{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">Omdat De Vries de huidige regeling van art. 4:3 lid 1 BW niet ideaal vindt, ziet zij het liefst dat de wetgever met een nieuwe regeling komt. Zij bepleit zelf een wetswijziging op basis waarvan art. 4:3 BW wordt omgevormd tot een gedeeltelijk open norm. Deze gedeeltelijk open norm zou tot uitdrukking komen door in de aanhef van lid 1 op te nemen dat iemand onwaardig is om uit een nalatenschap voordeel te trekken indien “onder meer” is voldaan aan een van de daarna opgenomen gronden. Hiermee krijgt de civiele rechter de ruimte om zelf te bepalen of een bepaalde gedraging die naar de letter niet onder een van de specifiek genoemde onwaardigheidsgronden valt toch dermate ernstig is dat onwaardigheid moet volgen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast bepleit zij aanpassing van enkele onwaardigheidsgronden en de toevoeging van twee nieuwe specifieke gronden. Voor deze zaak is de door De Vries voorgestelde aanpassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW en een nieuwe aldaar op te nemen specifieke grond relevant. In haar voorstel is iemand onwaardig indien de strafrechter bewezen heeft verklaard dat hij de erflater opzettelijk heeft omgebracht, dan wel dat hij een misdrijf heeft gepleegd tegen de erflater met diens dood tot gevolg. De nadruk ligt in dit geval op de bewezenverklaring van de gedraging en niet op de onherroepelijke veroordeling van de dader. De Vries stelt verder, geïnspireerd door wetgeving in België (het hiervoor in voetnoot 79 al genoemde art. 4.6 van het nieuwe Belgisch BW), voor een nieuwe grond op te nemen bij art. 4:3 lid 1 onder a BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onwaardig is hij van wie bij onherroepelijke uitspraak door de civiele rechter is vastgesteld dat hij een feit als bedoeld in art. 4:3 lid 1 sub a BW heeft gepleegd, maar voor dat feit geen bewezenverklaring is gevolgd omdat hij is overleden. Met een dergelijke wijziging van art. 4:3 BW neemt, aldus De Vries, (de noodzaak voor) toepassing van de (met onzekerheid gepaard gaande) beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid af, neemt de rechtszekerheid navenant toe en wordt voldaan aan de eisen van het EHRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.36 Opmerkelijk, juist omdat De Vries voor het huidige recht zo hamert op het belang van de rechtszekerheid, is haar pleidooi voor een gedeeltelijk open norm. In een dergelijk regime is het niet ondenkbaar dat erfgenamen de rechter zullen bestoken met op het vaststellen van onwaardigheid gerichte vorderingen. De Vries stelt in dit verband dat het bij de toepassing van de open norm nog steeds moet gaan om “uitzonderlijke situaties” en dat “zware eisen” moeten worden gesteld voordat de conclusie van onwaardigheid kan worden getrokken. In wezen betreft het dus een met die van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid vergelijkbare toets. Ik zie dan ook niet meteen welke meerwaarde het heeft om het limitatieve stelsel van art. 4:3 lid 1 BW te vervangen door een gedeeltelijk open norm. Zie nog randnummer 3.39 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.37 Uit het voorgaande valt het volgende af te leiden. Het onverkort vasthouden aan de eis van een onherroepelijke veroordeling voor onwaardigheid leidt niet altijd tot een voor het rechtsgevoel bevredigende uitkomst. De rechtspraak kent verschillende gevallen waarin de rechter in bijzondere omstandigheden door toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft voorkomen dat een erfgenaam voordeel kon trekken uit de nalatenschap van de erflater. Door verschillende auteurs is gewezen op de samenloop van art. 8 EVRM en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Een verdragsconforme toepassing van art. 8 EVRM kan immers ook over de band van het leerstuk van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid worden gerealiseerd. Beide mogelijkheden lijken naast elkaar te bestaan, zij het dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid sowieso in beeld komt als er geen sprake is van family life in de zin van art. 8 EVRM. Om op dit punt voor de toekomst helderheid te verschaffen heeft De Vries al eerder een wetswijziging bepleit. Kamervragen over (het vonnis van de rechtbank in) de onderhavige zaak hebben ertoe geleid dat minister voor Rechtsbescherming Weerwind daadwerkelijk een wetswijziging van art. 4:3 BW heeft aangekondigd. Deze vragen en de aankondiging naar aanleiding daarvan komen hierna ter sprake in paragraaf (iv) waarin ik ook stilsta bij de maatschappelijke impact van deze zaak. (iv) de maatschappelijke impact van deze zaak 3.38 De onderhavige zaak, die ook wel bekend is komen te staan als ‘de Beuningse martelmoord’ en meer specifiek het vonnis van de rechtbank in deze zaak, heeft tot de nodige maatschappelijke consternatie geleid. Na het vonnis van de rechtbank verschenen verschillende nieuwsberichten waarin met ontzetting werd gereageerd op het feit dat [eiser] aanspraak kon maken op de erfenis van [betrokkene 1] . Op 24 september 2022 verscheen er bijvoorbeeld een artikel in de Gelderlander (een regionaal dagblad) met de kop “[eiser] martelde zijn vrouw tot ze dood ging: nu wil hij haar erfenis, kan dat zomaar?”</p>\n<p class=\"lf-p\">3.39 Naar aanleiding van dit krantenartikel zijn Kamervragen gesteld aan minister voor Rechtsbescherming Weerwind. Hem werd onder meer de vraag voorgelegd of hij het eens was met de stelling dat de uitkomst in de onderhavige zaak (in eerste aanleg), namelijk dat de dader toch mag erven, als zeer onrechtvaardig beschouwd kan worden en onacceptabel is voor de nabestaanden. De minister antwoordde dat hij, gezien het op dat moment nog lopende hoger beroep, niet specifiek kon ingaan op de onderhavige zaak, maar dat hij het in algemene zin eens was met de vragenstellers dat het “zeer onrechtvaardig voelt dat iemand van wie bewezen is verklaard dat hij zijn echtgenote om het leven heeft gebracht en daarvoor de maatregel tbs heeft opgelegd gekregen, nog aanspraak zou kunnen maken op haar erfenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor de overige nabestaanden is dit heel pijnlijk. Ik snap dan ook de maatschappelijke verontwaardiging die hierover is ontstaan”. Op de vraag of een wetswijziging nodig is opdat expliciet wordt gemaakt dat een dader – ontoerekeningsvatbaar of niet – geen voordeel kan hebben van zijn daad en dus niet kan erven van het slachtoffer dat is overleden, antwoordde de minister dat hij eerst het verdere verloop van de procedure wenste af te wachten. Inmiddels is een wetsvoorstel “onwaardigheid in het erfrecht” in interne voorbereiding. De exacte inhoud van dit wetsvoorstel is (nog) niet bekend, maar de minister heeft reeds ten tijde van het hoger beroep in de onderhavige zaak aangekondigd art. 4:3 lid 1 BW aan te passen zodat in de toekomst wordt uitgesloten dat iemand die tbs opgelegd heeft gekregen in verband met de moord op zijn vrouw, aanspraak kan maken op haar erfenis.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het laatste nieuws op dit vlak is dat de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Van Ooijen, minister voor Rechtsbescherming Weerwind en minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Dijkgraaf op 7 juni 2024 een plan van aanpak ter voorkoming van femicide aan de Tweede Kamer hebben gestuurd, waaruit is op te maken dat deze cassatieprocedure met belangstelling wordt gevolgd. De uitspraak van Uw Raad in deze zaak “zal worden betrokken bij de besluitvorming over een eventuele wijziging van beleid en/of regelgeving, specifiek artikel 4:3 BW”.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.40 Een dergelijke wetswijziging wordt door verschillende auteurs aanbevolen en/of toegejuicht. De Vries heeft, zoals hiervoor al aan de orde kwam, gepleit voor de invoering van een gedeeltelijk open norm en voor aanpassing van enkele bestaande – en toevoeging van nieuwe – onwaardigheidsgronden. Hiermee zou de civiele rechter meer mogelijkheden krijgen om, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en buiten de uitdrukkelijk in de wet genoemde onwaardigheidsgronden, tot onwaardigheid te komen. Voor een zaak als de onderhavige is in ieder geval ook de door haar voorgestelde (nieuwe) tekst van art. 4:3 lid 1 onder a BW relevant: “hij van wie de strafrechter bewezen heeft verklaard dat hij de erflater opzettelijk heeft omgebracht, dan wel bewezen heeft verklaard dat hij een misdrijf heeft gepleegd tegen de erflater met zijn dood tot gevolg”. Onder dit regime zou de persoon die de erflater heeft omgebracht maar in verband hiermee is ontslagen van alle rechtsvervolging onwaardig zijn om te erven. Ook Diks &amp; Lavrijssen bepleiten een aanpassing waardoor de civiele rechter meer mogelijkheden krijgt om een erfgenaam onwaardig te verklaren, ook als deze persoon niet strafrechtelijk is veroordeeld. Brans &amp; Raaijmakers zitten op hetzelfde spoor. Ook zij bepleiten een aanpassing van art. 4:3 lid 1 sub a BW zodat een erfgenaam ook bij ontslag van alle rechtsvervolging geen voordeel kan genieten uit de nalatenschap van de erflater.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.41 Voor mij is de vraag of wetswijziging werkelijk nodig is. Wat mij betreft, maar daarover zal de (uitkomst van de) onderhavige procedure ook uitsluitsel kunnen bieden, kunnen we in de meeste gevallen goed uit de voeten met de huidige wettekst. In uitzonderingsgevallen kan zo nodig via art. 8 EVRM en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een redelijke uitkomst worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.42 Niet verrassend is dat ook de onderhavige zaak zelf in de literatuur de nodige reacties heeft uitgelokt. De teneur van deze reacties is dat men de uitkomst bij het hof eigenlijk steeds onderschrijft. Dat neemt niet weg dat in een enkele bijdrage wel kanttekeningen worden geplaatst bij de wijze waarop het hof tot zijn eindoordeel is gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.43 Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor De Vries. Volgens haar is de uitkomst van het arrest van het hof ( [eiser] erft niet), gelet op de feiten en omstandigheden, niet meer dan gerechtvaardigd en strookt deze met het rechtsgevoel. Van de wijze waarop het hof tot zijn oordeel is gekomen, lijkt zij minder overtuigd. Uit ‘de Roemeense erflater’ volgt, zoals het hof in het bestreden arrest ook in rov. 3.25. en 3.28. heeft opgemerkt, dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling de rechtszekerheid dient. Uit ‘de Roemeense erflater’ volgt eveneens, aldus De Vries, dat een verdragsstaat die bepalingen over onwaardigheid heeft opgenomen in zijn nationale wet deze conform hun bedoeling moet uitleggen. Nu de wetgever niet de bedoeling heeft gehad om een niet-strafbare dader onder het bereik van art. 4:3 lid 1 sub a BW te brengen, is het de vraag of het hof uiteindelijk die bepaling wel, zoals volgens het EVRM verlangd mag worden, naar haar bedoeling heeft uitgelegd waar het uiteindelijk de eis van een strafrechtelijke veroordeling opzij heeft gezet op basis van een verdragsconforme uitleg van art. 4:3 lid 1 onder a BW. Om een einde te maken aan dergelijke onzekerheid die het huidige regime waarin zo nodig verdragsconforme uitleg uitkomst moet brengen nu eenmaal met zich brengt, heeft De Vries voorgesteld om art. 4:3 lid 1 BW aan te passen. Zie hierover randnummers 3.35 en 3.40 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.44 Ook Diks heeft zich positief uitgelaten over het eindoordeel van het hof, maar tegelijkertijd, onder andere in een publicatie samen met Lavrijssen een kanttekening geplaatst bij de motivering van het hof. Naar hun oordeel had het hof art. 8 EVRM niet bij zijn beoordeling hoeven te betrekken nu in de Nederlandse rechtspraak al was aangenomen dat de in art. 4:3 lid 1 BW opgenomen onwaardigheidsgronden onder de noemer van de redelijkheid en billijkheid konden worden opgerekt. Van Wijk-Verhagen heeft zich hierbij aangesloten.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.45 De strekking van deze kanttekeningen bij het arrest van het hof is dus niet dat de uitkomst waartoe het hof is gekomen, niet deugt. Het komt erop neer dat men zich afvraagt waarom het hof voor de route van art. 8 EVRM heeft gekozen, terwijl het gewenste resultaat ook langs de route van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zou kunnen worden bereikt.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.46 Dat laatste is op zich wel juist; het hof had art. 8 EVRM er niet bij hoeven betrekken om tot de bereikte uitkomst te komen. Dat had inderdaad ook gekund over de band van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Tegelijkertijd kunnen deze beide routes ook weer niet helemaal los van elkaar gezien worden, via de open norm van (de beperkende werking van) de redelijkheid en billijkheid kan art. 8 EVRM immers ook een rol spelen. Bovendien is in deze zaak door [verweerder] uitdrukkelijk een beroep op art. 8 EVRM gedaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">3.47 Ik sluit hiermee de inleidende opmerkingen af en kom nu toe aan de behandeling van de door [eiser] geformuleerde klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep 4.1 In cassatie gaat het om het oordeel van het hof dat [eiser] onwaardig is om uit de nalatenschap van [betrokkene 1] voordeel te trekken en dat hem geen aanspraak toekomt op haar nalatenschap (hierna: ‘het onwaardigheidsoordeel’). Het middel komt hier met zeven onderdelen, geletterd A tot en met G, tegen op. Onderdeel A stelt dat het hof zijn onwaardigheidsoordeel vanwege enkele cruciale verschillen met de zaak van de Roemeense erflater niet had mogen baseren op die zaak en hiermee een te ruime toepassing aan art. 8 EVRM heeft gegeven. Volgens onderdeel B, dat bestaat uit zes klachten, heeft het hof met zijn onwaardigheidsoordeel miskend dat de wetgever een duidelijke keuze heeft gemaakt voor een strafrechtelijke veroordeling als vereiste voor onwaardigheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Volgens onderdeel C, dat uiteenvalt in twee subonderdelen met ieder enkele eigen klachten, heeft het hof in de motivering van zijn onwaardigheidsoordeel onvoldoende het family life van [eiser] gewogen en heeft het ten onrechte enkele niet ter zake doende omstandigheden meegewogen die bovendien niet in het wettelijke stelsel passen. Onderdeel D stelt dat het onwaardigheidsoordeel geen effectieve en proportionele maatregel is in de zin van het EVRM. Met onderdeel E, dat uiteenvalt in twee subonderdelen, ieder met eigen klachten, stelt [eiser] dat het hof met zijn onwaardigheidsoordeel buiten zijn bevoegdheid is getreden op een wijze die niet aansluit bij de wetsgeschiedenis en de opvattingen in andere verdragstaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel F bevat een herhaling van onderdelen A tot en met E maar dan voor zover het oordeel van het hof zou zijn gebaseerd op een rechtsverhouding beheerst door de redelijkheid en billijkheid die zou meebrengen dat [eiser] zijn rechten als erfgenaam niet geldend kan maken. Onderdeel G bevat een veegklacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.2 Voordat ik begin met een bespreking van de klachten merk ik nog het volgende op. Het hof heeft geoordeeld dat, gezien het bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM en de bijzondere omstandigheden van deze zaak, een redelijke wetstoepassing in dit geval meebracht dat bij toepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven zodat [eiser] onwaardig is om voordeel te trekken uit de nalatenschap van [betrokkene 1] (rov. 3.32.). Een groot deel van de klachten van [eiser] valt dit oordeel aan en richt zich vooral op de wijze waarop het hof art. 8 EVRM bij zijn oordeel heeft betrokken. Zoals ik hiervoor in randnummers 3.32-3.34 heb toegelicht, kan ook met behulp van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de bijzondere omstandigheden van het geval worden voorkomen dat een persoon, hoewel strikt genomen niet (volledig) is voldaan aan (een van de gronden van) art. 4:3 lid 1 BW, van de erflater erft.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een dergelijk oordeel kon in dit specifieke geval worden gedragen door de feiten die het hof in rov. 3.30.-3.31. heeft vastgesteld ter onderbouwing van de door hem aangenomen op art. 8 EVRM gebaseerde redelijke wetstoepassing. Ook deze techniek komt hier niet neer op het ecarteren van het vereiste van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling uit de wet maar houdt ‘slechts’ in dat dat vereiste in de bijzonderheden van het geval buiten toepassing blijft. Dat doet wat mij betreft vragen rijzen over het belang van [eiser] bij de klachten waarmee hij het onwaardigheidsoordeel van het hof aanvalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">A. “De zaak van de Roemeense erflater verschilt op cruciale punten van onderhavige zaak”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.3 Onderdeel A is gericht tegen rov. 3.23. tot en met 3.33. van het bestreden arrest. Volgens het onderdeel heeft het hof in deze rechtsoverwegingen ‘de Roemeense erflater’ betrokken bij zijn beoordeling en heeft het op basis daarvan geoordeeld dat het van de wet kan afwijken, zodat [eiser] ondanks het gebrek aan strafrechtelijke veroordeling toch onwaardig is voordeel te trekken uit [betrokkene 1] ’s nalatenschap. Met deze rechtsoverwegingen heeft het hof miskend dat de situatie in ‘de Roemeense erflater’ en de daarop betrekking hebbende overwegingen van het EHRM in die zaak op cruciale punten verschillen van de situatie in onderhavige zaak. Het hof is daarmee uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting door een te ruime toepassing te geven aan art. 8 EVRM, althans heeft zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel licht dit als volgt toe.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.4 ‘ ‘De Roemeense erflater’ heeft betrekking op een dader, van wie volgens het EHRM voor zijn familie en de autoriteiten vaststond dat hij schuldig was aan moord op zijn vrouw en schoonmoeder, terwijl de beoordeling door de strafrechter en de daaruit voortvloeiende veroordeling daarvoor ontbrak omdat hij, voordat het tot vervolging kon komen, zelfmoord had gepleegd. Dit is door het EHRM in rov. 130., 131. en 133. van het arrest aangeduid als een “zeer bijzondere situatie” waarin de dader ten onrechte door de Roemeense rechter niet als onwaardig was beoordeeld. Hierbij speelde (on)toerekeningsvatbaarheid van de dader geen enkele rol. Het onderdeel wijst vervolgens op de volgende zes (cruciale) punten waarop de zaak van de Roemeense erflater verschilt van de onderhavige zaak:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(i) in het geval van [eiser] gaat het om een zaak die wel is beoordeeld door de strafrechter. Hierdoor staat in rechte vast dat het gaat om iemand ( [eiser] ) die volgens ons strafrecht niet voor zijn daad veroordeeld is omdat hem volgens deskundigen (de psychiater en de klinisch psycholoog) geen verwijt kon worden gemaakt van hetgeen hij deed tijdens een psychose. In het geval van [eiser] heeft dus de door de wet vereiste beoordeling door de strafrechter (zijnde een, volgens het EHRM, gerechtvaardigde inperking op grond van art. 8 lid 2 EVRM van family life) nu juist wel plaatsgevonden. [eiser] is volgens het onherroepelijke oordeel van de strafrechter ontoerekeningsvatbaar verklaard en dus niet veroordeeld. Daardoor is het ook uitgesloten dat hij op enig moment in de toekomst alsnog zal worden veroordeeld voor het feit dat hij [betrokkene 1] van het leven heeft beroofd (ne bis in idem-beginsel);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(ii) in het geval van [eiser] ontbreekt daarmee ook de door het EHRM in rov. 132. als onaanvaardbaar aangeduide situatie dat de ontoelaatbaarheid van de gedragingen van de dader zonder gevolg zou blijven. Bij [eiser] heeft strafvervolging plaatsgevonden en berechting in twee feitelijke instanties. Daarmee ontbreekt ook de door het EHRM genoemde noodzaak van een duidelijke boodschap aan de publieke opinie dat de autoriteiten niet bereid zijn dergelijke handelingen te tolereren. Die boodschap is met de strafrechtelijke vervolging van [eiser] gegeven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(iii) het EHRM heeft in rov. 130. een drietal bijzondere omstandigheden meegewogen op grond waarvan het oordeelde dat geen enkele twijfel bestond over de schuld van Aurel A. Het gaat om (a) de vaststelling van het openbaar ministerie waarbij Aurel A. als dader werd aangewezen, (b) de bekentenis van Aurel A. zelf dat hij de moord heeft gepleegd en (c) de erkenning van zijn schuld door zijn familie. Het hof heeft deze door het EHRM als cruciaal bestempelde bijzonderheden niet (op de juiste wijze) meegewogen. Het hof heeft ten eerste in rov. 3.25. niet de vaststelling door de autoriteiten van de schuld van Aurel A. genoemd. Voorts heeft het hof miskend dat de bijzonderheden (a) tot en met (c) maakten dat volgens het EHRM de schuld van Aurel A. vaststond en dat gegeven ontbreekt nu juist in onderhavige zaak, waarin de strafrechter heeft geoordeeld dat [eiser] niet schuldig is omdat een schulduitsluitingsgrond (ontoerekeningsvatbaarheid) van toepassing was. Bij Aurel A. ontbrak het slechts aan een formeel oordeel van een rechter terwijl alle elementen voor een veroordeling aanwezig waren. Bij [eiser] is er juist wel een rechterlijk oordeel en blijkt daaruit dat in zijn geval een cruciaal element ontbreekt zodat hij niet veroordeeld kon worden;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(iv) bovendien deed zich in de zaak die ten grondslag ligt aan ‘de Roemeense erflater’ de bijzonderheid voor dat Aurel A., door zelfmoord te plegen, zelf bewerkstelligde dat er geen strafrechtelijke veroordeling kon plaatsvinden. Die bijzonderheid ontbreekt ook in de onderhavige zaak. [eiser] heeft er niet zelf de hand in gehad dat het niet tot een strafrechtelijke veroordeling is gekomen. Integendeel. Blijkens rov. 6 van het strafvonnis (De strafbaarheid van de verdachte), huldigde de officier van justitie het standpunt dat [eiser] door zijn waanstoornis volledig los stond van de realiteit en daarom geheel ontoerekeningsvatbaar diende te worden verklaard. De verdediging heeft hierover geen standpunt ingenomen en [eiser] heeft zelf ter zitting verklaard dat hij geen waanstoornis, persoonlijkheidsstoornis of psychose had. Hij heeft er, zo bekeken, niet op aangestuurd dat een veroordeling achterwege zou blijven vanwege ontoerekeningsvatbaarheid en in het ontbreken van een veroordeling dus, anders dan Aurel A., ook niet zelf de hand gehad;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(v) voorts betrof de afweging van belangen in ‘de Roemeense erflater’ de afweging tussen enerzijds het kunnen erven van de vader en de zus uit de nalatenschap van het slachtoffer en anderzijds het veel verder weg gelegen belang van de zwager van het slachtoffer om via zijn broer Aurel A. van haar te erven. Dit maakt dat andere grootheden gewogen worden in de Roemeense zaak dan in onderhavige zaak, waar het belang van de gekozen levenspartner van de erflater ( [eiser] ) om te erven staat tegenover het belang van de broer van erflater. Het EHRM kent aan de broer-zus relatie minder gewicht toe voor wat betreft de bescherming die aan art. 8 EVRM kan worden ontleend. Hierbij verwijst het onderdeel vooruit naar subonderdeel C.1;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>(vi) daarnaast heeft het hof miskend dat gewicht toekomt aan het feit dat verschillende verdragsstaten bij het EVRM alle uitgaan van het feit dat ontoerekeningsvatbaarheid in de weg staat aan onwaardigheid. Het onderdeel verwijst hierbij vooruit naar subonderdeel E.2.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.5 Het onderdeel faalt om verschillende redenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.6 Ten eerste kan het onderdeel niet worden gevolgd in zijn stelling dat het hof door te verwijzen naar ‘de Roemeense erflater’ een te ruime toepassing heeft gegeven aan art. 8 EVRM. Zoals blijkt uit randnummer 3.29 hiervoor is ‘de Roemeense erflater’ het enige arrest waarin het EHRM zich heeft uitgelaten over de toepassing van art. 8 EVRM in de situatie waarin de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid een rol speelde. Het is om deze reden lastig om te bepalen wat de reikwijdte van ‘de Roemeense erflater’ precies is. Uit het arrest is in ieder geval af te leiden dat art. 8 EVRM aan de orde kan komen in civiele geschillen waarin een onwaardigheidsbepaling een rol speelt en zelfs kan meebrengen dat een door een nationaalrechtelijke onwaardigheidsbepaling gesteld vereiste buiten toepassing blijft in bijzondere omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tegelijkertijd beperkt het EHRM zich in ‘de Roemeense erflater’ tot een heel specifiek geval. Dit betekent echter niet dat art. 8 EVRM in zijn betekenis tot dat ene specifieke geval beperkt is. Wat mij betreft heeft het hof art. 8 EVRM in de onderhavige zaak toegepast binnen de door het EHRM geformuleerde algemene uitgangspunten uit ‘de Roemeense erflater’. Het heeft geoordeeld dat het erfrecht tussen naaste familieleden nauw verbonden is met family life en dat het erfrecht hier een niet te verwaarlozen onderdeel van vormt (rov. 3.26.). Het heeft vervolgens oog gehad voor het feit dat de onwaardigheidsgrond van art. 4:3 lid 1 onder a BW moet worden toegepast op een wijze die overeenstemt met het doel daarvan, waarbij het hof de nadruk heeft gelegd op de rechtszekerheid, en dat hier tot op zekere hoogte aan voldaan is omdat een strafrechter heeft vastgesteld dat [eiser] [betrokkene 1] opzettelijk om het leven heeft gebracht en enig inzicht in zijn handelen heeft gehad (rov. 3.25. en 3.28.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat de strafrechter heeft geoordeeld dat [eiser] zelf niet strafbaar was, heeft het hof erkend, maar gezien de bijzondere omstandigheden van deze zaak heeft het de eis van een strafrechtelijke veroordeling van art. 4:3 lid 1 onder a BW, buiten toepassing gelaten om een te restrictieve en mechanische wetstoepassing te voorkomen (rov. 3.29.-3.32.). Ten aanzien van het door het EHRM geformuleerde uitgangspunt dat een onwaardigheidsbepaling moet worden toegepast in overeenstemming met haar doel, merk ik nog op dat het hof met zijn oordeel dat [eiser] uiteindelijk toch onwaardig is om voordeel te trekken uit de nalatenschap van [betrokkene 1] naar alle waarschijnlijkheid recht heeft gedaan aan de vermoedelijke wil van [betrokkene 1] als erflater (randnummer 3.3 hiervoor).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo bekeken zou het art. 4:3 lid 1 onder a BW naar zijn doelstelling hebben toegepast. Aangenomen mag worden dat [betrokkene 1] niet had gewild dat [eiser] van haar zou erven als zij had geweten wat [eiser] haar zou gaan aandoen, ongeacht of hij daarbij onder invloed van een psychose zou handelen of niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.7 Ten tweede gaat het onderdeel uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest voor zover het betoogt dat het hof op grond van ‘de Roemeense erflater’, zonder aandacht te hebben gehad voor de verschillen tussen de zaak die aan dat arrest ten grondslag ligt en de onderhavige zaak, heeft geoordeeld dat het van art. 4:3 lid 1 onder a BW kon afwijken, zodat [eiser] , ondanks het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling, toch onwaardig was om van [betrokkene 1] te erven. Met andere woorden: het onderdeel lijkt te betogen dat het hof tot dit oordeel ( [eiser] is, ondanks het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling, toch onwaardig) is gekomen enkel omdat het EHRM in de zaak van de Roemeense erflater tot eenzelfde oordeel kwam, zonder belang te hechten aan de feitelijke verschillen tussen beide zaken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit is echter niet het geval. Het hof heeft wel degelijk oog gehad voor de genoemde verschillen. Het hof heeft in rov. 3.23. opgemerkt dat [verweerder] voor de uitleg en toepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW expliciet een beroep heeft gedaan op art. 2 en art. 8 EVRM en op ‘de Roemeense erflater’. Vervolgens heeft het hof kort uiteengezet waar het in de aan dat arrest ten grondslag liggende zaak om ging, hoe art. 8 EVRM luidt en wat het EHRM in het ‘de Roemeense erflater’ heeft geoordeeld (rov. 3.23. tot en met 3.26.). Hierna heeft het hof uit ‘de Roemeense erflater’ enkele algemene uitgangspunten afgeleid, namelijk dat art. 8 EVRM in erfrechtelijke kwesties van toepassing is en de nationale rechter zich dient te onthouden van een uitleg van de nationale wet die niet verenigbaar is met positieve verplichtingen voortvloeiende uit en onderliggende beginselen van het EVRM (rov. 3.26.), dat toepassing van art. 8 EVRM een belangenafweging vereist (rov. 3.27.) en dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid de rechtszekerheid dient (rov. 3.28.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals in randnummer 3.30 is uiteengezet, kon het hof deze uitgangspunten uit ‘de Roemeense erflater’ afleiden. Vervolgens heeft het hof in het licht van deze uitgangspunten de onderhavige zaak beoordeeld en heeft het geoordeeld dat een juist evenwicht tussen het belang van [eiser] en het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde belang van [verweerder] ontbreekt als geen rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheden van de relatie van [eiser] met [betrokkene 1] en van [eiser] met [verweerder] en zijn familie, waarna het deze bijzondere omstandigheden specifiek heeft benoemd (rov. 3.28. tot en met 3.32.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.8 Uit het voorgaande volgt reeds dat de door het onderdeel genoemde “cruciale verschillen” niet kunnen leiden tot het oordeel dat het hof heeft miskend dat de situatie in de zaak (en het arrest) van de Roemeense erflater op cruciale punten verschilt met onderhavige zaak en daarmee een te ruime toepassing van art. 8 EVRM heeft gegeven. Het hof heeft enkele algemene uitgangspunten overgenomen uit ‘de Roemeense erflater’ en vervolgens zelf een belangenafweging gemaakt in de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak. Het enkele feit dat die omstandigheden verschillen van de omstandigheden die het EHRM heeft gewogen, maakt niet dat het hof in het bestreden arrest een te ruime toepassing aan art. 8 EVRM heeft gegeven en zoals ik in randnummer 4.6 hiervoor heb toegelicht acht ik de wijze waarop het hof art. 8 EVRM in deze zaak heeft toegepast juist en het daarop gebaseerde oordeel begrijpelijk. Ik merk, ten overvloede, in verband met de aangevoerde verschillen nog het volgende op:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>wat betreft verschil (i), geldt dat het hof wel degelijk voor ogen heeft gehad dat [eiser] strafrechtelijk is vervolgd en de strafrechter heeft geoordeeld dat [eiser] [betrokkene 1] om het leven heeft gebracht maar hiervoor is ontslagen van alle rechtsvervolging (rov. 3.29.-3.30.). Het hof heeft uiteindelijk echter geoordeeld dat, gezien het bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM en de bijzondere omstandigheden die het in rov. 3.30.-3.31. heeft genoemd, een redelijke wetstoepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW in de onderhavige zaak ertoe leidt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ten aanzien van verschil (ii) merk ik op dat het EHRM in rov. 132. van ‘de Roemeense erflater’ slechts heeft overwogen dat niet kon worden aanvaard dat na de dood van Aurel A. zijn onrechtmatige handelingen zonder gevolg zouden blijven omdat er geen vervolging kon plaatsvinden vanwege zijn zelfmoord. Een verdragsstaat moet, aldus het EHRM, een duidelijk signaal afgeven dat hij dergelijk onrechtmatig gedrag niet tolereert en daarom achtte het EHRM het gerechtvaardigd dat in die zaak erfrechtelijke gevolgen werden toegekend aan de onrechtmatige handelingen van Aurel A. Hieruit kan niet worden afgeleid dat toepassing van art. 8 EVRM in een onwaardigheidszaak slechts tot erfrechtelijke gevolgen kan leiden als de onwaardige persoon in het geheel niet strafrechtelijk is vervolgd en daardoor evenmin strafrechtelijk is veroordeeld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>de in verband met verschil (iii) aangehaalde omstandigheden (a) tot en met (c) betreffen bijzondere omstandigheden van de zaak die ten grondslag lag aan ‘de Roemeense erflater’. Zoals ik reeds in randnummer 4.6 hiervoor heb toegelicht, kan uit dat arrest niet de conclusie worden getrokken dat art. 8 EVRM met zich brengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor een onwaardigheidsverklaring slechts buiten toepassing blijft als aan de in het arrest genoemde bijzondere omstandigheden is voldaan. Daarnaast geldt ook hier dat het hof wel degelijk voor ogen heeft gehad dat [eiser] is ontslagen van alle rechtsvervolging waardoor hij niet strafbaar is en daarom ook niet strafrechtelijk is veroordeeld;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>uit ‘de Roemeense erflater’ blijkt niet, anders dan [eiser] met verschil (iv) aanvoert, dat het volgens het EHRM in alle gevallen vereist is dat de (mogelijk) onwaardige erfgenaam zelf de hand heeft gehad in het feit dat een strafrechtelijke vervolging niet heeft plaatsgevonden. Dat deze omstandigheid ontbreekt in de onderhavige zaak is dan ook niet relevant voor het uiteindelijke oordeel van het hof dat [eiser] toch onwaardig is, ondanks het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>ten aanzien van verschil (v) geldt dat uit ‘de Roemeense erflater’ niet volgt dat indien sprake is van andere familierelaties het hof niet tot een onwaardigheidsverklaring kon komen. Voor zover [eiser] met verschil (v) verwijst naar subonderdeel C.1, verwijs ik naar mijn bespreking van dat subonderdeel. Zie randnummers 4.25-4.31 hierna. Hierbij merk ik op dat subonderdeel C.1 mijns inziens faalt;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>[eiser] verwijst met verschil (vi) naar subonderdeel E.2. Zie voor de bespreking daarvan randnummers 4.51-4.53 hierna, waaruit blijkt dat subonderdeel E.2 wat mij betreft faalt.</div>\n<p class=\"lf-p\">B. “Het hof miskent de door de wetgever gemaakte keuze voor een doorslaggevende invloed van de elementen die noodzakelijk zijn voor een strafrechtelijke veroordeling”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.9 Onderdeel B is gericht tegen rov. 3.22. en rov. 3.28. tot en met 3.31. van het bestreden arrest en bevat zes klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.10 De eerste klacht van onderdeel B is gericht tegen rov. 3.29. Het hof heeft hierin overwogen dat met de uitkomst van de strafrechtelijke procedure, zonder te letten op het eindresultaat van ontoerekeningsvatbaarheid, vaststaat dat [eiser] de daad heeft gepleegd “waaraan art. 4:3 lid 1 onder a BW onwaardigheid verbindt”. Dit oordeel is volgens de klacht rechtens onjuist en onbegrijpelijk. De wetgever heeft met art. 4:3 lid 1 onder a BW immers juist niet onwaardigheid verbonden aan het enkele feit dat [eiser] volgens de strafrechter de daad heeft gepleegd, maar aan een veroordeling. Daarvoor is naar algemeen aanvaarde strafrechtelijke maatstaven meer vereist dan dat de verdachte de daad heeft gepleegd. Vereist is dat de verdachte ook een verwijt kan worden gemaakt. Dat is bij volledige ontoerekeningsvatbaarheid niet het geval en het door het hof in rov 3.29. genoemde “(enig) inzicht” in zijn handelen is onvoldoende om een dergelijk verwijt te rechtvaardigen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.11 De klacht faalt omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Rov. 3.29. moet worden gelezen in samenhang met rov. 3.15. en 3.30. In rov. 3.15. heeft het hof weergegeven waaraan een strafrechtelijke veroordeling moet voldoen. Daarin heeft het ook opgenomen dat de dader een verwijt moet kunnen worden gemaakt (voorwaarde 4): “3.15. (…) Voor een strafrechtelijke veroordeling is nodig een (1) menselijke gedraging die (2) valt onder een delictsomschrijving die (3) wederrechtelijk is en (4) aan de schuld van de dader te verwijten is. De eerste drie eisen zien op de gedraging, de vierde op de persoon van de dader. Er kunnen strafuitsluitingsgronden zijn die de wederrechtelijkheid (rechtvaardigingsgrond) of de schuld (schulduitsluitingsgrond) wegnemen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.12 In rov. 3.29. heeft het hof overwogen dat uit het strafvonnis blijkt dat [eiser] [betrokkene 1] opzettelijk om het leven heeft gebracht. Dit oordeel ziet op de eerste drie voorwaarden die door het hof in rov. 3.15. zijn genoemd. Ten aanzien van die voorwaarden, “in zoverre” aldus het hof in rov. 3.29., is voldaan aan de eis dat voor onwaardigheid een strafrechtelijke veroordeling nodig is en staat vast dat aan die vereisten (die zien op de daad) in de onderhavige zaak is voldaan. In dit licht moet de laatste zin van rov. 3.29. worden gelezen waarin het hof heeft geoordeeld dat “volgens de regels van het Wetboek van Strafrecht en van Strafvordering wordt bepaald of hij de ‘daad’ heeft gepleegd waaraan artikel 4:3 lid 1 onder a BW onwaardigheid verbindt.” Vervolgens heeft het hof zich in rov. 3.30. gericht op de vierde voorwaarde die nodig is voor een strafrechtelijke veroordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dit blijkt ook uit de eerste zin van die rechtsoverweging: “De eis van een strafrechtelijke veroordeling dient er verder toe dat in een strafrechtelijke procedure wordt vastgesteld dat de dader strafbaar is”. Daarna heeft het hof vastgesteld dat [eiser] niet strafrechtelijk veroordeeld is omdat hij ontoerekeningsvatbaar was op het moment dat hij [betrokkene 1] van het leven beroofde. Vervolgens heeft het toegelicht waarom het toch tot het oordeel is gekomen dat art. 8 EVRM in het onderhavige geval meebrengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven. Uit het voorgaande volgt dat het hof dus wel degelijk oog heeft gehad voor het feit dat met een strafrechtelijke veroordeling is vereist dat is komen vast te staan dat de dader de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd en dat hij strafbaar is omdat hem een verwijt kan worden gemaakt.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.13 Volgens de tweede klacht van onderdeel B heeft het hof uit het oog verloren dat onwaardigheid in de zin van art. 4:3 lid 1 onder a BW door de eis van een strafrechtelijke veroordeling juist ook over de (strafbaarheid van de) persoon gaat en niet sec over de daad. Het hof heeft daarom ten onrechte, in de woorden van de klacht, aan het slot van rov. 3.22. overwogen dat het bij de erfrechtelijke onwaardigheid gaat om de gedraging. Dat sluit bovendien niet aan bij rov. 3.15., 3.18., 3.22.-3.23. en 3.30. over de reikwijdte van (het vereiste van) een strafrechtelijke veroordeling en de strekking van art. 4:3 lid 1 onder a BW, waarin het gaat om de (strafbare) dader, waardoor het arrest innerlijk tegenstrijdig is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.14 Ook deze klacht is tevergeefs voorgesteld. Zoals blijkt uit randnummers 4.11-4.12 hiervoor heeft het hof wel degelijk oog gehad voor het feit dat een strafrechtelijke veroordeling ook over de strafbaarheid van de persoon gaat en niet alleen over die van de gedraging. Evenmin kan de klacht worden gevolgd in haar stelling dat het bestreden arrest innerlijk tegenstrijdig is. Het hof heeft aan het slot van rov. 3.22. niet geoordeeld dat het bij de erfrechtelijke onwaardigheid gaat om de gedraging. Het hof heeft daar overwogen dat de wetgever de mogelijkheid dat ‘de dader’ niet strafrechtelijk is veroordeeld maar is ontslagen van alle rechtsvervolging, bijvoorbeeld vanwege een psychische stoornis, niet onder ogen heeft gezien bij de totstandkoming van art. 4:3 lid 1 onder a BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Mogelijk doelt de klacht juist op het begin van rov. 3.22. nu het hof juist daar heeft geoordeeld dat de strekking van de regels over erfrechtelijke onwaardigheid is dat bepaalde gedragingen of feiten, zoals het ombrengen van de erflater, zo ernstig zijn dat deze ertoe leiden dat de dader wordt uitgesloten van de nalatenschap van die erflater. Het gaat daarbij volgens het hof “om de gedraging”. De klacht miskent echter dat het hof direct daarna wel degelijk ook de eis van de strafbaarheid van de dader benoemt: “De eis van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling dient ertoe juridisch vast te stellen dat de ‘dader’ de feiten heeft gepleegd en dat hij strafbaar is”. Ten slotte merk ik nog op dat het hof de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid niet categorisch opzij heeft gezet en heeft geoordeeld dat onwaardigheid moet volgen in alle gevallen waarin de erfgenaam volledig ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor het om het leven brengen van de erflater.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is vanwege de bijzondere omstandigheden van dit geval (rov. 3.30.-3.31.) tot het oordeel gekomen dat [eiser] , ondanks de eis van een strafrechtelijke veroordeling, onwaardig is om te erven van [betrokkene 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.15 De derde klacht is gericht tegen rov. 3.28. en 3.29. Het hof heeft hierin overwogen dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling van art. 4:3 lid 1 onder a BW de rechtszekerheid dient, maar heeft daarna overwogen (a) dat onverkort vasthouden aan een strafrechtelijke veroordeling vanwege de rechtszekerheid, afbreuk doet aan het familieleven van [verweerder] (rov. 3.28.) en (b) dat ook door het enkele vaststellen door de strafrechter dat de daad door [eiser] is begaan, zonder daarbij te letten op het uiteindelijke oordeel van ontoerekeningsvatbaarheid, toch voldaan is aan de eis van rechtszekerheid en afdoende rekening wordt gehouden met het belang van [eiser] (rov. 3.29.). Het hof heeft hiermee miskend, althans heeft onvoldoende (kenbaar) meegewogen, dat het bij uitstek in strijd met de door het EHRM in rov. 128. en 131. van zijn arrest van de Roemeense erflater genoemde rechtszekerheid is, en in strijd met de belangen van [eiser] , wanneer in een geval waarin een onherroepelijk strafrechtelijk oordeel van ontoerekeningsvatbaarheid bestaat, daaraan door het hof in een civiele zaak geen (kenbaar) belang of althans niet het juiste gewicht wordt toegekend.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.16 Deze klacht faalt. Zij mist feitelijke grondslag voor zover zij stelt onder (b) dat het hof heeft geoordeeld dat door het enkele vaststellen door de strafrechter dat de daad door [eiser] is begaan is voldaan aan de eis van rechtszekerheid en afdoende rekening wordt gehouden met het belang van [eiser] , zonder daarbij te letten op het uiteindelijke oordeel van ontoerekeningsvatbaarheid. Uit rov. 3.30. blijkt dat het hof wel degelijk rekening heeft gehouden met het oordeel van de strafrechter dat [eiser] ontoerekeningsvatbaar is verklaard en hij daarom niet strafrechtelijk is veroordeeld. Daarvóór heeft het hof echter overwogen dat de strafrechter wel heeft geoordeeld dat [eiser] [betrokkene 1] opzettelijk om het leven heeft gebracht en dat in “zoverre” dus is voldaan aan de eis van rechtszekerheid (rov. 3.29.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Vervolgens is het hof, gezien de bijzondere omstandigheden die het heeft genoemd in rov. 3.30.-3.31., tot het oordeel gekomen dat een juist evenwicht tussen het belang van [eiser] en het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde belang van [verweerder] (respect voor zijn family life) ontbreekt als in deze zaak geen rekening zou worden gehouden met de bijzondere omstandigheden die zien op de relatie van [eiser] met [betrokkene 1] en van [eiser] met [verweerder] en zijn familie. Daarmee heeft het hof ook geoordeeld dat het oordeel van de strafrechter dat [eiser] ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor de doodslag van [betrokkene 1] , gezien deze omstandigheden, van onvoldoende gewicht is om tot het oordeel te kunnen komen dat [eiser] niet onwaardig is om te erven van [betrokkene 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Zoals blijkt uit randnummers 3.30-3.31 hiervoor, kon het hof uit ‘de Roemeense erflater’ afleiden dat het op grond van bijzondere omstandigheden de eis van een onherroepelijke veroordeling opzij kon zetten. Het voorgaande betekent dat de klacht niet kan worden gevolgd in haar stelling dat het hof geen (kenbaar) belang of althans niet het juiste gewicht heeft toegekend aan het oordeel van de strafrechter dat [eiser] ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor de doodslag van [betrokkene 1] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.17 Volgens de vierde klacht denatureert het hof met dit “cherrypicken” uit het strafvonnis het oordeel van de strafrechter. Het hof heeft geen (kenbaar) belang toegekend aan hetgeen het in (beide) rov. 3.6. van het bestreden arrest heeft overwogen, waarin het heeft geciteerd uit het strafvonnis. Dit brengt mee dat de weging van het hof in rov. 3.30. en 3.31. van de gedragingen van [eiser] , voor zover juridisch mogelijk (hierbij verwijst de klacht naar onderdeel C), in het verkeerde, onvolledige, kader is gebeurd en onvoldoende is gemotiveerd, in het bijzonder waar het hof zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de invloed van de psychose over een langere periode. Hierbij wijst de klacht nog op het volgende:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>volgens het oordeel van de strafrechter, zoals door het hof opgenomen in (beide) rov. 3.6., staat vast dat de daden van [eiser] niet aan hem zijn te verwijten omdat het ombrengen van [betrokkene 1] voortvloeide uit een psychose in de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015;</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>in (beide) rov. 3.6. van het bestreden arrest heeft het hof voorts ten onrechte niet, althans niet kenbaar, rekening gehouden met de in het strafvonnis in rov. 2 onder het kopje “Psychische toestand verdachte” opgenomen informatie. De strafrechter heeft daarin overwogen dat getuige 2 en de broer van [eiser] hebben verklaard dat de achtervolgingswaan van [eiser] tijdens de relatie met [betrokkene 1] steeds sterker werd, dat uit het buurtonderzoek naar voren kwam dat [eiser] in de weken voor het overlijden van [betrokkene 1] verward gedrag heeft vertoond, verdwaasd rondliep, er verwaarloosd en vervuild uitzag en regelmatig liep te schreeuwen in de tuin.</div>\n<p class=\"lf-p\">4.18 De klacht faalt. Voor zover zij stelt dat het hof geen waarde heeft gehecht aan het feit dat de daden van [eiser] niet aan hem zijn te verwijten omdat het ombrengen van [betrokkene 1] voortvloeide uit een psychose in de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015 mist zij feitelijke grondslag. Het hof heeft dit wel degelijk onder ogen gezien. Dit blijkt uit rov. 3.30. waarin het hof heeft overwogen dat de strafrechter heeft geoordeeld dat de gedragingen en gedragskeuzes van [eiser] volledig werden bepaald door zijn psychose en dat hij ontoerekeningsvatbaar was. Voor zover de klacht stelt dat het hof bij zijn belangenafweging in rov. 3.30.-3.31. meer betekenis had moeten toekennen aan het feit dat [eiser] ’ achtervolgingswaan gedurende zijn relatie met [betrokkene 1] steeds sterker werd, gaat het om een stelling die [eiser] in feitelijke aanleg niet heeft aangevoerd en daarom als een ontoelaatbaar novum buiten beschouwing worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Voor zover [eiser] in feitelijke instanties heeft gesteld dat hij onder invloed van een psychose was, heeft hij meermaals verwezen naar het strafvonnis en hetgeen de strafrechter daarin heeft geoordeeld. Ik merk hierbij op dat de strafrechter slechts heeft vastgesteld dat [eiser] een psychose had (en dus ontoerekeningsvatbaar was) ten tijde van het plegen van het bewezenverklaarde feit (rov. 6 van het strafvonnis). De strafrechter heeft geoordeeld dat wettig en overtuigend was bewezen dat [eiser] in de periode van 19 maart 2015 tot en met 31 maart 2015, te Beuningen Gelderland, gemeente Beuningen, [betrokkene 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd (rov. 3 van het strafvonnis). De strafrechter heeft geen oordeel geveld over de vraag of [eiser] in de periode vóór 19 maart 2015 onder invloed van een psychose handelde en ten aanzien van zijn gedrag in die periode ontoerekeningsvatbaar was.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.19 De vijfde klacht is gericht tegen rov. 3.29. tot en met 3.31. Door het negeren van de door de strafrechter vastgestelde, over een lange periode lopende, psychische gesteldheid van [eiser] , ook voorafgaand aan het overlijden van [betrokkene 1] , zijn de feiten die het hof in rov. 3.30.-3.31., zonder enig onderscheid naar wanneer zij zouden zijn begaan, in zijn belangenafweging heeft betrokken, niet van het juiste kader voorzien. Ook is het oordeel van het hof in rov. 3.31., een juist evenwicht tussen het belang van [eiser] en het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde belang van [verweerder] ontbreekt als geen rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheden van de relatie tussen [eiser] en [betrokkene 1] en tussen [eiser] en [verweerder] en zijn familie, onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier wreekt zich, aldus de klacht, het feit dat het hof zichzelf op de stoel van de strafrechter heeft geplaatst, zonder deskundige voorlichting door een psycholoog/psychiater, en het zelf onvoldoende ingevoerd is in de problematiek van psychische aandoeningen maar desalniettemin een moreel oordeel heeft geveld over hetgeen zich heeft voorgedaan. Dit wreekt zich in het bestreden arrest in het bijzonder in het oordeel dat voldaan is aan de eis van rechtszekerheid en bescherming van de belangen van [eiser] , waar het hof het afdoende heeft geacht dat een strafrechter de daad strafbaar heeft gevonden vanwege “enig inzicht” in het handelen van [eiser] (rov. 3.29.) en daar waar het hof [eiser] verschillende daden heeft toegerekend waarvan de strafrechter heeft geoordeeld dat zij zijn begaan in de periode van een psychose (rov 3.31.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.20 Deze klacht faalt om meerdere redenen. Voor zover zij stelt dat de strafrechter iets heeft vastgesteld en/of geoordeeld over de psychische gesteldheid van [eiser] dat betrekking heeft op een langere periode, ook voorafgaand aan het overlijden van [betrokkene 1] , verwijs ik naar wat ik in randnummer 4.18 hiervoor heb opgemerkt. De strafrechter heeft niets in deze zin of richting geoordeeld. Daarnaast geldt ook voor deze klacht dat [eiser] in feitelijke instanties niet heeft aangevoerd dat hij de door het hof genoemde omstandigheden in rov. 3.31. zou hebben begaan onder invloed van een psychose. Zie ook op dit punt randnummer 4.18 hiervoor. Voor zover de klacht dus stelt dat het hof deze omstandigheid ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten bij zijn belangenafweging in de door de klacht bestreden rechtsoverwegingen moet deze stelling als ontoelaatbaar feitelijk novum buiten beschouwing worden gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">Daarnaast geldt dat uit rov. 3.12. blijkt dat [eiser] de verklaringen van [verweerder] en zijn familie onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit wordt impliciet ook door [eiser] erkend in een klacht van subonderdeel C.2 (zie randnummers 4.39-4.40 hierna). Het hof mocht de inhoud van deze verklaringen dan ook als waar aannemen en gebruiken bij zijn belangenafweging in rov. 3.30. en 3.31. Het voorgaande betekent ook dat er geen sprake van is dat het hof zichzelf op de stoel van de strafrechter heeft geplaatst en zonder deskundige voorlichting door een psycholoog/psychiater, en terwijl het zelf onvoldoende ingevoerd is in de problematiek van psychische aandoeningen toch een moreel oordeel heeft geveld over hetgeen zich voordeed.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.21 Ten slotte stelt de zesde klacht van onderdeel B dat het hof in rov. 3.31. als feit van algemene bekendheid heeft genegeerd dat een psychose zowel acuut kan ontstaan als sluipenderwijs. De opmerking van het hof dat niet is vastgesteld dat [eiser] ten aanzien van “al deze gedragingen” voor en na het ombrengen van [betrokkene 1] ontoerekeningsvatbaar was (rov. 3.31.), mist dan ook gewicht, of behoefde in ieder geval (nadere) motivering. Daarnaast is deze overweging onbegrijpelijk omdat het hof hier dan kennelijk wel ineens van belang heeft gevonden of [eiser] al dan niet ontoerekeningsvatbaar was. Door dit alles is het oordeel onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.22 Voordat ik de klacht inhoudelijk behandel, maak ik een inleidende opmerking over wanneer sprake is van een feit van algemene bekendheid in de zin van art. 149 lid 2 Rv. Een feit van algemene bekendheid kan worden omschreven als een feit dat ieder normaal en algemeen ontwikkeld mens, zonder nader onderzoek geacht wordt te kennen of zonder noemenswaardig onderzoek uit algemeen toegankelijke bronnen te weten kan komen. Specialistische kennis is daarmee uitgesloten. Daarnaast mag een feit van algemene bekendheid niet afhankelijk zijn van verschillende factoren, het moet dus altijd opgaan. En als een feit bijvoorbeeld op internet is te vinden, is het daarmee nog niet direct een feit van algemene bekendheid. Zo heeft Uw Raad geoordeeld dat de omstandigheid dat een gegeven uit een openbare bron, zoals een krantenartikel, afkomstig is, moet worden onderscheiden van het zijn van een feit van algemene bekendheid. De algemene toegankelijkheid van de bron is dus niet beslissend voor het antwoord op de vraag of iets dat uit een algemeen toegankelijke bron afkomstig is, een feit van algemene bekendheid is.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.23 Ook deze klacht faalt. Zij motiveert niet waarom het een feit van algemene bekendheid zou zijn dat een psychose zowel acuut als sluipenderwijs kan ontstaan. Mijns inziens gaat het om een zekere specialistische medische kennis en een enkele verwijzing naar een website van het UMC is onvoldoende om aan te nemen dat het hier om een feit van algemene bekendheid gaat. Zie randnummer 4.22 hiervoor. Ook blijkt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep waar de klacht naar verwijst niet dat het een feit van algemene bekendheid is dat een psychose zowel acuut als sluipenderwijs kan ontstaan. Nog daargelaten dat de klacht niet motiveert waarom dit uit deze uitspraak blijkt, baseert de Centrale Raad van Beroep zich in deze uitspraak, waar hij zich uitlaat over de werking van de psychose van de appellant, op verschillende rapporten die in het geding zijn gebracht. [eiser] heeft in onderhavige zaak geen (medische) rapportages overgelegd waaruit zou blijken dat hij aan een psychose leed in de gehele periode waarin de door het hof in rov. 3.30. en 3.31. genoemde omstandigheden zich afspeelden en dat deze gedragingen hem om die reden niet zouden zijn toe te rekenen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook de motiveringsklacht, luidende dat rov. 3.31. onbegrijpelijk is omdat het hof daarin kennelijk wel ineens van belang zou hebben gevonden of [eiser] al dan niet ontoerekeningsvatbaar was, faalt. Zoals blijkt uit rov. 3.30. heeft het hof wel degelijk (eerder) voor ogen gehad dat [eiser] ten tijde van het om het leven brengen van [betrokkene 1] ontoerekeningsvatbaar was. Het hof heeft vervolgens alleen geoordeeld dat art. 8 EVRM, gezien de bijzondere omstandigheden genoemd in rov. 3.30. en 3.31., ertoe leidt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid in de onderhavige zaak buiten toepassing moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">C. “Het hof weegt niet, althans onjuist”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.24 Onderdeel C is gericht tegen rov. 3.30. tot en met 3.33. Het stelt dat, voor zover het hof het cruciale gemis aan verwijtbaarheid en veroordeling van [eiser] in rov. 3.30.-3.31. en in het oordeel in rov. 3.32.-3.33. heeft beoogd te compenseren met de daar genoemde omstandigheden, het eveneens uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. In de eerste plaats omdat, gelet op hetgeen met onderdeel A is aangevoerd, bij gebrek aan verwijtbaarheid het EVRM niet meebrengt dat onwaardigheid dient te volgen, hetgeen op zich reeds beslissend zou moeten zijn in deze zaak. En in de tweede plaats, als, zoals het hof in rov. 3.30. heeft overwogen, toch van belang is dat de ontoerekeningsvatbaarheid het gruwelijke karakter en de impact niet aan de daden van [eiser] heeft ontnomen, en dus compensatie voor deze afwezigheid van verwijtbaarheid/rechterlijke veroordeling daardoor mogelijk zou zijn, dan kan die compensatie niet plaatsvinden op de door het hof genoemde gronden en op de manier waarop het hof deze heeft gewogen. De overwegingen van het hof in rov. 3.30.-3.31. en het oordeel in rov. 3.32.-3.33. getuigen ook op die grond van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zijn onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen die weer uiteenvallen in verschillende klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.25 Subonderdeel C.1 stelt in de kern dat het hof niet kenbaar het family life van [eiser] heeft meegewogen. Het subonderdeel valt uiteen in drie klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.26 Volgens de eerste klacht heeft het hof op verschillende plaatsen in het bestreden arrest overwogen dat het de belangen van [eiser] heeft meegewogen (rov. 3.27. tot en met 3.29.), maar heeft het hof nergens (kenbaar) het family life van [eiser] meegewogen. Ten onrechte heeft het hof het family life van [eiser] niet genoemd in rov. 3.26. waarin het heeft overwogen dat het erfrecht tussen naaste familieleden nauw verbonden is met family life. Door [eiser] onwaardig te verklaren zodat hij niet kan erven van zijn echtgenote [betrokkene 1] , heeft het hof diep ingegrepen in het family life van [eiser] . In een arrest van 28 mei 1985 heeft het EHRM bepaald dat het gegeven dat twee mensen getrouwd zijn, family life in de zin van art. 8 EVRM veronderstelt. Het hof heeft in zijn oordeel echter niet (kenbaar) meegewogen, althans niet in voldoende mate, de bescherming van family life waarop ook [eiser] als echtgenoot, ondanks zijn tijdens een psychose begane daad, op grond van art. 8 EVRM aanspraak heeft. In rov. 3.27. heeft het hof weliswaar het belang van [eiser] betrokken in zijn overweging, maar dit was beperkt tot (enkel) het zijn van erfgenaam van [betrokkene 1] . Het hof heeft daarentegen wel het family life van [verweerder] in zijn afweging betrokken (rov. 3.27., 3.28., 3.30. tot en met 3.32.). Van een toereikende weging is dus niet (kenbaar) sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.27 De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In rov. 3.26. heeft het hof overwogen dat erfrecht een niet te verwaarlozen onderdeel vormt van family life dat door art. 8 EVRM wordt beheerst. Waar het hof dus vervolgens in zijn belangenafweging aandacht heeft voor het belang van [eiser] om te kunnen erven van [betrokkene 1] , heeft het hof het family life van [eiser] betrokken bij zijn afweging. Dit heeft het hof bijvoorbeeld gedaan in rov. 3.27. waar het hof het belang van [eiser] heeft benoemd om bij het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling erfgenaam van [betrokkene 1] te kunnen zijn. Vervolgens heeft het hof in rov. 3.31. specifiek een aantal omstandigheden genoemd die betrekking hebben op de relatie tussen [eiser] en [betrokkene 1] , zij het niet in het voordeel van [eiser] : de gruwelijke wijze waarop [eiser] [betrokkene 1] om het leven heeft gebracht en daarmee het door art. 2 EVRM beschermde recht op leven van [betrokkene 1] heeft geschonden, de agressieve, grensoverschrijdende en angstwekkende wijze waarop [eiser] zich in de jaren daarvoor jegens [betrokkene 1] heeft gedragen, de omstandigheid dat [eiser] [betrokkene 1] heeft geïsoleerd van haar familie en vrienden en haar psychisch en fysiek heeft mishandeld en niet is gebleken dat hij toen ook ontoerekeningsvatbaar was, het gegeven dat het vermogen van [betrokkene 1] nagenoeg geheel bestaat uit hetgeen zij heeft geërfd van haar ouders terwijl [eiser] geen enkel vermogen had toen hij met [betrokkene 1] trouwde terwijl hun huwelijk net aan twee jaar heeft geduurd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kortom, het hof heeft wel degelijk aandacht gehad voor het family life van [eiser] , zowel wat betreft zijn erfrechtelijke aanspraak op de nalatenschap van [betrokkene 1] als zijn huwelijk met [betrokkene 1] . Dat het hof deze omstandigheden uiteindelijk in het nadeel van [eiser] heeft gewogen, maakt de weging niet, anders dan de klacht betoogt, ontoereikend. Ten slotte merk ik ook op dat [eiser] in feitelijke instanties zelf geen (andere) omstandigheden ten aanzien van zijn family life heeft aangevoerd op basis waarvan de door het hof gemaakte belangenafweging in zijn voordeel zou moeten uitvallen. Voor zover daarbij moet worden gedacht aan de stelling van [eiser] dat [verweerder] € 300.000 zou hebben onttrokken aan het vermogen van zijn ouders, moet worden bedacht dat [verweerder] deze stelling gemotiveerd heeft betwist en daarom niet in rechte is komen vast te staan dat [verweerder] dit bedrag daadwerkelijk heeft verduisterd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook randnummer 4.31 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.28 Volgens de tweede klacht geldt dat, voor zover het hof het family life van [eiser] al gewogen zou hebben, het hier niet (kenbaar) bij heeft betrokken dat het EHRM in vaste rechtspraak heeft geoordeeld dat familiebanden tussen volwassenen en hun broers en zussen (zoals in dit geval tussen [verweerder] en [betrokkene 1] ), minder vergaande bescherming verdienen, tenzij er bewijs is van elementen in die relatie van een afhankelijkheid die meer inhoudt dan de normale emotionele banden. Ook in het BW is de huwelijksband in het erfrecht een sterkere band dan de bloedband. Op grond van art. 4:10 BW erft de echtgenoot, ook al zijn er broers en zussen. Het hof heeft dit miskend en is daarmee uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn weging van de belangen van partijen (rov. 3.27. en 3.30. tot en met 3.32.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.29 Deze klacht faalt om meerdere redenen. Ten eerste zien de arresten van het EHRM waar de klacht naar verwijst uitsluitend op situaties waarin een immigrant opkwam tegen een door een verdragspartij aangezegde uitzetting. Dat zijn geheel andere situaties dan die in de onderhavige zaak. Daarnaast miskent de klacht ook dat het hof in rov. 3.30.-3.31. een groot aantal bijzondere omstandigheden heeft gewogen op basis waarvan het tot het oordeel is gekomen dat een juist evenwicht tussen het belang van [eiser] en het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde belang van [verweerder] ontbreekt als in deze zaak geen rekening zou worden gehouden met die omstandigheden. Ook als de relatie broer-zus minder bescherming zou verdienen, blijft vaststaan dat het hof een groot aantal bijzondere omstandigheden in het nadeel van [eiser] heeft gewogen. Ten slotte merk ik hierbij ook op dat uit deze bijzondere omstandigheden blijkt dat het hof minder gewicht heeft toegekend aan het huwelijk dat [eiser] met [betrokkene 1] had (zie randnummer 4.27 hiervoor). En dat valt goed te begrijpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.30 De derde klacht stelt dat, voor zover het hof heeft geoordeeld of althans er vanuit is gegaan dat de familieband tussen [betrokkene 1] en [verweerder] zodanig uitzonderlijk is dat er een afhankelijkheidsrelatie zou bestaan als door het EHRM is bedoeld, dat oordeel van het hof onvoldoende is gemotiveerd nu het daarover niets heeft overwogen. [eiser] heeft bovendien in feitelijke instanties steeds aangevoerd dat [betrokkene 1] sinds 2011 een conflict had met [verweerder] in verband met het vermoeden van [betrokkene 1] dat [verweerder] ruim € 300.000 had onttrokken aan het vermogen van hun ouders zonder dat dit aan de destijds nog levende vader ten goede kwam, dat zij al een advocaat in de arm had genomen en dat het uitsluitend door het overlijden van [betrokkene 1] niet tot een procedure daarover is gekomen. Daarmee heeft [eiser] stellingen betrokken over het family life van [verweerder] met [betrokkene 1] waarop het hof niet heeft gerespondeerd terwijl deze in een afweging van het family life van [eiser] tegenover dat van [verweerder] gewicht in de schaal kunnen leggen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.31 Ook deze klacht faalt. Zoals in randnummer 4.29 hiervoor is uiteengezet, heeft het hof niet geoordeeld en is het er evenmin van uitgegaan dat de familieband tussen [betrokkene 1] en [verweerder] zodanig uitzonderlijk is dat er een afhankelijkheidsrelatie zou bestaan als door het EHRM is bedoeld. In het licht van de in randnummer 4.29 genoemde redenen is het hof niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn belangenafweging in rov. 3.30.-3.31. Voor zover de klacht aandacht vraagt voor de stelling van [eiser] dat [betrokkene 1] het vermoeden had dat [verweerder] ruim € 300.000 had onttrokken aan het vermogen van hun ouders, geldt dat [verweerder] dit gemotiveerd heeft betwist waardoor dit niet in rechte is vast komen te staan. Gezien het grote aantal bijzondere omstandigheden die het hof in het nadeel van [eiser] heeft meegewogen bij zijn belangafweging in rov. 3.30.-3.31., en die [eiser] overigens onvoldoende heeft betwist (rov. 3.12.), heeft het hof kennelijk geen belang (meer) gehecht aan deze stelling van [eiser] .</p>\n<p class=\"lf-p\">4.32 Volgens subonderdeel C.2 heeft het hof niet ter zake doende gegevens meegewogen, die bovendien niet in het wettelijk stelsel passen. Het subonderdeel bevat vier klachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.33 Met de eerste klacht stelt [eiser] dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel dat hij zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, waar het hof in rov. 3.30. heeft verwezen naar de in rov. 3.7. tot en met 3.12. opgenomen verklaringen van de familie van [betrokkene 1] over de relatie tussen [eiser] en [betrokkene 1] en hetgeen [eiser] in die tijd deed of zou hebben gedaan jegens [betrokkene 1] en haar familie en hun vriend. Het hof heeft verschillende stellingen over deze “bijzondere omstandigheden” opgesomd in rov 3.31., die meewegen in zijn oordeel in rov. 3.32.-3.33. Vele van deze “bijzondere omstandigheden\" die het hof bij zijn oordeel heeft betrokken voldoen echter niet aan het voor alle gronden van onwaardigheid geldende vereiste van een daad die is gepleegd jegens de erflater. De erfgenaam is immers onwaardig in die relatie en niet in de relatie tot de familie van de erflater of diens vrienden, die immers ook steeds een eigen belang hebben bij onwaardigheid van een (mede)erfgenaam. Dit blijkt ook, aldus de klacht, uit het feit dat het alleen de erflater is die vergiffenis kan schenken op grond van art. 4:3 lid 3 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.34 De klacht stelt in essentie dat het hof bij zijn belangenafweging in rov. 3.31. slechts omstandigheden in aanmerking mocht nemen die betrekking hadden op de relatie tussen [eiser] als (mogelijk) onwaardige erfgenaam en [betrokkene 1] als erflater en die zien op de gedraging van [eiser] die volgens art. 4:3 lid 1 onder a BW onwaardigheid met zich zou brengen, in onderhavige zaak: het om het leven brengen van [betrokkene 1] door [eiser] . De klacht faalt, omdat zij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft, met verwijzing naar ‘de Roemeense erflater’, een afweging gemaakt tussen enerzijds het belang van [eiser] om bij het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling de erfgenaam van [betrokkene 1] te kunnen zijn, ook al heeft hij haar om het leven gebracht en anderzijds het belang van [verweerder] dat [eiser] , die zijn zus om het leven heeft gebracht, ook bij het ontbreken van een strafrechtelijke veroordeling onwaardig is om te erven van [betrokkene 1] en dan in het bijzonder het vermogen dat zij en [verweerder] hebben geërfd van hun ouders. Uit ‘de Roemeense erflater’ blijkt niet dat het hof bij een toepassing van art. 8 EVRM slechts omstandigheden mocht meewegen die betrekking hadden op de relatie tussen de (mogelijk) onwaardige erfgenaam en de erflater. Zie ook randnummers 4.5-4.8 hiervoor waarin ik heb uiteengezet dat het hof art. 8 EVRM, met inachtneming van de algemene uitgangspunten uit ‘de Roemeense erflater’, correct heeft toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.35 Volgens de tweede klacht is het meewegen van dergelijke omstandigheden (zie de eerste klacht van subonderdeel C.2) ook in strijd met de door het EHRM benadrukte rechtszekerheid. Het al dan niet intreden van de sanctie van onwaardigheid, hetgeen van rechtswege geschiedt, wordt door het hof, doordat het de in rov. 3.31. genoemde omstandigheden in zijn oordeel betrekt, namelijk onderworpen aan de invloed van een onbepaald arsenaal gegevens en voorvallen die zich kennelijk ook na het overlijden kunnen voordoen over een onbepaalde tijd en met betrekking tot een onbepaalde kring van derden. Dit past niet binnen het wettelijk stelsel waarin vererving (en ook onwaardigheid daartoe) van rechtswege plaatsvindt door en bij het overlijden. Hiervoor is ook geen steun te vinden in het door het hof in zijn afwegingen betrokken arrest inzake de Roemeense erflater, noch in art. 8 EVRM in het algemeen, nu een dergelijke benadering in strijd is met de door het EHRM benadrukte rechtszekerheid.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.36 De klacht faalt omdat zij miskent dat het hof wel degelijk acht heeft geslagen op de door het EHRM benadrukte rechtszekerheid. In rov. 3.22. heeft het hof erkend dat de eis van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling ertoe dient juridisch vast te stellen dat de ‘dader’ de feiten heeft gepleegd en dat hij strafbaar is en dat die eis dus de rechtszekerheid dient. Dit heeft het hof herhaald in rov. 3.28. Omdat in ieder geval door een strafrechter onherroepelijk is vastgesteld dat [eiser] met opzet [betrokkene 1] om het leven heeft gebracht, heeft het hof in rov. 3.29. geoordeeld dat in zoverre is voldaan aan de eis van rechtszekerheid. Dat [eiser] niet schuldig is en daarom een strafrechtelijke veroordeling ontbreekt, heeft het hof in rov. 3.30. ook erkend.</p>\n<p class=\"lf-p\">Uiteindelijk is het hof tot de conclusie gekomen dat, gezien de bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval, art. 8 EVRM meebrengt dat voorbij wordt gegaan aan het feit dat [eiser] niet strafrechtelijk is veroordeeld. Zoals blijkt uit mijn bespreking van de eerste klacht van dit subonderdeel (randnummer 4.34 hiervoor) kon het hof deze omstandigheden meewegen en verzet ‘de Roemeense erflater’ zich niet tegen het meewegen van bijzondere omstandigheden die er uiteindelijk toe kunnen leiden dat de eis van een onherroepelijke veroordeling voor onwaardigheid buiten toepassing blijft. Voor zover de klacht stelt dat het in zijn algemeenheid niet in het wettelijke stelsel past dat de rechter zijn oordeel over onwaardigheid laat afhangen van bijzondere omstandigheden, miskent de klacht dat dit wel degelijk voorkomt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwijs naar paragraaf 3.(iii) van mijn inleidende opmerkingen waarin ik verschillende uitspraken heb behandeld waarin de rechter op grond van bijzondere omstandigheden tot het oordeel is gekomen dat, hoewel van een strafrechtelijke veroordeling geen sprake was, de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid meebracht dat een erfgenaam geen voordeel kon trekken uit de nalatenschap van de door hem of haar omgebrachte erflater.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.37 Volgens de derde klacht gaat de beslissing van het EHRM in het arrest van de Roemeense erflater in rov. 129. en 133. over een te mechanische en rigide toepassing van het nationale recht, niet zover dat bij de vraag naar onwaardigheid ook andere omstandigheden dan de levensberoving zelf op grond van art. 8 EVRM in aanmerking genomen zouden moeten worden. Het mechanische en rigide karakter van de uitspraak van de Roemeense rechter zag volgens het EHRM enkel op het strikt vasthouden aan een strafrechtelijke veroordeling voor de levensberoving. Ook art. 4:3 lid 1 onder a BW voorziet alleen onder voorwaarden in onwaardigheid wegens levensberoving, zodat het hof ten onrechte bij ‘de Roemeense erflater’ heeft aangeknoopt om te rechtvaardigen dat het ook andere omstandigheden heeft meegewogen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.38 De klacht faalt. Uit ‘de Roemeense erflater’ kan slechts worden afgeleid dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling in een nationale onwaardigheidsbepaling onder bijzondere omstandigheden buiten toepassing moet blijven teneinde een te rigide wetstoepassing te voorkomen. Dat deze omstandigheden slechts betrekking kunnen hebben op de levensberoving volgt hier niet uit.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.39 De vierde klacht stelt dat het hof, met het afwijken van het vereiste zoals dat is neergelegd in art. 4:3 lid 1 onder a BW en het in de plaats daarvan, naar ik begrijp, meewegen wat de verwijten van [verweerder] aan [eiser] zijn, een geheel nieuw en in Europa eenzaam juridisch pad is ingeslagen (hier verwijst de klacht ook naar onderdeel A en subonderdeel E.2). Dit hoefde [eiser] niet te verwachten en klemt met name waar het hof heeft geoordeeld dat de in rov. 3.7. tot en met 3.11. gestelde “verwijten van [verweerder] terecht zijn” omdat [eiser] daarop geen verdere toelichting gaf, waarna het hof deze als waar heeft meegewogen (rov. 3.12. en 3.30. tot en met 3.32.). Het hof had [eiser] in de gelegenheid moeten stellen hier alsnog verweer tegen te voeren en heeft door dat niet te doen een verrassingsbeslissing genomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.40 Van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is sprake indien de rechter partijen niet of onvoldoende hoort over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan zijn rechterlijke beslissing en partijen aldus verrast met een beslissing waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden.Van een dergelijke beslissing is hier geen sprake. In hoger beroep had het partijdebat, juist vanwege het beroep door [verweerder] op art. (2 en) 8 EVRM (randnummer 2.15 hiervoor), betrekking op het doortrekken van de toepassing van art. 8 EVRM en ‘de Roemeense erflater’ in deze zaak. Dat het hof uiteindelijk tot het oordeel is gekomen dat [eiser] , mede gezien art. 8 EVRM, toch onwaardig is om voordeel te trekken uit de nalatenschap van [betrokkene 1] kan dan ook niet als een ontoelaatbare verrassing voor hem zijn gekomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Dat het hof hiermee “een geheel nieuw en in Europa eenzaam juridisch pad” zou hebben ingeslagen, kan ik niet zonder meer vaststellen en is ook niet relevant. Het gaat in deze zaak immers om de bijzondere omstandigheden die het hof in rov. 3.30.-3.31. heeft meegenomen in zijn belangenafweging en op grond waarvan het hof tot zijn oordeel is gekomen dat een redelijke wetstoepassing in dit geval meebrengt dat bij de toepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW de eis van een strafrechtelijke veroordeling buiten toepassing moet blijven. Op voorhand kan niet worden gezegd hoe rechters in andere verdragstaten van het EVRM, bij bijzondere omstandigheden als in deze zaak, zouden oordelen. De klacht miskent eveneens dat [eiser] reeds in zijn memorie van antwoord de mogelijkheid heeft gehad om te reageren op de door [verweerder] gestelde verwijten en overgelegde producties. [verweerder] heeft de door het hof in rov. 3.7. tot en met 3.11. genoemde verklaringen in zijn memorie van grieven in het geding gebracht en toegelicht waarom [eiser] op grond van, onder meer, deze omstandigheden onwaardig is om van [betrokkene 1] te erven. [eiser] heeft in zijn memorie van antwoord slechts beperkt op deze verklaringen gereageerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hij heeft de inhoud van de verklaringen enkel bloot ontkend en niet nader gemotiveerd waarom zij in zijn ogen onjuist zouden zijn. Er bestond dus geen enkele reden voor het hof om [eiser] nog de mogelijkheid te geven om op de verklaringen te reageren. Van een verrassingsbeslissing is, als gezegd, dan ook geen sprake. Voor zover de klacht verwijst naar onderdeel A en subonderdeel E.2, verwijs ik naar mijn bespreking daarvan. Zie voor onderdeel A randnummers 4.3-4.8 hiervoor en voor subonderdeel E.2 randnummers 4.51-4.53 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">D. “Geen effectieve en ook geen proportionele maatregel”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.41 Volgens onderdeel D is het oordeel van het hof dat [eiser] onwaardig is om te erven van [betrokkene 1] geen effectieve en proportionele maatregel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.42 In zijn uiteindelijke oordeel dat [eiser] onwaardig is om van [betrokkene 1] te erven, heeft het hof een rol toegekend aan de ontzetting, het verdriet en de angst van de familie van [betrokkene 1] ten aanzien van [eiser] (rov. 3.30.) en aan het feit dat, indien [eiser] erfgenaam kan zijn, [verweerder] de nalatenschap van de ouders van [betrokkene 1] samen met [eiser] zou moeten afwikkelen (rov. 3.31.). Dit oordeel getuigt, aldus het onderdeel, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is onvoldoende gemotiveerd. De ingreep van de onwaardigheidsverklaring in het family life van [eiser] (zie subonderdeel C.1) en in zijn recht op eigendom zoals bedoeld in art. 1 Eerste Protocol van het EVRM, betekent dat hier sprake is van een niet effectieve en disproportionele maatregel in de zin van het EVRM.</p>\n<p class=\"lf-p\">De onwaardigheid van [eiser] om te erven is immers geen oplossing voor de weerzin en de angst van [verweerder] , zodat het in de zin van het EVRM geen effectieve maatregel betreft. Die weerzin en angst zouden beter en proportioneler kunnen worden afgewend met andere maatregelen, zoals een contactverbod. Het onwaardig verklaren van [eiser] is bovendien een disproportionele maatregel in de zin van het EVRM. Het hof heeft aan het einde van rov. 3.31. meegewogen dat [eiser] en [verweerder] samen de afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van [verweerder] en [betrokkene 1] moeten regelen. Ook op andere, minder ingrijpende, manieren dan een verklaring van onwaardigheid kan juridisch en daarmee ook feitelijk afstand gecreëerd worden tussen [eiser] en [verweerder] en zijn familie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo heeft [verweerder] blijkens de verklaring van erfrecht een vertegenwoordiger inzake de afwikkeling aangewezen. Dat verschillende, minder ingrijpende juridische mogelijkheden bestaan om aan de weerzin en angst tegemoet te komen en om eventuele problemen bij het afwikkelen van de nalatenschap op een minder ingrijpende manier op te lossen, heeft het hof ten onrechte niet in zijn oordeel betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.43 Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het stelt in de kern dat de onwaardigverklaring van het hof een niet effectieve en disproportionele maatregel is en dat het hof had moeten onderzoeken of er betere en minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren om tegemoet te komen aan de weerzin en angst van [verweerder] voor [eiser] . Het onderdeel voldoet niet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen omdat het niet de vindplaatsen in de processtukken van [eiser] in de feitelijke instanties vermeldt waarin concrete, ‘betere’ en minder ingrijpende maatregelen als hier bedoeld, worden genoemd en toegelicht. [eiser] heeft dergelijke maatregelen ook niet gesteld in feitelijke instanties.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.44 Overigens is een onwaardigverklaring van [eiser] wel degelijk een effectieve maatregel die tegemoetkomt aan de angst die de familie van [betrokkene 1] voelt voor [eiser] en hun weerzin tegen het gegeven dat hij deelt in de erfenis van [betrokkene 1] en indirect ook in die van de ouders van [betrokkene 1] en [verweerder] , terwijl hij [betrokkene 1] opzettelijk om het leven heeft gebracht, slechts zeer kort met haar gehuwd is geweest en strafrechtelijk is vervolgd voor bedreiging van de familie. Het onwaardig verklaren van [eiser] kan dan gezien worden als een effectieve maatregel om deze weerzin en angst weg te nemen althans daaraan tegemoet te komen; voor een contactverbod zoals dat door het onderdeel wordt voorgesteld geldt dat niet. Het onwaardig verklaren van [eiser] is evenmin disproportioneel. De in dit verband door het onderdeel voorgestelde ‘minder ingrijpende’ maatregel van het benoemen van een vertegenwoordiger om de erfenis af te wikkelen bijvoorbeeld kan de eerder genoemde weerzin tegen het feit dat de erfenis van de ouders van [betrokkene 1] en [verweerder] met [eiser] moet worden gedeeld niet wegnemen.</p>\n<p class=\"lf-p\">E. “Het hof treedt buiten zijn bevoegdheid en doet dit op een wijze die niet aansluit bij de wetsgeschiedenis en de opvattingen in andere verdragsstaten”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.45 Met onderdeel E stelt [eiser] dat het hof, door aan de in rov. 3.30.-3.31. genoemde feiten en omstandigheden gewicht toe te kennen, is opgehouden de nationale wet over onwaardigheid in het licht van art. 8 EVRM te interpreteren of buiten toepassing te laten en dat het hof is begonnen eigen regels te scheppen. Dit doet het hof op een manier die de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat. De regels die het hof heeft gemaakt zijn niet verenigbaar met de jurisprudentie van het EHRM over onwaardigheid en met ons wettelijk stelsel. Het hof heeft (de ernst van) de afwijking van de wil van de wetgever en de zwaarte die dit in zijn afweging moet hebben, miskend door een onvolledige en onjuiste weergave van de wetsgeschiedenis bij de verschillende wettelijke bepalingen (subonderdeel E.1). Ook heeft het hof niet (kenbaar) onder ogen gezien dat het met zijn oordeel is afgeweken van de rechtsopvatting binnen alle ons omringende verdragsstaten bij het EVRM (subonderdeel E.2). Het oordeel gaat door dit alles uit van een onjuiste rechtsopvatting en is onvoldoende gemotiveerd. Het onderdeel valt uiteen in de twee subonderdelen, waarvan het eerste subonderdeel verschillende klachten bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.46 Subonderdeel E.1 is in de kern gericht tegen de wijze waarop het hof gebruik heeft gemaakt van de wetsgeschiedenis van art. 4:3 lid 1 onder a BW. Het bevat drie klachten die zich lenen voor een gezamenlijke behandeling. Ik geef eerst deze klachten weer en kom daarna toe aan de beoordeling.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.47 Ten onrechte heeft het hof, aldus de eerste klacht, overwogen dat uit de wetsgeschiedenis enkel zou blijken dat er geen aanknopingspunt is om aan te nemen dat de wetgever de niet strafbare dader onder het bereik van de bepaling wilde brengen (rov. 3.17.) en dat slechts “niet aannemelijk” is dat de wetgever het geval dat de dader niet strafbaar is onder onwaardigheid wilde brengen (rov. 3.18.). Eveneens ten onrechte heeft het hof in rov. 3.22. overwogen dat de wetgever bij de totstandkoming van art. 4:3 lid 1 onder a BW niet onder ogen heeft gezien dat een verdachte ontslagen kan worden van alle rechtsvervolging vanwege een psychische stoornis. Immers, anders dan het hof heeft overwogen, blijkt uit de wetsgeschiedenis meer: de wetgever acht, van oudsher en conform de rechtsopvatting in de ons omringende landen, vanzelfsprekend dat de ontoerekeningsvatbare dader niet valt onder de reikwijdte van de bepaling. Blijkens het “Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Justitie” gaan daarom zowel de vraagsteller (Kamerlid Swildens-Rozendaal) als de Minister er in de vraagstelling respectievelijk het antwoord als vanzelfsprekend vanuit dat indien sprake is van overmacht of een andere strafuitsluitingsgrond, geen sprake is van onwaardigheid in de zin van art. 4:3 lid 1 onder a BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.48 Volgens de tweede klacht strookt het brengen van een ontoerekeningsvatbare dader onder de figuur van onwaardigheid, anders dan het hof in rov. 3.22. heeft overwogen, niet met de uitdrukkelijke wens van de wetgever bij de regeling over vernietiging van een schenking bij “onwaardigheid” (art. 7:184 lid 1 BW). Bij een strafuitsluitingsgrond (zoals een psychische stoornis) kan door de schenker op deze bepaling geen beroep worden gedaan. Niet valt in te zien waarom de wetgever zou menen dat voor vererving op dit punt iets anders zou moeten gelden dan bij schenking. De wetgever zag hier dus, anders dan het hof heeft overwogen, wel degelijk de mogelijkheid onder ogen dat de dader niet strafrechtelijk is veroordeeld maar is ontslagen van alle rechtsvervolging bijvoorbeeld wegens een psychische stoornis. Het bestreden arrest is hier innerlijk tegenstrijdig nu het hof dit wel in rov. 3.20. heeft onderkend, maar in rov. 3.22. heeft overwogen dat de wetgever een dergelijke situatie niet onder ogen heeft gezien.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.49 De wetsgeschiedenis van art. 4:3 lid 1 onder a BW gaat terug op art. 727 van de Franse Code Civil, dat in art. 885 BW (oud) is overgenomen en vervolgens, wat art. 4:3 lid 1 onder a BW betreft, inhoudelijk ongewijzigd in het (Nieuw) BW in art. 4:3 BW een plek heeft gevonden. Het hof heeft over deze wetsgeschiedenis in rov. 3.14. en 3.18. overwogen dat het “niet aannemelijk” is dat onwaardigheid de ontoerekeningsvatbare dader bestrijkt, maar heeft, aldus de derde klacht, verzuimd te vermelden dat dit van oudsher simpelweg vanzelfsprekend niet zo was. De klacht verwijst hiervoor naar een commentaar op art. 727 Code Civil uit 1837, dat als volgt in de procesinleiding is vertaald: “Het is alleen de veroordeling die onwaardigheid vaststelt. Dus, doodslag gepleegd door een persoon die krankzinnig is; door een persoon die, omdat hij nog geen zestien jaar oud is, geacht wordt zonder onderscheidingsvermogen te hebben gehandeld; door een persoon die zich slechts verzet tegen een legitieme verdediging die niet tot veroordeling kan leiden, kan geen onwaardigheid opleveren.”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.50 De drie klachten van subonderdeel E.1 falen bij gebrek aan belang omdat de door de klachten bestreden rechtsoverwegingen niet dragend zijn voor het uiteindelijke oordeel van het hof dat [eiser] onwaardig is om te erven van [betrokkene 1] . Het hof is, na een uiteenzetting van de tekst van art. 4:3 lid 1 onder a BW, de wets- en rechtsgeschiedenis van deze bepaling, verwante bepalingen in het BW en de strekking van art. 4:3 lid 1 onder a BW tot de tussenconclusie gekomen dat de vraag of art. 4:3 lid 1 onder a BW zo moet worden uitgelegd dat daaronder ook valt de situatie dat de daad wel, maar de dader wegens ontoerekeningsvatbaarheid niet strafbaar is, ontkennend moet worden beantwoord (rov. 3.14.-3.23.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof is er dus, zoals de klachten klaarblijkelijk ook voorstaan, vanuit gegaan dat wanneer het gaat om een persoon die is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een strafuitsluitingsgrond niet is voldaan aan de eis van een strafrechtelijke veroordeling voor onwaardigheid in de zin van art. 4:3 lid 1 onder a BW, zodat deze persoon dus in beginsel niet onwaardig is om te erven. Na deze tussenconclusie is het hof vervolgens ingegaan op de rol van art. 8 EVRM in de onderhavige zaak en heeft het, na een belangenafweging, geoordeeld dat, gezien het bepaalde in art. 8 lid 1 EVRM en gezien de bijzondere omstandigheden van onderhavige zaak, een redelijke wetstoepassing in dit specifieke geval meebrengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling bij de toepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW buiten toepassing moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het gevolg daarvan is dat [eiser] uiteindelijk toch onwaardig is om uit de nalatenschap van [betrokkene 1] voordeel te trekken (rov. 3.23.-3.32.).</p>\n<p class=\"lf-p\">4.51 Subonderdeel E.2 stelt dat het hof bij zijn uitleg van art. 8 EVRM de rechtsopvattingen in de overige verdragsstaten niet (kenbaar) heeft meegewogen. Het hof heeft art. 8 EVRM uitgelegd in een juridisch vacuüm door geen aandacht te schenken aan de rechtsontwikkeling in de overige lidstaten van de Raad van Europa. Wanneer het EHRM het EVRM uitlegt, zoekt het regelmatig steun bij de rechtsontwikkeling in de verschillende verdragsstaten of in het internationale recht. Zeker voor een nieuwe uitleg ziet het EHRM pas ruimte wanneer er sprake is van voldoende consensus over de redelijkheid of toepasselijkheid van die uitleg in de verdragsstaten (de comparatieve interpretatiemethode, ook wel bekend als de common ground-methode).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft dit miskend door deze rechtsontwikkelingen niet (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken. Dit klemt te meer omdat die rechtsopvattingen steeds behelzen dat ontoerekeningsvatbaarheid in de weg staat aan onwaardigheid, zowel voor als na het arrest in de zaak van de Roemeense erflater. Het subonderdeel verwijst hiervoor naar de rechtsstelsels van verschillende Europese landen, te weten: Frankrijk, België, Duitsland, Italië en Spanje. Gezien de wetsgeschiedenis van de Nederlandse onwaardigheidsbepaling in het erfrecht en bij schenking (hierbij verwijst het subonderdeel naar subonderdeel E.1), de regeling in Frankrijk (en de jurisprudentie van de Cour de Cassation), alsmede de regeling in België, Duitsland (met de jurisprudentie van het BGH), Italië (waaronder de jurisprudentie van het Italiaanse Hof van Cassatie) en Spanje is de kern van de onwaardigheid nog steeds de (strafrechtelijke) verwijtbaarheid en de afkeuring die ziet op de schuld van de erfgenaam aan een (levens)misdrijf jegens de erflater.</p>\n<p class=\"lf-p\">De in art. 4:3 lid 1 onder a BW opgenomen eis van een strafrechtelijke veroordeling kan dus niet met de door het hof in rov. 3.31. weergegeven omstandigheden op basis van een belangenafweging opzij worden gezet met een beroep op art. 8 EVRM, aldus het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.52 Ook dit subonderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft niet miskend dat onwaardigheid van de erfgenaam op grond van art. 4:3 lid 1 onder a BW een strafrechtelijke veroordeling vereist en dat daarvan onderdeel is dat de erfgenaam een (strafrechtelijk) verwijt moet kunnen worden gemaakt ter zake van een (levens)misdrijf dat hij heeft gepleegd jegens de erflater. Dit blijkt uit rov. 3.14. tot en met 3.23. Zie ook randnummer 4.50 hiervoor. Dat de door het subonderdeel aangedragen Europese landen eveneens dit uitgangspunt hanteren, is daarom niet relevant. In de onderhavige zaak gaat het er juist om dat het hof vanwege een groot aantal bijzondere omstandigheden tot het uiteindelijke oordeel is gekomen dat een juist evenwicht tussen het belang van [eiser] en het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde belang van [verweerder] ontbreekt als in deze zaak geen rekening zou worden gehouden met die bijzondere omstandigheden (rov. 3.31.). Gezien deze bijzondere omstandigheden kan op voorhand niet worden gezegd, en daar lijkt het subonderdeel wel vanuit te gaan, dat de nationale rechter in de door het subonderdeel aangedragen Europese landen in precies eenzelfde zaak als de onderhavige zou vasthouden aan het uitgangspunt dat een strafrechtelijke veroordeling is vereist voor het aannemen van onwaardigheid. Ook in dit licht kan wat het subonderdeel heeft aangedragen over de rechtsopvatting in andere landen moeilijk beslissend zijn voor de onderhavige zaak.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.53 Ten slotte merk ik op dat [eiser] in feitelijke instanties slechts zeer beperkt stellingen heeft ingenomen ten aanzien van wat art. 8 EVRM voor de toepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW in de onderhavige zaak betekent en in ieder geval niet heeft gesteld dat de Nederlandse rechter daarbij rekening heeft te houden met de door het subonderdeel aangedragen rechtsopvattingen van verschillende omringende landen.</p>\n<p class=\"lf-p\">F. “Redelijkheid en billijkheid”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.54 Onderdeel F stelt dat indien het arrest zo moet worden gelezen dat er sprake zou zijn van een rechtsverhouding beheerst door de redelijkheid en billijkheid die mee zou brengen dat [eiser] zijn rechten als erfgenaam niet geldend kan maken, hetzelfde heeft te gelden als met onderdelen A tot en met E is aangevoerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.55 Het onderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat er sprake is van een rechtsverhouding die wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid op basis waarvan [eiser] zijn rechten als erfgenaam niet geldend kan maken. Het hof heeft zijn eindoordeel gebaseerd op een redelijke wetstoepassing van art. 4:3 lid 1 onder a BW in het licht van art. 8 lid 1 EVRM en de bijzondere omstandigheden van deze zaak (rov. 3.32.). Iets anders is, daarop heb ik hiervoor al gewezen (randnummer 4.2), dat wat het hof hier, in de bijzondere omstandigheden van het geval, onder de noemer van een redelijke wetstoepassing heeft aangenomen, net zo goed onder de noemer van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid had kunnen worden aangenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">G. “Veegklacht”</p>\n<p class=\"lf-p\">4.56 Onderdeel G bevat een veegklacht. Het slagen van één of meer van de hiervoor vermelde klachten treft, aldus het onderdeel, ook rov. 3.33. tot en met 3.35. en het dictum.</p>\n<p class=\"lf-p\">4.57 Aangezien geen van de klachten van onderdelen A tot en met F slaagt, valt ook het doek voor de veegklacht van onderdeel G.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom 4.58 De slotsom is dat geen van de voorgestelde klachten in het principale cassatieberoep slaagt, zodat het moet worden verworpen.</p>\n<p class=\"lf-p\">5Bespreking van het cassatiemiddel in het incidentele cassatieberoep 5.1 Nu geen van de klachten van het principale cassatieberoep doel treft, is de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep is ingesteld niet vervuld, zodat ik aan een beoordeling daarvan niet toekom.</p>\n<p class=\"lf-p\">6Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G De feiten zijn, met redactionele aanpassingen, ontleend aan hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4522, JERF 2023/157 m.nt. M. de Vries, rov. 3.2.-3.11. en aan Rb. Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498, JERF 2022/160 m.nt. M. de Vries, rov. 2.8.-2.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 10 februari 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:767.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 10 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:8917. Tegen dit arrest was cassatieberoep ingesteld, maar dat is later ingetrokken. Zie Rb. Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498, JERF 2022/160 m.nt. M. de Vries, rov. 2.7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 5 bij de memorie van grieven van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Ontleend aan de bestreden uitspraak, rov. 3.7. [eiser] heeft deze verwijten en verklaringen in dit geding slechts in algemene zin ontkend en daarop geen verdere toelichting gegeven. Het hof is daarom ervan uitgegaan dat deze verwijten terecht zijn en dat hetgeen de kinderen en ex-echtgenote van [verweerder] verklaard hebben feitelijk juist is. Zie het bestreden arrest (rov. 3.12., weergegeven in randnummer 2.17 hierna).</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 1 bij de memorie van grieven van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 2 bij de memorie van grieven van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 2 bij de memorie van grieven van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 4 bij de memorie van grieven van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 5 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 1 bij de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamer voor het Notariaat Amsterdam 14 november 2019, ECLI:NL:TNORAMS:2019:23.</p>\n<p class=\"lf-p\">Productie 7 bij de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 17.-20. van de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 21.-23. van de inleidende dagvaarding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Gelderland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:498, JERF 2022/160 m.nt. M. de Vries.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 7. tot en met 24. van de memorie van grieven van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummers 8., 17., 23., 30., 33., 34., 36., 40., 42., 59., 61. en 62. van de memorie van grieven van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4522, JERF 2023/157 m.nt. M. de Vries.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft hierbij in een eindnoot verwezen naar hof Amsterdam 13 mei 1976, ECLI:NL:GHAMS:1976:AC3027, NJ 1977/213.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889 NJ 2010/206 m.nt. S. Perrick (Velcea et Mazăre/Roemenië).</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft hier in een eindnoot verwezen naar de in de vorige voetnoot aangehaalde EHRM-uitspraak.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 1.6 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 1.10-1.14 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206 m.nt. S. Perrick (Velcea et Mazăre/Roemenië).</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 16.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 17-20.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 17-21.</p>\n<p class=\"lf-p\">Anders dan het voordien geldende erfrecht dat specifieke regelingen van onwaardigheid kende in het versterfrecht (art. 885 BW (oud)) en het testamentaire erfrecht (art. 959 BW (oud)), ziet de wettelijke regeling van onwaardigheid in art. 4:3 BW zowel op opvolging krachtens testament als op wettelijke opvolging. Zie Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.A.A. Luijten, Erfrecht (Mon. BW B18), Deventer: Kluwer 2012, nr. II.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wet betrekt de onwaardigheid op het voordeel trekken uit een nalatenschap. Dat geldt niet alleen voor een erfgenaam, legataris of lastbevoordeelde maar bijvoorbeeld ook voor personen aan wie een wettelijk recht toekomt, zoals een legitimaris of onterfde. Zie Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 24.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in dit verband M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 7-8.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.), p. 1169 (NW 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld J.M. Tempelaar, ‘Het familiedrama en onwaardigheid’, WPNR 6864 (2010), p. 862 en M.J.A. van Mourik (red.), B.M.E.M. Schols, F.W.J.M. Schols, L.C.A. Verstappen &amp; B.C.M. Waaijer, Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 256. Volgens M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 8 gaat het bij het algemeen belang in wezen om twee algemene rechtsbeginselen die zeer nauw aan elkaar verwant zijn: “Voor zowel het versterferfrecht als het testamentaire erfrecht gaat het om het beginsel dat een persoon geen voordeel behoort te hebben van de opzettelijk veroorzaakte dood van een ander. Voor het testamentaire erfrecht geldt tevens het beginsel dat hij, die opzettelijk de dood van een ander veroorzaakt, die hem begunstigd heeft, geen voordeel uit die begunstiging behoort te kunnen trekken.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer J.H. Lieber, 'Kroniek Erfrecht’, FJR 2024/28, p. 141, J.Th.M. Diks, ‘Hoogwaardig en onwaardig. Artikel 4:3 BW’, AdvoTip 2023/11 en W. Breemhaar, Van bloedige en andere handen in het erfrecht, oratie, Amsterdam: Universiteit van Amsterdam 2014, p. 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer W.H. Vellinga, ‘Erfrechtelijke onwaardigheid als straf op de zonde in het Nieuw BW’, WPNR 5648 (1983), p. 235 en ook J.Th.M. Diks &amp; N. Lavrijssen, ‘De erfrechtelijke casus rondom de gifmoord: de onwaardigheid van art. 4:3 BW revisited’, REP 2024/168, p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 8. In dit verband verdient opmerking dat de onwaardigheid vervalt, wanneer de erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedraging heeft vergeven (art. 4:3 lid 3 BW). Zie over vergeving M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 175 e.v. Uiteraard kan het bij een voltooid levensdelict niet meer van vergeving komen. Vergelijk J.Th.M. Diks &amp; N. Lavrijssen, ‘De erfrechtelijke casus rondom de gifmoord: de onwaardigheid van art. 4:3 BW revisited’, REP 2024/168, p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 5-6.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 26-27.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.), p. 1169 (NW 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Er wordt wel betoogd dat uit de parlementaire geschiedenis van art. 4:3 lid 1 BW is af te leiden dat ook een onherroepelijke civielrechtelijke uitspraak zou kunnen voldoen. Zie in deze zin F.W. Brans &amp; Ph.A.J. Raaijmaakers, ‘Is een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling steeds vereist voor onwaardigheid van rechtswege ex artikel 4:3 lid 1 sub a BW?’, TE 2022/6, p. 126 e.v. De Vries heeft dit bestreden. Zij wijst erop dat onder vigeur van art. 885 lid 1 BW (oud) een strafrechtelijke veroordeling vereist was en dat de wetgever deze voorwaarde bij de invoering van art. 4:3 lid 1 BW welbewust heeft gehandhaafd, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis. Zie M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 35, 51-52 en 54-55. Wat mij betreft heeft De Vries het gelijk aan haar zijde. Uit de citaten uit de parlementaire geschiedenis van art. 4:3 lid 1 BW die ik in randnummer 3.10 (hierna) heb opgenomen, blijkt duidelijk dat de wetgever een strafrechtelijke veroordeling voor ogen heeft gehad.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld B.F. Keulen &amp; G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 110.</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke rechtvaardigingsgronden zijn overmacht in de zin van noodtoestand (art. 40 Sr), wettelijk voorschrift (art. 42 Sr), bevoegd gegeven ambtelijk bevel (art. 43 lid 1 Sr) en noodweer (art. 41 lid 1 Sr).</p>\n<p class=\"lf-p\">De wettelijke schulduitsluitingsgronden zijn ontoerekeningsvatbaarheid (art. 39 Sr), psychische overmacht (art. 40 Sr), noodweerexces (art. 41 lid 2 Sr) en een onbevoegd gegeven ambtelijk bevel (art. 43 lid 2 Sr).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer B.F. Keulen &amp; G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 108-109 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 282.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 368.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld B.F. Keulen &amp; G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 612.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld B.F. Keulen &amp; G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 62.</p>\n<p class=\"lf-p\">Art. 959 BW (oud) gaf een vergelijkbare onwaardigheidsregeling voor het testamentair erfrecht.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.), p. 1172 (VvW), 1174 (VvW) en 1175 (NW 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Hof Amsterdam 13 mei 1976, ECLI:NL:GHAMS:1976:AC3027, NJ 1977/213. Zie over dit arrest, dat ook door het hof (in een eindnoot bij rov. 3.18.) in de bestreden uitspraak wordt genoemd, ook M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 18-19 en Pitlo/Gr. van der Burght &amp; E.W.J. Ebben, Deel 5. Erfrecht, Arnhem: Gouda Quint 1997, nr. 17.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld E.A.A. Luijten &amp; W.R. Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht. Tweede gedeelte: Erfrecht, Deventer: Kluwer 2002, nr. 13, Pitlo/Gr. van der Burght &amp; E.W.J. Ebben, Deel 5. Erfrecht, Arnhem: Gouda Quint 1997, nr. 17. Zie verder bijvoorbeeld ook reeds H.F.A. Völlmar, Nederlandsch Burgerlijk Recht. Tweede deel. Zaken- en erfrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1942, p. 454.</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.), p. 1169 (NW 6).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.), p. 1172 (VvW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.), p. 1174 (VvW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.), p. 1175 (NW 7).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.), p. 1173-1174 (VvW).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zo ook F.W. Brans &amp; Ph.A.J. Raaijmaakers, ‘Is een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling steeds vereist voor onwaardigheid van rechtswege ex artikel 4:3 lid 1 sub a BW?’, TE 2022/6, p. 126 e.v. en de Nota beantwoording Kamervragen over de mogelijkheid dat de dader van zijn slachtoffer erft van 4 oktober 2022, 4227891, p. 3 (ambtelijke beslisnota). Ik merk hierbij op dat zowel dit artikel van Brans &amp; Raaijmaakers als de Nota beantwoording Kamervragen (ambtelijke beslisnota) het vonnis van de rechtbank in de onderhavige zaak als aanleiding hebben.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hiervoor al genoemde hof Amsterdam 13 mei 1976, ECLI:NL:GHAMS:1976:AC3027, NJ 1977/213 waarover randnummer 3.8 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 54 en 58 onder verwijzing naar de tuchtrechtelijke uitspraak in deze zaak (Kamer voor het Notariaat Amsterdam 14 november 2019, ECLI:NL:TNORAMS:2019:23, rov. 5.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">Volledigheidshalve merk ik op dat euthanasie, ook door een arts, tot 2002 strafbaar was in Nederland. Slechts in zeer bijzondere gevallen kon een beroep worden gedaan op de rechtvaardigingsgrond noodtoestand (art. 40 Sr). Per 1 april 2002 is de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding ingevoerd. Sindsdien kennen art. 293 en 294 Sr een bijzondere strafuitsluitingsgrond voor een arts die euthanasie heeft gepleegd en heeft voldaan aan een specifieke meldings- en toetsingsprocedure. Zie hierover J. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 298-302.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk de bewoordingen van art. 293 Sr (onderstreping door mij, A-G): “Hij die opzettelijk het leven van een ander op diens uitdrukkelijk en ernstig verlangen beëindigt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 25, M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 35-36 en 58, GS Erfrecht, art. 4:3 BW (actueel tot en met 1 augustus 2023), aant. 2 (M.R. Kremer), M.J.A. van Mourik &amp; F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Mon. Privaatrecht 1), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 7 en W. Breemhaar, Van bloedige en andere handen in het erfrecht, oratie, Amsterdam: Universiteit van Amsterdam 2014, p. 6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld GEA Curaçao 8 maart 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:40, JERF 2021/83 m.nt. L.A.G.M. van der Geld, rov. 4.9., Rb. Midden-Nederland 6 mei 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:3038, rov. 4.12. en Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399, rov. 5.13.8. Ik merk hierbij direct op dat de rechter in deze gevallen met toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid wel grond zag om een uitzondering aan te nemen op het uitgangspunt dat de vereiste veroordeling ontbreekt in het geval waarin vaststaat dat de erfgenaam de erflater om het leven heeft gebracht, maar hij een succesvol beroep heeft kunnen doen op een schulduitsluitingsgrond. Art. 4:3 lid 1 onder a BW brengt dan toch mee dat de erfgenaam niet onwaardig is. Zie hierover randnummer 3.33 hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nrs. 25 en 35, M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, par. 2.2.3.5 en 2.7, M.J.A. van Mourik &amp; F.W.J.M. Schols, Erfrecht (Mon. Privaatrecht 1), Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 7 en M.J.A. van Mourik (red.), B.M.E.M. Schols, F.W.J.M. Schols, L.C.A. Verstappen &amp; B.C.M. Waaijer, Handboek Erfrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 256.</p>\n<p class=\"lf-p\">In de literatuur is gedebatteerd over de vraag of de erfrechtelijke onwaardigheid zou moeten worden doorgetrokken naar het huwelijksvermogensrecht. Aanleiding daarbij was HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, NJ 1991/593 m.nt. E.A.A. Luijten en Ars Aequi 1991, p. 679 e.v. m.nt. S.C.J.J. Kortmann (bloedbruiloft), waarin Uw Raad oordeelde dat onder zeer bijzondere omstandigheden een onverkorte toepassing van de krachtens art. 1:100 lid 1 BW tussen deelgenoten in een ontbonden huwelijksgemeenschap geldende regel van verdeling bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Zie hierover onder meer en in uiteenlopende zin J.B.M. Vranken, ‘Recente rechtspraak’, WPNR 5998 (1991), p. 196 en E.A.A. Luijten in zijn noot bij HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC007, NJ 1991/593 (bloedbruiloft), onder 2. Van een dergelijke uitbreiding is het niet gekomen. Het huwelijksvermogensrecht kent dus geen onwaardigheidsbepaling of -leerstuk. Het genoemde arrest uit 1990 is nog altijd relevant voor de vraag of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in een concreet geval afwijking van art. 1:100 lid 1 BW rechtvaardigt. Zie bijvoorbeeld HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.5 en Asser Personen- en familierecht/W.D. Kolkman &amp; F.R. Salomons, Deel 1-II. Huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 357.</p>\n<p class=\"lf-p\">F.W.J.M. Schols, Schenking en gift (Mon. BW B82), Deventer: Wolters Kluwer 2011, nr. 12.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 1998-1999, 17 213, nr. 4, p. 7 (Nota van Wijziging).</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2000-2001, 17 213, nr. 6, p. 10 (Nota naar aanleiding van het Verslag).</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie over art. 7:973 BW K. Engel, in: N. van Tiggele-van der Velde, S.Y.Th. Meijer &amp; N. Vloemans (red.), De praktijk van 15 (+ 1) jaar ‘nieuw’ verzekeringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, par. 9.4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Bijzondere overeenkomsten/J.H. Wansink, N. van Tiggele-van der Velde &amp; F.R. Salomons, Deel 7-IX. Verzekering, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nr. 753. Zie ook Parl. Gesch. Boek 7 titel 17 BW, p. 260 (NvW 1).</p>\n<p class=\"lf-p\">Parl. Gesch. Boek 7 titel 17 BW, p. 259-261.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in deze zin reeds M. de Vries in haar noot bij hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4522, JERF 2023/157, p. 982.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik meen te kunnen volstaan met verwijzing naar Asser Vermogensrecht algemeen/A.S. Hartkamp, Deel I. Europees recht en Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 221-231.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Vermogensrecht algemeen/A.S. Hartkamp, Deel I. Europees recht en Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 221-225.</p>\n<p class=\"lf-p\">Vergelijk Asser Vermogensrecht algemeen/A.S. Hartkamp, Deel I. Europees recht en Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 222.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Vermogensrecht algemeen/A.S. Hartkamp, Deel I. Europees recht en Nederlands vermogensrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nrs. 225 en 228.</p>\n<p class=\"lf-p\">Op het moment dat het arrest door het EHRM werd gewezen, was reeds, naar aanleiding van de zaak van Aurel A., een wijziging van art. 655 van het Roemeens BW aangenomen. Op grond van deze wetswijziging is, kort gezegd, degene die de erflater om het leven heeft gebracht, eveneens onwaardig indien de burgerlijke rechter onherroepelijk heeft vastgesteld dat het overlijden van de dader een strafrechtelijke veroordeling voor het opzettelijk om het leven brengen van de erflater in de weg staat. Zie EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206 m.nt. S. Perrick (Velcea et Mazăre/Roemenië), rov. 77. Inmiddels is dit vastgelegd in art. 958 lid 2 van het Roemeens BW. Zie https://www.codulcivil.ro/art-958-nedemnitatea-de-drept/. Overigens kent België sinds enige tijd een soortgelijke bepaling met art. 4.6 par.1 onder 2 van het nieuwe Belgisch BW. Zie hierover M. de Vries &amp; D. Leire, ‘Onwaardigheid in België en Nederland na ‘De Roemeense erflater’’, TE 2022/3, p. 65-66.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor de feiten ook EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206 m.nt. S. Perrick, rov. 5.-77. Zie ook M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 42.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 42-44 en S. Perrick in zijn noot bij EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206 (Velcea et Mazăre/Roemenië), onder 1-4.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 44.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 44-45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie in gelijke zin ten aanzien van art. 4:3 lid 1 onder a BW S. Perrick in zijn noot bij EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206 (Velcea et Mazăre/Roemenië), onder 5.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie Asser Verbintenissenrecht/C.H. Sieburgh, Deel III. Algemeen overeenkomstenrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nrs. 398-401 en over de toepassing van de redelijkheid en billijkheid in het erfrecht onder meer Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 35 en M. de Vries, ‘Onwaardigheid en de redelijkheid en billijkheid: artikel 4:3 BW is niet zo limitatief als het lijkt’, TE 2021/6, p. 113-114. Zie ook J.Th.M. Diks &amp; N. Lavrijssen, ‘De erfrechtelijke casus rondom de gifmoord: de onwaardigheid van art. 4:3 BW revisited’, REP 2024/168, p. 40.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld J.H. Lieber, ‘Kroniek Erfrecht’, FJR 2024/28, p. 141 en J.Th.M. Diks, ‘Hoogwaardig en onwaardig. Artikel 4:3 BW’, AdvoTip 2023/11.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 138-139.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 138.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie voor een overzicht bijvoorbeeld E.M.J.M.C. van Wijk-Verhagen, ‘De verhouding tussen de erfrechtelijke onwaardigheid van rechtswege in de zin van artikel 4:3 BW en de ‘algemene’ redelijkheid en billijkheid’, WPNR 7454 (2024), p. 223, GS Erfrecht, art. 4:3 BW (actueel tot en met 1 augustus 2023, aant. 1 (M.R. Kremer), M. de Vries, ‘Onwaardigheid en de redelijkheid en billijkheid: artikel 4:3 BW is niet zo limitatief als het lijkt’, TE 2021/6, p. 113-118 en verder Kamerstukken II 2022-2023, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 306, p. 2-3.</p>\n<p class=\"lf-p\">GEA Curaçao 8 maart 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:40, JERF 2021/83 m.nt. L.A.G.M. van der Geld. De Vries heeft zich kritisch uitgelaten over de wijze waarop het gerecht tot het oordeel is gekomen dat de man onwaardig is. Omdat voldoende vaststond dat de man de vrouw had omgebracht maar een strafrechtelijke veroordeling ontbrak vanwege onvindbaarheid van de man, had het gerecht volgens haar op grond van ‘de Roemeense erflater’ art. 4:3 lid 1 onder a BW verdragsconform moeten uitleggen om tot onwaardigheid te komen. Zie M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 45.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nalatenschap van de vrouw bevatte haar aandeel in de echtelijke woning. Eisers in deze procedure waren de moeder en de broers en zussen van de vrouw. Vast stond dat als de man niet onwaardig was, hij op het moment van het overlijden van de vrouw op grond van art. 4:10 BW haar enig erfgenaam was. Mocht later blijken dat de man toch was overleden, dan zou de erfenis bestaande uit de (verkoopopbrengst van de) echtelijke woning toekomen aan zijn dochter uit een eerdere relatie.</p>\n<p class=\"lf-p\">GEA Curaçao 8 maart 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:40, JERF 2021/83 m.nt. L.A.G.M. van der Geld, rov. 4.9.-4.12.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nalatenschap bestond uit spaargeld, speelgoed en kleding van het meisje, aldus Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399, rov. 5.13.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399, rov. 5.13.1.-5.13.9.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hierbij wees de rechtbank op de volgende omstandigheden: het meisje is door haar moeder gedood, de vader heeft hierdoor zijn dochtertje verloren en de moeder heeft hem definitief van het gezinsleven met zijn kind beroofd, waardoor de voormalige relatie tussen de vader en moeder een wel zeer zware last draagt. Zie Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399, rov. 5.13.10.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Maastricht 26 september 2012, ECLI:NL:RBMAA:2012:BX9399, rov. 5.13.10.-5.13.11.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Middelburg 5 oktober 2011, ECLI:NL:RBMID:2011:BU6593.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Middelburg 5 oktober 2011, ECLI:NL:RBMID:2011:BU6593, rov. 4.3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 3.28 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 35 en J.Th.M. Diks &amp; N. Lavrijssen, ‘De erfrechtelijke casus rondom de gifmoord: de onwaardigheid van art. 4:3 BW revisited’, REP 2024/168, p. 41-42.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 45-46.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rb. Middelburg 5 oktober 2011, ECLI:NL:RBMID:2011:BU6593. Zie Asser Erfrecht en schenking/S. Perrick, Deel 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 35.</p>\n<p class=\"lf-p\">S. Perrick in zijn noot bij EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206 (Velcea et Mazăre/Roemenië), onder 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 47-48.</p>\n<p class=\"lf-p\">De Vries wijst hierbij naar de uitspraak van het gerecht in eerste aanleg van Curaçao. Zie voetnoot 94 en randnummer 3.33 hiervoor. Hetzelfde geldt voor de uitspraak van de rechtbank Middelburg waar Perrick naar heeft verwezen ter onderbouwing van zijn opvatting. Zie M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 135 en randnummer 3.33 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 45-46 en 265-268. Zie over de aangekondigde wijziging van art. 4:3 BW par. (iv) hierna.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 143-144.</p>\n<p class=\"lf-p\">Hier lijkt De Vries zelf ook vanuit te gaan nu zij hierbij verwijst naar de gevallen waarin de rechter reeds aan de hand van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid tot het oordeel was gekomen dat iemand toch onwaardig was om voordeel te trekken uit de nalatenschap. Zie M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 144.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie onder meer ook J.H. Lieber, ‘Kroniek Erfrecht’, FJR 2024/28, p. 141-142 en M. de Vries in haar noot bij hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4522, JERF 2023/157, p. 981. ‘ [eiser] martelde zijn vrouw tot ze dood ging: nu wil hij haar erfenis, kan dat zomaar?’, [website] , laatste update 5 januari 2023.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2022-2023, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 306, p. 1.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2022-2023, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 306, p. 3.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2023-2024, 36 410 VI, nr. 2 (Memorie van Toelichting wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2024), p. 152.</p>\n<p class=\"lf-p\">Kamerstukken II 2022-2023, 29752, nr. 16 (Verslag van een commissiedebat), p. 7.</p>\n<p class=\"lf-p\">Stop Femicide! Plan van aanpak om dodelijk geweld tegen vrouwen en meisjes door (ex-) partner of familie te voorkomen, Rijksoverheid: Den Haag 2024, p. 63.</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 265-266 en M. de Vries, ‘Dissertatie ‘Onwaardigheid’: enkele belangrijke bevindingen voor de erfrechtpraktijk’, TE 2024/3, p. 53-54. Zie ook randnummer 3.35 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.Th.M. Diks &amp; N. Lavrijssen, ‘De erfrechtelijke casus rondom de gifmoord: de onwaardigheid van art. 4:3 BW revisited’, REP 2024/168, p. 43-44 F.W. Brans &amp; Ph.A.J. Raaijmakers, ‘Dient artikel 4:3 lid 1 sub a BW te worden aangepast?’, TE 2023/5, p. 88.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie naast al genoemde bijdragen bijvoorbeeld ook de volgende reactie van Van Mourik: “Zie inmiddels Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4522. In die geruchtmakende affaire liet de rechtbank een TBS’er, die zijn vrouw vermoord had, door ontslag van rechtsvervolging ontkomen aan de onwaardigheid. Niet veroordeeld en dus volgens de wettekst en de rechtbank niet onwaardig om te erven! In redelijkheid, en dus juridisch(!), was dat toch niet te pruimen! Niet voor de familie van de vrouw die de marteldood stierf maar ook niet voor mij als mens en jurist. Een dergelijk oordeel is ook op zijn plaats als een moordenaar overlijdt tijdens het strafproces.” Zie M.J.A. van Mourik, ‘Verbeurdverklaring en dergelijke in het erfrecht’, in W. Burgerhart e.a. (red.), Met grootse passen door het recht (Verstappen-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 122 (voetnoot 4).</p>\n<p class=\"lf-p\">M. de Vries, Onwaardigheid, diss., Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 52-53 en 59.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.Th.M. Diks, ‘Hoogwaardig en onwaardig. Artikel 4:3 BW’, AdvoTip 2023/11.</p>\n<p class=\"lf-p\">J.Th.M. Diks &amp; N. Lavrijssen, ‘De erfrechtelijke casus rondom de gifmoord: de onwaardigheid van art. 4:3 BW revisited’, REP 2024/168, p. 41-42. Zie over de toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid bij onwaardigheid paragraaf (iii) hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">E.M.J.M.C. van Wijk-Verhagen, ‘De verhouding tussen de erfrechtelijke onwaardigheid van rechtswege in de zin van artikel 4:3 BW en de ‘algemene’ redelijkheid en billijkheid’, WPNR 7454 (2024), p. 229.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik herhaal nog maar dat het hof aan beoordeling van de grieven over het oordeel van de rechtbank over de subsidiaire op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid gebaseerde vordering van [verweerder] niet is toegekomen. Zie randnummers 2.16 en 2.33 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie ook randnummers 9.1-9.2 van de schriftelijke toelichting van [verweerder] , waar er ook op wordt gewezen dat het hof de grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de subsidiaire vordering van [verweerder] onbehandeld heeft gelaten.</p>\n<p class=\"lf-p\">EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206 m.nt. S. Perrick (Velcea et Mazăre/Roemenië).</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 3) verwijst hierbij in het bijzonder naar rov. 3.28. tot en met 3.33., waarin het hof op basis van bijzondere omstandigheden heeft geoordeeld dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de eis van een strafrechtelijke veroordeling in art. 4:3 lid 1 onder a BW buiten toepassing moet blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">De nummering (i) tot en met (vi) heb ik zelf aangebracht aangezien een nummering van de hierna opgesomde verschillen in het onderdeel zelf op p. 4 tot en met 6 van de procesinleiding ontbreekt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 3.29-3.31 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummer 3.31 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ik verwijs hierbij naar de eerder door mij in randnummer 4.4 hiervoor gehanteerde nummering ((i) tot en met (vi)) van de door het onderdeel genoemde verschillen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 12. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 13. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 14. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 15. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het bestreden arrest bevat tweemaal een rov. 3.6.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie randnummers 1.7-1.8 hiervoor.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding verwijst naar rov. 5 van het strafvonnis, maar dat oordeel betreft de strafbaarheid van het feit. De psychische toestand van de verdachte wordt behandeld onder rov. 2 van het strafvonnis.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 7) verwijst hierbij naar randnummer 14. van de memorie van antwoord van [eiser] waarin [eiser] heeft gewezen op het feit dat de strafrechter in eerste aanleg concludeerde dat het feit onder invloed van een psychose is gepleegd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld A.E.H. van der Voort Maarschalk, in B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, Deventer: Wolters Kluwer 2019, nrs. 53-56.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie bijvoorbeeld randnummers 14. en 20. van de memorie van antwoord van [eiser] en randnummer 21. van de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie van [eiser] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 16. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 7) stelt hierbij dat het niet duidelijk is welke van deze feiten onder invloed van de sluipend opkomende en later floride (dat wil zeggen: volledig doorontwikkelde) psychose zijn begaan: het hof noemt de gruwelijke wijze waarop [betrokkene 1] om het leven is gebracht, de wijze waarop [eiser] zich “in de jaren daarvoor” (zonder dat het hof dit specificeert zodat niet is na te gaan of [eiser] toen al onder invloed van een sluipende psychose stond) gedroeg en bedreigingen uitte jegens [verweerder] , zijn familie en vriend, de psychische en fysieke mishandeling van [betrokkene 1] , de inbraak, het niet tonen van wroeging en het later beschuldigen van [verweerder] .</p>\n<p class=\"lf-p\">Randnummer 17. van de procesinleiding.</p>\n<p class=\"lf-p\">De procesinleiding (p. 7) verwijst hierbij naar https://www.umcutrecht.nl/nl/ziekte/psychose en CRvB 1 juni 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA6754.</p>\n<p class=\"lf-p\">Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:90) voor HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1164, NJ 2023/283 en JA 2023/14 m.nt. C.J. van Weering (Alcoholclausule), randnummer 3.26.</p>\n<p class=\"lf-p\">G.R. Rutgers, R.J.C. Flach &amp; G.J. Boon (red.), Parlementaire Geschiedenis van de nieuwe regeling van het bewijsrecht in burgerlijke zaken, Deventer: Kluwer 1988, p. 84-85, M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 156 en Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 97.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 97.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 10 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM8913, NJ 2010/486, Ondernemingsrecht 2010/146 m.nt. M.J. Kroeze en JOR 2010/278 m.nt. F.M.A. ’t Hart (Theodoor Gilissen Bankiers NV), rov. 3.3.5 en H.J. Snijders in zijn noot bij HR 24 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7929, NJ 2007/539, onder 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">HR 8 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB6196, NJ 2008/92, rov. 5.2.</p>\n<p class=\"lf-p\">Asser Procesrecht/W.D.H. Asser, Deel 3. Bewijs, Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 97.</p></div>", "next": 239736}