{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Kamerstukken I 2014/15, 34 003, D, blz. 29 en 30.” Ik citeer een deel van dat voorbeeld, dat gemeentelijke aanschaf van een vrachtwagen behelst, waarmee tegen betaling bedrijfsafval wordt opgehaald (een ondernemingsactiviteit) maar incidenteel ook huisvuil (geen deelname aan het economische verkeer). De kosten van die laatste activiteit moeten dan als onttrekking uit het ondernemingsresultaat worden verwijderd. De regering vervolgt dan als volgt: “Wanneer de vrachtwagen in het hiervoor vermelde voorbeeld op basis van de omgekeerde situatie echter is toe te rekenen aan het niet-ondernemingsdeel, te weten de onbelaste activiteiten van het publiekrechtelijke lichaam, vindt geen activering plaats op de fiscale balans. Voor het gebruik van de vrachtwagen voor het ophalen van het bedrijfsafval dienen de kosten die samenhangen met het gebruik van de vrachtwagen door het ondernemingsdeel wel in aftrek gebracht te worden bij het bepalen van het resultaat van die onderneming. Ook hier kan naar mijn mening op een pragmatische grondslag een toerekening plaatsvinden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2014/15, 34 003, F, p. 11-12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 13, p. 2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 6, blz. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “HR 28 oktober 2005, nr. 41071, ECLI:NL:HR:2005:AS8013.”</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 28 oktober 2005, nr. 41071, ECLI:NL:HR:2005:AS8013, BNB 2006/80 met noot Essers, FED 2006/28 met noot Marres, V-N 2005/54.13 met noot Redactie en NTFR 2005/1488 met noot Boxem.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 november 1989, nr. 25 940, ECLI:NL:HR:1989:BH7757 (ook te vinden onder: ECLI:NL:HR:1989:ZC4148), BNB 1990/48 met noot Van Dijck en FED 1990/438 met noot Bos.</p>\n<p class=\"lf-p\">Werkbestand behorend bij Werkboek Waterschap – verkenning mogelijkheden clustering, geraadpleegd via: https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/werkboek_waterschap_verkenning_mogelijkheden_clustering_en_bijbehorend_werkbestand.</p>\n<p class=\"lf-p\">Geraadpleegd via: 20161208_bijlagebijwob-beslissingclusteringoverheidsbedrijven_0.pdf (vng.nl).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “NOB commentaar — Consultatie concept wetsvoorstel Modernisering vennootschapsbelastingplicht overheidsondernemingen, 12 mei 2014, p. 6-7 en Kamerstukken II 2014-2015, 34 003, nr. 4, p. 21-22 (Advies Raad van State).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie hetgeen opgemerkt in Kamerstukken II 2014-2015, 34 004, nr. 3, p. 16-17 en Kamerstukken I 2014-2015, 34 003, F, 4-5 in het licht van de interne dienstvrijstelling. Zie ook Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 13 Bijlage II, p. 1 met het voorbeeld waarin de waterzuivering wordt geclusterd met de verkoop van energie en fosfaat.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “In het besluit van 23 december 2005, nr. CPP2005/2730M wordt impliciet een onderscheid gemaakt tussen naar aard vergelijkbare en naar aard verschillende activiteiten door te verwijzen naar de naar aard verschillende activiteiten.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II 2014-2015, 34 003, nr. 3, p. 10, Kamerstukken II 2014-2015, 34 003, nr. 6, p. 11 en Brief 18 december 2014, nr. 34 003, nr. 13, p. 3.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “De financiële/economische verwevenheid lijkt niet terug te komen in de jurisprudentie. Deze is wel genoemd in de SVLO notitie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II 2014-2015, 34 003, nr. 6, p. 11, voetnoot 11.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie ook EJ.W. Heithuis, R.C. de Smit en L.J.A. Pieterse, Vpb-plicht bij overheidslichamen, Fiscaal Actueel, Deventer: Kluwer 2016, p. 53.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Kamerstukken I, 2014/15, nr. 34003, F, p. 4.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie Hof Den Haag 27 januari 1992, V-N 1992/2008-9. In deze hof uitspraak met betrekking tot de inkomstenbelasting (stakingsvrijstelling) ging het om meerdere restaurants die naar het oordeel van het Hof separate ondernemingen vormden aangezien de restaurants economisch en organisatorisch zodanig gescheiden werden uitgeoefend. Van belang in deze beoordeling was dat ieder restaurant een eigen administratie voerde, aparte bankrekeningen heeft, eigen personeel heeft, eigen bedrijfsvoering (inkoop) en een eigen kredietverlening kent.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II 2014-2015, 34 003, nr. 3, p. 17. Uit de MvT blijkt dat er ten minste 2 activiteiten te onderkennen zijn (intern vs. extern). Hieruit blijkt ook dat deze naar aard vergelijkbare activiteiten tezamen genomen kunnen worden voor de beoordeling of sprake is van een onderneming.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Kamerstukken I, 2014/15, nr. 34003, F, blz. 4-5.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Op het moment dat het ene zwembad een enorm winstgevend subtropisch binnenzwembad is met allerlei glijbanen, wildwaterbanen etc. en het andere zwembad een eenvoudig gesubsidieerd binnenbad betreft waarin de zwemlessen plaatsvinden, is het de vraag of deze activiteiten nog naar aard vergelijkbaar zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Er zullen in de praktijk uitzonderingen zijn waardoor meer of minder belang toe kan komen aan een van de indicatoren, bijvoorbeeld als de ruimtelijke verwevenheid door een algemeen huisvestingsbeleid doorbroken wordt (bijvoorbeeld de kantoortuin). Op welke wijze de diverse indicatoren worden gewogen zal dan ook afhankelijk zijn van de specifieke feiten en omstandigheden in de betreffende situatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Op het moment dat niet wordt voldaan aan de positief geformuleerde indicatoren kan dat leiden tot een contra-indicatie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie ook p. 18 van de Handreiking Vennootschapsbelasting en het gemeentelijk grondbedrijf: 'Wanneer sprake is van een zeer sterke verwevenheid van activiteiten (activiteiten zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden) bestaat fiscaal een verplichting tot clustering.'”</p>\n<p class=\"lf-p\">M.M.F.J. van Bakel, Vpb.1.0.3.R.b4.II, ‘Meerdere activiteiten’, in: A.W. Hofman, M.L.M. van Kempen &amp; F.P.G. Pötgens (red.), Cursus Belastingrecht, Deventer: Wolters Kluwer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 10-11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 6, blz. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2014/15, 34 003, D, blz. 3 en 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2014/15, 34003, F, p. 18.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 september 1976, nr. 17 924, V-N 1976, p. 860.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 7 oktober 1981, nr. 20 733, ECLI:NL:HR:1981:AW9757 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), BNB 1981/288.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 augustus 1994, nr. 29755, ECLI:NL:HR:1994:ZC5731, BNB 1994/319 met noot Van Dijck, FED 1994/726 met noot Van Nispen tot Sevenaer en V-N 1994/2817, 9 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.M.F.J. van Bakel, Vpb.1.0.3.R.b4.III Organisatie van kapitaal en arbeid, in: A.W. Hofman, M.L.M. van Kempen &amp; F.P.G. Pötgens (red.), Cursus Belastingrecht, Deventer: Wolters Kluwer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3, p. 11.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 15 april 2016, nr. 15/02829, ECLI:NL:HR:2016:633, BNB 2016/166 met noot Van Vijfeijken, FED 2016/80 met noot Mol-Verver, V-N 2016/24.12 met noot Redactie, FutD 2016-0959 met noot Redactie, NTFR 2016/1237 met noot Bergman.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 17 september 2021, nr. 20/01706, ECLI:NL:HR:2021:1321, BNB 2021/164 met noot Essers, FutD 2021-2864 met noot redactie, V-N 2021/38.4 met noot redactie, NLF 2021/1848 met noot Antonisse, FED 2021/146 met noot Robben en NTFR 2021/3064 met noot Rozendal.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Vgl. HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0481.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 23 april 2010, nr. 08/04843, BNB 1995/6, BNB 2010/244 met noot Cornelisse, FED 2010/92 met noot Wolvers, V-N 2010/20.8 met noot redactie en FutD 2010-1024 met noot redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Van Bakel (Cursus Belastingrecht Vpb.1.0.3.R.b1) merkt op dat de notities ten doel hebben inlichtingen/algemene voorlichting te geven. In de praktijk wordt er volgens hem veel belang aan gehecht. Het is zijns inziens niet duidelijk in hoeverre een potentieel belastingplichtige vertrouwen kan ontlenen aan de producten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Notitie normaal vermogensbeheer, SVLO, 28 oktober 2015, p. 1-2, geraadpleegd via: 20151028_SVLO_Notitie_normaal_vermogensbeheer.pdf Voetnoot in origineel: Let op: de exploitatie van het betreffende vermogensbestanddeel zou – zelfstandig bezien – als een onderneming kunnen kwalificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.E.A.M. van Dijck, ‘Vermogensbeheer’, WFR 1976/5258, p. 148.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Op de site van Centercom (https://centercom.nl) valt te lezen: ‘Langs drukke wegen, in winkelgebieden en toeristische hotspots. Hoge contactfrequentie.’ JCDecaux (https://www.jcdecaux.nl/abris-mupis) meldt: ‘Onze locatiescouts gaan zelf de straat op om de beste plekken te kiezen voor de adverteerders.’ Voetnoot in origineel: Artikel 8bb Wet VpB 1969 is evenmin van toepassing, nu deze bepaling ziet op onderlinge rechtsverhoudingen tussen gelieerde lichamen en niet op de toerekening van kosten binnen een lichaam zelf.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.M.F.J. van Bakel, Vpb.1.0.3.R.b4.I Inleidende opmerkingen over het ondernemingsbegrip voor overheidsonder-nemingen, in: A.W. Hofman, M.L.M. van Kempen &amp; F.P.G. Pötgens (red.), Cursus Belastingrecht, Deventer Wolters Kluwer.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.M.F.J. van Bakel, Vpb.1.0.3.R.b4.III Organisatie van kapitaal en arbeid, in: A.W. Hofman, M.L.M. van Kempen &amp; F.P.G. Pötgens (red.), Cursus Belastingrecht, Deventer: Wolters Kluwer.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “HR 2 februari 1983, nr. 21/417, ECLI:NL:HR:1983:AW8987, BNB 1983/146. Zie ook de Leidraad bij de vennootschapsbelasting en de vermogensbelasting 1942 (Resolutie van den Staatssecretaris-Generaal van het departement van Financiën d.d. 11 augustus 1942, no. 124), Rijksuitgeverij, p. 9 waaruit valt af te leiden dat de wetgever dezelfde lezing voorstaat. Albert heeft in de literatuur meerdere malen bepleit dat de Hoge Raad terug zou moeten komen op zijn oordeel in de zaak van 2 februari 1983 omdat de uitkomst van het arrest volgens hem niet meer aansluit bij het huidige tijdsgewricht; P.G.H. Albert, BNB 1983/146 is achterhaald: de exploitatie van vastgoed leidt tot in concurrentie treden in de zin van artikel 4 Wet Vpb 1969, in: C.</p>\n<p class=\"lf-p\">Maas &amp; L.J.A Pieterse (red.), Systeem en symmetrie. Liber amicorum mr. C.B. Bavinck, Wolters Kluwer Deventer 2016, p. 1-8 en P.G.H. Albert, Vpb-plicht voor stichtingen die vastgoed verhuren?, NLF-W 2021/53. Een taalkundige uitleg en de doelstelling van art. 4 Wet VPB 1969 zouden volgens Albert mee moeten brengen dat de exploitatie van vastgoed (binnen de grenzen van normaal vermogensbeheer) tot vennootschapsbelastingplicht leidt. H.J. Bresser, Belastingplicht en fiscale behandeling van stichtingen in de vennootschapsbelasting in historisch en beginselrechtelijk perspectief, Sdu Den Haag 2021, p. 146 is eenzelfde mening toegedaan als Albert. Zie voor een tegengestelde opvatting M.M.F.J. van Bakel, Belastbaarheid vastgoedexploitatie in de vennootschapsbelasting op de schop?, NLF-W 2021/36.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Zie Rb. Gelderland 19 juli 2022, nr. 20/6118, ECLI:NL:RBGEL:2022:3670, (…) r.o. 43 (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">G.J.W. de Ruiter, ‘De belastingplicht van overheidsondernemingen vanuit theorie en praktijk nader bezien’, NTFRB 2020/40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Art. 4, onderdeel a, Wet VPB 1969 (het gaat dan om potentiële concurrentie) respectievelijk art. 8e, lid 1, onderdeel b en art. 8f, lid 1, onderdeel b, Wet VPB 1969 (het gaat dan om feitelijke concurrentie).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 13-14.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 6, blz. 39.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken I 2014/15, 34 003, nr. D, p. 13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 18-19.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">M.M.F.J. van Bakel, Vpb.1.0.3.R.b5.II(e) Vrijstelling voor de uitoefening van overheidstaken of publiekrechtelijke bevoegdheden, Cursus Belastingrecht, Deventer: Wolters Kluwer.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 17 oktober 1989, na conclusie Mischo, ECLI:EU:C:1989:381, FED 1990/312 met noot Bijl.</p>\n<p class=\"lf-p\">HvJ EU 14 december 2000, na conclusie Alber, ECLI:EU:C:2000:691, V-N 2001/3.20 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 14-15.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3, blz. 36–38”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 49-51.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: Af te leiden uit HR 12 februari 1986, nr. 23245, ECLI:NL:HR:1986:AW8100, BNB 1987/188 en HR 10 februari 1999, nr. 33 216, ECLI:NL:HR:1999:AA2676, BNB 1999/171.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 21 november 1990, nr. 26.197, na conclusie Verburg, ECLI:NL:HR:1990:ZC4447, BNB 1991/90 met noot Hoogendoorn, FED 1991/92 met noot Stevens, V-N 1991/48,17 met noot redactie en FutD 1990-1704 met noot Redactie.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 1 december 2006, nr. 41985, na conclusie Overgaauw, ECLI:NL:HR:2006:AV5002, BNB 2007/81 met noot Cornelisse, FED 2007/2 met noot Albert, V-N 2006/62.17 met noot redactie, FutD 2006-2192 met noot redactie en NTFR 2006/1705 met noot Van Beelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">S.H. Harkema, ‘Het calculerend gedrag van de staatssecretaris van Financiën bij de invoering van artikel 33 Wet Vpb. 1969’, FED 2001/557, p. 3414-3427.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.F.M. Coebergh, Sfeerovergangen in de winstsfeer, FM nr. 172, 2022/6.3.4.0., p. 281 B.F.M. Coebergh, Sfeerovergangen in de winstsfeer, FM nr. 172, 2022/6.3.4.0., p. 91.</p>\n<p class=\"lf-p\">B.F.M. Coebergh, Sfeerovergangen in de winstsfeer, TFO 2022/183.1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Hierbij dient echter wel opgemerkt te worden dat in artikel 6 Wet VPB 1969 is bepaald dat een winst van € 15.000 per jaar of € 75.000 per vijf jaar is geoorloofd. Strikt genomen zal hierdoor ook zeer geringe goodwill kunnen worden opgebouwd. Deze goodwill impliceert niet dat de belastingplicht te laat is aangevangen en zal derhalve wel mogen worden geactiveerd. De omvang van de goodwill zal echter beperkt in omvang zijn.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Voetnoot in origineel: “Bijvoorbeeld bij de toepassing van artikel 5, lid 1, sub d Wet VPB 1969 (landbouw, verzekering tegen schade op onderlinge grondslag of de verzorging van uitvaarten).”</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 9-10 en 30.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2014/15, 34 003, nr. 3 (MvT), p. 37.</p></div>", "next": 0}