{"html": "<div class=\"lf-doc\"><p class=\"lf-p\">“Als een cateringbedrijf wordt ingehuurd om zijn personeel in het bedrijfsrestaurant van de opdrachtgever te laten werken is de ketenaansprakelijkheid voor loon wel van toepassing. Levert het personeel van dezelfde cateraar echter ergens een bestelling af, dan is de ketenaansprakelijkheid niet van toepassing op de koper van die bestelling. In lijn hiermee is bepaald dat de ketenaansprakelijkheid niet geldt voor particuliere opdrachtgevers omdat zij niet handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Van een particulier die zijn huis laat schilderen kan bijvoorbeeld wel worden verwacht dat hij nagaat of BTW in rekening wordt gebracht, maar niet dat hij bij deze opdracht specifieke arbeidsvoorwaardelijke eisen of voorwaarden stelt en deze controleert.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.31 Zowel uit de tekst van de wet als uit de daarop geformuleerde toelichting in de parlementaire geschiedenis, volgt dus onomstotelijk dat de aansprakelijkheid voor het loon die normaliter voor inleners geldt, niet geldt als de inlener een particulier is. Hoewel sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid (zodat het ontbreken van aansprakelijkheid aan de zijde van de particuliere inlener niet zonder meer tot gevolg heeft dat de uitzendkracht met lege handen komt te staan), vormt dit gegeven wel een aanwijzing dat de wettelijke regelingen die gelden ingeval van uitzendwerk, niet voor de particuliere inlener geschreven lijken te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie: de inlener in art. 7:690 BW 9.32 Uit het voorgaande komt naar voren dat de toepassing van art. 7:690 BW op niet-bedrijfsmatige inleners om meerdere redenen niet voor de hand ligt. De wetgever lijkt de bedrijfsmatige inlener op het oog te hebben gehad (zie onder 9.7), en bovendien geldt dat verschillende civielrechtelijke regelingen die normaliter op de inlener van toepassing zijn, niet gelden voor de particuliere inlener (zie onder 9.19-9.31).</p>\n<p class=\"lf-p\">De inlener in de Waadi 9.33 In de memorie van toelichting bij de Wet Flexibiliteit en Zekerheid is te lezen dat in titel 7.11 BW duidelijkheid is geboden over de aard van de uitzendovereenkomst, en dat de resterende, bijzondere regels inzake intermediairs die ook onderdeel zijn van de Nota Flexibiliteit en Zekerheid, hun beslag krijgen in de Waadi.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.34 Hoewel titel 7.11 BW en de Waadi dus nauw aan elkaar verwant zijn, is het van belang op te merken dat deze regelingen geen identiek toepassingsbereik kennen. Zo is het begrip “terbeschikkingstelling” in de Waadi ruimer dan de terbeschikkingstelling in het BW. Ten eerste geldt dat het in het kader van de Waadi gaat om het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, een ruimer begrip dan de werknemer die in art. 7:690 BW centraal staat. Ten tweede geldt in het geval van ‘doorlening’ (waarbij de inlener de arbeidskracht elders ter beschikking stelt) dat in de Waadi wel sprake is van terbeschikkingstelling, terwijl in dat geval geen sprake is van een uitzendovereenkomst ex art. 7:690 BW: tussen de arbeidskracht en de ‘doorlener’ bestaat in dat geval immers geen arbeidsovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ten derde valt te wijzen op het vereiste dat uitzenden in het kader van art. 7:690 BW moet geschieden in het kader van het beroep of bedrijf van de uitzendonderneming, een vereiste dat de Waadi niet stelt. Het vierde verschil met art. 7:690 BW is dat de Waadi vereist dat de terbeschikkingstelling plaatsvindt tegen een vergoeding, terwijl het BW dit niet vereist. Tot slot valt erop te wijzen dat de Waadi in art. 1 lid 3 drie uitzonderingen formuleert op het begrip terbeschikkingstelling, die in het kader van art. 7:690 BW niet gelden. Dit heeft bijvoorbeeld tot gevolg dat intra-concern terbeschikkingstelling wél onder het bereik van art. 7:690 BW valt, maar niet onder het bereik van de Waadi.</p>\n<p class=\"lf-p\">Overigens lijkt voor de uitleg van het element “toezicht en leiding” in het terbeschikkingstellingsbegrip in de Waadi (art. 1 lid 1 sub c, zie onder 9.37), wél aansluiting te worden gezocht bij de uitleg van het gelijkluidende element in art. 7:690 BW, dat aan de hand van het gezagscriterium wordt getoetst (zie onder 8.21 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.35 Een ander aandachtspunt is dat de Waadi deels bestaat uit bepalingen die een implementatie vormen van de Europese Uitzendrichtlijn (zie hierover verder vanaf 9.53). Zoals hierna zal blijken, kent de Uitzendrichtlijn een andere omlijning van het uitzendbegrip dan art. 7:690 BW. Daarbij geldt dat voor Waadi-bepalingen die een implementatie vormen van de Uitzendrichtlijn, een richtlijnconforme uitleg van die bepalingen en de daarin gehanteerde begrippen voor de hand ligt.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.36 Het voorgaande betekent dat bij de hiernavolgende bespreking van de Waadi, steeds (en per bepaling) zal moeten worden bekeken wat de betekenis daarvan is voor de uitleg van het inlenersbegrip in art. 7:690 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het Waadi-inlenersbegrip in de parlementaire geschiedenis 9.37 Art. 1 lid 1 sub c Waadi definieert het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als “het tegen vergoeding ter beschikking stellen van arbeidskrachten aan een ander voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.38 In de literatuur wordt veelal aangenomen dat “de ander” als bedoeld in art. 1 lid 1 Waadi ook de natuurlijke persoon omvat.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.39 Dat dit inderdaad zo is, heb ik op basis van de wetsgeschiedenis echter niet kunnen achterhalen. In de memorie van toelichting van de Waadi is, net als in de memorie van toelichting van de WFZ (zie onder 9.7), niet expliciet stilgestaan bij de hoedanigheid van de inlener.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.40 Wel is het inlenersbegrip aan bod gekomen in het kader van het vervallen van de frase “in diens onderneming” die eerder in de definitie van terbeschikkingstelling (in de Wet TBA en in de Arbeidsvoorzieningswet) voorkwam (zie onder 8.2-8.3). Hiervoor is toegelicht dat deze zinsnede bij de inwerkingtreding van de WFZ kwam te vervallen, en dat in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 7:690 BW is opgemerkt dat dit element “in het wetsvoorstel allocatie arbeidskrachten door intermediairs” in de definitie van terbeschikkingstelling is komen te vervallen, omdat dit element “niet van wezenlijke betekenis” was (zie onder 9.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.41 In de parlementaire geschiedenis van de Waadi is over het vervallen van de zinsnede “in diens onderneming” te lezen: “In afwijking van de omschrijving in de Arbeidsvoorzieningswet 1990 is het Tweede Kamer, vergaderjaar 1996–1997, 25 264, nr. 3 17 vereiste van «in diens onderneming» komen te vervallen. Voor de ruime definitie, waarop in het derde lid uitzonderingen worden gemaakt, is dit element niet van betekenis en onnodig beperkend.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.42 Het is de vraag wat het wegvallen van de frase “in diens onderneming” betekent. Bij eerste lezing zou de indruk kunnen ontstaan dat hiermee het (eerder kennelijk wel bestaande) vereiste dat de inlener een onderneming moet zijn, is komen te vervallen. Dat zou een sterke aanwijzing vormen voor een bewuste verruiming van het inlenersbegrip in de Waadi.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.43 Een dergelijk uitleg ligt m.i. echter niet voor de hand. In het onder 9.41 aangehaalde citaat is te lezen dat de frase “in diens onderneming”, voor “de ruime definitie, waarop in het derde lid uitzonderingen worden gemaakt” niet van betekenis en onnodig beperkend zou zijn. In het hier bedoelde derde lid van art. 1 Waadi is opgenomen: “In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder ter beschikking stellen van arbeidskrachten niet verstaan: a. het ten behoeve van een geleverde zaak of tot stand gebracht werk ter beschikking stellen van arbeidskrachten; b. het bij wijze van hulpbetoon zonder winstoogmerk ter beschikking stellen van arbeidskrachten, die bij degene, die hen ter beschikking stelt, ten behoeve van arbeid in diens onderneming in dienst zijn; c. het ter beschikking stellen van arbeidskrachten voor het verrichten van arbeid in een onderneming, die door dezelfde ondernemer in stand wordt gehouden als die de arbeidskrachten ter beschikking stelt, of waarbij degene die arbeidskrachten ter beschikking stelt en de onderneming waar de terbeschikkingstelling plaatsvindt in een groep zijn verbonden als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek dan wel de één een dochtermaatschappij is van de ander als bedoeld in artikel 24a van dit Boek.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.44 Voor het vervallen van de zinsnede “in diens onderneming” lijkt met name de uitzondering onder sub c relevant. Over deze bepaling is in de memorie van toelichting het volgende opgemerkt: “Onderdeel c van dit artikellid regelt, dat intra-concern uitlenen niet valt onder de regels die van toepassing zijn voor het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, die in deze wet zijn opgenomen. Hiertoe is aangesloten bij het begrip ondernemer in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van die wet: ondernemer is de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onderneming in stand houdt).”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.45 Uit deze toelichting op de inperking van het begrip terbeschikkingstelling via art. 1 lid 3 sub c Waadi, blijkt m.i. niet duidelijk dat de wetgever een verruiming van het inlenersbegrip in de Waadi heeft willen bewerkstelligen. Dit wordt gesteund door de opmerking dat de zinsnede “in diens onderneming”, “niet van betekenis” en “onnodig beperkend” zou zijn. Nog daargelaten of iets “niet van betekenis” en gelijktijdig “onnodig beperkend” kan zijn, vormen deze bewoordingen geen indicatie dat met de (tekstuele) wijziging van het begrip terbeschikkingstelling een materiële verruiming is beoogd.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.46 Bovendien komt (ook) in de formulering van de memorie van toelichting van de Waadi op verschillende onderdelen tot uitdrukking dat de wetgever de bedrijfsmatige inlener voor ogen lijkt te hebben gehad. Zo wordt onder meer gesproken van “het inlenende bedrijfsleven”, “het inlenende bedrijf” en “de inlenende onderneming”. Daarmee ligt nog minder voor de hand dat de wetgever met het vervallen van de zinsnede “in diens onderneming”, het bereik van de Waadi heeft willen verruimen naar niet-bedrijfsmatige inleners.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.47 In de literatuur is overigens nog opgemerkt dat het wegvallen van het element “in diens onderneming” tot gevolg heeft dat de arbeid in het kader van de terbeschikkingstelling ook vanuit het huis van de arbeidskracht, of op een andere locatie dan de locatie van de inlener kan worden verricht. Bij een dergelijke benadering zou de verwijzing naar de onderneming van de inlener dus geen betrekking te hebben op de hoedanigheid van de inlener, maar op de plaats waar de arbeid wordt verricht. Een dergelijke uitleg komt mij niet onaannemelijk voor.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.48 Al met al is in de totstandkomingsgeschiedenis van de Waadi weinig concreets terug te vinden over de door de wetgever beoogde reikwijdte van het inlenersbegrip. Net als in het kader van art. 7:690 BW (zie onder 9.7), lijkt het erop dat de wetgever toepassing van de Waadi op de bedrijfsmatige inlener voor ogen had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het inlener in de materiële bepalingen van de Waadi 9.49 In verschillende Waadi-bepalingen wordt uitdrukkelijk gesproken van de onderneming waar de arbeidskracht ter beschikking wordt gesteld (art. 8 Waadi, art. 8a t/m 8c Waadi, art. 10 Waadi). Het gaat daarbij niet enkel om bepalingen die een implementatie van de Uitzendrichtlijn vormen, maar ook om bepalingen die reeds daarvoor in de Waadi opgenomen waren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.50 Zo geldt dat het zogenoemde loonverhoudingsnorm van art. 8 Waadi met de implementatie van de Uitzendrichtlijn op punten is gewijzigd, maar deze bepaling richtte zich ook daarvoor al op inlenende ondernemingen. In de memorie van toelichting van de Waadi is te lezen dat deze bepaling ertoe strekt dat “de arbeidsvoorwaarden van de ingeleende arbeidskrachten geen verstorende invloed hebben op het bij de inlener vigerende systeem van arbeidsvoorwaarden”, en dat “het arbeidsverhoudingenstelsel” het te beschermen belang is. In de artikelsgewijze toelichting van art. 8 Waadi, wordt voorts gesproken van het “inlenende bedrijf” en de “inlenende onderneming”.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.51 Ook in de artikelsgewijze toelichting van het onderkruipersverbod van art. 10 Waadi wordt gesproken van het “bedrijf” of de “onderneming” van de inlener. Daarbij is opgemerkt dat de achtergrond van deze bepaling is dat moet worden voorkomen dat met het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, de effectiviteit van het stakingsmiddel en daarmee de arbeidsverhoudingen worden verstoord. Dat een dergelijke situatie zich voordoet bij een particuliere inlener, is moeilijk voorstelbaar.</p>\n<p class=\"lf-p\">Tussenconclusie 9.52 De conclusie is dat het inlenersbegrip in de Waadi ruim is, maar dat uit de meeste bepalingen zich specifiek op de bedrijfsmatige inlener richten.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inlener in de Uitzendrichtlijn 9.53 In deze paragraaf wordt stilgestaan bij het inlenersbegrip in de EU-richtlijn betreffende uitzendarbeid (hierna: de Uitzendrichtlijn). Op te merken is dat het Nederlandse uitzendbegrip in art. 7:690 BW geen implementatie van deze richtlijn vormt. Verder is van belang om te vermelden dat de Uitzendrichtlijn een minimumrichtlijn is, zodat het lidstaten vrijstaat een verdergaande regeling omtrent uitzendwerk te hanteren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.54 In de memorie van toelichting van de wet waarmee de Uitzendrichtlijn is geïmplementeerd, is te lezen dat art. 3 lid 1 sub a t/m e van de Uitzendrichtlijn geen implementatie behoeven, nu deze definities aansluiten bij de definitie van de uitzendovereenkomst in art. 7:690 BW en van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten als bedoeld in art. 1 lid 1 onder c van de Waadi.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.55 Art. 1 lid 1 van de Uitzendrichtlijn bepaalt dat de richtlijn van toepassing is op “werknemers met een arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding met een uitzendbureau, die ter beschikking worden gesteld van inlenende ondernemingen om onder toezicht en leiding van genoemde ondernemingen tijdelijk te werken.” Het hier gehanteerde begrip “inlenende onderneming” wordt nader gedefinieerd in art. 3 lid 1 sub d van de richtlijn. Daar is te lezen dat onder “inlenende onderneming” wordt verstaan: “iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wie en onder wiens toezicht en leiding een uitzendkracht tijdelijk werkt; (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.56 Puur op basis van deze definitiebepalingen, lijkt het er dus op dat het Europese uitzendbegrip ook de particuliere inlener omvat. Art. 1 lid 2 van de richtlijn bevat echter een belangrijke beperking op het voorgaande: daar is bepaald dat de Uitzendrichtlijn enkel van toepassing is op openbare en particuliere ondernemingen die uitzendbureaus of inlenende ondernemingen zijn, en die een “economische activiteit uitoefenen, al dan niet met winstoogmerk.” Daarmee rijst onder meer de vraag of het vereiste van een “economische activiteit” geldt voor zowel het uitzendbureau als de inlener (of slechts voor één van die twee).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.57 Deze vraag kwam aan bod in het Manpower-arrest van het Hof van Justitie van de EU (hierna: HvJEU) uit 2021. Het ging in deze zaak om de terbeschikkingstelling door Manpower Lit (een Litouws uitzendbureau), dat vijf werknemers ter beschikking had gesteld aan het Europees Instituut voor Gendergelijkheid (EIGE), een agentschap van de EU dat als algemene doelstelling heeft het bijdragen tot en versterken van de bevordering van gendergelijkheid binnen de EU. Na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met Manpower, gaan de vijf werknemers over tot vordering van achterstallig loon, waarbij zij zich op het standpunt stellen dat zij aanspraak maken op hetzelfde loon als de werknemers die rechtstreeks bij het EIGE in dienst waren. In de cassatieprocedure in Litouwen gaat het in de kern om de vraag of het loonverhoudingsvoorschrift uit de Uitzendrichtlijn in dit geval wel van toepassing is, gezien de hoedanigheid van de inlenende onderneming (EIGE).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.58 De Litouwse cassatierechter heeft vervolgens een aantal prejudiciële vragen aan het HvJEU voorgelegd. Onder meer is de vraag voorgelegd of het vereiste van het uitoefenen van een economische activiteit ook geldt voor inlenende ondernemingen, en of het niet uitoefenen van een economische activiteit leidt tot uitsluiting van toepassing van de Uitzendrichtlijn. Het HvJEU beantwoordt beide vragen bevestigend. Toegelicht wordt dat onder “economische activiteit” wordt verstaan “iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt.” Van een winstoogmerk hoeft, conform de bewoordingen van de Uitzendrichtlijn (“al dan niet met winstoogmerk”, zie onder 9.56), geen sprake te zijn. De toepassing van de Uitzendrichtlijn is dus – ondanks dat in de definitie van art. 3 lid 1 sub d van de richtlijn staat dat deze ook van toepassing is op natuurlijke personen – beperkt tot de inlener met een economische activiteit, zij het dat geen sprake hoeft te zijn van een winstoogmerk.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.59 In de Manpower-zaak leidde dit tot de slotsom dat EIGE onder het bereik van de Uitzendrichtlijn valt. Daarbij wijst het HvJEU erop dat hoewel de activiteiten van de EIGE in de eerste plaats worden gefinancierd uit middelen van de Unie, haar inkomsten “betalingen als vergoeding voor verleende diensten” omvatten, hetgeen bevestigt dat de Uniewetgever EIGE althans gedeeltelijk als marktspeler heeft willen laten optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.60 Van Schadewijk en Koster merken naar aanleiding van het Manpower-arrest op dat het uitzendbegrip uit de Uitzendrichtlijn zich in de Helpling-zaak lastig laat toepassen, nu de Uitzendrichtlijn alleen van toepassing is wanneer de inlenende onderneming een economische activiteit uitoefent.“Van een huishouden kan niet worden gezegd dat het een economische activiteit verricht: een huishouden biedt geen goederen of diensten aan op een bepaalde markt”, zo vervolgen de auteurs.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.61 Deze constatering lijkt mij juist. Het staat buiten kijf dat een huishouden niet kan worden aangemerkt als een entiteit die een economische activiteit uitoefent als bedoeld in de rechtspraak van het HvJEU.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.62 Dit heeft ook gevolgen voor de uitleg van Waadi-bepalingen die een oorsprong in de Uitzendrichtlijn kennen, die immers richtlijnconform zullen moeten worden uitgelegd. Dit geldt strikt genomen niet voor art. 7:690 BW, nu deze bepaling geen implementatie van de Uitzendrichtlijn vormt (zie onder 9.53). Wel kan de vraag worden opgeworpen in hoeverre het wenselijk is dat de uitleg van art. 7:690 BW uit de pas gaat lopen met het Europese uitzendbegrip, en in navolging daarvan met de begrippen in de Waadi met een Europese oorsprong. Er zou dan een ‘Europeesrechtelijke uitzendbegrip’ en een ‘nationaalrechtelijk uitzendbegrip’ ontstaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">De inlener in enkele andere Europese rechtsstelsels 9.63 Op basis van het voorgaande moet art. 7:690 BW m.i. zó worden uitgelegd, dat deze bepaling geen betrekking heeft op de niet-bedrijfsmatige inlener, zoals een particulier huishouden. Een dergelijke uitleg is ook zichtbaar in diverse andere Europese rechtsstelsels.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.64 Dit is in ieder geval aan de orde voor zover het rechtsstelsels betreft waar de nationale definitiebepaling een implementatie van de Uitzendrichtlijn vormt. Zo geldt dat het Duitse uitzendbegrip in het kader van de implementatie van de Uitzendrichtlijn is aangepast, waarmee de Duitse definitie aansluit op de definitie in de Uitzendrichtlijn (zie onder 9.53 e.v.). Nu sinds het Manpower-arrest duidelijk is dat zowel het uitzendbureau als de inlener een economische activiteit moeten uitoefenen, geldt via een richtlijnconforme uitleg dat ook in het Duitse rechtstelsel een huishouden niet als inlener binnen een uitzendconstructie zal kunnen optreden.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.65 In België dateert de nationale regeling inzake uitzendarbeid van vóór de inwerkingtreding van de Uitzendrichtlijn, zodat de richtlijn in zoverre van beperkte betekenis is voor de omlijning van het Belgische uitzendbegrip. In België valt echter reeds uit de parlementaire geschiedenis af te leiden dat deze regeling zich richt op de bedrijfsmatige inlener. Dat de inlener een onderneming met een economische activiteit moet zijn, volgt ook uit andere aanknopingspunten in het Belgische recht. Zo geldt onder Belgisch recht dat de terbeschikkingstelling van werknemers uitsluitend mogelijk is vanwege een aantal bij wet vastgestelde gronden. Ook hieruit, alsmede uit enkele andere wettelijke regelingen die van toepassing zijn indien sprake is van uitzendwerk, blijkt dat de inlener onder Belgisch recht een onderneming met een economische activiteit dient te zijn.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.66 Hoewel de Franse Code du travail geen definitie van de inlener biedt, spreekt de definitiebepaling van uitzendwerk wel van de inlenende onderneming (“entreprise utilisatrice”). Daarmee zou voor de hand liggen dat de inlenende onderneming een economische activiteit dient te verrichten, zodat een huishouden ook naar Frans recht niet als inlener kan kwalificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.67 Ook in Tsjechië moet sprake zijn van een economische activiteit, wil een partij als inlener binnen een uitzendrelatie kwalificeren. Volgens de tekst van de wet kan een inlener weliswaar ook een natuurlijk persoon zijn, maar uit een explanatory report bij deze wet volgt dat uitzendwerk voorziet in een flexibiliteitsbehoefte van werkgevers (mijn onderstreping): “This type of employment facilitation is common in industrially developed countries, including EU countries, in the context of new forms of contractual relations and employers' demands for greater workforce flexibility. The content of the agreements concluded between the employment agency and the employer to whom the temporarily assigned employee of the employment agency will perform work (the user) and the content of the instruction on the basis of which the employment agency assigns its employee to the user are regulated by the amendment to the Labour Code.”</p>\n<p class=\"lf-p\">9.68 Hieruit zou volgen dat een natuurlijk persoon zonder economische activiteit (die bovendien slechts incidenteel gebruik maakt van een dienst), niet als inlener kan kwalificeren.</p>\n<p class=\"lf-p\">Conclusie: het inlenersbegrip in art. 7:690 BW 9.69 Resumerend geldt dat het inlenersbegrip in art. 7:690 BW zich niet heel scherp laat omlijnen. Hoewel de wettekst niet uitsluit dat de inlener een particulier is, lijkt de parlementaire geschiedenis erop te wijzen dat de wetgever met name de bedrijfsmatige inlener in het vizier heeft gehad (zie onder 9.7). Hoewel niet zonder meer hoeft te worden vastgehouden aan de visie van de wetgever uit de jaren ’90, zijn er ook in latere parlementaire stukken over de regulering van driehoeksverhoudingen geen aanknopingspunten (toch) bedoeld is om ook de niet-bedrijfsmatige inlener onder het bereik van art. 7:690 BW te scharen. In dit verband kan worden gewezen op de totstandkoming van de wettelijke payrollregeling die in 2020 in werking trad. Hoewel die regeling niet ziet op art. 7:690 BW, geldt dat deze regeling tot stand kwam in een periode waarin platformwerk al ruim en breed onderdeel uitmaakte van het politieke debat omtrent de regulering van werk (zie onder 9.8). Als de particuliere inlener (inmiddels) wél onderdeel van het speelveld zou hebben uitgemaakt, dan had het voor de hand gelegen dat dit bij de totstandkoming van de wettelijke payrollregeling aan de orde was gekomen. Hetzelfde geldt voor de parlementaire stukken in het kader van het recent ingediende wetsvoorstel Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (zie onder 9.8).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.70 Verder werd in dit hoofdstuk zichtbaar dat de particuliere inlener ook lastig past binnen het wettelijke stelsel dat op uitzendwerk van toepassing is. Zo leent de aansprakelijkheidsregeling in art. 7:658 lid 4 BW zich niet voor toepassing op particuliere inleners (zie onder 9.19 e.v.), en is ook de ketenaansprakelijkheid voor betaling van het loon ex art. 7:616a BW niet van toepassing op particuliere opdrachtgevers (zie onder 9.27 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">9.71 In lijn hiermee valt verder nog op te merken dat ook de Waadi lijkt te zijn geschreven voor de bedrijfsmatige inlener. Hoewel het inlenersbegrip ook in de Waadi niet heel duidelijk is omlijnd (zie onder 9.48), richten verschillende Waadi-bepalingen zich uitdrukkelijk op de onderneming of het bedrijf van de inlener.</p>\n<p class=\"lf-p\">9.72 Het inlenersbegrip in de Uitzendrichtlijn is recentelijk aangescherpt door het HvJEU, waarbij duidelijk is geworden dat de Uitzendrichtlijn zich slechts leent voor toepassing op de inlener die een economische activiteit verricht (zie onder 9.58). Het aanvaarden van de toepassing van art. 7:690 BW op driehoeksverhoudingen met niet-bedrijfsmatige inleners zou er dus toe leiden dat het Nederlandse en het Europese uitzendbegrip uiteen gaan lopen. Hoewel de Uitzendrichtlijn dit – vanwege het minimumkarakter daarvan – strikt genomen niet verbiedt, is dit m.i. vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtseenheid, niet wenselijk (zie onder 9.62). Ten slotte wordt opgemerkt dat ook in verschillende andere Europese rechtstelsels tot uitgangspunt wordt genomen dat de inlener binnen de uitzendrelatie geen particulier kan zijn (zie onder 9.63 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">10De ontwikkeling van het wettelijke toetsingskader 10.1 De Hoge Raad overwoog in het Deliveroo-arrest het volgende (rov. 3.2.6): “De vragen of aanleiding bestaat voor nadere algemene regels of uitgangspunten ten aanzien van omstandigheden die de kwalificatie als arbeidsovereenkomst bepalen, mede ter afgrenzing van het werken als zelfstandig ondernemer, zoals de vraag of aanleiding bestaat voor nadere invulling van het begrip ‘in dienst van’ met de inbedding van het werk in de organisatie van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht, en of er aanleiding is voor het gebruik van een rechtsvermoeden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst, bijvoorbeeld op grond van de hoogte van de tegenprestatie voor het werk, hebben de aandacht van de Nederlandse en Europese wetgever. De Hoge Raad ziet daarom op dit moment geen aanleiding voor rechtsontwikkeling ter zake van deze onderwerpen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.2 In dit hoofdstuk wordt stilgestaan bij de ontwikkelingen vanuit de Nederlandse wetgever (zie vanaf 10.3) en bij de ontwikkelingen op EU-niveau (zie vanaf 10.10) die sindsdien hebben plaatsgevonden.</p>\n<p class=\"lf-p\">Wetsvoorstel ‘Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden’ 10.3 Op 6 oktober 2023 verscheen het concept-wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (hierna: VBAR), dat op die datum in internetconsultatie ging. Hiermee werd onder meer een nieuw lid 2 van art. 7:610 BW voorgesteld, waarmee werd beoogd een nadere verduidelijking van het gezagscriterium te bieden: “Van arbeid verrichten in dienst van een werkgever als bedoeld in het eerste lid is sprake indien: a. de arbeid wordt verricht onder werkinhoudelijke aansturing door de werkgever, of; b. de arbeid of de werknemer organisatorisch zijn ingebed in de organisatie van de werkgever, en; c. de werknemer de arbeid niet voor eigen rekening en risico verricht.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.4 Met deze verduidelijking zouden bij de beoordeling van het criterium “in dienst van”, de elementen A (werkinhoudelijke instructies) en B (organisatorische inbedding), moeten worden afgewogen tegenover element C (ondernemerschap), waarbij element C als contra-indicatie voor de aanwezigheid van een gezagsverhouding dient. Voor gevallen waarin er geen zwaartepunt aan te wijzen valt, kunnen indicaties van ondernemerschap in het economisch verkeer (geduid als het C+ element) de doorslag geven: “Wanneer de feiten en omstandigheden zo zijn dat in een bepaalde arbeidsrelatie de indicaties die wijzen op het werken ‘in dienst van’ (A en/of B) in vergelijkbare mate (van vergelijkbaar soortelijk gewicht) aanwezig zijn als indicaties die wijzen op voor eigen rekening en risico werken in de arbeidsrelatie (C) dan kunnen deze C+ indicaties uitsluitsel bieden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.5 In de concept-memorie van toelichting is vermeld dat in een algemene maatregel van bestuur een aantal indicaties zullen worden opgenomen die invulling geven aan het criterium “gezag door organisatorische inbedding”. Het gaat om de volgende criteria: (i) de werkzaamheden worden verricht binnen het organisatorisch kader van de organisatie van de werkgevende, (ii) de werkzaamheden behoren tot de kernactiviteit van de organisatie van de werkgevende, (iii) de werkzaamheden hebben een structureel karakter binnen de organisatie, en (iv) werkzaamheden worden zij-aan-zij verricht met werknemers die soortgelijke werkzaamheden verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.6 De VBAR bevat voorts een voorstel voor een nieuw art. 7:610aa BW, met daarin een rechtsvermoeden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst wanneer onder een tarief van € 32,24 per uur wordt gewerkt.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.7 Naar aanleiding van de internetconsultatie zijn 1.111 reacties ingediend, en het VBAR-voorstel is ook in de literatuur niet onbesproken gebleven. Daarbij kon het voorstel niet uitsluitend op lof rekenen. Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft geadviseerd het wetsvoorstel niet in te dienen. Het voorstel ter verduidelijking van het gezagscriterium zou volgens het Adviescollege niet voor meer duidelijkheid en rechtszekerheid zorgen, nu de genoemde elementen wederom een open karakter hebben, die bovendien in de praktijk al toepassing vinden.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.8 In het hoofdlijnenakkoord van PVV, VVD, NSC en BBB (“Hoop, lef en trots”) is te lezen dat het nieuwe kabinet streeft naar het stimuleren van zekerheid op de arbeidsmarkt en naar meer vaste contracten. Daartoe wordt onder meer de wetsbehandeling van de VBAR voortgezet, zo vermeldt het hoofdlijnenakkoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.9 Heel kort geleden, op 21 juni 2024, heeft de minister een aangepast wetsvoorstel VBAR voor advies naar de Raad van State gezonden. De precieze inhoud daarvan is nog niet openbaar, maar in het persbericht is te lezen dat “naar aanleiding van de internetconsultatie het [is] toetsingskader verbeterd. Het wetsvoorstel is met een aantal aanpassingen beter in balans gebracht. Zo is bijvoorbeeld “kernactiviteiten” vervallen als indicatie. Deze aanpassingen komen tegemoet aan de kritiek en geven naar verwachting meer zwaarte aan het werken als zelfstandige.”</p>\n<p class=\"lf-p\">De EU-richtlijn inzake platformwerk 10.10 Verder is te wijzen op de EU-richtlijn betreffende de verbetering van de arbeidsvoorwaarden bij platformwerk. Het voorstel voor deze richtlijn dateert uit 2021, en kon uiteindelijk op 11 maart 2024 op instemming van de EU-ministers rekenen. De richtlijn moet volgens het oorspronkelijke voorstel de arbeidsvoorwaardelijke positie van platformwerkers verbeteren, door te zorgen voor “een correcte bepaling van hun arbeidsstatus, door billijkheid, transparantie en verantwoordingsplicht in het algoritmische beheer bij platformwerk te bevorderen en door de transparantie van platformwerk te verbeteren, ook in grensoverschrijdende situaties.”</p>\n<p class=\"lf-p\">10.11 In de considerans is onder meer te lezen dat uit rechtszaken in verschillende lidstaten is gebleken dat platformwerk vaak nog steeds verkeerd wordt gekwalificeerd, met name in sectoren waar digitale arbeidsplatformen over een zekere mate van leiding en zeggenschap beschikken. Art. 1 vermeldt vervolgens dat de richtlijn onder meer tot doel heeft de arbeidsomstandigheden bij platformwerk te verbeteren, onder andere door invoering van maatregelen om de correcte bepaling van de arbeidsstatus van personen die platformwerk verrichten, te vergemakkelijken. De correcte bepaling van de arbeidsstatus wordt eveneens geregeld in art. 4 (“Correcte bepaling van de arbeidsstatus”), en concreter in het wettelijk rechtsvermoeden dat in art. 5 van de richtlijn wordt geïntroduceerd (mijn onderstrepingen): “Artikel 5 – Wettelijk vermoeden 1. Er is een wettelijk vermoeden dat de contractuele verhouding tussen een digitaal arbeidsplatform en een persoon die platformwerk verricht via dat platform, een arbeidsverhouding is wanneer er feitelijke aanwijzingen zijn van zeggenschap en leiding, overeenkomstig het nationale recht, collectieve overeenkomsten of gebruiken in de lidstaten en met in aanmerkingneming van de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Indien het digitale arbeidsplatform het wettelijk vermoeden wil weerleggen, moet het bewijzen dat de betrokken contractuele relatie geen arbeidsverhouding is zoals die is gedefinieerd in de wetgeving, collectieve overeenkomsten of gebruiken van de lidstaten, met inaanmerkingneming van de jurisprudentie van het Hof van Justitie.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">2.</span>Daartoe stellen de lidstaten een doeltreffend weerlegbaar wettelijk vermoeden van een arbeidsverhouding in dat een procedurele facilitering vormt ten behoeve van personen die platformwerk verrichten, en waarborgen de lidstaten dat dat wettelijk vermoeden niet tot gevolg heeft dat de eisenlast voor personen die platformwerk verrichten, of hun vertegenwoordigers, in procedures tot vaststelling van hun arbeidsstatus nog zwaarder wordt.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">3.</span>Het wettelijk vermoeden is van toepassing in alle relevante administratieve of gerechtelijke procedures waarbij de correcte bepaling van de arbeidsstatus van de persoon die platformwerk verricht in het geding is. Het wettelijk vermoeden is niet van toepassing op procedures inzake fiscale, strafrechtelijke en socialezekerheidsaangelegenheden. De lidstaten kunnen het wettelijk vermoeden in die procedures echter toepassen op grond van het nationale recht.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">4.</span>Personen die platformwerk verrichten en, overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk, hun vertegenwoordigers, hebben het recht een procedure als bedoeld in lid 3, eerste alinea, in te leiden om de juiste arbeidsstatus van de persoon die platformwerk verricht, te bepalen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">5.</span>Indien een bevoegde nationale autoriteit van oordeel is dat een persoon die platformwerk verricht mogelijk verkeerd wordt ingedeeld, neemt zij het initiatief tot passende maatregelen of procedures, overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk, om de arbeidsstatus van die persoon vast te stellen.</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">6.</span>Met betrekking tot contractuele verhoudingen die zijn aangegaan vóór de in artikel 29, lid 1, vermelde datum en nog lopen op die datum, is het in het onderhavige artikel bedoelde wettelijk vermoeden slechts van toepassing vanaf die datum.”</div>\n<p class=\"lf-p\">10.12 Dit wettelijk rechtsvermoeden stelt derhalve feitelijke aanwijzingen van zeggenschap en leiding centraal, een en ander overeenkomstig het nationale recht, collectieve overeenkomsten of gebruiken in de lidstaten, met inachtneming van de rechtspraak van het HvJEU. Weerlegging van het rechtsvermoeden is kort gezegd mogelijk indien het platform bewijst dat geen sprake is van een arbeidsverhouding naar nationaal recht.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.13 Hiermee biedt de richtlijn (inderdaad) een substantiële verbetering van de positie van de platformwerker. Wanneer (zodra) er “feitelijke aanwijzingen zijn van zeggenschap en leiding” van het platform over degene die werkt via het platform, geldt immers het rechtsvermoeden dat sprake is van een arbeidsverhouding tussen de werker en het platform.</p>\n<p class=\"lf-p\">10.14 Ten slotte is nog op te merken dat de richtlijn nog formeel moet worden aangenomen door de Raad en het Parlement.</p>\n<p class=\"lf-p\">11De kwalificatie van platformarbeid 11.1 Met het oog op de cassatieklachten wordt in dit hoofdstuk stilgestaan bij de wijze waarop het hiervoor geschetste juridisch kader inzake de kwalificatie van arbeidsrelaties zich laat toepassen op platformarbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Platformarbeid en het “wezen gaat voor schijn”-beginsel 11.2 In mijn conclusie voor het Deliveroo-arrest stond ik reeds uitvoerig stil bij het fenomeen platformwerk, alsmede bij de problematische aspecten daarvan. Die beschouwing was hoofdzakelijk gericht op de verhouding tussen het platform en de werkende, waarbij onder meer aandacht is toegekomen aan de zwakke sociaaleconomische positie van platformwerkers. Ook is stilgestaan bij de bijzondere aspecten van werken via een internetplatform, en de wijze waarop het gezagscriterium binnen die context moet worden uitgelegd en toegepast.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.3 Het “wezen gaat voor schijn”- beginsel dat geldt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, is bij uitstek relevant voor platformarbeid. Dat betekent dat de economische realiteit voorop moet worden gesteld, en dat daarvoor zo nodig “door de constructie heen” moet worden gekeken. Tegengaan moet worden dat de economisch machtigere partij werkgeversverplichtingen kan ontlopen, louter door tactisch te contracteren. Dit fenomeen manifesteert zich onder meer in het kader van platformarbeid, waarbij platforms door middel van de vormgeving van de contractuele verhoudingen, steeds naar manieren zoeken om buiten de dwingende kaders van art. 7:610 BW te blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Platformarbeid als relevante factor 11.4 Hierop voortbouwend is het goed om stil te staan bij het gegeven dat werkplatforms veelal ook in bredere zin een coördinerende en sterk bepalende rol ten aanzien van de platformwerker innemen. Aanknopend bij de beschouwing van Van Slooten over de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest (zie onder 7.6), kunnen zowel “de bepaalmacht” als “de hoedanigheid van werk, beloning en werker” hier relevante gezichtspunten bieden.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.5 Voor de bepaalmacht van het platform is dan te denken aan de vraag wie zeggenschap heeft over de toelating van een werker tot het platform, wie zeggenschap heeft over wie diensten van het platform kan afnemen, wie de contractuele voorwaarden opstelt voor het werken via en het gebruik van de diensten van het platform, wie de hoogte van de vergoeding voor het platformwerk bepaalt, of er onderhandelingsruimte bestaat over de contractuele voorwaarden en de vergoeding, wie het moment en de wijze van uitbetaling van de vergoeding aan de werker bepaalt, wie bepaalt wat er gebeurt bij ziekte of vakantie van de werker, wie in die gevallen (en andere gevallen van afwezigheid van de werker) voor vervanging zorgt, wie de touwtjes in handen heeft als het gaat over de beoordeling van de werker en eventuele klachtenafhandeling. Verder kan relevant zijn in hoeverre het de gebruikers van het platform (zowel de werker als de afnemer) toegestaan is om buiten het platform om met elkaar in contact te komen en arbeid te (doen) verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.6 Ten slotte zal – in het kader van “de bepaalmacht” – ook moet worden gekeken naar wie de zeggenschap heeft over de wijze waarop het platformwerk moet worden uitgevoerd. Met andere woorden, wie de instructies op de werkvloer geeft en wie toezicht houdt op de kwaliteit van het werk.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.7 Het belang van het antwoord op die laatste vraag kan echter niet worden beoordeeld zonder acht te slaan op “de hoedanigheid van werk, beloning en werker”. In dit verband is van belang dat het bij (fysiek) platformwerk vaak gaat om eenvoudig werk, soms opgeknipt in deeltaken, waarvoor weinig instructie en toezicht nodig is. Ook kunnen werkinstructies in algemene voorwaarden bij de overeenkomst tussen platform en platformwerker zijn opgenomen, waardoor er geen nadere persoonlijke instructies aan de werker hoeven te worden gegeven. Als het werk eenvoudig is, betekent dit dat er geen hoge eisen aan een werker worden gesteld. Voldoende is dan dat een werker de eerste (beperkte, zie onder 5.5 e.v.) toelatingsprocedure tot het platform met goed gevolg doorloopt.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.8 Bovendien moet worden bedacht dat digitale platformen ook toezicht houden op de kwaliteit van het werk door het geven van ratings, die mede bepalend zijn voor het opnieuw worden ingezet van een werker. Ook andere vormen van algoritmische aansturing zijn denkbaar.Ook dit relativeert het belang van het geven van instructies voor platformarbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">11.9 Het komt er dus op neer dat de bepaalmacht van een platform zich niet zozeer manifesteert in het geven van instructies, leiding of toezicht aan de werker. De bepaalmacht bij platformwerk moet vooral worden gevonden in de coördinerende rol die platforms op zich nemen. Zie over die coördinerende rol Kloostra in zijn recente dissertatie over de positie van de platformwerker: “Een eerste gemene deler is de centrale positie die platformen innemen bij de specifieke dienstverlening. Platformondernemingen coördineren doorgaans (de toegang tot) een markt, zowel voor platformwerkers als voor de afnemers van hun diensten. Zij bepalen wie, onder welke voorwaarden, toegang tot een platform krijgt en behoudt, alsmede wat op het platform gebeurt. Deze coördinatie heeft voor platformondernemingen een belangrijke (economische) functie: zo houden zij een hand in het kunnen (blijven) verzorgen van al het werk waarnaar gevraagd wordt. Dit laatste is een aanjager van een aanzienlijke en duurzame invloed over de betreffende markt, en eventueel andere in de toekomst aan te boren markten. Hun eigen juridische positie rondom de arbeidsverhoudingen proberen platformen echter geregeld zo veel mogelijk te minimaliseren. Zij betogen ‘slechts’ een digitaal prikbord voor werk te zijn. Dit betoog haalt het vaker niet dan wel in de rechtspraak.”</p>\n<p class=\"lf-p\">11.10 Het komt er dus op neer dat bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie bij platformwerk er oog dient te zijn voor de economische realiteit, waarbij het er vooral om gaat in kaart te brengen wat de rol van het platform is in de verhouding tot de werker. Als het platform een sterk coördinerende rol heeft, en daarmee op essentiële punten bepaalmacht heeft, kan dit leiden tot het oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding in de zin van art. 7:610 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">Een aanvullend gezichtspunt: de wijze waarop de werkverschaffer zich in het economisch verkeer gedraagt 11.11 In lijn met het voorgaande zou bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst ook als relevant gezichtspunt worden meegenomen of degene die de werkzaamheden verschaft zich in het economisch verkeer als werkgever gedraagt. Dit gezichtspunt vormt als het ware het ‘spiegelbeeld’ van het gezichtspunt onder (ix), waarmee betekenis toekomt aan de vraag of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt (zie onder 7.6).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.12 Bij het meewegen van die omstandigheid kan dan als zodanig rekening worden gehouden met het gegeven dat een platform zich – zowel richting de werkende als richting de gebruiker van het platform – als onmisbare ‘spin in het web’ gedraagt. Daarbij geldt m.i. dat, hoe sterker de bepaalmacht van het platform is, hoe eerder dient te worden aangenomen dat de arbeid die via dat platform wordt verricht onder de noemer van art. 7:610 BW valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">De uitzendovereenkomst in het kader van platformwerk?</p>\n<p class=\"lf-p\">11.13 Ten slotte is nog op te merken dat platformarbeid moeilijk lijkt te passen in het wettelijk kader voor de uitzendovereenkomst ex art. 7:690 BW. Dit geldt in het bijzonder nu de gebruiker van het platform veelal een particulier zal zijn (al hoeft dat niet per se zo te zijn). Hoewel art. 7:690 BW naar de letter van de wet niet vereist dat de derde aan wie de uitzendkracht ter beschikking wordt gesteld een onderneming is, is besproken dat er meerdere argumenten zijn om aan te nemen dat voor een uitzendovereenkomst is vereist dat sprake is van een inlenende onderneming (zie onder 9.70- 9.73).</p>\n<p class=\"lf-p\">11.14 De toepassing van de wettelijke regeling inzake uitzendwerk op platfomwerkers leidt bovendien tot nog een complicatie wanneer de platformwerker huishoudelijke diensten verricht (zie hoofdstuk 6). Indien het huishoudelijk werk wordt verricht via een derde (in dit geval het platform), is de Regeling Dienstverlening aan Huis niet van toepassing: die regeling geldt enkel indien sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudelijk werker en het huishouden (zie onder 6.5). De loonverhoudingsnorm van art. 8 Waadi lijkt in dit geval echter ook niet van toepassing, nu de inlener in deze constructie een particulier is en voormelde bepaling zich uitdrukkelijk tot ondernemingen richt. Dit zou dan betekenen dat de huishoudelijk werker voor wat betreft het loon zowel buiten de RDH als buiten de Waadi valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12Bespreking van het principaal cassatiemiddel 12.1 Het principaal cassatiemiddel van Helpling bestaat uit zes onderdelen, waarvan een aantal uiteenvalt in meerdere subonderdelen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.2 In het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 is overwogen dat de procedure enkel wordt voortgezet ten aanzien van de vorderingen 1, 2 en 4 (zie onder 3.1 en 3.22). Dit heeft tot gevolg dat subonderdelen 5a (deels) en 5b van het principaal cassatiemiddel geen behandeling behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1: De verhouding tussen de schoonmaker en Helpling 12.3 Het eerste onderdeel keert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.8, waar het hof heeft beslist dat “tussen de schoonmaker en Helpling sprake is van een uitzendovereenkomst, zoals bepaald in artikel 7:690 BW, en niet van een (gewone) arbeidsovereenkomst, zoals bepaald in artikel 7:610 BW.” Voorts overweegt het hof in rov. 3.8: “Het huishouden is inlener van de schoonmaker en met het huishouden bestaat (daarom) geen arbeidsovereenkomst.” Deze beslissingen worden vervolgens toegelicht in rov. 3.9.1-3.17.2 en moeten volgens het onderdeel worden gelezen in het licht van de vastgestelde feiten (rov. 2.1-2.10) en de werkwijze van het platform (als omschreven in rov. 3.5 en 3.6). Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen (1a en 1b).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.4 Subonderdeel 1a bevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht, en betoogt kort gezegd dat voor het kunnen aannemen van een uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW vereist is dat tussen de uitzendwerkgever en de uitzendkracht is voldaan aan alle criteria van art. 7:610 BW, waaronder de verplichting tot betaling van loon.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.5 De rechtsklacht in subonderdeel 1a neemt tot uitgangspunt dat de uitzendovereenkomst een bijzondere vorm van de arbeidsovereenkomst is in de zin van art. 7:610 BW. Volgens het subonderdeel betekent dit dat alleen sprake is van een uitzendovereenkomst wanneer in de verhouding tussen uitzendwerkgever en uitzendkracht is voldaan aan alle vereisten die art. 7:610 BW stelt, waaronder aan het loonvereiste. Er moet dus sprake zijn van “door de werkgever aan de werknemer verschuldigd vergoeding ter zake van de bedongen arbeid.” Het subonderdeel betoogt dat het hof het voorgaande heeft miskend in zijn beslissing dat tussen Helpling en de schoonmakers sprake is van een uitzendovereenkomst. Meer specifiek heeft het hof volgens het subonderdeel miskend dat alleen een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers kan bestaan als Helpling aan de schoonmakers een vergoeding verschuldigd is ter zake van de bedongen arbeid.</p>\n<p class=\"lf-p\">Het hof heeft (in rov. 3.17.1) weliswaar vastgesteld dat ‘er’ loon wordt betaald, maar niet dat Helpling het loon als tegenprestatie voor de bedongen werkzaamheden aan de schoonmakers verschuldigd is, noch dat Helpling dit loon feitelijk aan de schoonmakers betaalt. Het hof heeft daarentegen wel vastgesteld (onder meer in rov. 3.6, 3.9.2 en 3.11) dat het huishouden met de schoonmaker een vergoeding overeenkomt en dat ook het huishouden – zij het via een afzonderlijke betalingsdienstovereenkomst waarbij Helpling ook geen partij is – de betalingen van het loon verricht, zo vermeldt het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.6 Indien de voormelde beslissingen van het hof zo moeten worden begrepen dat aan het loonvereiste is voldaan doordat Helpling voorschrijft op welke wijze de huishoudens aan de schoonmakers, dan is die beslissing volgens het subonderdeel eveneens rechtens onjuist. Dat Helpling dicteert op welke wijze de huishoudens aan de schoonmakers moeten betalen, creëert immers geen betalingsverplichting voor Helpling zelf en onderstreept juist de op de huishoudens rustende betalingsverplichting, aldus het subonderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.7 Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, dan heeft het hof zijn (in dat geval: impliciete) oordeel dat sprake is van een op Helpling rustende betalingsverplichting, onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, nu het hof nergens in het arrest heeft toegelicht dat en waarom het loon door Helpling verschuldigd zou zijn. Het subonderdeel verwijst in dit verband in het bijzonder naar rov. 3.6, 3.9.2 en 3.11, waarin het hof heeft vastgesteld dat het huishouden het tarief met de schoonmaker afspreekt en dat het huishouden de overeengekomen vergoeding aan de schoonmaker moet betalen, via een betalingsdienstovereenkomst waarbij Helpling geen partij is. Het voorgaande is volgens het subonderdeel eveneens onbegrijpelijk in het licht van de essentiële stellingen die Helpling bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft ingenomen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.8 De klachten in subonderdeel 1a kunnen niet slagen. Op zichzelf betoogt het subonderdeel terecht dat voor het kunnen aannemen van een uitzendovereenkomst ex art. 7:690 BW vast moet staan dat sprake is van een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW. Dit betekent dat de elementen arbeid, loon en gezag (inderdaad) alle drie aanwezig moeten zijn. Zoals hiervoor is toegelicht, geldt bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie in het kader van een driehoeksverhouding dat die elementen worden ‘verspreid’ over die verhoudingen, zodat binnen het geheel van die verhouding moet worden bekeken of aan de drie voornoemde elementen is voldaan (zie onder 8.15).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.9 Het subonderdeel neemt hiermee ten onrechte tot uitgangspunt dat alleen een uitzendovereenkomst kan bestaan als het uitzendbureau (i.c. Helpling) rechtstreeks een vergoeding aan de uitzendkrachten verschuldigd is. Dat het loon niet rechtstreeks vanuit Helpling maar door een betalingsdienst wordt uitgekeerd, laat onverlet dat kan worden geoordeeld dat het loon door Helpling verschuldigd is. Dit geldt onder meer wanneer de gebruikmaking van die betalingsdienst door het huishouden in de door Helpling opgestelde Algemene Voorwaarden Platform Huishoudens verplicht wordt gesteld, en rechtstreekse betaling door het huishouden aan de werker is verboden (zie onder 5.29). In dat geval geldt immers dat het uitzendbureau voor wat betreft het loon een grote mate van bepaalmacht heeft (zie onder 7.15 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.10 Zoals hiervoor (onder 8.15) is besproken, moet bij de beoordeling van moderne arbeidsverhoudingen worden onderzocht in hoeverre de (vermeend) (uitzend)werkgever gezag uitoefent, in de breedste zin des woords. Daarbij gaat het er met name om of het platform een coördinerende rol inneemt, en of het daarmee bepaalmacht heeft. Daarbij speelt ook een rol of die partij dicteert op welke wijze het loon wordt uitgekeerd (vgl. Deliveroo, zie onder 7.15 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.11 Hiermee faalt de rechtsklacht in subonderdeel 1a, want het hof is niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Ook heeft het hof zijn oordeel voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Zo staat het hof in rov. 3.12.1-3.12.3 uitvoerig stil bij de wijze waarop de loonbetaling is vormgegeven, en overweegt het hof in rov. 3.14.3 wat de betekenis daarvan is voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie tussen Helpling en de schoonmakers. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en is evenmin onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat ook de motiveringsklacht in subonderdeel 1a faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.12 Subonderdeel 1b keert zich tegen de wijze waarop het hof heeft vastgesteld dat Helpling (formeel) gezag heeft uitgeoefend. Het subonderdeel keert zich hoofdzakelijk tegen rov. 3.14.3, waar het hof overweegt: “Zoals overwogen, vindt de betaling (van reguliere loonbetalingen) plaats op een wijze die door Helpling wordt voorgeschreven. De formele gezagsrelatie, dat wil zeggen de wijze waarop de werkzaamheden van een schoonmaker ten behoeve van een huishouden bedrijfsmatig zijn ingebed, wordt daarmee voor een belangrijk deel bepaald door Helpling.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.13 Het subonderdeel voert aan dat rov. 3.14.3, gelezen in samenhang met 3.17.1, zich niet anders laten begrijpen dan dat het hof de aanwezigheid van gezag heeft aangenomen op basis van de vaststelling van het enkele feit dat de werkzaamheden van de schoonmakers “bedrijfsmatig zijn ingebed” bij Helpling, in die zin dat Helpling voorschrijft hoe de betaling van reguliere loonbetalingen plaatsvindt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.14 De rechtsklacht in subonderdeel 1b betoogt dat de beoordeling of is voldaan aan het (formele) gezagscriterium een holistische benadering vergt, waarbij de rechter acht moet slaan op alle relevante feiten en omstandigheden die inzage bieden in de vraag of de werknemer onder gezag van de werkgever staat. Het hof heeft dit miskend, door enkel op basis van de in rov. 3.14.3 beschreven bedrijfsmatige inbedding van de schoonmakers aan te nemen dat sprake is van gezag, zonder daarbij aandacht te besteden aan overige feiten en omstandigheden die op dit oordeel van invloed kunnen zijn. Helpling wijst in de procesinleiding op de volgende feiten en omstandigheden (zie voor de vindplaatsen in de processtukken in feitelijke instanties de procesinleiding): “a. de huishoudens en de schoonmakers bepalen zelf of zij contracteren en onder welke voorwaarden, waaronder tegen welk uurloon; b. Helpling weet niet wat partijen afspreken of hoe zij afspraken uitvoeren; c. er is geen economische dwang om een lager uurloon te vragen op het platform; d. schoonmakers zijn nooit verplicht om boekingsverzoeken te accepteren en het accepteren of weigeren van een verzoek heeft geen consequenties; e. Helpling bepaalt niet of, hoeveel en wanneer de schoonmakers werken, Helpling kan terzake geen opdrachten / instructies aan de schoonmakers geven; f. partijen kunnen de afspraak afzeggen of verzetten en doen dat ook veelvuldig; g. huishoudens moeten zelf voor vervanging zorgen; h. Helpling geeft bij klachten alleen een toelichting aan de huishoudelijke hulp, tenzij sprake is van een \"zeer ernstige klacht\", in welk geval de \"ultieme sanctie\" is dat het account tijdelijk wordt gepauzeerd; i. Helpling heeft geen algoritmische 'matching' systemen, maar lijkt het meest op een soort datumprikker met chatfunctie en een betaalapp; j. Helpling heeft geen sollicitatieprocedure; k. de algemene voorwaarden zijn zo ingericht dat ze de huishoudens juist vrij laten zo veel mogelijk onderling te regelen, buiten Helpling om; l. Helpling gebruikt nadrukkelijk geen systemen die mensen met een hoge rating 'hoger zetten' of wat voor voordelen dan ook toekennen; m. Helpling kent geen regelingen omtrent bedrijfskleding, werktijden, pauzes, vakanties, gedragsregels etc., maar dit soort zaken kunnen door huishoudens en schoonmakers onderling worden geregeld; n. er bestaan vele verschillen tussen de Deliveroo-zaak en de Helpling-casus en wel in die zin dat: (i) Deliveroo berekent een score op basis waarvan zij bepaalt op welke klussen riders kunnen intekenen, waarbij een betere rating betere klussen betekent, Helpling doet dat niet;</p>\n<p class=\"lf-p\">(ii) Bij Deliveroo had niet reageren tot gevolg dat de rating verslechterde, bij Helpling is die vrijheid nog groter; (iii) Deliveroo ging zelf vervoersverbintenissen aan met restaurants, Helpling spreekt niet af dat ze huizen schoonmaakt of huishoudelijk werk levert; (iv) Deliveroo weet steeds waar de riders zijn en houdt hen tijdens het werken in de gaten, Helpling doet dat niet; (v) Deliveroo deelt ritten toe op basis van een onduidelijk en zeer complex geautomatiseerd systeem, bij Helpling is het heel simpel en kiezen mensen elkaar uit; (vi) Bij Deliveroo veranderen beloningssysteem en beloningsstructuur telkens al naargelang de behoeften van Deliveroo, bij Helpling niet; (vii) Bij Deliveroo is er een prestatie gebonden bonussysteem, bij Helpling niet.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtsklacht: holistische toets 12.15 Het subonderdeel klaagt ten eerste dat het hof, door met geen van de door Helpling aangehaalde omstandigheden rekening te houden, heeft miskend dat bij de vaststelling van gezag een holistische benadering moet worden gehanteerd. Daarbij neemt het subonderdeel kennelijk tot uitgangspunt dat het hof zijn oordeel dat sprake is van formeel gezag, heeft gestoeld op “het enkele feit dat de werkzaamheden van de schoonmakers in die zin \"bedrijfsmatig zijn ingebed\" bij Helpling dat Helpling voorschrijft hoe de betaling van reguliere loonbetalingen wordt afgewikkeld en zonder daarbij aandacht te besteden aan alle overige feiten en omstandigheden die van invloed (kunnen) zijn op de beoordeling of sprake van een gezagsverhouding en waarop Helpling ten processe uitvoerig heeft gewezen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.16 Bij de beoordeling van deze klacht wordt voorop gesteld dat het hof in lijn met het toetsingskader in het Participatieplaats-arrest, in zijn oordeel aandacht heeft besteed aan de uitlegfase (fase 1) en de kwalificatiefase (fase 2). Daarbij heeft het hof bij de bespreking van ieder afzonderlijk overeengekomen recht of verplichting (fase 1), tevens beoordeeld hoe die omstandigheid in het kader van de kwalificatie van de arbeidsrelatie moet worden gewogen (fase 2). Aldus heeft het hof op toereikende wijze invulling gegeven aan de in het Participatie-arrest voorgeschreven wijze van toetsing.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.17 Dat het hof de verschillende feiten en omstandigheden ook in onderling verband heeft gewogen, ligt besloten in rov. 3.15: “(…). Weliswaar speelt het huishouden een belangrijke rol bij de selectie van de schoonmaker, en worden de werkinstructies met betrekking tot het schoonmaken door het huishouden verstrekt, maar daar staat tegenover dat de betaling door het huishouden aan de schoonmaker niet rechtstreeks tussen hen plaatsvindt, maar volledig gecontroleerd wordt door Helpling. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.18 Hieruit volgt dat het hof de verschillende feiten en omstandigheden tegen elkaar heeft afgewogen (“daar staat tegenover dat”). Dat het hof niet ten aanzien van elke afzonderlijk besproken omstandigheid expliciet heeft overwogen hoe die zich verhoudt tot andere feiten en omstandigheden, betekent niet dat het hof heeft miskend dat de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst (en daarmee mede de vraag of sprake is van gezag), door een ‘holistische benadering’ moet worden beantwoord.</p>\n<p class=\"lf-p\">Rechtsklacht: eisen aan formeel werkgeversgezag 12.19 Voorts klaagt subonderdeel 1b in een tweede rechtsklacht dat het hof heeft miskend dat een enkele instructie ten aanzien van de wijze van loonbetaling onvoldoende is voor de vaststelling dat sprake is van formeel gezag, te meer nu die instructie zich niet primair richt tot de schoonmaker, maar eerder tot het huishouden die de betaling immers op die voorgeschreven wijze moet verrichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.20 Ook deze rechtsklacht faalt. Zoals hiervoor (onder 12.16) is toegelicht, heeft het hof blijk gegeven van een zorgvuldige en zo volledig mogelijke aanpak bij de beantwoording van het voorliggende kwalificatievraagstuk. Daarbij heeft het hof een grote hoeveelheid aan feiten en omstandigheden de revue laten passeren en in dat verband een holistische benadering toegepast (zie onder 12.18). Het is dus geenszins zo dat de “enkele instructie ten aanzien van de manier van betaling”, voor het hof redengevend is geweest om tot het oordeel te komen dat sprake is van gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">Verder is nog op te merken dat uit het Deliveroo-arrest volgt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, alle relevante feiten en omstandigheden van het geval een rol spelen. De Hoge Raad heeft in dat arrest een niet-limitatieve lijst geformuleerd van omstandigheden die een rol kunnen spelen, zonder dat daarmee is gezegd dat die omstandigheden ook in ieder kwalificatievraagstuk een rol zullen spelen. In ieder geval volgt uit het Deliveroo-arrest dat onder meer “de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht” relevant kan zijn. Daarnaast kan ook betekenis toekomen aan “de wijze waarop de beloning wordt bepaald en waarop deze wordt uitgekeerd” (zie onder 7.6). Dat het hof bij de beoordeling van het gezagscriterium, de wijze van loonbetaling en daarmee kennelijk de inbedding van het werk relevant heeft geacht, getuigt dus niet van een onjuiste rechtsopvatting.</p>\n<p class=\"lf-p\">Motiveringsklacht 12.21 Voorts klaagt het subonderdeel dat, voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, in ieder geval geldt dat het oordeel dat sprake is van gezag, onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat het hof geen rekening zou hebben gehouden met de door Helpling genoemde omstandigheden.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.22 Bij de beoordeling van deze motiveringsklacht staat voorop dat het hof al deze (onder 12.14 geciteerde) omstandigheden niet kenbaar in zijn motivering heeft moeten betrekken. Als gezegd heeft het hof bij de beoordeling van het gezagscriterium in ieder geval geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door niet al deze omstandigheden (uitdrukkelijk) mee te wegen in zijn oordeel. Hier geldt immers dat de rechter niet gehouden is om in zijn uitspraak op ieder afzonderlijk argument afzonderlijk in te gaan.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.23 Een groot deel van de door Helpling genoemde omstandigheden heeft het hof echter wel degelijk in zijn beoordeling betrokken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstandigheden a en c 12.24 Ten aanzien van de omstandigheid genoemd onder a (de huishoudens en de schoonmakers bepalen zelf of zij contracteren en onder welke voorwaarden, waaronder tegen welk uurloon), alsmede de omstandigheid genoemd onder c (er is geen economische dwang om een lager uurloon te vragen op het platform), overweegt het hof als volgt in rov. 3.11: “De hoogte van de door het huishouden betaalde en door de schoonmaker ontvangen beloning wordt overwegend bepaald door het huishouden en de schoonmaker; Helpling heeft hier (maar) een beperkte rol in. Als de schoonmaker zich inschrijft op het digitale platform van Helpling, kan hij zelf bepalen tegen welk tarief hij wil werken. Er geldt slechts als harde ondergrens het wettelijk minimumloon. Zodra de schoonmaker een hoger tarief wil vragen dan € 45,- per uur dient hij hiervoor telefonisch contact op te nemen met Helpling, maar dat wordt dan toegestaan. Zodra een schoonmaker zich inschrijft, geeft Helpling een (op de betreffende stad of op het postcodegebied betrekking hebbend) advies uurprijs, met een bandbreedte van € 0,50 per uur. Helpling heeft gesteld dat ruim 77% van de schoonmakers een hoger tarief vraagt dan deze adviesprijs, en wel gemiddeld € 3,- per uur hoger. (…) Hoe dan ook, de schoonmakers hebben een grote vrijheid te bepalen welk tarief zij voor hun werkzaamheden wensen te ontvangen en het is aan een huishouden om daar al dan niet mee in te stemmen. Dat strookt goed met een tussen schoonmaker en huishouden bestaande arbeidsovereenkomst, maar het hof acht deze gang van zaken ook zeer wel te verenigen met een tussen de schoonmaker en Helpling bestaande uitzendovereenkomst.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.25 Het hof heeft deze omstandigheden dus betrokken bij zijn beoordeling en daarover geoordeeld dat deze zich zowel laten verenigen met een arbeidsovereenkomst met een huishouden, als met een uitzendovereenkomst met Helpling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstandigheden b, e en m 12.26 De omstandigheden genoemd onder onder b (Helpling weet niet wat partijen afspreken of hoe zij afspraken uitvoeren), onder e (Helpling bepaalt niet of, hoeveel en wanneer de schoonmakers werken, Helpling kan terzake geen opdrachten / instructies aan de schoonmakers geven), en onder m (Helpling kent geen regelingen omtrent bedrijfskleding, werktijden, pauzes, vakanties, gedragsregels etc., maar dit soort zaken kunnen door huishoudens en schoonmakers onderling worden geregeld), liggen in ieder geval besloten in rov. 3.10: “(…). Helpling heeft er vrijwel geen zicht op hoe de arbeid wordt verricht, wat voor arbeid wordt verricht en zelfs of er arbeid wordt verricht: zolang het huishouden de commissie afdraagt aan Helpling, bemoeit Helpling zich hier niet mee. Deze feitelijke situatie is moeilijk te verenigen met een tussen Helpling en de schoonmaker bestaande gewone arbeidsovereenkomst: het is, afgezien van een structureel ter beschikking gestelde werknemer, ongebruikelijk dat een werkgever geen enkel inzicht heeft in de door zijn werknemer verrichte arbeid. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.27 Voorts komt dit aspect aan bod in rov. 3.17.1: “(…). Helpling heeft vrijwel geen enkel inzicht of, hoe en wanneer de schoonmaker zijn werkzaamheden verricht. Dat is moeilijk verenigbaar met een gewone arbeidsovereenkomst niet zijnde een uitzendovereenkomst. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.28 Het hof heeft deze omstandigheden dus betrokken bij zijn beoordeling en overwogen dat deze moeilijk te verenigen zijn met een arbeidsovereenkomst tussen de schoonmaker en Helpling.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstandigheid d 12.29 De omstandigheid onder d (schoonmakers zijn nooit verplicht om boekingsverzoeken te accepteren en het accepteren of weigeren van een verzoek heeft geen consequenties) komt niet woordelijk terug in het arrest, maar ligt besloten in de omschrijving van de werkwijze van het platform in rov. 3.5 en 3.6. Daar wordt overwogen dat Helpling een online platform biedt waarop degenen die schoonmaakheden “willen verrichten (…) zich aanbieden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.30 Het woord “willen” impliceert de afwezigheid van een verplichting tot het aanvaarden van een verzoek. Indien het hof kennelijk heeft aangenomen dat geen sprake was van een verplichting, dan ligt het ook niet in de rede dat het hof uitdrukkelijk stilstaat bij het uitblijven van consequenties bij het weigeren van een verzoek. In ieder geval maakt het uitblijven van een dergelijke overweging het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstandigheid f 12.31 Ook de omstandigheid genoemd onder f (partijen kunnen de afspraak afzeggen of verzetten en doen dat ook veelvuldig) is in het hofarrest aan bod gekomen. Zo is in de feitenvaststelling te lezen (rov. 2.6): “Na acceptatie van een schoonmaakopdracht kan een schoonmaker deze in beginsel niet meer annuleren. Verplaatsen kan wel, in overleg met het huishouden. (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.32 Dat het hof daarbij niet uitdrukkelijk heeft overwogen dat dit ook ‘veelvuldig’ gebeurt, maakt niet dat het oordeel van het hof dat sprake is van gezag getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, of ontoereikend is gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstandigheid g 12.33 Met betrekking tot de omstandigheid genoemd onder g (huishoudens moeten zelf voor vervanging zorgen) geldt het volgende. Hoewel Helpling heeft aangevoerd dat huishoudens zelf voor vervanging moeten zorgen, komt uit de algemene voorwaarden die vanuit Helpling zijn opgesteld een ander beeld naar voren. In rov. 3.13.1 heeft het hof daarover het volgende overwogen: “(…). Op de website van Helpling staat als vraag: “Mijn hulp zegt af / is ziek, wat nu?” waarop Helpling antwoordt: “Het is belangrijk dat de afspraak in het systeem wordt geannuleerd, dit kun jij doen of de schoonmaker maar wij kunnen dit ook voor je doen. Neem contact op met de klantenservice om te vragen of zij op korte termijn vervanging kunnen regelen, hou er wel rekening mee dat dit niet altijd lukt voor dezelfde dag.” (…)”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.34 Dit betekent dat het hof dus wel degelijk heeft stilgestaan bij de vraag of huishoudens zelf voor vervanging moeten zorgen, alleen heeft het hof in dat verband de feiten en omstandigheden anders gewaardeerd dan Helpling voor ogen had.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstandigheid j 12.35 De omstandigheid onder j (Helpling heeft geen sollicitatieprocedure) ligt ten eerste besloten in de omschrijving van de werkwijze van het platform in rov. 3.5 en 3.6, en komt vervolgens aan bod in de overwegingen over de selectie van de schoonmaker. Daar overweegt het hof immers dat Helpling “enige eisen” stelt aan de selectie van de schoonmaker (rov. 3.9.1) en dat de “uiteindelijke selectie” plaatsvindt door het huishouden (rov. 3.9.2).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.36 Uit deze overwegingen kan niets anders worden opgemaakt dan dat Helpling (kennelijk) geen eigen sollicitatieprocedure heeft. Het hof heeft ook hier dus geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en evenmin heeft hij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstandigheid l 12.37 Ook de omstandigheid onder l (Helpling gebruikt nadrukkelijk geen systemen die mensen met een hoge rating 'hoger zetten' of wat voor voordelen dan ook toekennen) weegt het hof mee in zijn oordeel. Zo overweegt het hof in rov. 3.14.2 (onder de kop “Gezag, leiding en toezicht”) het volgende over het rating-systeem bij Helpling: “(…). Helpling vraagt zowel aan de schoonmaker een beoordeling te geven van het huishouden, als aan het huishouden een beoordeling te geven van de schoonmaker. Die beoordeling (“maximaal vijf sterren”) speelt een belangrijke rol in de wijze waarop Helpling zich aan nieuwe klanten presenteert.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.38 Hieruit kan niet anders worden afgeleid, dan dat het hof deze omstandigheid wel degelijk heeft meegewogen bij zijn (uiteindelijke) oordeel dat sprake is van een (formele) gezagsverhouding tussen Helpling en de schoonmakers.</p>\n<p class=\"lf-p\">Omstandigheden h, i, k en n 12.39 De omstandigheden die Helpling noemt onder h, i, k en n zijn niet in het hofarrest aan de orde gekomen: “(…). h. Helpling geeft bij klachten alleen een toelichting aan de huishoudelijke hulp, tenzij sprake is van een \"zeer ernstige klacht\", in welk geval de \"ultieme sanctie\" is dat het account tijdelijk wordt gepauzeerd; i. Helpling heeft geen algoritmische 'matching' systemen, maar lijkt het meest op een soort datumprikker met chatfunctie en een betaalapp; (…) k. de algemene voorwaarden zijn zo ingericht dat ze de huishoudens juist vrij laten zo veel mogelijk onderling te regelen, buiten Helpling om; (…).”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.40 Niet is in te zien dat deze omstandigheden afzonderlijke bespreking behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.41 Dat het hof niet is ingegaan op de verschillen van de onderhavige zaak ten opzichte van de Deliveroo-zaak (als genoemd onder n), is niet van belang, alleen al nu het Hoge Raad-arrest in Deliveroo ná het hofarrest is gewezen. Ook in zoverre faalt de klacht in subonderdeel 1b.</p>\n<p class=\"lf-p\">Slotsom subonderdeel 1b 12.42 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat alle klachten in subonderdeel 1b falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 2: De verhouding tussen de schoonmaker en het huishouden 12.43 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 3.15, dat inhoudt dat tussen de huishoudens en schoonmakers geen arbeidsovereenkomst bestaat: “3.15 Van een (gewone) arbeidsovereenkomst (in de zin van artikel 7:610 BW) is sprake indien de werknemer in dienst van de werkgever tegen loon gedurende zekere tijd arbeid verricht. Het hof is van oordeel dat geen arbeidsovereenkomst aanwezig is tussen de schoonmaker en het huishouden. Weliswaar speelt het huishouden een belangrijke rol bij de selectie van de schoonmaker, en worden de werkinstructies met betrekking tot het schoonmaken door het huishouden verstrekt, maar daar staat tegenover dat de betaling door het huishouden aan de schoonmaker niet rechtstreeks tussen hen plaatsvindt, maar volledig gecontroleerd wordt door Helpling. De rechten en plichten zoals deze zijn overeengekomen, en zoals daaraan uitvoering wordt gegeven, vormen een belangrijke rol bij de kwalificatie van de (arbeids)overeenkomst. De wijze waarop aan die rechten en plichten door het huishouden en de schoonmaker uitvoering wordt gegeven, wijst in het geheel niet op een tussen hen aanwezige arbeidsovereenkomst. Grief 6 in principaal appel slaagt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.44 Het onderdeel valt uiteen in verschillende (niet-genummerde) rechts- en motiveringsklachten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.45 De eerste rechtsklacht in onderdeel 2 betoogt dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.15 het dwingende karakter van art. 7:610 BW heeft miskend. Wanneer door de rechter is vastgesteld dat in de rechtsverhouding tussen twee partijen is voldaan aan de vereisten van art. 7:610 BW, die overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt. Volgens het onderdeel heeft het hof het voorgaande miskend, omdat zijn feitelijke vaststellingen – dat tussen de huishoudens en de schoonmakers sprake is van arbeid, loon en gezag – niet anders zijn te duiden dan dat is voldaan aan de criteria van art. 7:610 BW. Volgens het onderdeel vitieert dit ook de beslissing van het hof dat sprake is van een uitzendovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers, omdat “de rechtsverhouding van de schoonmakers met de huishoudens niet tegelijkertijd zowel aangemerkt kan worden als een arbeidsovereenkomst tussen die partijen, als gekwalificeerd worden als een feitelijke inleenrelatie, waarbij de schoonmaker een arbeidsovereenkomst heeft met Helpling.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.46 De klacht faalt. Het oordeel van het hof moet worden begrepen tegen de achtergrond van het partijdebat, waarin het draait om de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de schoonmaker met een huishouden, of van een arbeidsovereenkomst met Helpling (al dan niet in de vorm van een uitzendovereenkomst). Er is geen rechtsregel op grond waarvan het hof eerst had moeten beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen een schoonmaker en een huishouden, en pas daarna kon toekomen aan de vraag of er een arbeidsovereenkomst is tussen een schoonmaker en Helpling. Het hof heeft beide vragen door elkaar laten lopen, in die zin dat aan de hand van een beschrijving van de onderlinge rechten en verplichtingen van partijen in de driehoeksverhouding en de uitvoering die partijen daaraan in de praktijk geven, is beoordeeld hoe die rechten en verplichtingen moeten worden gekwalificeerd. Daarbij is het hof na een uitvoerige bespreking van alle relevante feiten en omstandigheden uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat niet kan worden vastgesteld dat tussen de huishoudens en schoonmakers sprake is van rechten en verplichtingen, die in onderling verband kwalificeren als arbeid, loon en gezag in de zin van art. 7:610 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.47 De klacht neemt dan ook ten onrechte tot uitgangspunt, dat het hof heeft moeten vaststellen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudens en de schoonmakers.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.48 Onderdeel 2 bevat voorts een rechts- en motiveringsklacht gericht tegen de overweging van het hof in rov. 3.15, dat de wijze waarop door het huishouden en de schoonmaker uitvoering wordt gegeven aan hun onderlinge rechten en verplichtingen, in het geheel niet wijst op een tussen hen aanwezige arbeidsovereenkomst. Volgens het subonderdeel is dit oordeel rechtens onjuist, dan wel onbegrijpelijk wanneer dit wordt gelezen in samenhang met de beslissing van het hof in rov. 3.17.1 dat “leiding en toezicht” over de uitvoering van het werk bij de huishoudens liggen. Het subonderdeel voert aan dat het element “leiding en toezicht” langs dezelfde maatstaven wordt beoordeeld als het element “gezag”. Indien wordt vastgesteld dat sprake is van “leiding en toezicht”, kan volgens het subonderdeel dus onmogelijk worden vastgesteld dat de wijze van uitvoering “in het geheel” niet wijst op een arbeidsovereenkomst, omdat kennelijk wel sprake is van gezag.</p>\n<p class=\"lf-p\">In elk geval is voormeld oordeel onbegrijpelijk, mede bezien in het licht van de vaststellingen van het hof dat de selectie van de schoonmaker door het huishouden plaatsvindt (rov. 3.9.2), de werkzaamheden ten behoeve van het huishouden worden verricht (rov. 3.10), dat de bepaling van de hoogte van het loon goed strookt met een tussen schoonmaker en huishouden bestaande arbeidsovereenkomst (rov. 3.11), dat er door het huishouden wordt betaald aan de schoonmaker via een betalingsovereenkomst waarbij Helpling geen partij is (rov. 3.12.2) en dat het huishouden bepaalt welke schoonmaakwerkzaamheden met welke middelen en op welke wijze worden uitgevoerd (rov. 3.14.1).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.49 Ter bespreking van de klachten geldt het volgende. Het hof is op basis van de volgende feiten en omstandigheden tot de conclusie gekomen dat er géén sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudens en de schoonmakers:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De informatie die Helpling op haar website heeft geplaatst over de situatie bij (a) ziekte van de schoonmaker, en (b) wisselen van schoonmaker, is niet, althans heel moeilijk te verenigen met een tussen het huishouden en een schoonmaker bestaande arbeidsovereenkomst; er wordt niets gezegd over doorbetaling bij ziekte en kennelijk kan zomaar worden gewisseld van schoonmaker (rov. 13.3.1);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>In de praktijk maken schoonmakers tegenover het huishouden geen aanspraak op doorbetaling van loon tijdens ziekte en vakantie (rov. 13.3.2);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De annuleringsregeling die tot 1 maart 2021 in de Algemene Voorwaarden was opgenomen, die inhield dat een huishouden tot 24 uur voorafgaand aan een overeengekomen schoonmaakdienst kosteloos kon annuleren, wijst niet op een op een tussen het huishouden en de schoonmaker bestaande arbeidsovereenkomst (rov. 13.3.3);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>Uit de in het geding gebrachte stukken en uit de door Helpling gegeven toelichting blijkt niet dat Helpling de huishoudens op enigerlei wijze stimuleert de werkgeversrol richting de schoonmakers te vervullen; de indruk wordt gewekt dat de schoonmaker bij ziekte zijn werkzaamheden op een ander moment kan inhalen en er wordt niet op gewezen dat tijdens ziekte, ook zonder vervangende werkzaamheden, recht bestaat op doorbetaling van loon. Ook in de algemene voorwaarden is niet te lezen dat huishoudens in geval van ontslag (buiten een dringende reden) een opzegtermijn moeten toepassen en een transitievergoeding verschuldigd zijn (rov. 13.3.4);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>De tussen huishoudens en schoonmakers geldende rechten en plichten, zoals deze door Helpling – die hun contractuele band faciliteert – zijn vormgegeven, wijzen op grond van dit alles niet op een tussen huishoudens en schoonmakers bestaande arbeidsovereenkomst (rov. 3.13.4).</div>\n<p class=\"lf-p\">12.50 Aansluitend op deze overwegingen betrekt het hof vervolgens in zijn overweging dat gezag, of leiding en toezicht, wél bij de huishoudens ligt waar het gaat om de eigenlijke schoonmaakwerkzaamheden (welke werkzaamheden moeten worden verricht, met welke middelen en op welke wijze). Dit onderdeel van gezag wordt daarmee uitgeoefend door het huishouden, zo constateert het hof (rov. 3.14.1). Daar staat echter tegenover dat het Helpling is die een conceptfactuur aan de schoonmaker verstuurt, die de schoonmaker aan het huishouden dient te verzenden. Ook legt gewicht in de schaal dat Helpling de schoonmaker vraagt een beoordeling te geven van het huishouden, en het huishouden vraagt de schoonmaker te beoordelen. Die beoordeling speelt een belangrijke rol in de wijze waarop Helpling zich aan nieuwe klanten presenteert (rov. 3.14.2). Ten slotte weegt het hof dan mee dat de loonbetalingen plaatsvinden op een wijze die door Helpling wordt voorgeschreven (rov. 3.14.3). Het hof komt dan tot de conclusie dat de formele gezagsrelatie, dat wil zeggen de wijze waarop de werkzaamheden van een schoonmaker ten behoeve van een huishouden bedrijfsmatig zijn ingebed, daarmee voor een belangrijk deel worden bepaald door Helpling (rov. 3.14.3).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.51 De samenvattende overweging is dan te lezen in rov. 3.15: weliswaar speelt het huishouden een belangrijke rol bij de selectie van de schoonmaker, en worden de werkinstructies met betrekking tot het schoonmaken door het huishouden verstrekt, maar daar staat tegenover dat de betaling door het huishouden aan de schoonmaker niet rechtstreeks tussen hen plaatsvindt, maar volledig gecontroleerd wordt door Helpling. Het hof vervolgt met de constatering dat de rechten en plichten zoals deze zijn overeengekomen, en zoals daaraan uitvoering wordt gegeven, een belangrijke rol spelen bij de kwalificatie van de (arbeids)overeenkomst. De wijze waarop huishouden en schoonmaker uitvoering geven aan de rechten en verplichtingen, wijst “in het geheel niet” op een tussen hen aanwezige arbeidsovereenkomst, zo besluit het hof (rov. 3.15).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.52 De gedachtegang van het hof in rov. 3.13-3.15 moet daarmee aldus worden begrepen, dat het huishouden weliswaar gezag uitoefent waar het gaat om het geven van instructies ten aanzien van de schoonmaakwerkzaamheden, maar dat de formele gezagsrelatie niet bestaat met het huishouden maar met Helpling. Het hof heeft daarbij gekeken naar zowel de rechten en plichten die partijen overeengekomen zijn (via de door Helpling opgestelde algemene voorwaarden en de informatie op de website van Helpling), als naar de wijze waarop daaraan in de praktijk feitelijk uitvoering wordt gegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.53 Deze gedachtegang geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, maar is in lijn met de gezichtspuntenbenadering van Deliveroo (zie onder 7.6) De gedachtegang is evenmin onbegrijpelijk. Hierop stuiten de klachten af. Overigens denk ik wel dat de beslissing dat sprake is van gezag vanuit het huishouden, waar het gaat om het geven van instructies ten aanzien van de schoonmaakwerkzaamheden, niet in stand kan blijven vanwege het slagen van enkele klachten in het incidenteel cassatiemiddel (zie verder vanaf 13.51).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.54 Onderdeel 2 klaagt (met rechts- en motiveringsklachten) over het feit dat het hof wijst op de onverenigbaarheid van de website van Helpling en de gehanteerde algemene voorwaarden, met – kort gezegd – de dwingende bepalingen in titel 7.10 BW, en vervolgens overweegt dat dit niet duidt op het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudens en de schoonmakers (rov. 3.13.1 en 3.13.3). De klachten keren zich eveneens tegen de overweging dat voor zover de voorwaarden op de website van Helpling wél duiden op een arbeidsovereenkomst, deze in de praktijk niet worden nagekomen (rov. 3.13.2). Het onderdeel betoogt dat het hof het dwingendrechtelijke karakter van 7:610 BW heeft miskend, door de strijdigheid met deze bepalingen bepalend te achten voor het antwoord op de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudens en de schoonmakers, terwijl titel 7.10 BW nu juist toegang beoogt te geven tot deze bescherming.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.55 Voor zover de klacht tot uitgangspunt neemt dat het hof de bedoelde strijdigheid bepalend heeft geacht voor het oordeel dat tussen de huishoudens en schoonmakers geen arbeidsovereenkomsten bestonden, berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest. Zoals hiervoor is toegelicht, berust het oordeel van het hof op een weging van alle relevante feiten en omstandigheden van het geval, waarbij ook betrokken is hoe in de praktijk invulling wordt gegeven aan de overeengekomen rechten en plichten.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.56 Voor zover de klacht zo moet worden begrepen, dat het hof op grond van de rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de algemene voorwaarden had moeten oordelen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen schoonmakers en de huishoudens en dat daaraan niet kan afdoen dat die bepalingen in de praktijk niet worden nagekomen, kan zij evenmin slagen. Uit de overwegingen van het hof volgt dat het onder ogen heeft gezien dat in de algemene voorwaarden wordt verwezen naar een bijlage, die een tussen het huishouden en de schoonmaker te sluiten arbeidsovereenkomst inhoudt (rov. 3.6, zie ook hiervoor onder 5.27). In rov. 3.13.1 bespreekt het hof echter uitvoerig dat de informatie op de website van Helpling haaks staat op een arbeidsovereenkomst tussen schoonmakers en huishoudens.</p>\n<p class=\"lf-p\">Ook benoemt het hof in rov. 3.13.3 dat de in de (tot 1 maart 2021 gehanteerde) Algemene Voorwaarden opgenomen annuleringsregeling niet strookt met een tussen het huishouden en de schoonmaker bestaande arbeidsovereenkomst. Mede in het licht van het feit dat ervan uit moet worden gegaan dat schoonmakers in de praktijk tegenover het huishouden geen aanspraak maken op doorbetaling tijdens ziekte en vakantie (rov. 13.3.2), komt het hof in rov. 3.13.4 dan tot de slotsom dat niet blijkt “dat Helpling op enigerlei wijze stimuleert de werkgeversrol richting de schoonmakers te vervullen”. Hiermee moet de redenering van het hof zó worden begrepen, dat Helpling weliswaar ‘op papier’ suggereert dat er een arbeidsovereenkomst tot stand komt (of moet worden gebracht) tussen het huishouden en de schoonmaker, maar dat andere informatie van Helpling hier haaks op staat en dat Helpling niet erop aanstuurt dat huishoudens daadwerkelijk een werkgeversrol richting schoonmakers vervullen.</p>\n<p class=\"lf-p\">Aldus heeft het hof zeker niet alleen beslissend geacht dat de bepalingen in de algemene voorwaarden over het sluiten van een arbeidsovereenkomst tussen huishoudens en schoonmakers, in de praktijk niet worden nagekomen. Van strijd met het dwingendrechtelijke karakter van art. 7:610 BW is dan ook geen sprake.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.57 Hierbij moet ten slotte nog worden bedacht dat het hof óók heeft meegewogen dat Helpling zowel de algemene voorwaarden als de tekst op de website heeft opgesteld, en dat huishoudens “met enkele muisklikken” instemmen met de algemene voorwaarden (zie rov. 3.5 en 3.6). Vanuit dat licht bezien, is het bepaald niet onbegrijpelijk dat het hof aan de algemene voorwaarden niet de gevolgtrekking heeft verbonden die Helpling voor ogen heeft. Het hof heeft er juist blijk van gegeven oog te hebben voor de economische werkelijkheid (oftewel: wezen gaat voor schijn, zie ook onder 11.2 e.v.), en heeft deze laten prevaleren boven de ‘papieren werkelijkheid’. Het is om díe reden dat het hof niet is meegegaan met de benadering van Helpling, die er in feite op neerkomt – in mijn woorden – dat Helpling haar eigen werkgeversrol ‘wegcontracteert’ door in de kleine lettertjes te vermelden dat die werkgeversrol bij de huishoudens ligt (maar zonder dat die op enigerlei wijze geëffectueerd wordt).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.58 Op het voorgaande stuiten de klachten af.</p>\n<p class=\"lf-p\">Passeren bewijsaanbod 12.59 Ten slotte bevat onderdeel 2 klachten tegen rov. 3.20.3, waar het hof overweegt dat partijen geen bewijs hebben aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die indien bewezen tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat hun bewijsaanbod daarom van de hand wordt gewezen. Helpling wijst erop dat zij in hoger beroep wel degelijk een bewijsaanbod heeft gedaan dat onder meer zag op het bestaan van een arbeidsovereenkomst tussen de huishoudens en de schoonmakers.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.60 Indien het hof aan dit bewijsaanbod voorbij is gegaan als niet ter zake dienend, dan heeft het hof miskend dat deze omstandigheden bij die kwalificatievraag wel degelijk van belang zijn. Het onderdeel betoogt voorts dat het oordeel van het hof in elk geval onbegrijpelijk is, mede met het oog op hetgeen het hof in rov. 3.15 overweegt, namelijk dat de wijze waarop huishouden en schoonmaker uitvoering geven aan de onderlinge rechten en plichten “in het geheel niet” wijst op een arbeidsovereenkomst. Volgens het onderdeel is precies op dat punt – de wijze waarop huishouden en schoonmakers uitvoering geven aan hun relatie – bewijs aangeboden, zodat zonder nadere toelichting niet valt in te zien hoe het hof het bewijsaanbod als niet ter zake dienend heeft kunnen aanmerken. Ook indien de beslissing in rov. 3.20.3 zo moet worden begrepen dat het hof van mening is dat het bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd, is deze beslissing onbegrijpelijk, aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.61 In de memorie van grieven in incidenteel appel van Helpling is (onder randnummer 375) is het volgende te lezen: “In het kader van voornoemde bewijs- en tegenbewijsaanbiedingen biedt Helpling, onder protest van gehoudenheid daartoe en zonder onverplicht enige bewijslast te aanvaarden, aan te bewijzen, o.a. door het horen van alle voornoemde getuigen en voornoemde andere wijzen van bewijslevering, dat: (i) de werking van het Platform is als hiervoor in paragrafen 2.2 en 2.3 omschreven, in het bijzonder: (a) dat geen dwingende werking uitgaat van de inrichting van het Platform, zoals de lay-out, de volgorde van de pagina’s of de verschillende tekstvelden en pop-ups; (b) dat huishoudelijke hulpen zelf, zonder invloed van Helpling, hun uurloon bepalen; (c) dat huishoudelijke hulpen zich vrij voelen om afspraken af te zeggen en dat veelvuldig doen; (d) dat huishoudelijke hulpen en particuliere huishoudens hun verhouding onderling vormgeven en daarover overleggen, bijvoorbeeld over vakantie of het verzetten van afspraken; en (e) dat huishoudelijke hulpen hun rechtspositie begrijpen en voldoende geïnformeerd zijn over de RDH. (ii) (de klantenservice van) Helpling geen invloed uitoefent over de werkzaamheden of de wijze waarop deze worden uitgevoerd; en (iii) huishouden en hulp werkgever en werknemer van elkaar zijn en zich dienovereenkomstig gedragen.”</p>\n<p class=\"lf-p\">12.62 De klacht kan niet slagen. De stellingen waarop het bewijsaanbod ziet hebben grotendeels een kwalificerend karakter en lenen zich daarom niet voor bewijslevering. Het zijn in feite conclusies of kwalificaties die Helpling zelf verbonden wil zien aan de feitelijke wijze waarop zij het platform heeft georganiseerd. Dat het hof niet in die conclusies en kwalificaties meegaat, ligt besloten in het hofarrest. Zo staat het hof bijvoorbeeld stil bij de hoogte van de beloning (rov. 3.11), waarbij het hof ook vaststelt dat de schoonmaker zelf kan bepalen tegen welk tarief hij wil werken (zie omstandigheid 1-b). Voorts heeft het hof onder meer in rov. 3.10 overwogen dat Helpling vrijwel geen zicht heeft op hoe de arbeid wordt verricht (zie omstandigheid ii). Ook is het hof ingegaan op het annuleren van afspraken door schoonmakers (3.13.1 en 3.13.3). Voor het overige geldt, zoals het hof heeft overwogen in rov. 3.20.3, dat het bewijsaanbod niet ziet op feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden. Dat dit anders ligt, is door Helpling – anders dan in algemene bewoordingen – niet nader toegelicht.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.63 Voor wat betreft de relatie die gelegd wordt met de overweging dat de wijze waarop huishouden en schoonmaker uitvoering geven aan de onderlinge rechten en plichten “in het geheel niet” wijst op een arbeidsovereenkomst, verwijs ik naar wat hiervoor is opgemerkt over de wijze waarop deze overweging moet worden begrepen (zie onder 12.53-12.54).</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 3: De opdracht in het kader van art. 7:690 BW 12.64 Onderdeel 3 komt met een motiveringsklacht op tegen rov. 3.17, waarin het hof oordeelt dat de schoonmakers door Helpling ter beschikking worden gesteld om arbeid bij de huishoudens te verrichten, “krachtens een door de huishoudens aan Helpling verstrekte opdracht.” Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is, nu het hof heeft nagelaten om bij zijn beoordeling van de vraag of de huishoudens aan Helpling een opdracht in de zin van art. 7:690 BW hebben verstrekt (kenbaar) te responderen op de (essentiële) stellingen van Helpling:</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat er geen sprake is van een door de particuliere huishoudens aan Helpling verstrekte opdracht, nu de Gebruikersovereenkomst Huishoudens op grond van artikel 1 lid 1 AV Huishoudens (enkel) betrekking heeft op het gebruik van het Platform door het particuliere huishouden om daar zelf een huishoudelijke hulp te vinden, en om zelf opdrachten voor dergelijke diensten te verstrekken (waarbij de klant gebruik maakt van de daartoe faciliterende diensten van Helpling);</div>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">-</span>dat Helpling niet bepaalt of en, zo ja, welke huishoudelijke hulp de arbeid voor het huishouden zal verrichten en dat Helpling, anders dan een uitzendbureau in relatie tot de opdrachtgever, niet kan garanderen dat het huishouden daadwerkelijk een huishoudelijke hulp vindt via het Platform, zulks omdat Helpling een schoonmaker niet kan opdragen om bij een bepaald huishouden te gaan werken.</div>\n<p class=\"lf-p\">12.65 Ter onderbouwing van deze klachten verwijst Helpling naar de volgende randnummers uit de memorie van grieven in incidenteel appel: “(264) Uit de wetsgeschiedenis bij de Wet flexibiliteit en zekerheid blijkt dat het element krachtens een door de derde aan de werkgever verstrekte opdracht' in de definitie is opgenomen om de uitzendovereenkomst duidelijk te onderscheiden van de aannemingsovereenkomst.50 Tussen de particuliere huishoudens en Helpling bestaat geen overeenkomst van opdracht strekkende tot terbeschikkingstelling van uitzendwerknemers. Op grond van artikel 1 lid 1 AV Huishoudens heeft de Gebruikersovereenkomst Huishoudens (enkel) betrekking op het gebruik van het Platform door het particuliere huishouden voor het vinden van een huishoudelijke hulp voor huishoudelijke diensten en schoonmaakwerkzaamheden in privéhuishoudens en voor het verstrekken van opdrachten voor dergelijke diensten door de klant en het gebruik van de daartoe faciliterende diensten van Helpling.</p>\n<div class=\"lf-abs\"><span class=\"lf-abs-num\">(265)</span>FNV en [de schoonmaakster] hebben in randnummer 148 van hun memorie van grieven nog gesteld dat de “opdrachtgever/klant/het huishouden Helpling als het ware de opdracht [geeft] om een arbeidskracht bij haar tewerk te stellen,”' dat “de bedoeling van het huishouden [is] dat een arbeidskracht van Helpling werkzaamheden bij haar komt verrichten,” en dat “niet van belang is hoe de overeenkomst tussen Helpling en het huishouden wordt gedefinieerd.” Dit argument snijdt geen hout, al was het maar omdat Helpling met bepaalt of en, zo ja, welke huishoudelijke hulp de arbeid voor het huishouden zal verrichten. Helpling kan dus niet garanderen dat het huishouden daadwerkelijk een huishoudelijke hulp vindt via het Platform (zie ook de slechte recensies die hiervoor in o.a. randnummer (205) zijn aangehaald) - het enige dat Helpling kan doen, is het huishouden toegang geven tot het Platform. Een uitzendbureau kan een uitzendkracht daarentegen eenvoudigweg opdragen een bepaalde klus te verrichten en kan dit dus wel aan de opdrachtgever garanderen. Uit het feit dat Helpling dat niet kan, blijkt dan ook dat het onderwerp van de overeenkomst niet meer is dan het verlenen van toegang tot het Platform.”</div>\n<p class=\"lf-p\">12.66 Zoals in de hier aangehaalde memorie van grieven terecht is opgemerkt, volgt uit de wetsgeschiedenis dat het vereiste in art. 7:690 BW dat de arbeid moet worden verricht krachtens een door de derde verstrekte opdracht, ertoe strekt te verduidelijken dat ingeval van aanneming van werk geen sprake is van een uitzendovereenkomst (zie onder 8.17). Art. 7:690 BW stelt geen verdere vereisten aan de opdracht die de derde in het kader van die bepaling dient te verstrekken.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.67 Dat de opdracht er in deze kwestie toe zou strekken dat de huishoudens gebruik mogen maken van de faciliterende diensten van Helpling, doet niet ter zake. De dienst die Helpling faciliteert leidt immers uiteindelijk tot de door de schoonmakers verrichte werkzaamheden. Evenmin doet ter zake dat Helpling niet bepaalt of, en zo ja hoe de werkzaamheden bij het huishouden worden verricht. Dit betekent dat ook bij de door Helpling voorgestane lezing sprake is van een “aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten.” Bovendien kan niet gezegd worden dat de door Helpling aangehaalde stellingen, als essentiële stellingen hebben te gelden waaraan het hof niet (ongemotiveerd) voorbij mocht gaan. Dit betekent dat de klacht faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.68 Bovendien geldt dat de bespreking van deze klacht in zoverre overbodig is, omdat het oordeel dat sprake is van een uitzendovereenkomst, m.i. reeds om andere redenen geen stand kan houden, vanwege de hierna te bespreken klacht in onderdeel 4.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 4: Het inlenersbegrip in art. 7:690 BW 12.69 Met onderdeel 4 komt het middel op tegen de overwegingen van het hof in rov. 3.16.4, waar het hof beslist dat voor het aannemen van een uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW niet vereist is dat de tewerkstelling plaatsvindt in het bedrijf van de inlener. Daartoe overweegt het hof dat de tekst van art. 7:690 BW niet als eis stelt dat de inlening plaatsvindt in het kader van het beroep of bedrijf van de inlener. Met dit oordeel heeft het hof miskend dat voor het aannemen van een uitzendovereenkomst in de zin van art. 7:690 BW wel degelijk vereist is dat de uitzendkracht ter beschikking dient te worden gesteld “in het bedrijf”, van de derde, aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.70 Zoals hiervoor (onder 9.2) is toegelicht, volgt uit de tekst van art. 7:690 BW niet dat de uitzendkracht ter beschikking wordt gesteld “in het bedrijf” van de derde: daar wordt immers enkel gesproken van de “derde”. Bij de totstandkoming van deze bepaling is in de memorie van toelichting echter wel opgemerkt dat art. 7:690 BW ziet op de terbeschikkingstelling van werknemers in het kader van het beroep of bedrijf van de inlener (zie onder 9.3). Ook wanneer wordt gekeken naar de wettelijke uitzendregeling als geheel, lijkt eerder voor de hand te liggen dat deze regeling zich niet leent voor toepassing op de niet-bedrijfsmatige inlener. Zo geldt bijvoorbeeld dat de werkgeversaansprakelijkheid van art. 7:658 lid 4 BW, die mede is ingevoerd ten behoeve van de bescherming van de ingeleende arbeidskracht, geen verplichtingen creëert voor privé-werkgevers, zoals persoonlijke huishoudingen (zie onder 9.19 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">Voorts geldt dat de ketenaansprakelijkheid voor de betaling van het loon ex art. 7:616a BW, niet van toepassing is op particulieren (zie onder 9.27 e.v.). Bovendien zou het aanvaarden van de toepassing van art. 7:690 BW op driehoeksverhoudingen met niet-bedrijfsmatige inleners, ertoe leiden dat het Nederlandse en het Europese uitzendbegrip uiteen gaan lopen, nu de toepassing van de Uitzendrichtlijn zich beperkt tot inleners die een economische activiteit uitoefenen (zie onder 9.58). Hoewel de Uitzendrichtlijn dit – vanwege het minimumkarakter daarvan – strikt genomen niet verbiedt, is dit m.i. vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en rechtseenheid, geen wenselijk gevolg (zie onder 9.62).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.71 Hiermee slaagt de klacht. Dit heeft tot gevolg dat het oordeel van het hof dat sprake is van een uitzendovereenkomst ex art. 7:690 BW niet in stand kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 5: De Waadi 12.72 Onderdeel 5 bevat diverse klachten die zich richten tegen de oordelen van het hof over de Waadi, en valt uiteen in twee subonderdelen (a en b).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.73 Subonderdeel 5a bevat een voortbouwklacht die opkomt tegen de beslissingen van het hof dat (i) Helpling in strijd met art. 7a lid 1 Waadi arbeidskrachten ter beschikking heeft gesteld, zonder registratie in het handelsregister (rov. 3.18.1), (ii) dat Helpling in strijd met art. 9 Waadi heeft gehandeld door bij het ter beschikking stellen van arbeidskrachten een tegenprestatie te bedingen (rov. 3.18.2) en (iii) dat Helpling in strijd met het belemmeringsverbod uit art. 9a Waadi heeft gehandeld, zodat het boetebeding uit de algemene voorwaarden van Helpling nietig is (rov. 3.18.7). Deze beslissingen bouwen volgens het subonderdeel voort op de door de onderdelen 1 tot en met 4 bestreden beslissingen van het hof, die zijn uitgemond in de conclusie in rov. 3.15 dat in de relatie tussen de schoonmaker en het huishouden geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en de conclusie in rov. 3.17.1, dat in de relatie tussen Helpling en de schoonmaker sprake is van een uitzendovereenkomst. Indien één of meer van de klachten van de onderdelen 1 tot en met 4 slaagt, heeft dit ook gevolgen voor de daarop voortbouwende beslissingen als hiervoor weergegeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.74 In het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 is overwogen dat de procedure enkel wordt voortgezet ten aanzien van de vorderingen 1, 2 en 4 (zie onder 3.1 en 3.22). Vordering 4 betreft de verklaring voor recht dat Helpling in strijd met art. 9 Waadi aan de schoonmaakster een financiële tegenprestatie vraagt voor haar uitzendwerkactiviteiten. Daarmee behoeft subonderdeel 5a enkel bespreking voor zover het zich keert tegen het oordeel van het hof over art. 9 Waadi (in rov. 3.18.2). De klachten met betrekking tot art. 7a Waadi (rov. 3.18.1) en art. 9a Waadi (rov. 3.18.7), blijven onbesproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.75 Ten aanzien van de voortbouwklacht tegen rov. 3.18.2, geldt het volgende.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.76 Hiervoor is besproken dat art. 7:690 BW en de Waadi niet exact hetzelfde toepassingsbereik kennen (zie onder 9.34). Het enkele feit dat art. 7:690 BW niet van toepassing is omdat geen sprake is van een uitzendovereenkomst, betekent dus niet zonder meer dat ook de Waadi niet van toepassing is. Voor de beoordeling van de voortbouwklacht in subonderdeel 5a, moet dan ook separaat worden beoordeeld of de te beoordelen verhoudingen onder het bereik van de Waadi vallen.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.77 M.i. is dat niet het geval. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van terbeschikkingstelling in de zin van de Waadi, moet worden onderzocht of sprake is van terbeschikkingstelling van arbeidskrachten aan een ander, voor het onder diens toezicht en leiding, anders dan krachtens een met deze gesloten arbeidsovereenkomst, verrichten van arbeid. Het “toezicht en leiding”-criterium in de Waadi is in de wetsgeschiedenis niet nader toegelicht. In de literatuur en rechtspraak wordt aangenomen dat voor deze beoordeling moet worden aangesloten bij de beoordeling van het “toezicht en leiding”-criterium in art. 7:690 BW (zie onder 9.34). Dit criterium wordt langs dezelfde maatstaf getoetst als het gezagscriterium uit art. 7:610 BW.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.78 Hiervoor is besproken dat er, in lijn met het Deliveroo-arrest, grond bestaat voor een moderne benadering van het “toezicht en leiding”-criterium, met minder nadruk op de instructiebevoegdheid van de werkgevende partij. Zeker wanneer het de beoordeling van de verhoudingen in een platformconstructie betreft, moet meer aandacht toekomen aan de bepaalmacht van het platform (zie onder 7.17 e.v.). Daarbij is van belang dat wordt gekeken naar de daadwerkelijke economische verhoudingen, om te voorkomen dat platforms door middel van (papieren) constructies de dwingendrechtelijke werking van art. 7:610 BW kunnen ontlopen. Indien deze lijn wordt doorgetrokken naar de beoordeling van het “toezicht en leiding”-criterium in de Waadi, betekent dit dat ook in het kader van de Waadi moet worden aangenomen dat geen sprake is van toezicht en leiding bij de partij waar de werkzaamheden feitelijk worden verricht, maar van ‘regulier’ werkgeversgezag aan de zijde van het platform. Daar stuit m.i. de toepassing van de Waadi op af.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.79 ovendien is het ook in het kader van de Waadi nog maar de vraag of deze wet zich leent voor toepassing op de niet-bedrijfsmatige inlener. Het inlenersbegrip (in de Waadi: de “ander”) is weliswaar ook in de Waadi niet nader omlijnd, maar ook hier geldt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Waadi valt af te leiden dat de wetgever bij de invoering van deze wet de bedrijfsmatige inlener op het oog heeft gehad (zie onder 9.33 e.v.).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.80 Dat de toepassing van de Waadi op niet-bedrijfsmatige inleners problematisch kan zijn, volgt overigens ook uit het hofarrest. Zo overweegt het hof (in rov. 3.18.6) dat de loonverhoudingsnorm van art. 8 lid 1 Waadi geen toepassing kan vinden, omdat de huishoudens geen ondernemingen in de zin van deze bepaling vormen. De daarop gerichte vorderingen van FNV c.s. zijn dan ook afgewezen. Het hof past vervolgens wel andere bepalingen van de Waadi op de voorliggende verhouding toe, hetgeen tot een ‘versnipperde’ toepassing van de Waadi leidt. Het is de vraag of dit, mede vanuit het oogpunt van rechtszekerheid, een wenselijke consequentie te noemen valt.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.81 Het voorgaande brengt mee dat ook de klacht in subonderdeel 5a slaagt, zodat het oordeel van het hof in rov. 3.18.2 niet in stand kan blijven.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.82 Subonderdeel 5b bevat een rechts- en motiveringsklacht tegen de oordelen van het hof met betrekking tot art. 9a Waadi. Uit het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2024 in deze procedure (zie onder 3.22), volgt onder meer dat de vordering die betrekking heeft op art. 9a Waadi thans niet langer ter behandeling voorligt. Dit betekent dat de klachten in subonderdeel 5b geen verdere bespreking behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 6: Voortbouwklacht en slotsom 12.83 Onderdeel 6 komt tot slot op tegen de beslissing van het hof in rov. 3.20.4 inzake de proceskosten. Dit oordeel bouwt voort op de beslissingen die zijn bestreden door de klachten van de onderdelen 1 tot en met 5, zodat gegrondbevinding van één of meer van die klachten, derhalve ook de beslissing van het hof in rov. 3.20.4 inzake de proceskosten vitieert, aldus het onderdeel.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.84 Zoals gezegd kan het oordeel dat sprake is van een uitzendovereenkomst ex art. 7:690 BW m.i. niet in stand blijven. De daaraan voorafgaande overwegingen van het hof, die tot strekking hebben dat in de relatie tussen een schoonmaker en Helpling is voldaan aan de vereisten van loon, arbeid en gezag, én dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen een schoonmaker en een huishouden, leiden echter tot de conclusie dat wél sprake is van een gewone arbeidsovereenkomst tussen de schoonmakers en Helpling.</p>\n<p class=\"lf-p\">12.85 Het is dan immers één van tweeën (zie ook de niet met succes bestreden rov. 13.6.1 van het hofarrest): ofwel er is sprake van een gewone arbeidsovereenkomst tussen Helpling en een schoonmaker, ofwel er is sprake van een uitzendovereenkomst. Nu dat laatste niet het geval kan zijn, blijft over dat er een gewone arbeidsovereenkomst bestaat tussen Helpling en een schoonmaker. Dit strookt ook met het feit dat aan de beoordeling of sprake is van een uitzendovereenkomst, vooraf gaat de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst (zie onder 8.11-8.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">12.86 Dit heeft tot gevolg dat in cassatie vaststaat dat er een arbeidsovereenkomst bestaat tussen de schoonmakers en Helpling. Toewijzing van de daarop gerichte primaire vordering van FNV c.s. (de vordering sub 1) zou in strijd zijn met het beginsel van non reformatio in peius, ware het niet dat ook enkele klachten in het incidenteel cassatieberoep slagen (zie hierna vanaf 13.51). Dat leidt ertoe dat de Hoge Raad m.i. zelf in de zaak kan voorzien door de primaire vordering van FNV c.s. alsnog toe te wijzen. De voortbouwklacht in het principale cassatieberoep slaagt daarom niet.</p>\n<p class=\"lf-p\">13Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel 13.1 Het incidenteel cassatiemiddel omvat vijf onderdelen, waarvan de eerste vier onderdelen uiteenvallen in meerdere sub(sub)onderdelen. In het arrest van 12 januari 2024 heeft de Hoge Raad overwogen dat de procedure enkel wordt voortgezet ten aanzien van de vorderingen 1, 2 en 4 (zie onder 3.1 en 3.22). Dit leidt ertoe dat onderdelen 3 en 4 van het incidenteel cassatiemiddel geen behandeling behoeven.</p>\n<p class=\"lf-p\">Onderdeel 1: De contractuele verhoudingen bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie 13.2 Onderdeel 1 klaagt kort gezegd dat het hof ten onrechte niet eerst heeft getoetst wie met wie contracteert en wat de inhoud van die overeenkomst is, om vervolgens die overeenkomst te kwalificeren, als gevolg waarvan een groot aantal vaststellingen onjuist dan wel onbegrijpelijk is, en ook de uiteindelijke kwalificatie zelf niet juist is. Dit onderdeel bestaat in totaal uit vijf subonderdelen (1b-1e en 1.11), die nader worden toegelicht onder 1.1-1.10. Onder 1.11 is ten slotte een voortbouwklacht geformuleerd.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.3 In subonderdeel 1.b wordt opgekomen tegen rov. 2.2-2.7 en rov. 3.5-3.17.2. Geklaagd wordt dat het hof heeft miskend dat bij de kwalificatie van de rechtsverhouding drie stappen gevolgd hadden moeten worden. Eerst had het hof aan de hand van art. 3:33 BW en art. 3:35 BW en het Haviltex-criterium moeten vaststellen wie nu exact met wie contracteert (stap 1). Vervolgens had het hof moeten vaststellen waartoe partijen zich hebben verbonden (stap 2), en tot slot had het hof dit naast de lat van een bijzondere overeenkomst – in dit geval de arbeidsovereenkomst of uitzendovereenkomst – moeten leggen (stap 3). Volgens het subonderdeel heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zij het doordat stap 1 is overgeslagen, zij het doordat de route van deze drietrapsraket niet voldoende kenbaar is gevolgd. Het gevolg hiervan is volgens het subonderdeel dat het hof tot met elkaar strijdige en dus onbegrijpelijke overwegingen is gekomen, alsmede dat het hof ten onrechte niet is gekomen tot de kwalificatie van een ‘gewone’ arbeidsovereenkomst tussen Helpling en de schoonmakers.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.4 Het subonderdeel lijkt daarmee tot uitgangspunt te nemen dat het wel doorlopen van het voorgestelde stappenplan, ertoe had geleid dat het hof tot het oordeel was gekomen dat tussen Helpling en de schoonmakers sprake was van een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW (in plaats van een uitzendovereenkomst ex art. 7:690 BW). Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat onduidelijk is welk belang FNV c.s. zou hebben bij het slagen van deze klacht. Het hof is immers wel degelijk tot het oordeel gekomen dat sprake is van een (arbeids)overeenkomst tussen Helpling en de schoonmakers, zij het dat volgens het hof sprake is van een bijzondere arbeidsovereenkomst, namelijk een uitzendovereenkomst. Op welke wijze het ‘overslaan’ van stap 1 van invloed zou zijn op de vraag of sprake is van een ‘volle’ arbeidsovereenkomst dan wel uitzendovereenkomst, zoals FNV c.s. betoogt, is niet duidelijk. In zoverre valt dus niet in te zien welk belang FNV c.s. heeft met de klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.5 Verder geldt dat het oordeel van het hof moet worden begrepen tegen de achtergrond van het partijdebat, waarin het draait om de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de schoonmaker met een huishouden, of van een arbeidsovereenkomst met Helpling (al dan niet in de vorm van een uitzendovereenkomst). Evenmin als er een rechtsregel is op grond waarvan het hof eerst had moeten beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen een schoonmaker en een huishouden (zie onder 12.27), is er een regel op grond waarvan het hof eerst had moeten vaststellen of er een arbeidsovereenkomst is tussen een schoonmaker en Helpling. Het hof heeft beide vragen door elkaar laten lopen, in die zin dat aan de hand van een beschrijving van de onderlinge rechten en verplichtingen van partijen in de driehoeksverhouding en de uitvoering die partijen daaraan in de praktijk geven, is beoordeeld hoe die rechten en verplichtingen moeten worden gekwalificeerd. Voor zover de klacht tot strekking heeft dat het hof eerst had moeten beoordelen of sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen de schoonmaker en Helpling, gaat zij dan ook niet op.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.6 De opvatting dat bij de kwalificatie van de arbeidsrelatie, steeds eerst (en uitdrukkelijk) zou moeten worden vastgesteld welke partijen met elkaar hebben gecontracteerd, vindt geen steun in het recht. Daarvoor is ook geen steun te vinden in het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 dat in het subonderdeel wordt genoemd, en evenmin in het arrest ABN Amro/Malhi.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.7 Voorts klaagt subonderdeel 1.b over het feit dat het hof op verschillende punten oordeelt dat de algemene voorwaarden van Helpling gelden tussen het huishouden en de schoonmaker:</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 2.7 (laatste zin) “Helpling hanteert ook algemene voorwaarden die gelden tussen het huishouden en de schoonmaker.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 3.5 “Vervolgens dient de gekozen schoonmaker het aanbod van het huishouden om hiervoor te gaan werken, te bevestigen, waarmee tussen huishouden en schoonmaker overeenstemming is bereikt. In de regel gebeurt dat niet door middel van een specifiek tussen hen opgestelde schriftelijke overeenkomst, maar worden de op deze contractuele relatie betrekking hebbende voorwaarden (afgezien van het uurloon) beheerst door algemene voorwaarden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">Rov. 3.6 “Al met al worden door de schoonmaker ten behoeve van het huishouden werkzaamheden verricht, waarvoor de schoonmaker wordt betaald en waarover Helpling commissie ontvangt, en waarbij de contractuele relatie grotendeels wordt bepaald door middel van door Helpling opgestelde en door de twee andere partijen geaccordeerde algemene voorwaarden.”</p>\n<p class=\"lf-p\">13.8 Het subonderdeel klaagt dat het rechtens niet, althans niet zonder meer mogelijk is om door middel van een overeenkomst tussen twee partijen (i.c. Helpling en de schoonmaker) een andere overeenkomst tot stand te brengen tussen één van die contractspartijen en een derde (i.c. de schoonmaker en het huishouden). Daartoe is volgens het subonderdeel op zijn minst ook wilsovereenstemming tussen die twee partijen noodzakelijk.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.9 Voor zover het subonderdeel zich tegen rov. 2.7 keert, is wederom op te merken dat deze overweging geen beoordeling, maar een vaststelling van de feiten weergeeft. Bovendien moet die weergave van de feiten te worden gelezen in het licht van de overige overwegingen in het arrest, waarin steeds naar voren komt dat het hof uitgaat van algemene voorwaarden die gelden tussen Helpling en de schoonmakers enerzijds, en Helpling en de huishoudens anderzijds. De geciteerde overweging in rov. 2.7 kan in dat licht bezien niet anders worden gelezen, dan dat is bedoeld te overwegen dat “de algemene voorwaarden die gelden tussen het huishouden en de schoonmaker”, voortvloeien uit de algemene voorwaarden die Helpling enerzijds met de huishoudens, en anderzijds met de schoonmakers is overeengekomen. In zoverre kan de klacht dan ook niet slagen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.10 Voor het overige berust de klacht op een onjuiste lezing van het arrest. In rov. 3.5 is niet te lezen dat het hof heeft bedoeld te overwegen dat er tussen het huishouden en de schoonmaker een set algemene voorwaarden van toepassing is. Daarin is immers enkel in algemene zin overwogen dat de relatie tussen het huishouden en de schoonmaker wordt “beheerst door algemene voorwaarden.” Die overweging staat niet haaks op eerdere overwegingen, waaruit blijkt dat Helpling enerzijds met de schoonmakers, en anderzijds met de huishoudens algemene voorwaarden heeft gesloten. Het hof constateert slechts – terecht – dat die algemene voorwaarden bepalingen bevatten over de wijze waarop de schoonmakers zich tot de huishoudens moeten verhouden, en de wijze waarop de huishoudens zich op hun beurt tot de schoonmakers dienen te verhouden (zie ook hiervoor onder 13.9).</p>\n<p class=\"lf-p\">13.11 Het voorgaande brengt mee dat alle klachten in subonderdeel 1.b falen.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.12 In subonderdeel 1.c wordt vervolgens geklaagd dat het ‘overslaan’ van stap 1 in het door FNV c.s. beoogde toetsingskader, een “bonte verzameling van met elkaar strijdige, dus onbegrijpelijke overwegingen” zou opleveren. Dit subonderdeel omvat een grote hoeveelheid klachten, die hierna achtereenvolgens zullen worden besproken.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten over de feitenvaststelling 13.13 Het subonderdeel keert zich ten eerste tegen de vaststelling van de feiten in rov. 2.2-2.7, waarin het hof overweegt (rov. 2.7, slot) dat Helpling algemene voorwaarden hanteert “die gelden tussen het huishouden en de schoonmaker.” Volgens het subonderdeel laat het hof in het midden wie met wie contracteert, maar “oordeelt” het wel al dat Helpling algemene voorwaarden hanteert die gelden tussen de schoonmakers en het huishouden. Het subonderdeel voert aan dat het antwoord op de vraag of die algemene voorwaarden inderdaad gelden tussen de huishoudens en de schoonmakers, echter afhankelijk is van de vraag tussen wie welke overeenkomst tot stand is gekomen. Dit betoog kan echter reeds niet worden gevolgd, omdat de feitenvaststelling van het hof op zichzelf geen oordelen bevat.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.14 Ook de klacht over de feitenvaststelling in rov. 2.5 treft geen doel. Het incidenteel cassatiemiddel wijst erop dat het hof in rov. 2.2 overweegt dat Helpling een online platform exploiteert waar (in het bijzonder) schoonmakers en huishoudens afspraken kunnen maken over uit te voeren huishoudelijke werkzaamheden. Nu het hof in het midden laat met wie deze afspraken worden gemaakt, zou volgens het subonderdeel als hypothetische feitelijke grondslag gelden dat de afspraken worden gemaakt tussen Helpling en de schoonmaker enerzijds, en Helpling en het huishouden anderzijds. Vervolgens wordt geklaagd dat het hof in rov. 2.5 overweegt dat een huishouden aan de hand van in te vullen zoekcriteria een schoonmaakopdracht kan “aanbieden aan een of meer schoonmakers die voldoen aan de opgegeven criteria.” Dit oordeel zou onjuist althans onbegrijpelijk zijn, omdat het hof niet eerst vaststelt wie met wie welke overeenkomst sluit, en het hof tevens zou miskennen dat het huishouden niet rechtstreeks met de schoonmaker contracteert. Ook hier geldt dat de feitenvaststelling op zichzelf geen oordelen bevat, zodat ook deze klacht niet opgaat.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.15 Verder klaagt het subonderdeel over het “oordeel” in rov. 2.5, waar te lezen is: “als het huishouden meerdere schoonmakers uitkiest krijgt de schoonmaker die het aanbod als eerste accepteert de opdracht.” Vervolgens vermeldt rov. 2.5: “Als alle schoonmakers het aanbod weigeren krijgt het huishouden daarvan bericht en dient het huishouden een nieuwe opdracht uit te zetten”. Voorts klaagt het subonderdeel over rov. 2.6, waarin is vermeld: “Na acceptatie van een schoonmaakopdracht kan een schoonmaker deze in beginsel niet meer annuleren.” Volgens het subonderdeel getuigen deze overwegingen van een onjuiste rechtsopvatting indien het hof hiermee beoogt te oordelen dat er door het huishouden een overeenkomst van opdracht (of anderszins) met de schoonmaker wordt gesloten, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof niet preciseert wat onder “opdracht” wordt verstaan. Wederom geldt echter dat deze overwegingen geen oordelen bevatten, echter slechts een weergave van de vaststaande feiten bevatten, zodat deze klachten hetzelfde lot delen als de hiervoor besproken klachten over rov. 2.7 en 2.5 (onder 13.13 en 13.14).</p>\n<p class=\"lf-p\">13.16 Maar ook los daarvan zijn de klachten tevergeefs voorgesteld. Het hof geeft hier slechts een weergave van de wijze waarop Helpling, de schoonmakers en de huishoudens zich (feitelijk) tot elkaar verhouden. Voor het omschrijven van de feitelijke verhouding tussen het huishouden en de schoonmaker bij het uitvoeren van de schoonmaakwerkzaamheden, heeft het hof onder meer de term “(schoonmaak)opdracht” gehanteerd. Hiermee heeft het hof geen juridische kwalificatie willen geven, maar is dit woord gebruikt in de betekenis daarvan in de spreektaal heeft. Dat het hof niet bedoeld heeft in juridische zin te oordelen dat sprake is van een overeenkomst van opdracht tussen een huishouden en een schoonmaker, staat buiten kijf, nu het hof tot het oordeel is gekomen dat tussen partijen sprake is van een uitzendovereenkomst.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.17 Het voorgaande brengt mee dat subonderdeel 1.c in zoverre faalt.</p>\n<p class=\"lf-p\">Klachten over de beoordeling 13.18 Vervolgens voert subonderdeel 1.c aan dat het hof op meerdere plaatsen overweegt dat er tussen het huishouden en de schoonmaker overeenstemming wordt bereikt, dat het huishouden loon betaalt aan de schoonmaker (en commissie aan Helpling) en dat er een gezagsverhouding is tussen het huishouden en de schoonmaker, en dat die overwegingen rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk zijn. Hierna wordt per aangehaalde rechtsoverweging stilgestaan bij de door FNV c.s. geformuleerde klacht.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.19 Allereerst verwijst het subonderdeel naar rov. 3.5, waarin het hof (voor zover hier relevant) overweegt (onder de tussenkop “Werkwijze platform”): “Helpling biedt een online platform waarop degenen die die schoonmaakwerkzaamheden willen verrichten (de schoonmakers) zich aanbieden. Een huishouden geeft op dit platform te kennen op zoek te zijn naar een schoonmaker en vermeldt de postcode, de gewenste frequentie en tijdstippen waarop de schoonmaakwerkzaamheden dienen plaats te vinden. Helpling presenteert aan dit huishouden de schoonmakers die voor die betreffende postcode en op de door het huishouden gewenste tijdstippen beschikbaar zijn. Het huishouden maakt dan een keuze uit de gepresenteerde schoonmakers. Vervolgens dient de gekozen schoonmaker het aanbod van het huishouden om hiervoor te gaan werken, te bevestigen, waarmee tussen huishouden en schoonmaker overeenstemming is bereikt.”</p>\n<p class=\"lf-p\">13.20 Het subonderdeel klaagt dat de eerste zin van dit citaat onjuist en onbegrijpelijk is, voor zover het hof daarmee bedoelt dat schoonmakers zich op het platform rechtstreeks aan het huishouden aanbieden en het aanbod van het huishouden rechtstreeks (en dus niet via Helpling) aanvaardt. Het subonderdeel klaagt vervolgens dat het onder 13.9 geciteerde oordeel onbegrijpelijk is in het licht van het feit dat al het contact via Helpling verloopt. Het huishouden selecteert een aantal schoonmakers uit het aanbod dat Helpling aan het huishouden doet, en de schoonmakers laten aan Helpling weten het aanbod (al dan niet) te aanvaarden, zo vermeldt de toelichting op de klacht. Met andere woorden geldt dat het huishouden overeenstemming met Helpling bereikt, waarop Helpling overeenstemming met de schoonmaker bereikt. Volgens het subonderdeel zou het dan ook rechtens onjuist en onbegrijpelijk zijn dat er rechtstreeks overeenstemming zou bestaan tussen het huishouden en de schoonmaker.</p>\n<p class=\"lf-p\">13.21</p></div>", "next": 239488}