] destijds een andere beslissing zouden hebben genomen, indien zij waren uitgegaan van een juist financieel beeld van de vennootschappen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Subonderdeel 6.2 stelt dat het, anders dan het hof (kennelijk) oordeelde in r.o. 3.38, niet op de weg lag van [eisers] om te stellen welke waarde van de leningen juist was. Dit was nu juist de taak van [verweerder 1] , zo stelt het subonderdeel. Subonderdeel 6.3 richt zich tegen het oordeel in r.o. 3.38 dat uit de stellingen van [eisers] niet blijkt dat de besproken leningen en de waardes daarvan van doorslaggevende betekenis waren voor hun aankoopbeslissing. Volgens het subonderdeel gaat dit oordeel uit van een onjuiste rechtsopvatting of is het onbegrijpelijk. Het oordeel is onjuist, volgens het subonderdeel, voor zover het uitgaat van de maatstaf dat het (naar ik begrijp: de besproken leningen en de waardes) van doorslaggevende betekenis zou moeten zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voldoende is, volgens het subonderdeel, dat aannemelijk is dat [eisers] bij een getrouw beeld van de cijfers een andere afweging hadden gemaakt en in elk geval onder ogen hadden kunnen zien dat de mogelijkheden van nieuwe kredietverstrekking aanzienlijk beperkt of zelfs uitgesloten waren. Subonderdeel 6.4 stelt dat, anders dan het hof oordeelt in r.o. 3.38, van geen enkel belang is of [eisers] belangstelling hadden voor de buitenlandse activiteiten. De vermogenspositie van de vennootschappen was mede grondslag voor de beslissing om te investeren. [eisers] hebben gesteld dat voor hen van wezenlijk belang was dat de waarderingen in de jaarrekening zouden kloppen. In dit verband verwijst het subonderdeel ook naar onderdeel 1a.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.67 Onderdeel 7 richt zich deels op de overwegingen van het hof over causaal verband in r.o. 3.39 en deels op de overwegingen omtrent eigen schuld in r.o. 3.41 t/m 3.45. Hier behandel ik onderdeel 7 voor zover het is gericht tegen r.o. 3.39. In dit verband stelt het onderdeel, onder verwijzing naar de vindplaatsen bij de vooropstelling en onderdeel 1a, dat het oordeel van het hof in r.o. 3.39 dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat zij van de koop van de aandelen in Eko Blok zouden hebben afgezien als [verweerders] een juiste waardering van de buitenlandse leningen in de door hen gecontroleerde jaarrekeningen zouden hebben opgenomen, in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.68 Bij de bespreking van deze (sub)onderdelen stel ik het volgende voorop.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.69 Ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv rust bij toepassing van art. 6:162 BW in beginsel op de benadeelde partij de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast van het causaal verband (ook wel: het condicio sine qua non-verband of csqn-verband) tussen normschending en schade. Het bedoelde causaal verband is afwezig indien, de normschending wegdenkend, de gestelde schade alsnog was ontstaan. Anders gezegd: er dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de feitelijke situatie na de normschending en de hypothetische situatie waarin de normschending achterwege was gebleven. Bij het vaststellen van de hypothetische situatie gaat het om de vaststelling van wat feitelijk zou zijn gebeurd zonder de normschending. Voor die hypothetische situatie dient niet te worden uitgegaan van de norm van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot, maar hetgeen feitelijk zou hebben plaatsgevonden, zij het dat daarbij wel uitgangspunt moet zijn dat geen normschending zou hebben plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.70 Beslissingen van de feitenrechter over de aan- of afwezigheid van causaal verband tussen normschending en de schade van de gelaedeerde zijn van feitelijke aard en kunnen in cassatie slechts met een motiveringsklacht worden bestreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.71 Wat betekent het voorgaande voor deze zaak? Mijns inziens dient het causaal verband tussen normschending en schade als volgt te worden vastgesteld. De door het hof aangenomen normschending in dit geval behelst dat [verweerders] hun zorgplicht jegens [eisers] hebben geschonden omdat zij, bij de uitoefening van hun wettelijke plicht als externe controlerende accountant, een onvoldoende gedegen controle hebben uitgevoerd op de (waardes van) de leningen in de (geconsolideerde) jaarrekeningen 2005/2006 en 2006/2007. Wat was er, die normschending weggedacht, gebeurd? Tegen welke waardes hadden de leningen dan in de boeken gestaan? Hadden [eisers] in het licht van die waardes (tevens inhoudende dat Eko Blok en Carbo een andere vermogenspositie hadden) een andere aankoopbeslissing genomen, zodat de door hen gestelde schade niet was ontstaan?</p>\n<p class=\"lf-p\">4.72 Deze gedachtegang lees ik terug in r.o. 3.37 (slot). Het hof stelt daar de vraag: “Wat zou die waarde [van de leningen, A-G] dan zijn geweest?” Die vraag is mijns inziens terecht, omdat, zoals gezegd, pas als vaststaat voor welke waardes de leningen in de jaarrekeningen zouden staan zonder normschending, vastgesteld kan worden of [eisers] een andere aankoopbeslissing hadden genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.73 Gelet op het voorgaande dient subonderdeel 6.1 te falen. De stelling van dit subonderdeel dat er een zeer aanzienlijk materieel verschil was tussen de waardes in de jaarrekening en de werkelijke waarde en dat reeds daarom aannemelijk is dat [eisers] destijds een andere beslissing zouden hebben genomen doet geen afbreuk aan de noodzaak van het stellen van de vraag wat, de normschending wegdenkend, de waardes zouden zijn geweest teneinde te onderzoeken of er een causaal verband is, zoals ik hiervoor toelichtte. Dat vast zou staan dat sprake is van een ‘zeer aanzienlijk materieel verschil’ tussen de in de jaarrekeningen opgenomen waarde en de werkelijke waarde is in dat verband onnauwkeurig en dus onvoldoende. Daar komt bij dat uit de vindplaatsen waarnaar het subonderdeel verwijst niet blijkt dat sprake is van een ‘zeer aanzienlijk materieel verschil’ (voetnoot 75 van de procesinleiding). De verwijzingen naar het eindvonnis van de rechtbank (r.o. 2.26 en 5.10) zien immers op een weergave van de stellingen van [eisers] zelf. De verwijzing naar grief IV wijst erop dat de tuchtrechter heeft geoordeeld dat de leningen zwaar zijn overgewaardeerd in de jaarrekeningen. Dit laat onverlet, zoals het hof ook overweegt in r.o. 3.22, dat de tuchtrechters zich er niet over hebben uitgelaten wat de werkelijke waardes van de leningen precies waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.74 Het hof vervolgt in r.o. 3.38 dat – kort gezegd – [eisers] niet duidelijk maken voor welke waardes de leningen in de jaarrekeningen zouden moeten zijn opgenomen, waardoor het moeilijk is vast te stellen dat [eisers] bij een juiste vermelding van de waardes niet waren overgegaan tot de koop van de aandelen. Ik begrijp subonderdeel 6.2 zo dat het beoogt over dit oordeel te klagen. Ook deze klacht faalt, omdat, zoals hiervoor besproken, het in dit geval op de weg van [eisers] als benadeelde ligt om, in het kader van het causaal verband, te stellen wat de waardes in de jaarrekeningen zouden zijn geweest in de hypothetische situatie zonder normschending. Anders dan het subonderdeel betoogt, konden [eisers] niet volstaan met te stellen dat de in de jaarrekeningen opgenomen waarden onjuist waren en geen goed beeld gaven en dat [eisers] daardoor zijn misleid. Dat zijn immers stellingen die zien op het vaststellen van de normschending en niet op het causaal verband. De stelling van subonderdeel 6.2 dat [eisers] hebben gesteld dat de deelnemingen een beperkte opbrengst hebben gegeven en de vorderingen niks hebben opgebracht doet evenmin afbreuk aan het oordeel van het hof, omdat die stellingen niet zien op wat de waardes in de jaarrekeningen zouden zijn zonder normschendingen, en (dus) niks zeggen over het causaal verband.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.75 Het hof vervolgt in r.o. 3.38 met de volgende overweging met betrekking tot het causaal verband: “Daarbij komt dat uit de stellingen van [eisers] niet blijkt dat de besproken leningen en de waardes daarvan van doorslaggevende betekenis waren voor hun aankoopbeslissing.” Over deze overweging klagen de (sub)onderdelen 1a. en 6.3. Ik vang aan met een bespreking van het laatstgenoemde.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.76 Subonderdeel 6.3 stelt dat deze overweging getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. Ik volg het subonderdeel niet. Uit het gebruik van de bewoordingen ‘van doorslaggevende betekenis’ volgt niet dat het hof een onjuiste (c.q. een te veeleisende) maatstaf heeft gehanteerd bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een causaal verband. Deze overweging moet gelezen worden in het licht van r.o. 3.39 waarin het hof – kort gezegd – oordeelt dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld om causaal verband aan te nemen. In dat verband heeft het hof in de hier bestreden overweging geoordeeld dat uit de stellingen van [eisers] volgt dat het bij de aankoopbeslissing niet draaide om de (waardes van) leningen, maar om de zakelijke mogelijkheid om in het laagseizoen een voorraad houtskool aan te leggen en deze in het hoogseizoen rechtstreeks te leveren aan winkels.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hieruit volgt niet dat een onjuiste maatstaf is gehanteerd, maar veeleer dat het hof uit de stellingen van [eisers] afleidt dat zij, ook bij een juiste weergave van de waardes van de leningen, dezelfde aankoopbeslissing hadden genomen gelet op de zakelijke mogelijkheden die Eko Blok en Carbo boden. Dit oordeel is mijns inziens evenmin onbegrijpelijk. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof blijkt dat inderdaad verklaard is dat de aankoopbeslissing met name was gebaseerd op de zojuist beschreven zakelijke overwegingen en dat destijds, zoals het hof ook overweegt in r.o. 3.38, slot, geen vragen zijn gesteld over de leningen. Subonderdeel 6.3 faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.77 Onderdeel 1a, vervolgens, formuleert de motiveringsklacht – kort gezegd – dat, gelet op de stellingen in de gedingstukken, onbegrijpelijk is dat het hof oordeelde dat uit de stellingen van [eisers] niet zou blijken dat de besproken leningen en de waardes daarvan van doorslaggevende betekenis waren voor hun aankoopbeslissing. De elf stellingen (i) t/m (xi) waarnaar het onderdeel verwijst, betogen – samengevat – dat een gezonde vermogenspositie van Eko Blok en Carbo van groot belang was voor het aantrekken van nieuw bankkrediet, hetgeen op zijn beurt noodzakelijk was voor de continuïteit van de onderneming in de periode na de aankoop door [eisers] verlieten zich in zoverre op de jaarrekening 2007/2008, welke jaarrekening een te rooskleurig beeld van de vermogenspositie schetste.</p>\n<p class=\"lf-p\">Als [eisers] dit wisten, hadden zij nooit de aandelen gekocht, omdat het aantrekken van nieuw bankkrediet onmogelijk zou zijn, aldus de stellingen waarnaar het onderdeel verwijst. [eisers] gaan er echter aan voorbij dat deze stellingen zien op de informatie in de conceptjaarrekening 2007/2008, waarop [eisers] zich (kennelijk) voornamelijk hebben verlaten bij de aankoopbeslissing. Wat betreft deze jaarrekening had het hof nu juist geen aansprakelijkheid vastgesteld (r.o. 3.23). Daarnaast zien de stellingen over een ‘te rooskleurig’ beeld op alle door [eisers] gestelde fouten (dus ook de Rheinbraun-vordering en de renteswap, of alleen de Rheinbraun-vordering, zie stelling (viii)), en niet specifiek op de waardes van de leningen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Gelet hierop is het bestreden oordeel dat niet uit de stellingen van [eisers] volgt dat de waardes van de leningen van doorslaggevend belang waren niet onbegrijpelijk. Ook in dit verband acht ik van belang dat het hof in dit verband verder overwoog dat uit verklaringen van [eiseres 1] en [belastingadviseur] tijdens de mondelinge behandeling juist bleek dat andere zakelijke overwegingen ten grondslag lagen aan de beslissing tot aankoop, namelijk – kort gezegd – het plan om in het laagseizoen in Nederland houtskool te produceren. Onderdeel 1a faalt voor zover het klaagt over r.o. 3.38.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.78 Het hof rondt zijn oordeel omtrent het causaal verband af in r.o. 3.39 met de volgende overweging: “In het licht van wat hiervoor is overwogen is de conclusie dat [eisers] onvoldoende hebben gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat zij van de koop van de aandelen in Eko Blok zouden hebben afgezien als [verweerders] een juiste waardering van de buitenlandse leningen in de door hen gecontroleerde jaarrekeningen zouden hebben opgenomen. Dit leidt ertoe dat het hof ervan uitgaat dat het causale verband tussen het onzorgvuldig handelen van [verweerders] en de aankoopbeslissing ontbreekt, wat leidt tot afwijzing van de door [eisers] ingestelde vorderingen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.79 Tegen dit oordeel zijn de onderdelen 1a. en (deels) 7 gericht. Bij de bespreking van deze onderdelen stel ik voorop dat, zoals gezegd, op [eisers] als benadeelde partij de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast rust van het causaal verband tussen de normschending en de schade waarvan zij vergoeding vorderen. Het oordeel of een partij al dan niet voldoet aan de op haar in het gegeven geval rustende stel- en motiveringsplicht is van feitelijke aard en kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. In cassatie kan hierover slechts worden geklaagd met betrekking tot de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Wat in een concreet geval van een partij kan worden verlangd, hangt af van de ontwikkeling van het partijdebat. Bewijslevering komt naar vaste rechtspraak pas in zicht nadat een partij heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.80 Tegen deze achtergrond meen ik dat onderdeel 1a dient te falen. In dit verband gaat het om de vaststelling van het causaal verband tussen de schade en – kort gezegd – de niet gedegen controle op de leningen. In dat verband heeft het hof – op begrijpelijke gronden, zoals eerder besproken – verlangd van [eisers] dat zij voldoende onderbouwen tegen welke waardes de leningen in de jaarrekeningen 2005/2006 en 2006/2007 zouden zijn opgenomen in de hypothetische situatie zonder normschending. Uit de stellingen in de gedingstukken waarnaar onderdeel 1a verwijst volgt niet dat [eisers] op enig moment hebben gesteld voor welke waardes de leningen in de jaarrekeningen zouden zijn geboekt zonder normschending. In hun repliek verwijzen [eisers] verder naar een overzicht op basis van het bij het CBb ingediende verweerschrift van o.m. [eisers] Dit overzicht lijkt te vermelden tegen welke waardes de leningen hadden moeten worden geboekt, zonder normschending. Dit overzicht ziet echter op de jaarrekening 2007/2008. Voor de fouten daarin heeft het hof, zoals eerder gezegd, echter geen aansprakelijkheid vastgesteld (zie r.o. 3.23).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.81 Gelet op het voorgaande hebben [eisers] de hypothetische situatie zonder normschending onvoldoende handen en voeten gegeven om causaal verband vast te stellen. Het oordeel van het hof is dan ook niet onbegrijpelijk. Onderdeel 1a faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.82 De klacht in onderdeel 7, voor zover het is gericht tegen r.o. 3.39, is een herhaling van onderdeel 1a. Het onderdeel verwijst ter onderbouwing in voetnoot 82 ook naar de vindplaatsen in de gedingstukken in onderdeel 1a. In zoverre bouwt onderdeel 7 voort op de in onderdeel 1a ontwikkelde klachten en opent geen nieuwe gezichtspunten. Onderdeel 7 kan in zoverre niet tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten over het oordeel over eigen schuld (r.o. 3.41 t/m 3.46) 4.83 In r.o. 3.40 t/m 3.46 komt het hof tot het oordeel dat [eisers] het grootste deel van de schuld treft en de billijkheid als bedoeld in art. 6:101 BW met zich brengt dat de eventuele vergoedingsplicht van [verweerders] volledig vervalt. De hiertegen geformuleerde klachten behandel ik ten overvloede, aangezien de overwegingen van het hof met betrekking tot (het ontbreken van) causaal verband in stand kunnen blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.84 Art. 6:101 BW bepaalt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Deze regel leidt tot een afweging van de wederzijdse causaliteit. Van de uitkomst van toepassing van deze afweging kan worden afgeweken, zodat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (de zogeheten billijkheidscorrectie). Het is vaste rechtspraak dat de stelplicht en bewijslast van de feiten die zouden moeten leiden tot een vermindering van de vergoedingsplicht rusten op de aangesprokene.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.85 Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de rechter in de motivering van zijn oordeel over de vermindering van de vergoedingsplicht voldoende duidelijk tot uitdrukking dient te brengen dat hij de door art. 6:101 lid 1 BW voorgeschreven causaliteitsafweging heeft verricht en of, en zo ja in hoeverre, hij de in die bepaling bedoelde billijkheidscorrectie heeft toegepast. In dat laatste verband dient de rechter weer te geven op welke wijze hij de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten en de overige omstandigheden van het geval in zijn oordeelsvorming heeft betrokken. Of de gegeven motivering voldoende inzichtelijk is, hangt mede af van hetgeen partijen in dit verband hebben aangevoerd. Verder geldt dat zowel de causaliteitsafweging als de eventuele toepassing van de billijkheidscorrectie is verweven met waarderingen van feitelijke aard en in belangrijke mate berust op intuïtieve inzichten, zodat aan de desbetreffende oordelen slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zodoende geldt zowel voor de afweging van de wederzijdse causaliteit als voor de eventuele toepassing van de billijkheidscorrectie dat de oordelen daarover in hoge mate van feitelijke aard zijn en in cassatie slechts met een motiveringsklacht bestreden kunnen worden. Uitzondering hierop vormen algemene regels voor de wijze van schadeverdeling voor een bepaald typen gevallen, maar dat is in deze zaak niet aan de orde. Wel toetsbaar in cassatie is de vraag of een bepaalde omstandigheid voor toerekening in aanmerking komt en naar welke maatstaven deze toerekening geschiedt. Dit zijn immers in beginsel rechtsvragen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.86 Aldus dient bij de toepassing van art. 6:101 BW de zojuist beschreven causaliteitsafweging te worden gehanteerd, waarop een billijkheidscorrectie kan volgen. De feitenrechter zal deze twee stappen duidelijk van elkaar moeten onderscheiden. Ook zal hij geen factoren die thuishoren bij de billijkheidscorrectie, zoals de verwijtbaarheid van de gedragingen van de gelaedeerde, mogen toepassen bij de causaliteitsafweging. De feitenrechter kan evenwel de causaliteitsafweging achterwege laten en volstaan met de billijkheidscorrectie, indien hij aan de hand van billijkheidscorrectie tot het oordeel komt dat de vergoedingsplicht geheel vervalt dan wel in stand blijft.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.87 Tegen deze achtergrond bespreek ik de klachten van [eisers] tegen het oordeel van het hof over eigen schuld. Hierbij hanteer ik als volgorde van bespreking opnieuw die van de bestreden rechtsoverwegingen en bespreek ik de (sub)onderdelen voor zover ze gericht zijn tegen de betreffende rechtsoverweging.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.88 De aanhef van onderdeel 7 formuleert tegen r.o. 3.41 de klacht dat, anders dan het hof in r.o. 3.41 kennelijk zonder meer veronderstelt, [eisers] niet afgingen op verouderde informatie. [eisers] hebben uitdrukkelijk en gemotiveerd gesteld dat en waarom zij direct waren afgehaakt als [verweerder 1] in de nazomer van 2009 zijn werk goed gedaan had. Daarom is de veronderstelling in r.o. 3.41 onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd, aldus het onderdeel. Het onderdeel werkt dit punt verder uit in subonderdelen a. t/m d.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.89 Subonderdeel 7a. is kennelijk gericht tegen r.o. 3.40 t/m 3.45. Het stelt onder meer dat ontoelaatbaar onduidelijk is welke feiten het hof in r.o. 3.40 op het oog heeft. Ik volg [eisers] hier niet, aangezien r.o. 3.40 vermeldt dat de relevante feiten en omstandigheden in het vervolg van het arrest aan de orde komen. Verder stelt het subonderdeel de onderzoeksplicht van [eisers] aan de orde. In dit verband stelt het subonderdeel dat onjuist is dat op [eisers] een onderzoeksplicht rust (waarmee het subonderdeel tevens bezwaar maakt tegen r.o. 3.12, zie voetnoot 85 van de procesinleiding), althans dat de onderzoeksplicht niet de jaarcijfers betreft, omdat zij mochten uitgaan van de juistheid daarvan.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook in dit verband volg ik het subonderdeel niet. Het oordeel van het hof dat op [eisers] als koper een onderzoeksplicht rust (r.o. 3.12 en 3.41) is op zichzelf goed te volgen. Of op een koper een onderzoeksplicht rust hangt immers af van alle omstandigheden van het geval, waarbij onder meer betekenis kan toekomen aan de deskundigheid van de koper, zoals ook het hof in deze zaak in aanmerking nam. Een eventuele op de koper rustende onderzoeksplicht kan ook in aanmerking worden genomen bij de beoordeling in het kader van art. 6:101 BW. Daar komt bij dat, anders dan waar het subonderdeel van uitgaat, het hof niet oordeelt dat op [eisers] in het bijzonder een onderzoeksplicht rustte met betrekking tot de jaarcijfers, maar in algemene zin naar de wezenlijke kenmerken van de over te nemen aandelen in de daaraan verbonden onderneming (zie r.o. 3.41).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.90 Verder stelt het subonderdeel – onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken – dat [eisers] uitvoerig hebben gesteld dat zij onderzoek hebben gedaan en dat dit onderzoek een bevredigend resultaat opleverde. Uitgaande van de hun bekende jaarcijfers, mochten [eisers] uitgaan van continuïteit en levensvatbaarheid van de onderneming. Het hof heeft voorts over het hoofd gezien dat in het due diligence-rapport van [betrokkene 7] (naar ik begrijp: het due diligence-rapport dat is opgesteld in opdracht van BlueCap) ook wordt uitgegaan van de door een accountant gecontroleerde jaarcijfers, zodat in dit opzicht niet meer informatie was verkregen. Het hof miskent dat [eisers] destijds niet over het rapport beschikten, aldus het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik begrijp deze klachten als een motiveringsklacht tegen r.o. 3.41 t/m 3.45. Deze klachten treffen evenwel geen doel. Het hof heeft zijn oordeel dat [eisers] de aankoopbeslissing ‘zonder al te veel onderzoek’ hebben genomen mijns inziens voldoende inzichtelijk gemaakt, zodat het niet onbegrijpelijk is. Het hof overweegt immers – samengevat – dat [eisers] zich met name baseerden op de oude jaarrekeningen 2005/2006 en 2006/2007 en de conceptjaarrekening 2007/2008, terwijl er ook andere informatie voorhanden was, meer in het bijzonder het due diligence-rapport van BlueCap. De bekendheid van [eisers] met dat rapport en het belang daarvan voor het onderzoek door [eisers] hebben [verweerders] ook aangevoerd in het kader van hun verweer op de voet van art. 6:101 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vaststaat dat [eisers] destijds niet naar dat document hebben gevraagd. De stelling van het subonderdeel dat uit dit rapport niet meer informatie was verkregen is gelet op de weigerachtigheid van [eisers] om dit rapport in het geding te brengen (waarover meer hierna onder 4.93 e.v.) onmogelijk te beoordelen. De stelling dat niet zou vaststaan dat [eisers] destijds over het rapport zouden hebben beschikt gaat eraan voorbij dat voor het oordeel van het hof relevant is dat [eisers] wisten dat het rapport bestond en er vóór de aankoopbeslissing naar hadden kunnen vragen. Verder overweegt het hof in r.o. 3.45 dat er nog meer rode vlaggen waren die – kort gezegd – [eisers] op het spoor hadden moeten brengen van nader onderzoek, in het bijzonder de getroebleerde relatie met de Rabobank.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit laatste hebben [verweerders] ook (bondig) naar voren gebracht. In plaats van nader onderzoek zijn [eisers] na een bezoek van drie dagen bij Eko Blok en Carbo en het bekijken van genoemde cijfers tot koop overgegaan (r.o. 3.45), zoals ook [verweerders] aanvoerden. Gelet op deze overwegingen en het feit dat zij aansluiten bij stellingen van [verweerders] in de gedingstukken, doet subonderdeel 7a. geen afbreuk aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Dit subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.91 In r.o. 3.42 gaat het hof in op de stelling van [eisers] dat het rapport van BlueCap van geen waarde was voor het nemen van de aankoopbeslissing. Tegen het oordeel in r.o. 3.42 dat het hof [eisers] hierin niet volgt zijn onderdeel 10 en de laatste zin in subonderdeel 7c. gericht. Voordat ik de klachten bespreek, geef ik weer hoe ik de gedachtegang van het hof in r.o. 3.42 begrijp.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.92 Het hof overweegt dat [verweerders] hebben gesteld dat het due diligence-rapport van BlueCap informatie bevat die van belang is (of kan zijn geweest) voor de aankoopbeslissing van [eisers] In ieder geval om die reden hebben [verweerders] in het exhibitie-incident in eerste aanleg afschrift van dit rapport gevorderd. Dit heeft de rechtbank evenwel afgewezen, onder meer omdat [eisers] verklaarden niet over dit rapport te beschikken. In hoger beroep verklaarden [eisers] evenwel dat zij reeds in oktober 2009 (ettelijke jaren voor genoemd exhibitie-incident) over het rapport beschikten. Op basis hiervan overweegt het hof dat (i) [eisers] in eerste aanleg handelden in strijd met het bepaalde in art. 21 Rv en (ii) mocht dit op een misverstand berusten, het dan voor de hand had gelegen dat [eisers] het rapport van BlueCap (waarover zij kennelijk beschikken) alsnog in hoger beroep in het geding hadden gebracht, zodat zij hun stelling dat het rapport van geen waarde zou zijn geweest voor het nemen van hun aankoopbeslissing konden onderbouwen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aan dit nalaten verbindt het hof een aantal consequenties in r.o. 3.42. Het hof neemt als uitgangspunt dat de door [eisers] gestelde gaten in de balans van Eko Blok en Carbo aan het licht zouden zijn gekomen als zij de inhoud van het rapport bij haar aankoopbeslissing zouden hebben betrokken. Vervolgens overweegt het hof dat de stelling van [eisers] dat BlueCap niet afhaakte vanwege dit rapport maar vanwege het afhaken van een (mede)financier geen afbreuk doet aan genoemd uitgangspunt, omdat het ook kan zijn dat BlueCap met een rapport waarin staat dat met betrekking tot de leningen de goedgekeurde jaarrekeningen een te rooskleurig beeld schetsen geïnteresseerd bleef in aankoop van de aandelen, maar alsnog alles stopzette vanwege de afhakende (mede)financier.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.93 Onderdeel 10 stelt dat onjuist en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is dat het hof als uitgangspunt neemt dat de door [eisers] gestelde gaten in de balans van Eko Blok en Carbo aan het licht zouden zijn gekomen als zij de inhoud van het due diligence-rapport bij hun investeringsbeslissing zouden hebben betrokken. Ter nadere onderbouwing voert het onderdeel een negental – hoofdzakelijk feitelijke – stellingen (a. t/m i.) aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.94 Bij de bespreking hiervan stel ik voorop dat ik de hier bestreden overweging lees als een ‘geraden gevolgtrekking’ als gevolg van de voortdurende weigerachtigheid van [eisers] om het due diligence-rapport van BlueCap – ondanks het belang hiervan gelet op het partijdebat, zoals hiervoor besproken – in het geding te brengen. Met partijen ben ik het eens dat het hier een toepassing betreft van art. 21 Rv waaruit de plicht volgt voor procespartijen om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, meer in het bijzonder de hieruit voortvloeiende plicht voor een procespartij om de stukken over te leggen waaruit de juistheid van een bepaalde stelling volgt (vgl. art. 85 lid 1 en 87 lid 6 Rv). Van een procespartij die een beroep doet op een document waarover zij beschikt, mag worden verlangd dat zij dit eigener beweging in het geding brengt, zo volgt ook uit rechtspraak van de Hoge Raad.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.95 Als een procespartij art. 21 Rv schendt zijn er uiteenlopende gevolgtrekkingen – ook wel aangeduid als ‘sancties’ – denkbaar. Het staat de rechter vrij om al dan niet gevolgen te verbinden aan een schending van art. 21 Rv. Het door het hof gehanteerde uitgangspunt in r.o. 3.42 dat de door [eisers] gestelde gaten in de balans van Eko Blok en Carbo aan het licht zouden zijn gekomen als zij de inhoud van het due diligence-rapport van BlueCap bij hun investeringsbeslissing zouden hebben betrokken, begrijp ik als de ‘geraden gevolgtrekking’ die het hof passend achtte gelet op de weigerachtigheid van [eisers] om dit rapport in het geding te brengen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.96 Voor de toetsing van deze ‘sanctie’ in cassatie is in de eerste plaats van belang dat uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het antwoord op de vraag of partijen hebben voldaan aan de verplichting als bedoeld in art. 21 Rv, berust op een aan de rechter die over de feiten oordeelt voorbehouden uitleg van de gedingstukken en op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op juistheid kunnen worden onderzocht. De rechter mag ambtshalve oordelen dat een van partijen of beide partijen in strijd heeft dan wel hebben gehandeld met hun in art. 21 Rv bedoelde verplichting en daaraan, ook zonder dat partijen daarover specifiek hebben gedebatteerd, gevolgen verbinden die in overeenstemming dienen te zijn met de aard en de ernst van deze schending van de desbetreffende verplichting.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitoefening van de bevoegdheid om een gevolgtrekking te verbinden aan een schending van art. 21 Rv kan in cassatie dan ook slechts op begrijpelijkheid worden onderzocht. Verder geldt dat de toepassing van een geraden gevolgtrekking op de voet van art. 21 Rv, zoals gezegd, een discretionaire bevoegdheid van de rechter betreft. De rechter heeft in algemene zin een ruime marge bij de toepassing van discretionaire bevoegdheden. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat bij de toepassing van art. 21 Rv de beslissing ten minste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht biedt in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: ook de hogere rechter – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het voordeel van deze open norm is dat de rechter de aard en de zwaarte van de gevolgtrekking kan afstemmen op de geschonden norm en de aard en ernst van de schending.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.97 Bezien tegen deze achtergrond faalt onderdeel 10. Ik onderbouw dit nader aan de hand van de stellingen die het onderdeel aanvoert. Stelling a. gaat eraan voorbij dat voor de geraden gevolgtrekking van het hof niet van belang is dat [eisers] ten tijde van hun aankoopbeslissing (nog) niet beschikten over het due diligence-rapport. Waar het hier om gaat, is dat [eisers] ten tijde van de aankoopbeslissing wel wisten dat BlueCap een due diligence-onderzoek had laten uitvoeren, maar nooit naar het rapport hebben gevraagd (r.o. 3.41). [verweerders] hebben gewezen op deze gang van zaken en hebben gesteld dat dit stuk van belang had kunnen zijn voor de aankoopbeslissing (zie r.o. 3.42 en MvA, onder 4.83 en 4.84).</p>\n<p class=\"lf-p\">Daar komt bij dat niet vast is komen te staan dat het rapport vanwege vertrouwelijkheid werd afgeschermd van [eisers] Stelling a. kan dan ook geen afbreuk doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Stellingen b. t/m e. trachten, gelet op stelling f., met feitelijke stellingen in de gedingstukken aan te tonen dat het door het hof aan art. 21 Rv ontleende vermoeden in strijd is met ten processe vaststaande en aan het hof bekende feiten. De daar genoemde stellingen doen mijns inziens evenwel geen afbreuk aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof (zoals weergegeven hiervoor onder 4.92), omdat zij er niet in slagen alsnog een sluitende verklaring te bieden voor het niet overleggen van het due diligence-rapport.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stelling g., vervolgens, gaat eraan voorbij dat [verweerders] wel degelijk stelden dat het rapport voor het nemen van de aankoopbeslissing van [eisers] van belang was (of kan zijn) geweest (zie r.o. 3.42 en MvA, randnummers 4.83 en 4.84). Verder gaat stelling g. eraan voorbij dat van [verweerders] , bij de voortdurende weigerachtigheid van [eisers] om dit stuk in het geding te brengen, niet verwacht kan worden aannemelijk te maken dat het rapport de gaten in de balans aan het licht zou hebben gebracht. Stelling h. gaat uit van de onjuiste opvatting dat een procespartij niet gehouden is gegevens in het geding te brengen als zij zelf van oordeel is dat het betreffende stuk niet van belang is.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals hiervoor uitgebreid is besproken, kent art. 21 Rv een andere ratio. Stelling i., tot slot, klaagt over r.o. 3.44. Die klacht bespreek ik hierna onder 4.103.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.98 In het kader van de bespreking van dit onderdeel wil ik er nog op wijzen dat [eisers] in hun repliek hebben gesteld dat (ook) [verweerders] al in eerste aanleg beschikten over het rapport van BlueCap. [eisers] wijzen er in dit verband op dat [verweerders] in hun schriftelijke toelichting verwijzen naar cijfers uit dit rapport. Verder lees ik in de pleitaantekeningen van [verweerders] van de mondelinge behandeling bij de rechtbank het volgende: “Vorderingen deelnemingen: DD-rapport iov Blue Cap (vóór 5 oktober 2009 in te zien voor [eisers] bij BlueCap):  opgenomen [eiser 2] totaal € 3.503.187 […]  flink opgelopen, dus geen aflossingen en geen rente betaald;  Advies DD-rapport (zo nodig over te leggen): […]” [onderstreping toegevoegd, A-G] Daar staat tegenover dat [verweerders] zelf nog altijd verklaren niet over dit rapport te beschikken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.99 In cassatie bestaat geen gelegenheid om te onderzoeken of [verweerders] (al dan niet al in eerste aanleg) over het rapport beschikten (art. 419 lid 2 Rv). Daarbij komt dat, als dit wel zou zijn vast komen te staan, dit gegeven niet zonder meer afbreuk doet aan de afweging die het hof in het kader van art. 21 Rv, gelet op zijn ruime discretionaire marge, heeft te maken. Het betoog van [eisers] biedt in dat verband geen nadere aanknopingspunten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Subonderdeel 7c. (slot) is gericht tegen de overweging in r.o. 3.42 dat BlueCap geïnteresseerd bleef de aandelen over te nemen, ondanks het feit dat door middel van due diligence-onderzoek was gebleken dat de door [verweerders] goedgekeurde jaarrekeningen een te rooskleurig beeld gaven van de financiële situatie van Eko Blok en Carbo. Het subonderdeel stelt dat dit oordeel feitelijke grondslag mist, buiten de rechtsstrijd van partijen valt en een ontoelaatbare vorm van speculeren in het nadeel van [eisers] vormt. Ik volg [eisers] niet in deze analyse. Zoals hiervoor is geschetst, heeft de rechter bij de toepassing van art. 21 Rv een ruime discretionaire marge. Tegen die achtergrond en het belang van het due diligence-rapport voor de stelling van [eisers] – kort gezegd – dat zij ook bij kennisname van dat rapport vóór de aankoopbeslissing de gaten in de balans niet hadden ontdekt, acht ik de hier bestreden overweging niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Het hof vervolgt in r.o. 3.43 en 3.44 met de overweging dat er concrete aanwijzingen zijn voor het uitgangspunt dat BlueCap de financiële positie van Eko Blok en Carbo zorgelijk inzag. Het hof verwijst naar een e-mail van [betrokkene 4] naar onder anderen [eiseres 1] waaruit zulks volgt. Ook blijkt uit de e-mail van [betrokkene 6] van BlueCap (waaruit [betrokkene 4] in zijn e-mail citeert) dat het rapport van BlueCap ook een juridische analyse van de positie van Eko Blok en Carbo bevat. Op die basis overweegt het hof dat het onaannemelijk is dat het rapport van BlueCap van generlei waarde zou zijn geweest voor de aankoopbeslissing van [eisers] Over dit oordeel klagen subonderdeel 7b. en onderdeel 10, stelling i.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Subonderdeel 7b. stelt – zakelijk weergegeven – dat het hof in r.o. 3.44 miskent dat het rapport is opgesteld in opdracht van BlueCap en dat [eisers] destijds er niet over beschikten en daarom zelf een gelijkwaardig onderzoek instelden. Daarnaast hebben [eisers] volgens het subonderdeel gesteld dat de gaten in de balans ook niet blijken uit het due diligence-rapport van BlueCap. Het subonderdeel gaat eraan voorbij dat, zoals eerder gezegd, voor het oordeel van het hof niet van belang is of [eisers] op het moment van de aankoopbeslissing over het rapport beschikten, maar dat [eisers] wisten dat het bestond maar het niet opvroegen en de informatie erin niet betrokken bij hun aankoopbeslissing. De stelling dat de gaten in de balans niet volgden uit het rapport kan [eisers] evenmin baten, aangezien, zoals het hof ook overweegt, het gelet op deze stelling op de weg van [eisers] lag om het rapport in het geding te brengen. De stellingen in subonderdeel 7b. doen als zodanig dan ook geen afbreuk aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof. Het subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Onderdeel 10, stelling i., stelt dat het oordeel in r.o. 3.44, dat niet aannemelijk is dat het uiteindelijke rapport van BlueCap, met ook een juridische analyse van de positie van Eko Blok en Carbo van generlei waarde zou zijn geweest voor de investeringsbeslissing van [eisers] , onbegrijpelijk is. Het is ontoelaatbaar onduidelijk wat die analyse zou hebben toegevoegd aan het onderzoek dat [eisers] zelf verrichtten en hoe zij van die analyse kennis hadden kunnen nemen zonder over het rapport te beschikken, aldus het (sub)onderdeel. Het (sub)onderdeel klaagt er aldus over dat het hof de juridische analyse die het rapport van BlueCap kennelijk ook bevatte heeft meegewogen in zijn oordeel dat onaannemelijk is dat het rapport van generlei waarde was voor de investeringsbeslissing. In het licht van de overweging in r.o. 3.44, dat is gebleken dat BlueCap de financiële positie van Eko Blok en Carbo zorgelijk inzag, acht ik deze conclusie van het hof niet onbegrijpelijk. Dat er kennelijk ook een juridische analyse is, is in zoverre niet van doorslaggevend belang voor het bestreden oordeel. De stelling dat [eisers] geen kennis konden nemen van die analyse omdat zij niet over het rapport beschikten kan hen niet baten omdat, zoals eerder gezegd, van belang is dat [eisers] wisten dat het rapport bestond maar er niettemin geen kennis van namen vóór de aankoopbeslissing.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 In r.o. 3.45 vervolgt het hof met de overweging – kort gezegd – dat er nog meer rode vlaggen waren, maar dat [eisers] na een bezoek van drie dagen aan Eko Blok/Carbo en bekijken van de beschikbare jaarcijfers desondanks een samenwerkingsovereenkomst met [betrokkene 4] aangingen en de aandelen kochten. De subonderdelen 7c. en 7d. zijn gericht tegen dit oordeel en voeren daartoe een aantal feitelijke stellingen aan.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Subonderdeel 7c. stelt, samengevat, dat [eisers] nu juist in beeld kwamen omdat Eko Blok en Carbo noodlijdend waren, zodat op korte termijn een investeerder nodig was. Zij gingen daarbij niet haastig en zonder onderzoek te werk. Het afhaken van BlueCap was niet alarmarend maar juist geruststellend, omdat zij niet afhaakte vanwege het due diligence-onderzoek. Deze stellingen doen geen afbreuk aan de begrijpelijk van het oordeel. De stelling dat [eisers] wisten dat zij investeerden in een noodlijdend bedrijf neemt niet weg (maar onderstreept juist) dat er rode vlaggen waren voor [eisers] Het afhaken van BlueCap legt het hof niet ten grondslag aan de bestreden overweging, zodat de klacht daarover niet tot cassatie kan leiden. De laatste volzin van subonderdeel 7c. is gericht tegen r.o. 3.42. De daarin vervatte klacht faalt ook, zoals hierboven is besproken onder 4.100, zodat subonderdeel 7c. faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Subonderdeel 7d. stelt dat het oordeel van het hof in r.o. 3.45 dat [eisers] , gezien hun expertise, net als de Rabobank in haar Quick Scan de conclusie konden trekken dat het inzicht van Eko Blok en Carbo in haar buitenlandse deelnemingen, meer specifiek de Afrikaanse, onvoldoende was, indien zij zelf (nader) onderzoek hadden verricht, onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Ter nadere onderbouwing voert het subonderdeel vijf feitelijke stellingen i) t/m v) aan. Geen van deze stellingen gaat echter in op het centrale punt in r.o. 3.45 dat [eisers] geen acht sloegen op de rode vlaggen, in het bijzonder de getroebleerde relatie met de Rabobank, en in plaats daarvan – kort gezegd – na een bezoek van drie dagen en het bekijken van de (concept)jaarrekeningen al overgingen tot het sluiten van de koopovereenkomst met de twee aandeelhouders. Zodoende verzuimt subonderdeel 7.d. afbreuk te doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel in r.o. 3.45. Het subonderdeel faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 In r.o. 3.46, tot slot, overweegt het hof dat [eisers] haastig te werk zijn gegaan bij de aankoopbeslissing en daarmee een gok hebben genomen op basis van zeer weinig onderzoek, terwijl er aanwijzingen waren dat de gepresenteerde cijfers mogelijk te rooskleurig waren. Zulks volgt des te meer uit een e-mail van [betrokkene 4] van 5 oktober 2009 waaruit het hof citeert. Bij die stand van zaken treft [eisers] het grootste deel van de schuld en brengt de billijkheid van art. 6:101 BW mee dat de eventuele vergoedingsplicht van [verweerders] volledig vervalt (als al aangenomen kan worden dat sprake is van een causaal verband tussen de normschending en de door [eisers] gestelde schade), aldus het hof. De onderdelen 1b en 8 zijn gericht tegen dit oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Subonderdeel 1b.1 formuleert, onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken, 13 feitelijke stellingen waaruit zou moeten volgen dat het oordeel in r.o. 3.46 dat [eisers] haastig te werk gingen en een gok namen op basis van zeer weinig onderzoek, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is. Uit die feiten zou geen andere conclusie kunnen volgen dan dat sprake is geweest van een weloverwogen en verantwoorde beslissing op basis van voldoende onderzoek.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Zoals hiervoor is toegelicht, kunnen slechts beperkte motiveringseisen gesteld worden aan een oordeel op de voet van art. 6:101 BW. In dit verband merk ik op dat de hier bestreden rechtsoverweging het slot vormt van daaraan voorafgaande overwegingen over eigen schuld (r.o. 3.40 t/m 3.45), waarin het hof zijn oordeel voorziet van een motivering waarin ook uitdrukkelijk wordt ingegaan op stellingen van [eisers] In zoverre kan het oordeel van het hof de zojuist aangehaalde toets doorstaan. Zijn oordeel is in zoverre voldoende inzichtelijk. De stellingen die [eisers] in dit subonderdeel aanhalen doen als zodanig geen afbreuk aan dit oordeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Verder klaagt het subonderdeel dat het hier bestreden oordeel niet te rijmen is met het oordeel in r.o. 3.41 dat [eisers] beschikten over commerciële deskundigheid en zij, althans [eiser 2] , ruime ervaring hebben op het gebied van ondernemen en alles wat daarmee samenhangt. Deze klacht gaat eraan voorbij dat juist de deskundigheid van [eisers] een verzwarende omstandigheid voor de op haar rustende onderzoeksplicht vormde. Dat het hof [eisers] aanmerkte als deskundige kopers, betekent niet per definitie dat zij zich in alle gevallen voldoende hebben gekweten van de op hen rustende onderzoeksplicht, zoals het subonderdeel lijkt te suggereren.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Subonderdeel 1b.2 stelt dat het oordeel van het hof in r.o. 3.46 berust op de gronden vermeld in r.o. 3.42 t/m 3.46, welke gronden onjuist dan wel onbegrijpelijk zijn. Het subonderdeel vermeldt dat die gronden later in het middel met afzonderlijke klachten worden bestreden. Weliswaar meldt het subonderdeel dat twee punten extra aandacht verdienen – (i) het due diligence-rapport was voor [eisers] niet van belang en (ii) de financiële positie van Eko Blok en Carbo was zeer somber maar niet uitzichtloos –, maar het verzuimt te onderbouwen waarom en op welke gronden deze punten tot cassatie zouden moeten leiden. Verder stelt het subonderdeel dat het hof met het oordeel dat [eisers] een gok genomen zouden hebben, blijk geeft van een misvatting. Ondernemen levert altijd risico’s op, maar dat is iets geheel anders dan gokken. Daarom berust het oordeel over eigen schuld op een onjuiste rechtsopvatting, aldus het subonderdeel. Mij is onduidelijk op welke (onjuiste) rechtsopvatting het subonderdeel doelt. Daarnaast kan het oordeel van het hof over eigen schuld, zoals hiervoor uitgebreid uiteengezet, de toets in cassatie doorstaan. Van een onjuiste rechtsopvatting over wat dan ook is ook in dat verband niet gebleken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Onderdeel 8 stelt dat het hof in r.o. 3.46 heeft miskend dat bij de toepassing van art. 6:101 BW een afweging gemaakt moet worden van de feiten die wederzijds tot schade geleid hebben [en] naar evenredigheid van de zwaarte daarvan aan ieder van de partijen toegerekend moeten worden. Ter nadere onderbouwing stelt het subonderdeel dat het oordeel in r.o. 3.46 dat op grond van de billijkheid de eventuele vergoedingsplicht van [verweerders] volledig vervalt berust op een aantal veronderstellingen die vermeld zijn in de ‘vooropstelling’ van het middel en onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd zijn, waarover geklaagd is in de voorgaande onderdelen. Verder stelt het onderdeel dat [eisers] niet verweten kan worden dat zij vertrouwden op de door [verweerder 1] gecontroleerde jaarcijfers, omdat zij in het kader van het door hen verrichte onderzoek niet het werk van de accountant konden overdoen en dit ook niet hoefden. [eisers] hebben gemotiveerd betwist dat bij een onderzoek de gebreken in de jaarrekeningen aan het licht zouden zijn gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">De betwiste omstandigheid dat [eisers] haastig te werk gegaan zouden zijn, kan geen omstandigheid zijn die ertoe leidt dat hun eigen schuld op 100% gesteld wordt tegenover de ernstige fouten die [verweerders] gemaakt hebben. [eisers] beschikten niet over de in r.o. 3.45 vermelde Quick Scan van de Rabobank. Andere ‘rode vlaggen’ vormden nu juist de aanleiding voor de betrokkenheid van [eisers] Het hof heeft de ernst van de door [verweerder 1] gemaakte fouten, die blijkt uit de berisping die is opgelegd in de tuchtrechtelijke procedure, miskend, aldus steeds het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.100 Het onderdeel doet mijns inziens geen afbreuk aan het oordeel van het hof. Anders dan het onderdeel lijkt te veronderstellen, heeft het hof wel degelijk oog gehad voor de fouten van [verweerders] Het hof heeft immers geoordeeld dat [verweerders] onrechtmatig handelden vanwege de onjuiste waardering van de leningen in de gecontroleerde jaarrekeningen 2005/2006 en 2006/2007. Dit onderdeel betoogt aldus dat de normschending ook een rol dient te spelen bij de vaststelling van de vergoedingsplicht op de voet van art. 6:101 BW. In dit verband heeft te gelden dat het hof de schuld niet volledig bij [eisers] legt. Het hof heeft het namelijk over ‘het grootste deel van de schuld’ dat [eisers] treft. Vervolgens past het hof de billijkheidscorrectie toe waardoor de eventuele vergoedingsplicht van [verweerders] volledig vervalt. Hiermee heeft het hof de ernst van de door [eisers] gemaakte fouten tot uitdrukking willen brengen, namelijk dat zij ‘haastig te werk zijn gegaan en daarmee een gok hebben genomen op basis van zeer weinig onderzoek’. Dit oordeel heeft het hof in de voorgaande rechtsoverwegingen van een motivering voorzien die de toets in cassatie kan doorstaan, zoals volgt uit de bespreking van de voorgaande (sub)onderdelen. Dat [verweerders] ook fouten maakten doet aan deze billijkheidscorrectie als zodanig geen afbreuk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten over het oordeel met betrekking tot de beoordeling van de door Eko Blok aan Cimijo gecedeerde vordering (r.o. 3.48) 4.114 Onderdeel 9 richt een rechtsklacht tegen het volgende oordeel in r.o. 3.48: “Voor de beoordeling van deze grondslag van de vorderingen van [eisers] moet allereerst komen vast te staan dat Eko Blok ten opzichte van [eisers] in de uitvoering van haar verplichtingen toerekenbaar is tekortgeschoten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.115 Ter onderbouwing stelt het onderdeel dat het oordeel van het hof dat voor de beoordeling van wanprestatie als grondslag eerst vast zou moeten komen te staan dat Eko Blok ten opzichte van [eisers] in de uitvoering van haar verplichtingen toerekenbaar is tekortgeschoten blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het gaat hier alleen om het antwoord op de vraag of [verweerder 1] ten opzichte van Eko Blok/Carbo toerekenbaar is tekort geschoten, hetgeen vaststaat op grond van de door [verweerder 1] gemaakte fouten. De daaruit voortvloeiende vordering hebben Eko Blok/Carbo aan [eisers] (naar ik begrijp betreft dit alleen Cimijo) overgedragen. Voor zover de verhouding die daaraan ten grondslag ligt (naar ik begrijp doelt het onderdeel hiermee op de veronderstelde vordering van [eisers] op Eko Blok/Carbo) wel relevant is, geeft het oordeel van het hof dat [eisers] hun onderzoeksplicht verzuimd zouden hebben blijk van een onjuiste rechtsopvatting dan wel is het onbegrijpelijk, zoals reeds is toegelicht in onderdeel 7 onder a., aldus nog steeds het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.115 Het onderdeel faalt bij gebrek aan belang. Het hof overweegt immers in r.o. 3.49 dat voor het doorschuiven van een eventuele schadevergoedingsplicht naar [verweerders] (ook) nodig is dat laatstgenoemde jegens Eko Blok toerekenbaar is tekortgeschoten en dat Eko Blok hierin geen verwijtbare rol heeft gespeeld, hetgeen volgens het hof “geenszins [vaststaat]”. Het hof overweegt in dit verband uiteindelijk dat “Een eventuele aansprakelijkheid van [verweerders] jegens Eko Blok voor enige schade in deze procedure [niet kan] worden aangenomen.” Dit betreft een zelfstandig dragende grond voor de afwijzing van de door Eko Blok/Carbo aan Cimijo gecedeerde vordering op [verweerders] Aangezien dit oordeel in cassatie onbestreden blijft, kan een eventueel slagen van onderdeel 9 niet tot cassatie leiden.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.115 Ook los van het voorgaande meen ik dat onderdeel 9 dient te falen. Eko Blok en Carbo hebben [verweerders] aansprakelijk gesteld omdat [verweerders] vanwege de onjuiste jaarcijfers toerekenbaar zouden zijn tekortgeschoten bij de verrichte diensten. Deze aansprakelijkstelling is ingegeven door de aansprakelijkstelling van Eko Blok en Carbo door [eisers] wegens dezelfde fouten in de jaarcijfers. Dit volgt uit de brief van 29 april 2010 van Eko Blok en Carbo aan [verweerders] , zie hiervoor onder 2.22. Hieruit volgt dat de vordering van Eko Blok en Carbo op [verweerders] (die dus later is gecedeerd aan Cimijo) als oogpunt heeft om een eventueel aan [eisers] verschuldigde schadevergoeding te verhalen op [verweerders] Voor de beantwoording van de vraag of dit kan slagen is relevant (i) of [verweerders] inderdaad toerekenbaar zijn tekortschoten jegens Eko Blok en Carbo (hetgeen het hof dus niet aanneemt, zie r.o. 3.49) en (ii) of [eisers] daadwerkelijk een vordering hebben op Eko Blok en Carbo. Uit dit laatste volgt dat het hof terecht de vraag of [eisers] toerekenbaar is tekortgeschoten jegens Eko Blok en Carbo heeft betrokken in zijn beoordeling. Aldus is geen sprake van een onjuiste rechtsopvatting zoals het onderdeel betoogt. De klacht van het onderdeel over de onderzoeksplicht van [eisers] faalt eveneens. In dat verband verwijs ik naar mijn bespreking van onderdeel 7 onder 4.89-4.90.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 4.118 De slotsom is dat het principaal cassatieberoep van [eisers] faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep 5.1 Het incidenteel cassatieberoep van [verweerders] is ingesteld onder de voorwaarde dat het principaal cassatieberoep slaagt. Nu het principaal cassatieberoep faalt, kom ik in beginsel niet toe aan het bespreken van het incidenteel cassatieberoep. [verweerders] hebben Uw Raad evenwel verzocht om, indien het principaal cassatieberoep faalt, alsnog ten overvloede in te gaan op het incidenteel cassatieberoep, althans voor zover het de zorgplicht van een accountant jegens derden bij de wettelijk voorgeschreven controle van de jaarrekening betreft, omdat deze kwestie in meer aanhangige zaken aan de orde zou zijn. Dat lijkt mij niet raadzaam, omdat die aansprakelijkheid afhangt van alle omstandigheden van het geval en ook eventuele nadere invulling van de geldende norm het beste aan de hand van een concrete context kan gebeuren. Mocht Uw Raad niettemin toekomen aan een inhoudelijke beoordeling van het incidentele cassatieberoep, dan ben ik bereid aanvullend te concluderen.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2082, NJ 2008/529, m.nt. C.C. van Dam (Vie d’Or).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:149, NJ 2022/72, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Motorsloepen).</p>\n<p class=\"lf-p\">In eerste aanleg waren, naast verweerders in cassatie, nog negen andere (rechts)personen gedagvaard. In hoger beroep lieten [eisers] hun vorderingen jegens hen vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 13 december 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:6905.</p>\n<p class=\"lf-p\">De dagvaarding in de vrijwaringsprocedure hebben partijen niet gefourneerd. Het door [verweerders] gefourneerde B-dossier bevat wel (per abuis) de memorie van grieven van [verweerders] in de vrijwaringsprocedure. Het lijkt er echter op dat bedoeld is de memorie van grieven van [eisers] in de hoofdzaak te fourneren. Deze memorie van grieven is alleen beschikbaar in het door [eisers] gefourneerde A-dossier.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 25 september 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:4924.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slechts beschikbaar in het door [eisers] gefourneerde A-dossier, zie ook voetnoot 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4512, JOR 2024/48, m.nt. J.E. Brink-van der Meer.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9069, NJ 2008/587, m.nt. C.E. du Perron ([…] /Alog).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080, NJ 2008/528, m.nt. C.C. van Dam (Vie d’Or), r.o. 5.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:149, NJ 2022/72, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Motorsloepen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof verwijst in dit verband naar: HR 22 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2452. [Het hof zal hebben bedoeld: 2008; A-G.] De procesdossiers in deze zaken stemmen niet geheel overeen. Voor zover van belang heb ik de volgende verschillen geconstateerd. Het A-dossier bevat niet de spreekaantekeningen van [verweerders] bij de mondelinge behandeling bij de rechtbank. Het B-dossier bevat niet de memorie van grieven van [eisers] Hiervoor geciteerd onder 3.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Asser Procesrecht/Korthals Altes &amp; Groen 7 2015/285; B. Winters/S.M. Kingma, T&amp;C Rv, art. 419 Rv, aant. 8 (actueel t/m 1 januari 2024).</p>\n<p class=\"lf-p\">H.J. Snijders &amp; A. Wendels, Civiel appel (BPP nr. 2), Deventer: Kluwer 2009/218; H.E. Ras/A. Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. IV), Deventer: Wolters Kluwer 2017/40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein &amp; Wesseling-van Gent 4 2022/4 onder (ix).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het onderdeel verzuimt een vindplaats te vermelden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817, NJ 2005/270 m.nt. W.D.H. Asser, r.o. 3.6; HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3009, NJ 2015/426, r.o. 3.5; HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, RvdW 2016/147, r.o 3.4.1; HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1313, NJ 2020/310, r.o. 3.2.1 en HR 11 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:856, NJ 2021/216, r.o. 3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.a. HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1313, NJ 2020/310, r.o. 3.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF1562, r.o. 3.6. Zie tevens: Asser Procesrecht/Asser 3 202/220 en G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15) 2015/62.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 31 januari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:21; tevens overgelegd als productie 14 bij de dagvaardingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2020:746, onder 3.57) voor HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:149, NJ 2022/72, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Motorsloepen).</p>\n<p class=\"lf-p\">C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2023/811-5; J.E. Brink-van der Meer, Accountantsaansprakelijkheid (diss. VU), Deventer: Wolters Kluwer 2018/3.3.2, 3.3.3 en 3.4. Zie hierover ook de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2020:746, onder 3.57) voor Motorsloepen en de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2016:1021, onder 3.4), voor HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2876.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2082, NJ 2008/529, m.nt. C.C. van Dam (Vie d’Or), r.o. 5.3; HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:149, NJ 2022/72, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Motorsloepen), r.o. 3.2.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld voor medisch specialisten: HR 9 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1103, NJ 1991/26 (Speeckaert/Gradener), r.o. 3.7. Zie verder in het algemeen: Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/200 en meer in het bijzonder over dit criterium in verband met aansprakelijkheid jegens derden zijn noot onder Motorsloepen, NJ 2022/72, onder 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2022/204; C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, Den Haag: Boom juridisch 2023/811-5; J.E. Brink-van der Meer, Accountantsaansprakelijkheid (diss. VU), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 186.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor voorbeelden van niet-wettelijke taken van een accountant: J.E. Brink-van der Meer, ‘Civielrechtelijke aansprakelijkheid van de accountant bij de uitoefening van haar niet-wettelijke taak’, O&amp;F 2021/4.3, p. 29.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080, NJ 2008/528, m.nt. C.C. van Dam (Vie d’Or).</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:149, NJ 2022/72, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Motorsloepen).</p>\n<p class=\"lf-p\">De Hoge Raad heeft nog twee arresten gewezen in procedures volgende op het faillissement van Vie d’Or. Beide zijn (ook) gewezen op 13 oktober 2006 en zijn bekend onder ECLI:NL:HR:2006:AW2077 en ECLI:NL:HR:2006:AW2082. Deze zaken betreffen – kort gezegd – de aansprakelijkheid van een toezichthouder, respectievelijk actuaris.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover J.E. Brink-van der Meer, Accountantsaansprakelijkheid (diss. VU), Deventer: Wolters Kluwer 2018/4.3.2.2, p. 232.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.E. Brink-van der Meer, ‘Aspecten van de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de accountant voor fouten in de jaarrekeningcontrole’, Ondernemingsrecht 2020/13, par. 3; conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2020:746, onder 3.67), voor Motorsloepen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. concl. A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2016:1021, onder 3.4) voor HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2876 (art. 81 lid 1 RO); T.F.E. Tjong Tjin Tai, annotatie in NJ 2022/72 (sub 3), onder HR 29 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:149 (Motorsloepen).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2876 (art. 81 lid 1 RO) en HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:744 (over een door de accountant uitgevoerd persoonsgericht onderzoek). Zie verder: J.E. Brink-van der Meer, Accountantsaansprakelijkheid (diss. VU), Deventer: Wolters Kluwer 2018/3.3.1.3, p. 186; E.J.A.M. van den Akker, Beroepsaansprakelijkheid ten opzichte van derden (diss. Tilburg), Den Haag: Boom juridische uitgevers 2001/5.5, p. 74 e.v.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.E. Brink-van der Meer, ‘Civielrechtelijke aansprakelijkheid van de accountant bij de uitoefening van haar niet-wettelijke taak’, O&amp;F 2021 (29) 4, p. 29; J.M. Atema, annotatie onder Motorsloepen, in JOR 2021/105, onder 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">NV COS, Standaard 4410 Samenstellingsopdrachten, par. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5245, JOR 2019/271, m.nt. Y. Steeg-Tijms, r.o. 4.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:5245, JOR 2019/271, m.nt. Y. Steeg-Tijms, r.o. 4.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.E. Brink-van der Meer, Accountantsaansprakelijkheid (diss. VU), Deventer: Wolters Kluwer 2018/4.4.3.5, p. 264. Zie hierover ook, in andere termen maar ook met een opdeling van de wettelijke controle in fases: L. in ’t Veld, ‘De wettelijke controle door de externe accountant’, in: J.B.S. Hijink e.a. (red.), Handboek Jaarrekeningenrecht (VDHI nr. 164), Deventer: Wolters Kluwer 2020/7.3.1.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">De externe accountant moet als basis voor een goedkeurend oordeel over de getrouwheid van de jaarrekening ten minste een redelijke mate van zekerheid hebben verkregen dat de jaarrekening vrij is van afwijkingen van materieel belang die het gevolg zijn van fraude of fouten (NV COS 200, par. 11 onder a). De vereiste redelijke mate van zekerheid is een hoge, maar geen absolute mate van zekerheid vanwege de inherente beperkingen die aan de uitvoering van de wettelijke controle zijn verbonden (NV COS 200, par. 5 en 13). Van een redelijke mate van zekerheid is sprake indien de externe accountant voldoende en geschikte controle-informatie heeft verkregen en daarmee het zogenoemde controle-risico, zijnde het risico dat de externe accountant ten onrechte een goedkeurende verklaring afgeeft, heeft kunnen terugbrengen tot een aanvaardbaar laag niveau (NV COS 200, par. 17).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. het verweer van [verweerders] , MvA randnummer 4.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgelegd als productie 3 bij de dagvaardingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">P. 4 t/m 52.</p>\n<p class=\"lf-p\">Deze zaak deed de Hoge Raad af met toepassing van art. 81 lid 1 RO.</p>\n<p class=\"lf-p\">De conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2016:1021, onder 3.4), voor HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2876.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in dit verband naar randnummer 214 MvG, waarin valt te lezen: ‘[…] Van [betrokkene 4] heeft [ [eiseres 1] ] begrepen dat [verweerder 1] door [betrokkene 4] is geïnformeerd over het feit dat BlueCap de investering niet doorzette en dat [eiseres 1] als alternatief op het toneel was verschenen. Deze informatie is volstrekt logisch, want [verweerder 1] was nauw betrokken bij het DDO namens BlueCap en daarbij past ook informatie over de beëindiging.’ MvA, randnummer 4.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2080, NJ 2008/528, m.nt. C.C. van Dam (Vie d’Or), r.o. 5.4.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">CBb 31 januari 2014, ECLI:NL:CBB:2014:21; tevens overgelegd als productie 14 bij de dagvaardingen.</p>\n<p class=\"lf-p\">In dit verband verwijst het onderdeel naar r.o. 3.33, voorlaatste volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst in dit verband naar r.o. 4.6.1 van de uitspraak van de Accountantskamer van 5 september 2011 (overgelegd als productie 9 bij de dagvaardingen) en naar p. 63 van de MvG waar staat: ‘Het CBB heeft de gegrondverklaring van de klacht gehandhaafd.’ Overgelegd door [eisers] bij de memorie van grieven als productie Z-43.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgelegd door [eisers] bij de memorie van grieven als productie Z-44. Het gaat hier in het bijzonder om de laatste pagina van die productie, waarop staat ‘Saldo Kreditor per 15.07.2010’. Zie hierover ook het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar MvG, randnummers 90 t/m 111. De repliek van [eisers] verwijst in voetnoot 7 naar MvG, randnummers 77 t/m 124 en productie Z-33, randnummer 6.95.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het subonderdeel verwijst naar onderdeel 1a en MvG, randnummers 109-110.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de schriftelijke toelichting van [verweerders] , randnummer 6.12, waar onder meer wordt gesteld dat het bedrag van € 369.000,-- alleen volgt uit de som van de op het overzicht per 15 juli 2010 genoemde kortingsbedragen van mei t/m september 2008.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-II 2021/76; R.J.B. Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, art. 6:98 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-II 2021/50; C.J.M. Klaassen, Schadevergoeding: algemeen, deel 2 (Mon. BW nr. B35), Deventer: Wolters Kluwer 2017/18; R.J.B. Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 2.9.2 (actueel t/m 15 november 2022); HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987 NJ 2017/133, m.nt. S.D. Lindenbergh, r.o. 3.5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2987, NJ 2017/133, m.nt. S.D. Lindenbergh, r.o. 3.5.3; Asser/Sieburgh 6-II 2021/50. Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:327, onder 5.42, met nadere verwijzingen in voetnoot 58) voor HR 16 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1872, NJ 2023/257, m.nt. M. Haentjens.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:98 BW, aant. 4.16.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Grief IV komt aan de orde in p. 62-63 van de MvG.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan voetnoot 75 van de procesinleiding betoogt, lees ik in r.o. 3.22 terug dat het hof daar ingaat op grief IV.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij hef hof van 7 juli 2022, p. 5-7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij hef hof van 7 juli 2022, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvG, randnummers 10, 26, 33, 70, 227, 228 Zie hierover bijv. B.T.M. van der Wiel, ‘Het cassatiemiddel’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019/120; de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2021:929, onder 3.7) voor HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:161; de conclusie van A-G Huydecoper (ECLI:NL:PHR:2006:AU9729, onder 7 e.v.) voor HR 24 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9729, JBPr 2006/77.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijv. HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:161, RvdW 2022/217, JIN 2022/49, m.nt. W.A. Braams, r.o. 3.3; HR 10 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5620, NJ 2012/112, r.o. 3.5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Asser 3 2023/219, 224; B.T.M. van der Wiel, ‘Uitgangspunt van bewijsrecht: Art. 149 Rv’, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst &amp; B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk, Antwerpen/Apeldoorn: Maklu Uitgevers 2020, p. 51, 54-57; Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/94; A.C. van Schaick, ‘Het dynamische verband tussen stelplicht en bewijsaanbod’, in NTBR 2012/17; de conclusie van A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2020:453, onder 3.6-3.8) voor HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1308, JBPr 2020/76, m.nt. H.W. Wiersma; B.T.M. van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 2004/250; V. van den Brink, ‘Stellen, betwisten, bewijzen – een handleiding’, TvPP 2008/4, p. 92; H.J. Snijders (red.), C.J.M. Klaassen, H.B. Krans &amp; G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022/206 en, gericht op het bevrijdende verweer: H.W.B. Thoe Schwartzenberg, Bevrijdende verweren. Een onderzoek naar het onderscheid tussen een grondslagverweer en een bevrijdend verweer en de consequenties van dit onderscheid voor de civiele procedure (Burgerlijk Proces &amp; Praktijk nr. XXII), Deventer: Wolters Kluwer 2023/165, 189.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover o.m. Asser Procesrecht/Asser 3 2023/219; G. de Groot, Getuigenbewijs in civiele zaken (BPP nr. 15), Deventer: Wolters Kluwer 2015/62; F.J.P. Lock, annotatie onder HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047, JBPr 2016/65, onder 4; HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8641, r.o. 5.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvG, randnummer 70.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het verweerschrift is ook ingediend namens Eko Blok, Carbo, [betrokkene 4] en Densi Tech B.V. Het is overgelegd door [eisers] als productie Z-33.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie MvG, randnummer 70, laatste volzin.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-II 2021/114.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover met verwijzingen naar rechtspraak: R.J.B. Boonekamp, Stelplicht &amp; Bewijslast, art 6:101 BW; S.D. Lindenbergh, T&amp;C BW, art. 6:101 BW, aant. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie o.m. HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:719, NJ 2024/13, m.nt. J.L. Smeehuijzen, r.o. 3.5.2; HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1628, NJ 2020/392, r.o. 3.1.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-II 2021/124; R.J.B. Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:101 BW, aant. 3.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">R.J.B. Boonekamp, GS Schadevergoeding, art. 6:101 BW, aant. 3.8.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-II 2021/124.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Sieburgh 6-II 2021/124.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover Asser/Sieburgh 6-II 2021/124.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser/Hijma 7-I 2019/339 en 488 Asser/Hijma 7-I 2019/488.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2885, NJ 2018/223, m.nt. J. Hijma, r.o. 3.5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA van [verweerders] , randnummers 4.82-4.87.</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA van [verweerders] , randnummer 4.84 onder (i).</p>\n<p class=\"lf-p\">MvA van [verweerders] , randnummer 4.78.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook het incidentele vonnis van de rechtbank Gelderland van 13 december 2017.</p>\n<p class=\"lf-p\">Procesinleiding van [eisers] , onderdeel 10, eerste alinea; schriftelijke toelichting van [verweerders] , randnummer 8.36.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1999/2000, 26855, 3, p. 52; C. Seinen, ‘De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit’, TCR 2020/2, par. 2.1; R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid (diss. Tilburg), Deventer: Wolters Kluwer 2011/2.4.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9204, NJ 2012/174, r.o. 3.5, herhaald in: HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NJ 2015/453, m.nt. L. Strikwerda, r.o. 3.5.4. Zie ook: C. Seinen, ‘De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit’, TCR 2020/2, par. 2.1; M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020/3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/Asser 3 2023/84.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover uitgebreid: C. Seinen, ‘De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit’, TCR 2020/2, par. 3, die negen gevalstypen onderscheidt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Herziening burgerlijk procesrecht, 2002, p. 147; HR 18 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1706, RvdW 2011/1422, r.o. 3.5.1. Zie ook de conclusie van A-G Timmersmans in deze zaak, ECLI:NL:PHR:2011:BS1706, onder 4.38. Zie verder HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09675, NJ 2012/627, m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.3; HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:154, NJ 2016/92, r.o. 3.3.3; concl. A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:38, onder 3.24), voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, NJ 2021/275.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675, NJ 2012/627, m.nt. H.J. Snijders, r.o. 3.3. Zie tevens: HR 29 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:154, NJ 2016/92, r.o. 3.3.3; HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, NJ 2021/275, r.o. 3.3. Zie ook de concl. van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:38, onder 3.25), voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, NJ 2021/275.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 6 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1103, NJ 2019/118, m.nt. S.D. Lindenbergh, r.o. 3.3.2. Zie ook: concl. van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:38, onder 3.25), voor HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1144, NJ 2021/275; A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De toetsing in cassatie’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019/83.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De toetsing in cassatie’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019/3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW2089, NJ 2006/327, r.o. 3.3.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus Asser Procesrecht/Asser 3 2023/85. In gelijke zin: C. Seinen, ‘De waarheidsplicht en de geraden gevolgtrekking anno 2020: een zoektocht naar proportionaliteit’, TCR 2020/2, par. 2.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vgl. de schriftelijke toelichting van [verweerders] , randnummers 8.38-8.39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Repliek van [eisers] , onder 6 en 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Alleen gefourneerd door [verweerders] (B-dossier).</p>\n<p class=\"lf-p\">Schriftelijke toelichting van [verweerders] , randnummer 8.46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overgelegd als productie 18 bij de dagvaardingen Zie ook de eigen weergave van [eisers] van deze gang zaken: grief IX op p. 69 van de memorie van grieven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onderdeel A onder 5 van het verweerschrift, met voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van [verweerders] Daar wordt evenwel niet vermeld om welke zaken het zou gaan en waar die aanhangig zijn. Mij is overigens niet gebleken dat thans meer van dergelijke zaken bij de Hoge Raad aanhangig zijn.</p></div>", "next": 0}